ontwerpbestemmingsplan Leeuwarden de Zuidlanden, woning ten zuiden van Wergeasterdyk 38
Tekst van het document
bestemmingsplan
Leeuwarden - De Zuidlanden, bouw woning ten zuiden Wergeasterdyk 38 Leeuwarden
DATUM IMRO IDN
09-03-2022 NL.IMRO.0080.06027BP00-OW01
PROJECT PROJECTLEIDER
Leeuwarden - De Zuidlanden, bouw woning ten zuiden Wergeasterdyk 38 C. Tasma
OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER
20210501
AUTEUR STATUS
J.J. Posthumus ontwerp
Inhoudsopgave Toelichting Hoofdstuk 1
Inleiding
7
1.1
Aanleiding
7
1.2
Ligging plangebied
7
1.3
Planologische regeling
8
1.4
Leeswijzer
9
Huidige situatie en ontwikkelingen
11
2.1
Huidige situatie plangebied
11
2.2
Beschrijving initiatief
12
Beleidskader
16
3.1
Rijksbeleid
16
3.2
Provinciaal beleid
17
3.3
Gemeentelijk beleid
18
Planologische randvoorwaarden
21
4.1
Verkeer en parkeren
21
4.2
Milieuzonering
21
4.3
Ecologie
21
4.4
Geluid
22
4.5
Bodem
23
4.6
Water
23
4.7
Cultuurhistorie
25
4.8
Archeologie
25
4.9
Luchtkwaliteit
26
4.10
Externe veiligheid
26
4.11
Kabels en leidingen
27
Toelichting op de planregels
29
5.1
Algemeen
29
5.2
Beschrijving juridische regeling
29
Uitvoerbaarheid
31
6.1
Economische uitvoerbaarheid
31
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
31
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 3
Hoofdstuk 4
Hoofdstuk 5
Hoofdstuk 6
Bijlage Toelichting Bijlage 1
Quickscan ecologie
Bijlage 2
Historisch bodemonderzoek
Bijlage 3
Watertoets
Regels Hoofdstuk 1
Inleidende regels
43
Artikel 1
Begrippen
43
Artikel 2
Wijze van meten
48
Bestemmingsregels
49
Wonen
49
Hoofdstuk 3
Algemene regels
53
Artikel 4
Anti-dubbeltelregel
53
Artikel 5
Algemene bouwregels
54
Artikel 6
Algemene gebruiksregels
55
Artikel 7
Algemene afwijkingsregels
56
Artikel 8
Overige regels
58
Overgangs- en slotregels
59
Artikel 9
Overgangsrecht
59
Artikel 10
Slotregel
60
Hoofdstuk 2 Artikel 3
Hoofdstuk 4
Verbeelding
Toelichting
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
De gemeente Leeuwarden werkt aan de realisering van een nieuw woon- en werkgebied "De Zuidlanden" ten zuiden van de stad. In dit gebied, aan de Wergeasterdyk, ligt een onbebouwd perceel dat in eigendom is van een particulier. Het betreft een stuk grond dat hoort bij het perceel Lykwei 3 te Goutum, maar is ontsloten op Wergeasterdyk. Het perceel heeft nog een agrarische bestemming, maar wordt niet meer als zodanig gebruikt. Daarom is het plan opgevat om hier een bouwkavel voor één vrijstaande woning te ontwikkelen. Deze ontwikkeling past niet binnen het geldende bestemmingsplan 'Jabikswoude'. Om de ontwikkeling juridisch-planologisch te kunnen regelen is het opstellen van een nieuw bestemmingsplan voor deze locatie noodzakelijk.
1.2
Ligging plangebied
In figuur 1 is de ligging van het plangebied weergegeven. De begrenzing van het plangebied is afgestemd op de gewenste stedenbouwkundig begrenzing van het toekomstige woonperceel. Het perceel staat kadastraal bekend als (kadastrale) gemeente Huizum, sectie F, nummer 874 (gedeeltelijk).
Figuur 1
7
Ligging plangebied (Bron: Google Maps)
1.3
Planologische regeling
Het plangebied is geregeld in het bestemmingsplan 'Jabikswoude'. In dit bestemmingsplan hebben de gronden van het plangebied de bestemming 'Agrarisch cultuurgrond'. De bestemming is bedoeld voor de agrarische bedrijfsvoering. Binnen deze bestemming is de bouw van een woning niet toegestaan.
Figuur 2
Ligging plangebied met geldend bestemmingsplan 'Jabikswoude '
Partiële herziening Archeologie De gemeente heeft op 11 november 2020 het bestemmingsplan 'Partiële herziening Archeologie' vastgesteld. Gronden waar geen onderzoek noodzakelijk is, of gronden die na onderzoek zijn vrijgegeven, zijn niet opgenomen in dit bestemmingsplan. Dit plangebied is niet opgenomen in dit bestemmingsplan en maakt derhalve geen deel uit van de partiële herziening Archeologie. Bestemmingsplan Leeuwarden - Partiële herziening Parkeren Tot juli 2018 was het op grond van de gemeentelijke bouwverordening mogelijk om regels te stellen ten aanzien van parkeernormen. Vanaf die datum zijn alle stedenbouwkundige bepalingen van de bouwverordening vervallen en is het bestemmingsplan het enige instrument waarmee parkeernormen kunnen worden afgedwongen. Derhalve heeft de gemeente een partiële herziening vastgesteld. Deze partiële herziening stelt normen voor het aantal parkeerplaatsen dat beschikbaar moet zijn bij verschillende functies. De regeling geldt voor het hele grondgebied van de gemeente Leeuwarden, inclusief het grondgebied van de voormalige gemeenten Leeuwarderadeel en het deel van Littenseradeel dat nu bij Leeuwarden hoort. Dit bestemmingsplan is primair gericht op het borgen van de bestaande parkeernormen zoals ze zijn opgenomen in de Nota Parkeernormen Leeuwarden 2014.
De regeling hiervoor is in het bestemmingsplan Leeuwarden - Partiële herziening Parkeren verwerkt. De regels worden ook in onderhavig bestemmingsplan opgenomen.
8
Bestemmingsplan Leeuwarden - Kamerverhuur Tot slot is het bestemmingsplan Bestemmingsplan Leeuwarden - Kamerverhuur van toepassing. Dit bestemmingsplan maakt het mogelijk om de verhuur en verkoop van kamers in de gemeente Leeuwarden te reguleren. De regels van dit bestemmingsplan zijn in onderhavig bestemmingsplan verwerkt.
1.4
Leeswijzer
De juridisch-planologische regeling van dit bestemmingsplan wordt in de volgende hoofdstukken nader toegelicht en gemotiveerd. Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 een toelichting gegeven op het plangebied en komt het plan aan de orde. Daarna volgt in hoofdstuk 3 een uiteenzetting van het relevante beleid. Vervolgens worden in hoofdstuk 4 de voor het plangebied relevante milieu- en omgevingsaspecten behandeld en onderbouwd. Hoofdstuk 5 beschrijft de juridische aspecten van het bestemmingsplan en in hoofdstuk 6 wordt tot slot de uitvoerbaarheid beschreven.
