Motivering BOPA Waterberging Himpensermar
Tekst van het document
Motivering BOPA Waterberging Himpensermar
projectnummer 0490248.100 definitief revisie 4.0 28 april 2025
www.anteagroup.nl
Motivering BOPA Waterberging Himpensermar projectnummer 0490248.100 definitief revisie 4.0 28 april 2025
Auteur(s) NH
Opdrachtgever Wetterskip Fryslân Postbus 36 8900 AA LEEUWARDEN
Gecontroleerd M. Roumen
datum 28 april 2025
beschrijving vrijgave
vrijgave
Motivering BOPA Waterberging Himpensermar projectnummer 0490248.100 28 april 2025 revisie 4.0 Wetterskip Fryslân
Inhoudsopgave 1.
Inleiding
5
1.1 1.2 1.3 1.4 1.5
Aanleiding en doel Ligging en begrenzing Geldende ruimtelijke kaders Procedure Leeswijzer
5 5 6 7 8
2.
Projectbeschrijving
9
2.1 2.2
Achtergrond en huidige situatie Beoogde ontwikkeling
9 10
3.
Beleidskader en programma’s
13
3.1 3.1.1 3.1.2 3.1.3 3.2 3.2.1 3.2.2 3.3 3.3.1 3.3.2
Rijksbeleid Nationale Omgevingsvisie Instructieregels Rijk (AMvB’s) Ladder voor duurzame verstedelijking Provinciaal beleid Omgevingsvisie Fryslân - De romte diele Omgevingsverordening Fryslân 2022 Gemeentelijk beleid Omgevingsvisie Leeuwarden Erfgoedverordening Leeuwarden
13 13 13 14 14 14 15 15 15 16
4.
Omgevingsaspecten
17
4.1 4.2 4.2.1 4.2.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.10.1 4.10.2 4.11 4.12 4.13 4.14 4.15 4.16 4.17
Omgevingskwaliteit Verkeer en parkeren Verkeer Parkeren Bedrijven en milieuzonering Omgevingsveiligheid Geluid Trillingen Ecologie Luchtkwaliteit Bodemkwaliteit Archeologie, cultuurhistorie en erfgoed Archeologie Cultuurhistorie en erfgoed Kabels en leidingen Weging van het waterbelang Klimaatadaptatie Duurzaamheid Gezondheid Ontplofbare oorlogsresten M.e.r.-beoordeling
17 17 17 17 18 19 20 21 22 23 24 24 24 26 28 28 29 30 30 31 31
5.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
32
5.1 5.2
Participatie Bestuurlijke afstemming
32 32
6.
Financiële haalbaarheid
33
6.1.1 6.1.2
Financieel-economische uitvoerbaarheid Nadeelcompensatie
33 33
Motivering BOPA Waterberging Himpensermar projectnummer 0490248.100 28 april 2025 revisie 4.0 Wetterskip Fryslân
7.
Conclusie
Bijlage 1 Natuurtoets Bijlage 2 Onderzoek stikstofdepositie Bijlage 3 Vooronderzoek bodem Bijlage 4 Archeologische quick scan Bijlage 5 Cultuurhistorisch onderzoek Bijlage 6 Onderzoek ontplofbare oorlogsresten Bijlage 7 M.e.r.-beoordeling
34
Motivering BOPA Waterberging Himpensermar projectnummer 0490248.100 28 april 2025 revisie 4.0 Wetterskip Fryslân
1.
Inleiding
1.1
Aanleiding en doel In de afgelopen jaren zijn langere perioden van extreem hoog water vaker voorgekomen, ook in Fryslân. Wetterskip Fryslân wil wateroverlast als gevolg van hoge boezempeilen voorkomen. Eén van de manieren hiervoor is om gebieden aan te wijzen en in te richten om tijdelijke waterberging mogelijk te maken. In de afgelopen jaren heeft Wetterskip Fryslân al diverse gebieden ingericht en ingezet. Desondanks zijn er meer locaties nodig om de verwachte hoge waterstanden als gevolg van het veranderende klimaat het hoofd te kunnen bieden. Hiertoe is in het Waterbeheerprogramma 2022-2027 opgenomen dat Wetterskip Fryslân ca. 650 ha natuurgebied als waterberging wil inrichten. Eén van de meest kansrijke en geschikte gebieden hiervoor is polder Himpensermar, nabij Wergea. De polder is in eigendom van Staatsbosbeheer. Staatsbosbeheer is akkoord met het voornemen, mits de inzet van de waterberging in de periode 1 oktober – 1 maart, dus buiten het broedseizoen van vogels, plaatsvindt.
Figuur 1-1 Globale ligging projectgebied (bron: PDOK Viewer)
Het gebruik van deze polder als tijdelijk waterbergingsgebied is niet toegestaan op grond van het Omgevingsplan Leeuwarden. Voor het opheffen van het planologisch strijdige gebruik wordt daarom een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) aangevraagd. Ten behoeve van die vergunning is deze motivering opgesteld. Hierin wordt onderbouwd dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL).
1.2
Ligging en begrenzing Het projectgebied bestaat uit de polder Himpensermar, met een oppervlakte van circa 82 hectare. De polder ligt tussen Leeuwarden en Wergea, net ten zuiden van de N31/Wâldwei. In figuur 1-2 is de globale begrenzing van het projectgebied aangegeven.
blad 5 van 34
Motivering BOPA Waterberging Himpensermar projectnummer 0490248.100 28 april 2025 revisie 4.0 Wetterskip Fryslân
Figuur 1-2 Globale begrenzing projectgebied (bron: PDOK Viewer)
1.3
Geldende ruimtelijke kaders De gronden van het projectgebied zijn gelegen in het omgevingsplan van de gemeente Leeuwarden. Het omgevingsplan bestaat op dit moment nog uit een tijdelijk en een nieuw deel. Het tijdelijk deel omvat onder andere de voormalige bestemmingsplannen. Deze vormen, bij het ontbreken van een ter plaatse geldend nieuw deel van het omgevingsplan, het toetsingskader voor de planologische mogelijkheden.
