Ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing ‘Omgevingsvergunning Leeuwarden Buitengebied- Harnsterdyk 7 Stiens’
1
2
Inhoudsopgave
Toelichting
4
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging plangebied 1.3 Beschrijving geldende planologisch-juridische situatie 1.4 Leeswijzer
5 5 5 6 8
Hoofdstuk 2 Het plan 2.1 Huidige situatie 2.2 Historie van het bedrijf 2.3 Toekomstige situatie 2.4 Voorwaardelijke verplichting
10 10 11 11 13
Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Nationaal beleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid
15 15 16 17
Hoofdstuk 4 Milieuaspecten 4.1 Cultuurhistorie en archeologie 4.2 Ecologie 4.3 Externe factoren 4.4 Milieu 4.5 Water 4.6 Parkeren & Verkeer
21 21 26 27 28 33 39
Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid 5.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 5.2 Economische uitvoerbaarheid
41 41 41
Bijlagen toelichting
42
Bijlage 1
Inrichtingstekening
Bijlage 2
Advies Nije Pleats
Bijlage 3
Berekening geur
Bijlage 4
Berekening luchtkwaliteit
Bijlage 5
Besluit vergunning Wet natuurbescherming en positieve weigering vvgb
Bijlage 6
Beknopte levering uit de NDFF
Bijlage 7
Aanmeldnotitie m.e.r.
Bijlage 8
Mer-beoordelingsbesluit
Bijlage 9
Watertoets
3
Toelichting
4
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding De initiatiefnemer heeft een agrarisch bedrijf op het perceel te Harnsterdyk 7 Stiens. De onderneming kent drie pijlers: melkvee, vleeskuikens en biovergisting. Ook wordt er zonne-energie opgewekt. Het plan is opgenomen om het bestaande agrarisch bedrijf uit te breiden. Aanvankelijk is dit gebied opgenomen in Bestemmingsplan Bûtengebiet en doarpen, vastgesteld 4 juli 2013. Het perceel heeft in de huidige situatie de enkelbestemming agrarisch met een specifieke aanduiding voor een mestvergistingsinstallatie en een specifieke aanduiding voor een gemengd agrarisch bedrijf. De gewenste uitbreidingsplannen passen niet in het oude bestemmingsplan Bûtengebiet en doarpen (moederplan), omdat de stallen buiten het bouwvlak werden uitgebreid. In het moederplan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om een agrarisch bouwvlak te vergroten. Om het bouwvlak tot 3 hectare te vergroten is het wijzigingsplan ‘Stiens – Harnsterdyk 7’ opgesteld. De keuze voor de locatie van het bouwvlak en de randvoorwaarden voor inpassing zijn middels de Nije Pleats systematiek tot stand gekomen. Het wijzigingsplan ‘Stiens – Harnsterdyk 7’ is op 2 oktober 2018 vastgesteld’. Met het wijzigingsplan ‘Stiens – Harnsterdyk 7’ is het bouwvlak dus vergroot. Hierbij zijn de meeste regels zijn overgenomen van het moederplan.
Dit leidt nu tot een situatie dat er sprake is van een nieuw bouwvlak, waar de gewenste stallen in passen. Het nieuwe bouwvlak wordt landschappelijk ingepast, zoals tijdens de Nije Pleats sessie besproken. Echter, de stallen mogen per stuk een maximale oppervlakte hebben van 500 m2. De aangevraagde stallen zijn 3288 m2 per stal. Het moederplan bevatte een binnenplanse afwijking om af te wijken van de oppervlakte van 500 m2, deze afwijking is echter per abuis niet overgenomen in het wijzigingsplan. Om deze reden is een aanvraag omgevingsvergunning (uitgebreide procedure) aangevraagd.
1.2
Ligging plangebied De locatie ligt in het buitengebied van gemeente Leeuwarden, ten noordoosten van de kern Stiens. Op onderstaande afbeelding is de ligging weergegeven.
Afbeelding: Ligging plangebied
5
Afbeelding: Aanzicht plangebied
1.3
Beschrijving van de geldende planologisch-juridische situatie Bestemmingsplan Bûtengebiet en doarpen Ter plaatse gold tot 2018 het bestemmingsplan Bûtengebiet en doarpen, dat is vastgesteld op 04-07-2013. Op de locatie gelden de bestemmingen en aanduidingen: Enkelbestemming: 'Agrarisch'; Functieaanduiding specifieke vorm van agrarisch - bedrijfskavel gemengd 'agrarisch bedrijf' Functieaanduiding specifieke vorm van agrarisch - 'mestvergistingsinstallatie' Gebiedsaanduiding luchtvaartverkeerzone - 'ILS verstoringsgebied' Gebiedsaanduiding vrijwaringszone - 'radarverstoringsgebied' In artikel 3.3.3 van het bestemmingsplan is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen waarmee onder voorwaarden een bestaand bedrijfsgebouw kan worden uitgebreid met een oppervlakte groter dan 500 m2. De uitgangspunten ten aanzien van het uitbreiden van het bestaand bedrijfsgebouw zijn vertaald naar de wijzigingscriteria. In paragraaf 3.3.1 van de toelichting "Bestemmingsplan Buitengebied" wordt een nadere toelichting gegeven op deze uitgangspunten.
Oppervlakte bedrijfsgebouw Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 3.2.1 onder g in die zin dat een bedrijfsgebouw of een ondersteunende kas wordt gebouwd met een oppervlakte groter dan 500 m2, dan wel dat een bestaand bedrijfsgebouw of een bestaande ondersteunende kas wordt uitgebreid met of tot een oppervlakte groter dan 500 m2, mits: a. met een erfinrichtingsplan aansluiting wordt gezocht bij de bestaande bebouwing op de agrarische bedrijfskavel en het omgevingsbeeld, zodanig dat de bebouwing op een goede wijze in het landschap en in relatie tot de bestaande bebouwing wordt ingepast; b. met een lichtplan wordt aangetoond dat de lichtuitstoot vanuit de bedrijfsgebouwen geen nadelige effecten heeft op de omgeving; c. de gezamenlijke oppervlakte van ondersteunende kassen per bedrijfskavel ten hoogste 1.000 m2 za l bedragen; d. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, de natuurlijke en
6
landschappelijke waarden en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. In artikel 3.7.1 van het bestemmingsplan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarmee het bouwvlak kan worden vergroot tot 3 ha. De uitgangspunten ten aanzien van het vergroten van bouwpercelen zijn vertaald naar de wijzigingscriteria. In paragraaf 3.3.1 van de toelichting "Bestemmingsplan Buitengebied" wordt een nadere toelichting gegeven op deze uitgangspunten. Vergroten bouwvlak tot 3,00 hectare Burgemeester en Wethouders kunnen het plan wijzigen in die zin dat de aan een bedrijfskavelgrenzende gronden worden voorzien van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch -bedrijfskavel grondgebonden agrarisch bedrijf", "specifieke vorm van agrarisch - bedrijfskavel gemengd agrarisch bedrijf" of "specifieke vorm van agrarisch - bedrijfskavel niet-grondgebonden agrarisch bedrijf', met inbegrip van een wijziging van het daarbinnen gelegen bouwvlak, mits: a. de oppervlakte van het bouwvlak wordt vergroot tot ten hoogste 3,00 hectare, waarbij de oppervlakte van het bouwvlak in gebruik zijnde ten behoeve van niet-grondgebonden agrarische bedrijfsactiviteiten ten hoogste 1,50 hectare zal bedragen; b.
er zicht is op een langdurige vergroting van de productieomvang als gevolg van schaalvergroting of extensivering/verbreding van de bedrijfsactiviteiten en de noodzaak van de bedrijfsuitbreiding is aangetoond; c. er binnen de bestaande bedrijfskavel geen ruimte meer is voor de benodigde uitbreiding; d. met de vormgeving en inrichting van het bouwvlak zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de historisch gegroeide landschapsstructuur; e. de uitbreiding van de bedrijfskavel vergezeld gaat van een erfinrichtingsplan dat rekening houdt met het landschapstype; f. er voldoende afstand wordt aangehouden tot andere ruimtelijke elementen; g. de infrastructurele ontsluiting toereikend is voor de bedrijfsantwikkeling; h. er sprake is van een evenwichtige ordening, maatvoering en vormgeving van de bedrijfsgebouwen; i. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de mllieusituatie, de natuurlijke en landschappelijke waarden, de archeologische waarden, de woonsituatie, het bebouwingsbeeld en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; j. de waterbeheerder om advies is gevraagd in verband met de waterhuishoudkundige situatie en de maximaal te hanteren afvoernorm, waarbij een minimum wordt gehanteerd van ten minste 15% van de toegenomen oppervlakteverharding.