9
10
Hoofdstuk 2 2.1
Huidige situatie en ontwikkelingen
Huidige situatie plangebied
Ten zuiden van Goutum en ten oosten van de Overijsselselaan wordt woonwijk De Zuidlanden gebouwd. De Zuidlanden bestaat uit verschillende 'buurtschappen', woonbuurten van 300 tot 400 woningen die verwantschap vertonen met een buurtschap of dorp. De initiatiefnemer woont aan de Lykwei 3, op een perceel met een oppervlakte van ongeveer 6.000 m2, dat doorloopt tot de Wergeasterdyk. Ten westen van de Lykwei wordt momenteel het buurtschap Goutum Súd afgerond en aan de zuidzijde, aan de overzijde van de Yndyk, wordt de woonbuurt ‘It Grien’ ontwikkeld. Op het perceel aan de noordzijde is een boerderette gebouwd. Naar verwachting wordt op korte termijn ook in het gebied ten oosten van de Wergeasterdyk gebouwd. Luchtfoto’s van de situatie in 2006 en van nu illustreren de veranderingen rondom het plangebied. Zie hiervoor figuur 3. Figuur 4 geeft een overzicht van de huidige situatie van het plangebied. Kortom, de omgeving is van een agrarisch buitengebied getransformeerd naar een woongebied. Het agrarische grondgebruik verdwijnt en de huidige bestemmingen van het perceel van de aanvrager komt niet meer overeen met de feitelijke situatie en is ook niet meer toekomstbestendig.
Figuur 3
11
Luchtfoto situatie 2006 en 2017
Figuur 4
2.2
Ligging plangebied (Bron: Google Maps)
Beschrijving initiatief
Het initiatief betreft het transformeren van het plangebied tot bouwkavel voor één vrijstaande woning inclusief bijgebouwen. De gemeente wil aan dit initiatief meewerken en heeft hiervoor onderstaande uitgangspunten meegegeven: De positie van het hoofdgebouw volgt qua rooilijn de rest van de bebouwing aan de Wergeasterdyk. Qua bouwregels wordt aangesloten bij de geldende bestemmingsplannen. Bij recht is een goot- en bouwhoogte van respectievelijk 4,5 en 12,5 meter mogelijk. Via een afwijking kan de goothoogte worden verhoogd tot 8 meter. Een dakhelling tussen 45 en 75 graden sluit aan bij de bestaande bebouwing en de regels voor omliggende nieuwe woningen. Voor bijbehorende bouwwerken geldt een oppervlakte van 60 m2 bij recht en 150 m2 bij afwijking en een maximale goothoogte van 3 meter. In de welstandsnota gelden voor deze locatie geen concrete criteria. Het maakt deel uit van het ontwikkelgebied De Zuidlanden, waarin per plan richtlijnen worden bepaald. Een dergelijke aanpak kan voor deze kavel worden gedaan. Op hoofdlijnen moet de nieuwe woning zich goed voegen in het bebouwingslint van de Wergeasterdyk. De woning is voorzien van een kap. De uitstraling in gevelbeeld, detaillering en materiaalgebruik kan variëren van traditioneel tot modern. De precieze formulering stemt de initiatiefnemer af met het cluster stedenbouw.
De kavel wordt uitgegeven als vrije kavel, waarbij de regels zijn afgestemd op bovenstaande uitgangspunten. Een voorbeeldinrichting is weergeven in figuur 5. De positie van het hoofdgebouw volgt hierin qua rooilijn de rest van de bebouwing aan de Wergeasterdyk. De omvang van de kavel biedt ruimte voor een royale, statige woning. Qua ligging is een enigszins landelijke uitstraling, opgebouwd uit één bouwlaag met een forse kap, op zijn plaats. Dit kan een moderne uitwerking krijgen.
12
Figuur 5
Voorbeeldinrichting
De woning komt te liggen in een groente setting langs de Wergeasterdyk en wordt gebouwd binnen de huidige groene kaders van het woonperceel van de Lykwei 3. Dit betekent dat het groene karakter van het perceel behouden blijft. Door het plangebied zijn groene karakter te laten behouden wordt hierbij ook aangesloten bij de toekomstige woningbouwontwikkeling van de nieuwe buurtschap 'De Hem'. De Hem wordt een uitbreidingswijk met circa 400 woningen aan de oostkant van het plangebied. Hiervoor wordt een bestemmingsplan uitgewerkt. Langs de rand van de Wergeasterdyk is het plan om dit gedeelte van de nieuwbouwwijk een groen karakter te geven middels hoogopgaande beplanting. Een uitsnede van de inspiratiekaart van het stedebouwkundig plan is weergeven in figuur 6. Het plangebied is hierin rood omcirkeld. In de zone tussen het hart van De Hem en de Wergeasterdyk is een combinatie van bosstroken, singels en lanen getekend. Tussen de opgaande beplanting is ruimte voor bijzondere woningen of woonvormen zoals een hofje, Tiny Houses of varianten daarop. Ook zijn woningen ingetekend op extra grote kavels. De bouw van een riante woning op een grote kavel met daaromheen hoogopgaande beplantingen is dan ook passend binnen de visie van de westkant van buurtschap De Hem.
13
Figuur 6
14
Inspiratiekaart Buurtschap De Hem
15
Hoofdstuk 3
Beleidskader
In dit hoofdstuk worden relevante planologische beleidskaders op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau beschreven. Deze beleidskaders zijn richtinggevend voor het nieuw op te stellen bestemmingsplan.
3.1
Rijksbeleid
Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (hierna: NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken, te kiezen voor slimme combinaties van functies en uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. En er nu mee aan de slag te gaan en beslissingen niet uit te stellen of door te schuiven. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe uitvoering wordt gegeven aan de NOVI. Opgaven Er is in Nederland sprake van een aantal dringende maatschappelijke opgaven. Deze opgaven kunnen niet apart van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang bekeken worden. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. Niet alles kan, niet alles kan overal. Op het niveau van nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven aan de omgeving in Nederland, verwoord in vier opgaven: 1. ruimte maken voor klimaatverandering en energietransitie; 2. de economie van Nederland verduurzamen en het groeipotentieel behouden; 3. steden en regio's sterker en leefbaarder maken; 4.
een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Realiseren opgaven In de NOVI is een tweetal instrumenten opgenomen om de opgaven te realiseren: 1. De Omgevingsagenda. Voor Noord-Nederland is een omgevingsagenda opgesteld, waar Friesland onderdeel van uitmaakt. In de Omgevingsagenda agenderen het Rijk en regio de gezamenlijke vraagstukken en de gewenste aanpak daarvan. De Omgevingsagenda biedt een basis voor uitvoeringsafspraken en inzet van programma's en projectbesluiten van Rijk en regio. 2. De NOVI-gebieden. Een NOVI-gebied is een instrument waarbij Rijk en regio meerdere jaren verbonden zijn aan de gezamenlijke uitwerking van de verschillende opgaven in het ruimtelijke domein. Vaak wordt voortgebouwd op bestaande samenwerkingstrajecten. Denk aan een Regio Deal en een verstedelijkingsstrategie. Conclusie Gelet op de te realiseren opgaven uit de NOVI kan de conclusie worden getrokken dat de voorgenomen ontwikkeling geen rijksbelangen raakt als opgenomen in de NOVI.
16
Ladder voor duurzame verstedelijking In het Bro (artikel 3.1.6) is geregeld dat een toelichting bij een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet voorzien in duurzame verstedelijking. In dit bestemmingsplan wordt geen stedelijke ontwikkeling mogelijk gemaakt. De bouw van één woning is op basis van jurisprudentie (18 december 2013 201302867/1/R4) geen verstedelijking. Toepassing van de ladder van duurzame verstedelijking is daarom niet aan de orde.
