CConstaterende datLeeuwarden
Koppel je AI →
Document · PDF

Notitie Reikwijdte en Detailniveau Basisnotitie

Besluitvorming (raad) 17 december 2025, gemeente LeeuwardenBij agendapunt: Basisnotitie Herziening Omgevingsvisie gemeente Leeuwarden28.812 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Notitie Reikwijdte en Detailniveau OER Omgevingsvisie Leeuwarden 31 oktober 2025

Kenmerk

R001-1302402EMG-V01-evm-NL

Verantwoording Titel

Notitie Reikwijdte en Detailniveau PlanMER (OER) Omgevingsvisie Leeuwarden

Opdrachtgever

Gemeente Leeuwarden

Projectleider

Martijn Gerritsen

Auteur(s)

Lorena van der Meer

Tweede lezer

Martijn Gerritsen

Kenmerk

R001-1302402EMG-V01-evm-NL

Aantal pagina’s

20 (exclusief bijlagen)

Datum

31 oktober 2025

Handtekening

Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.

Colofon TAUW bv Australiëlaan 5 Postbus 3015 3502 GA Utrecht T +31 30 28 24 82 4 E info.utrecht@tauw.com

2/20

Kenmerk

R001-1302402EMG-V01-evm-NL

Inhoud 1

2

Inleiding ..................................................................................................................................... 5 1.1

Aanleiding .......................................................................................................................... 5

1.2

Doel Notitie Reikwijdte en Detailniveau ............................................................................. 5

1.3

Leeswijzer .......................................................................................................................... 5

Omgevingsvisie van Leeuwarden.............................................................................................. 6 2.1

2.1.1

Aanleiding ................................................................................................................... 6

2.1.2

3 x 3-systematiek ........................................................................................................ 7

2.2 3

4

Waarom een herziening van de omgevingsvisie? .............................................................. 6

Proces omgevingsvisie ...................................................................................................... 9

OER Omgevingsvisie Leeuwarden............................................................................................ 9 3.1

Wat is een OER? ............................................................................................................... 9

3.2

Waarom een OER en Passende beoordeling? ................................................................ 10

3.3

Een integrale benadering ................................................................................................. 10

3.4

Wisselwerking omgevingsvisie en OER ........................................................................... 10

Aanpak milieuonderzoek ......................................................................................................... 11 4.1

Stappen OER ................................................................................................................... 11

Stap 1: Opstellen leefomgevingsfoto (referentiesituatie) ......................................................... 11 Stap 2: Opstellen alternatieven ............................................................................................... 13 Stap 3: Uitvoeren effectbeoordeling alternatieven (inclusief synergie en strijdigheden) ......... 13 Stap 4: Uitvoeren effectbeoordeling en doelbereik voorkeursalternatief (VKA) ...................... 13 Stap 5: Beschrijven aanbevelingen en mitigerende maatregelen ........................................... 14 Stap 6: Beschrijven aanzet monitoringsprogramma ................................................................ 14 4.2

5

Alternatieven .................................................................................................................... 14

4.2.1

Proces en ontwerpend onderzoek ............................................................................ 14

4.2.2

Aanzet alternatieven ................................................................................................. 15

4.3

Beoordelingskader ........................................................................................................... 17

4.4

Beoordelingssystematiek ................................................................................................. 18

Processtappen......................................................................................................................... 19 5.1

Kennisgeving en raadpleging ........................................................................................... 19

5.2

Opstellen OER en Nota van beantwoording .................................................................... 19

3/20

Kenmerk

R001-1302402EMG-V01-evm-NL

5.3

Terinzagelegging OER ..................................................................................................... 19

5.4

Besluit en vervolg ............................................................................................................. 19

Bijlage 1. Leefomgevingsfoto

4/20

Kenmerk

R001-1302402EMG-V01-evm-NL

1 Inleiding 1.1

Aanleiding

Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 is iedere gemeente verplicht om een omgevingsvisie op te stellen waarin de ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving voor de lange termijn worden vastgesteld. De gemeente Leeuwarden werkt aan het opstellen van een nieuwe omgevingsvisie voor het gehele grondgebied van de gemeente als herziening van de huidige omgevingsvisie uit 2021. Om tot de uiteindelijke omgevingsvisie en de uitvoering daarvan te komen, doorloopt de gemeente een inhoudelijk proces waarin keuzes over de inrichting van de gemeente worden gemaakt. Onderdeel van dit proces is het doorlopen van de procedure van milieueffectrapportage (mer), met als belangrijke stappen in die procedure het opstellen van een Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) en een milieueffectrapport (MER). In dit geval gaat het om een planMER. De toevoeging ‘plan’ wil zeggen dat het om een MER voor een plan gaat, zoals een omgevingsvisie. In een milieueffectrapport voor een omgevingsvisie worden doorgaans meer effecten in beeld gebracht dan alleen de (verplichte) milieueffecten. Er wordt breder gekeken naar thema's in de fysieke leefomgeving. Hiervoor wordt vaak de term omgevingseffectrapport (OER) gebruikt, een planMER met een verbrede reikwijdte. Hierbij kan gedacht worden aan thema's als positieve gezondheid, duurzaamheid en klimaatadaptatie.

Het planMER voor de omgevingsvisie van de gemeente Leeuwarden wordt daarom OER genoemd.

1.2

Doel Notitie Reikwijdte en Detailniveau

Deze NRD is de eerste stap in de mer-procedure. De NRD heeft als doel om inzicht te geven in de stappen die ten behoeve van het OER doorlopen worden. De NRD beschrijft welke omgevingsaspecten en effecten in het OER onderzocht gaan worden (reikwijdte). Daarnaast geeft de NRD informatie over de manier waarop de effecten van de omgevingsvisie onderzocht zullen worden en met welke diepgang (detailniveau).

1.3

Leeswijzer

Hoofdstuk 2 licht nader toe waarom er een omgevingsvisie wordt opgesteld door de gemeente Leeuwarden, hoe dit proces verloopt en wat de omgevingsvisie inhoudt. Hoofdstuk 3 gaat vervolgens in op het bijbehorende OER. Het instrument OER wordt toegelicht en de samenhang tussen de omgevingsvisie en het OER wordt beschreven. Hoofdstuk 4 beschrijft de aanpak van de onderzoeken. In hoofdstuk 5 wordt vooruitgekeken naar het vervolg van het proces.

5/20

Kenmerk

R001-1302402EMG-V01-evm-NL

2 Omgevingsvisie van Leeuwarden Dit hoofdstuk gaat in op de vraag waarom de gemeente Leeuwarden een omgevingsvisie opstelt en hoe het proces verloopt.

2.1

Waarom een herziening van de omgevingsvisie?