Vergroting van het bouwperceel en bouwvlak is onder voorwaarden mogelijk via een wijziging naar een oppervlakte met een maximum van 3 hectare. Overwegingen die hieraan ten grondslag liggen zijn:
de toenemende ruimtebehoefte van bedrijven als gevolg van bijvoorbeeld schaalvergroting. het bestemmingsplan moet voor zeker tien jaar in ontwikkelingsruimte voorzien; de druk, óók van uit milieu optiek, om de bedrijfsmatige activiteiten (zoals voederen mestopslag) zoveel mogelijk op de bouwpercelen te concentreren; de ruimte die agrariërs nodig hebben voor het oprichten van een agrarische neventak, waarmee een (soms noodzakelijk) aanvullend inkomen kan worden verworven en die past binnen het streven naar plattelandsvernieuwing; de
7
noodzaak om aan de steeds groter wordende landbouwvoertuigen de nodige manoeuvreer- en opslagruimte te bieden. Voorwaarde bij het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid is dat er binnen het gegeven bouwvlak geen ruimte meer is om de uitbreiding te realiseren. Er moet ook sprake zijn van langdurige vergroting van de productieomvang en de noodzakelijkheid van de uitbreiding moet worden aangetoond. Hiermee wordt voorkomen dat bedrijven onnodig uitbreiden en dat er onnodig bebouwing in het landelijk gebied gerealiseerd wordt, die in de nabije toekomst zijn nut weer verliest. De uitbreiding van het bouwvlak moet landschappelijk ingepast zijn. Daarom moet de uitbreiding vergezeld gaan van een erfinrichtingsplan. Hierin moet aangetoond worden dat met de inrichting rekening gehouden is met het landschapstype, de landschapsstructuren, dat er sprake is van passende bebouwing en dat er voldoende afstand bewaard wordt tot omliggende ruimtelijke elementen. Voor de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid wordt toepassing gegeven aan de methodiek van de Nije Pleats van de provincie, waarbij ook de eis van plaatsgebondenheid van het bedrijf bepalend is.
Wijzigingsplan ‘Stiens – Harnsterdyk 7’ Met wijzigingsplan ‘Stiens – Harnsterdyk 7’ is aangetoond dat aan de voorwaarden van artikel 3.7.1 van het bestemmingsplan ‘Bûtengebiet en doarpen’ en is het bouwvlak ter plaatse, na de vaststelling van het wijzigingsplan ‘Stiens – Harnsterdyk 7’ op 10-02-2018, vergroot tot 3 ha. Per abuis is afwijkingsgrondslag 3.3.3 uit het moederplan (bestemmingsplan ‘Bûtengebiet en doarpen) voor stallen groter dan 500 m2 niet opgenomen in het wijzigingsplan ‘Stiens Harnsterdyk 7’. Aangezien in het wijzigingsplan geen afwijkingsmogelijkheid (of wijzigingsbevoegdheid) kent en geen medewerking kan worden verleend met toepassing van artikel 2.12 lid 1 onder a onder 2° van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht jo. artikel 4 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, kan alleen medewerking aan de aanvraag omgevingsvergunning worden verleend door middel van een planologische procedure; de zgn. ‘buitenplanse grote afwijking’ waar een ruimtelijke onderbouwing onderdeel van uit maakt. Voor dit plan is een ‘verklaring van geen bedenkingen’ van de gemeenteraad vereist.
1.4
Leeswijzer In hoofdstuk 2 worden de huidige en de toekomstige situatie van het plangebied beschreven. Hoofdstuk 3 gaat in op het beleid van het Rijk, de provincie en de gemeente. In hoofdstuk 4 worden de milieuaspecten beschreven. Hoofdstuk 5 behandelt de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.
8
9
Hoofdstuk 2 2.1
Het plan
Huidige situatie Het perceel aan de Harnsterdyk 7 te Stiens is gelegen aan de westzijde van de weg en bestaat uit diverse opstallen voor het houden van vleeskuikens en melkvee, evenals de opslag van drijfmest en een biogasinstallatie. De melkveehouderij heeft een capaciteit van 98 stuks. melkvee met 51 stuks bijbehorend jongvee. Op dit moment houdt Mts De Boer circa 70 stuks melkvee met bijbehorend jongvee en heeft de maatschap 60 ha grond in gebruik. Voor de vleeskuikentak met max. 84.000 vleeskuikens staan er 2 stallen, welke emissiearm zijn ingericht. De kuikens worden op reguliere wijze gehouden in grondstallen met volledig strooiselvloer. De strooiselmest wordt aangewend in de biovergister en de stallen worden verwarmd met thermische energie uit de WKK van de biogasinstallatie d.m.v. warmwaterbuizen. De biogasinstallatie is sinds oktober 2005 in gebruik. Aanvankelijk met een vermogen van 190 kW. In 2011 is de installatie uitgebreid met een warmtekrachtinstallatie (WKK) van 400 kW. Daarmee kwam de capaciteit op 590 kW. De rundveedrijfmest en de strooiselmest van de kuikens gaan in de vergister met coproducten als frietafval (McCain), tulpenbollen, bermgras, uienvellen, enz. Behalve eigen mest gebruikt Mts De Boer ook mest van derden. Het biogas dat daarbij ontstaat, wordt d.m.v. een WKK omgezet in elektriciteit, voldoende voor 880 huishoudens.
De warmte die daarbij vrijkomt wordt gebruikt door een sportcomplex met zwembad twee kilometer verderop, en deels gebruikt om de kuikenstallen van warmte te voorzien. Het digestaat wordt afgezet bij akkerbouwers.
Afbeelding: Huidige situatie
10
2.2
Historie van het bedrijf Maatschap De Boer is gespitst op nieuwe ontwikkelingen en waar men het bedrijf kan verduurzamen, zal men het niet laten. Zo is vroegtijdig geïnvesteerd in biogas om ‘van mest stroom te maken’ en zijn het afgelopen jaar zonnepanelen aangebracht om duurzame energie op te wekken.
2.3
Toekomstige situatie Ruimtelijke situatie In 2017 is bij de voormalige gemeente Leeuwarderadeel een principeverzoek ingediend voor het vergroten van het agrarisch bouwvlak van het perceel Harnsterdyk 7 te Stiens. Op 11 april 2017 is het principeverzoek behandeld in het college van de voormalige gemeente Leeuwarderadeel. Het college heeft besloten in principe planologische medewerking te verlenen voor vergroten van het agrarisch bouwvlak naar 3 ha onder voorwaarden: dat met de maatschap De Boer Talsma een planschadeovereenkomst wordt opgesteld waarin wordt vastgelegd dat eventuele planschade voor rekening van de initiatiefnemer komt; dat er een ruimtelijke onderbouwing wordt opgesteld waarin wordt aangegeven dat wordt voldaan aan de voorwaarden zoals aangegeven in artikel 3.3.3, artikel 3.7.1 van de regels en paragraaf 5.2.2.2 van de toelichting en dat wordt voldaan aan de maatvoering eisen zoals gesteld in de bouwregels onder artikel 3.2 van het bestemmingsplan; dat de landschappelijke inpassing van de uitbreiding van het bouwvlak wordt uitgevoerd overeenkomstig het "Handboek voor het Landschap", de "beleidsregel Landschappelijke inpassing" conform het besluit van het college d.d. 20 mei 2014 en volgens de Nije Pleats methodiek; Over dit plan is in 2018 overleg gevoerd met medewerkers van de gemeente Leeuwarden.
