Notitie Bouwstenen
Tekst van het document
NOTITIE BOUWSTENEN VOOR HET ONTWERP OMGEVINGSPLAN LEEUWARDEN – BUITENGEBIED ZUID
1
Inleiding De Notitie Bouwstenen voor het ontwerp omgevingsplan Leeuwarden – Buitengebied Zuid bestaat uit twee onderdelen. Zowel onderdeel A als B is voorzien van een reactie van ons college, hoe hier mee om te gaan in het op te stellen ontwerp omgevingsplan. Onderdeel A In onderdeel A wordt ingegaan op de ontvangen inspraak- en overlegreacties. Het Preomgevingsplan heeft in de periode vanaf 14 januari 2021 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode kon eenieder een inspraakreactie indienen. Tegelijkertijd zijn de volgende partijen gevraagd om een overlegreactie: Provincie Fryslân, Ministerie van Defensie, Ministerie I&M / Rijkswaterstaat Noord-Nederland, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Wetterskip Fryslân, Gemeente Tytsjerksteradiel, Gasunie, Vermilion Oil & Gas, Brandweer Fryslân, Prorail, Liander, TenneT, LTO Noord, Vitens, Staatsbosbeheer, Heemschut, It Frsyke Gea, Aed Levwerd. Er zijn 52 inspraakreacties ontvangen. Er zijn 10 overlegreacties ontvangen van provincie Fryslân, Gasunie, Erfgoedvereniging Bond Heemschut, Gemeente Tytsjerksteradiel, GGD Fryslân, LTO Noord, Prorail, TenneT, Brandweer Fryslân en LTO Noord. Tijdens de inspraakperiode heeft de gemeente op 4 februari 2021 twee online dialoogsessies georganiseerd en konden bewoners, ondernemers en belangstellenden in gesprek over de voorstellen.
Hieraan hebben 165 belangstellenden deelgenomen. Het verslag is te vinden op https://www.leeuwarden.nl/nl/file/37518/download. Ook treft u dit verslag aan als bijlage. Onderdeel B Aan de raad zijn wensen en bedenkingen gevraagd over de 22 besluitpunten zoals opgenomen in bijlage 2 van de Uitleg van het Pre-omgevingsplan. Daarnaast zijn wensen en bedenkingen gevraagd ten aanzien van de in bijlage 4 opgenomen Tabellen gebiedstypen (gebruik, functieverandering en bouwen). In onderdeel B treft u per besluitpunt een samenvatting aan van de wensen en bedenkingen zoals wij deze hebben ontvangen. Per besluitpunt wordt ingegaan hoe ons college één en ander gaat verwerken/opnemen in het ontwerp omgevingsplan voor Leeuwarden - Buitengebied Zuid.
2
Onderdeel A Hierna wordt de inhoud van de overleg- en inspraakreacties samengevat en volgt per punt het gemeentelijke commentaar. Overlegreacties Provincie Fryslân 1. Provincie Fryslân geeft aan dat ontwikkelingen die op grond van het gemeentelijke PRE-OP mogelijk worden gemaakt, moeten voldoen aan de principes uit de provinciale Omgevingsverordening. Het ontwerp hiervan ligt per 1 maart 2021 ter visie. Het is nog niet duidelijk hoe de principes uit de provinciale Omgevingsverordening zijn of worden verwerkt in het PRE-OP. Reactie: Het PRE-OP is opgesteld voordat de inhoud van het ontwerp van de provinciale omgevingsverordening bekend was. Om die reden zijn de principes nog niet overgenomen. Wij zullen in het uiteindelijke omgevingsplan rekening houden met de vastgestelde omgevingsverordening van de provincie. 2. De provinciale Omgevingsverordening wordt ruimer. Voor de ruimte die ontstaat zal de gemeente in haar beleid invulling moeten geven. Dit blijkt nog niet uit het PRE-OP. Reactie: De provincie laat bepaalde zaken los, die in de huidige verordening nog wel van regels zijn voorzien. Indien de gemeente het wenselijk vindt, zal de gemeente hiervoor een regeling opnemen in het omgevingsplan. Ook hiervoor geldt dat de vastgestelde omgevingsverordening van de provincie bestudeerd zal worden op deze punten. 3.
Provincie Fryslân stelt voor een ambtelijke bijeenkomst te organiseren om van gedachten te wisselen over de nieuwe wetgeving en bijbehorende planvormen, invulling en werkwijze. Reactie: De gemeente juicht het voorstel toe een bijeenkomst te organiseren. Deze bijeenkomst heeft plaatsgevonden op 25 maart 2021. Hier zijn ook afspraken gemaakt om tijdens het vervolg samen op te trekken. Erfgoedvereniging Bond Heemschut 1. De Erfgoedvereniging Bond Heemschut staat positief tegenover het gemeentelijk uitgangspunt om panden te beschermen door deze aan te wijzen als gemeentelijk monument. Dit biedt meer bescherming dan een aanduiding als ‘karakteristiek’. Reactie: Dit onderdeel van de inspraakreactie wordt voor kennisgeving aangenomen. 2. De Erfgoedvereniging Bond Heemschut heeft nog niet in het PRE-OP kunnen lezen hoe de gemeente de gemeentelijke monumenten bescherming wil bieden. Niet ieder ‘karakteristiek’ pand zal worden aangewezen als gemeentelijk monument, terwijl deze panden wel van belang zijn. Reactie: Het klopt dat in het PRE-OP nog niet een regeling is opgenomen hoe de gemeentelijke monumenten beschermd worden. De gemeente is nog bezig met een nadere inventarisatie van mogelijke gemeentelijke monumenten. Na de inventarisatie zal de procedure worden opgestart om de monumenten aan te wijzen als gemeentelijk monument. Vervolgens zullen de locaties van de
3
gemeentelijk monumenten worden toegevoegd aan het omgevingsplan. Aan deze locaties wordt een regeling gekoppeld. 3. De Erfgoedvereniging Bond Heemschut vraagt zich af hoe het beschermd dorpsgezicht van Warstiens zal worden opgenomen in het PRE-OP. Reactie: Het beschermd dorpsgezicht van Warstiens zal als “kaartlaag” worden toegevoegd. Zodra er op een locatie binnen het beschermd dorpsgezicht wordt geklikt, zal de regeling hiervoor zichtbaar worden. Inhoudelijk sluit de regeling aan op het aanwijzingsbesluit. De inhoud van de regeling zal dus niet wijzigen ten opzichten van de huidige regeling. Dit staat beschreven in het PRE-OP. 4. Opgemerkt wordt dat de Himpensermarpolder niet is aangeduid als gemeentelijk monument. Deze polder is in 2018 aangewezen als gemeentelijk monument. Het is wenselijk een beschermende regeling op te nemen. Reactie: Het klopt dat in het PRE-OP nog geen gemeentelijke monumenten zijn opgenomen. Het is zeker wenselijk hier een beschermende regeling voor op te nemen. Dit volgt in een latere versie. 5. Binnen ‘Agrarisch gebied’ wordt geen ruimte geboden aan zogenaamd ‘kansrijk weidevogelgebied’. De Himpensermarpolder is een gebied met weidevogels. De Erfgoedvereniging Bond Heemschut acht het wenselijk een regeling voor weidevogelgebied op te nemen in het ‘Agrarisch gebied’. Hetzelfde geldt voor waterretentie.
Over het thematische aspect waterbeheer is nog weinig te vinden in het PRE-OP. Reactie: De regeling met betrekking tot weidevogelkansgebieden betreft een provinciale regeling die in de provinciale verordening Romte en in de ontwerp omgevingsverordening Fryslân is opgenomen. Initiatieven dienen rekening te houden met deze regelgeving. Het werkingsgebied hiervan wordt overgenomen in het omgevingsplan. Met betrekking tot het onderwerp ‘water’ zal onder andere in overleg met Wetterskip Fryslân een regeling vormgegeven worden (besluitpunt 18). Daarnaast is in het omgevingsplan aangegeven dat de nodige aandacht zal worden besteed aan klimaatadaptieve maatregelen om de negatieve effecten van klimaatverandering te beperken en te beheersen. Onze verantwoordelijkheid als gemeente ligt hierbij vooral bij het inrichten van de openbare ruimte, zodat de effecten van wateroverlast, hitte en droogte beheersbaar blijven. Besluitpunt 10 stelt: We stellen voor om in het omgevingsplan duurzaamheidsmaatregelen op te nemen die tegemoetkomen aan de doelen van de Leeuwarder Energie-agenda, Klimaatadaptatie en Circulaire economie. 6. De Erfgoedvereniging Bond Heemschut juicht het opstellen van een landschapsbiografie en het inventariseren van monumentale panden toe. Hiermee kunnen de te beschermen waarden opgenomen worden in het omgevingsplan.
