Masterplan stadsklooster te Leeuwarden
Tekst van het document
23 mei 2025
MASTERPLAN VERSIE 1.0 Stadsklooster te Leeuwarden
Colofon Datum
23 mei 2025
Status
Versie 1.0
Object
Jacobijnerkerk en bijgebouwen Jacobijnerkerkhof 95 e.a. 8911 EN Leeuwarden
Opdrachtgever
Protestantse gemeente Leeuwarden Bij de Put 17 8911 GE Leeuwarden i.c.m. Maatschappij van Welstand Berkenweg 11 3818 LA Amersfoort
Architect © De inhoud van dit document is uitsluitend bedoeld voor de begunstigde. Onder geen beding mag het geheel of gedeeltelijk worden verstrekt aan derden, of op internet, sociale media of andersoortige media worden geplaatst, zonder de uitdrukkelijke toestemming van Buro STIEL.
Buro STIEL Ledige stede 29 8081 CS Elburg mail@burostiel.nl
1
Inhoudsopgave Inleiding
3
1. De opgave
5
2. Analyses
7
2.1 Stedenbouwkundig analyse 2.2 Kloosterkwartier analyse 2.3 Gebouw analyse 2.4 Kloostertypologie analyse 3. Programma van eisen 3.1 Drie hoofdidentiteiten 3.2 Drie samengesmolten identiteiten 3.3 Van identiteit naar activiteit 3.4 Het ritme van de tijd
25
4. Masterplan 4.1 Jacobijnerkerk 4.2 Grote kosterij + tussenlid 4.3 Woonconcept & kleine kosterij 4.4 Waalse Kerk 4.5 Bij de Put 17 4.6 Jacobijnerkerkhof 50 4.7 Nieuweburen 40 4.8 Buitenruimtes
32
5. Conclusies en aanbevelingen 5.1 Conclusies 5.2 Aanbevelingen
87
2
Inleiding
De Protestantse Gemeente van Leeuwarden bezint zich op de toekomst van de gemeenschap en de gebouwen. Tezamen met De Maatschappij van Welstand wordt een concept ontwikkeld waarbij de toekomst van kerk en gebouwen ligt in haar oorsprong: Het Jacobijnerklooster als hart van Nijehove. Het Stadsklooster De Jacobijner is een project in ontwikkeling. Middels een architectenselectie is Buro STIEL geselecteerd als architect voor het stadsklooster. Dit masterplan onderzoekt de ruimtelijke component van het stadsklooster. Met visie, eisen en wensen als uitgangspunt, onderzoekt het masterplan de identiteit van gebouwen en plekken, zoekt het samenhang en structuur in de opgave en werkt het dit uit tot op gebouw en functieniveau. Dit masterplan is geen uitgewerkt ontwerp. De basis is een ruimtelijk vlekkenplan dat uitgewerkt is in functies, aantallen en oppervlaktes. Het ruimtelijk vlekkenplan wordt ondersteund met schetsen, referenties en voorbeelduitwerkingen die de inpasbaarheid en kwaliteit van bepaalde ingrepen verbeelden en onderzoeken. Het Masterplan is in zijn totaliteit een document voor intern gebruik, en vormt een stevige basis voor het narratief Stadsklooster De Jacobijner dat voor de buitenwacht geformuleerd gaat worden.
Want uiteindelijk zal een brede kring van betrokkenen en belangstellenden de essentiële schoonheid van de herontdekking van de kloostergemeenschap op deze plek moeten gaan dragen.
Archieffoto van de Jacobijnerkerk (jaren 70)
4
1. De opgave
De opgave bestaat in essentie uit de herontwikkeling van De Jacobijnerkerk (1), de grote kosterij (2), het tussenlid (3), de kleine kosterij (4), de Waalse Kerk (5), het gebouw aan Bij de Put (6) / Jacobijnerkerkhof (7) en de woning aan de Nieuwe Buren (8) tot één samenhangend geheel van gebouwen en functies. Centrale uitgangspunten hierbij zijn de
8
integratie van de functies Wonen, Ontmoeten, Vieren, Leren en Beleven.
2
De uitdaging is tweeledig. Enerzijds gaat het om het logisch samenbrengen van deze functies binnen het plan: welke functie krijgt waar een plek? Dit vraagt om een zorgvuldige analyse van het programma van eisen (PvE) en de ambitie achter het Stadsklooster. Anderzijds ligt er een
3 4
1
6 7
5
Overzichtskaart van de objecten die onderdeel zijn van het stadsklooster
ruimtelijke en kwalitatieve opgave: hoe kunnen de nieuwe functies worden ingepast in de bestaande monumentale gebouwen? Hiervoor is gedegen onderzoek nodig naar de monumentale waarden, ruimtelijke kwaliteiten en historische kenmerken van de verschillende panden. Hoewel de herontwikkeling zich formeel beperkt tot gebouwen die eigendom zijn van de Protestantse Gemeente, kan dit niet los worden gezien van de bredere context. Een heldere visie op de omliggende openbare ruimte is essentieel. Deze ruimte moet zodanig worden ingericht dat de oorspronkelijke samenhang tussen de kerk en haar directe omgeving opnieuw voelbaar wordt. Dit document is opgebouwd uit drie delen: - Een analyse van de gebouwen, de directe omgeving en de historische context, op verschillende schaalniveaus. - Een verdieping in de visie achter het Stadsklooster en een uitwerking van het programma van eisen. - Een masterplan waarin visie en context samenkomen: een toekomstgerichte invulling per gebouw. 6
2. Analyses
Om het beoogde programma van het Stadsklooster een fysieke plek te kunnen geven, is het noodzakelijk om de gebouwen en hun context te begrijpen. Voornamelijk in een dusdanige (historische) gelaagde context als die van de beoogde panden. Daarvoor is de volgende analyse gedaan op een aantal schaalniveaus en onderwerpen. Hierin worden de
2.3 GEBOUW Binnen het toekomstig Stadsklooster vallen een aantal gebouwen. Vier van deze gebouwen worden herdefinieerd om functies te huisvesten die onderdeel zijn van het Stadsklooster. Hiervoor is een analyse gedaan van de gebouwopzet zodat functies op een logische (en vaak oorspronkelijke)
kernaspecten blootgelegd die als uitgangspunten voor een ontwerp kunnen dienen.
plek ingepast kunnen worden en benodigde ingrepen doeltreffend en kwalitatief ontworpen kunnen worden. Voor de Jacobijnerkerk betekent dit het herkennen van de drie assen door de drie beuken waarbij aan de oostzijde deze altijd eindigen in een koor. Het karakter van het koor bepaald het karakter van de bijbehorende as. De kosterij is als laatste overblijfsel van het voormalige klooster sterk
2.1 STEDENBOUWKUNDIG De stedenbouwkundige analyse focust zich op Nijehove, het deel van het historische centrum waar het Stadsklooster ligt. Nijehove kenmerkt zich door de gesloten bouwblokken waartussen de straten zich vernauwen en verbreden. Hiermee worden herkenningspunten onthult. De binnenplaatsen van de bouwblokken zijn bereikbaar door poortjes. Deze poortjes zijn een mooi architectonisch thema, vaak samengesteld uit sierstenen van vergane gebouwen en hofjes. 2.2 KLOOSTERKWARTIER Het kloosterkwartier is het bouwblok wat direct ten noorden van de Jacobijnerkerk ligt. Oorspronkelijk was dit het Jacobijnerklooster. Dit klooster verloor in de 16e/17e eeuw haar functie en is en deels afgebroken. In het huidige kwartier zijn nog de sporen van het klooster zichtbaar. Om deze restanten zijn nieuwe gebouwen heen gebouwd waardoor er een diffuus geheel is ontstaan. Er zitten veel ongemakkelijke plekken in het blok. Zo wil de kosterij een hoek zijn die nu midden in de straatgevel zit, doorgangen leiden naar de binnenkant van het blok waarin ook weer woningen staan met voor en achterkanten, groen ligt hier verstrooid tussen. Door de tijd heen is er een straat achter de Jacobijnerkerk ontstaan die abrupt dichtgezet is in de jaren 70/80 door het tussenlid tussen de kosterij en de Jacobijnerkerk.