Uit de gesprekken bleek dat het wijziginsplan ruimte biedt voor het plan. Het wijzigingsplan voor Harnsterdyk 7 dient daarvoor gewijzigd te worden, zodanig dat er een bouwblok van 3 ha ontstaat, waarvan 1,5 ha wordt gebruikt voor de niet grondgebonden ‘intensieve veehouderij’. Met het oog op de middellange termijn is ook een uitbreiding in de rundveehouderij voorzien. Dit om op te schalen naar een volwaardige eenheid van 150 st. melkvee met bijbehorend jongvee. Dit voornemen heeft geen prioriteit, maar in de planvorming en presentatie van het wijzigingsplan al wel vast meegenomen. Met de nieuwe stallen erbij krijgt het bouwvlak weer een ‘rechthoek’-vorm en een zekere mate van compactheid. Er is sprake van een evenwichtige ordening, maatvoering en vormgeving van de gebouwen, zo blijkt uit de bijgesloten milieutekening voor de beoogde situatie met plattegrond en doorsnede gebouwen. De nieuwe stallen komen in lijn met de huidige stallen verder van de weg af te staan, waardoor de boerderij ertegenover zo min mogelijk wordt gehinderd. Bovendien wordt het geheel landschappelijk goed ingepast.
11
Afbeelding: Toekomstige gewenste ontwikkeling met aanduiding grens Huisvesting vleeskuikens De huisvesting van vleeskuikens voldoet aan het Besluit huisvesting en de Wet dieren. De te verlengen stal is emissiearm voor zowel ammoniak als fijnstof, wat het stalklimaat voor de dieren ten goede komt. De Wet dieren heeft de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (Gwwd) en een aantal andere wetten met regels voor het houden van dieren vervangen, waaronder het Vleeskuikenbesluit. In de Wet dieren staat de intrinsieke waarde van het dier centraal; dierenwelzijn gaat over de kwaliteit van het leven van dieren. Voor het houden en verzorgen van productiedieren gelden algemene regels. Daarnaast zijn er voor een aantal diersoorten specifieke regels vastgesteld, waaronder die voor vleeskuikens. In het Besluit houders van dieren staan regels voor het welzijn en de gezondheid van de vleeskuikens. Zo zijn welzijnseisen voor vleeskuikens en regels voor het huisvesten en het afvoeren van vleeskuikens, waarop gecontroleerd wordt door de NVWA. Alhoewel de initiatiefnemer vergunning heeft voor gangbare kuikens, houdt hij traaggroeiende vleeskuikens (Goed Nest Kippen), waarvoor bepaalde eisen gelden. Deze zijn te vinden in het Besluit houders van dieren en de Regeling houders van dieren, welke zijn te raadplegen op de site van de Rijksdienst voor Ondernemend
12
Nederland (RVO). De initiatiefnemer voldoet momenteel aan deze eisen. In de bestaande stallen kunnen in de toekomstige situatie door het houden van 'nieuwe standaard kip' minder dieren worden gehuisvest. Het plan is daarom twee stallen bij te bouwen. De Boer moet echter, gezien de marktwerking, rekening houden met het ‘terug kunnen schakelen’ of ‘over kunnen schakelen’ naar een van de andere bedachte marktconcepten, in het geval het markconcept waar hij zich bij aansluit over enkele jaren wordt beëindigd of evolueert naar een andere setting. De stallen moeten multifunctioneel zijn en meerdere concepten kunnen huisvesten.
2.4
Voorwaardelijke verplichting Voorwaarden van de wijzigingsbevoegdheid voor het vergroten van het bouwvlak is dat de uitbreiding van het bouwvlak landschappelijk moet zijn ingepast. Daarom moet de uitbreiding vergezeld gaan van een beplantingsplan/landschapsplan. Hierin moet worden aangetoond dat met de inrichting rekening gehouden is met het landschapstype, de landschapsstructuren, dat er sprake is van passende bebouwing en dat er voldoende afstand bewaard wordt tot omliggende ruimtelijke elementen. Voor de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid wordt toepassing gegeven aan de methodiek van de Nije Pleats van de provincie, waarbij ook de eis van plaatsgebondenheid van het bedrijf bepalend is. In de collegevergadering van 20 mei 2014 heeft het college beleid vastgesteld ten aanzien van de landschappelijke inpassing. Het "Handboek voor het Landschap" en "De beleidsregel Landschappelijke Inpassing" zijn meegenomen bij de landschappelijke inpassing. In Bijlage 2 is het advies van Neije Pleats opgenomen met daarin een inrichtingsschets. De inrichtingsschets dient tevens als voorwaardelijke verplichting bij de uitvoering van het wijzigingsplan. Als de omgevingsvergunning onherroepelijk in werking treedt kunnen de bouwwerkzaamheden starten. Na gereed melding van de bouwwerkzaamheden zal de beplanting conform het (door de Nije Pleats goedgekeurde) beplantingsplan worden uitgevoerd.
De beplanting zal worden aangebracht in het beplantingsseizoen (oktober t/m april), indien de bouw gedurende beplantingsseizoen gereed wordt gemeld. Indien de bouwwerkzaamheden worden afgerond buiten het beplantingsseizoen dan zal de beplanting worden aangebracht in het eerst volgende beplantingsseizoen.”
13
poocioo(D000
11111111111[11111111l111111
-ICCr)
0
Afbeelding: Inrichtingsschets uit advies Nije Pleats
14
Hoofdstuk 3
Beleidskader
3.1
Nationaal beleid
3.1.1
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 is de nationale Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) van kracht geworden. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geeft het Rijk haar visie aan op de ruimtelijke- en mobiliteitsopgaven voor Nederland richting 2040. Dit betreft een nieuw, integraal kader dat de basis vormt voor bestaand en nieuw Rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. Voor de periode tot 2028 zijn de ambities van het Rijk in drie Rijksdoelen uitgewerkt: vergroten van de concurrentiekracht door versterking van de ruimtelijkeconomische structuur van Nederland; verbeteren van de bereikbaarheid; zorgen voor een leefbare en veilige omgeving met unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden. Het Rijksbeleid met betrekking tot de landbouw is niet zozeer gericht op de (on)mogelijkheden met betrekking tot de bedrijfsvoering, maar meer op de landbouw in relatie tot het omringende landschap, onder meer op het gebied van natuur, milieu en waterbeheer. Het Rijk zet in op de verduurzaming van het Europees Landbouwbeleid (GLB) waarbij grondeigenaren kunnen worden gestimuleerd en beloond bij maatschappelijke prestaties op de voorgenoemde terreinen. Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden zijn behouden, is één van de Rijksdoelen.
Om flora- en faunasoorten in staat te stellen om op lange termijn te overleven en zich te ontwikkelen, is het behoud van leefgebieden en de mogelijkheid om zich te kunnen verplaatsen tussen leefgebieden essentieel. In het Rijksbeleid worden de (begrensde) gebieden van de (herijkte) Ecologische Hoofdstructuur (EHS) aangemerkt als onderdeel van de nationale Ruimtelijke Hoofdstructuur. Het plangebied ligt echter niet binnen de EHS en er worden dus geen waarden van het gebied aangetast bij het voorgenomen project. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is niet strijdig met de Strucutuurvisie Infrastructuur en Ruimte.
15
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Omgevingsvisie In het streekplan Fryslân 2007 (vastgesteld door Provinciale Staten op 13 december 2006) wordt de gewenste ruimtelijke ontwikkeling van de provincie aangegeven. Centraal staan de relaties tussen stad en platteland, waarbij sprake is van een wisselwerking tussen beide gebieden. De provincie zet in op een concentratie van verstedelijking (wonen, werken en voorzieningen) in de stedelijke gebieden, zonder dat dit ten koste gaat van de vitaliteit van het omringende platteland. Het beleid is vertaald naar regels voor ruimtelijke ontwikkelingen in de Verordening Romte en heeft geen directe doorwerking in dit wijzigingsplan.