Figuur 1-3 Uitsnede Omgevingsplan Leeuwarden (bron: Regels op de kaart)
Voor het projectgebied geldt het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2008’ (onherroepelijk 22 december 2010). De gronden in het projectgebied hebben de bestemmingen ‘Natuurgebied’, ‘Water’ en ‘Recreatie- en horecabedrijven’. Over het noordelijke deel van het projectgebied ligt de dubbelbestemming
blad 6 van 34
Motivering BOPA Waterberging Himpensermar projectnummer 0490248.100 28 april 2025 revisie 4.0 Wetterskip Fryslân
‘Molenbeschermingszone’. Verder zijn de gronden van het projectgebied aangeduid als ‘grasland’ en ‘gaaf gebied’. Daarnaast is het bestemmingsplan ‘Partiële herziening Archeologie’ (vastgesteld 29 maart 2022) van kracht. Het projectgebied heeft in dit plan de grotendeels de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 6’. Voor een klein deel van het projectgebied geldt de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 3’. Op het aspect archeologie wordt ingegaan in paragraaf 4.10.1. Voor het projectgebied zijn daarnaast nog de volgende (facet)bestemmingsplannen van kracht of in voorbereiding: Leeuwarden - Partiële herziening woningsplitsing en woonzorgfuncties (vastgesteld 15 juni 2022) Leeuwarden - Partiële herziening onbenutte plancapaciteit, detailhandel, horeca en kantoren (ontwerp 26 januari 2022) Leeuwarden - Partiële herziening kleine windturbines (vastgesteld 22 december 2021) Bestemmingsplan Leeuwarden - Partiële herziening Plan voor de zon (vastgesteld 7 november 2018) Bestemmingsplan Leeuwarden - Partiële herziening Parkeren (vastgesteld 11 september 2017) Leeuwarden - Kamerverhuur (vastgesteld 25 oktober 2016) Bestemmingsplan Buitengebied 2008 Tweede partiële herziening (onherroepelijk 21 mei 2013) Deze plannen zijn niet relevant voor dit project en worden daarom verder buiten beschouwing gelaten.
Het gebruik van het projectgebied als tijdelijk waterbergingsgebied is niet toegestaan op grond van het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2008’. In het bestemmingsplan is wel een wijzigingsbevoegdheid opgenomen ten behoeve van het gebruik van de gronden als waterretentiegebied. Deze wijzigingsbevoegdheid geldt echter niet voor gronden die, zoals het projectgebied, zijn aangeduid als ‘gaaf gebied’. De ontwikkeling past daarmee niet binnen de regels van het omgevingsplan. De gemeente kan medewerking verlenen aan het project door een vergunning (BOPA) te verlenen waarmee het strijdige gebruik wordt opgeheven. Ten behoeve van die vergunning is deze motivering opgesteld. Voor de feitelijke uitvoering van de inrichtingsmaatregelen van de polder zijn ook vergunningen nodig. Deze worden in een latere fase aangevraagd.
1.4
Procedure Procedure De Omgevingswet gaat uit van snelle en eenvoudige procedures voor alle vergunningen die verleend moeten worden. Dit betekent dat in principe voor alle plannen de korte (reguliere) procedure uitgangspunt is en daarmee hoofdregel van de Omgevingswet. Deze procedure wordt ook gevolgd voor deze BOPA. De gemeenteraad heeft een lijst opgesteld voor projecten waarvoor bij een BOPA bindend advies van de gemeenteraad nodig is (Lijst van projecten waarvoor een bindend advies van de gemeenteraad conform artikel 16.15a sub b onder 1° van de Omgevingswet (Ow) en participatie zoals bedoeld in artikel 16.55 (Ow) is vereist; vastgesteld 22 december 2021). Op deze lijst staat het volgende onderdeel: k. het realiseren van een nieuwe niet-agrarische functie buiten bestaand stedelijk gebied. Deze BOPA voorziet in een toevoeging van de functie waterberging (niet-agrarisch) in het buitengebied, waardoor dit onderdeel van toepassing is. Dit betekent dat bindend advies van de raad nodig is voordat de vergunning kan worden verleend. Evenwichtige toedeling van functies aan locaties Evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) betekent dat er een balans bestaat tussen verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen vervullen.
Het omgevingsplan bevat voor het gehele grondgebied van de gemeente in ieder geval de regels die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) (artikel 4.2 lid 1). In deze motivering is een verantwoording gegeven, waaruit blijkt dat de ontwikkeling voldoet aan een ETFAL.
blad 7 van 34
Motivering BOPA Waterberging Himpensermar projectnummer 0490248.100 28 april 2025 revisie 4.0 Wetterskip Fryslân
1.5
Leeswijzer Deze motivering is opgebouwd uit zeven hoofdstukken. In hoofdstuk 2 wordt de bestaande situatie van het projectgebied en de ontwikkeling beschreven. In hoofdstuk 3 is het relevante beleidskader geschetst. Vervolgens komen in hoofdstuk 4 de betreffende omgevingsaspecten aan bod. In hoofdstuk 5 wordt aandacht besteed aan participatie en in hoofdstuk 6 aan de financiële haalbaarheid. Tot slot wordt in hoofdstuk 7 de conclusie aangaande de ontwikkeling beschreven.
blad 8 van 34
Motivering BOPA Waterberging Himpensermar projectnummer 0490248.100 28 april 2025 revisie 4.0 Wetterskip Fryslân
2.
Projectbeschrijving
2.1
Achtergrond en huidige situatie Ontginning Vanaf de tiende eeuw begonnen in Friesland grootschalige middeleeuwse ontginningen in de veengebieden. De omvangrijke veenontginningen resulteerden in bodemdaling, wat zowel binnen als buiten de veengebieden problemen veroorzaakte voor de waterhuishouding. De meeste meren in Friesland, waaronder het Himpensermar, ontstonden direct of indirect als gevolg van veenontginning, waarbij processen van bodemdaling, vernatting en oeverafslag door golven/wind met elkaar verweven raakten.
Figuur 2-1 Uitsnede kaart met Hempensermeer 1664 (Bron: Oldmaps.org, 2024).
Figuur 2-2 Uitsnede kaart met Hempensermeer 1718 (Bron: Oldmaps.org, 2024).
Figuur 2-3 Uitsnede kaart met Hempensermeer 1850 (Bron: Oldmaps.org, 2024). De noordelijke poldermolen evenals de noordelijke- en oostelijke boerderij zijn reeds aanwezig in de droogmakerij.
Figuur 2-4 Uitsnede kaart met Hempensermeerpolder circa 1950 (Bron: Topotijdreis, 2024).