Reactie: Dit onderdeel van de inspraakreactie wordt voor kennisgeving aangenomen. 7. De Erfgoedvereniging Bond Heemschut onderschrift het standpunt om landschappelijke elementen met een rapportcijfer van 5 en hoger op te nemen in het omgevingsplan. De Erfgoedvereniging Bond Heemschut ziet een uitwerking van de regels graag tegemoet. Reactie: Dit onderdeel van de inspraakreactie wordt voor kennisgeving aangenomen. Zodra een volgende versie van het omgevingsplan ter visie wordt gelegd, wordt de Erfgoedvereniging Bond Heemschut hiervan op de hoogte gesteld.
4
TenneT 1. Binnen de grenzen van het PRE-OP bevinden zich drie hoogspanningsverbindingen die in beheer zijn bij TenneT. De aanwezigheid hiervan kan beperkingen opleveren voor het gebruik van de gronden en voor de bouwmogelijkheden op deze gronden. Daarnaast dient de leveringszekerheid geborgd te worden en de mogelijkheid voor onderhoud. Het PRE-OP kent nog geen regeling om de hiervoor genoemde zaken te regelen. Reactie: De gemeente erkent het belang van de bescherming van de hoogspanningsverbindingen. In het PREOP is beschreven dat diverse soorten leidingen/verbindingen nog niet in het PRE-OP zijn opgenomen. Dit volgt in een latere versie. 2. Onder de Omgevingswet kan de gemeente meer zaken (bouw)vergunningsvrij maken. TenneT acht het van belang dat ter plaatse van belemmerende stroken van hoogspanningsverbindingen terughoudend wordt omgegaan met het vergunningsvrij maken van activiteiten. Reactie: Bij het opnemen van een regeling voor vergunningsvrij bouwen en gebruiken van gronden, wordt rekening gehouden met de leidingen van Tennet. Hier kan gedacht worden aan het opnemen van een voorwaarde dat toestemming van Tennet vereist is. 3. TenneT zal voorbeeldregels aanleveren aan de gemeente. De gemeente kan deze opnemen in de eigen systematiek van regels. Reactie: De gemeente stelt het zeer op prijs de voorbeeldregels te ontvangen.
Gasunie De Gasunie merkt op dat de gasleidingen nog niet zijn opgenomen in het PRE-OP. Het is voor Gasunie van belang dat hun zogenaamde “assets” veilig en ongestoord kunnen functioneren. Op dit moment wordt dat geregeld door het opnemen van dubbelbestemmingen in het bestemmingsplan. De Gasunie geeft aan graag in contact te blijven met de gemeente om te kijken naar mogelijkheden tot bescherming van hun leidingen in het omgevingsplan. Reactie: De gemeente erkent het belang van de bescherming van de gasleidingen. In het PRE-OP is beschreven dat diverse soorten leidingen/verbindingen nog niet in het PRE-OP zijn opgenomen. Dit volgt in een latere versie. De gemeente stelt het op prijs in contact te blijven met de Gasunie om de juiste bescherming van de leidingen te kunnen opnemen in het omgevingsplan. Gemeente Tytsjerksteradiel Gemeente Tytsjerksteradiel geeft aan geen op- of aanmerkingen te hebben. Reactie: De inspraakreactie wordt voor kennisgeving aangenomen. Wetterskip Fryslân 1. Wetterskip Fryslân spreekt de waardering uit dat zij in een vroeg stadium betrokken wordt bij de planvorming en dat water en klimaatadaptatie worden benoemd als belangrijke elementen in het plan. Reactie: Dit onderdeel van de inspraakreactie wordt voor kennisgeving aangenomen.
5
2. In het plangebied liggen diverse objecten van Wetterskip Fryslân en er spelen belangen van Wetterskip Fryslân. Het gaat om waterkeringen, hoofdwatergangen en rioolpersleidingen. In het omgevingsplan hoeven deze functies niet expliciet benoemd te worden, maar mogen deze functies en belangen niet uitgesloten worden. Reactie: Waterkeringen, hoofdwatergangen en dergelijke worden niet uitgesloten. Rioolpersleidingen, zullen net als andersoortige leidingen worden opgenomen in een volgende versie van het omgevingsplan. Dit staat beschreven in het PRE-OP. 3. Water wordt in het PRE-OP benoemd als kernwaarde maar de (on)mogelijkheden worden niet uitgebreid uitgelicht. Verzocht wordt het aspect water integraal mee te nemen. Het waterbeheerplan en de ‘blauwe omgevingsvisie’ zouden benoemd kunnen worden. In bijlage 1 zouden tevens de ambities van Wetterskip Fryslân benoemd kunnen worden. Reactie: Het omgevingsplan wordt te omvangrijk als hierin de gevraagde stukken opgenomen worden. Wel kan een link opgenomen worden naar de bedoelde informatie op de website van Wetterskip Fryslân. Zie ook de reactie op punt 5 van de Bond Heemschut. 4. Wetterskip Fryslân wil graag dat, voordat een cultuurhistorische waardering op watergangen wordt gelegd, dit eerst met hen besproken wordt. Dit vanwege het belang van doorstroming van water.
Reactie: Een cultuurhistorische waardering op watergangen wordt opgenomen om de ligging en loop van de watergang te beschermen. Het vergraven van oevers en het dempen van de watergang kan niet zonder vergunning (en dus toetsing) plaatsvinden. De doorstroming van water komt niet in het geding door het opnemen van een cultuurhistorische waardering. Overleg hierover lijkt hierdoor niet zinvol. Wij zijn te allen tijde bereid de regeling nader toe te lichten. 5. Per gebiedstype worden functies en ondergeschikte functies benoemd. Wetterskip Fryslân ziet graag dat ‘water’ standaard bij de ondergeschikte functies wordt opgenomen. Reactie: ‘Water’ zal opgenomen worden bij de ondergeschikte functies, conform het verzoek van Wetterskip Fryslân. ProRail 1. ProRail verzoekt de spoorbaan te voorzien van de bestemming Verkeer-Railverkeer. Reactie: Een omgevingsplan is een wezenlijk ander instrument dan een bestemmingsplan. Het omgevingsplan kent geen bestemmingen. Het opnemen van de bestemming ‘Verkeer – Railverkeer’ is dan ook niet mogelijk. Binnen de verschillende gebiedstypes is de functie ‘verkeer’ toegestaan. De bestaande infrastructuur is daar toegestaan. Er mag uitsluitend gebouwd worden ten dienste van deze bestaande infrastructuur. Naar onze mening worden de belangen van de spoorbaan niet geschaad met deze regeling. 2.
ProRail verzoekt de hierna genoemde aspecten op te nemen in het omgevingsplan, met het doel dat de bedrijfsvoering van ProRail niet wordt belemmerd. De aspecten betreffen: externe veiligheid in relatie tot railverkeer, geluid in relatie tot railverkeer en trillingen. Reactie: In het PRE-OP liggen geen gronden met bouwmogelijkheden in de nabijheid van de spoorbaan. Indien zich een ontwikkeling voordoet in de nabijheid van de spoorbaan, zal hiervoor een procedure
6
doorlopen moeten worden. Deze ontwikkeling zal op dat moment onderbouwd moeten worden. Er zal aangetoond moeten worden dat deze uitvoerbaar is, op onder andere de door ProRail genoemde gebieden als externe veiligheid in relatie tot railverkeer, geluid in relatie tot railverkeer en trillingen. 3. ProRail bezit gronden in het plangebied. Deze gronden mogen zonder nadrukkelijke toestemming niet worden gebruikt. Deze percelen zijn nodig voor onderhoud en in geval van calamiteiten. Ook om die reden verzoekt ProRail tot het opnemen van de bestemming Verkeer-Railverkeer op hun gronden. Reactie: Het omgevingsplan wijzigt niets in het feitelijk gebruik van de gronden die in bezit zijn van ProRail of toestemming hierover. Met betrekking tot de bestemming Verkeer – Railverkeer wordt verwezen naar de gemeentelijke reactie onder punt 1. 4. Het waterpeil nabij de spoorbaan mag niet wijzigen in verband met de stabiliteit van de spoorbaan. Om diezelfde reden mag er niet gebouwd worden op/in de nabijheid van de spoorbaan. Reactie: Het omgevingsplan ziet niet op aanpassingen van het waterpeil. De regels van het omgevingsplan geven aan dat binnen de functie ‘verkeer’ uitsluitend mag worden gebouwd ten dienste van deze bestaande infrastructuur, dus ten dienste van de spoorbaan. Naar onze mening worden de belangen van de spoorbaan niet geschaad met deze regeling.