De gemeente Leeuwarden is gestart met de herziening van haar omgevingsvisie. Deze visie vormt het strategisch kader voor de ontwikkeling en inrichting van de fysieke leefomgeving tot 2050. Belangrijke opgaven zijn onder andere woningbouw, vergroening en economische ontwikkeling. 2.1.1 Aanleiding De gemeente Leeuwarden staat de aankomende jaren voor een aantal belangrijke maatschappelijke en ruimtelijke opgaven, die een beroep doen op de leefomgeving. De kwaliteit van leven in de gemeente hangt af van de manier waarop de gemeente inspeelt op deze veranderingen en opgaven. Om de gemeente in samenhang te ontwikkelen, keuzes te maken in ruimtegebruik en balans te houden tussen allerlei functies en doelen, is een integrale visie nodig voor de leefomgeving. Er zijn dan ook diverse aanleidingen om de huidige omgevingsvisie te herzien, bijvoorbeeld: • Er is behoefte aan overzicht en synergie. Een integrale visie op de fysieke leefomgeving moet

•

gebaseerd zijn op alle relevante fysieke, sociale en economische ambities en daaruit voortvloeiende ruimteclaims De huidige omgevingsvisie heeft 2028 als planhorizon. De grote ruimtelijke uitdagingen en

•

ambities spelen zeker (ook) op de lange(re) termijn. Zo is de recent verschenen ontwerp Nota Ruimte gericht op 2050. In de herziene omgevingsvisie zal hierbij aan worden gesloten Nieuwe ontwikkelingen vragen verankering in de omgevingsvisie

Het gaat in de omgevingsvisie om het gehele grondgebied van de gemeente Leeuwarden (zie Figuur 2.1).

6/20

Kenmerk

R001-1302402EMG-V01-evm-NL

Figuur 2.1: Gemeente Leeuwarden. Bron: Basisregistratie Kadaster, 2025.

2.1.2 3 x 3-systematiek De kern van de huidige omgevingsvisie van de gemeente wordt samengevat door het 3 x 3 principe. Drie Ambities: Groenblauwe regio, Goed leven in Leeuwarden en Sterke economische positie De Groenblauwe regio wordt als randvoorwaarde gezien voor Goed leven in Leeuwarden. Deze twee ambities zijn vervolgens randvoorwaardelijk voor een Sterke economische positie. Drie ontwikkelprincipes Er worden drie ontwikkelprincipes ingezet om de stap te maken van opgaven naar uitwerking en gebiedsgerichte ontwikkeling. Deze ontwikkelprincipes zijn Vergroenen, Verbinden en Verwaarden.

7/20

Kenmerk

R001-1302402EMG-V01-evm-NL

Vergroenen Dit staat voor volhoudbaar (duurzaam) gebruik van de ruimte: emissievrij, klimaatadaptief en circulair: dit gaat om de vraag welke mogelijkheden er zijn voor groene en duurzame gebieden en gebouwen. Ook gaat het om de vraag welke mogelijkheden er zijn voor duurzame energieopwekking. Het bodem-, lucht- en watersysteem zijn daarbij leidend; de gemeente wil bijdragen aan een schone leefomgeving met meer biodiversiteit. Een schone leefomgeving draagt ook bij aan de gezondheid van inwoners. Verbinden De samenwerking tussen overheid, Mienskip, bedrijven en kennisinstellingen versterken door: het aanbieden van fysieke infrastructuur in de gemeente over weg en water, maar ook via de digitale weg. Duurzame verbindingen in de regio, maar ook nationaal en Europees; het bieden van ontmoetings- en verbindingsruimte voor de Mienskip. Zowel bij de inrichting van de openbare ruimte, als door het mogelijk maken van publieksgerichte voorzieningen. Belangrijk daarbij is ook het aanbod van voorzieningen die bijdragen om gezond te bewegen; samenhang tussen landschap, voedsel, water en energie. Verwaarden Hierbij gaat het over het behouden van waarden en het toevoegen van waarden voor leefbaarheid en geluk, in de zin van “brede welvaart”.

Dit gaat om: de vraag in hoeverre bij een nieuwe ontwikkeling bestaande kwaliteiten behouden worden en in hoeverre een nieuwe ontwikkeling ook kwaliteit toevoegt aan het omringend gebied; voorrang geven aan nieuwe ontwikkelingen binnen het bestaande stedelijk gebied van stad en dorpen; functiemenging waar dat waarde toevoegt en functiescheiding waar dat nodig is. Drie gebiedstypen De kwaliteit van de fysieke leefomgeving in de gemeente is hoog. De stad, de dorpen en het buitengebied verschillen onderling sterk, door ligging, ontstaansgeschiedenis, gebruik en ontwikkeling. Ze hebben ook ieder voor zich een sterke eigen identiteit. Door te benoemen hoe de ontwikkel principes per gebied kunnen worden ingezet, ontstaat een beeld van de ontwikkelrichting. Hierbij wordt gebruik van drie gebiedstypen: De stad, De dorpen en Het buitengebied. In de herziening van de omgevingsvisie worden diverse hoofdlijnen uit de bestaande omgevingsvisie behouden, zoals de 3 x 3-systematiek.

8/20

Kenmerk

R001-1302402EMG-V01-evm-NL

Figuur 2.2 De 3x3 systematiek

2.2

Proces omgevingsvisie

De gemeente Leeuwarden heeft een planning gemaakt om in verschillende stappen tot een omgevingsvisie en bijhorend OER te komen. Op hoofdlijnen betreft het de volgende fasen: • Fase 1: NRD, inclusief Leefomgevingsfoto ter inzage – januari 2026 • •

Fase 2: Ontwerp omgevingsvisie en OER ter inzage – Q2 2026 Fase 3: Vaststelling omgevingsvisie (inclusief het OER als bijlage) – Q4 2026

3 OER Omgevingsvisie Leeuwarden Dit hoofdstuk licht verder toe wat een OER inhoudt, hoe deze OER samenhangt met de omgevingsvisie van de gemeente Leeuwarden en op welke manier er een wisselwerking optreedt tussen deze producten.

3.1

Wat is een OER?

Het OER brengt de effecten van een plan op de fysieke leefomgeving in beeld.

9/20

Kenmerk

R001-1302402EMG-V01-evm-NL

Het OER helpt bij het afwegingsproces rondom bijvoorbeeld de vraag waar ruimte is voorzien voor thema’s als wonen en groen en hoeveel ruimte daaraan wordt toegekend in een plan (in dit geval een omgevingsvisie). Met de wettelijke procedure (formeel wordt dit milieueffectrapportage genoemd, afgekort mer) die gekoppeld is aan de omgevingsvisie waar het OER onderdeel van uitmaakt, krijgt het milieu een plaats in de besluitvorming over een plan. Het eindproduct is een verslaglegging van dit proces. Dit product gaat samen met de ontwerp-omgevingsvisie ter inzage. Hiermee krijgt het milieu en de andere (nieuwe) onderwerpen (de verbrede reikwijdte) een plaats in de besluitvorming over de omgevingsvisie.

3.2

Waarom een OER en Passende beoordeling?

Een procedure voor het opstellen van een OER is op grond van de Omgevingswet verplicht als een plan of programma kaderstellend is voor opvolgende mer-(beoordelings) plichtige besluiten of als een passende beoordeling moet worden gemaakt op grond van artikel 16.53c van de Omgevingswet. Een passende beoordeling is nodig wanneer op voorhand niet kan worden uitgesloten dat ontwikkelingen zoals opgenomen in de omgevingsvisie significante gevolgen hebben voor Natura 2000-gebieden. Binnen de gemeente Leeuwarden zijn de Alde Feanen en Groote Wielen Natura-2000 gebied. De passende beoordeling is een document waarin dieper wordt ingegaan op de gevolgen voor Natura 2000-gebieden. Het detailniveau van de passende beoordeling moet passen bij het detailniveau van het plan. Omdat het in dit geval om een omgevingsvisie gaat, zal een passende beoordeling ook een meer abstract karakter hebben. Wanneer concretisering van keuzes plaatsvindt in bijvoorbeeld opvolgende omgevingsprogramma’s en omgevingsplan en er meer duidelijkheid is over de omvang van de verschillende ontwikkelingen, zal nader onderzoek nodig (kunnen) zijn naar effecten op Natura 2000 en de mogelijkheden om deze te beperken (Passende beoordeling op projectniveau). De passende beoordeling zal, als apart hoofdstuk, integraal onderdeel uitmaken van het OER.