Droogmakerijlandschap Het droogleggen van het Himpensermar was één van de laatste inpolderingsprojecten in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. In 1773 werd het provinciaal bestuur voor het eerst benaderd met een verzoek voor het droogmalen van het meer. Het daaropvolgende verzoek tot inpoldering volgde zes jaar later toen het meer werd ingepolderd met een ringdijk van circa 3,5 km lengte. Uiteindelijk werden in 1784 een dijk en een ringvaart aangelegd rondom het meer. Deze ringvaart is nog zichtbaar in het huidige landshap. Voor de droogmakerijen waren molens nodig om water in de poldervaart te pompen. Aan de noordzijde van het meer werd in 1784 een windmolen geïnstalleerd met als doel het meer droog te malen. In het voorjaar van 1785 was deze taak volbracht, waarna het land kon worden ingedeeld in orthogonale stukken van ongeveer 2,2
blad 9 van 34
Motivering BOPA Waterberging Himpensermar projectnummer 0490248.100 28 april 2025 revisie 4.0 Wetterskip Fryslân
ha met behulp van greppels en sloten. Enkel de buitenste percelen langs de polderdijk vertonen een afwijkende vorm. De unieke verkaveling is tot op de dag van vandaag behouden gebleven. In 1788 werd aan de noordkant van de droogmakerij de eerste boerderij gebouwd. Later werden er nog twee toegevoegd; één aan de oostzijde en daarna één aan de zuidzijde. Recentere ontwikkelingen en huidige situatie De Hempensermeerpolder wisselde verschillende keren van eigenaar. In het midden van de negentiende eeuw fungeerde het als een soort familiebedrijf. Gedurende die periode werd de polder uitsluitend gebruikt voor veeteelt. Aan de noordkant van de polder is rond 1970 een strook in gebruik genomen voor de aanleg van de autoweg Leeuwarden-Drachten. Aan die zijde werd een nieuw kaarsrecht afwateringskanaal gegraven en een nieuwe polderdijk aangelegd. De polder is in de huidige situatie in eigendom van Staatsbosbeheer en wordt beheerd door een aantal pachters. Het is in gebruik als natuurgebied in de vorm van weidevogelgrasland. Dit beheertype omvat natte en vochtige graslanden met primair een weidevogeldoelstelling. Aan de noordwestzijde van de polder bevindt zich een horecavoorziening (Gasterij De Wâldwei). Aan de noordkant van de polder staat op de ringvaartdijk een met riet beklede, achtkantige monnikmolen uit 1863. De molen is gebouwd als vervanger van de eerste windmolen uit 1784.
2.2
Beoogde ontwikkeling Waterberging en waterveiligheid Wetterskip Fryslân is voornemens om de polder Himpensermar in te richten als waterbergingsgebied. De kans op wateroverlast wordt groter aangezien het klimaat tegenwoordig in toenemend tempo verandert. Door waterbergingen in te richten wordt voorkomen dat landbouwgebieden en bebouwing onder water komen te staan met alle gevolgen van dien. De inrichting van de polder als waterbergingslocatie is daarom nodig in het belang van openbare veiligheid en ter voorkoming van toerekenbare schade aan gewassen. In geval van hoogwatersituaties kan tot 1,6 miljoen kubieke meter water vanuit de boezem worden ingelaten. Hierdoor wordt het boezempeil verlaagd en stijgt het peil in de polder. Verbetering biodiversiteit en natuurwaarden Het verbeteren van de natuurwaarde van de polder Himpensermar is een nevendoel (koppelkans). Uit een proef zoals gedaan vanaf half december 2020 tot in januari 2021, waarbij er tijdelijk circa 30-40 cm op het maaiveld gezet, is uit een evaluatie van de betrokken partijen gebleken dat de tijdelijke inlaat van water in de polder een positief effect kan hebben op de biodiversiteit en de natuurwaarden 1. In het verleden was er in Fryslân namelijk sprake van grote overstromingsvlaktes, waar in de winter geen plaats was voor roofdieren en bijvoorbeeld muizen.
Het (deels) onderwater zetten van de polder is dus een reconstructie van een verdwenen landschap, waarin er meer ruimte is voor weidevogels en minder ruimte voor roofdieren. Met de inlaat van water kunnen gunstige omstandigheden voor weidevogels eerder in het jaar gerealiseerd worden. Verder is het waterpeil op aanvraag van Staatsbosbeheer en in overleg met de pachters in de winter binnen het bestaande peilbesluit aangepast. Er wordt meer ruime gegeven aan kwel, wat biodiversiteit bevordert. Het sluit daarmee aan op het intensieve weidevogelbeheer dat Staatsbosbeheer uitvoert. Inzetprotocol Het inzetprotocol van de waterberging voorziet onder meer in de volgende voorwaarden: De polder moet bij inzet binnen 48 uur gevuld kunnen worden. Dat wil zeggen: het waterpeil in de polder moet dan gelijk zijn met het actuele boezempeil; Zodra de boezem weer op normaal peil is moet de polder binnen drie weken leeg worden gepompt. Inzet in het broedseizoen is uitgesloten. 1
Zie ook: Websites: Nature Today | Waterbergingsproef in de Himpensermar & Wetterskip, Staatsbosbeheer en boeren starten waterbergingsproef - Nieuwe Oogst
blad 10 van 34
Motivering BOPA Waterberging Himpensermar projectnummer 0490248.100 28 april 2025 revisie 4.0 Wetterskip Fryslân
Inrichtingsmaatregelen Naast de inrichtingsmaatregelen voor de waterberging wordt het onderhoud aan de regionale kering rond de polder uitgevoerd, zodat deze blijvend voldoen aan de provinciale veiligheidsnormen. De inrichtingsmaatregelen zijn onder meer: Er moet een in- en uitlaatvoorziening komen. Dit krijgt de vorm van een betonnen kunstwerk met een aantal inlaatbuizen (ten behoeve van inlaat) en een opstelplaats voor trekkers met pompen (ten behoeve van uitlaat). De in- en uitlaatvoorziening is geprojecteerd in de zuidelijke punt van de polder. Dit is in onderstaande figuur aangeduid als 4a en blauw gekleurd; De horecagelegenheid Gasterij Wâldwei in het noordwesten van de polder moet worden beschermd tegen hoogwater. Dit betekent dat er een aanvullende waterkering op het erf aan de zuidzijde van Gasterij de Wâldwei moet worden aangebracht. Dit is in onderstaande figuur aangeduid als 3 (a t/m e, zijnde de verschillende gedeelten van de kering op het erf van Gasterij de Wâldwei) en oranje gekleurd; Binnen de polder moet op sommige plaatsen de waterinfrastructuur worden verbeterd (vervangen duikers en dammen) De inrichtingsmaatregelen tasten het algemene beeld van de polder, en specifiek het unieke kavelpatroon, niet aan. Dit is in onderstaande figuur aangeduid als 1 en groen gekleurd.
Hierbij betreft 1 a de afvoer van de polder, 1b de Hempensemeer Mole en 1c de te graven sloot. De te onderhouden waterkeringen zijn in onderstaande figuur aangeduid als 2 en in paars weergegeven. Hierbij betreft 2a de westelijke regionale kering en 2b de noordelijke regionale kering.
Figuur 2-5 Overzicht maatregelen op hoofdlijnen (bron: Antea Group)
blad 11 van 34
Motivering BOPA Waterberging Himpensermar projectnummer 0490248.100 28 april 2025 revisie 4.0 Wetterskip Fryslân
Zoals aangegeven in paragraaf 1.3 maakt de feitelijke uitvoering van de inrichtingsmaatregelen van de polder geen onderdeel uit van deze motivering voor een vergunning. De vergunning voor de inrichtingsmaatregelen wordt in een latere fase aangevraagd.
blad 12 van 34
Motivering BOPA Waterberging Himpensermar projectnummer 0490248.100 28 april 2025 revisie 4.0 Wetterskip Fryslân
3.