In de praktijk zal er niet door derden in de nabijheid van de spoorbaan worden gebouwd omdat de gronden onder de spoorbaan (ca 15 m breed) plus aan weerszijden de spoorsloot en bermen (ca 10 meter per zijde) in eigendom zijn van Railinfratrust. GGD Fryslân 1. GGD Fryslân geeft aan het PRE-OP niet met alle disciplines te hebben kunnen bespreken. Graag wordt een uitgebreider integraal advies gegeven. Reactie: In de volgende fase wordt afstemming met de GGD gezocht. 2. In het PRE-OP staat dat gezondheid zowel beschermd als bevorderd moet worden. Bij besluitpunt 7 staat “zo goed mogelijk”. Dit is niet nader gespecificeerd. Reactie: In de Uitleg van het PRE-OP staat dit nader toegelicht. Ook is aangegeven dat dit verder uitgewerkt wordt in het ontwerp-omgevingsplan. 3. GGD Fryslân vraagt hoe de milieuzonering uitgewerkt gaat worden, of de staalkaarten hiervoor gebruikt gaan worden. De vraag is of advisering met betrekking tot gezondheid relevant is. Reactie: Besluitpunt 11 geeft aan dat de landelijke staalkaart ‘bedrijfsmatige activiteiten’ als uitgangspunt voor milieuzonering genomen wordt in het omgevingsplan. 4. De MER wordt OER, inclusief gezondheid. De GGD kan meedenken over de inzet van een instrument als een Gezondheidseffectscreening (GES). Reactie: In besluitpunt 13 is aangegeven dat het onderwerp ‘gezondheid’ ook meegenomen wordt in de OER.
Wij waarderen het aanbod van de GGD om mee te denken en nemen hierover contact op.
7
5. Over ruimtelijke kwaliteit kan de GGD meedenken vanuit het concept positieve gezondheid. Reactie: Wij willen dit aspect graag met de GGD nader verkennen en zullen hierover contact opnemen. 6. Op pagina 25 gaat het over kwaliteit van bodem, water en lucht. De GGD vraagt zich af hoe zich dit verhoudt tot de bescherming en bevordering van gezondheid zoals genoemd onder beslispunt 7. Reactie: De kwaliteit van bodem, water en lucht dient geborgd te worden in het kader van de bescherming van de gezondheid. Deze onderwerpen zijn ook al in de huidige bestemmingsplannen opgenomen. 7. De GGD werkt aan een handreiking Gezonde leefomgeving in het omgevingsplan. Een eerste werkversie komt in maart beschikbaar. Reactie: Graag ontvangen wij de genoemde handreiking. Brandweer Fryslân 1. In het PRE-OP staat dat de technische toets door private partijen wordt gedaan. Dit is niet helemaal juist. De technische toets van een bouwwerk in gevolgklasse 1 van de Wkb wordt door een private partij gedaan. Bouwwerken uit klasse 2 en 3 door de gemeente. Reactie: De tekst in de Uitleg zal worden aangepast naar aanleiding van deze opmerking. 2. Brandweer Fryslân hecht er aan dat de gemeente voor de verschillende ‘aandachtsgebieden’ en ‘voorschriftengebieden’ regels opneemt ten behoeve van het borgen van veiligheid. Reactie: Omgevingsveiligheid is een nieuw onderwerp voor het omgevingsplan.
In het kader van de omgevingsveiligheid wordt er aandacht besteed aan ‘aandachtsgebieden’ en ‘voorschriftengebieden’. De manier waarop hangt af van de functies die worden toegekend en van wat het Bkl op dit punt aan eisen stelt. 3. Per gebiedstype moet afgewogen worden op welke manier bluswatervoorzieningen worden geborgd. Reactie: Wij zullen ons nog op dit punt beraden en komen hier op een later tijdstip bij u op terug om hier nader over te overleggen. 4. Omdat de opkomsttijden in het buitengebied langer kunnen zijn, adviseert Brandweer Fryslân de opkomsttijden mee te wegen in het al dan niet toestaan van (zeer) kwetsbare gebouwen en groepen. Reactie: Het omgevingsplan legt de bestaande functies vast. Het toestaan van initiatieven met kwetsbare gebouwen en groepen, zal via een procedure mogelijk zijn. In het kader van de procedure zal advies van Brandweer Fryslân worden ingewonnen. 5. Brandweer Fryslân adviseert planregels op te nemen met betrekking tot de bereikbaarheid van gebouwen.
8
Reactie: Het PRE-OP maakt geen nieuwbouw van bijvoorbeeld ‘woningen’ mogelijk. Voor bestaande gebouwen zullen geen extra regels opgenomen worden met betrekking tot bereikbaarheid. In de Bruidsschat staan voorschriften die voor het omgevingsplan van belang zijn en uitgewerkt moeten worden. Hier moeten nog keuzes in gemaakt worden door de gemeenteraad. Nadere uitwerking volgt dan ook in het ontwerp omgevingsplan. 6. Brandweer Fryslân heeft voorbeeldregels aangeleverd die opgenomen kunnen worden in het omgevingsplan. Reactie: De gemeente stelt het zeer op prijs de voorbeeldregels te hebben ontvangen. LTO Noord 1. LTO heeft de indruk dat de gemeente in diverse opzichten ver van de realiteit van het agrarisch buitengebied staat. LTO is teleurgesteld in de manier waarop op 4 februari jl. de digitale discussie is vormgegeven. LTO adviseert het proces van interactie met de mensen die in een plangebied grote belangen vertegenwoordigen serieus tegen het licht te houden. Reactie: Als gemeente hadden we om wille van ‘het goede gesprek’ de mensen uit het gebied ook liever echt ontmoet. De geldende Corona-maatregelen maakten dat echter onmogelijk. Door de sessies met/in de dorpen, deze dialoogsessies en door het ‘ophalen’ van de inspraakreacties heeft de gemeente geprobeerd een beeld te krijgen van wat er in het gebied leeft.
De gemeente is ook aangehaakt bij het Veenweideprogramma en het gebiedsproces in het Grouster Leechlân, samen met de provincie en het Wetterskip Fryslân. Zodoende is er op vele manieren interactie met de mensen in het plangebied en die interactie blijven wij voortzetten. Wij betreuren net als u dat de sessie van 4 februari beïnvloed werd door een technische storing. 2. Uit het kaartbeeld blijkt niet hoe de grenzen van de gebiedstypen precies lopen. LTO vraagt zich af of er in het gebiedstype ‘Dorp’ geen agrarische gronden of functies voorkomen. Reactie: Er zal in het kader van het ontwerp omgevingsplan onderzocht worden of er in het gebiedstype Dorp agrarische gronden (inclusief functies) voorkomen. Deze gronden zouden mogelijk van een ander gebiedstype kunnen worden voorzien. Maar de mogelijkheid bestaat ook dat agrarische gronden voorkomen in het gebiedstype Dorp (bijvoorbeeld ook in het geval dat er niet een bouwvlak aanwezig is). In dat geval behouden deze gronden behouden hun agrarische functie. 3. Met betrekking tot zonnepanelen vindt LTO dat de provinciale zonneladder uitgangspunt is voor de beoordeling van initiatieven. Plaatsing van zonnepanelen op landbouwgrond moet worden vermeden. Reactie: Het standpunt van gemeente Leeuwarden is inderdaad ook dat er gestreefd moet worden naar zonnepanelen op de daken.