3.2
Provinciaal beleid
Verordening Romte Fryslân De verordening stelt regels die ervoor moeten zorgen dat de provinciale ruimtelijke belangen doorwerken in de gemeentelijke ruimtelijke plannen. Zorgvuldig ruimtegebruik (artikel 1) Binnen bestaand stedelijk gebied wordt ruimte geboden voor het ontwikkelen van stedelijke functies, voor zover deze naar aard en omvang passen bij de kern. De provincie is terughoudend met het toestaan van stedelijke functies in het landelijk gebied. Uitbreidingen aansluitend op bestaand bebouwd gebied zijn wel (onder voorwaarden) toegestaan. Het plangebied van dit ruimtelijk plan is gelegen in bestaand bebouwd gebied. Een uitsnede hiervan is opgenomen in figuur 7.
Figuur 7
17
Uitsnede kaart 'bestaand stedelijk gebied' uit de Verordening Romte Fryslân
Wonen (artikel 3) In artikel 3 is bepaald dat een ruimtelijk plan voor woningbouw in overeenstemming moet zijn met een woonplan, dat de schriftelijk instemming van Gedeputeerde Staten heeft. Hiervan mag afgeweken worden indien het woningbouwproject niet meer dan 11 woningen bevat en gelegen is binnen bestaand stedelijk gebied. In onderhavige situatie is sprake van het toevoegen van 1 woning. Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het plan in overeenstemming is met de Verordening Romte Fryslân 2014.
3.3
Gemeentelijk beleid
Afwegingskader Woningbouw Gemeente Leeuwarden Het gemeentelijk woonbeleid is in 2015 geactualiseerd en is vervat in het document Afwegingskader Woningbouw Gemeente Leeuwarden. De gemeente ziet de komende decennia een bevolkingsgroei voor de gemeente. Deze groei is voornamelijk te verwachten in het stedelijk gebied. Gekozen wordt voor een flexibel sturingsinstrument dat ruimte biedt om in te spelen op nieuwe ontwikkelingen. Dit biedt marktpartijen ruimte om nieuwe initiatieven te ontwikkelen. Het karakter van de groei is meer alleenstaanden, minder jongeren en meer ouderen. Met alle regio's in de provincie Fryslân zijn in 2013 woningbouwafspraken gemaakt. Hierbij is, vanwege een achterblijvende woningmarktontwikkeling in de daaraan voorafgegane jaren, overeengekomen om de woningbouwruimte voor de periode 2008-2016 op te rekken tot 2026. Uit het Woningbouwkader Leeuwarden (juni 2016) blijkt dat in de gemeente Leeuwarden circa 1.780 woningen zijn vastgelegd in harde plannen (peildatum 01-12-2015). Dit betekent een actuele behoefte van 2.720 woningen. Het plangebied bevindt zich in het suburbane gebied Zuidlanden. De vraag naar suburbaan wonen in de Zuidlanden schat de gemeente in op ca. 250 woningen per jaar. Deze vraag richt zich primair op grondgebonden woningen in de koop en in de geliberaliseerde huur.
Dit bestemmingsplan voorziet in de bouw van 1 grondgebonden koopwoning op een herstructureringslocatie. De woning wordt aangeboden in het luxe segment passend bij de schaal van de directe omgeving. De voorgestelde ontwikkeling past binnen het afwegingskader. Duurzaam Leeuwarden, de sterke stad De gemeente Leeuwarden bevordert op haar grondgebied actief het verduurzamen van de gemeente. Deze verduurzaming richt zich op een aantal aspecten, waaronder energieverbruik, verantwoordelijk watergebruik en waterkwaliteit, ecologie en het beperken van afval. De focus ligt op de thema's energie en water. Om dit beleid te verwezenlijken, heeft de gemeenteraad op 29 november 2010 de visie Duurzaam Leeuwarden, de sterke stad vastgesteld. Deze visie gold voor de periode van 2011 tot en met 2020. Bij het werken aan een duurzaam Leeuwarden staan twee ambities centraal: een klimaatbestendige stad en een klimaatneutrale energie- en warmtevoorziening. De gemeente focust op het faciliteren en aanjagen van sleutelprojecten die bijdragen aan een aardgasloze toekomst en een klimaatadaptieve gemeente in 2035.
18
Dit betekent dat in de bestaande woningbouw en bedrijfsgebouwen fors energie bespaard moet worden of dat er duurzaam opgewekte energie gebruikt wordt. Voor nieuwbouw betekent het dat de gemeente verdergaande doelen dan de eisen van het Bouwbesluit nastreeft en dat de gemeente de lijst Duurzaam Bouwen hanteert. Bij de uitwerking van het bouwplan dient rekening gehouden te worden met de door de gemeente gehanteerde energienorm. Zoals verplicht, worden de woningen in ieder geval gasloos gebouwd.
19
20
Hoofdstuk 4
Planologische randvoorwaarden
In onderstaande paragrafen wordt een overzicht gegeven van de voor het nieuw op te stellen ruimtelijk plan relevante milieuaspecten. Milieuaspecten zijn een belangrijk onderdeel van de belangenafweging die ten grondslag ligt aan het ruimtelijk plan. Eventuele milieuaspecten kunnen, voor zover mogelijk en noodzakelijk, vertaald worden in de regeling van dit ruimtelijk plan.
4.1
Verkeer en parkeren
Het woonperceel krijgt zijn ontsluiting aan de Wergeasterdyk. Deze weg met een maximale snelheid van 30 km/u sluit in noordelijk richting aan op de kern Goutum en sluit aan op de gebiedsontsluitingsweg Overijsselselaan (50 km/u), welke behoort tot de ring van Leeuwarden. Deze straat sluit aan op de provinciale weg N31 in zuidelijke richting en loopt in noordelijke richting naar de stadskern van Leeuwarden. Parkeren van bewoners- en bezoekers dienen op eigen terrein te worden opgelost. Het perceel is daar groot genoeg voor. Ook in geval van bedrijf aan huis of B&B dient het parkeren op eigen terrein te worden opgelost.
4.2
Milieuzonering
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ruimtelijke afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en gevoelige functies (woningen) noodzakelijk. Bij deze afstemming kan gebruik worden gemaakt van de richtafstanden uit de basiszoneringslijst van de VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering (2009). Een richtafstand kan worden beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten redelijkerwijs uit te sluiten is. Ten zuidwesten van het plangebied bevindt zich een crematorium. Een crematorium hoort onder milieucategorie 3.2. Hierbij hoort een richtafstand van 100 meter. De afstand van de woning tot de crematorium bedraagt meer dan 100 meter. Aan de richtafstand wordt daarmee voldaan. Verder bevinden zich in de directe omgeving geen relevante bedrijven waar rekening mee gehouden hoeft worden. Als gevolg van de ontwikkeling worden dus geen bedrijven in hun bedrijfsvoering beperkt en ter plaatse van de geprojecteerde woning is sprake van een goed woonklimaat. Er is in de beoogde situatie dan ook sprake van een verantwoorde milieuzonering.
4.3
Ecologie
Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de natuurwaarden van de omgeving en met beschermde plant- en diersoorten. Dit is geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb). Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europese regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.
