CConstaterende datLeeuwarden
Koppel je AI →
Document · PDF

Evaluatie weidevogelcompensatie 2014-2022 provincie

Besluitvorming (raad) 21 juni 2023, gemeente LeeuwardenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan De Hem inclusief bijlagen (o.a. welstandscriteria)29.727 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Evaluatie weidevogelcompensatie 2014-2022 Een blik op hoe het leefgebied van de weidevogels wordt beschermd en gecompenseerd Foto voorblad: Kruidenrijk grasland nabij Wergea, foto P.W. Venema

Inhoudsopgave Samenvatting ........................................................................................................................ 2 1 Inleiding .......................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding: .............................................................................................................. 5 1.2 Doel: ....................................................................................................................... 5 1.3 Werkwijze: ............................................................................................................... 5 1.4 Leeswijzer: .............................................................................................................. 6 2 Weidevogelcompensatie ................................................................................................ 6 2.1 Beleid- en regelgeving............................................................................................. 6 2.2 Bescherming van weidevogelkansgebieden en parels ............................................ 7 2.3 Uitgangspunten en bepalingen ................................................................................

9 2.4 Andere provincies ..................................................................................................13 3 Ervaringen bij de weidevogelcompensatie .....................................................................17 3.1 Uitkomsten interviews ............................................................................................17 3.2 Toekomstperspectief weidevogels en compensatiebeheer in Fryslân ....................17 4 Het weidevogelcompensatiebeheer ...............................................................................19 4.1 Overzicht beheerlocaties ........................................................................................19 4.2 Type contracten .....................................................................................................19 4.3 Monitoring ..............................................................................................................20 4.4 Beheerlocatie 1 en 2 (De Haak en Wiarda → Jorwert, Hilaard, e.o) .......................20 4.5 Beheerlocatie 3 (Techum → Wergea – Warten) .....................................................25 4.6 Beheerlocatie 4 (De Centrale As → Stinswei Garyp) ..............................................26 4.7 Beheerlocatie 5 (Windpark Nij Hiddum Houw → It Heidenskip) ..............................28 4.8 Beheerlocatie 6 (Diversen → Hilaard noord)

..........................................................28 5 De invulling weidevogelcompensatiebeheer ..................................................................30 5.1 Huidige werkwijze afsluiten beheer ........................................................................30 5.2 Voor- en nadelen overeenkomsten.........................................................................30 5.3 Invulling weidevogelcompensatie en weidevogelbeleid ..........................................31 5.4 Toekomstig beheer.................................................................................................31 6 Financiën weidevogelcompensatie ................................................................................33 6.1 Overzicht compensatieverplichtingen .....................................................................33 6.2 Overzicht projecten tot beheer ...............................................................................34 6.3 Voorstel budget weidevogelcompensatie ...............................................................35 7 Conclusie en aanbevelingen .........................................................................................36 7.1 Conclusies .............................................................................................................36 7.2 Aanbevelingen

.......................................................................................................38 Bronnen:...............................................................................................................................40 Bijlagen: ...............................................................................................................................41 Bijlage 1: Plan van aanpak Evaluatie Weidevogelcompensatie Bijlage 2: Voorbeeldberekening compensatieverplichting Bijlage 3: Compensatietraject weidevogelkansgebied op basis van 7.2.4 VRF Bijlage 4: Kaart weidevogelkansgebieden Bijlage 5: Resepsje fan it greidefûgelkompensaasjebelied fan ’e provinsje Fryslân Bijlage 6: Kaarten beheerlocaties Bijlage 7: Inrichtingsplan Stinswei Bijlage 8: Overzicht verplichtingen en inkomsten Bijlage 9: Voorstel budget weidevogelcompensatie Bijlage 10: Totaaloverzicht betalingen

Samenvatting In de eindevaluatie Nota Weidevogels 2014–2020 is voorgesteld om de effectiviteit van het weidevogelcompensatiebeheer te onderzoeken. Tezamen met ingediende motie (09 Moasje 05 - (Oanpast) Weidevogelland niet aantasten en anders gelijkwaardig compenseren), heeft dit geleidt tot het opstellen van de Evaluatie Weidevogelcompensatie 2014-2022. Het doel van deze evaluatie is te bepalen op welke onderdelen de weidevogelcompensatie kan worden verbeterd, zowel in het opstellen en de nakoming van de compensatieverplichting tot het uitgevoerde beheer. In de evaluatie is daarom gekeken naar hoe de weidevogelcompensatie werkt, hoe deze zich verhoudt tot andere provincies, wat de ervaringen zijn van betrokkenen organisaties/personen en of deze in de toekomst nog een rol kan vervullen. Daarnaast wordt in de evaluatie ook het compensatiebeheer behandeld. Hoe en waar is dit gerealiseerd, wat zijn de resultaten en wat zijn eigenlijk de uitgangspunten om te komen tot compensatiebeheer. Als laatste onderdeel van de evaluatie worden de financiën besproken. Hierin is onderzocht of alle ruimtelijke projecten hebben voldaan aan de opgelegde financiële verplichtingen, hoe deze stortingen zijn vertaald naar compensatiebeheer en wat het beschikbare budget is in het weidevogelcompensatiefonds voor nieuwe beheerlocaties.