Beleidskader en programma’s
3.1
Rijksbeleid
3.1.1
Nationale Omgevingsvisie In de Nationale Omgevingsvisie, de NOVI, geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. In Nederland staan we voor een aantal urgente maatschappelijke opgaven, die zowel lokaal als regionaal, nationaal en internationaal spelen. Grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Met steeds een zorgvuldige afweging van belangen werkt het Rijk aan onze prioriteiten: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie, een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel, sterke en gezonde steden en regio’s en een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Relevantie initiatief De ontwikkeling van de polder Himpensermar tot waterbergingsgebied draagt bij aan het klimaatadaptief maken van Nederland. Het project past binnen de ambities en maatregelen zoals gesteld in de NOVI. Conclusie De beoogde ontwikkeling is niet in strijd met de uitgangspunten uit de NOVI.
3.1.2
Instructieregels Rijk (AMvB’s) Uit het tweede lid van artikel 8.0b van het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl) volgt dat de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit geweigerd wordt als: a. de activiteit zou leiden tot een situatie die niet is toegelaten op grond van instructie(regel)s; b. de omgevingsplanactiviteit betrekking heeft op een voorbeschermingsregel in het omgevingsplan (opvolger van het voorbereidingsbesluit); c. de omgevingsplanactiviteit het uitvoeren van een project waarvoor een projectbesluit is vastgesteld door provincie of Rijk, belemmert. De hoofdonderwerpen waarvoor het Bkl instructieregels bevat zijn hieronder opgesomd: • waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2); • beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3); • beschermen van gezondheid en milieu (paragraaf 5.1.4), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit; • beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 5.129g Bkl); • het behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) voor autowegen, buisleidingen, natuuren recreatiegebieden; • het behouden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7), waaronder
landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën; en • het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8). Relevantie initiatief In hoofdstuk 4 van deze motivering wordt de voorgenomen ontwikkeling getoetst aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In dat hoofdstuk wordt per omgevingsaspect ingegaan op de relevante instructieregels. Conclusie Op basis van deze motivering kan worden geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling niet in strijd is met de uitgangspunten uit het Bkl. blad 13 van 34
Motivering BOPA Waterberging Himpensermar projectnummer 0490248.100 28 april 2025 revisie 4.0 Wetterskip Fryslân
3.1.3
Ladder voor duurzame verstedelijking Op grond van artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving is een toets aan de ladder voor duurzame verstedelijking (hierna: Ladder) met de inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing. In de Ladder is opgenomen dat, voor zover een omgevingsplan (of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit) voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, dat met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand, rekening gehouden moet worden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, moet in de motivering worden ingegaan op de mogelijkheden die er binnen het bestaand stedelijk gebied zijn om in die behoefte te voorzien. Artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bepaalt dat de Ladder betrekking heeft op een stedelijke ontwikkeling die voldoende substantieel is. Een stedelijke ontwikkeling is volgens dit artikel de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening. De aard en omvang van de bedrijven in relatie met de omgeving bepaalt of het plan voldoende substantieel is.
Artikel 5.129g Bkl heeft geen ondergrens voor de minimale omvang van een nieuwe stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Of er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving, maar is volgens jurisprudentie in beginsel 500 m2 bvo. Het gaat hierbij zowel om fysiek ruimtebeslag als de wijziging of toevoeging van functies. Bij de toetsing aan de Ladder onder de Omgevingswet, is het uitgangspunt dat de bestaande jurisprudentie over de Ladder (onder de Bro) gebruikt kan worden. Relevantie initiatief Het project maakt het gebruik van een polder met een natuurbestemming als tijdelijk waterbergingsgebied mogelijk. De natuurbestemming wijzigt niet. Deze ontwikkeling valt niet te beschouwen als een stedelijke ontwikkeling zoals hierboven omschreven. De Laddertoets hoeft verder niet doorlopen te worden. Ook wanneer de Ladder niet van toepassing is, moet worden gemotiveerd dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Op basis van de rest van deze motivering kan worden geconcludeerd dat dit het geval is. Conclusie De beoogde ontwikkeling is niet in strijd met de Ladder voor duurzame verstedelijking.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Omgevingsvisie Fryslân - De romte diele De hoofdambitie van de provincie voor de Friese leefomgeving is brede welvaart in een vitaal, veerkrachtig, karakteristiek en gezond Fryslân. In de Omgevingsvisie heeft de provincie de provinciale ambities, opgaven, doelen en werkwijze voor de komende jaren uitgewerkt. De werkwijze is gestoeld op negen principes: Inhoudelijke principes: 1. zuinig ruimtegebruik; 2. omgevingskwaliteit als ontwerpbasis; 3. koppelen van ambities; 4. gezondheid en veilig; Samenwerkingsprincipes 5. rolbewust; 6. decentraal wat kan; 7. ja, mits; 8. aansluiting zoeken; 9. sturen op proces, ruimer op inhoud. Dit is vertaald naar vier urgente opgaven die de provincie wil aanpakken:
blad 14 van 34
Motivering BOPA Waterberging Himpensermar projectnummer 0490248.100 28 april 2025 revisie 4.0 Wetterskip Fryslân
1. 2. 3. 4.
Fryslân houdt de leefomgeving vitaal, leefbaar en bereikbaar; Fryslân zet de energietransitie met kracht voort; Fryslân wordt klimaatadaptief ingericht; Fryslân versterkt de biodiversiteit.
Relevantie initiatief Voor het project is met name opgave 3 relevant. De doelstelling is dat Fryslân in 2050 water-robuust en klimaatbestendig is ingericht. Gevolgen van wateroverlast zijn zo klein mogelijk. Zowel door technische maatregelen als door ruimtelijke maatregelen zijn en blijft de provincie in staat om de weersextremen op te vangen. De provincie verwacht dat, ten opzichte van 2015, tot 2035 minimaal 600 hectare boezemuitbreiding en het inrichten van 1.500 hectare waterberging in natuurgebieden nodig is. Het gebruik van de polder Himpensermar als tijdelijk waterbergingsgebied sluit hier op aan. Conclusie De beoogde ontwikkeling is passend binnen de provinciale Omgevingsvisie.