21
Gebiedsbescherming De bescherming van Natura 2000-gebieden en Beschermde Natuurmonumenten is geregeld in de Wnb. Indien ontwikkelingen (mogelijk) leiden tot aantasting van de natuurwaarden binnen deze gebieden, moet een vergunning worden aangevraagd. Daarnaast moet rekening worden gehouden met het beleid ten aanzien van Natuurnetwerk Nederland. Het plangebied maakt geen deel uit van beschermde gebieden als de Natura 2000 en Natuur Netwerk Nederland. Gezien de relatieve kleinschaligheid van het project, de bouw van een woning, kan worden aangenomen dat de beoogde ontwikkeling geen negatieve invloed op het Natura 2000-gebied en Natuur Netwerk Nederland heeft. Stikstof Het plangebied ligt buiten beschermde natuurgebieden. Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering kunnen hierdoor worden uitgesloten. Gezien de afstand tot natuurgebieden en de locatie van het plangebied (stedelijke omgeving) kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. Het Natura 2000-gebied is wel gevoelig voor stikstofdepositie. Significante negatieve effecten op beschermde gebieden kunnen niet worden uitgesloten. De realisatie van de woning met bijbehorende verkeersgeneratie zou kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie op het nabij gelegen Natura 2000-gebied.
De voorgenomen ontwikkeling ligt op 7,2 kilometer van een stikstofgevoelig gebied, waardoor geen significante negatieve effecten zijn te verwachten. Soortenbescherming In de Wnb wordt onderscheid gemaakt tussen soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en daarnaast de overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. In het plangebied worden mogelijk enkele bomen gekapt. Bovendien wordt er gewerkt in de invloedsfeer van de bomen. Daarom is een ecologisch onderzoek uitgevoerd. De rapportage is opgenomen in Bijlage 1. Uit het onderzoek blijkt dat er alleen algemene broedvogels aanwezig zijn, die geen belemmering vormen voor de ontwikkeling van de bouwkavel.
4.4
Geluid
Op grond van de Wet geluidhinder geldt rond wegen met een maximumsnelheid hoger dan 30 km/uur, spoorwegen en inrichtingen die ''in belangrijke mate geluidhinder veroorzaken'', een geluidzone. Bij ontwikkeling van nieuwe geluidsgevoelige objecten binnen deze geluidzones of bij bepaalde veranderingen aan de weg zelf (zoals het verhogen van de maximumsnelheid of het uitbreiden van het aantal rijstroken) moet akoestisch onderzoek worden uitgevoerd om aan te tonen dat de ontwikkeling voldoet aan de voorkeursgrenswaarden die in de wet zijn vastgelegd. De wegen rondom het plangebied zijn wegen die geen ontsluitende functie hebben. De weg is enkel bestemd voor bestemmingsverkeer en loopt in zuidelijke richting dood. De weg is daarmee relatief rustig, met een te verwachten lage verkeersintensiteit. Het vaststellen van een hogere waarde en/of een akoestisch onderzoek is daarom niet noodzakelijk.
22
4.5
Bodem
In verband met de uitvoerbaarheid van een plan moet rekening worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig moet worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Voor het bestemmingsplan is het van belang inzicht te krijgen in potentiële verdachte locaties en de uitvoerbaarheid van woningbouw op deze plek. Voor een inzicht hierin is een historisch bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage is opgenomen in Bijlage 2. Er zijn twee proefboringen gedaan. De locatie heeft, voor zover bekend, altijd een agrarische bestemming gekend en is altijd in gebruik geweest als grasland. Behoudens de toegangsdam en het voormalige grindpad zijn ter plaatse van het betreffende perceel geen relevante (historische) activiteiten bekend. De dam blijft bestaan en zal uitsluitend dienst doen als toegangsweg. Het onderzoeksbureau concludeert dat vervolgonderzoek conform de NEN 5740 in relatie tot de genoemde nieuwbouw, op basis van het historisch onderzoek, niet noodzakelijk wordt geacht. Gemeente Leeuwarden heeft als bevoegd gezag aangegeven dat het uitgevoerde onderzoek, gelet op de verdachte deellocaties (pad en dam) niet voldoende is voor de vergunningverlening.
Daarom moet voorafgaand aan de vergunningverlening een verkennend bodemonderzoek conform de NEN5740 worden uitgevoerd. Gelet op de uitkomsten van het reeds uitgevoerde onderzoek is er geen aanleiding om te concluderen dat het plan niet uitvoerbaar is.
4.6
Water
Deze 'waterparagraaf' gaat in op de watertoets. Hierin wordt beoordeeld wat de effecten van het bestemmingsplan op de waterhuishouding zijn en of er waterschapsbelangen spelen. De belangrijkste thema's zijn waterveiligheid, de afvoer van schoon hemelwater en afvalwater en de waterkwaliteit. Het plangebied ligt in het beheersgebied van Wetterskip Fryslân. Het plan is via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het waterschap (kenmerk: 20210415-2-26144). De watertoets inclusief uitgangspuntennotitie is als bijlage 3 bij de toelichting toegevoegd. De uitkomst is dat de korte procedure moet worden gevolgd. De uitgangsnotitie geeft handvatten om de uitkomsten en aandachtspunten van de watertoetsaanvraag mee te nemen in het ruimtelijke plan of besluit. Bij de uitwerking van de plannen wordt hier rekening mee gehouden. Waterafvoer/berging Het waterschap hanteert als uitgangspunt dat de toename verhard oppervlak voor een deel wordt gecompenseerd in de vorm van nieuw oppervlaktewater of waterberging. Het dempen van water en/of watergangen moet volledig gecompenseerd worden. Deze compensatie is bedoeld om wateroverlast door het versneld afvoeren van hemelwater vanaf de verhardingen te voorkomen. Compensatie is nodig bij een toename aan verharding van meer dan 1.500 m2 in het landelijk gebied en 200 m2 in het stedelijk gebied.
23
Het waterschap gaat in de 'algemene regels bij de Keur' ruim om met het begrip 'stedelijk gebied'. In principe valt elke bebouwde kom hieronder, met dien verstande dat er wel sprake moet zijn van een kern met een stedelijk watersysteem. Lintbebouwing wordt in principe niet als stedelijk gebied aangemerkt. De afwatering is hier diffuus verspreid over grotere oppervlakten, waardoor de hoeveelheid aan en af te voeren water per watergang gering is. Gebieden die binnen de bebouwingscontour volgens het bestemmingsplan een agrarische bestemming hebben zijn per definitie géén stedelijk gebied. Op basis van het voorgaande valt het plangebied voor de Keur van het waterschap in het landelijk gebied. Er is sprake van een agrarische bestemming en een diffuse afvoer van water vanuit het lint. Omdat er minder dan 1.500 m2 aan verharding wordt toegevoegd (het zal om circa 500 m2 gaan) is het realiseren van compensatie niet nodig. Vrij voor de boezem Omdat het gebied vrij voor de boezem ligt wordt het niet door een waterkering beschermd tegen hoge waterstanden in de Friese boezem. Bij de verdere ontwikkeling van de bouwplannen wordt bij het bepalen van de aanleghoogte hier rekening mee gehouden. Indien noodzakelijk wordt het Wetterskip gevraagd voor aanvullend advies. Schouwsloten Het waterschap heeft op 21 mei 2021 per mail laten weten dat rondom het perceel schouwsloten lopen.
Hiervoor geld geen verplichte onderhoudsstrook als bij een hoofdwatergang maar de perceel eigenaar dient wel het onderhoud van deze watergang te regelen. Ruimtelijke adaptatie Om ook in de toekomst prettig te kunnen wonen, werken en recreëren moeten steden en dorpen ingericht worden met het oog op de toekomst. Kansen moeten benut worden om het gebied klimaat robuust in te richten. Zo is het mogelijk om het bebouwd gebied beter bestand te maken tegen hevige regenbuien, periodes van droogte en hitte en de gevolgen van een mogelijke overstroming. Bij de inrichting van het plangebied kan hierop geanticipeerd worden door bijvoorbeeld het percentage verhard oppervlak te verminderen en het plangebied groener in te richten. Door nú maatregelen te nemen, worden steden en dorpen mooier en wordt grote schade in de toekomst voorkomen. Voor veel maatregelen geldt bovendien dat ze kosteneffectief zijn, als ze maar in een vroeg stadium in het proces worden meegenomen. Met voornoemd advies wordt bij de uitvoering van de plannen rekening gehouden. Waterkwaliteit Om een goede waterkwaliteit te realiseren is het nodig dat wordt voorkomen dat milieubelastende stoffen in het oppervlaktewater terecht komen. De bouwwijze en onderhoudstechniek moeten emissievrij zijn. Ook is het nodig dat gebouwd wordt met milieuvriendelijk en duurzaam materiaal.