Echter, gezien de grote energieopgave, kan niet uitgesloten worden dat er zonnepanelen op landbouwgrond geplaatst worden. In de Leeuwarder Energie agenda is het doel opgenomen om 50% van de zonnepanelen op daken en 50% via grondopstellingen te gaan realiseren. Initiatieven zullen inderdaad moeten voldoen aan het beleid van de Provincie. 4. Bij het PRE-OP ontbreken de begripsbepalingen of definities. Het is dan ook voor de agrarische ondernemers niet te voorspellen of zijn/haar beoogde ontwikkeling van het bedrijf voldoet aan de in het gebiedstype genoemde criteria. LTO Noord is van mening dat een omgevingsplan de ontwikkeling in de agrarische sector moet faciliteren, daarbij past het om het ja-mits principe toe te passen. LTO is tegen onduidelijke, ingewikkelde en onvoorspelbare bepalingen. Zolang
9
ontwikkelingen passen binnen de spelregels die daarvoor op grond van landelijke of provinciale wetten en regels gelden, moeten die in een omgevingsplanmogelijk worden gemaakt. Reactie: De begripsbepalingen zullen worden toegevoegd in de volgende versie van het omgevingsplan Buitengebied Zuid, namelijk de ontwerp versie. Het uitgangspunt voor ontwikkelingen is inderdaad “ja, mits”. De randvoorwaarden (de “mits”) zullen in de regels worden benoemd. 5. Het begrip ‘houtteelt’ ontbreekt. Het planten van bomen over grote oppervlaktes maakt inbreuk op het landschap en op kansen voor weidevogels. Agrarische grond is schaars en zou niet voor houtteelt gebruikt moeten worden. LTO stelt voor om houtteelt niet bij recht mogelijk te maken. Reactie: Het begrip ‘houtteelt’ zal worden toegevoegd in de ontwerp versie van het omgevingsplan. Houtteelt zal niet bij recht mogelijk gemaakt worden, maar middels een afwijking. Hier zullen voorwaarden aan verbonden worden, zoals bijvoorbeeld niet in weidevogelkansgebieden. 6. Vanuit het principe dat gebieden met kansen voor weidevogels geen ruimtelijke lading mogen krijgen (schaduwschade), verzoekt LTO verwijzing naar dergelijke gebieden in het PRE-OP achterwege te laten.
[Schaduwschade is schade als gevolg van de omstandigheid dat bepaalde plannen of besluiten hun schaduw vooruit werpen doordat ze al wel bekend zijn, maar nog niet daadwerkelijk vastgesteld zijn] Reactie: Weidevogelkansgebieden zijn al door de provincie aangewezen in de provinciale verordening Romte (2014) en in de ontwerp omgevingsverordening Fryslân. Binnen het plangebied van het omgevingsplan Buitengebied Zuid komen deze gebieden voor. Voor deze gebieden is er dus geen sprake van schaduwschade. Er is in ieder geval geen sprake van planschade of nadeelcompensatie zoals bedoeld onder de Omgevingswet want in de systematiek van de Omgevingswet is pas sprake van planschade of nadeelcompensatie bij de uitvoering van de mogelijkheden die het omgevingsplan biedt en niet meer bij planvorming (opstellen omgevingsplan). 7. LTO is content met de keuze voor een afwijking in plaats van een wijzigingsbevoegdheid voor ontwikkelingen bij grondgebonden agrarische bedrijven. De invulling hiervan hangt echter ook weer af van de definitie van ‘grondgebonden’. Daarnaast is nog niet duidelijk wat de ontwikkelruimte is die wordt geboden. Reactie: De definitie van ‘grondgebonden’ wordt toegevoegd in het ontwerp omgevingsplan. Er is in het PREOP geprobeerd aan te geven wat de ontwikkelruimte voor agrarische bedrijven is. 8. Nieuwe geitenhouderijen en intensieve veehouderijen worden uitgesloten.
Met betrekking tot de geitenhouderijen is er sprake van strijd met het provinciaal beleid. Reactie: Het klopt dat er vanuit het provinciaal beleid geen verbod meer is op uitbreiding of nieuwvestiging van geitenhouderijen. Gezondheid is echter een nieuw thema in het omgevingsplan. Uit de adviezen van het RIVM blijkt dat er een zeker gezondheidsrisico is voor bewoners in de nabijheid van geitenhouderijen. Maatregelen zoals luchtwassers, verminderen dit risico niet. Het RIVM adviseert een afstand van ten minste 2 km aan te houden tussen geitenhouderijen en woningen. Dit advies wordt door ons overgenomen. In de praktijk staan de bestaande boerderijen op minder dan 2 km van woningen, waardoor geitenhouderijen in de praktijk niet mogelijk zullen zijn. Om die reden is het verbod opgenomen. Mocht er een aanvraag komen voor de nieuwvestiging van een geitenhouderij op meer dan 2 km van
10
woningen, dan zal hiervoor een aparte procedure doorlopen moeten worden. Participatie / draagvlak is onderdeel van het proces van de procedure. 9. Voor kassen geldt een maximum van 1.000 m². De oppervlakte is beperkt vanuit milieuoverwegingen en lichtbeleid. Echter, omdat een gebruiker van een kas moet voldoen aan strenge generieke milieuregels, zijn de genoemde argumenten in het omgevingsplan niet relevant. Reactie: Het al dan niet toestaan van kassen bij agrarische bedrijven betreft een gemeentelijke afweging. Het beperken van de oppervlakte van kassen is gedaan vanuit ruimtelijk oogpunt. De (milieu)regels uit het Activiteitenbesluit kunnen eventuele gevolgen van kassen op de omgeving beperken, zodra kassen ruimtelijk toegestaan zijn. Het is niet zo dat de regels uit het Activiteitenbesluit al zorgen voor een inperking van de oppervlakte waardoor de ruimtelijke regel overbodig zou zijn. 10.Nieuwe fiets- en wandelroutes die het agrarische gebied doorkruisen, vormen een inbreuk op de belangen van de agrariërs. Om die reden verzoekt LTO hiervoor wel een vergunningplicht in te voeren. Reactie: Ook voor nieuwe fiets- en wandelroutes geldt “ja, mits”. De “mits” kan ingevuld worden met voorwaarden die de belangen van de agrariërs beschermen. Om die reden wordt geen vergunningplicht ingevoerd hiervoor.
Los daarvan zullen de agrariërs gronden moeten verkopen (of op een andere manier beschikbaar stellen) voor wandel- of fietspaden door het agrarische gebied. Op die manier hebben zij al invloed op de vraag of er wel of niet een wandel- of fietspad komt. 11.Natuurontwikkeling op landbouwgrond is vergunningsvrij indien aan de voorwaarden wordt voldaan. Natuurontwikkeling is een ingrijpende wijziging die onomkeerbaar is. De natuurontwikkeling heeft heftige consequenties voor omliggende agrarische gronden, denk aan schaduwschade, wildschade, overwaaiende onkruiden. Nieuwe natuurwaarden krijgen op een zeker moment bescherming hetgeen belemmerend kan werken op naastgelegen agrarische gronden. Deze regeling impliceert dat overal vergunningsvrij van functie veranderd mag worden naar natuur, terwijl er in Fryslân goede afspraken zijn gemaakt over waar natuur moet komen (EHS, NNN). LTO is tegen deze functiewijziging buiten de gebieden waarvoor dit is afgesproken, omdat dit haaks staat op de provinciale afspraken. Reactie: Het voorstel uit het PRE-OP is om dit onder een aantal voorwaarden vergunningsvrij te maken. De voorwaarden die de provincie stelt nemen we hierbij natuurlijk in acht, maar het wil niet zeggen dat we het ook niet op andere plekken kunnen of willen doen.
12.De regeling met betrekking tot een te bebouwen oppervlakte van 20.000 m² en uitbreidingen groter dan 1 hectare is onduidelijk omdat begripsbepalingen ontbreken. Wat valt er bijvoorbeeld onder de genoemde 1 hectare? (Gebouwen, erf, bouwvlak of bouwperceel?). De regeling mag in geen geval een beperking betekenen voor de agrariërs. De mogelijkheden uit de provinciale verordening Romte zouden maatgevend moeten zijn. Er worden termen genoemd als ‘welstand’ en ‘erfinrichtingsplan’. Hierbij vraagt LTO zich af of de principes van de Nije Pleats systematiek nog gelden. LTO vindt de methodiek van Nije Pleats goed toepasbaar bij forse ontwikkelingen. Reactie: De begrippen worden toegevoegd in het ontwerp omgevingsplan. In het PRE-OP wordt voorgesteld dat de te bebouwen oppervlakte 1 hectare zal bedragen in het gebiedstype Veenweide én in het gebiedstype Agrarisch. Binnen het gebiedstype Agrarisch is na afwijking uitbreiding tot ten hoogste 2 hectare mogelijk. Deze regeling zal in het ontwerp omgevingsplan worden aangepast is die zin dat voor zowel het gebiedstype Veenweide als voor het gebiedstype Agrarisch na afwijking ten hoogste 2 hectare mogelijk wordt. Aan afwijkingsmogelijkheden zijn altijd voorwaarden gekoppeld. Voor het
11
gebiedstype Veenweide wordt onderzocht welke voorwaarden hier aan gekoppeld kunnen worden. In het ontwerp omgevingsplan kan uitbreiding tot 2 hectare worden toegestaan, mits dit niet in strijd is met de achterliggende doelstellingen van het Veenweideprogramma (reduceren bodemdaling en CO2 uitstoot, natuurinclusieve landbouw en alternatieve verdienmodellen). Andere voorwaarden, zoals het opstellen van een erfinrichtingsplan of het doorlopen van het proces Nije Pleats (of “omgevingstafel”), worden ook onderzocht. Deze regels wordt nader uitgewerkt in het ontwerp omgevingsplan. 13.Onduidelijk is of het bouwvlak terugkomt op de verbeelding. Voor de agrarische ondernemer is het wenselijk dat er duidelijkheid is over waar en hoe groot er gebouwd mag worden. Ook is onduidelijk of de regels voor bijvoorbeeld de goothoogte en dakhelling voldoende ruimte zullen bieden voor moderne agrarische gebouwen. Reactie: Er worden bouwvlakken weergegeven op de verbeelding. De bouwvlakken zullen in overleg met de agrariërs worden vastgelegd. Er worden maximale maten opgenomen met betrekking tot de te bebouwen oppervlakte. Met betrekking tot maatvoeringseisen wordt verwezen naar pagina 40 van het PRE-OP. 14.Gelet op de schaalgrootte van de agrarische bedrijven verzoekt LTO om in goed onderbouwde situaties een tweede bedrijfswoning toe te staan.