3.2.2
Omgevingsverordening Fryslân 2022 De laatste versie van de Omgevingsverordening Fryslân 2022 is op 9 oktober 2024 in werking getreden. In de verordening zijn regels opgenomen die ervoor moeten zorgen dat de provinciale ruimtelijke belangen doorwerken in de gemeentelijke ruimtelijke plannen. Relevantie initiatief In onderstaande tabel zijn de voor het project relevante instructieregels opgenomen. Daarbij wordt verwezen naar de locatie in deze motivering waar deze thema’s zijn behandeld: Thema
Afdeling Omgevingsverordening
Behandeld in paragraaf motivering
Inhoudelijke principes
2.1
2.2, 3.1.3, 4.7, 4.10, 4.12, 4.13, 4.14, 4.15
Natuurgebieden natuurnetwerk Nederland
2.11
4.7
Weidevogelkansgebieden en weidevogelparels
2.13
4.7
Conclusie De beoogde ontwikkeling is passend binnen de provinciale Omgevingsverordening Fryslân 2022.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Omgevingsvisie Leeuwarden De leefomgeving gaat de komende jaren veranderen. Grote maatschappelijke opgaven zoals de energietransitie, klimaatadaptatie, biodiversiteit en woningbouw vragen om antwoorden én om ruimte. Niet alles kan overal, niet alles kan samen, niet alles kan op korte termijn. Het maken van keuzes is noodzakelijk. Een visie op de fysieke leefomgeving is daarvoor een nuttig instrument. In de omgevingsvisie zijn drie hoofdambities opgenomen: 1. Het is goed leven in Leeuwarden in 2028; 2. Leeuwarden is in 2028 het hart van een bijzondere groen-blauwe regio; 3. Leeuwarden is in 2028 een sterke economische gemeente Voor dit project is met name ambitie 2 relevant. De gemeente heeft als doelstelling om de bestaande groenblauwe structuren daar waar mogelijk herstellen, versterken en uitbreiden. Dit moet leiden tot een toekomstbestendige leefomgeving. Een leefbare gemeente voor mens, dier en plant en een omgeving die bevorderlijk is voor biodiversiteitsherstel, klimaatadaptatie en gezond leven. De gemeente gaat in het buitengebied voor biodiversiteitsherstel en klimaatadaptatie, waarbij ze bewaakt dat er een goed en werkbaar evenwicht is tussen landschappelijke waarden, landbouw, klimaat, natuur, cultuurhistorische waarden, ondernemerskansen en samenleving.
De gemeente besteedt daarbij ook aandacht aan het overstromingsrisico, zowel in het buitengebied als in de stad en de dorpen. Vast staat dat de gemeente blad 15 van 34
Motivering BOPA Waterberging Himpensermar projectnummer 0490248.100 28 april 2025 revisie 4.0 Wetterskip Fryslân
in 2035 klimaatadaptief is en dat de biodiversiteit is toegenomen. Nieuwe functies in buitengebied versterken bestaande waarden of voegen waarden toe (waterberging, reduceren CO2-uitstoot, biodiversiteitsherstel, landschap, energieopwekking, recreatie) Relevantie initiatief Het project maakt de realisatie van een tijdelijke waterberging in de polder Himpensermar mogelijk. In paragraaf 2.2 en hoofdstuk 4 is onderbouwd dat hiermee wordt bijgedragen aan de waterveiligheid, verbetering van biodiversiteit en natuurwaarden, klimaatadaptatie en het behouden en versterken van landschappelijke en cultuurhistorische waarden. Conclusie De ontwikkeling is in overeenstemming met de doelstellingen uit de omgevingsvisie.
3.3.2
Erfgoedverordening Leeuwarden De Erfgoedverordening gemeente Leeuwarden (2024) heeft tot doel een juridisch kader te bieden voor de bescherming, instandhouding en ontwikkeling van het cultureel erfgoed binnen de gemeente. Deze verordening is ontworpen om een evenwichtige benadering te bevorderen tussen de noden van hedendaagse ontwikkelingen en het behoud van erfgoedwaarden. Daarnaast streeft de erfgoedverordening ernaar om een duidelijk en transparant kader te bieden voor de omgang met erfgoedvraagstukken, waarbij diverse belangen en actoren worden betrokken. Het is gericht op het waarborgen van de identiteit en karakteristieken van het erfgoed, het stimuleren van bewustwording en participatie, en het bevorderen van verantwoordelijk beheer van erfgoed binnen de gemeente Leeuwarden. Relevantie initiatief In paragraaf 4.10.2 en Bijlage 5 wordt ingegaan op cultuurhistorie en cultureel erfgoed. Hieruit blijkt dat de polder Himpensermar over aanzienlijke cultuurhistorische waarde beschikt. Voor een deel gaat dat om waarden die wettelijk beschermd zijn en voor een deel om “meekoppelkansen” vanuit erfgoedperspectief. Bij de ontwikkeling van de waterberging en bijbehorende inrichtingsmaatregelen wordt met deze cultuurhistorische waarde rekening gehouden. Conclusie Het project is in overeenstemming met de Erfgoedverordening.
blad 16 van 34
Motivering BOPA Waterberging Himpensermar projectnummer 0490248.100 28 april 2025 revisie 4.0 Wetterskip Fryslân
4.
Omgevingsaspecten In dit hoofdstuk wordt beoordeeld of, ten aanzien van de relevante omgevingsaspecten, met de beoogde ontwikkeling sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.1
Omgevingskwaliteit Kader Naast veiligheid en gezondheid is 'een goede omgevingskwaliteit' opgenomen in de centrale doelstelling (artikel 1.3 Omgevingswet). Dit geeft aan dat bijvoorbeeld cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap belangrijk zijn. Het gaat daarbij om zowel de menselijke beleving van de fysieke leefomgeving als de waarden die de maatschappij toekent aan de identiteit van gebieden. Overheden moeten omgevingskwaliteit meenemen bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties (artikelen 2.4 en 4.2 Omgevingswet). Beoordeling In paragraaf 2.2 en verderop in dit hoofdstuk wordt ingegaan op de beoogde ontwikkeling en de kwaliteit van natuur en landschap. Conclusie Vanuit omgevingskwaliteit zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling op deze locatie.
4.2
Verkeer en parkeren Kader Mobiliteit speelt op alle schaalniveaus (Rijk, provincie, regio en gemeente). Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat verschillende rijksinstructieregels voor de instandhouding van de rijksinfrastructuur (paragraaf 5.1.6.2, 5.1.7.4, 5.1.7.6 en afdeling 5,2 artikel 5.163). Mobiliteit is verder een aspect dat in de omgevingsvisies, de omgevingsverordening en het omgevingsplan meeweegt vanuit een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Bij een ontwikkeling dient daarom aangetoond te worden wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling en dient in beeld gebracht te worden of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto’s, fietsen en/of scooters.
4.2.1
Verkeer Beoordeling Het project maakt het gebruik van een polder als tijdelijke waterberging mogelijk. Tijdens de werkzaamheden voor het realiseren van de inrichtingsmaatregelen is er tijdelijk een toename aan verkeersbewegingen. De polder wordt in de toekomstige situatie incidenteel bezocht voor onderhoud en inspecties evenals de incidentele inzet van de polder als waterberging. Het aantal verkeersbewegingen is daarmee beperkt. De wegen in de omgeving kunnen deze beperkte toename aan tijdelijke verkeersbewegingen aan. Conclusie Vanuit verkeer zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling op deze locatie.
4.2.2
Parkeren Beoordeling Het project maakt het gebruik van een polder als tijdelijke waterberging mogelijk. De polder wordt in de toekomstige situatie incidenteel bezocht voor onderhoud en inspecties en de inzet van de polder. Bij de inlaatvoorziening komt voldoende parkeergelegenheid voor onderhoudsmaterieel, waaronder trekkers. De parkeermogelijkheden bij Gasterij de Wâldwei blijven gehandhaafd. Andere parkeer mogelijkheden zijn er niet en komen er niet.
blad 17 van 34
Motivering BOPA Waterberging Himpensermar projectnummer 0490248.100 28 april 2025 revisie 4.0 Wetterskip Fryslân
Conclusie Vanuit parkeren zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling op deze locatie.