Afvalwater en regenwatersysteem Het uitgangspunt is om regenwater en rioolwater zoveel mogelijk gescheiden af te voeren. In dit geval wordt rioolwater aangesloten op het gemeentelijk riool. Schoon hemelwater wordt afgekoppeld op het hemelwaterriool.
24
Vervolg Waterwet: Voor alle ingrepen in de waterhuishouding moet een vergunning worden aangevraagd of een melding worden gedaan in het kader van de Waterwet. Procedure: Het wateraspect wordt gecommuniceerd met de ontwikkelaar en geldt als uitgangspunt voor de uitvoering van het plan.
4.7
Cultuurhistorie
In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat in een ruimtelijk plan een beschrijving opgenomen moet worden van de manier waarop met de aanwezige cultuurhistorische waarden rekening is gehouden. In het plangebied is geen sprake van cultuurhistorische waarden. De in het plangebied aanwezige landschapselementen hebben geen monumentale of karakteristieke waarde. Vanuit het omgevingsaspect cultuurhistorie bestaan geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. Met de bouw van een woning binnen de bestaande structuren van het landschap en lint wordt geen afbreuk gedaan aan de beschreven cultuurhistorische waarden van de omgeving. Het plan is goed in te passen bij de cultuurhistorische waarden van de omgeving. Vanuit dit aspect bestaan dus geen belemmeringen voor het plan.
4.8
Archeologie
Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Dit geldt ook voor de verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. De kern van de wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, archeologische resten intact moeten blijven. Als dit niet mogelijk is, is opgraving een optie. Om inzicht te krijgen in de kans op het aantreffen van archeologische resten in bepaalde gebieden zijn op basis van historisch onderzoek archeologische verwachtingskaarten opgesteld. Partiële herziening Archeologie De gemeente heeft op 11 november 2020 het paraplubestemmingplan Partiële herziening Archeologie vastgesteld. Dit ten behoeve van de bescherming van archeologische waarden in de gemeente. Dit parapluplan is van toepassing op het grondgebied van de gemeente Leeuwarden, exclusief de gronden van de voormalige gemeenten Leeuwarderadeel en Littenseradiel, voor zover er sprake is van archeologische (verwachtings-)waarden.
Gronden waar geen onderzoek noodzakelijk is, of gronden die na onderzoek zijn vrijgegeven, zijn niet opgenomen in dit bestemmingsplan. Onderhavig plangebied maakt geen deel uit van de partiële herziening Archeologie. Archeologisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk.
25
4.9
Luchtkwaliteit
In de Wet milieubeheer zijn normen voor luchtkwaliteit opgenomen. Deze normen zijn bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid, als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging, tegen te gaan. Als maatgevend voor de luchtkwaliteit worden de gehalten fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) gehanteerd. Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (2025) geldt in de directe omgeving van het projectgebied een gemiddelde fijn stof concentratie (PM10) van minder dan 18 µg/m3 en een gemiddelde concentratie stikstofdioxide (NO2) van minder dan 10 µg/m3. De norm voor beide stoffen ligt op 40 µg/m3 (jaargemiddelde concentratie vanaf 2015). De huidige luchtkwaliteit ter plaatse is dus zeer goed. Plannen die slechts in zeer beperkte mate bijdragen aan luchtverontreiniging zijn op grond van het besluit 'niet in betekenende mate' (NIBM) vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden. Een plan voldoet hieraan als het een toename van minder dan 3% van de grenswaarden tot gevolg heeft. Bij woningbouwplannen van minder dan 1.500 is dit het geval. Er wordt één woning mogelijk gemaakt. Het plan draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Aanvullend onderzoek naar het aspect luchtkwaliteit is niet noodzakelijk. Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor dit bestemmingsplan.
4.10 Externe veiligheid Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, LPG en munitie. Sinds een aantal jaren is er wetgeving over “externe veiligheid” om de burger niet onnodig aan te hoge risico's bloot te stellen. De normen voor externe veiligheid zijn vastgelegd in onder andere het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het externe veiligheidsbeleid heeft vorm gekregen in de risicobenadering. Er wordt getoetst aan twee verschillende normen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Ten aanzien van het plaatsgebonden risico geldt een kans van 10-6 als grenswaarde. Dit betekent dat binnen de zogenaamde PR 10-6-contour geen nieuwe kwetsbare objecten mogen worden toegestaan. Voor ontwikkeling van nieuwe beperkt kwetsbare objecten, geldt deze norm als streefwaarde. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het onderscheid tussen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen. In het kader van het aspect externe veiligheid is de risicokaart geraadpleegd.
Hieruit blijkt het volgende: Risicorelevante inrichtingen Uit de risicokaart blijkt dat het plangebied niet binnen de invloedszone van risicovolle inrichtingen valt. Vervoer gevaarlijke stoffen Uit de risicokaart blijkt dat het plangebied niet binnen de invloedszone van vervoer van gevaarlijke stoffen valt.
26
Buisleidingen Er zijn geen buisleidingen in de omgeving van het plangebied aanwezig die zijn aangewezen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. De dichtstbijzijnde buisleidingen liggen op meer dan 1.000 meter ten zuiden en westen van het plangebied. De invloedszone van deze buisleiding overlapt de planlocatie niet waardoor deze buisleiding de beoogde ontwikkeling niet belemmert. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt voor dit bestemmingsplan dan ook geen beperking en aanvullend onderzoek kan achterwege blijven.
4.11 Kabels en leidingen Bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van elektriciteit- en communicatiekabels en nutsleidingen in de grond. Hier gelden beperkingen voor ingrepen in de bodem. Daarnaast zijn zones, bijvoorbeeld rondom hoogspanningsverbindingen, straalpaden en radarsystemen van belang. Deze vragen vaak om het beperken van gevoelige functies of van de hoogte van bouwwerken. Voor ruimtelijke plannen zijn alleen de hoofdleidingen van belang. De kleinere, lokale leidingen worden bij de uitvoering door middel van een Klic-melding in kaart gebracht. In of nabij het plangebied liggen geen kabels of leidingen die moeten worden voorzien van een planologische regeling.
27
28
Hoofdstuk 5 5.1
Toelichting op de planregels
Algemeen
Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Bro en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare manier zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen volgens de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden. Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw- en gebruiksmogelijkheden.
5.2
Beschrijving juridische regeling
Bestemming 'Wonen' De toekomstige woning krijgt de bestemming 'Wonen'. De woning dient binnen het aangegeven bouwvlak gebouwd te worden. Bij recht is een goot- en bouwhoogte van respectievelijk 4,5 en 12,5 meter mogelijk. Een dakhelling tussen 45 en 75 graden sluit aan bij de bestaande bebouwing en de regels voor omliggende nieuwe woningen. Voor bijbehorende bouwwerken geldt een oppervlakte van 60 m2 bij recht en 150 m2 bij afwijking en een maximale goothoogte van 3 meter.