3.3

Een integrale benadering

Naast dat het OER stilstaat bij de thema’s uit de klassieke ruimtelijke ordening, zoals wonen, werken, groen en mobiliteit, besteedt het OER aandacht aan nieuwe thema’s onder de Omgevingswet. Voorbeelden hiervan zijn klimaatadaptatie, duurzaamheid, positieve gezondheid en veiligheid. Hoewel in de omgevingsvisie een integrale koers uitgezet wordt waarin al deze thema’s uit het fysieke domein meedoen en er gestreefd wordt naar samenhang in functies en ambities, kunnen bepaalde ambities ook strijdig zijn met elkaar. Het OER onderzoekt deze onderlinge synergie en strijdigheid tussen ambities en brengt deze in beeld om uiteindelijk synergie te kunnen benutten en strijdigheid te minimaliseren of op te lossen. Door daarin diverse nieuwe thema’s mee te nemen ontstaat een vernieuwende aanpak met als uitgangspunt om niet enkel milieueffecten in beeld te brengen, maar de gehele fysieke leefomgeving integraal te benaderen.

3.4

Wisselwerking omgevingsvisie en OER

Het OER wordt gelijktijdig en in samenhang met de omgevingsvisie opgesteld. Het OER is daarbij het instrument om afgewogen keuzes te maken voor de omgevingsvisie.

10/20

Kenmerk

R001-1302402EMG-V01-evm-NL

Door het OER en de omgevingsvisie in samenhang op te stellen, kunnen beide producten elkaar gedurende het proces aanvullen en versterken. De stappen van het OER worden in het volgende hoofdstuk verder toegelicht.

OER Lee omgevings oto

asisnotitie

E e t eoordeling alternatieven

Alternatieven

E e t eoordeling A

on ept Omgevingsvisie A

onitoring en evaluatie

Omgevingsvisie

rogramma s en Omgevingsplan

Omgevingsvisie Figuur 3.1: Wisselwerking OER en omgevingsvisie

4 Aanpak milieuonderzoek Dit hoofdstuk licht de diverse stappen toe die ten behoeve van het OER worden genomen. Ook wordt het beoordelingskader waarbinnen de beoordeling van de relevante effecten op de fysieke leefomgeving plaatsvindt beschreven. Verder wordt toegelicht wat de beoordelingssystematiek is: hoe wordt er beoordeeld?

4.1

Stappen OER

In deze paragraaf wordt de aanpak van het OER beschreven. Figuur 4.1 toont de zes stappen die gezet worden. De stappen worden een voor een kort toegelicht.

Figuur 4.1: Stappen OER

Stap 1: Opstellen leefomgevingsfoto (referentiesituatie) De eerste stap is het opstellen van de leefomgevingsfoto. Deze geeft een beeld van de huidige situatie en de autonome ontwikkeling (HSAO).

11/20

Kenmerk

R001-1302402EMG-V01-evm-NL

Onder autonome ontwikkeling wordt verstaan: de verwachte ontwikkeling van de huidige situatie tot het zichtjaar 2050, wanneer er geen nieuwe omgevingsvisie wordt opgesteld. Hierbij worden alle ontwikkelingen en activiteiten meegenomen die met enige zekerheid zullen plaatsvinden, zoals vastgestelde (ruimtelijke) plannen en (wetenschappelijke) trends. Een trend is een algemene ontwikkeling of tendens op langere termijn die een duidelijke richting van stijging of daling aangeeft, zoals klimaatverandering of bepaalde demografische ontwikkelingen. Hierop kan de gemeente in principe zelf geen directe invloed uitoefenen. Zo nodig kan gewerkt worden met verschillende scenario’s, zoals de KNMI’23-klimaatscenario’s. De leefomgevingsfoto bevat diverse indicatoren, zoals beschreven in paragraaf 4.3. Voor elke indicator wordt het kwaliteitsniveau vastgesteld en beoordeeld als goed, redelijk of slecht. Op basis van deze beoordeling kunnen vervolgens per indicator de bijbehorende opgaven worden benoemd. De leefomgevingsfoto is al opgesteld (zie bijlage 1). In de foto is de focus gelegd op de thema’s en indicatoren die naar verwachting maatgevend zijn voor de afwegingen in het kader van de omgevingsvisie en die een relatie hebben met de fysieke leefomgeving. Tijdens het opstellen van het OER worden ook de overige thema’s toegevoegd.

In het navolgende tekstvak is een korte samenvatting opgenomen.

12/20

Kenmerk

R001-1302402EMG-V01-evm-NL

Stap 2: Opstellen alternatieven Om tot een uiteindelijk omgevingsvisie te komen, worden aan het begin van het proces enkele onderscheidende alternatieven opgenomen. Hiervoor wordt een apart proces met behulp van ontwerpend onderzoek doorlopen, die nader beschreven wordt in paragraaf 4.2 van deze NRD. In de derde stap van het OER worden deze verschillende alternatieven op hoofdlijnen beoordeeld. Stap 3: Uitvoeren effectbeoordeling alternatieven (inclusief synergie en strijdigheden) In stap 3 worden de alternatieven op effecten beoordeeld. Beoordeeld wordt wat de invloed is op de verschillende indicatoren zoals opgenomen in het beoordelingskader in paragraaf 4.3. Dit wordt getoetst aan de referentiesituatie (de leefomgevingsfoto) en levert inzichten op in synergiën en knelpunten per alternatief. Oftewel welke gemeentelijke ambities gaan goed samen en waar botst het. Stap 4: Uitvoeren effectbeoordeling en doelbereik voorkeursalternatief (VKA) Na de beoordeling in de voorgaande stap voert de gemeente opnieuw ontwerpend onderzoek uit om een voorkeursalternatief (VKA) voor de omgevingsvisie te bepalen. Ook van dit alternatief worden de effecten beoordeeld.

13/20

Kenmerk

R001-1302402EMG-V01-evm-NL

Daarnaast wordt het doelbereik in beeld gebracht. Dit is een toets om te beoordelen in hoeverre met de keuzes binnen het VKA, en ander vastgesteld beleid van de gemeente en andere overheden, ambities worden gehaald. Ook wordt gekeken naar de zogenaamde beïnvloedingsruimte van de gemeente; waar is de gemeente zelf aan zet en waar is zij afhankelijk van andere partijen. Samen leidt dit tot een overzicht van mogelijke effecten op de fysieke leefomgeving en vervolgens tot een vertaling in hoeverre doelen worden bereikt met de omgevingsvisie. Het opstellen van een Passende Beoordeling op hoofdlijnen, dus hetzelfde abstractieniveau als de alternatieven, is eveneens onderdeel van het uitvoeren van de effectbeoordeling (zie ook 3.2). Stap 5: Beschrijven aanbevelingen en mitigerende maatregelen Aan de hand van de effectbeoordeling en de beoordeling van het doelbereik worden aanbevelingen en mogelijke mitigerende maatregelen beschreven waarmee problemen of knelpunten verminderd of weggenomen kunnen worden. Als uit de beoordeling blijkt dat er geen verschil is of juist een verbetering optreedt dan wordt aangegeven hoe (positieve) effecten versterkt kunnen worden. Hier kan de omgevingsvisie zo nodig nog aangepast worden. De aanbevelingen kunnen ook het startpunt zijn voor eventuele verdere concretisering van het beleid in omgevingsprogramma’s en het omgevingsplan.