4.3
Bedrijven en milieuzonering Kader Voorheen werd vanuit de Wet ruimtelijke ordening (Wro) een goede ruimtelijke ordening beoogd bij het ontwikkelen van nieuwe ruimtelijke plannen. Deze goede ruimtelijke ordening is gericht op het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. In dat kader is een systematiek ontwikkeld die middels richtafstanden voldoende afstand tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) op voorhand regelt om hinder en gevaar te voorkomen: De VNGbrochure ‘Bedrijven en milieuzonering’. Deze milieuzonering dient twee doelen: • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; • het bieden van voldoende ruimte en zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam kunnen (blijven) uitoefenen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is een nieuwe werkwijze geïntroduceerd, waarbij het werken met milieucategorieën voor bedrijven komt te vervallen en de regeling daarvoor wordt vervangen door direct milieuregels in het omgevingsplan op te nemen: 'Milieuzonering nieuwe stijl'. Ook onder deze nieuwe regeling blijven beide doelen die met milieuzonering worden nagestreefd gelden. Het toepassen van de ‘milieuzonering nieuwe stijl’ is echter vrijwillig. Er kan ook op een andere wijze getoetst worden aan de milieunormen.
In een motivering bij een omgevingsvergunning van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit dient in ieder geval te worden onderbouwd dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties kan door voldoende afstand tussen de milieubelastende en de woonactiviteiten aan te houden. Wat voldoende is, hangt af van de aard en omvang van de milieubelastende activiteiten die op het bedrijventerrein zijn toegelaten. De VNGbrochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ biedt hierbij nog steeds een basis voor een indicatie voor de inpasbaarheid van de activiteit en kan nog steeds worden gebruikt. De VNG-brochure bevat specifieke regelingen voor "gemengde gebieden" en "gebieden met functiemenging". Dit zijn gebieden waar bewust verschillende functies (wonen en bedrijvigheid) met elkaar worden gemengd, zoals (winkel)centra. Voor deze gebieden wordt een hogere milieubelasting aanvaardbaar geacht. In de volgende tabel zijn de milieucategorieën met bijbehorende indicatieve afstand weergegeven.
Beoordeling Het project maakt het gebruik van een polder als tijdelijke waterberging mogelijk. Een tijdelijke waterberging is geen milieugevoelige- of belastende functie. Het aspect milieuzonering is niet relevant voor dit project. Conclusie Vanuit bedrijven en milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling op deze locatie.
blad 18 van 34
Motivering BOPA Waterberging Himpensermar projectnummer 0490248.100 28 april 2025 revisie 4.0 Wetterskip Fryslân
4.4
Omgevingsveiligheid Kader Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Het veiligheidsbeleid in Nederland is gebaseerd op een tweetal begrippen, het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat één persoon, die onafgebroken en onbeschermd op een plaats langs een transportroute of nabij een inrichting verblijft, komt te overlijden als gevolg van een incident met het vervoer, de opslag en/of de handeling van gevaarlijke stoffen. Daarbij is de omvang van het risico een functie van de afstand waarbij geldt: hoe groter de afstand, des te kleiner het risico. De risico’s worden weergegeven in PR-risicocontouren.
Het groepsrisico is de kans per jaar dat een groep van 10 of meer personen in de omgeving van een transportroute of een inrichting voor handelingen met gevaarlijke stoffen in één keer het (dodelijk) slachtoffer wordt van een ongeval. Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). De categorie zeer kwetsbare gebouwen is nieuw ten opzichte van de voorheen geldende regelgeving. De gebouwen in deze categorie vielen eerder onder de categorie kwetsbare objecten. Een gebouw is 'zeer kwetsbaar' als het een gebouw is voor mensen die zichzelf niet op tijd in veiligheid kunnen brengen. Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van ‘aandachtsgebieden’. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl).
Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).
Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het groepsrisico is optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang:
blad 19 van 34
Motivering BOPA Waterberging Himpensermar projectnummer 0490248.100 28 april 2025 revisie 4.0 Wetterskip Fryslân
• • • •
Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl. Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl. Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl). Veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl).
Beoordeling Het project maakt het gebruik van een polder als tijdelijke waterberging mogelijk. Er is geen sprake van een (zeer) kwetsbaar object of gebied waar mensen verblijven, anders dan Gasterij De Wâldwei. Voor de Gasterij worden specifieke inrichtingsmaatregelen getroffen die schade of overlast als gevolg van inzet voor waterberging moeten voorkomen. De mogelijke aanwezigheid van risicorelevante activiteiten, buisleidingen of transportassen is voor dit project niet relevant. Het groepsrisico verandert niet. Advies van de veiligheidsregio is niet aan de orde. De waterberging zelf is ook geen risicovol object. Wel heeft de waterberging het doel om het risico elders te kunnen beperken op overstromingen. Conclusie Vanuit omgevingsveiligheid zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling op deze locatie.
4.5
Geluid Kader Ingevolge de Omgevingswet dient voor de beoordeling van een aanvraag voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) rekening te worden gehouden met het geluid door activiteiten op (bestaande en/of beoogde) geluidgevoelige gebouwen, waarbij wordt beoordeeld in hoeverre het geluideffect aanvaardbaar is en daarmee, vanuit optiek van geluid, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In onderstaande paragrafen wordt dit nader uitgewerkt. Als basis voor beoordeling van de BOPA worden de instructieregels ingevolge het Besluit kwaliteit leefomgeving gehanteerd. De geluidsnormen zijn onder de Omgevingswet neergelegd in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het Omgevingsplan gemeente Leeuwarden heeft deze waarden overgenomen in artikel 22.63, middels de tijdelijke bruidsschatregels. De standaardwaarden, bedoeld in tabel 4.1, voor het toelaatbare geluid door een activiteit op een geluidgevoelig gebouw en als waarden de grenswaarden, bedoeld in tabel 4.2, voor het toelaatbare geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen zijn in onderstaande tabellen weergegeven. Tabel 4.1 Standaardwaarde toelaatbaar geluid op een geluidgevoelig gebouw 07.00 – 19.00 uur 19.00 – 23.00 uur
23.00 – 07.00 uur
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten
50 dB(A)
45 dB(A)
40 dB(A)
Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen
--
70 dB(A)
70 dB(A)
Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden
--
65 dB(A)
65 dB(A)
Tabel 4.2 Grenswaarde toelaatbaar geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen 07.00 – 19.00 uur 19.00 – 23.00 uur 23.00 – 07.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT
35 dB(A)
30 dB(A)
25 dB(A)
Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen
--
55 dB(A)
55 dB(A)
blad 20 van 34
Motivering BOPA Waterberging Himpensermar projectnummer 0490248.100 28 april 2025 revisie 4.0 Wetterskip Fryslân
Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden
07.00 – 19.00 uur
19.00 – 23.00 uur
23.00 – 07.00 uur
--
45 dB(A)
45 dB(A)
Geluidgevoelige gebouwen Een geluidgevoelig gebouw is conform artikel 3.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een: Woonfunctie en nevengebruiksfunctie daarvan; Onderwijsfunctie en nevengebruiksfunctie daarvan; Gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of Bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. Dit geldt niet voor het gedeelte van het gebouw waar het omgevingsplan geen geluidgevoelige ruimte toelaat, tenzij het gebouw een woonschip of woonwagen is. Onder een geluidgevoelig object wordt ook een geluidgevoelig gebouw verstaan, wat nog niet aanwezig is, maar op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit mag worden gebouwd. Beoordeling Gasterij de Wâldwei, het meest nabijgelegen gebouw met horeca- en recreatiefunctie is geen geluidsgevoelig gebouw. Het project maakt het gebruik van een polder als tijdelijke waterberging mogelijk. De waterberging zelf is niet geluidgevoelig. Het project, zijnde de waterberging met bijbehorende inspecties, onderhoud en inzet, maakt ook geen geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen mogelijk. Conclusie Vanuit geluid zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling op deze locatie.