29
30
Hoofdstuk 6
Uitvoerbaarheid
Wettelijk bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van een ruimtelijk plan. Deze is gedeeltelijk aangetoond in de voorgaande paragrafen. Ook spelen de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid een rol.
6.1
Economische uitvoerbaarheid
Ten behoeve van de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie). Financiële haalbaarheid Het kosten voor de uitvoering van het plan worden gedragen door de aanvrager. Uit de begroting blijkt dat de economische uitvoerbaarheid niet in het geding is. Grondexploitatie Door middel van de grondexploitatieregeling beschikken gemeenten over mogelijkheden voor het verhalen van kosten, bijvoorbeeld voor het bouw- en woonrijp maken en kosten voor de ruimtelijke procedure. Omdat het bouwen van een woongebouw een bouwplan is in de zin van artikel 6.2.1 Bro is, is de grondexploitatieregeling van toepassing. In beginsel moet daarom een grondexploitatieplan worden vastgesteld. Hiervan kan worden afgeweken wanneer het kostenverhaal anderszins verzekerd is. De ambtelijke kosten worden vergoed door de initiatiefnemer. Hiervoor is een anterieure overeenkomst gesloten. De eventuele planschade komt voor rekening van de initiatiefnemer. Dit is vastgelegd in een planschadeverhaalsovereenkomst. Het kostenverhaal is privaatrechtelijk geregeld tussen gemeente en de initiatiefnemer.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Overleg Het voorontwerpbestemmingsplan wordt niet voor inspraak ter inzage gelegd. De overlegpartijen worden per mail in kennis gesteld van het voorontwerp bestemmingsplan. Er wordt hen verzocht om een overlegreactie. Zienswijze Het ontwerpbestemmingsplan wordt vervolgens voor zes weken ter inzage gelegd. Tijdens deze periode wordt eenieder in de gelegenheid gesteld om zienswijzen tegen het bestemmingsplan kenbaar te maken (artikel 3.8 Wro). Vaststelling Het bestemmingsplan wordt vervolgens, al dan niet gewijzigd, vastgesteld. Het besluit tot vaststelling wordt gepubliceerd en het bestemmingsplan ligt zes weken ter inzage. Tijdens die periode bestaat de mogelijkheid beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in te dienen tegen het besluit en het plan.
31
32
Bijlage Toelichting
Bijlage 1 Quickscan ecologie
Goutum Lykwei 3 QuickScan
JM ecologie b.v., 2021
QuickScan Goutum, Lykwei 3
Ecologische beoordeling in het kader van de Wet Natuurbescherming Rapportnummer R21.073 Status 0.3 (concept) Datum 03‐05‐2021 Opdrachtgever RHO adviseurs Druifstreek 72‐C 8911LH Leeuwarden Auteur Gerben Krösschell Controle Remco Ploeg Voorpagina Overzicht plangebied Te citeren als Krösschell, G.M., 2021. QuickScan Goutum, Lykwei 3; Ecologische beoordeling in het kader van de Wet Natuurbescherming. Rapport R21.073 JM ecologie b.v., Gorredijk.
JM ecologie b.v. Wetterwille 9 8401 GB Gorredijk
Copyright © 2021 JM ecologie b.v.
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, elektronisch of op welke wijze dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de auteurs.
Inhoud Inleiding ........................................................................................................................................................... 2 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 2 1.2 Globale ligging .................................................................................................................................................... 2 1.3 Structuur natuurwetgeving in Nederland ........................................................................................................... 2 1.4 Scope van de QuickScan ..................................................................................................................................... 4 1.5 Werkwijze ........................................................................................................................................................... 4 Beschrijving locatie en ingreep ......................................................................................................................... 6 2.1 Locatie.................................................................................................................................................................
6 2.2 Ingreep ................................................................................................................................................................ 7 Resultaten veldbezoek en bureaustudie ........................................................................................................... 8 3.1 Vogels ................................................................................................................................................................. 8 3.2 Vleermuizen ...................................................................................................................................................... 10 3.3 Overige zoogdieren ........................................................................................................................................... 11 3.4 Overige fauna.................................................................................................................................................... 11 3.5 Vaatplanten ...................................................................................................................................................... 11 Effecten en gevolgen ......................................................................................................................................
12 4.1 Overzicht beschermde soorten......................................................................................................................... 12 4.2 Effecten op de in het plangebied (mogelijk) aanwezige flora en fauna ........................................................... 12 Mitigerende maatregelen ............................................................................................................................... 13 5.1 Algemene broedvogels; mitigatie ..................................................................................................................... 13 Conclusie ....................................................................................................................................................... 15 Geraadpleegde bronnen ........................................................................................................................................ 16
RHO adviseurs Quickscan Goutum, Lykwei 3
Inleiding 1.1
Aanleiding In opdracht van RHO adviseurs, verder “opdrachtgever” genoemd, heeft ecologisch adviesbureau JM ecologie b.v. een QuickScan uitgevoerd aan een perceel aan de Lykwei 3 te Goutum, gemeente Leeuwarden, provincie Friesland. De opdrachtgever is voornemens een woning en bijgebouw te realiseren op deze locatie. De opdrachtgever heeft ecologisch adviesbureau JM ecologie b.v. gevraagd een QuickScan uit te voeren op de geplande werkzaamheden om te onderzoeken of deze aanpassingen effect hebben op beschermde soorten of verblijfplaatsen in het kader van de Wet natuurbescherming.
1.2
Globale ligging Het plangebied bevindt zich ten zuiden van de kern van Goutum. Het is gelegen aan de rand van bebouwd gebied met uitzicht op landerijen aan de oostzijde van het perceel. Ten zuiden van het plangebied bevindt zich het crematorium Yardenhuis van Goutum. De globale ligging is te zien in afbeelding 1.1.
Afbeelding 1.1. Locatie van het in deze QuickScan onderzochte plangebied (rood omlijnd). (Bron: ESRI)
1.3
Structuur natuurwetgeving in Nederland De Wet natuurbescherming (hierna Wnb) heeft per 1 januari 2017 de Boswet, Flora‐ en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998 vervangen. De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van Natura 2000‐gebieden, de bescherming van soorten en de bescherming van houtopstanden. Naast bescherming vanuit de Wet natuurbescherming, zijn er ook gebieden die planologisch beschermd zijn. Dit betreft het ‘Natuurnetwerk Nederland’ (hierna NNN). De bescherming van het NNN verloopt via het ruimtelijke ordeningsrecht (Barro, bestemmingsplannen) en niet via de natuurwetgeving. Na de decentralisatie (2017) zijn enkele provincies andere namen gaan voeren voor de NNN.
Datum: 3 mei 2021 rapport: R21.073, versie 0.3
blad 2 van 16
RHO adviseurs Quickscan Goutum, Lykwei 3
Decentralisatie Het bevoegd gezag is gedecentraliseerd naar de provincies. Het Rijk behoud echter het bevoegd gezag en de verantwoordelijkheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen voor handelingen en projecten in gebruik, beheer of aanleg door het rijk, zoals bijvoorbeeld hoofdwegen, spoorwegen, hoofdvaarwegen, waterkeringen, militaire terreinen, gastransportnet, hoogspanningsleidingen, delfstoffen, kustlijn, bepaalde visserij en bijvoorbeeld activiteiten Koninklijk Huis. Soortbescherming In de Wet natuurbescherming is soortbescherming opgedeeld in categorieën. Voor elke categorie gelden verschillende verbodsbepalingen die zijn vermeld in artikel 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wet natuurbescherming. Het gaat om de volgende categorieën: 1. soorten van de Vogelrichtlijn; 2. soorten van de Habitatrichtlijn, inclusief bijlage I en II uit Verdrag van Bern en bijlage I uit Verdrag van Bonn; 3. ‘andere soorten’ (onderdeel A ‘fauna’ en onderdeel B ‘flora’). De verbodsbepalingen en ontheffingsgronden voor de eerste twee categorieën komen rechtstreeks uit de Vogel‐ en Habitatrichtlijn. De derde categorie vindt zijn oorsprong in de nationale wetgeving.