gestructureerd door de kloostergang met aanpalende ruimtes. Bij de Put is een voormalige gemeenteschool, in de structuur zijn de woning van de schoolmeester en de lokalen herkenbaar. Dit huiselijke karakter versus de hal met lokalen, bepalen hoe er wooneenheden ingepast kunnen worden. De Waalse Kerk kent een driedeling: een beuk met entree, consistoriekamer en orgel, daarna een beuk met ruimte voor publiek en een beuk met het podium (liturgisch centrum). De kwaliteit van deze zaal met faciliteiten is hoog. 2.4 KLOOSTERTYPOLOGIE Een klooster was opgezet volgens vaste principes van zones, routes en ruimtes. Iedere functie heeft zijn eigen rol en positie binnen het geheel en is bepalend voor het gebruik van het geheel. Door deze verhoudingen te begrijpen kunnen zij opnieuw geïnterpreteerd worden en aanleiding bieden voor het plaatsen van nieuwe functies. Dit zorgt voor een samenhang van functies die passend is bij het Stadsklooster. Door eerst de functies van een generiek klooster te inventariseren, kunnen deze op het voormalige Jacobijnerklooster geprojecteerd worden. In de restanten van dit klooster kunnen functies terug komen of een nieuwe plaats krijgen. 8
2.1 Stedenbouwkundige analyse STADSKLOOSTER ALS SCHAKEL IN DE BINNENSTAD
De transformatie van de Jacobijnerkerk en de bijbehorende gebouwen tot het Stadsklooster betekent ook een transformatie van dit deel van de binnenstad. De openbare ruimte tussen de gebouwen is onlosmakelijk verbonden met de herontwikkeling van het ensemble zelf. In de stedenbouwkundige analyse zoeken we daarom vanuit bestaande én historische structuren naar aanknopingspunten, inspiratie en richting voor toekomstige ingrepen. Nijehove, één van de drie historische kernen van Leeuwarden, is ontstaan rondom kloosters en kapellen. De Grote Kosterij vormt het oudste nog bestaande gebouw van de stad. In het huidige stratenpatroon is de centrale positie van het oorspronkelijke kloostercomplex nog altijd herkenbaar. Opvallend is hoe het gebogen verloop van de straten zorgt voor een geleidelijke en bijna ceremonieel aandoende benadering van de Jacobijnerkerk. Het omsloten bouwblok – de oorspronkelijke structuur van het kloostercomplex – keert op meerdere plekken binnen Nijehove terug. De besloten binnenwerelden die hierdoor ontstaan, worden telkens ontsloten via smalle doorgangen en poorten. Deze overgang tussen openbaarheid en beslotenheid vormt een wezenlijk stedenbouwkundig kenmerk van het gebied en biedt waardevolle aanknopingspunten voor de toekomstige ruimtelijke inpassing van het Stadsklooster. Historische kaart van Leeuwarden (1603)
9
Omsloten bouwblokken Binnen het stratenpatroon zijn omsloten, groene hoven. Soms ontstaan, soms gepland.
Divergerend stratenpatroon De straten verwijden zich tot pleinen, kruispunten en open plekken. Belangrijke gebouwen en objecten staan zijdelings in beeld.
! Kaart van een fragment van de binnenstad van Leeuwarden met de gebouwen van het stadsklooster zichtbaar
10
Perforaties en poortjes Tussen straten en hoven zit een netwerk van poortjes en doorgangen die het gebied alzijdig en doorwaadbaar maken.
Portjes van de Jacobijnerkerk en in haar omgeving
11
2.2 Kloosterkwartier analyse HISTORISCHE ONTWIKKELING VAN HET KLOOSTERCOMPLEX De oorsprong van het kloostercomplex ligt tussen 1275 en 1310, toen het werd gebouwd als onderdeel van het dominicanenklooster in Leeuwarden. De dominicanen werden destijds ook wel jakobijnen genoemd, waaraan de Jacobijnerkerk haar naam dankt. In 1392 werd de kerk grotendeels verwoest door een stadsbrand. De herbouw vond plaats in de vijftiende eeuw, waarna onder andere de zuidelijke zijbeuken werden gerealiseerd. Aan het begin van de zestiende eeuw werd het kerkschip met één travee verlengd, waarmee het huidige volume grotendeels tot stand kwam.
Na de Reformatie werd de kerk omgevormd tot een volkskerk voor de protestantse eredienst. In diezelfde periode werd het kloostercomplex losgekoppeld van de kerk en grotendeels gesloopt. Wat resteerde, werd opgenomen in het nieuwe stedelijke weefsel en kreeg een zelfstandige positie. De noordgevel van de kerk werd omgevormd tot straatgevel, waarmee de kerk een solitair karakter kreeg. Toch bleef de opzet als kloosterkerk herkenbaar: meerdere ingangen, en het ontbreken van een westelijke toren. In de tweede helft van de twintigste eeuw werden de kerk en het overgebleven kloosterfragment om pragmatische redenen weer met elkaar verbonden via een functioneel tussenlid. Daarmee ontstond de huidige hybride stedenbouwkundige situatie.
Schema met de ontwikkeling van de kloostergebouwen en Jacobijnerkerk
12
13e eeuw, katholiek Kerk is onderdeel van een gesloten bouwblok
16e eeuw, katholiek Klooster is gegroeid, vervalt daarna en wordt deels afgebroken
17e eeuw, protestants Het gesloten bouwblok is verschoven
20e eeuw, hedendaags Er is een mengvorm van beide concepten ontstaan
Kerk als deel van het blok
Kerk als straatwand
Kerk is ‘losgekapt’
Diffuus geheel
Kerk als solitair object met wachtende gevel
Kerk als schiereiland
Schematische analyse van de ontwikkeling van het kloosterkwartier
13
OPENBARE RUIMTE ALS VERBINDEND WEEFSEL De openbare ruimte rond de Jacobijnerkerk is onlosmakelijk verbonden met de omliggende gebouwen. Dit komt al tot uiting in de naamgeving van de straten en pleinen: Jacobijnerkerkhof, Grote Kerkstraat, Achter de Kerk en Monnikenmuurstraat. Deze namen verwijzen direct naar het religieuze en historische karakter van het gebied en onderstrepen de oorspronkelijke samenhang tussen gebouw en omgeving. In de loop van de late 20e eeuw is die samenhang echter sterk verzwakt. De openbare ruimtes zijn vooral pragmatisch ingericht, met een nadruk op verkeersafwikkeling en parkeergelegenheid. Hierdoor zijn ze los komen te staan van hun historische context. De ruimtelijke inrichting werkt isolerend en belemmert de vanzelfsprekende relatie tussen gebouwen en hun omgeving. Het gevolg is een gefragmenteerd straatbeeld en een verstoorde beleving van het gebied. De benadering van de gebouwen is onduidelijk of onaantrekkelijk, en de oorspronkelijke verwevenheid van kerk, klooster en openbare ruimte is grotendeels verloren gegaan. Een herwaardering van deze ruimten, als drager van betekenis en samenhang, is daarom essentieel voor de toekomstige ontwikkeling van het Stadsklooster.
Historische- en hedendaagse openbare ruimte rondom de Jacobijnerkerk
14
Rafels restant Doodlopende straat
Inrichting openbare ruimte Gefragmenteerde inrichting openbare ruimte Verbindende visie ontbreekt Kerk is decor/straatwand geworden
Diffuus plein
Omsloten grasveldje
Schematische weergave van de openbare ruimtes rondom het kloosterkwartier
15
2.3 Gebouwen analyse IDENTITEIT EN OPBOUW VAN DE GEBOUWEN De gebouwen van het Stadsklooster bezitten elk een eigen identiteit en karakter. In hun archetypische opzet en verschijningsvorm verschillen zij sterk van elkaar. Deze diversiteit vormt een belangrijk uitgangspunt voor de integrale visie op herontwikkeling. De Jacobijnerkerk is opgezet als een driebeukige kerk, waarbij elke beuk een eigen oostelijke beëindiging kent. De noordbeuk was oorspronkelijk verbonden met het kloostercomplex en huisvestte altaren en ruimten voor de geestelijkheid. De middenbeuk vormt de hoofdstructuur van de kerk en eindigt in het hoogkoor. De zuidbeuk, jonger en breder, bestaat uit een reeks gekoppelde dwarsbeuken en wordt afgesloten met de intieme leprozenkapel. Hoewel de Reformatie geen invloed had op de ruimtelijke opzet van het gebouw, veranderde het gebruik ervan ingrijpend. Het driebeukige schip kreeg een egalitaire indeling, met een vlakke vloer waarin preekstoel en orgel de dominante elementen zijn. Het middenkoor werd ingericht als mausoleum, terwijl noord- en zuidkoor afzonderlijke functies kregen.