Stap 6: Beschrijven aanzet monitoringsprogramma Het is verplicht vanuit de Omgevingswet, en ook nodig, om het kwaliteitsniveau van de fysieke leefomgeving op gezette tijden en geordend bij te houden. In het OER volgt daarom ook een eerste aanzet van een systeem voor monitoring en evaluatie (die input kunnen zijn voor het bredere proces van monitoring en evaluatie binnen de gemeente). Een dergelijk systeem is nodig om te kunnen bepalen of gewenste doelen en voorspelde effecten ook daadwerkelijk uitkomen. Als dit niet het geval is, kan worden bijgestuurd door het beleid in de omgevingsvisie en de uitvoering daarvan bij te stellen. Het ontwikkelen van dit systeem begint al bij de beschrijving van de referentiesituatie waarbij is nagedacht over hoe de verschillende ambities en effecten gemeten en getoetst kunnen worden.

4.2 4.2.1

Alternatieven Proces en ontwerpend onderzoek

Zoals beschreven onder stap twee in paragraaf 4.1 toetst het OER verschillende, duidelijk te onderscheiden alternatieven. In een OER voor een omgevingsvisie is het onderzoeken van alternatieven gebruikelijk. Daarbij is het van belang om in alternatieven de zogenaamde hoeken van het speelveld te verkennen. Anders gezegd: in het OER wordt vanuit verschillende invalshoeken naar de opgaven (c.q. ambities) gekeken, waarbij steeds één opgave of een combinatie van opgaven (een ‘hoek’) zwaarwegend is. Wat deze ‘hoeken’ zijn, wordt nader beschreven in paragraaf 4.2.2.

14/20

Kenmerk

R001-1302402EMG-V01-evm-NL

Door deze verkenning, waarbij ook verder wordt gekeken dan de huidige beleidsruimte, wordt zichtbaar waar spanningen ontstaan wanneer sterk wordt ingezet op bepaalde opgaven. Bij de uitwerking en beoordeling van alternatieven wordt onderscheid gemaakt tussen drie gebiedstypen: De stad, De dorpen en Het buitengebied. Op basis van deze inzichten kunnen uiteindelijk de juiste afwegingen worden gemaakt om te komen tot het Voorkeursalternatief (VKA) voor de omgevingsvisie. Om te komen tot alternatieven voor het OER en uiteindelijk een VKA wordt een aantal stappen doorlopen: •

•

Op basis van de leefomgevingsfoto (zie paragraaf 4.1 en bijlage 1), een uitgebreide beleidsen trendanalyse en de zogenoemde versnellingsweek is een integraal beeld gevormd van de opgaven en mogelijke oplossingsrichtingen voor de gemeente. Met de huidige omgevingsvisie als basis heeft dit geleid tot drie eerste aanzetten voor alternatieven ten behoeve van het OER, die in paragraaf 4.2.2 nader worden toegelicht Op basis van deze eerste aanzetten vindt, na publicatie van deze NRD, verder ontwerpend onderzoek plaats. Dit is een iteratief proces van ontdekken, ontwerpen, evalueren en bijstellen, waarbij het proces van ontwerpen zelf net zo belangrijk is als de uiteindelijke uitkomst. Bij dit onderzoek zijn ambtenaren, ontwerpers en (milieu)deskundigen betrokken, en

•

•

dit zal uiteindelijk leiden tot uitgewerkte alternatieven In het OER worden verder uitgewerkte (onderzoeks) alternatieven getoetst op de verschillende relevante aspecten binnen de fysieke leefomgeving, in brede zin, zoals opgenomen in het beoordelingskader van deze NRD (zie paragraaf 4.3). Dit levert inzichten op in de kansen en knelpunten per alternatief Mede op basis van de beoordeling uit de voorgaande stap vindt (mogelijk) nader ontwerpend onderzoek plaats, met als uiteindelijk doel om te komen tot een VKA voor de omgevingsvisie. Ook dit alternatief wordt nogmaals in het OER beoordeeld, waarna aanbevelingen voor optimalisatie worden geformuleerd. Het geoptimaliseerde VKA vormt zoals beschreven de basis voor de ontwerp-omgevingsvisie, die samen met het definitieve OER ter inzage wordt gelegd.

4.2.2 Aanzet alternatieven In de huidige omgevingsvisie worden, zoals beschreven in paragraaf 2.1, drie ontwikkelprincipes benoemd voor Leeuwarden: vergroenen, verbinden en verwaarden. Deze ontwikkelprincipes staan voor een actieve houding en een werkwijze waarmee de gemeente gezamenlijk aan de slag wil gaan. Per gebied en project worden afwegingen gemaakt op basis van deze ontwikkelprincipes. De gemeente wil vasthouden aan deze drie ontwikkelprincipes. In het OER worden alternatieven onderzocht die steeds weer een ander ontwikkelprincipe als zwaartepunt kiezen. Dit vormen de voorgenoemde hoeken van het speelveld. Dit leidt tot de volgende onderscheidende alternatieven: 1. Volledig inzetten op Groen-Blauw (Vergroenen) Wanneer voor dit hoekpunt wordt gekozen, krijgt Groen–Blauw in principe voorrang boven andere functies. Dat betekent dat het bodem- en watersysteem leidend is bij ruimtelijke keuzes en dat nieuwe functies zoals woningen en infrastructuur zich moeten schikken naar dit natuurlijk systeem.

15/20

Kenmerk

R001-1302402EMG-V01-evm-NL

In veenweidegebieden houdt dit bijvoorbeeld in dat de functie het peil volgt: om bodemdaling verder te beperken wordt het waterpeil in bepaalde kwetsbare gebieden verhoogd. Dit heeft vergaande consequenties voor de landbouw, maar biedt juist kansen voor natuurontwikkeling. In steden en dorpen betekent dit extra ruimte creëren voor groen-blauwe verbindingen, waar mogelijk gecombineerd met recreatieve functies. Er wordt meer ingezet op openbaar groen en minder op privégroen. Ook wordt meer meebewogen met het veranderende klimaat, zodat de gemeente in de toekomst volledig bestand zal zijn tegen de gevolgen van wateroverlast, droogte en hittestress. Daarnaast wordt gewerkt aan het verminderen van emissies (klimaatmitigatie), onder andere door ruimte te bieden voor duurzame energieopwekking, al dan niet in de vorm van energielandschappen. Op economisch vlak betekent dit een nieuw model waarin de businesscase ‘meer verdienen door vergroening en biodiversiteit’ centraal staat. Er wordt niet alleen ingezet op bescherming van natuur, maar juist ook op versterking en herstel ervan. 2. De mens volledig centraal (Verbinden) In dit alternatief verschuift de focus zich op de ‘zachte’ aspecten van de leefomgeving.