4.6
Trillingen Kader Trillingen kunnen nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ze kunnen effect hebben op het welzijn van mensen of schade aan gebouwen veroorzaken. De Omgevingswet beschermt (delen van) gebouwen. Gemeenten mogen zelf regels stellen over trillingen door milieubelastende activiteiten. De regels voor trillingen zijn op verschillende plaatsen terug te vinden. In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan de instructieregels voor trillingen. Deze instructieregels zijn gericht op de bescherming van trillinggevoelige ruimten in trillinggevoelige gebouwen. In paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat zijn eveneens regels voor trillingen opgenomen. Deze regels gelden voor trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat. De meest relevante trillingsbronnen zijn wegverkeer, railverkeer en industriële activiteiten. Voor wegverkeer en railverkeer geldt dat dit afhankelijk is van het aandeel zwaar vrachtverkeer.
Voor alle trillingsbronnen geldt dat trillingen afnemen als de afstand tot de bron groter wordt. Beoordeling Dit project betreft niet de aanleg van een trillinggevoelig gebouw en maakt geen trillinggevoelige gebouwen mogelijk. Daarnaast zijn de verkeersbewegingen gering waardoor eveneens geen trillingshinder wordt verwacht. Er zijn dan ook geen effecten van trillingshinder te verwachten. Conclusie Vanuit trillingen zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling op deze locatie.
blad 21 van 34
Motivering BOPA Waterberging Himpensermar projectnummer 0490248.100 28 april 2025 revisie 4.0 Wetterskip Fryslân
4.7
Ecologie Kader In het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn regels opgenomen voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten- en diersoorten en regels ter bescherming van houtopstanden. Voorheen werd dit geregeld in de Wet natuurbescherming. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Ontwikkelingen mogen niet zonder meer plaatsvinden indien deze negatieve gevolgen hebben op beschermde natuurwaarden (soorten, gebieden en /of houtopstanden). Er is daarom inzicht gewenst in de aanwezige beschermde natuurwaarden en de mogelijke effecten die op deze beschermde natuurwaarden kunnen optreden door de ontwikkeling. Beoordeling Voor het project zijn een natuurtoets (Bijlage 1) en een onderzoek naar stikstofdepositie (Bijlage 2) uitgevoerd. Gebiedsbescherming Natura 2000 De inrichtingsmaatregelen en de inzet van het projectgebied als waterberging leiden naar verwachting niet tot significante negatieve effecten op doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Uit de stikstofberekening blijkt dat de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een stikstofdepositietoename hoger dan 0,00 mol/ha/jaar op enig Natura 2000-gebied. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het projectgebied maakt onderdeel uit van het NNN.
Negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van de Himpensermar zijn uitgesloten. Hiermee leidt de ingreep niet tot een significante aantasting van de oppervlakte, de kwaliteit en de samenhang van het NNN. De ingreep sluit juist goed aan op het aanwezige beheertype N13.01 Vochtige weidevogelgrasland. Met de inrichting wordt het waterbeheer in de polder geoptimaliseerd. De inundatie die in het winterhalfjaar plaatsvindt, remt de dominantie van grassen en leidt waarschijnlijk tot een structuurrijke vegetatie. Aanbevolen wordt wel om het gebied na inzet van waterberging te controleren op (invasieve) exoten en direct te verwijderen. Kaderrichtlijn Water Negatieve effecten op KRW-doelstellingen zijn uitgesloten. Overig natuurbeleid De inrichtingsmaatregelen hebben geen negatieve effecten op ganzenfoerageergebied, agrarische beheerpakketten en weidevogelgebieden wanneer de volgende uitgangspunten worden gehanteerd: • • •
Duur van de inundatie is maximaal 3 weken; Inzet van de polder voor waterberging is alleen toegestaan in de periode tussen 1 oktober en 1 maart (inzetperiode); Er mag maximaal één inundatie per twee maanden plaatsvinden en maximaal twee keer per inzetperiode.
Soortbescherming De inrichtingsmaatregelen kunnen leiden tot negatieve effecten op specifiek beschermde soorten. Het gaat hierbij om de otter, waterspitsmuis en heikikker. Door het nemen van voorzorgsmaatregelen zijn negatieve effecten op de otter geheel te voorkomen. Negatieve effecten op waterspitsmuis en heikikker zijn niet geheel te voorkomen, waardoor hiervoor een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is aangevraagd en verleend door de Provincie Fryslân. Door het nemen van voorzorgsmaatregelen en mitigerende maatregelen worden negatieve effecten zoveel mogelijk beperkt en is er geen sprake van een negatief effect op de staat van instandhouding van deze soorten. In het kader van de zorgplicht dient er ook voldoende zorg in acht genomen te worden voor de aanwezige rode lijst plantensoorten.
blad 22 van 34
Motivering BOPA Waterberging Himpensermar projectnummer 0490248.100 28 april 2025 revisie 4.0 Wetterskip Fryslân
Conclusie Vanuit ecologie zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling op deze locatie.
4.8
Luchtkwaliteit Kader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Omgevingswaarden richtlijn luchtkwaliteit Op basis van artikel 2.4 en artikel 2.5 van het Bkl gelden omgevingswaarden voor stikstofdioxide, stikstofoxiden en fijnstof. In de onderstaande tabel zijn de vastgestelde concentraties opgenomen. Stof
Soort norm
Concentratie
NO2
Jaargemiddelde
40 µg/m3
NO2
Uurgemiddelde (mag max. 18 keer per jaar worden overschreden)
200 µg/m3
NOx
Jaargemiddelde
30 µg/m3
PM10
Jaargemiddelde
40 µg/m3
PM10
24-uurgemiddelde (mag max. 35 keer per jaar worden overschreden)
50 µg/m3
PM2,5
Jaargemiddelde
25 µg/m3
Niet in betekenende mate Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; of Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit de artikelen 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project ‘niet in betekenende mate bijdraagt’ aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Aandachtsgebieden Toetsing aan de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties is altijd nodig als het plangebied is gelegen in een aandachtsgebied voor luchtkwaliteit. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51, lid 2 Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 Omgevingsregeling. Beoordeling Het projectgebied ligt niet in een aandachtsgebied voor zowel NO2 als PM10.