3.2.2
Verordening Romte Fryslan/werkwijze RO 2014 Op 25 juni 2014 hebben Provinciale Staten de Verordening Romte Fryslan/werkwijze RO 2014 vastgesteld. De verordening stelt regels die ervoor moeten zorgen dat de provinciale ruimtelijke belangen doorwerken in de gemeentelijke ruimtelijke plannen. Uitgangspunt is dat de verordening niet meer regelt dan noodzakelijk is. Wat elders al goed geregeld is (in de AMvB Ruimte of in andere wet- en regelgeving) hoeft niet over te worden gedaan. Verder is bij de wijze van regeling rekening gehouden met de verantwoordelijkheid van gemeenten. Binnen randvoorwaarden is ruimte voor lokaal maatwerk. De verordening is alleen van toepassing op nieuwe bestemmingsplannen. Uit de verordening volgt dus niet de plicht om bestaande bestemmingsplannen aan te passen. Toekomstig nieuw provinciaal beleid zal via een herziening van de verordening door kunnen werken. De verordening is daarmee dynamisch en zal regelmatig worden aangepast. Grondgebondenheid melkveehouderij De begripsbepaling Verordening Romte (toelichting pag. 63 Verordening Romte): “Een veehouderij is grondgebonden wanneer het voor het vee benodigde ruwvoer overwegend - d.w.z. in ieder geval meer dan de helft - afkomstig is van de bij het bedrijf behorende landbouwgrond". Uit landbouwkundige productiegegevens blijkt dat bij een veebezetting van ca.
3 grootvee-eenheden (GVE) of minder per hectare gras en voedergewassen aan deze voorwaarde wordt voldaan; ook de meeste mest kan dan bij het bedrijf worden afgezet. Groot Vee Eenheid (GVE): rekeneenheid voor het vaststellen van de veebezetting zoals vastgelegd door de Europese Commissie (EU 2009, L329/3). Melkkoe = 1,0 GVE, kalf =0,4 GVE, paard = 0,8 GVE, schaap of geit = 0,1 GVE) Omgerekend komt dit uit op ruim 0,3 hectare of meer per GVE. Dit richtgetal is een gemiddelde voor efficiënt producerende veebedrijven. Het getal houdt geen rekening met individuele omstandigheden, bijv. een veehouder die veel ruwvoer per ha produceert. Onder de bij het bedrijf behorende landbouwgrond wordt verstaan landbouwgrond in de directe omgeving van het bedrijf waar het bedrijf structureel, bij voorkeur op basis van eigendom of langdurige pacht, over kan beschikken. In de regel is 20 km een afstand waarbinnen een agrarisch bedrijf nog adequaat de bijbehorende grond kan verzorgen en benutten, en daarop toezicht kan uitoefenen. Naast deze GVE methode kan een gemeente grondgebondenheid als volgt beoordelen:
16
Per veehouder op basis van individuele gegevens bepalen hoeveel hectares de veehouder in gebruik/beheer moet hebben voor de gewenste mate van zelfvoorziening. Deze methode houdt rekening met individuele omstandigheden en biedt ruimte voor maatwerk. Per bedrijf zijn gegevens nodig over de omvang van de veestapel en de hoeveelheid grond in gebruik en beheer, productie en samenstelling van melk, mest en ruwvoer en mestafzet. Deze gegevens staan meestal in het bedrijfsplan. Met uitzondering van de ruwvoerproductie, betreft het gegevens die de veehouder standaard bijhoudt en jaarlijks aanlevert bij het Ministerie van EZ (Dienst Regelingen). Een combinatie van verschillende gegevens/ indicatoren, bijvoorbeeld voldoende areaal grond in de omgeving voor ruwvoerproductie, mestafzet en weidegang, ligging van stallen ten opzichte van aangrenzende gronden, type stalsysteem en feitelijke inrichting van de stal, milieuvergunning/melding, meitellingen. Ook gemiddelde verhoudingsgetallen van aantal dieren per ha of gemiddeld grondoppervlak per bedrijfsomvang kunnen indicaties geven; fijnregulering vindt vervolgens plaats via de mest- en milieuregelgeving. Dit vergt een goede onderbouwing per geval. Er wordt onderkend dat een groeiend bedrijf soms niet meteen over de benodigde grond beschikt.
In dat geval zal aannemelijk gemaakt moeten worden dat het bedrijf binnen redelijke tijd over de grond kan beschikken. Dit kan op basis van het bedrijfsplan.
In geval van De Boer: Op dit moment ca. 70 st. melkvee met bijbehorend jongvee op 60 ha grond, dat is een veebezetting van 89 GVE/60 ha is ca. 1,5 GVE/ha. Op dit moment 98 st. melkvee en 51 st. jongvee milieuvergund, dat is 118 GVE/60 ha is ca. 2,0 GVE/ha. Op (middellange) termijn 150 st. melkvee en 100 st. jongvee op 60 ha (of meer), dat is 190 GVE/60 ha is ca. 3,1 GVE/ha. De omvang van de melkveehouderij beperkt zich tot ca. 3 GVE/ha en ligt in lijn met de streefwaarde van de Verordening Romte. Bovendien: alle mest van de melkveehouderij wordt verwerkt in de bedrijfseigen vergister. De veehouderij van De Boer is zelfvoorzienend, grondgebonden, en alle mest kan bij het bedrijf worden afgezet. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling past binnen de beleidskeuzes en uitgangspunten van de provincie Friesland.
3.3
Gemeentelijk beleid In deze paragraaf wordt het gemeentelijke beleid dat inhoudelijk betrekking heeft op de voorgenomen ontwikkeling beschreven. De gemeente Leeuwarderadeel is in januari 2018 gefuseerd met de gemeente Leeuwarden. Voor het plangebied zijn voor het grootste deel (nog) de beleidsdocumenten van de voormalige gemeente Leeuwarderadeel van kracht.
17
3.3.1
Bestemmingsplan Buitengebied Het ruimtelijke beleid voor het plangebied was tot 2018 neergelegd in het bestemmingsplan “Bûtengebiet en doarpen” (moederplan). Daarin zijn de gronden bestemd als “Agrarisch” met de functieaanduiding “specifieke vorm van agrarisch bedrijfskavel grondgebonden agrarisch bedrijf” en gebiedsaanduidingen “luchtvaartverkeerzone - ILSVerstoringsgebied” en “vrijwaringszone radarverstoringsgebied”. Het bestemmingsplan Bûtengebied en doarpen (moederplan), vastgesteld op 4 juli 2013, kent de mogelijkheid tot wijziging van de omvang van de bedrijfskavel en het bouwvlak tot 3 hectare, mits aan de voorwaarden wordt voldaan en mits goed onderbouwd (art. 3.7.1). De voorwaarden uit de wijzigingsbevoegdheid zijn onderbouwd in het wijzigingsplan. Het opstarten van een wijzigingsprocedure is een bevoegdheid, het college kan hieraan meewerken, dit is geen verplichting voor het college. Op 2 oktober 2018 heeft het college besloten het wijzigingsplan vast te stellen. In het wijzigingsplan zijn de afwijkingscriteria, voor het bouwen van stallen groter dan 500 m2, uit het moederplan per abuis niet zijn opgenomen in het wijzigingsplan. Hierdoor kan geen medewerking worden verleend aan het bouwplan middels een omgevingsvergunning reguliere procedure (kleine binnenplanse afwijking).
Met een omgevingsvergunning uitgebreide procedure (grote buitenplanse afwijking) kan wel medewerking worden verleend aan het bouwplan. Logischerwijs wordt een omgevingsvergunning uitgebreide procedure (grote buitenplanse afwijking) uitsluitend verleend als wordt voldaan aan de afwijkingscriteria van artikel 3.3.3, voor het bouwen van stallen groter dan 500 m2, uit het moederplan.