Belangrijk hierin zijn de sociale cohesie en vitaliteit in buitengebied, wijken en dorpen, met als overkoepelende ambitie dat inwoners gezond en vitaal zijn: +5 extra gezonde levensjaren. De gemeente zet in dit alternatief extra in op een ongedeelde samenleving waarin iedereen de kans krijgt om mee te doen. Een van de maatregelen kan zijn dat wordt ingezet op het behalen van de WHO-advieswaarden. Dit kan mogelijk consequenties hebben voor de locaties waar mensen in de toekomst kunnen wonen, of voor de vestiging van nieuwe bedrijven en het aanleggen van nieuwe infrastructuur. In dit alternatief wordt ook het sport- en beweegaanbod, evenals plekken om elkaar te ontmoeten, gestimuleerd. Dit gebeurt in de vorm van sportvelden en accommodaties, parken, speeltuinen en overige maatschappelijke voorzieningen. Daarnaast gaat het om het aanleggen van meer wandel- en fietsinfrastructuur. Er wordt bovendien sterker ingezet op (sociale) veiligheid, wat eveneens gevolgen kan hebben voor de inrichting van de fysieke leefomgeving. 3. Robuust economische toekomst (Verwaarden) In dit alternatief wordt ingezet op ambities rond brede welvaart, waaronder inkomen, arbeidsmarkt, werkgelegenheid en samenleven. Er wordt ruimte geboden aan de economische motoren van de gemeente, waarbij wordt ingezet op de ontwikkeling van de wijkeconomie en het slim clusteren van bedrijven en kennis.

Daarnaast is er aandacht voor de circulaire economie en de energietransitie, inclusief de ruimte die daarvoor nodig is. Voor bestaande bedrijventerreinen geldt: enerzijds worden sommige terreinen een meer gemengd karakter gegeven of afgewaardeerd, anderzijds wordt gezocht naar nieuwe locaties voor bedrijventerreinen. Deze nieuwe terreinen bieden ruimte voor grootschalige bedrijvigheid én kantoren. Centraal staat de vraag welke (milieu)ruimte deze bedrijven nodig hebben en in hoeverre er strijdigheden of juist synergie mogelijk is met andere ambities. Voor alle alternatieven gelijk Voor ieder alternatief geldt dat de kaders en verplichtingen vanuit de wetgeving nageleefd moeten worden, zoals de grenswaarden voor geur, lucht en geluid.

16/20

Kenmerk

R001-1302402EMG-V01-evm-NL

Ook de grote opgaven, zoals de bouw van woningen, waterbergingsopgave, de realisatie van het NNN, de KRW-opgave en de afspraken uit de regionale energiestrategie (RES) zijn voor ieder alternatief gelijk. Vervolgens is per ontwikkelprincipe een bandbreedte opgezocht: waar zetten we als gemeente extra op in, wat geven we prioriteit, en waar vinden bepaalde ontwikkelingen plaats en wat betekent dit voor de fysieke leefomgeving?

4.3

Beoordelingskader

De volgende tabel geeft een overzicht van de onderzoeksthema’s die in het OER aan bod komen en de indicatoren waarnaar wordt gekeken per thema. De meeste thema’s zijn reeds uitgewerkt in de leefomgevingsfoto (bijlage 1). Thema’s die in deze versie nog niet zijn uitgewerkt, maar uiteindelijk wel in het OER worden opgenomen, zijn gemarkeerd met een sterretje (*). De effect beoordeling is, gezien het doorgaans wat abstractere niveau van een omgevingsvisie, in principe kwalitatief. Indien meer kwantitatieve gegeven beschikbaar zijn zullen deze indien mogelijk en van toegevoegde waarde worden gebruikt. Tabel 4.1: Beoordelingskader Criterium

Indicator

Landschap en erfgoed

Landschap Erfgoed Archeologie*

Bodem

Bodemdaling Bodemkwaliteit*

Waterkwaliteit

Oppervlaktewaterkwaliteit Grondwaterkwaliteit

Natuur

Biodiversiteit (soortendiversiteit) Natuurnetwerk Nederland en andere provinciale natuurgebieden Natura 2000 gebieden (inclusief stikstof) Overige groengebieden*

Klimaatadaptatie

Wateroverlast Hitte

17/20

Kenmerk

R001-1302402EMG-V01-evm-NL

Criterium

Indicator Droogte Overstroming*

Verkeer en mobiliteit

Multimodale bereikbaarheid Bereikbaarheids- en mobiliteitsknelpunten Verkeersveiligheid*

Gezonde leefomgeving

Huidige gezondheid bevolking en mate waarin de omgeving uitnodigt tot

(positieve gezondheid)

bewegen/sporten/spelen Beschikbaarheid (maatschappelijke) voorzieningen*

Luchtkwaliteit*

Stikstofdioxide (NO2)* Fijnstof (PM2,5)* Fijnstof (PM10)*

Geur

Geurhinder van veehouderijen en bedrijven

Geluid

Geluid van verkeer (wegen, trein, vliegtuig) Geluidseffect industrie Geluidseffect overige bronnen (windmolens, e.d.)

Externe veiligheid

Groepsrisico/aandachtsgebieden en plaatsgebonden risico’s

Licht en duisternis*

Lichthinder*

Duurzaamheid: energie en

Mate waarin voldaan kan worden aan de ambities op het energie en

circulariteit

circulariteit Drukte in de ondergrond

* Thema en/of indicator is nog niet uitgewerkt in de leefomgevingsfoto uit bijlage 1.

4.4

Beoordelingssystematiek

In het OER worden de effecten van het beleid in de omgevingsvisie in beeld gebracht ten opzichte van de referentiesituatie (= leefomgevingsfoto). De effecten worden op een zevenpuntschaal beoordeeld (zie tabel 4.2).

18/20

Kenmerk

R001-1302402EMG-V01-evm-NL

Tabel 4.2: Beoordelingssystematiek

5

ro esstappen

In dit hoofdstuk wordt het vervolg van het proces voor de OER beschreven.

5.1

Kennisgeving en raadpleging

De procedure start met de openbare kennisgeving van het voornemen om een OER op te stellen en de publicatie van de Notitie Reikwijdte en Detailniveau. De NRD ligt hierbij zes weken ter inzage. Tijdens deze periode kan iedereen reageren op de aanpak van de OER voor de omgevingsvisie zoals beschreven in deze NRD. Reacties kunnen in de vorm van inspraakreacties bij de gemeente ingediend worden.

5.2

Opstellen OER en Nota van beantwoording

De reacties worden van antwoord voorzien in een reactienota. De uitkomsten worden betrokken in de op te stellen OER. Dit vindt gelijktijdig plaats met het opstellen van de ontwerp-omgevingsvisie.

5.3

Terinzagelegging OER

De procedure van het OER is gekoppeld aan de omgevingsvisie. Dit houdt in dat de ontwerpomgevingsvisie en het OER gelijktijdig zes weken ter inzage worden gelegd, waarbij het OER als bijlage bij de ontwerp-omgevingsvisie ter inzage wordt gelegd. Eenieder mag een zienswijze indienen op het OER en op de ontwerp-omgevingsvisie. Parallel aan de terinzagelegging en besluitvorming toetst de Commissie voor de mer1, de kwaliteit van het OER en beoordeelt de Commissie of de juiste (milieu) informatie aanwezig is om een besluit over de omgevingsvisie te kunnen nemen.

5.4

Besluit en vervolg

De omgevingsvisie wordt vastgesteld door de gemeenteraad. De gemeente motiveert in de uiteindelijke omgevingsvisie hoe met de uitkomsten van het OER en de zienswijzen is omgegaan. 1

De Commissie voor de mer is een onafhankelijke organisatie die adviseert over de inhoud en kwaliteit van milieueffectrapporten.

19/20

Kenmerk

R001-1302402EMG-V01-evm-NL

Niet alles hoeft of kan direct in de omgevingsvisie verwerkt te worden. Sommige aanbevelingen kunnen ook in een programma of het omgevingsplan worden verwerkt.