Reactie: Een tweede bedrijfswoning wordt niet bij recht toegestaan. Bedrijven worden steeds groter, er leven wellicht steeds vaker meerdere gezinnen van één agrarisch bedrijf. Echter, de techniek schrijdt ook voort waardoor er steeds meer mogelijkheden komen voor toezicht op afstand. Mocht zich een situatie voordoen, dan wordt per aanvraag afgewogen of er wel of niet aan wordt meegewerkt. Er wordt dan ook geen regeling opgenomen in het ontwerp omgevingsplan. 15.Buiten het bouwvlak mogen bouwwerken maximaal 2 meter hoog zijn. In de praktijk zijn sleufen mestsilo’s hoger. Deze regeling zal aangepast moeten worden. Reactie: Er zal onderzocht worden wat in de praktijk de bouwhoogte is van mest- en sleufsilo’s. De maximaal toegestane bouwhoogte hiervoor zal, indien nodig, worden aangepast in het ontwerp omgevingsplan. 16.Met betrekking tot de regels in het gebiedstype Veenweide merkt LTO het volgende op. De gemeente stelt dat het andere vormen van landbouw wil stimuleren die geen schade aanbrengen aan het naastgelegen Natura-2000 gebied. Nederland kent binnen Europa de strengste regelgeving als het gaat om het beschermen van Natura-2000 gebieden. De agrariërs rond de Alde Feanen houden zich aan die regels. De agrarische sector wordt door de gemeente aan de schandpaal genageld.
De agrariërs kunnen niet meebewegen met wat de maatschappij en de markt van hen vragen, door de beperkingen die worden opgelegd. Dit heeft ook gevolgen voor de financieringsmogelijkheden voor hun bedrijven (milieu-investeringen) en overdracht naar de volgende generatie (opvolging). Het voortbestaan van de bedrijven wordt op het spel gezet. Reactie: Het is niet de bedoeling om voor het gebiedstype ‘Veenweide’ strengere regels op te nemen voor agrariërs dan de regels die al gelden vanuit bescherming van Natura-2000 gebieden. 17.De Natura-2000 belangen worden niet via het omgevingsplan geborgd, maar via andere wet- en regelgeving. Deze bescherming dient niet nogmaals te worden opgenomen in een omgevingsplan. Om die reden verzoekt LTO aan het gebiedstype “Veenweide” dezelfde naam en voorwaarden (regels) te verbinden als aan gebiedstype ‘Agrarisch”. De aanwezige landbouw opereert binnen de wettelijke kaders op het gebied van natuur, er is derhalve geen reden de sector op slot te
12
zetten. Indien de sector op slot gezet wordt, zijn ook investeringen die bijvoorbeeld de emissie van ammoniak verminderen, niet mogelijk. Reactie: Het gaat niet alleen om de invloed van de agrarische bedrijven op het Natura-2000 gebied. Het gaat ook om de invloed op het veenweidegebied zelf. De wet- en regelgeving met betrekking tot Natura2000 (en andere natuurwetgeving) moet wel opgenomen worden in het omgevingsplan. Het omgevingsplan moet namelijk ook voor dit onderdeel uitvoerbaar zijn. Daarnaast zijn gemeenten verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Natuur is onderdeel van die fysieke leefomgeving. Provincies en het Rijk kunnen met gemeenten afspreken dat gemeenten bepaalde aanvullende regels in het omgevingsplan opnemen. Dus ook gemeenten mogen decentraal regels stellen over natuur. Met betrekking tot het stellen van gelijke regels aan zowel het gebiedstype Agrarisch als aan het gebiedstype Veenweide wordt verwezen naar het antwoord onder punt 12 van deze inspraakreactie. 18.Binnen het gebiedstype ‘Natuur’ wordt gesuggereerd dat alle gronden binnen dit gebiedstype een functie en gebruik als natuur hebben. Er wordt gesuggereerd dat geen landbouwgrond meer voorkomt. LTO verzoekt op de verbeelding duidelijk te maken waar ook andere functies zitten. Indien er sprake is van agrarisch gebruik, dan moet dat gebruik uitgangspunt blijven.
Andersom moet duidelijk worden waar EHS/NNN binnen het gebiedstype aanwezig is, omdat wordt vermoed dat het gebiedstype ‘Natuur’ groter is dan de aangewezen EHS/NNN gebieden. Reactie: Binnen het gebiedstype ‘Natuur’ kunnen gronden voorkomen met een andere functie dan ‘natuur’, zoals agrarische gronden. In de regels blijkt waarvoor de gronden binnen gebiedstype ‘Natuur’ gebruikt mogen worden. 19.In het PRE-OP wordt voorgesteld om duurzaamheidsmaatregelen op te nemen die tegemoetkomen aan de doelen van de Leeuwarder Energie-agenda, Klimaatadaptatie en Circulaire economie. Wat LTO Noord betreft is een omgevingsplan voorwaarde scheppend waarin beschreven wordt wat kan, niet wat moet. Reactie: In het omgevingsplan kunnen voorwaarden opgenomen worden om duurzaamheid te bevorderen. Dat kan namelijk onderdeel zijn van de “mits” bij het toestaan van functies of activiteiten. 20.LTO stelt voor om in de verbrede MER (OER) ook het onderwerp sociaaleconomische en landbouwkundige kant van de ontwikkelingen op te nemen. Reactie: De OER (Omgevingseffect rapportage) is al uitgebreid met de onderwerpen participatie, duurzaamheid en positieve gezondheid. Bij de uitvraag aan bureaus zullen de punten met betrekking tot de sociaaleconomische en landbouwkundige kant van ontwikkelingen worden voorgelegd. Hierbij zal de vraag worden gesteld in hoeverre deze onderwerpen kunnen worden geïntegreerd.
21.LTO wil graag weten hoe het voorstel voor de bescherming van cultuurhistorische waarden doorwerkt voor de agrarische bedrijfsgebouwen. Dit kan een last betekenen voor de agrariër. Bij de aanwijzing tot monument moet een transparante procedure doorlopen worden die het mogelijk maakt om de duiding van hun panden aan te vechten. Reactie: De regeling voor de bescherming van cultuurhistorische waarden wordt uitgewerkt in het ontwerp omgevingsplan. Met betrekking tot de gebouwen worden gemeentelijke en rijksmonumenten beschermd. Als een pand aangewezen wordt tot monument, wordt hier een procedure voor doorlopen, waar de eigenaar/bewoner bij wordt betrokken.