De Grote Kosterij is een overgebleven fragment van het oorspronkelijke klooster. De structuur wordt bepaald door een kloostergang, waaraan afzonderlijke zalen en ruimtes zijn gekoppeld. De (voormalige) kloostertuin vormde het centrale hart van dit complex. Het pand Bij De Put 17 is een statig woonhuis, opgezet met een centrale gang waaraan kamers zijn gesitueerd. De achterbouw, Jacobijnerkerkhof 50, bestaat uit een langgerekte, overwelfde ruimte met talrijke vensters en toegangen aan de straatzijde. Door zijn vrije indeelbaarheid heeft dit deel door de eeuwen heen uiteenlopende functies gehad, waaronder die van schoolgebouw, arbeidsbeurs en sportzaal. De Waalse Kerk is eveneens een voormalige kloosterkerk, maar van een totaal ander karakter dan de Jacobijnerkerk. Het betreft een sobere zaalkerk waarvan het koor na de Reformatie is gesloopt. De protestantse liturgische inrichting is nog zichtbaar in de functionele indeling: de entree en het orgel bevinden zich aan de voorzijde, het podium en de preekstoel aan de achterzijde.
16
Jacobijnerkerk Oost- west-assen met een onderscheid tussen koor en schip. Verschillende soorten koren met een meer kerkelijk, oorspronkelijk katholiek karakter. Het schip is meer protestants, open en flexibeler.
Grote kosterij Kloostergang nog bepalend voor de structuur.
Schematische analyses van de ordening van de verschillende gebouwen
Bij de Put 17 & Jacobijnerkerkhof 50 Voor- en achterdeel met eigen karkaters. Voor is statig en gestructureerd terwijl achter ruim en vrij in te delen is.
Waalse Kerk Typische zaalkerk. Ruimte achter het orgel, podium als plek voor manifestaties. Daartussen een zaal voor evenementen.
17
2.4 Kloostertypologie analyse De structuur van het vroegere kloostercomplex is in de huidige gebouwen, restanten van gebouwen en stedenbouwkundige structuur nog herkenbaar. Een klooster is opgezet volgens een vast principe van zones, routes en ruimtes. Iedere functie heeft zijn eigen rol en positie binnen het geheel en is bepalend voor het gebruik van het geheel. Het analyseren van de kloostertypologie is een belangrijke schakel in de visie voor het stadsklooster. 1 – de functies van het middeleeuwse klooster zijn inspiratie voor het stadsklooster Het klooster gaf vorm aan een vorm van samenleven die past in de hedendaagse visie. Functies als Refter, Dormter en Chorino kunnen hedendaags geïnterpreteerd worden. 2 – de positionering van de functies in het middeleeuwse klooster zijn een aanleiding voor het inpassen van de functies in het stadsklooster Het herstellen van functies en relaties van oude ruimtes geeft de aanleiding voor het inpassen van nieuwe functies voor het stadsklooster. Bijvoorbeeld: de middeleeuwse refter kan opnieuw refter worden. 3 – de relaties en rituelen binnen het stadsklooster geven aanleiding voor nieuwe en herontdekte rituelen in het stadsklooster. Het middeleeuwse klooster gaf vorm aan rituelen en dagritme. De herwaardering en revival van het klooster geeft een herwaardering van de rituelen.
De volgende analyse beoogt onderbouwing te vinden voor de bovenstaande drie punten.
Historische kaart en 3d reconstructie
18
DE RUIMTELIJKE LOGICA VAN HET KLOOSTERLEVEN Een klooster is meer dan een verzameling gebouwen; het is een zorgvuldig georganiseerde leefgemeenschap, gebouwd rondom ritme, stilte en toewijding. De ruimtelijke structuur van het klooster weerspiegelt deze waarden tot in detail. Elk onderdeel heeft een functie binnen het grotere geheel en is strategisch gepositioneerd in relatie tot de gebeden, het werk en het samenleven van de kloosterlingen. Centraal in het klooster ligt de kloosterhof — een rechthoekige, open ruimte die vaak dienstdeed als begraafplaats. Deze hof wordt aan drie of vier zijden omsloten door de kloostergang, een overdekte galerij die alle belangrijke ruimtes met elkaar verbindt. De kloostergang vormt letterlijk de ruggengraat van het klooster: het is de route waarlangs men beweegt tussen rust en activiteit, gebed en arbeid, gemeenschap en afzondering. Aan de noordzijde van het complex bevindt zich de kloosterkerk, oost-west georiënteerd zoals gebruikelijk in de christelijke traditie. Het koor, aan de oostzijde van de kerk, is het hart van het liturgisch leven. Hier bevinden zich het altaar en de zitplaatsen voor de geestelijken, waar zij samen de getijden vieren. Het koor is nauw verbonden met de clausuur: het besloten deel van het klooster dat voor buitenstaanders verboden terrein is.
De kloosterlingen hadden via een dagtrap — en soms ook een nachttrap — directe toegang tot het koor vanuit hun slaapvertrekken, zodat zij zelfs in de nacht hun gebeden konden verrichten.
De kloostergang (in de grote kosterij) tijdens de restauratie van de jaren ‘70
19
Het schip van de kerk, ten westen van het koor, is de ruimte waar de lekenbroeders en gelovigen samenkwamen. Nabij het koor bevindt zich ook de sacristie, een verborgen en vaak overwelfde ruimte waarin liturgische voorwerpen worden bewaard en waar de geestelijken zich voorbereiden op de diensten. Rondom de kloostergang liggen de andere hoofdvertrekken van het klooster. De refter, of eetzaal, bevindt zich doorgaans aan de zuidzijde, tegenover de kerk, in de lengte van het klooster gericht op een sobere maar ordelijke maaltijd in stilte. Aan de oostarm ligt de kapittelzaal, waar het convent bijeenkomt om de kloosterregels te bespreken en te luisteren naar een hoofdstuk uit de Heilige Schrift. Deze ruimte is rechthoekig van opzet en vaak in drie beuken verdeeld, met een ingetogen maar indrukwekkende uitstraling.
Gilles Li Muisit leest uit het kapittel voor aan zijn monniken (14e-eeuwse miniatuur)
20
Tussen de kapittelzaal en de sacristie ligt het parlatorium: een plek voor gesprekken, meestal tussen de monniken onderling, maar bij hoge uitzondering ook met bezoekers. Vlak bij de grens van de clausuur bevindt zich het auditorium, een ontvangstruimte waar pelgrims of gasten werden begroet en de geestelijken zich konden terugtrekken voor meditatie of lezing. Boven of nabij deze ruimten bevindt zich de dormter — de gemeenschappelijke slaapzaal van de kloosterlingen. Deze zaal lag bij voorkeur boven een verwarmde ruimte, zoals het calefactorium, om de nachtrust te verzachten. In latere kloosters werd de slaapzaal steeds vaker vervangen door individuele cella: kleine privékamers waar de monnik kon studeren en rusten. De ambtswoning van de abt was apart gesitueerd: een combinatie van woon- en werkvertrekken waaruit hij leiding gaf aan het klooster. Het gehele kloostercomplex was ingebed in het ritme van het getijdengebed. De gebouwen weerspiegelden die ordening: gebed, studie, gemeenschap en afzondering vormden samen de structuur van het monastieke leven. De fysieke nabijheid van de ruimtes tot het koor en de kloosterhof was dan ook geen toeval, maar een bewuste uitdrukking van spirituele prioriteiten. Zo spreekt uit de architectuur van het klooster niet alleen functionaliteit, maar ook spiritualiteit.
De ruimtes vormen samen een lichaam, waar stilte en beweging elkaar in balans houden.