3.3.1.1
Oppervlakte bedrijfsgebouw In artikel 3.3.3 van het moederplan is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen waarmee onder voorwaarden een bestaand bedrijfsgebouw kan worden uitgebreid met een oppervlakte groter dan 500 m2. De uitgangspunten ten aanzien van het uitbreiden van het bestaand bedrijfsgebouw zijn vertaald naar de wijzigingscriteria. Deze criteria worden in deze paragraaf behandeld. Met een omgevingsvergunning (reguliere procedure) kon worden afgeweken van het bepaalde in lid 3.2.1 onder g in die zin dat een bedrijfsgebouw of een ondersteunende kas wordt gebouwd met een oppervlakte groter dan 500 m2, dan wel dat een bestaand bedrijfsgebouw of een bestaande ondersteunende kas wordt uitgebreid met of tot een oppervlakte groter dan 500 m2, mits: a. met een erfinrichtingsplan aansluiting wordt gezocht bij de bestaande bebouwing op de agrarische bedrijfskavel en het omgevingsbeeld, zodanig dat de bebouwing op een goede wijze in het landschap en in relatie tot de bestaande bebouwing wordt ingepast. Dit is gedaan middels het erfinrichtingsplan dat is opgenomen in Bijlage 2 en daarnaast als voorwaardelijke verplichting in de regels is opgenomen. b. met een lichtplan wordt aangetoond dat de lichtuitstoot vanuit de bedrijfsgebouwen geen nadelige effecten heeft op de omgeving. De ontwikkeling betreft een agrarisch bedrijf.
Er zal enkel (zichtbare) verlichting ten behoeve van het zicht op het erf worden gerealiseerd. Hierbij wordt ook gekozen voor verlichting dat passend en gebruikelijk is op agrarische erven. Er zal geen overvloedige hoeveelheid aan verlichting worden gerealiseerd. c. de gezamenlijke oppervlakte van ondersteunende kassen per bedrijfskavel ten hoogste 1.000 m2 za l bedragen. Er worden geen kassen gerealiseerd. d. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, de natuurlijke en landschappelijke waarden en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende
18
Ruimtelijke onderbouwing ‘Omgevingsvergunning Leeuwarden Buitengebied – Harnsterdyk 7 Stiens’ 19
19
gronden. Dit wordt aangetoond in Hoofdstuk 4.
3.3.2
Welstand De welstandscommissie Hûs en Hiem heeft het bouwplan beoordeeld op 12 januari 2021. Het bouwplan voldoet volgens de commissie aan de redelijke eisen van welstand.
3.3.3
Nije Pleats Om een goede ruimtelijk-landschappelijke inpassing te borgen is de planvorming (wijzigingsplan en daarna bouwplan) via het spoor van de Nije Pleats tot stand gekomen. Op 28 augustus 2017 heeft de Nije PLeats advies uitgebracht. Het voorliggende bouwplan en bijbehorende beplantingsplan is in overeenstemming met het Nije Pleats advies (zie bijlage 2).
20
Hoofdstuk 4
Milieuaspecten
In dit hoofdstuk worden de milieuaspecten die inhoudelijk betrekking hebben op de voorgenomen ontwikkeling zoals beschreven.
4.1
Cultuurhistorie en archeologie Cultuurhistorie Historische en landschappelijke analyse Op de relatief hoog gelegen Kwelderwal is de eerste bewoning in het kleigebied tot stand gekomen. De nederzettingsvorm heeft zich sterk ontwikkeld door de voortdurende ophoging tot terpbewoning en de daaropvolgende bedijkingen. De terpdorpen zijn via een reeks lineaire wegen met elkaar verbonden. Het grondgebruik bestaat op de kwelderwal veelal uit akkerbouw terwijl de lagergelegen kweldervlakte en het aansluitende kleiterpengebied uit grasland bestaan.De fysische ondergrond in het kleiterpengebied wordt gekenmerkt door een uiterst grillig patroon van kweldervlakten waarin vele slenken, ruggen en kommen voorkomen met zo nu en dan oude polder- of zeedijken. Hiermee hangt ook het grillige, ruimtelijke complexe occupatiepatroon samen. Hetzelfde geldt voor de natuurlijke hoogteverschillen in de vorm van ruggen en kommen en het stelsel van dijken, paden en vaarten. Ontsluitingswegen liggen op oude kreekruggen of radiaal rond de terpen. Veel paden en wegen lopen dood in de lagere delen of zijn later doorgetrokken als ruilverkavelingswegen. Rond de terpdorpen komt een terpgericht stelsel van kerkenpaden voor. Vroeger was het waterwegennet van opvaarten en miedvaarten uiterst belangrijk. Nu nog liggen vele dorpen en boerderijen aan op- of miedvaarten.
Behalve enige (zware) wegbeplanting en verspreid voorkomende erfbeplanting bij dorpen en boerderijen is er geen opgaande beplanting. Nog altijd zijn veel cultuurhistorische boerderijplaatsen terug te vinden in het landschap. Het plangebied is gelegen aan een van de verbindingswegen tussen deze boerderijplaatsen.
21
Afbeelding: Cultuurhistorische kaart Friesland (CHK2) - boerderijplaatsen
Afbeelding: Historische kaart jaar 1938 Reeds voor het jaar 1938 zijn enkele boerderijplaatsen toegevoegd, waardoor er een bebouwingslint is ontstaan.
22
Ruimtelijke onderbouwing ‘Omgevingsvergunning Leeuwarden Buitengebied – Harnsterdyk 7 Stiens’ 22
23
Afbeelding: Historische kaart jaar 1992 In 1992 is voor het eerst bebouwing te zien binnen het plangebied.
Afbeelding: Historische kaart jaar 2000 De bebouwing breidt zich uit in noordelijke richting door de toevoeging van een stal.
Afbeelding: Historische kaart jaar 2005
24
Deze uitbreiding wordt doorgezet in het jaar 2005 door de toevoeging van nog een stal.
Afbeelding: Historische kaart jaar 2009
In 2009 is te zien dat een vergister is bijgebouwd.
Afbeelding: Historische kaart jaar 2011
In het jaar 2011 is de biogasinstallatie bijgebouwd. Dit was tot dusver de laatste ontwikkeling binnen het plangebied.
25
Afbeelding: Recente kaart plangebied De ontwikkelingen rondom het plangebied zijn zeer gestaag gegaan waarbij steeds rekening is gehouden met de plaatsing van de gebouwen.
Archeologie Het vigerende bestemmingsplan geeft geen aanduiding weer met betrekking tot archeologische waarden in het plangebied. Om deze reden kan gesteld worden dat het gebied niet gelegen is op archeologisch waardevolle grond.
Conclusie Het aspect 'Cultuurhistorie en archeologie' levert geen belemmeringen op voor het plan.
4.2
Ecologie
4.2.1
Wnb Sinds 1 januari 2017 vervangt de Wet Natuurbescherming de Flora & Faunawet, de Natuurbeschermingswet en de Boswet. Voor de uitvoering van de wet heeft de provincie de bevoegdheid gekregen om vrijstellingen, ontheffingen en vergunningen te verlenen voor gebiedsbescherming, soortenbescherming, schadebestrijding en behoud van houtopstanden. Voor een aantal specifieke taken blijft het Rijk bevoegd. De wet regelt de volgende onderwerpen: Houtopstanden (voormalige Boswet) Soortenbescherming (voormalige Flora & Faunawet) Gebiedsbescherming (voormalige Natuurbeschermingswet) Gebiedsbescherming en Programma Aanpak Stikstof Voor de ontwikkeling is een vergunning afgegeven door de provincie Friesland op 3 februari 2017. Deze vergunning is opgenomen onder Bijlage 5. Bij de ontwikkeling worden de voorschriften die betrekking hebben op de vergunning nageleefd.
26
4.2.2
Flora en Fauna onderzoek Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is het Natuurloket geraadpleegd. De gegevens brengen in beeld wat in een bepaald gebied bekend is over het voorkomen van planten- en diersoorten en zijn voor iedereen beschikbaar. Voordat waarnemingen zichtbaar zijn, worden ze eerst gevalideerd. Dat gebeurt aan de hand van kennisregels en beoordelingen van experts. Een beknopte levering uit het NDFF is in Bijlage 6 opgenomen.
Afbeelding: Uitsnede waarnemingen natuurloket
Conclusie De ecologische aspecten leveren geen belemmeringen op voor het plan. Het betreft een weidse omgeving met weiland. Er bevinden zich in het gebied geen bosschages. Om deze reden kan gesteld worden dat er geen wezenlijke inbreuk op de Flora en Fauna te verwachten is.