13
22.Met betrekking tot de naamgeving van de gebieden vreest LTO dat dit voor verwarring kan gaan zorgen. Binnen de gebiedstypes zijn namelijk wel andere functies mogelijk, deze functies komen in verschillende verhoudingen voor. Wellicht is een neutralere naamgeving beter, om te voorkomen dat er een stempel wordt gedrukt op de gebieden (bijvoorbeeld landelijk gebied 1, 2 en 3). Reactie: Voor de naamgeving van de gebiedstypes wordt deels aangesloten bij de landelijk toegepaste naamgevingen (de zogenaamde staalkaarten). Uit de naam blijkt de aard van het gebied. Indien met nummers gewerkt wordt, blijkt daar niet de aard van het gebied uit. 23.LTO geeft aan dat hun constructieve aandacht voor het omgevingsplan wordt gefrustreerd door de lijn die is gekozen voor het gebiedstype Veenweide. Leden van LTO hebben ook emotioneel hierop gereageerd. De gemeente lijkt zich niet te realiseren wat een blokkade van de ontwikkeling van de betreffende bedrijven met zich meebrengt. Reactie: In de Uitleg en de bijgevoegde tabellen van het PRE-OP staat het voorstel om in gebiedstype ‘Veenweide’ niet mee te werken aan uitbreiding van stallen en veestapels. Hierbij is geen verdere toelichting bijgevoegd.
Tijdens de dialoogsessies op 4 februari 2021 en de informatieve raadsbijeenkomst van 24 maart 2021 is er een nadere toelichting/duiding gegeven op het voorstel, namelijk dat er voor alle agrariërs, in zowel gebiedstype ‘Agrarisch’ als ‘Veenweide’ geldt dat zij tot 1 hectare oppervlakte binnen hun bouwvlak planologisch vergunningsvrij kunnen bouwen. Wel is hiervoor een “welstandsvergunning” nodig. In de raadsbijeenkomst van 24 maart 2021 is tevens aangegeven dat voor alle aanwezige bedrijven in het gebiedstype Veenweide de 1 hectare nog niet in zicht is (op geen enkel erf is er meer dan 42% bebouwd) zodat er nog voldoende ruimte blijft om bij te bouwen. Desalniettemin zal de regeling in het ontwerp omgevingsplan worden aangepast is die zin dat voor zowel het gebiedstype ‘Veenweide’ als voor het gebiedstype ‘Agrarisch’ na afwijking ten hoogste 2 hectare mogelijk wordt. Zie hiervoor de beantwoording onder punt 12 van deze inspraakreactie. Het is niet de bedoeling om in het omgevingsplan de dierenaantallen te reguleren. Hiervoor zijn inderdaad andere wetten en regels van toepassing, bijvoorbeeld via eisen aan ammoniakuitstoot, geur of grondgebondenheid. Er komt dan ook geen regeling in het omgevingsplan waarin een maximum aan het aantal te houden dieren zal worden gesteld. Inspraakreacties van 34 agrariërs per onderwerp/thema 1.
Gemeente Leeuwarden heeft geen weet van wat er in de agrarische sector speelt en hoe deze sector werkt. Het filmpje over veenweide is tenenkrommend en denigrerend. In de dialoogsessie wordt gesproken over ‘intensieve landbouw’ hetgeen onwaar is, alle bedrijven zijn grondgebonden. De vraag is of de gemeente overziet wat de gevolgen van dit PRE-OP zijn voor alle boerenfamilies, die zich overvallen voelen. Er is bij de agrariërs in het gebiedstype ‘Veenweide’ geen draagvlak voor het PRE-OP, onder andere doordat zij het gevoel hebben dat de uitgezette lijn niet in overleg met hen is ingevuld. Tijdens de bijeenkomsten in 2018 was er nog geen sprake van het gebiedstype ‘Veenweide’. Gemeente Leeuwarden moet het vertrouwen herwinnen van de boeren. Als voorbeeld voor een goede aanpak van het proces, wordt het Veenweideprogramma van provincie en Wetterskip genoemd. Dit is een proces van onderop. Reactie: Door de dialoogsessie, door de eerdere sessies in en met de dorpen en door het ‘ophalen’ van de inspraakreacties heeft de gemeente geprobeerd een beeld te krijgen van wat er in het gebied leeft. De gemeente is ook aangehaakt bij het veenweideproces samen met de provincie en het Wetterskip Fryslân. Zodoende is er op vele manieren interactie met de mensen in het plangebied (geweest).
Daarnaast is er ook sprake van steeds meer (wetenschappelijke) kennis over de opgaven voor en toenemende maatschappelijke druk op de transitie van de landbouw.
14
2. In het PRE-OP wordt aangegeven dat de gemeente agrariërs de ruimte wil geven om te ondernemen. Als voorbeeld wordt genoemd natuurinclusieve landbouw en streekgerichte voedselproductie. Uitbreiding van het bestaande bedrijf wordt niet benoemd. Bovendien, door alle maatregelen die worden genoemd (geen ruimte voor uitbreiding stallen en veestapels), wordt de ruimte in zijn geheel teniet gedaan. Agrariërs kunnen hun bedrijven niet exploiteren en ontwikkelen op de manier waarop zij dat naar eigen inzicht zouden willen. De passie van de boeren ligt bij de melkveehouderij, zij willen niet gedwongen worden tot omschakeling naar streekgerichte voedselproductie. Reactie: Er is geen sprake van het teniet doen van alle ontwikkelruimte van de agrarische bedrijven in het gebiedstype ‘Veenweide’. Eén en ander is onder andere uitgelegd in de raadssessie van 24 maart 2021 waarbij de analyse is toegelicht op hoeveel bebouwing er nu gemiddeld staat en hoeveel bebouwing maximaal toegestaan is. Uit de analyse blijkt dat alle agrarische bedrijven in het gebiedstype ‘Veenweide’ nog ontwikkelruimte hebben. Het ruimte geven voor andere typen landbouw, zoals natuurinclusieve landbouw en streekgerichte voedselproductie, wil niet zeggen dat het verplicht is om te schakelen naar die genoemde typen landbouw.
Als een agrariër een melkveehouderijbedrijf heeft en dat wil voortzetten, is dat gewoon mogelijk. Er hebben zich ook individuele boeren bij de gemeente gemeld met het plan anders te gaan boeren of een andersoortige bedrijfsactiviteit te starten. Op dit moment kunnen wij deze agrarische ondernemers niets anders bieden dan het verloop van de discussie over het Veenweideprogramma af te wachten. Los van bovenstaande zal de regeling in het ontwerp omgevingsplan worden aangepast is die zin dat voor zowel het gebiedstype ‘Veenweide’ als voor het gebiedstype ‘Agrarisch’ 1 hectare bij recht geldt (dat stond al in het PRE-OP) en na afwijking ten hoogste 2 hectare (wordt gelijk getrokken), zie hiervoor de beantwoording onder punt 12 van de inspraakreactie van LTO. Ook komt er geen regeling in het omgevingsplan waarin een maximum aan het aantal te houden dieren zal worden gesteld. 3. Voor veel bedrijven in het gebiedstype ‘Veenweide’ geldt dat zij niet gevestigd zijn op veengrond, maar op kleigrond of op klei-op-veen grond. In dit PRE-OP worden zij voor het eerst aangemerkt als ‘Veenweide’. De aanwezige kleilagen variëren in dikte van 30 cm tot 200 cm. Dit gebied is wezenlijk anders dan bijvoorbeeld Aldeboarn of De Deelen, waar sprake is van significant meer veen. Provincie Fryslân en Wetterskip Fryslân zijn bezig met het Veenweideprogramma 2021-2030.
In dit kader zijn in de veenweidegebieden de lagen en diktes in de bodem in kaart gebracht. Iedere agrariër, die binnen het werkingsgebied van het Veenweideprogramma valt, beschikt over de resultaten van de bodemonderzoeken. Het kan niet zo zijn dat de gemeente andere kaarten met gebiedsgrenzen van het veenweidegebied hanteert dan de provincie en het Wetterskip. Verzocht wordt de begrenzing voor het gebiedstype ‘Veenweide’ aan te passen aan de begrenzing die Provincie Fryslân en Wetterskip Fryslân hanteren. Dan zal een aantal agrariërs buiten het gebied ‘Veenweide’ vallen. Reactie: De begrenzing voor het gebiedstype ‘Veenweide’ wordt aangepast aan de begrenzing die Provincie Fryslân en Wetterskip Fryslân hanteren bij het ‘Veenweideprogramma 2021 – 2030’. Hierbij wordt gekeken naar de begrenzing van de kansrijke gebieden en het gebiedsproces voor de korte en langere termijn na 2022. De gemeente Leeuwarden zal zich actief gaan inzetten (zowel ambtelijk als bestuurlijk) samen met de provincie Fryslân en het Wetterskip voor het gebiedsproces in het Grouster Leechlân. 4. Het beperken van de ontwikkelingsmogelijkheden in het gebedstype ‘Veenweide’ ontneemt de betrokken agrariërs het perspectief op de ontwikkeling van het bedrijf. Om als bedrijf, in een markt met flinterdunne marges, mee te kunnen blijven doen, is kostenefficiëntie een must voor het voortbestaan.