Kapittelzaal tijdens de restauratie van de jaren ‘70
21
Begrip
Definitie
Ideale positie
Clausuur: gedeelte van een klooster dat onder de bepalingen van clausuur valt, dat wil zeggen, waarbinnen geen vreemden, met name leden van de andere sekse, worden toegelaten. Het clausuur wordt ook wel slot genoemd, en omvat een groot gedeelte van de ruimtes van het klooster. Kloosterkerk: kerk in dienst van een kloostergemeenschap. Daarom voorzien van een uitgestrekt koor. Koor: afzonderlijk deel aan de oostelijke zijde van de kerk waar zich het (hoofd)altaar bevindt, de geestelijken de getijden vieren en de sacramenten bediend worden. Schip: westelijke romp van een kerk, onderscheiden van het koor, kapellen en voorbouwsels. Sacristie: vertrek in een kerk waar het altaar gerei en de parementen bewaard en klaargelegd worden en waar de geestelijke zich klaarmaakt voor het officie. Overwelfd en vaak min of meer verborgen ingebouwd, soms uit twee verdiepingen bestaand. Chorino: Klein koor voor nachtelijke getijden of persoonlijke contemplatie
Kloosterkerk ten noorden van het complex, oost – west georiënteerd met: Koor (staat in nauwe verbinding met de claustrale bijgebouwen, vooral met de dormter, opdat de getijden geregeld onderhouden worden. In vele kloosters leidde een dag-, maar ook een nachttrap naar het koor.); Schip (ten westen van het koor); Sacristie (in de nabijheid van het altaar, dus meestal naast het koor gelegen),
Kloosterhof: aan drie of vier zijde door de kloostergang omgeven, rechthoekig plein. Dat diende vaak als begraafplaats. Kloostergang: (kruisgang) galerij die doorgaans in drie of vier armen of panden rechthoekig de kloosterhof omzoomt.
ten zuiden de kloosterhof met daaromheen de kloostergang. Rondom de kloostergang liggen de kloostergebouwen met daarin:
Auditorium: ontvang- en verpozingsvertrek waar de geestelijken het ‘saluut’ en de offers van de gelovigen ontvingen en konden mediteren en lezen. Bij de benedictijnen vond hier ook de voetwassing van de gasten plaats. Refter: (refectorium) eetzaal in een klooster, waar kloosterlingen gemeenschappelijk de maaltijd gebruiken. Kapittelzaal: lokaal waar het kapittel (college van kanunniken van een kathedraal of collegiale kerk, of het convent van een klooster) geregeld bijeenkomt. Hier laat het zich het capitulum (kloosterregel) of, naar de regel van de Heilige Augustinus, een hoofdstuk uit de Heilige Schrift voorlezen. Parlatorium: conversatievertrek in een klooster, vooral voor de monniken onderling. Op Witte Donderdag gebruikt als plaats voor de voetwassing. Dormter: (dormitorium) slaapzaal van een klooster. Er waren door schotten of gordijnen afgezonderde slaapplaatsen die correspondeerden met een venster en een kleine muurkast (armarium). Cella: Privévertrek van de kloosterling t.b.v. studie en nachtrust Ambtswoning: Afzonderlijke woning bij het klooster of combinatie van vertrekken binnen het klooster waarin de abt woont en werkt.
Auditorium (op de grens van de clausuur gelegen) Refter (doorgaans gelegen in de oost-westrichting aan de kloostergang, aan de arm die evenwijdig is aan de kerk en ertegenover ligt); Kapittelzaal (ten zuiden of ten noorden van het koor of het dwarsschip, aan de oostarm van de kloostergang en is hierdoor bereikbaar. In plattegrond is de kapittelzaal meestal rechthoekig en overwelfd in drie beuken); Parlatorium (tussen kapittelzaal en sacristie, vaak tegelijk wandelgang in het verlengde van de noordelijke kruisgang). Dormter (dicht naast het koor, liefst boven de stookzaal (calefactorium), ook wel boven de kapittelzaal);
22
RECONSTRUCTIE VAN HET MIDDELEEUWSE JACOBIJNERKLOOSTER Op basis van het reconstructiemodel van het middeleeuwse Jacobijnerklooster kunnen we een goed beeld vormen van de oorspronkelijke inrichting van het complex. De historische structuur en de ruimtelijke logica van vergelijkbare kloosters uit die tijd bieden houvast bij het toewijzen van functies aan specifieke plekken binnen het geheel. Zie
Deze benadering biedt niet alleen inzicht in het verleden, maar vormt ook een waardevolle basis voor het ontwikkelen van een visie op de toekomst van het complex. Door de oorspronkelijke ordening van het kloosterleven te begrijpen, kunnen we recht doen aan het karakter en de betekenis van deze plek bij herbestemming en herontwikkeling.
hiervoor de afbeelding op de volgende pagina. Waarschijnlijke historische positionering functies in het Jacobijnerklooster gebaseerd op reconstructie model en literatuur
23
DE ONTBREKENDE OOSTELIJKE VLEUGEL Aan de oostzijde van het kloostercomplex sloot het klooster direct aan op het koor van de Jacobijnerkerk. Deze verdwenen vleugel was ooit een zorgvuldig samengesteld ensemble waarin de geestelijke kern van het kloosterleven tot uitdrukking kwam. Waarschijnlijk herbergde deze vleugel een reeks essentiële functies, verdeeld over twee bouwlagen. Op de begane grond lagen vermoedelijk de kapittelzaal, waar de broeders bijeenkwamen om de kloosterregel te bespreken, het parlatorium, bedoeld voor gesprekken en ontmoetingen, en de sacristie, in de Historische positionering van de functies rondom het koor
nabijheid van het altaar. Op de verdieping daarboven lagen naar alle waarschijnlijkheid het dormitorium — de gemeenschappelijke slaapruimte — en het chorino, een kleinere koorkapel bedoeld voor nachtelijke gebeden en persoonlijke contemplatie. De directe koppeling van deze functies aan het koor van de kerk onderstreept hun liturgische en spirituele betekenis. Via trappen — dag en nacht toegankelijk — konden de kloosterlingen zich vanuit hun slaapvertrekken snel verplaatsen naar de gebedsruimte, wat de verwevenheid van dagelijkse routines met het ritme van het gebed versterkte. 24
3. Programma van eisen
3.1 Drie hoofdidentiteiten Het Programma van Eisen voor het Stadsklooster is samengesteld op basis van input van diverse betrokken partijen. Het vormt een vertaling van gedeelde wensen, visies en ambities, en is opgebouwd vanuit een brede contextuele benadering.
We onderscheiden drie hoofdsferen die samen de grondstructuur van het programma vormen: het klooster, de kerk, en de stad.
We beginnen met het positioneren van de Jacobijner in haar ruimere omgeving: als betekenisvol element binnen de provinciehoofdstad Leeuwarden, én als historische kern van de wijk Nijehove. In deze wisselwerking tussen stad, wijk en gebouw ligt een belangrijke basis voor het draagvlak van het Stadsklooster. Hoe meer partijen zich verbonden voelen met dit initiatief, hoe sterker de wederzijdse invloed én verankering ervan wordt. De Jacobijner raakt aan het publieke domein, en dat domein raakt op zijn beurt aan de Jacobijner.
waarin contemplatie, toewijding en dagelijks samenleven centraal staan. De kerk is de plek van de geloofsgemeenschap, waarin de liturgie het ritme bepaalt. Hier komen mensen samen om te vieren, te gedenken en te bezinnen, in een ruimte die gewijd is aan ritueel en verbinding. De stad is de ruimte van de culturele gemeenschap. Hier wordt
De naam ‘Jacobijner’ gebruiken we hier bewust als overkoepelende term. Hoewel de naam ‘Stadsklooster’ inmiddels stevig verbonden is met de toekomstige functie, is deze term in zekere zin ook beperkend. Hij roept onmiddellijk een specifieke sfeer en invulling op, waarmee andere karakteristieken en mogelijkheden buiten beeld kunnen raken. Door te spreken over ‘de Jacobijner’ blijft er ruimte voor meerdere sferen en identiteiten binnen het programma.
-
-
-
Het klooster is de plek van de woongemeenschap: hier wordt geleefd, gewerkt en gebeden. Het is een besloten en ritmisch geleefd domein
gezocht naar betekenis in de breedste zin: door kunst, dialoog, debat en ontmoeting. Het is de open plek waar individueel en collectief invulling wordt gegeven aan de vraag naar zingeving. De werkelijke kracht van de Jacobijner ontstaat daar waar deze drie sferen elkaar overlappen. Waar klooster, kerk en stad elkaar beïnvloeden, inspireren en soms zelfs samenvallen, groeit een veelkleurige plek van ontmoeting, verdieping en gedeeld eigenaarschap.
26
3.2 Drie samengesmolten identiteiten De Jacobijner maakt integraal deel uit van Nijehove, het oudste en meest karakteristieke stadsdeel van Leeuwarden. Daarmee ligt de Jacobijnerkerk letterlijk en figuurlijk in het hart van de Friese hoofdstad. Als oudste kerk van de stad vervult zij bovendien de rol van hoofdkerk van de provincie Friesland — een positie die haar culturele, religieuze én historische betekenis onderstreept. Binnen het geheel van gebouwen, geschiedenis en functies herkennen we drie fundamentele identiteiten: het klooster, de kerk en de stad: -
-
-
-
De kloosterkerk, waar woongemeenschap en geloofsgemeenschap elkaar vinden. Het stadsklooster, waar het leven van de gemeenschap zich opent naar de bredere samenleving. De stadskerk, waar religie, cultuur en publiek elkaar ontmoeten in een open en uitnodigende ruimte.