4.3
Externe factoren
4.3.1
Externe veiligheid Dit gebied heeft de gebiedsaanduiding 'luchtvaartverkeerzone - ILS verstoringsgebied' en 'Gebiedsaanduiding vrijwaringszone - radarverstoringsgebied'. Vanwege de aanwezigheid van het ILS-verstoringsgebied rond de Vliegbasis Leeuwarden, is er een aanduiding opgenomen die de werking van dit systeem moet beschermen. Door een maximale bouwhoogte op de verbeelding weer te geven, wordt voorkomen dat het systeem mogelijk verstoord wordt. Op de met 'Luchtverkeerzone-ILS Verstoringsgebied' aangeduide gronden zal de bouwhoogte van bouwwerken binnen de ter plaatse voorkomende bestemmingen ten hoogste de binnen de gebiedaanduiding 'Luchtverkeerzone-ILS Verstoringsgebied' aangegeven bouwhoogte (m), ten opzichte van NAP, dan wel de bestaande bouw- of tiphoogte bedragen. De maximaal toelaatbare bouwhoogte tussen de aangegeven contouren wordt door lineaire interpolatie bepaald (lid 38.13.2 algemene aanduidingsregels bestemmingsplan Bûtengebiet en doarpen).
27
Om te zorgen voor een goede werking van de radar van de vliegbasis Leeuwarden is de aanduiding vrijwaringszone-radarverstoringsgebied opgenomen. Er is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen om hogere bebouwing toe te staan. Dit kan alleen toegestaan worden als uit een beoordeling door de beheerder van de radar is gebleken dat door de bouw van het bouwwerk het radarbeeld van het luchtruim niet ontoelaatbaar wordt verstoord en vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de beheerder van de radar. Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 38.13.2 in die zin dat de bouw- of tiphoogte, ten opzichte van NAP, wordt overschreden, mits: uit een beoordeling door de beheerder van de radar is gebleken dat door de bouw van het bouwwerk het radarbeeld van het luchtruim niet ontoelaatbaar wordt verstoord;
vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de beheerder van de radar. Conclusie
Het toekomstige bouwwerk is van niet dusdanige hoogte dat deze een belemmering vormt voor externe factoren en om deze reden zal er geen hinder ontstaan binnen het radarverstoringsgebied.
4.3.2
Kabels en leidingen Door het plangebied lopen boven- of ondergronds geen hoofdleidingen.
4.4
Milieu
4.4.1
Bodem Ten aanzien van de bodemkwaliteit geldt de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) Besluit bodemkwaliteit. Gestreefd wordt naar een duurzaam gebruik van de bodem. Bij een ruimtelijk plan moet de bodemkwaliteit van het betreffende gebied inzichtelijk worden gemaakt. Hierbij is van belang te weten of er bodemverontreiniging is die de functiedoelen kan frustreren, of er gezondheidsrisico's of ecologische risico's daardoor zijn en wat de mogelijkheden zijn om er tijdig iets aan te doen. Hiervoor is wettelijk verplichte informatie over de bodemkwaliteit nodig. Het uitgangspunt wat betreft de bodem in het plangebied is, dat de kwaliteit ervan zodanig dient te zijn dat er geen risico's zijn voor de volksgezondheid bij het gebruik van het plangebied voor de voorgenomen functie(s). Voor het plangebied is geen bodemvervuiling bekend en er is ook geen aanleiding om te veronderstellen dat deze aanwezig is. Nader onderzoek wordt niet nodig geacht.
Conclusie Het aspect 'bodem' levert geen belemmeringen op bij de voorgenomen ontwikkeling.
28
4.4.2
Geur In het kader van luchtkwaliteit is door Hoeve Advies onderzoek gedaan naar de luchtkwaliteit, zowel naar de vergunde situatie als de beoogde situatie. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 25 september 2017. Het rapport is opgenomen in Bijlage 3. De geuremissie van legkippen is 0,34 OUE/d/s. Hiervoor geldt een minimale afstand van 50 m tot het emissiepunt en 25 m van gevel-tot-gevel t.o.v. geurgevoelige objecten. Daar wordt aan voldaan. De hoogste geurbelasting op de dichtbijgelegen geurgevoelige objecten in het buitengebied is 6,9 OUE/m3 terwijl het 8,0 OUE/m3 mag zijn.
Conclusie Het aspect 'geur' levert geen belemmeringen op bij de voorgenomen ontwikkeling.
4.4.3
Luchtkwaliteit In het kader van luchtkwaliteit is door Hoeve Advies onderzoek gedaan naar de luchtkwaliteit. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 10 november 2016. Het rapport is opgenomen in Bijlage 4. Fijnstofconcentratie PM10 De bijdrage vanuit het bedrijf t.o.v. de omwonenden varieert afhankelijk van de afstand tot het bedrijf. De hoogste fijnstofconcentratie bij de omliggende woningen is 17,42 µg/m3. Na aftrek van de 2 µg/m3 aan zeezoutcorrectie geeft dit een netto concentratie van 15,42 µg/m3. Dit is lager dan het maximale jaargemiddelde van 40 µg/m3 wat is toegestaan. Zonder rekening te houden met de zeezoutcorrectie blijkt het aantal dagen overschrijding van 50 µg/m3 ten opzichte van de omliggende woningen maximaal 6,2 dagen te zijn. Na aftrek van de 2 correctiedagen is de netto overschrijding 4,2 dagen t.o.v. het meest gevoelig te beschermen object. Dat is lager dan de maximale 35 dagen die zijn toegestaan. De boogde situatie voldoet aan de randvoorwaarden van de Wet luchtkwaliteit. Fijnstofconcentratie PM2.5 Uit de fijnstofconcentratie berekening PM10 komt een jaargemiddelde concentratie van 15,42 µg/m3. In het fijnstof PM10 ligt PM2.5 opgesloten. Het totaal aan PM10 bestaat voor een beperkt deel uit PM2.5. De fijnstofconcentratie van PM2.5 is dus een fractie van 15,42 µg/m3 en kan dus nooit groter zijn dan deze waarde zelf.
Hieruit volgt dat de PM2.5 concentratie onder de maximale concentratie van 25,0 µg/m3 blijft. De boogde situatie voldoet aan de randvoorwaarden van de Wet luchtkwaliteit.
Conclusie Het aspect 'luchtkwaliteit' levert geen belemmeringen op bij de voorgenomen ontwikkeling.
29
4.4.4
Ammoniak In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is de mogelijke invloed op stikstofgevoelige gebieden onderzocht. De gevolgen wat betreft emissiewaarden voor deze ontwikkeling zijn opgenomen in de Wnb-vergunning en de positieve weigering onder Bijlage 5. Op grond van de beoordeling kan worden verzekerd dat de natuurlijke kenmerken van de betrokken relevante genoemde Natura 2000-gebieden niet zullen worden aangetast door de aangevraagde activiteit, mits de vergunning en de daaraan verbonden voorschriften onverkort worden nageleefd. De huisvesting van vleeskuikens voldoet aan het Besluit huisvesting en de Wet dieren. De te verlengen stal is emissiearm voor zowel ammoniak als fijnstof, wat het stalklimaat voor de dieren ten goede komt. De metingen zijn op initiatief van De Boer mede op zijn bedrijf uitgevoerd. De gemiddelde ammoniakuitstoot is door het meetbureau, Buro Blauw uit Wageningen, vastgesteld op 0,012 kg NH3 per dierplaarts per jaar. Dat is stukken lager dan de 0,080 kg NH3 die voortraditionele stallen geldt en ook stukken lager dan de maximale emissiewaarde van 0,045 kg NH3 voor bestaande en 0,035 kg NH3 voor nieuw te bouwen stallen vanaf 1 juli 2015 (besluit huisvesting).
Conclusie Het aspect 'ammoniak' levert geen belemmeringen op bij de voorgenomen ontwikkeling.