20/20

Kenmerk

Bijlage 1

R001-1302402EMG-V01-evm-NL

Leefomgevingsfoto

Leefomgevingsfoto OER Omgevingsvisie Leeuwarden 31 oktober 2025

Kenmerk

R002-1302402EMG-V01-evm-NL

Verantwoording Titel

Leefomgevingsfoto OER Omgevingsvisie Leeuwarden

Opdrachtgever

Gemeente Leeuwarden

Projectleider

Martijn Gerritsen

Auteur(s)

Lorena van der Meer

Tweede lezer

Martijn Gerritsen

Kenmerk

R002-1302402EMG-V01-evm-NL

Aantal pagina’s

102 (exclusief bijlagen)

Datum

31 oktober 2025

Handtekening

Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.

Colofon TAUW bv Australiëlaan 5 Postbus 3015 3502 GA Utrecht T +31 30 28 24 82 4 E info.utrecht@tauw.com

2/102

Kenmerk

R002-1302402EMG-V01-evm-NL

Inhoud 1

Inleidend .................................................................................................................................... 7

2

Landschap en erfgoed ............................................................................................................... 8 2.1

2.1.1

Beoordelingssystematiek ............................................................................................ 8

2.1.2

Huidige situatie............................................................................................................ 8

2.1.3

Autonome ontwikkeling ............................................................................................. 11

2.1.4

Belangrijkste opgaven ............................................................................................... 12

2.2

3

4

Erfgoed ............................................................................................................................. 13

2.2.1

Beoordelingssystematiek .......................................................................................... 13

2.2.2

Huidige situatie.......................................................................................................... 13

2.2.3

Autonome ontwikkeling ............................................................................................. 14

2.2.4

Belangrijkste opgaven ............................................................................................... 14

Bodem ..................................................................................................................................... 14 3.1

Bodemdaling .................................................................................................................... 15

3.2

Beoordelingssystematiek ................................................................................................. 15

3.2.1

Huidige situatie.......................................................................................................... 15

3.2.2

Autonome ontwikkeling ............................................................................................. 17

3.2.3

Belangrijkste opgaven ............................................................................................... 20

Waterkwaliteit .......................................................................................................................... 21 4.1

Oppervlaktewaterkwaliteit ................................................................................................ 21

4.2

Beoordelingssystematiek ................................................................................................. 21

4.2.1

Huidige situatie.......................................................................................................... 22

4.2.2

Autonome ontwikkeling ............................................................................................. 23

4.2.3

Belangrijkste opgaven ............................................................................................... 23

4.3

5

Landschap .......................................................................................................................... 8

Grondwaterkwaliteit .......................................................................................................... 24

4.3.1

Beoordelingssystematiek .......................................................................................... 24

4.3.2

Huidige situatie.......................................................................................................... 24

4.3.3

Autonome ontwikkeling ............................................................................................. 26

4.3.4

Belangrijkste opgaven ............................................................................................... 27

Natuur ...................................................................................................................................... 27

3/102

Kenmerk

5.1

Beoordelingssystematiek .......................................................................................... 29

5.1.2

Huidige situatie.......................................................................................................... 29

5.1.3

Autonome ontwikkeling ............................................................................................. 32

5.1.4

Belangrijkste opgaven ............................................................................................... 33

Natuurnetwerk Nederland en andere provinciale natuurgebieden ................................... 34

5.2.1

Beoordelingssystematiek .......................................................................................... 34

5.2.2

Huidige situatie.......................................................................................................... 35

5.2.3

Autonome ontwikkeling ............................................................................................. 38

5.2.4

Belangrijkste opgaven ............................................................................................... 40

5.3

Natura 2000-gebieden (inclusief stikstof) ......................................................................... 40

5.3.1

Beoordelingssystematiek .......................................................................................... 41

5.3.2

Huidige situatie.......................................................................................................... 41

5.3.3

Autonome ontwikkeling ............................................................................................. 45

5.3.4

Belangrijkste opgaven ............................................................................................... 45

Klimaatadaptatie ...................................................................................................................... 46 6.1

Wateroverlast ................................................................................................................... 47

6.1.1

Beoordelingssystematiek .......................................................................................... 47

6.1.2

Huidige situatie.......................................................................................................... 47

6.1.3

Autonome ontwikkeling ............................................................................................. 49

6.1.4

Belangrijkste opgaven ............................................................................................... 50

6.2

Hitte .................................................................................................................................. 50

6.2.1

Beoordelingssystematiek .......................................................................................... 51

6.2.2

Huidige situatie.......................................................................................................... 51

6.2.3

Autonome ontwikkeling ............................................................................................. 53

6.2.4

Belangrijkste opgaven ............................................................................................... 53

6.3

7

Biodiversiteit (soortendiversiteit) ...................................................................................... 28

5.1.1

5.2

6

R002-1302402EMG-V01-evm-NL

Droogte (in relatie tot natuur en landbouw) ...................................................................... 54

6.3.1

Beoordelingssystematiek .......................................................................................... 54

6.3.2

Huidige situatie.......................................................................................................... 54

6.3.3

Autonome ontwikkeling ............................................................................................. 57

6.3.4

Belangrijkste opgaven ............................................................................................... 59

Verkeer en mobiliteit ................................................................................................................ 59

4/102

Kenmerk

7.1

Beoordelingssystematiek .......................................................................................... 60

7.1.2

Huidige situatie.......................................................................................................... 60

7.1.3

Autonome ontwikkeling ............................................................................................. 63

7.1.4

Belangrijkste opgaven ............................................................................................... 64

Bereikbaarheids- en mobiliteitsknelpunten ...................................................................... 65

7.2.1

Beoordelingssystematiek .......................................................................................... 65

7.2.2

Huidige situatie.......................................................................................................... 65

7.2.3

Autonome ontwikkeling ............................................................................................. 66

7.2.4

Belangrijkste opgaven ............................................................................................... 67

Gezonde leefomgeving (positieve gezondheid) ...................................................................... 69 8.1

9

Multimodale bereikbaarheid ............................................................................................. 60

7.1.1

7.2

8

R002-1302402EMG-V01-evm-NL

Gezondheid bevolking en beweegvriendelijke omgeving ................................................ 70

8.1.1

Beoordelingssystematiek .......................................................................................... 70

8.1.2

Huidige situatie.......................................................................................................... 70

8.1.3

Autonome ontwikkeling ............................................................................................. 73

8.1.4

Belangrijkste opgaven ............................................................................................... 74

Geur (gezondheidsbescherming) ............................................................................................ 74 9.1

Geurhinder van veehouderijen en bedrijven .................................................................... 75

9.1.1

Beoordelingssystematiek .......................................................................................... 75

9.1.2

Huidige situatie.......................................................................................................... 76

9.1.3

Autonome ontwikkeling ............................................................................................. 76

9.1.4

Belangrijkste opgaven ............................................................................................... 77

10 Geluid (gezondheidsbescherming) .......................................................................................... 77 10.1

Geluid van verkeer (wegen, trein, vliegtuig) ..................................................................... 78

10.1.1

Beoordelingssystematiek....................................................................................... 78

10.1.2

Huidige situatie ...................................................................................................... 78

10.1.3

Autonome ontwikkeling.......................................................................................... 83

10.1.4

Belangrijkste opgaven ........................................................................................... 84

10.2

Geluid van industrie ......................................................................................................... 85

10.2.1

Beoordelingssystematiek....................................................................................... 85

10.2.2

Huidige situatie ...................................................................................................... 86

10.2.3

Autonome ontwikkeling.......................................................................................... 88