Het klooster staat symbool voor de woongemeenschap: een plek van rust, regelmaat, gemeenschap en persoonlijke toewijding. De leefregel vormt hier het anker. De kerk vertegenwoordigt de geloofsgemeenschap: een ruimte voor liturgie, viering, troost en spiritualiteit, gedragen door eeuwenoude rituelen en verbondenheid. De stad verbeeldt de culturele gemeenschap: de bredere samenleving die via ontmoeting, kunst, dialoog en reflectie op zoek is naar betekenis.
Elk van deze sferen heeft zijn eigen focus, dynamiek en ritme. Juist binnen de Jacobijner doen zich unieke kansen voor omdat deze drie identiteiten tegelijkertijd aanwezig zijn én met elkaar kunnen verweven. Waar het klooster, de kerk en de stad elkaar raken, beïnvloeden en versterken, ontstaat een gelaagde en vernieuwende vorm van samenleven. In deze zones van overlap ontstaan nieuwe identiteiten:
De kracht van de Jacobijner schuilt precies in deze kruisbestuiving: een plek waar traditie en vernieuwing elkaar versterken, en waar betekenis op meerdere lagen tegelijk wordt ervaren en gedeeld.
27
Leeuwarden PROVINCIEHOOFDSTAD
Bestuur en rechtspraak Onderwijs en wetenschappen
Nijehove
HART VAN HET STADSHART
Joodse geschiedenis Natuurmuseum
De Jacobijner
KLOOSTER
KERK
STAD
woongemeenschap
geloofsgemeenschap
culturele gemeenschap
LEEFREGEL wonen/bidden/werken
LITURGIE ritme
BETEKENIS zingevingsvraagstukken
KLOOSTERKERK
STADSKLOOSTER
Schema met de context van de Jacobijner en haar drie hoofdidentiteiten
STADSKERK
28
3.3 Van identiteit naar activiteit Aan de drie identiteiten van de Jacobijner – klooster, kerk en stad – zijn verschillende kernactiviteiten verbonden. Deze activiteiten geven richting aan de dagelijkse dynamiek binnen en rondom het complex. We onderscheiden vijf centrale vormen van gebruik: wonen, ontmoeten, vieren, leren en beleven.
beleving naadloos in de typologieën die we eerder in de analyse van het middeleeuwse kloosterconcept hebben benoemd. Die historisch structuren bieden een krachtige basis voor hergebruik: de refter als plek van ontmoeting, het chorino voor contemplatie, de kapittelzaal als ruimte voor overleg en vorming, of de kloostergang als verbindend element tussen rust en beweging.
Deze activiteiten zijn niet willekeurig gekozen; ze geven concreet vorm aan de bredere waarden die het stadsklooster wil uitdragen: herbergzaamheid, gastvrijheid, heiligheid, bezinning en bezieling. Elke activiteit trekt andere gebruikers aan en vraagt om specifieke ruimtes, sferen en functies. Sommige van deze functies passen qua aard en
Door deze functies bewust te koppelen aan de oorspronkelijke betekenis en ruimtelijke kwaliteit van de historische onderdelen van het complex, ontstaat een logisch én betekenisvol gebruik van het gebouwenensemble. Zo wordt de herontwikkeling van de Jacobijner niet alleen functioneel, maar ook inhoudelijk gedragen door de ziel van de plek.
WONEN
ONTMOETEN
VIEREN
LEREN
BELEVEN
Woonplaats
Ontmoetingsplaats
Heilige plaats
Reflectieve plaats
Waardevolle plaats
Bewoners (lang) Gasten (middel) Passanten (kort)
Bewoners klooster Leden kerk Gasten Passanten
Ontmoeting van mensen op een betekenisvolle plek
Het ritme van de liturgie en getijden:
Klooster Kerk Stad Onderwijs Cultuur
Ieder voor zich Allen tezamen
Een samenleving van betrokken bewoners, passanten en gasten die tezamen de vlam brandend houden
Bewoners klooster Leden kerk Gasten Passanten
HERBERGZAAMHEID
GASTVRIJHEID
HEILIGHEID
Dagcyclus Weekcyclus Jaarcyclus
Een plek waar het discours plaatsvindt tussen mensen en hun context BEZINNING
Een plek waar tijd, cultuur, filosofie en religie tastbaar en merkbaar zijn
BEZIELING
29
Identiteit Binnen
WONEN
ONTMOETEN
VIEREN
LEREN
BELEVEN
Woonplaats
Ontmoetingsplaats
Heilige plaats
Reflectieve plaats
Waardevolle plaats
Bewoners (lang) Gasten (middel) Passanten (kort)
Bewoners klooster Leden kerk Gasten Passanten
Ontmoeting van mensen op een betekenisvolle plek
Het ritme van de liturgie en getijden:
Klooster Kerk Stad Onderwijs Cultuur
Ieder voor zich Allen tezamen
Een samenleving van betrokken bewoners, passanten en gasten die tezamen de vlam brandend houden
Bewoners klooster Leden kerk Gasten Passanten
HERBERGZAAMHEID
GASTVRIJHEID
HEILIGHEID
BEZINNING
BEZIELING
woongroep
catering
getijden
ZinLab
cultureel programma
woningen
klooster café
kerk
ruimte
Jacobijnerkerk
appartementen
refter
kapel
kapittelzaal
Waalse Kerk
kamers
keuken
liturgisch centrum
auditorium
kosterij
cella’s
sanitair
klok
bibliotheek
museum
wasserij
berging
muziek
omgang
exposities
gedeelde keuken
garderobe
zitplaatsen
podium
podium
Dagcyclus Weekcyclus Jaarcyclus
Buiten
gedeeld sanitair
kerktuin
Een plek waar het discours plaatsvindt tussen mensen en hun context
Een plek waar tijd, cultuur, filosofie en religie tastbaar en merkbaar zijn
zitplaatsen
kloostertuin
hagioschoop
kloostertuin
stadstuin
labyrint
Visueel programma van eisen
30
3.4 Het ritme van de tijd Het centrale thema van de Jacobijner is het ritme van de tijd. In haar nieuwe functie krijgt de klok opnieuw een betekenisvolle, leidende rol. Niet langer slechts als marker van het uur, maar als de hartslag van het hele complex – een ritmische kracht die het leven in het Stadsklooster, de Kloosterkerk en de Stadskerk verbindt en voortstuwt. De klok zet alles in beweging. Zij bepaalt het ritme van de dag, waarin stilte, gebed, werk en ontmoeting elkaar afwisselen. Zij ordent de week, waarin vieringen, gemeenschappelijke maaltijden en reflectie hun vaste plaats krijgen. Zij draagt de maanden en seizoenen, waarin het religieuze en culturele jaar wordt gevierd. En zij verbindt de jaren, waarin het gebouw en zijn gemeenschap zich steeds opnieuw mogen uitvinden, verdiepen en verankeren. Zo wordt de Jacobijner een plek die ademt met de tijd. Geen statisch monument, maar een levend ensemble van ruimtes en ritmes – waarin klok en gemeenschap elkaar vinden in een gedeeld tempo. De tijd is hier niet iets wat verstrijkt, maar iets wat vorm geeft aan betekenis, beleving en ontmoeting.
Viering toren en de klok naast het koor
31
4. Masterplan
Op basis van in hoofdstuk 2 en 3 uitgewerkte analyses is een Masterplan opgesteld: een overkoepelende visie voor het gebruik, de betekenis en de samenhang van de gebouwen en buitenruimtes van de Jacobijner. Dit plan benoemt de rol van ieder gebouw binnen het grotere geheel en wijst functies toe die passen bij hun karakter, structuur en potentie.
De toelichting op het Masterplan verloopt in drie delen: 1. 2. 3.
Bij iedere voorgestelde ingreep is gezocht naar een zorgvuldige balans tussen: -
de historische waarde van het object, de fysieke aanpasbaarheid van de ruimte, de programmatische samenhang binnen het geheel, en de conceptuele kracht van het Stadsklooster als levend ensemble.
Daarnaast is er oog voor de maakbaarheid van het plan: een realistische uitvoerbaarheid én een zorgvuldige faseerbaarheid van de uitvoering over de tijd. Het Masterplan is conceptueel van aard. De visie is in hoofdlijnen helder en doordacht, maar is bewust nog niet in detail uitgewerkt. De bijbehorende schetsen en ruimtelijke impressies zijn bedoeld als verbeelding van het idee, geen definitieve ontwerpen. Om tot een daadwerkelijk ontwerp te komen, is een zorgvuldig ontwerptraject nodig, met ruimte voor verdieping, toetsing en afstemming met betrokken partijen.