Alleen door ontwikkeling van de bedrijven, kunnen kosten (verder) worden beteugeld. Het beperken van de mogelijkheden, maakt het ‘bijblijven’ in de markt onmogelijk.
15
Agrarische bedrijven in het gebiedstype ‘Veenweide’ worden feitelijk gesaneerd, zonder dat er compensatie is, hetgeen een kwalijke zaak is. Reactie: Hiervoor verwijzen wij naar het antwoord zoals genoemd onder punt 2 van deze zienswijze. 5. Door het voorgaande punt, beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden, daalt de waarde van het betreffende agrarische bedrijf (inclusief de grond). Financiering van bedrijven is gebaseerd op continuïteit, deze is in het geding door de beperkingen in het gebiedstype ‘Veenweide’. Als er geen financieringsmogelijkheden zijn (of onder slechtere voorwaarden) is er geen perspectief om uit te breiden, te moderniseren. Het bedrijf wordt daardoor ook onverkoopbaar (er staan enkele bedrijven te koop waarvoor dit geldt, leegstand en verloedering dreigt). Er ontstaat een groot verschil tussen agrarische bedrijven in het gebied ‘Veenweide’ en het gebied ‘Agrarisch’, een verslechtering van de concurrentiepositie. Boeren in het gebiedstype ‘Agrarisch’ zullen betere financieringsmogelijkheden hebben waardoor de vrees bestaat dat agrarische gronden in het gebiedstype ‘Veenweide’ liggen, gekocht zullen worden door boeren uit het gebiedstype ‘Agrarisch’. Dit terwijl het verdienmodel van boeren toch al onder druk staat.
Reactie: De vraag is of door het benoemen van het gebiedstype ‘Veenweide’ de waarde van de agrarische bedrijven daalt en de financieringsmogelijkheden verslechteren. Zoals eerder gesteld zitten deze bedrijven niet op slot maar is er nog steeds aanzienlijke ontwikkelruimte beschikbaar, en wordt een afwijking tot 2 hectare (onder voorwaarden) toegevoegd. 6. Het beperken van de ontwikkelingsmogelijkheden van de bedrijven in het gebiedstype ‘Veenweide’ is niet in overeenstemming met het beleid dat provincie Fryslân, Wetterskip Fryslân en de Friese veenweidegemeenten hebben neergelegd in het (ontwerp) Veenweideprogramma 2021-2030 ‘Foarút met de Fryske Feangreiden’. Hierin staat onder andere: "De landbouw is een cruciale schakel in het realiseren van de opgaven. De boeren in het veenweidegebied beheren bijna tweederde van het landschap. Zonder een vitale landbouw met een goed en houdbaar verdienmodel redden we het niet." Reactie: Zoals eerder toegelicht (reactie op LTO onder 23) worden de ontwikkelmogelijkheden niet beperkt. Gemeente Leeuwarden staat dan ook achter het vermelde standpunt dat de landbouw belangrijk is voor dit gebied. 7. Agrariër ervaren geen verschillen tussen het gebiedstype ‘Veenweide’ en het gebiedstype ‘Agrarisch’, het is de gemeente die in hokjes denkt en de agrariërs indeelt. De agrariërs ervaren geen bodemdaling. De bodem bestaat voor een groot deel uit klei.
Te kennen wordt gegeven dat men dezelfde mogelijkheden wil als in het gebiedstype ‘Agrarisch’. Het veenweidegebied wordt weggezet alsof het een probleemgebied zou zijn. Reactie: Het is niet de bedoeling het veenweidegebied weg te zetten als probleemgebied. Het is juist ook een gebied met kansen, denk bijvoorbeeld aan recreatie (al dan niet in combinatie met een agrarisch bedrijf). Aan de andere kant kunnen we de ogen ook niet sluiten voor de zaken die er spelen met betrekking tot veenweide. De provincie is samen met Wetterskip en gemeente ook actief in het gebied in het kader van de veenweideopgave. Het is goed om te horen dat indiener geen bodemdaling ervaart. Met betrekking tot de gronden die in meer of mindere mate een kleilaag op het veen hebben, wordt verwezen naar de reactie onder Ad 3). 8. In het PRE-OP wordt gesproken over omschakeling naar extensieve landbouw. De boeren in het Leechlân gebruiken de grond al extensief, sommigen biologisch. Het gebruik van de gronden in het Leechlân is dus absoluut niet intensief, zoals de gemeente meerdere malen noemde. Gemeente Leeuwarden is kennelijk niet op de hoogte van de aard van de aanwezige bedrijven.
16
Reactie: Het is bekend dat er geen intensieve veehouderijbedrijven in het gebiedstype ‘Veenweide’ aanwezig zijn, zoals bedoeld in de begripsbepalingen van de geldende gemeentelijke bestemmingsplannen en provinciale verordening. De termen zijn wellicht niet juist overgekomen. Bedoeld is te zeggen dat wellicht omschakeling naar bijvoorbeeld biologische landbouw een optie zou kunnen zijn. Op grond van de gemeentelijke bestemmingsplannen, de provinciale verordening Romte en de ontwerp Omgevingsvergunning Fryslân zijn intensieve (niet grondgebonden) agrarische bedrijven niet toegestaan, met uitzondering van de bestaande bedrijven. Ter toelichting volgen hier de begrippen, met een verwijzing naar het beleidsstuk waar het begrip uit komt. grondgebonden agrarische bedrijfsvoering: een agrarische bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate niet in gebouwen plaatsvindt waarbij het gebruik van agrarische gronden noodzakelijk is voor het functioneren van het bedrijf, op de wijze van een melkrundveehouderijbedrijf, een schapenhouderijbedrijf, een akkerbouwbedrijf, een vollegronds tuinbouwbedrijf en naar de aard daarmee gelijk te stellen agrarische bedrijven.
(bestemmingsplan) intensief veehouderijbedrijf: een agrarisch bedrijf met een in hoofdzaak niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering in de vorm van het houden van dieren, zoals rundveemesterij (exclusief vetweiderij), varkens-, vleeskalver-, pluimvee-, of pelsdierhouderij of een combinatie van deze bedrijfsvormen, alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen. (bestemmingsplan) grondgebonden agrarisch bedrijf: agrarisch bedrijf waarbij het gebruik van agrarische gronden in de omgeving van het bedrijf noodzakelijk is voor het functioneren van het bedrijf, in de vorm van akkerbouw, vollegrondstuinbouw, fruitteelt en boomteelt, grondgebonden veehouderij, en naar de aard daarmee vergelijkbare bedrijven. (verordening Romte Fryslân) grondgebonden veehouderij: een veehouderij waarbij voldoende grond in de omgeving van het bedrijf aanwezig is om overwegend te voorzien in de mestafzet en het benodigde ruwvoer van de veehouderij, inclusief een neventak niet-grondgebonden veehouderij die wat betreft aard en schaal ondergeschikt is aan de grondgebonden bedrijfsvoering.
(verordening Romte Fryslân) niet-grondgebonden veehouderij (intensieve veehouderij): agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in gebouwen plaatsvindt en gericht is op het houden van dieren, zoals varkens-, pluimvee-, pelsdier-, of vleeskalverhouderij, rundveemesterij, niet grondgebonden geiten-, schapenhouderij, of een combinatie van deze bedrijfsvormen, alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen, met uitzondering van grondgebonden veehouderijen. (verordening Romte Fryslân) 9. De regel die bepaalt dat het aantal dieren niet mag toenemen, hoeft niet in het omgevingsplan opgenomen te worden. Dierenaantallen worden al gereguleerd door andere wet- en regelgeving. Denk hierbij aan het fosfaat- en mestquotum. Als een agrariër meer vee wil houden, moet hij al aan strenge regels (natuurwetgeving) voldoen. Reactie: Het is niet de bedoeling om in het omgevingsplan de dierenaantallen te reguleren. Hiervoor zijn inderdaad andere wetten en regels van toepassing, bijvoorbeeld via eisen aan ammoniakuitstoot, geur of grondgebondenheid. 10.Diverse insprekers geven aan dat de grondsoort niet zorgt voor bodemdaling. Het kleipakket is daarvoor voldoende dik. Er vindt door aanwezigheid van het kleipakket geen oxidatie plaats. Als er sprake is van bodemdaling, wordt deze veroorzaakt door 6 boorlocaties die naar gas boren onder dit gebied.