5/102

Kenmerk

10.2.4

R002-1302402EMG-V01-evm-NL

Belangrijkste opgaven ........................................................................................... 89

11 Externe veiligheid .................................................................................................................... 89 11.1

Aandachtsgebieden (groepsrisico) en plaatsgebonden risico’s ....................................... 89

11.1.2

Beoordelingssystematiek....................................................................................... 90

11.1.3

Huidige situatie ...................................................................................................... 90

11.1.4

Autonome ontwikkeling.......................................................................................... 93

11.1.5

Belangrijkste opgaven ........................................................................................... 94

12 Duurzaamheid: energie en circulariteit .................................................................................... 94 12.1

Mate waarin aan ambities voor energie en circulariteit wordt voldaan ............................. 94

12.1.1

Beoordelingssystematiek....................................................................................... 95

12.1.2

Huidige situatie ...................................................................................................... 95

12.1.3

Autonome ontwikkeling.......................................................................................... 98

12.1.4

Belangrijkste opgaven ......................................................................................... 100

12.2

Drukte in de ondergrond ................................................................................................ 100

12.2.1

Beoordelingssystematiek..................................................................................... 101

12.2.2

Huidige situatie .................................................................................................... 101

12.2.3

Autonome ontwikkeling........................................................................................ 102

12.2.4

Belangrijkste opgaven ......................................................................................... 102

6/102

Kenmerk

R002-1302402EMG-V01-evm-NL

1 Inleidend Voor u ligt de leefomgevingsfoto bij de omgevingsvisie van de gemeente Leeuwarden. De foto zal onderdeel uitmaken van het Omgevingseffectrapport, afgekort OER (zie hiervoor ook de Notitie Reikwijdte en Detailniveau OER Omgevingsvisie Leeuwarden) dat wordt opgesteld ten behoeve van de omgevingsvisie. Een leefomgevingsfoto is geen formele term, maar een andere benaming voor de beschrijving van de huidige situatie en de autonome ontwikkeling. Deze analyse vormt de basis om te beoordelen welk effect de toekomstige omgevingsvisie, oftewel het plan, zal hebben op milieuthema’s zoals landschap, water, bodem, natuur, klimaatadaptatie, gezondheid en geluid, en helpt bij het bepalen en afwegen van alternatieven. In dit rapport zijn thema’s geselecteerd waarmee de omgevingsvisie een belangrijk raakvlak heeft. Voor deze thema’s zijn verschillende relevante leefomgevingsaspecten, ook wel indicatoren genoemd, geselecteerd. Een voorbeeld hiervan is de indicator grondwaterkwaliteit binnen het thema water. Voor elke indicator zijn de Huidige Situatie en de Autonome Ontwikkeling (HSAO; referentiesituatie) beschreven en beoordeeld aan de hand van de beschreven beoordelingssystematiek. De beoordeling van het kwaliteitsniveau van de verschillende indicatoren is onderverdeeld in slecht, redelijk en goed (zie de tabel hierna).

Onder autonome ontwikkeling wordt verstaan: de verwachte ontwikkeling van de huidige situatie tot het zichtjaar 2050, wanneer er geen nieuwe omgevingsvisie wordt opgesteld. Hierbij worden alle ontwikkelingen en activiteiten meegenomen die met enige zekerheid zullen plaatsvinden, zoals vastgestelde (ruimtelijke) plannen en (wetenschappelijke) trends. Een trend is een algemene ontwikkeling of tendens op langere termijn, die een duidelijke richting van stijging of daling aangeeft, zoals klimaatverandering, en waar de gemeente in principe zelf geen directe invloed op kan uitoefenen. Zo nodig kan gewerkt worden met verschillende scenario’s zoals KNMI’23-klimaatscenario’s Tabel 1.1 Legenda symbolen kwaliteitsniveau referentiesituatie. Slecht Redelijk

Goed

Aan het begin van iedere factsheet is een overzichtstabel opgenomen met de beoordeling van de kwaliteitsniveaus van de verschillende indicatoren van het betreffende thema. De effecten van het beleid van de omgevingsvisie worden afgezet tegen de referentiesituatie (HSAO). Deze beoordeling wordt uiteindelijk in het hoofdrapport van het OER opgenomen.

7/102

Kenmerk

R002-1302402EMG-V01-evm-NL

Mocht blijken dat op sommige thema’s een aanvulling of uitwerking wenselijk is, dan wordt deze in een latere fase, bij het opstellen van het OER, aangevuld.

2 Landschap en erfgoed De gemeente vindt het belangrijk om de kwaliteiten van haar landschap en erfgoed te behouden. Nieuwe stedelijke ontwikkelingen, maar ook ontwikkelingen in het landelijk gebied kunnen deze waarden beïnvloeden. In de volgende tabel zijn de kwaliteitsniveaus samengevat van de indicatoren van het thema landschap en erfgoed in de huidige situatie en de autonome ontwikkeling. Tabel 2.1 Beoordeling indicatoren landschap en erfgoed. Indicator Huidige situatie

Autonome ontwikkeling

Landschap

Erfgoed

2.1

Landschap

2.1.1 Beoordelingssystematiek Centraal in deze beoordeling staat de kwaliteit van de landschappelijke waarden. Wanneer er wordt uitgegaan dat de kwaliteit goed is en dit in de toekomst ook zo zal zijn dan wordt de huidige situatie of autonome ontwikkeling beoordeeld als goed. Wanneer de bestaande kwaliteit wordt aangetast wordt de huidige situatie of autonome ontwikkeling beoordeeld als slecht. Een verslechtering van de kwaliteit kan optreden als gevolg van verrommeling van het landschap. Dit kan inhouden dat ruimtelijke ontwikkelingen niet passen in het karakter van het landschap. Daarnaast is de herkenbaarheid van landschapstypen en daarbinnen voorkomende kenmerkende structuren en patronen van belang. Als deze minder worden dan verslechtert de kwaliteit van het landschap. Tabel 2.2 Beoordelingssystematiek landschap. Indicator

Criterium

Slecht

Landschap

Kwaliteit van landschappelijke Kwaliteit neemt af

Redelijk

Goed

Kwaliteit blijft stabiel Kwaliteit neemt toe

waarden

2.1.2 Huidige situatie Landschapstypen Het huidige landschap binnen de gemeente Leeuwarden kent een aantal duidelijke kenmerken en kernkwaliteiten.

8/102

Kenmerk

R002-1302402EMG-V01-evm-NL

In de structuurvisie “Grutsk op ‘e Romte” 1 zijn de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten, structuren en elementen van provinciaal belang in beeld gebracht. Hierin zijn de landschappelijke en cultuurhistorische structuren genoemd die vaak de gemeentegrenzen overschrijden en bepalend zijn voor de identiteit van de gehele provincie. Op hoofdlijnen kan het landschap van Leeuwarden worden onderverdeeld in een klei (grofweg het westelijk deel van de gemeente) en een veengebied (het oostelijk deel van de gemeente). Daarbinnen bevinden zich verschillende deellandschappen. Zie hiervoor ook de landschapstypenkaart (figuur 2.1).

Figuur 2.1 Kaart landschapstypen gemeente Leeuwarden. In onderstaande alinea’s worden de relevante landschapstypen nader beschreven. Met een rode kleur zijn de verstedelijkte gebieden weergegeven, met zwarte lijn de gemeentegrenzen. Bron: Landschapstypenkaart provincie Fryslân.