Het totaalbeeld: de samenhang en de structuur van het geheel; De gebouwde onderdelen: een toelichting per object; De buitenruimtes: het verband tussen gebouwen en openbare ruimte.
Eerst zal het totaalbeeld toegelicht worden. Vervolgens worden de gebouwonderdelen en buitenruimtes besproken in de volgende volgorde: 4.1 Jacobijnerkerk 4.2 Grote kosterij + tussenlid 4.3 Kleine kosterij 4.4 Waalse Kerk 4.5 Bij de Put 17 4.6 Jacobijnerkerkhof 50 4.7 Nieuweburen 40 4.8 Buitenruimtes
33
DE POSITIONERING VAN DE DRIE IDENTITEITEN OP DE LOCATIE In hoofdstuk 3 is het Programma van Eisen geanalyseerd en geordend rond drie dragende identiteiten: kerk, klooster en stad. Waar deze identiteiten elkaar raken, ontstaan de unieke kwaliteiten die de Jacobijner onderscheiden: de kloosterkerk, het stadsklooster en de stadskerk. Deze drie identiteiten zijn niet alleen conceptueel, maar ook ruimtelijk te positioneren binnen het ensemble van de Jacobijner: -
-
De kerk vindt haar centrum in de koorsluitingen van de Jacobijnerkerk. Hier ligt het liturgisch hart, het ritme van gebed en viering. De stad manifesteert zich bij de overgang van het schip van de kerk naar de openbare ruimte. Hier is de ontmoeting, de culturele beleving, de dialoog met de stad. Het klooster is verankerd in de Grote Kosterij, het overgebleven deel van het oorspronkelijke middeleeuwse kloostercomplex. Hier liggen de sporen van het ingetogen leven van werken, wonen en bidden.
Hoewel we telkens over dezelfde gebouwen spreken, verandert de identiteit en gebruik afhankelijk van hun plek binnen het geheel. Het zijn juist deze meervoudige lagen van betekenis en gebruik die de kracht van het plan bepalen. De Jacobijner is geen verzameling losse gebouwen, maar een levend systeem van verweven identiteiten. Zo ontstaat een plek waar geschiedenis, spiritualiteit en stadsleven in elkaars verlengde liggen en waar ruimte is voor ontmoeting, verdieping en vernieuwing.
Visualisering samensmelting van identiteiten
34
Schetsmatige vogelvlucht over de gebouwen van het stadsklooster
35
Klooster Kloosterkerk Stads klooster
Jacobijner
Kerk
Stadskerk Stad
Hoe landen de karakters van het stadsklooster op de gebouwen
36
VERBEELDING VAN SAMENSMELTENDE IDENTITEITEN IN OPENBARE RUIMTE Het concept van samensmeltende identiteiten – klooster, kerk en stad – beperkt zich niet tot het gebruik van de gebouwen of hun onderlinge relaties. Ook de openbare ruimte rondom de Jacobijner draagt dit gedachtegoed in zich, en vormt een wezenlijk onderdeel van het geheel. Net zoals de gebouwen hun karakter ontlenen aan de specifieke identiteit die zij dragen, zo krijgt ook de buitenruimte een eigen sfeer afhankelijk van welke identiteit daar dominant is. De omgeving wordt geen neutrale ruimte, maar een betekenisvolle verlenging van wat zich binnen afspeelt. -
-
-
Waar de identiteit van de kerk zich manifesteert in de buitenruimte, ontstaat het karakter van een kerktuin: een open, vriendelijke ruimte gericht op ontmoeting, sociaal contact en prettig wonen. Hier kan de wijk samenkomen, in een sfeer van rust en gastvrijheid. Waar de identiteit van de stad voelbaar wordt, ontwikkelt zich een stadstuin: een plek die uitnodigt tot culturele beleving, publieke expressie en gedeelde betekenisvorming. Deze ruimte ademt dynamiek en openheid, en vormt een podium voor stad en samenleving. Waar de kloosterlijke sfeer doorwerkt in de buitenruimte, ontstaat de kloostertuin: een verstilde plek, gericht op contemplatie, bezinning en de herwaardering van het historische karakter van deze bijzondere locatie. Hier is ruimte voor stilte, natuur en persoonlijke reflectie.
Deze drie sferen vloeien in elkaar over, net als de identiteiten van de Jacobijner. Zo wordt ook de openbare ruimte een plek van gelaagdheid en betekenis — een omgeving waar stad, kerk en klooster elkaar ontmoeten en gezamenlijk een nieuw verhaal vertellen.
Visualisering samensmelting identiteiten met openbare ruimte
37
Klooster
o l K
Kerk
n i u t r e t os
Stad
Kerktuin Stadstuin
Karakters van de openbare ruimte rondom de gebouwen van het stadsklooster
38
MASTERPLANTEKENING Deze masterplantekening vormt de fysieke projectie van de centrale identiteiten en sferen die de Jacobijner definiëren: de stadskerk, het stadsklooster, de kloosterkerk, en de daaraan verbonden buitenruimtes: de stadstuin, de kerktuin en de kloostertuin. Deze tekening is meer dan een plattegrond; zij is een ruimtelijke vertaling van het concept. Ze brengt in beeld hoe de verschillende lagen van het gebruik — geloven, wonen en leren — een plek krijgen binnen het complex en hoe ze elkaar ruimtelijk én inhoudelijk versterken.
Luchtfoto uit de jaren ‘70 van het gebied rondom de Jacobijnerkerk
Elke ingreep in en om de gebouwen draagt bij aan het tot stand brengen van deze gelaagde identiteit. De tekening laat zien waar de grenzen vervagen tussen binnen en buiten, tussen geschiedenis en toekomst, tussen stilte en ontmoeting. In de hierop volgende paragrafen worden de verschillende onderdelen van het plan één voor één toegelicht. Per gebouw en buitenruimte wordt uiteengezet welke ingrepen worden voorgesteld, waarom ze passen binnen het grotere geheel, en hoe ze bijdragen aan de ambitie van het stadsklooster de Jacobijner.
39
Masterplantekening – overzicht van de ingrepen in de gebouwen
40
GELOVEN
WONEN
LEREN
Plekken om te geloven
41
GELOVEN
WONEN
LEREN
Plekken om te wonen
42
GELOVEN
WONEN
LEREN
Plekken om te leren
43
4.1 Jacobijnerkerk
Links het exterieur van de Jacobijnerkerk, rechts het interieur met het Müller orgel
44
Over de Jacobijnerkerk STEDENBOUWKUNDIGE- EN (GEBRUIKS)HISTORISCHE ANALYSE De Jacobijnerkerk ligt verscholen in het weefsel van de Leeuwarder binnenstad. Door het waaiervormige stratenpatroon komt de kerk steeds breder in beeld naarmate men haar nadert — alsof ze zich langzaam ontvouwt. Meerdere poortjes, typerend voor de stad, maken haar op
KLOOSTERTYPOLOGISCHE ANALYSE In de historische analyse valt met name de noordoosthoek op. In de middeleeuwse tijd bevond zich hier de sacristie, met daarboven het chorino – een klein koor voor nachtelijke getijden en persoonlijke contemplatie. Aan de noordzijde lagen het parlatorium en de dormter.
subtiele wijze toegankelijk. Oorspronkelijk maakte de kerk fysiek deel uit van een kloostercomplex. Die verbinding werd in de loop van de 16e eeuw verbroken, waarmee ook de aard van de kerk veranderde: van kloosterkerk naar stadskerk. Toch blijft die kloosteroorsprong voelbaar in haar ligging en uitstraling binnen het stedelijk blok.
Omdat het oorspronkelijke kloostercomplex verdwenen is, worden deze functies in het nieuwe plan herinterpreteerd binnen de bestaande kerkstructuur: - De plek van de oude sacristie wordt het nieuwe parlatorium. - De voormalige chorino-functie wordt hersteld als een eigentijdse dormter – een plaats voor rust en stilte, hoog in de ruimte.
GEBOUWTYPOLOGISCHE ANALYSE De kerk bestaat uit drie beuken, elk met een eigen karakter, ritme en beëindiging - Noordbeuk – De smalste beuk, functioneel en dienend van aard. Ze vormde de schakel met het oorspronkelijke klooster en eindigt in de richting van het voormalige parlatorium en dormter. In het huidige plan blijft deze beuk de facilitaire ruggengraat. - Middenbeuk – Smal en hoog, met het orgel aan de westzijde en het oorspronkelijke hoogkoor aan de oostzijde. Deze beuk is het liturgische hart van de kerk, en draagt nog het sterkst het ceremoniële en sacrale karakter van de oorspronkelijke kloosterkerk. - Zuidbeuk – Breder en jonger, met een sterkere oriëntatie op de stad. De architectonische opbouw is expressiever, stedelijker. De dagkapel aan het oostelijke uiteinde krijgt daarom een meer toegankelijke, laagdrempelige kerkelijke functie.