17
Reactie: In het veenweidegebied vindt bodemdaling plaats door oxidatie van het veen, de grondsoort speelt daarbij een grote rol. De jaarlijkse bodemdaling in het Leeuwarder veenweidegebied zonder kleidek is gemiddeld 8 mm/jaar (30 tot 50 cm gedurende 50 jaar). Daarbij geldt dat de snelheid van bodemdaling door oxidatie afneemt als het kleidek op het veen dikker wordt. Vanaf een deklaagdikte van 1 m klei wordt oxidatie grotendeels voorkomen indien de grondwaterstand zich in de kleilaag bevindt en het veen voldoende nat blijft. De bodemdaling in dit gebied door gaswinning is veel kleiner dan die door veenoxidatie en niet de hoofdoorzaak van de maaivelddaling. De bodemdaling door gaswinning bedraagt op dit moment ongeveer 5 cm, dit is het gevolg van 40 tot 50 jaar gaswinning, en neemt in de toekomst nog toe met 1 cm tot een definitieve bodemdaling van 6 cm. 11.Eén van de agrariërs vraagt zich af hoe verleende vergunningen worden overgenomen in het omgevingsplan. Indiener heeft een vergunning voor het realiseren van een camping, een waterpartij, de bouw van 20 recreatiewoningen, 2 schiphuizen en een pontgebouw. Deze vrijstelling dateert van 24 december 2008. Reactie: De feitelijk aanwezige en vergunde situatie mag worden voortgezet.
Een verleende vergunning geeft rechten en mag worden gebruikt, ook al wordt die functie niet specifiek overgenomen voor deze locatie in het omgevingsplan. De afweging om bepaalde ontwikkelingen al dan niet toe te staan, kan in de loop van de tijd wijzigen bijvoorbeeld door gewijzigde wet- en regelgeving, provinciaal of gemeentelijk beleid. Om die reden geeft de huidige wetgeving, Wabo, in artikel 2.33 lid 2 onder a de mogelijkheid om ongebruikte vergunningen in te trekken. De volgende ingebrachte punten komen overeen met de punten die LTO ook heeft ingebracht. Kortheidshalve wordt verwezen naar de reactie onder het betreffende punt. 12.Zie punt 3 LTO. 13.Zie punt 5 LTO met daarbij de aanvulling dat de grond te duur is voor houtteelt. Reactie: Zie hiervoor de beantwoording van de reactie van LTO onder punt 5. De aanvulling dat de grond te duur is voor houtteelt, nemen we voor kennisgeving aan. 14.Zie punt 8 LTO. 15.Zie punt 10 LTO met als toevoeging dat het belang van de boeren o.a. zit in loslopende honden en het verspreiden van ziekten door uitwerpselen en zwerfafval in het grasland. Reactie: Zie hiervoor de beantwoording onder punt 10 van de reactie van LTO. De motivering dat het belang van de boeren zit in loslopende honden en het verspreiden van ziekten door uitwerpselen en zwerfafval in het grasland, wordt voor kennisgeving aangenomen.
16.Zie punt 12 LTO met als aanvulling dat 1 hectare te klein is. Zelfs onder de voormalige gemeente Idaerderadeel was er sprake van een bouwblok van 2 hectare (bij recht). Reactie: Zie hiervoor de beantwoording onder punt 12 van de reactie van LTO. Dat onder de voormalige gemeente Idaerderadeel er sprake van een bouwblok van 2 hectare (bij recht) betreft geen geldend recht meer. Voor dat gebied geldt nu het bestemmingsplan Buitengebied uit 2008 van voormalige gemeente Boarnsterhim, waarbinnen een maximum ‘bouwblok’ van 1 hectare geldt (bij recht).
18
17.Zie punt 16 LTO met aanvulling dat de agrarische bedrijven geen negatieve gevolgen hebben op de Natura-2000 gebieden. Bovendien hebben (en benutten) de agrariërs de mogelijkheid van extern salderen waarbij er bij iedere transactie 30% wordt afgeroomd. Hierdoor neemt in dit gebied de ammoniakemissie af en komt dit ten gunste van het Natura-2000 gebied. Verzocht wordt om alle regels die er toe dienen het Natura-2000 gebied te beschermen, te schrappen. Deze maatregelen zijn buiten proportie en overbodig. Reactie: Zie hiervoor de beantwoording onder punt 16 en 17 van de reactie van LTO. 18.Zie punt 17 LTO met de toevoeging dat uitbreiding van stallen in het kader van dierenwelzijn ook niet mogelijk zal zijn. Reactie: Zie hiervoor punt 17 van de reactie van LTO. Met betrekking tot uitbreiding van stallen (al dan niet in het kader van dierenwelzijn) wordt verwezen naar het antwoord op punt 12 van de reactie van LTO. Inspraakreacties 10 instanties Inspraakreactie De Friese Voedselbeweging De Friese Voedselbeweging heeft belang bij ruimte voor nieuwe initiatieven (gezonde voedselproductie, gezonde bodems, sociale cohesie, biodiversiteit, waterkwaliteit, waterberging). De Friese Voedselbeweging geeft aan graag betrokken te worden bij het verdere proces en uitwerking. Reactie: De Omgevingswet gaat bij initiatieven uit van het principe “ja, mits”.
Dit proberen wij te vertalen in het omgevingsplan. U geeft aan belang te hebben bij ruimte voor nieuwe initiatieven. Hiervoor geldt dan ook het principe “ja, mits”. De “mits” heeft betrekking op bijvoorbeeld of er geen hinder ontstaat voor omliggende bewoners of bedrijven, of er draagvlak is in de omgeving, of er aan milieueisen wordt voldaan. Met betrekking tot het verdere proces kunnen wij aangeven dat wij u op de hoogte houden van het proces rondom de besluitvorming op de inspraakreacties. Het streven is in de eerste helft van 2022 het ontwerp omgevingsplan buitengebied Zuid ter visie te leggen. Ook in dat kader kan dan worden gereageerd op de nadere uitwerking van de diverse onderwerpen. Inspraakreactie Verhagen Groep – Rentmeesterij & Adviesbureau onroerende zaken De begrenzing van het PRE-OP aan de kant van Wergea is niet geheel duidelijk. Het lijkt of een strook grondgebied in het PRE-OP en in bestemmingsplan Wergea valt. Inspreker verzoekt de overlap te verwijderen. Reactie: Het PRE-OP is een voorstel. Dit geldt ook voor de begrenzing. De begrenzing zal nog nader worden bekeken en indien nodig aangepast worden. Inspraakreactie Stichting It Grienedykster Gea De Stichting beschrijft onder het kopje ‘algemene zienswijzen’ een aantal standpunten, zonder te verwijzen naar hoe dit betrekking heeft op het PRE-OP.
Wij hebben hier kennis van genomen maar zullen hier niet inhoudelijk op reageren. Daarnaast zijn de volgende punten ingebracht. 1. Op basis van de negatieve maatschappelijke bijdrage van de gangbare melkveehouderij is er geen reden om ontwikkelruimte vrij te maken voor deze activiteit. Globaal aangegeven is het maatschappelijke resultaat per boer in onze gemeente minimaal € 80.000,- per jaar negatief.
19
Reactie: De door inspreker genoemde “gangbare melkveehouderij” heeft bestaande bouwrechten en bestaande ontwikkelruimte. Deze ontwikkelruimte blijft behouden voor de agrariërs ondanks dat inspreker van mening is dat de gangbare melkveehouderij een negatieve maatschappelijk resultaat zou hebben. 2. Landbouwmethodes die leunen op fossiele energie, fossiele mineralen en niet duurzame methodes toepassen zouden geen ruimte behoren te krijgen in een omgevingsplan. Hiermee wordt o.a. gedoeld op krachtvoer dat is geproduceerd en verbouwd met kunstmest. Ook aan niet duurzame bedrijfsactiviteiten en bedrijfsvormen zou geen ruimte geboden moeten worden in het omgevingsplan. Reactie: Het omgevingsplan is niet het instrument om het gebruik van fossiele brandstof, het gebruik van krachtvoer en dergelijke te verbieden. 3. Inspreker verzoekt in het omgevingsplan uitsluitend ontwikkelruimte te bieden aan bedrijfsvoeringen op basis van een korte koolstof-kringloop en 1 koe per hectare. Reactie: Het omgevingsplan is niet het instrument om eisen te stellen aan de bedrijfsvoering van de agrarische bedrijven inzake onder andere de korte koolstof-kringloop en 1 koe per hectare. Voor de reactie op het reguleren van dierenaantallen wordt verwezen naar de reactie op punt 23 van LTO. 4.