Het project maakt het gebruik van een polder als tijdelijke waterberging mogelijk. Tijdens de werkzaamheden voor het realiseren van de inrichtingsmaatregelen is er tijdelijk een toename aan verkeersbewegingen. De polder wordt in de toekomstige situatie incidenteel bezocht voor onderhoud en inspecties evenals de incidentele inzet van de polder als waterberging. Het aantal verkeersbewegingen is daarmee beperkt.. Redelijkerwijs kan aangenomen worden dat het project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Conclusie Vanuit luchtkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling op deze locatie.
blad 23 van 34
Motivering BOPA Waterberging Himpensermar projectnummer 0490248.100 28 april 2025 revisie 4.0 Wetterskip Fryslân
4.9
Bodemkwaliteit Kader Het bodembeleid gaat over het voorkomen en wegnemen van bodemverontreiniging. Waar het bodembeleid eerder sterk gericht was op het saneren van bodemverontreiniging legt de Omgevingswet meer nadruk op het voorkomen van verontreinigingen en het beheren van bestaande verontreinigingen. Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (hierna: Bal): • regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift (artikel IIIa, paragraaf 2.3.6a.2); • regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22); • regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4). Beoordeling Voor het project is een vooronderzoek naar bodem uitgevoerd (Bijlage 3). In het projectgebied zijn de volgende verdachte activiteiten en/of bekende bodemverontreinigingen geconstateerd: Ter plaatse van een voormalig erf is een sterke asbestverontreiniging aanwezig.
De locatie is afgedekt met een leeflaag van 0,60 meter. Twee andere voormalige erven (nog niet onderzocht); 51 dammen; Eén ongespecificeerde demping; Twee duidelijke kavelpaden. Indien er werkzaamheden worden uitgevoerd ter plaatse van de verdachte terreindelen (voormalige erven, dammen, kavelpaden en/of de demping) dan moet hier verkennend bodemonderzoek en/of verkennend asbestonderzoek te worden uitgevoerd. Werkzaamheden ter plaatse van de bekende asbestverontreinigingen moeten worden uitgevoerd onder het Besluit asbestwegen of de Omgevingswet. Verder kunnen de werkzaamheden ter plaatse van landbodems op basis van de bodemkwaliteitskaarten worden uitgevoerd onder de veiligheidsklasse basishygiëne. Conclusie Vanuit bodem zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling op deze locatie.
4.10
Archeologie, cultuurhistorie en erfgoed
4.10.1 Archeologie Kader Op 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) in werking getreden. Met de introductie van de Wamz zijn de kerntaken en bestuurlijke verantwoordelijkheden van gemeenten veranderd. Eén van de belangrijkste consequenties is, dat gemeenten een centrale rol is toegekend in de bescherming van archeologisch erfgoed. In de wet is bepaald, dat gemeenten door inzet van een planologisch instrumentarium het archeologisch belang dienen te waarborgen. Bescherming van het archeologisch erfgoed kan onder meer vorm krijgen door in het Omgevingsplan en bijbehorende tijdelijke bruidsschat regels ter bescherming van bekende en te verwachten archeologische waarden op te nemen. Met de Omgevingswet is de lijn dat gemeenten een centrale rol wordt toegekend in de bescherming van archeologisch erfgoed, doorgezet. De gemeente kan lokale regels stellen over archeologisch onderzoek (artikel 5.130 lid 3, 4 en 5 Bkl).
blad 24 van 34
Motivering BOPA Waterberging Himpensermar projectnummer 0490248.100 28 april 2025 revisie 4.0 Wetterskip Fryslân
Beoordeling Voor het project is een archeologische Quick Scan uitgevoerd (Bijlage 4). Voor het projectgebied gelden op grond van het omgevingsplan Leeuwarden de archeologische dubbelbestemmingen ’Waarde - Archeologie 3’ en ‘Waarde - Archeologie 6’. Voor ‘Waarde - Archeologie 3’ geldt een vergunning- en onderzoeksplicht voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden met een oppervlakte groter dan 100 m2 en dieper dan 0,3 meter beneden maaiveld. Voor ‘Waarde - Archeologie 6’ zijn deze vrijstellingsgrenzen respectievelijk 10.000 m2 en 0,5 beneden maaiveld.
Figuur 6 De in het plangebied aanwezige dubbelbestemmingen waarde archeologie
Op de FAMKE is af te lezen dat voor de periode steentijd – bronstijd geldt dat er voor het overgrote deel van het plangebied geen onderzoek plaats hoeft te vinden. Dit advies wordt gegeven op basis van eerder onderzoek waaruit is gebleken dat er zich geen archeologische resten in de bodem bevinden, of wanneer archeologische verwachting op gefundeerde gronden zeer laag is, en waar eventuele resten uit de steentijd zich vermoedelijk zodanig diep onder het maaiveld bevinden dat de kans op aantasting zeer klein is. Dit geldt eveneens voor een paar kleine gebieden zoals in het westen en zuiden van het plangebied gelegen. In deze gebieden kunnen zich op enige diepte archeologische lagen bevinden uit de steentijd, die zijn afgedekt door een veen- of kleidek. Gedurende het inzetten van het gebied als tijdelijke waterberging wordt de waterstand tijdelijk verhoogd. Het plangebied ligt in een zone met bodems met de code Wov en KMn48C. Beide zijn kleiige of zavelige bodems die vermoedelijk niet veel bodemontwikkeling zijn ondergaan. Het vermoeden is dan ook dat ze relatief jong zijn (qua afzetting). Voor de grote veenaanwassen (grofweg bronstijd) zullen de archeologische resten zich op het pleistocene zandniveau hebben bevonden.
Hoewel er geen concreet onderzoek is gedaan naar zetting op een dergelijke schaal, lijkt inklinking geen invloed te hebben op dit niveau (anorganische resten op een zandlaag). In de daaropvolgende perioden zou het bewoningspotentieel in twee typen onderverdeeld kunnen worden: A) Oeverwallen en zandopduikingen (etc.). De mensen zullen vanwege de natte aard deze zones zijn gaan opzoeken omdat deze hoger in het landschap lagen. Dit zijn dus bodemzones die al lange tijd zijn ingeklonken en over het algemeen een meer zandige aard hebben. Ook zal in een dergelijke situatie inklinking of verdringing een minimale impact hebben op het archeologisch bodemarchief. B) Terpen die kunstmatig zijn aangelegd in het natte landschap. Hiervoor zijn in het plangebied echter geen aanwijzingen.