Soorten van de Vogelrichtlijn Voor Vogelrichtlijnsoorten is het verboden om in het wild levende vogels te doden of te vangen, opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen, te beschadigen, te rapen of nesten van vogels weg te nemen. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen. Dit laatste verbod geldt niet voor een aantal aangewezen vogelsoorten, indien de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding en het nest zelf zijn functionaliteit behoudt. In aanvulling op de Vogelrichtlijn, geldt er voor een aantal vogelsoorten die jaarlijks naar hetzelfde nest terugkeren een jaarrond bescherming van de nesten. De meeste provincies en het Rijk hanteren de “Lijst met jaarrond beschermde nesten 2012”. Hierin wordt onderscheid gemaakt tussen jaarrond beschermde nesten (categorie 1 tot en met 4) en mogelijk jaarrond beschermde nesten (categorie 5). Voor deze laatste categorie geldt alleen een jaarrond beschermde status indien ecologisch zwaarwegende omstandigheden dat rechtvaardigen. In de provincies Overijssel, Flevoland en Limburg geldt een aangepaste lijst jaarrond beschermde nesten, waarin een andere categorisering is aangebracht.
Soorten van de Habitatrichtlijn Voor soorten van artikel 3.5 (Habitatrichtlijn, Bern en Bonn) is het eveneens verboden om in het wild levende dieren en planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen, opzettelijk eieren van dieren te vernielen of te rapen. Voortplantings‐ of rustplaatsen mogen niet beschadigd of vernield worden. Daarnaast geldt er een verbod om planten behorend bij artikel 3.5 te plukken, verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In tegenstelling tot de Vogelrichtlijnsoorten in artikel 3.1, mogen dieren behorend bij artikel 3.5 niet opzettelijk verstoord worden, ook niet als er geen wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding. Daarbij dient opgemerkt te worden dat een aantal vogelsoorten ook vallen onder artikel 3.5 en daarom niet verstoord mogen worden. Andere soorten Naast de Europees aangewezen beschermde flora en fauna, is er in Nederland ook een Nationale soortenlijst gemaakt die niet gedekt wordt door de Vogel‐ en Habitatrichtlijn, Verdrag van Bern of Verdrag van Bonn. Deze soorten zijn opgenomen in bijlage A en B van de Wet natuurbescherming. Voor soorten in bijlage A geldt een verbod op opzettelijk doden of vangen van dieren en opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantings‐ of rustplaatsen van dieren. Voor soorten in bijlage B
Datum: 3 mei 2021 rapport: R21.073, versie 0.3
blad 3 van 16
RHO adviseurs Quickscan Goutum, Lykwei 3
geldt een verbod op opzettelijk plukken, verzamelen, afsnijden, vernielen en ontwortelen van planten. In tegenstelling tot artikel 3.1 en 3.5, is verstoring van deze soorten toegestaan. Met betrekking tot de ‘andere soorten’ zijn per provincie beleidsregels opgesteld waarin voor een deel van deze soorten vrijstelling is verleend. De grond waarop deze vrijstelling geldt verschilt per provincie en hoeft dus niet in alle situaties van toepassing te zijn. Vrijstelling op basis van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling is een geldige reden in alle provincies. Indien bij het projectvoornemen een of enkele gestelde verboden in artikel 3.1, 3,5 of 3.10 worden overtreden, dient gewerkt te worden conform een gedragscode. Biedt een gedragscode geen oplossing, dan is het mogelijk om een ontheffing aan te vragen bij de provincie waarin het voornemen plaats vindt. De grond waarop een ontheffing mogelijk is, verschilt per categorie.
1.4
Scope van de QuickScan Deze QuickScan is opgesteld om de ecologische waarden van het plangebied te bepalen, en de, ten gevolge van de geplande bestemmingswijziging, eventuele strijdigheden met de Wet natuurbescherming (Wnb) in kaart te brengen, waaruit een advies zal volgen over hoe te handelen volgens deze wet. Er wordt in deze QuickScan niet ingegaan op raakvlakken met de gebiedsbescherming (Natura 2000, NatuurNetwerk Nederland en overige provinciale gebiedsbescherming) en de bescherming Houtopstanden. Een initiatiefnemer is, vanuit de natuurwetgeving, bij ruimtelijke ingrepen (maar ook maatregelen en activiteiten) verplicht op de hoogte te zijn van mogelijk voorkomende beschermde natuurwaarden binnen het plangebied, zodat hiermee rekening kan worden gehouden. De consequenties van de beoogde ruimtelijke ingreep zijn getoetst aan de bepalingen van de soortenbescherming uit de Wet natuurbescherming (Wnb). De natuur is onvoorspelbaar. Het veldbezoek beschrijft een momentopname. Indien de periode tussen veldbezoek en de invoer van de geplande verandering in het bestemmingsbesluit meerdere jaren wordt, dient overwogen te worden een herhaald veldbezoek te laten uitvoeren, hetgeen mogelijk tot gevolg heeft dat de QuickScan wordt herzien.
1.5
Werkwijze Bureaustudie Voorafgaand aan het veldbezoek wordt de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten onderzocht door het raadplegen van online‐ en fysieke atlassen en databases, zoals bijvoorbeeld de NDFF. Het doel van de bureaustudie is het inschatten van de ligging van het projectgebied, de aanwezige habitattypes en de bekende beschermde soorten, alsmede het verkrijgen van inzicht in de kans dat beschermde soorten in een projectgebied aanwezig kunnen zijn. Veldbezoek Het veldbezoek is afgelegd door ecoloog Gerben Krösschell van JM ecologie b.v. op 21‐04‐2021. Het bezoek is uitgevoerd van 11:00 tot 11:30 uur, bij 9⁰C en 4 Bft, op een half bewolkte dag. Het doel van het veldbezoek is het inschatten van de aanwezige habitattypes en het verkrijgen van inzicht in het plangebied. Maatregel(en) en effecten De derde stap is de beschrijving van de geplande maatregel en de omstandigheden (planning, methode) waarin deze uitgevoerd gaat worden. Tezamen met het veldbezoek en de bureaustudie kunnen hieruit eventuele strijdigheden van de plannen met de betreffende natuurwetgeving opgespoord worden, en Datum: 3 mei 2021 rapport: R21.073, versie 0.3
blad 4 van 16
RHO adviseurs Quickscan Goutum, Lykwei 3
kunnen eventuele kennishiaten benoemd worden. Hieraan worden conclusies verbonden en hieruit zal duidelijkheid ontstaan over de eventuele noodzaak tot het nemen van vervolgstappen, met als doel de wijziging conform de huidige Wet natuurbescherming te laten plaatsvinden.