4.4.5
Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) regelt de mate waarin het geluid veroorzaakt door wegen, spoorwegen en/of gezoneerde industrieterreinen geluidgevoelige bestemmingen (woningen, ziekenhuizen, scholen en dergelijke) mag belasten. Voor wegverkeer stelt de wet dat in principe de geluidsbelasting op geluidgevoelige functies de voorkeurgrenswaarde van 48 dB in principe niet mag overschrijden. Voor spoorwegverkeer mag de voorkeurgrenswaarde van 55 dB in principe niet worden overschreden. Voor industrielawaai van gezoneerde industrieterreinen mag de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) in principe niet worden overschreden. Wanneer geen nieuwe geluidgevoelige functies worden ontwikkeld, geldt op basis van artikel 76 lid 3 Wgh geen onderzoeksverplichting. De beoogde ontwikkelingen bij het bedrijf betekent geen uitbreiding van de werkgelegenheid. De veehouderij ligt in een landelijk gebied met veel agrarische activiteiten. De stallen staan ver verwijderd van de omliggende woningen. De nieuwe stallen komen iets verder van de dichtstbijzijnde woning af te staan. Op ongeveer 100 meter van de geplande locatie van de stallen is een woning gevestigd aan de Harnsterdyk 8. De ventilatoren zitten in de eindgevel van de stallen op grote afstand van deze woning. Er is geen aanleiding voor een akoestisch onderzoek.
Conclusie Het aspect 'geluid' levert geen belemmeringen op bij de voorgenomen ontwikkeling.
4.4.6
Bedrijven en milieuzonering
30
Uit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening moet bij nieuwe ontwikkelingen worden nagegaan welke bronnen in of nabij het plangebied een belemmering kunnen vormen voor gevoelige functies als wonen. Daarnaast dient te worden bezien of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (de 'omgekeerde werking'). Het is gebruikelijk om voor ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van bedrijvigheid aansluiting te zoeken bij de afstanden uit de publicatie Bedrijven en milieuzonering (VNG-uitgeverij, 2009). Andersom kan deze publicatie worden gebruikt voor het op verantwoorde wijze inpassen van bedrijvigheid in de fysieke omgeving. Van plangebied naar omgeving Bij de voorgenomen ontwikkeling worden milieubelastende activiteiten mogelijk gemaakt. In paragraaf 4.4 Milieu is aangetoond dat dit geen belemmeringen met zich meebrengt voor de omgeving van het plangebied. Van omgeving naar plangebied Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt geen milieugevoelige functie mogelijk gemaakt, hierdoor kan de toetsing van omgeving naar plangebied achterwege blijven. Conclusie Het aspect 'bedrijven en milieuzonering' levert geen belemmeringen op bij de voorgenomen ontwikkeling. 4.4.7
Milieu Effect Rapportage (MER) Het opstellen van een milieueffectrapportage (MER) en het doorlopen van de bijbehorende m.e.r.-procedure is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid die kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Dit is geregeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Er zijn drie onafhankelijke sporen die kunnen leiden tot een m.e.r.-plicht: 1. Uit toetsing aan de hand van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) blijkt dat het plan of besluit voorziet in, of een kader vormt voor, activiteiten die (mogelijk) belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu. In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten planMER-plichtig, besluitm.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelings-plichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Voor (bestemmings)plannen dient te worden getoetst aan de activiteiten en drempelwaarden van onderdeel D van de bijlage bij het besluit m.e.r.. In het geval de activiteit genoemd wordt in onderdeel D, maar die onder de drempelwaarden vallen, dan is een 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' nodig. Bij de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' dient te worden getoetst of belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen worden uitgesloten.
De toetsing dient te worden gedaan aan de hand van de criteria uit Bijlage III bij de Europese richtlijn m.e.r. (kenmerk project, plaats project en kenmerk potentieel effect). Indien belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten, dan is niet alsnog een (plan)m.e.r. (beoordeling) op grond van het Besluit m.e.r. noodzakelijk. 2. In het geval van een (bestemmings)plan: indien een 'passende beoordeling' op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 voor dit plan verplicht is vanwege de in het plan opgenomen activiteiten. Een passende beoordeling is verplicht indien significante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten; 3. Wanneer Provinciale Staten in haar provinciale milieuverordening activiteiten hebben aangewezen, aanvullend op de activiteiten in het Besluit m.e.r., die kunnen leiden tot m.e.r.-plicht.
31
De voorgenomen ontwikkeling is genoemd in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Omdat het een uitbreiding/wijziging en fysieke verandering van meer dan 40.000 st. pluimvee betreft, valt het initiatief in de categorie 'aanmeldingsplicht' vanwege de m.e.r.-beoordeling. Het bevoegd gezag dient in geval van pluimvee bij een uitbreiding of verandering van de installatie binnen de inrichting vanaf ca. 40.000 vleeskuikens een afweging te maken of er wel of geen milieueffectrapportage moet worden gemaakt. Dit op grond van kenmerken als activiteit, plaats, samenhang met andere activiteiten, en de milieueffecten die zich voordoen. Vanaf een uitbreiding of verandering van een installatie met meer dan 85.000 vleeskuikens is een m.e.r. verplicht. Dat is hier niet het geval. De aanmeldnotitie wordt ingediend in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning milieu, maar ook vanwege de bouwblokvergroting en bestemmingsplanwijziging om het effect te duiden op milieu, natuur en ruimtelijke kwaliteit en volksgezondheid. Het college van B&W dient op grond van de Aanmeldnotitie een besluit te nemen of er al dan geen zwaarwegende redenen zijn een m.e.r. te doorlopen. Door Hoeve advies is een Aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling opgesteld (Bijlage 7). Hieruit zijn de volgende conclusies naar voren gekomen. Milieu Een project-m.e.r.
(milieu) is niet verplicht omdat het niet de drempelwaarde van de 0-lijst te boven gaat. De ondernemer weet wat hij wil dus hoeft hij voor zichzelf ook geen verkenning uit te voeren naar diverse scenario’s, waar een m.e.r. ook voor gebruikt zou kunnen worden. Er is wat betreft milieu geen bijzonder of storend effect vanuit de inrichting op de naaste omgeving te verwachten. Gelet op de omgeving (agrarisch gebied zonder bijzondere natuurwaarde) en de activiteit die binnen de inrichting plaatsvindt (waarbij is gekozen voor de best beschikbare technieken en op onderdelen beter dan dat) en de acceptabele effecten op de omgeving (impact) is er naar onze mening geen dringende reden een m.e.r. te doorlopen. De best beschikbare technieken worden toegepast en de juiste voorzorg wordt genomen om het milieu zo min mogelijk te belasten. Bestemmingsplan Dan blijft de vraag nog staan of er een plan-m.e.r.-plicht (planologie) is. Een planm.e.r. is verplicht als het plan kaders stelt in het plangebied waarvoor volgens de Wm een project-m.e.r. of een m.e.r.-beoordeling verplicht is. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: 1. Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. 2.
Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen 0 en D van de bijlage van het besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). 3. Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen 0 en D van de bijlage van het besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). Ad 1. Passende beoordeling De passende beoordeling is op voorhand uitgesloten omdat het plan niet leidt tot een toename van stikstofdepositie. De ammoniakemissie neemt immers af van 7.210,40 kg NH3 (milieuvergund) naar 4.942,10 kg NH3 (beoogd). Voor de beoogde situatie is al een Wnb-vergunning en een positieve weigering verleend. De toets op mogelijk impact op omliggende natuurgebieden heeft al plaatsgevonden, een verslechtering
32
op voorhand is uitgesloten.
Ad 2. M.e.r.-plicht vanwege kolom 3 In kolom 3 van de D-lijst wordt alleen gesproken over bestemmingsplannen die ‘voor het gehele grondgebied van de gemeente’ van toepassing zijn, waar de grenzen van het plan kunnen wijzigen, en/of het college zelf het plan moet uitwerken. Dat is hier niet aan de orde.
Ad 3. M.e.r.-plicht vanwege kolom 4 Ook leidt het plan niet tot een besluit inz. de inrichting van het landelijk gebied, de aanleg van een recreatieve of toeristische voorziening, een stedelijk ontwikkelingstraject of de aanleg van een bedrijventerrein. Het plan is dus ook niet plan-m.e.r.-plichtig.