INPASSING IN HET PROGRAMMA De Jacobijnerkerk biedt ruimte aan activiteiten binnen de thema’s: - Vieren – liturgische vieringen en erediensten - Leren – educatieve en contemplatieve programma’s - Beleven – culturele, spirituele en zingevingservaringen Ze wordt zo opnieuw een plek voor zowel ritueel als reflectie. ROL IN HET MASTERPLAN De Jacobijnerkerk vormt het kloppend hart van het nieuwe stadsklooster. ‘Kloppend’ – omdat hier het ritme van het gebouw wordt bepaald, via de klok en liturgie. ‘Hart’ – omdat zij de centrale spil is waar kerk, stad en klooster samenkomen. De ruimtelijke structuur, historische gelaagdheid en symbolische kracht van de Jacobijnerkerk maken haar tot het anker van betekenis en beweging binnen het gehele masterplan. 45
Factsheet OPPERVLAKTES Kerkzaal Koor ‘Oranje’ koor, mausoleum in de koorsluiting Dagkapel
830m2 110m2 60m2 55m2
Kapittelzaal
60m2
STAAT VAN HET GEBOUW De kerk in in de jaren ‘70 grootschalig gerestaureerd. De constructieve staat van het gebouw is goed. De dakruiter is aan restauratie toe. Komende jaren kan volstaan worden met normaal onderhoud voor de instandhouding van het monument. Het interieur is wat sleets. Onder andere het stucwerk aan de buitengevels en de gewelven van de kapel behoeven groot onderhoud. BELANGRIJKSTE VERDUURZAMINGSKANSEN De CV ketels zijn recent vernieuwd, verduurzamen hiervan (warmtepomp) is i.c.m. herinrichting mogelijk maar gelet op de hoge investering waarschijnlijk niet rendabel. E.e.a. hangt ook sterk af bij het al dan niet continue gebruiken van de grote kerkruimte. Als er een constante warmtevraag is kan verduurzaming van de warmteopwekking interessant zijn. Het verduurzamen van de vensters is waarschijnlijk ook niet rendabel. Het houten gewelf is reeds geïsoleerd. In ieder geval kan is optimalisatie en compartimentering van gebruik, regeling installaties en tochtwering kozijnen/tochtportalen. PROCES VAN VISIE NAAR ONTWERP EN REALISATIE Nader bouwtechnisch onderzoek op onderdelen (o.a. houtknagers in de kap), 3d laserscan en tekenwerk, bouwhistorisch onderzoek, integraal verduurzamingsonderzoek, akoestisch onderzoek, betrekken van overheidsinstanties bij de planvorming. 46
DE JACOBIJNERKERK: ÉÉN GEBOUW, MEERDERE KARAKTERS Wat de Jacobijnerkerk bijzonder maakt, is de aanwezigheid van meerdere, duidelijk verschillende karakters onder één dak. Het oostelijke deel van de kerk – met het koor, het zuidkoor en de noordbeuk – heeft een uitgesproken introvert en mystiek karakter. Deze ruimtes ademen nog altijd de sfeer van het oorspronkelijke gewijde gebruik: ritueel, verstilling en sacraliteit. Hier leeft het DNA van de middeleeuwse kloosterkerk voort. Daartegenover staat het westelijke deel van de kerk – het schip en de zijbeuken – dat een totaal ander karakter heeft. Deze ruimte is licht, open en richtingloos van opzet. De houten vensters, het rijke daglicht, het prominente orgel en de preekstoel geven het geheel een protestantse uitstraling. Dit deel voelt aan als een overdekte buitenruimte, een plek voor ontmoeting, cultuur en publieke bijeenkomsten. Deze contrastrijke gelaagdheid is een van de meest waardevolle kwaliteiten van de Jacobijnerkerk. In het nieuwe plan wordt dit verschil niet alleen behouden, maar juist versterkt. -
-
De koren en de oostelijke delen krijgen een expressie die aansluit bij de oorspronkelijke kloosterkerk – gewijd, kleinschalig, ingetogen en contemplatief. Het schip en de zuidbeuk ontwikkelen zich juist tot de stadskerk – uitnodigend, open en gericht op ontmoeting.
Zo ontstaat binnen één gebouw een rijkdom van functies en sferen, die samen de veelzijdigheid en kracht van de Jacobijner onderstrepen.
Diagram met plekken, richtingen en entrees van de Jacobijnerkerk
47
Referenties die het verschillen tussen een stadskerk en een kloosterkerk laten zien
48
EEN NIEUWE INRICHTING VOOR DE JACOBIJNERKERK Het versterken van de contrasterende karakters van de kloosterkerk en de stadskerk vindt vooral plaats in het oostelijke deel van de kerk, dat opnieuw wordt ontworpen en bestemd. Het hoogkoor wordt het liturgische hart van het gebouw. Hier ontstaat een nieuwe, centrale plek voor viering en gebed, speciaal ontworpen voor de bewoners van het stadsklooster. De schaal wordt bewust klein gehouden: juist binnen de monumentale grootsheid van de kerk is intimiteit essentieel. De markante koningskraak, ooit een curiositeit, krijgt een nieuwe rol als luifel boven de kloosterlingen. Langs de noordmuur komt een balkon van waaraf muziek, met name de getijden, de ruimte kan vullen. Op de overgang van koor naar schip komt een liturgische tafel, die beide richtingen bedient: naar het oosten als kloosterkerk, naar het westen als stadskerk. Deze tafel markeert het snijvlak van de twee identiteiten.
49
Het zuidkoor wordt ingericht als een kleinschalige dagkapel: een toegankelijke plek voor gebed, rust en reflectie, verbonden met de zuidbeuk en daarmee voor iedereen bereikbaar. De restauratie van het gewelf vormt een uitgelezen kans om dit deel opnieuw kleur en zeggingskracht te geven, in de traditie van de historische en hedendaagse muur- en gewelfschilderingen die deze kerk rijk is. De verlengde noordbeuk, ooit onderdeel van het klooster, krijgt opnieuw een functie binnen het stadsklooster. Na het verwijderen van de tussenvloer ontstaat op de begane grond ruimte voor een kapittelzaal: een plek voor ontmoeting, reflectie en dialoog, omringd door bibliotheekwanden die kennis, wijsheid en inzicht ondersteunen. Boven, op de huidige stookzolder, komt een dormter: een stille ruimte voor zelfstudie en inkeer. De kleine kosterij, direct verbonden met deze vleugel, wordt ingericht als woning – hierover volgt later meer. Door deze ingrepen wordt het schip van de kerk vrijgespeeld van vaste functies. Deze grote open ruimte vormt het flexibele hart van de Jacobijnerkerk: een overdekt plein van betekenis, die telkens opnieuw vorm kan krijgen – als plek van samenkomst, viering of culturele ontmoeting – afhankelijk van het gebruik door kerk, klooster of stad. Om deze flexibiliteit te ondersteunen, zullen aanpassingen nodig zijn.
Denk aan transparantere entrees, functionele voorzieningen, opslagmogelijkheden en de inpassing van hoogwaardig, multifunctioneel meubilair dat het karakter van de ruimte eer aandoet.
50
Koorgebied, begane grond
Voormalige sacristie, chorino, koor en kapel herbestemmen en herdefiniëren
Koorgebied, verdieping
51
Voorbeelduitwerking van het koor, de kapittelzaal en het chorino
52
4.2 Grote kosterij + tussenlid
Links het exterieur van de Grote kosterij, rechts de kloostergang tijdens de verbouwing van de jaren ‘70
53
Over de grote kosterij en het tussenlid STEDENBOUWKUNDIGE- EN (GEBRUIKS)HISTORISCHE ANALYSE De Kosterij is het laatste deel van de kloostergebouwen wat nog over is. Wat oorspronkelijk de noordgrens van het klooster en dus het bouwblok was, is nu in het midden van het bouwblok geraakt. Dit zorgt ervoor dat de oostelijke en zuidelijke eindgevels als afgesneden gevels voelen ondanks
KLOOSTERTYPOLOGISCHE ANALYSE In de traditionele kloostertypologie bevond de westzijde van het complex zich buiten de clausuur en was deze bedoeld voor het ontvangen van leken. In het Leeuwarder klooster was dat niet anders: aan deze kant bevond zich het auditorium, een ruimte voor publiek contact. In het
dat geprobeerd is deze onderdeel van de straatwand te maken. In de restauratie van de jaren 70 is de oorspronkelijke kloostergang hersteld en zijn aangegroeide gebouwdelen verwijderd. Hierdoor is de Kosterij een soort eilandje geworden binnen het bouwblok. Dus: van onderdeel van een klooster, naar afgehakt gebouwtje, naar onderdeel van de straatwand, naar eilandje, naar onderdeel van een aan elkaar geregen gebouwen complex.
noordelijk deel van de huidige Kosterij zijn nog sporen zichtbaar van de voormalige refter — de eetzaal — die, zoals gebruikelijk, lag aan de hof en tegenover de kerk.