Datum: 3 mei 2021 rapport: R21.073, versie 0.3
blad 5 van 16
RHO adviseurs Quickscan Goutum, Lykwei 3
Beschrijving locatie en ingreep 2.1
Locatie De locatie aan de Lykwei 3 betreft een weide met, ten tijde van het veldbezoek, een zode van gras en de algemene plantensoort speenkruid. Om de weide is aan de oost‐ en zuidzijde een volledige bomenrij aanwezig. Aan de noordzijde zijn enkele dunne bomen aanwezig. Buiten de bomenrij is aan de noord‐ en oostzijde een sloot gelegen. Aan de westzijde is struikgewas aanwezig met een lage dijk welke een scheiding vormt met het naastgelegen perceel.
Afbeelding 2.1. Locatie plangebied. (Bron achtergrond: ESRI)
Afbeelding 2.2. Plangebied vanuit oostzijde gezien.
Datum: 3 mei 2021 rapport: R21.073, versie 0.3
Afbeelding 2.3. Sloot aan noordzijde plangebied.
blad 6 van 16
RHO adviseurs Quickscan Goutum, Lykwei 3
Afbeelding 2.4. Sloot aan oostzijde plangebied.
2.2
Afbeelding 2.5. Plangebied vanuit westzijde gezien.
Ingreep Op het plangebied zal een woning met bijgebouw gerealiseerd worden (afbeelding 2.6). De planning van de werkzaamheden is onbekend. Het is mogelijk dat de aanwezige bomenrijen aan de wegzijdes zullen worden uitgedund.
Afbeelding 2.6. Ontwerptekening (Bron: RHO adviseurs).
Datum: 3 mei 2021 rapport: R21.073, versie 0.3
blad 7 van 16
RHO adviseurs Quickscan Goutum, Lykwei 3
Resultaten veldbezoek en bureaustudie Waargenomen soorten en verwachte soorten (op basis van de aanwezige habitat en de bekende verspreiding) worden samengenomen en hun gebruik van het plangebied wordt beschreven. Hierbij ligt de nadruk op beschermde soorten, maar er zullen ook algemene en lichter beschermde soorten betrokken worden indien waargenomen of van belang voor de ingreep.
3.1
Vogels Alle broedgevallen van vogels zijn beschermd. Van 16 vogelsoorten zijn ook de nesten, vaste rust‐ en verblijfplaatsen jaarrond beschermd. Dit zijn soorten die vallen in de categorie 1 t/m 4 van de aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten (2012). Deze soorten zijn: boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, oehoe, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief en zwarte wouw. Daarnaast zijn van 34 vogelsoorten de nesten jaarrond beschermd als hier een zwaarwegende ecologische reden voor is. Dit zijn soorten die vallen in de categorie 5 van de aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten (2012). Deze soorten zijn: blauwe reiger, boerenzwaluw, bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, bosuil, brilduiker, draaihals, eidereend, ekster, gekraagde roodstaart, glanskop, grauwe vliegenvanger, groene specht, grote bonte specht, hop, huiszwaluw, ijsvogel, kleine bonte specht, kleine vliegenvanger, koolmees, kortsnavelboomkruiper, oeverzwaluw, pimpelmees, raaf, ruigpootuil, spreeuw, tapuit, torenvalk, zeearend, zwarte kraai, zwarte mees, zwarte roodstaart en zwarte specht. Indien sprake is van een ecologisch zwaar wegende reden voor één of meerdere van deze soorten, dan worden deze hieronder behandeld onder ‘Jaarrond beschermd’.
Zo niet, dan worden deze soorten net als overige broedvogels behandeld onder ‘Algemene broedvogels’. Jaarrond beschermd In de omgeving van het plangebied kunnen diverse soorten vogels met jaarrond beschermde nesten voorkomen. Tijdens het veldbezoek zijn de aanwezige bomen in een straal van 75 meter rondom het plangebied, de zogeheten verstoringszone, gecontroleerd op de aanwezigheid van jaarrond beschermde vogelnesten van vogels zoals boomvalk, buizerd, havik, roek, ooievaar, ransuil, sperwer, wespendief en zwarte wouw. Er zijn twee nesten aangetroffen welke mogelijk gebruikt kunnen worden door bovengenoemde broedvogels. Echter waren beide nesten in gebruik. Eén nest was in gebruik door een zwarte kraai en het andere nest door een ekster. Beide soorten vallen onder categorie 5 soorten. Voor deze soorten geldt dat deze jaarrond beschermd zijn wanneer er een zwaarwegende reden voor is. Dit is hier niet het geval. Wel is het mogelijk dat deze nesten in volgende jaren in gebruik genomen worden door broedvogels met jaarrond beschermde nesten zoals ransuil. Naast boombewonende soorten is er gekeken naar de aanwezigheid van gebouwbewonende vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest. Voor de soorten huismus en gierzwaluw zijn er binnen 75 meter mogelijkheden bij de naastgelegen woningen. Voor slechtvalk en kerkuil zijn geen broedmogelijkheden aanwezig.
Voor grote gele kwikstaart ontbreekt tevens geschikt broedhabitat. Algemene broedvogels Binnen en rondom het plangebied kunnen diverse algemene broedvogels tot broeden komen, zoals spreeuw, meerkoet, waterhoen en ekster. Er zijn twee nesten aangetroffen in bomen van de algemene broedvogels; ekster en zwarte kraai. Er zijn daarnaast broedmogelijkheden voor watervogels in de oeverzones en watergangen en voor zangvogels in de aanwezige bomen en struiken. Verder gelden er voor de genoemde en mogelijk aanwezige categorie 5‐soorten geen ecologisch zwaarwegende redenen die jaarrond bescherming rechtvaardigen. Wel gelden de algemene verbodsartikelen die voor alle broedvogels gelden.
Datum: 3 mei 2021 rapport: R21.073, versie 0.3
blad 8 van 16
RHO adviseurs Quickscan Goutum, Lykwei 3
Afbeelding 3.1. Nest zwarte kraai.
Afbeelding 3.2 Nest ekster.
Afbeelding 3.3. Locatie actieve nesten. Rechtsboven zwarte kraai, midden onder ekster.
Mogelijke consequenties van de ingreep op algemene broedvogels worden beschreven in paragraaf 4.2.
Datum: 3 mei 2021 rapport: R21.073, versie 0.3
blad 9 van 16
RHO adviseurs Quickscan Goutum, Lykwei 3
3.2
Vleermuizen Alle vleermuizen zijn zwaar beschermd (alle in Nederland voorkomende soorten staan vermeld in de Habitatrichtlijn). Vleermuizen kunnen een plangebied gebruiken als verblijfplaats, vaste vliegroute en/of foerageergebied. Verblijfplaatsen kunnen uitgesplitst worden in vier categorieën, te weten kraam‐, zomer‐, paar‐ en winterverblijven. Vleermuizen maken op verschillende manieren en in verschillende seizoenen gebruik van deze verblijfplaatsen. De eisen die vleermuizen stellen aan hun verblijfplaatsen zijn afhankelijk van de vleermuissoort en het gebruik van de verblijfplaats. Kraamverblijven worden in het voorjaar en de vroege zomer gebruikt door grote groepen drachtige vrouwtjes om hun jongen te baren en groot te brengen. Tegelijkertijd bevinden kleinere groepen mannetjes zich in de zomerverblijfplaatsen. Later in de zomer en in het najaar verplaatsen de mannetjes zich naar de paarverblijven, waaromheen ze een territorium bezetten en verdedigen tegen andere mannetjes. Binnen het territorium proberen de mannetjes langskomende vrouwtjes te lokken naar de paarverblijven, waar vervolgens de paring plaatsvindt. Het paarseizoen eindigt in de herfst, waarna de vleermuizen de winterverblijven opzoeken om te overwinteren. Sommige soorten migreren hiervoor over behoorlijke afstanden.