Geheel westelijk binnen de gemeente ligt het zogenaamde Kleiterpenlandschap (code Kt). Dit betreft een midden- tot grootschalig open landschap. Het landschap wordt gekenmerkt door verspreid liggende terpdorpen en huis-/boerderijterpen. De verkaveling is een zeer oude onregelmatige blokverkaveling met daarin nog duidelijk herkenbare restanten van oude kweldergeulen. Rond de soms (deels) afgegraven terpen is hier en daar een radiaire verkaveling te vinden. Bijzonderheden binnen dit landschap zijn, terpdorpen en huisterpen, kerktorens, kerkenpaden, zuivelfabrieken, polders en dijken en het systeem van trekvaarten en jaagpaden. 1

https://storymaps.arcgis.com/stories/3deada2a03c54448a82ddcb091bc6b72

9/102

Kenmerk

R002-1302402EMG-V01-evm-NL

Helemaal aan de noordoostzijde van gemeente ligt een zogenaamde kweldervlakte (code kv). Dit landschap is vergelijkbaar met het Kleiterpenlandschap, maar hier ontbreken de terpdorpen. In dit gebied staan verspreid in het landschap boerderijen, vaak op een terp. Van noord naar zuid wordt de gemeente doorsneden door het kleigebied Middelsee & Marne (code ozp). De Middelsee was een zeearm gelegen tussen de gewesten Westergo en Oostergo. De belangrijkste kenmerken en kwaliteiten zijn dat het een open en grootschalig gebied is. Het gebied wordt begrensd door de lange noord-zuid georiënteerde kwelderwallen. In het midden ligt een grenssloot, later aangepast tot trekvaart (de Swette). De kenmerkende doodlopende landbouwwegen liggen dwars op de kwelderwal. Ook is er nog een aantal (restanten van) dwarsdijken. Het open gebied kent een regelmatige blokverkaveling, opstrekkend vanuit de kwelderwallen. De beplanting is puntsgewijs bij boerenerven. Deze beplante agrarische erven liggen hoofdzakelijk op de kwelderwallen en langs de doodlopende landbouwwegen. Aan weerszijden van het Middelseegebied liggen de kwelderwallen (code Kw). Omdat deze kwelderwallen natuurlijke hoogten in dit gebied zijn, ontstond hier een bewoningslint in de vorm van terpdorpen (enkele groeiden samen uit tot de stad Leeuwarden), boerderijen en states.

Ook de belangrijkste doorgaande wegen werden op de noord-zuid georiënteerde kwelderwallen aangelegd. De beplanting is puntsgewijs rond de dorpen, boerderijen en states en lijnvormig langs enkele wegen. Ten oosten van de Middelsee en kwelderwal ligt een Klei-op-veengebied (code kov). Dit is een overgangsgebied tussen de klei en het laagveen. Het betreft een dun kleidek op laagveen. Dit gebied kenmerkt zich door een lage ligging, een open landschap met grasland met daarin terpen en terpdorpen. De boerenerven liggen zowel geclusterd bij terpdorpen als verspreid door het landschap. Beplanting is vooral aanwezig rond de erven en is schaars langs de wegen. Water in het gebied bestaat uit regionale vaarten, dorpsvaarten en(op)vaarten. In de waterlopen en verkaveling zijn nog kronkelige voormalige kreken herkenbaar. Binnen het Klei-op-veengebied liggen drie droogmakerijen (code dm). Dit zijn meren die in de 17e, 18e en 19e eeuw zijn drooggelegd en in cultuur gebracht. De droogmakerijen zijn planmatig ontwikkeld en worden gekenmerkt door een ringvaart en -dijk rondom, met daarbinnen rationele rechtlijnige patronen waaronder een regelmatige blokverkaveling. De droogmakerijen kennen een lagere ligging met een grootschalige openheid en zijn schaars bebouwd. Het oostelijk deel van de gemeente is veenweidegebied (code vw). Vanaf de 17de eeuw is hier de veenwinning op grote schaal toegepast.

Rondom de te vervenen gebieden werden veenkaden aangelegd. Door de veenwinning ontstonden er, op plekken waar diep werd gegraven, uitgestrekte plassen en vergraven land. Na de vervening werd de grond ontgonnen en bemaald. Zo ontstonden de vele uitgestrekte veenpolders met veenkaden, windmolens, windmotoren, (stoom)gemalen, vaarten, sloten en sluizen. De veenpolders zijn als landbouwgronden herverkaveld, vaak is hierbij de oude middeleeuwse verkaveling (her)gebruikt. De verkaveling is opstrekkend en kleinschalig. Het betreft een vrijwel onbebouwd gebied. Opgaande beplanting is bijna uitsluitende rond de schaarse boerenerven te vinden.

10/102

Kenmerk

R002-1302402EMG-V01-evm-NL

Verder is de beplanting over het algemeen laag, zoals oevervegetaties van riet. Het is een grootschalig open en weids landschap met structuurbepalende waterlopen. Binnen het veenweidegebied liggen beekdallandschappen (code bb). Dit is het gebied van de Boorn en de Mûzel (bij Jirnsum) en de Ee en Pikmeer (bij Grou). De gebieden worden gekenmerkt door een structuur van kronkelige, oude waterlopen, dijken en parallelle wegen. De bebouwing bestaat uit bebouwing langs de dijken. Verspreid over de gebieden liggen enkele boerenerven. De verkaveling is opstrekkend en haaks op de waterloop met afwisseling in variatie en schaal. De beplanting bestaat uit grasland en deels natuurlijke oeverbegroeiing (grasland en riet). In de stroomdalen is opgaande beplanting vrijwel afwezig. Veenderijen (code V) is een gebied met petgaten en legakkers als overblijfsel van laagveengraverijen voor de turfwinning. Nu veelal ontwikkeld tot waardevolle natuurgebieden (Alde Feanen) van moerasbos en verlande petgaten. Het landschap is voornamelijk kleinschalig en bestaat uit besloten gebieden te midden van een open veenweide- of veenpolder omgeving.

Kenmerkend zijn de langgerekte structuren van petgaten en legakkers en veenplassen, de spaarzame bebouwing (vooral recreatief), het ontbreken van wegen door het gebied, de zeer smalle opstrekkende strokenverkaveling haaks op ontginningsassen, soms in een waaiervormig patroon, en de kleinschalige moerasbosjes. De verschillende afzonderlijke kwaliteiten van het landschap van Leeuwarden worden gedetailleerd beschreven en in beeld gebracht in “Het verhaal van het landschap van de gemeente Leeuwarden”2. Samengevat Samengevat kan worden gesteld dat de gemeente Leeuwarden een divers landschap heeft. De verschillende waarden zijn goed in beeld en worden bij nieuwe ontwikkelingen in acht genomen. De dorpen in het gebied zijn beperkt qua omvang, en uitbreidingen zijn over het algemeen kleinschalig. Ook ontwikkelingen op het gebied van natuur en water worden ingepast in het landschap, waarbij wordt gestuurd op het behouden en versterken van de landschappelijke kwaliteit. In het algemeen geldt echter dat de kwaliteiten in de huidige situatie onder druk zijn komen te staan, onder andere door stedelijke uitbreidingen (rondom de kern Leeuwarden) en veranderingen in de landbouw (schaalvergroting). Toch kan worden gesteld dat de huidige kwaliteit van het landschap goed is en dat nieuwe ontwikkelingen bewust zijn ingepast, met weinig tot geen afbreuk aan landschappelijke waarden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leeuwarden&id=70c0f75d-a1b3-4203-98ea-b4a3d4500c6a