Participatie Ook is de buurt al gekend in het plan (participatie). Een extra traject voor buitengewone inzage middels een m.e.r.-rapport voorafgaand aan een bestemmingsplanwijziging is dan ook niet nodig.
Conclusie Er is op grond van de regels geen aanleiding een m.e.r. te verplichten omdat de nieuwe installatie zich beperkt tot een uitbreiding met niet meer dan 85.000 st. vleeskuikens. Uit de Aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling blijkt dat gezien de impact op milieu en omgeving er geen dringende of zwaarwegende reden is een m.e.r. te lopen. Het college van B&W heeft besloten dat er geen m.e.r. nodig is (zie Bijlage 8).
4.5
Water Het is verplicht om in de toelichting bij een wijziginsplan te verantwoorden op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Dit is bepaald in artikel 3.1.6, eerste lid, sub b van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).
Nationaal beleid Het Nationaal Waterplan (V&W, 2009) heeft de status van een structuurvisie en is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998. Het plan vervangt alle voorgaande Nota's Waterhuishouding. Omdat ook voor de volgende generaties Nederland als veilig en welvarend waterland veiliggesteld moet worden, moet nu een antwoord worden gevonden op ontwikkelingen op het gebied van klimaat, demografie, economie en een duurzaam waterbeheer. Een goede bescherming tegen overstromingen, het zoveel mogelijk voorkómen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit zijn basisvoorwaarden voor welvaart en welzijn. Water levert een positieve bijdrage aan de kwaliteit van de leefomgeving en behoud van biodiversiteit. Het doel is helder: Nederland, een veilige en leefbare delta, nu en in de toekomst. Voor een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem is het dan ook van belang bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening te houden met waterhuishoudkundige eisen op korte en lange termijn. Meer dan voorheen moet water bepalend zijn bij de besluitvorming. De mate waarin water bepalend is, hangt af van de wateropgave in relatie tot andere opgaven, aanwezige functies en bodemgesteldheid, en andere kenmerken in dat gebied. Overstromingsrisico
33
Het voorkomen van overstromingen door fysieke maatregelen is en blijft de belangrijkste pijler van het waterveiligheidsbeleid. Fysieke maatregelen zijn rivierverruiming, dijkversterking en het concept van overstroombare dijken. Door klimaatverandering zoals zeespiegelstijging en toenemende rivierafvoeren moeten we meer rekening houden met de gevolgen van een overstroming. De afweging is waar men op inzet: het voorkomen van slachtoffers (rampenbeheersing) of ook het voorkomen van economische schade (gevolgenbeperking). Bij beide is sprake van grote investeringskosten. Echter, de schadebedragen als gevolg van een overstroming zijn ook aanzienlijk. Geschat wordt 5-7 miljard euro. Onderscheid is gemaakt in primaire, regionale en overige waterkeringen. De primaire en regionale waterkeringen bevinden zich vooral op die plekken binnen de provincie daar waar de grootste risico’s zijn te verwachten met het oog op de aanwezige waterwegen en de aard en de omvang daarvan. Onderhavig plangebied ligt binnen de invloedssfeer van dijkring 9 Vollenhove. Bovenstaande afbeelding 7 illustreert dat het plaatsgebonden risico(PR) het grootst is in de laagst gelegen locaties binnen het dijkringgebied. Het PR is derhalve het grootst tussen Dalfsen en Zwartsluis en in een gebied tussen Giethoorn en Oldemarkt (in het noorden van de dijkring).
Het gedeelte waar het plangebied deel vanuit maakt, zal bij een calamiteit langzaam vollopen. Derhalve zal er voldoende tijd zijn om tijdig passende maatregelen te nemen. De nieuwe bebouwing wordt tenminste aangelegd op 30 cm boven het straatpeil.
Provinciaal beleid Deze kaart toont een indicatie van de overstromingsdiepten zo als deze kunnen optreden bij het falen van de primaire keringen. De kaart geeft daarmee een beeld van het overstromingsgevaar. De kaart is gebaseerd op een groot aantal berekeningen van het verloop van een overstroming na doorbraak op verschillen de locaties.
34
Afbeelding: Uitsnede Risicokaart overstroming Provincie Friesland Het kaartbeeld geeft aan dat er geen groot overstromingsgevaar is voor de planlocatie. Gemeentelijk beleid Wat betreft het ontdoen en transporteren van afvalwater verwijst de gemeente Leeuwarden naar de wet milieubeheer Artikel 10.29a. Een bestuursorgaan houdt er bij het uitoefenen van een bevoegdheid krachtens deze wet, voor zover die bevoegdheid wordt uitgeoefend met betrekking tot afvalwater, rekening mee dat het belang van de bescherming van het milieu vereist dat in de navolgende voorkeursvolgorde: a. het ontstaan van afvalwater wordt voorkomen of beperkt; b. verontreiniging van afvalwater wordt voorkomen of beperkt; c. afvalwaterstromen gescheiden worden gehouden, tenzij het niet gescheiden houden geen nadelige gevolgen heeft voor een doelmatig beheer van afvalwater; d. huishoudelijk afvalwater en, voor zover doelmatig en kostenefficiënt, afvalwater dat daarmee wat biologische afbreekbaarheid betreft overeenkomt worden ingezameld en naar een inrichting als bedoeld in artikel 3.4 van de Waterwet getransporteerd; e. ander afvalwater dan bedoeld in onderdeel d zo nodig na retentie of zuivering bij de bron, wordt hergebruikt; f. ander afvalwater dan bedoeld in onderdeel d lokaal, zo nodig na retentie of zuivering bij de bron, in het milieu wordt gebracht en g.
ander afvalwater dan bedoeld in onderdeel d naar een inrichting als bedoeld in artikel 3.4 van de Waterwet wordt getransporteerd. Als aanvulling hierop heeft de voormalige gemeente Leeuwarderadeel een Verordening op de afvoer van grondwater Leeuwarderadeel 2014. overwegende dat de Wet milieubeheer de bevoegdheid biedt bij verordening regels te stellen over het brengen van grondwater op of in de bodem of in een rioolvoorziening en over het beëindigen van het lozen van grondwater in een rioolvoorziening voor afvalwater; Overwegende dat het gewenst is gebruik te maken van de mogelijkheid het grondwater in een bepaald gebied binnen een vooraf te bepalen termijn niet meer te doen afvloeien in een openbaar vuilwaterriool. Artikel 1 Begripsomschrijvingen In deze verordening wordt verstaan onder: 1. bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren. 2. beheerder van het openbaar riool: het college. Artikel 2 Plicht tot afkoppelen 1.
De beheerder van het openbaar riool kan een gebied aanwijzen waarbinnen het verboden is een afvoerleiding voor het vrijkomende grondwater bij drainage, oppompen of andere vormen van onttrekking aan te sluiten of aangesloten te houden op het openbaar vuilwaterriool. 2. De beheerder kan de wijze bepalen waarop het afkoppelen plaatsvindt. De kosten voor het afkoppelen op particulier terrein zijn voor rekening van de perceeleigenaar. Investeringen in de openbare ruimte zijn voor rekening van de gemeente.
35
3. In afwijking van het eerste lid is het toegestaan om een afvoerleiding voor grondwater, die op het tijdstip van inwerkingtreding van de gebiedsaanwijzing op het openbaar vuilwaterriool is aangesloten, gedurende een termijn van 12 maanden na die inwerkingtreding aangesloten te houden op het openbaar vuilwaterriool. 4. De gebiedsaanwijzing heeft geen betrekking op inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer en op de openbare weg. 5. Bij het vaststellen van de gebiedsaanwijzing houdt de beheerder van het openbaar riool rekening met het gemeentelijk rioleringsplan. 6. De gebiedsaanwijzing treedt in werking met ingang van de vijfde dag na die van bekendmaking. 7. De beheerder kan ontheffing verlenen van de verplichting tot afkoppelen die voortvloeit uit de gebiedsaanwijzing, indien van de eigenaar van het bouwwerk, open erf of terrein redelijkerwijs geen andere wijze van afvoer van het grondwater kan worden gevergd. 8. Op de voorbereiding van de gebiedsaanwijzing is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.