GEBOUWTYPOLOGISCHE ANALYSE De opbouw van de Kosterij verraadt nog altijd haar oorsprong als kloostergebouw. De klassieke kloostergang, die functies ontsluit rond een hof, is nog duidelijk herkenbaar. Binnen bevinden zich ruimtelijk royale zalen, waarvan sommige bijna twee verdiepingen hoog zijn. Ook de kap heeft een forse maat, die ruimte biedt voor bijzondere functies. De oorspronkelijke ordening van het klooster leeft hier nog voort in de structuur van het gebouw.
INPASSING IN HET PROGRAMMA Binnen het programma van eisen vormt de Kosterij een spil voor de thema’s ONTMOETEN en LEREN. De zolderverdieping wordt ingericht voor functies die passen bij het onderwijsaanbod van het ZinLab, een plek voor kennisdeling en verdieping. Het tussenlid, dat de Kosterij met de kerk verbindt, wordt de plek voor het kloostercafé – een toegankelijke ruimte waar ontmoeting, gesprek en gastvrijheid centraal staan. ROL IN HET MASTERPLAN Samen met het tussenlid vormt de Kosterij de ontmoetingsruimte van het Stadsklooster. Het tussenlid is hierbij de functionele spil: het verbindt, ontsluit en faciliteert zowel de Kosterij als de Jacobijnerkerk. De Kosterij zelf biedt een rijk palet aan zalen, in verschillende groottes en sferen, die gebruikt kunnen worden voor bijeenkomsten, educatie en dialoog. Het is een levendige plek geworden — opnieuw een anker in het netwerk van gebouwen, waar verleden, heden en toekomst samenkomen.
54
Factsheet OPPERVLAKTES Keuken Toiletgroep Foyer Auditorium Kloostergang Voorkamer + hal Berging Toiletgroepen Ontmoetingsruimte Nieuw tussenlid Kantoor op half verdieping Zolder
38m2 15m2 46m2 86m2 124m2 24m2 25m2 34m2 160m2 60m2 15m2 160m2
STAAT VAN HET GEBOUW De staat van het casco is goed. Het geheel heeft regulier onderhoud nodig. BELANGRIJKSTE VERDUURZAMINGSKANSEN De kosterij is op enkele ramen na (met dubbel glas) niet geïsoleerd. Het tussenlid wel, maar de isolatiewaarden zijn beperkt. I.c.m. her herinrichting is veel winst te behalen d.m.v. ter isoleren van het dak en beglazing en het verduurzamen van de installaties. De maatregelen zijn ook comfort verhogend, dit is essentieel voor het goede gebruik. PROCES VAN VISIE NAAR ONTWERP EN REALISATIE 3d laserscan en tekenwerk, bouwhistorisch onderzoek en waardestelling updaten, stedenbouwkundige waardestelling uitvoeren, integraal verduurzamingsonderzoek, archeologisch onderzoek, betrekken van overheidsinstanties bij de planvorming 55
DE GROTE KOSTERIJ: HERSTEL VAN SAMENHANG EN BETEKENIS De Grote Kosterij vormt een waardevol fragment van het oorspronkelijke kloostercomplex. Van het oorspronkelijke carré rondom de kloosterhof is slechts een klein hoekdeel overgebleven. Dit deel is met zorg gerestaureerd en tot zelfstandig gebouw gemaakt. De architectonische opbouw verraadt nog altijd haar oorsprong: de overwelfde kloostergang, met aan de ene zijde zicht op de hof en aan de andere zijde toegang tot de binnenruimtes, vormt het hart van dit deel van het complex. Juist in dit restant krijgt het nieuwe Stadsklooster zijn kernfuncties. Door de ruimten opnieuw te gebruiken in lijn met hun oorspronkelijke betekenis, krijgt het gebouw zijn liturgische en maatschappelijke ziel terug: -
-
-
De huidige refterruimte wordt ingericht als auditorium – een plek waar de leefgemeenschap en de onderwijsgemeenschap elkaar ontmoeten, voor uitwisseling, inspiratie en verdieping. Aan de noordzijde van de kloostergang wordt de ruimte ingericht als de nieuwe refter, die via de open kloostergang een directe verbinding aangaat met de kloostertuin, zodat binnen en buiten in elkaars verlengde komen te liggen. De indrukwekkende kapconstructies, die nu grotendeels ongebruikt zijn, krijgen een nieuwe functie als ZinLab – het kloppend hart van het educatieve programma, waar leren en zingeving samenkomen.
Diagram met ordening, functies en ingrepen rondom de grote kosterij en het tussenlid
56
HET NIEUWE TUSSENLID: HERSTEL VAN VERBINDING Het huidige tussenlid uit de jaren ’70, dat de Grote Kosterij met de Jacobijnerkerk verbindt, is functioneel belangrijk, maar architectonisch en stedenbouwkundig problematisch. In het masterplan wordt daarom voorgesteld om een nieuw tussenlid te realiseren: een ingreep die niet alleen de oorspronkelijke verbinding tussen kerk en klooster functioneel herstelt, maar ook visueel en symbolisch. Dit nieuwe tussenlid krijgt een veelheid aan functies: het biedt toegang tot de hoger gelegen ruimten (via een trap en lift), versterkt de zichtlijnen en de aanwezigheid van de kloostertuin en het omliggende groen, verbindt kerk en kosterij aan elkaar op een hoogwaardige wijze en biedt op een hedendaagse wijze plaats voor de ontmoeting tussen de gebruikers en passanten van de Jacobijner. Zo wordt de kloosterlijke sfeer en kwaliteit weer voelbaar en bruikbaar als onderdeel van de openbare ruimte. De architectonische benadering van dit verbindingsstuk vraagt om zorgvuldigheid. De bestaande situatie kent inmiddels een eigen waarde, met lagen van geschiedenis die teruggaan tot de middeleeuwen. Toch is hier ook ruimte voor vernieuwing. In een passende, eigentijdse en harmonieuze architectuur kan recht worden gedaan aan zowel het verleden, het heden als de toekomst van deze plek.
Een nieuw ontworpen poortje in het tussenlid zal bovendien fungeren als een markante en thematische toegang tot het Stadsklooster. Het biedt het geheel een herkenbaar en eigen gezicht aan de zijde van de stadstuin, en vormt zo een symbolisch en ruimtelijk ankerpunt tussen gebouw, tuin en stad.
Diagram met ordening, functies en ingrepen rondom de grote kosterij en het tussenlid
57
STADSKLOOSTER
Nieuw tussenlid als voortzetting van het oorspronkelijke kloostergebouw
58
Referenties voorzetting oorspronkelijk klooster: metselwerk architectuur die passend is in haar context met een eigentijdse detaillering
59
Impressie en referenties upgrade bestaand tussenlid
60
Impressie en referentie onderwijszolder als studielandschap voor het ZinLab
61
Referenties open kloostergang: beschutte overkappingen aan een tuin, overkappingen als voortzetting van de gebouwen
62
4.3 a – Woonconcept
Links overzichtskaart van de woningen onderdeel van het woonconcept, rechts het exterieur van de kleine kosterij na de restauratie van de jaren ‘70
63
Over het woonconcept HET WOONCONCEPT VAN HET STADSKLOOSTER Het woonconcept van het Stadsklooster is opgebouwd uit een reeks concentrische ringen rond de Jacobijnerkerk. Deze ringen drukken de mate van betrokkenheid uit van bewoners bij het leven en ritme van het klooster. Hoe sterker de verbondenheid met het Stadsklooster, hoe dichter
HISTORISCHE GRONDSLAG: GRADATIES VAN NABIJHEID Het woonconcept is niet alleen praktisch of hedendaags bedacht, maar is diep geworteld in de kloosterlijke traditie. Ook in historische kloosters bestond een gradiënt van nabijheid. De clausuur omvatte de kloosterkerk en de aangrenzende kloostergebouwen rondom de hof. Daaromheen