De basis van de weidevogelcompensatie is vastgelegd in de Verordening Romte Fryslân 2014, Omgevingsverordening Fryslân 2022, Regeling Weidevogelcompensatie Fryslân 2014 en de Nota Weidevogels 2021-2030. In de regelingen en verordeningen zijn bepalingen gesteld om het verlies aan gronden, die door hun rust en openheid geschikt zijn voor weidevogels, als gevolg van ruimtelijke ingrepen te compenseren. Om aan te geven om welke gronden het hier gaat is er een kaart ontwikkeld met daarop de Weidevogelkansgebieden en weidevogelparels. Gaat er vanwege een ruimtelijke ingreep geschikt weidevogelareaal verloren, dan zijn overheden/initiatiefnemers verplicht om aan te geven of hier sprake is van een noodzakelijke ruimtelijke ingreep, moeten zij de natuurwaarden af te wegen ten opzichte van de ruimtelijke ingreep en onderzoeken of er mogelijkheden zijn om met mitigerende maatregelen de schade te beperken. Wanneer aan deze bepalingen wordt voldaan en er sprake is van verstoring van 0,5 ha of meer dan moet het areaalverlies worden gecompenseerd middels een storting in het weidevogelcompensatiefonds. Dit is een financiële verplichting voor de initiatiefnemer/bevoegd gezag, geen resultaatverplichting.

Met de bepalingen van de regelingen en begrenzingen van de weidevogelkansgebieden is het voor initiatiefnemers van ruimtelijke ingrepen duidelijk wanneer er sprake is van een compensatieopgave en hoe hoog deze is. De uitgangspunten en bepalingen zijn beschreven, maar kunnen mogelijk daar waar nodig worden aangescherpt en/of geactualiseerd. De wijze van werken met de weidevogelcompensatie verschilt op een aantal punten met de provincies Zuid- en Noord-Holland. Deze provincies zetten eerst in op het fysiek compenseren van de verstoring en leggen deze verplichting bij de initiatiefnemer. Daarnaast hebben deze twee provincies in uitvoeringsregelingen duidelijk beschreven hoe de weidevogelcompensatie werkt en aan welke voorwaarden deze moet voldoen.

Uit de interviews met betrokkenen blijkt dat er kansen en mogelijkheden liggen om verbeteringen door te voeren voor de weidevogelcompensatie. Zij adviseren om vooral in te zetten op flexibel, langjarig en toekomstbestendig beheer. De monitoring is volgens hen voldoende voor het beheer in de praktijk, echter baart het hen wel zorgen dat er onder de vrijwilligers die dit uitvoeren sprake is van vergrijzing. Verder geven zij aan dat het contact goed is met de provincie, maar dat het niet wenselijk is dat er steeds nieuwe aanspreekpunten komen. Het beheer vindt in het veld plaats, kijk wat er speelt en bespreek dit met de betrokken vrijwilligers en beheerders. In het algemeen wordt nog aangegeven dat er zorgen zijn over de toekomst van de landbouw en dat hiervoor een perspectief nodig is, maar dit is breder dan de weidevogelcompensatie. Uit het eerste concept van de Evaluatie beleid weidevogelcompensatie Provincie Fryslân van A&W blijkt dat er nog voldoende kansen en mogelijkheden zijn om de weidevogelpopulaties in Fryslân te behouden. De populaties zijn nog van voldoende omvang, maar de versnippering van het weidevogelgebied is wel een bedreiging. Hierbij is het vooral belangrijk om de huidige goede weidevogelgebieden te behouden en daar waar kan uit te breiden. Zet daarbij naast reproductie ook vooral in op habitatverbetering.

Uit de evaluatie blijkt dat de vraag of het uitgevoerde compensatiebeheer effectief is geweest, vanwege de uitgevoerde vorm van monitoring, onvoldoende kan worden beantwoord. De huidige vorm van monitoring is wel geschikt voor het beheer in de praktijk en ook voor analyse op provinciale schaal, maar is vanwege de periode dat compensatiebeheer is uitgevoerd en het schaalniveau waarop deze vraag wordt gesteld hiervoor niet geschikt. Aan A&W is gevraagd welke wijze van monitoring noodzakelijk is om hier wel een antwoord op te kunnen geven, de uitkomst hiervan wordt december 2022 verwacht. In de aantalsverlopen van de broedparen weidevogels op de verschillende beheerlocaties zijn zowel stijgingen als dalingen te zien. In de verslagen wordt aangegeven dat dit wordt veroorzaakt door predatie en weersinvloeden. Echter is de toename van weidevogelbeheer hierin ook belangrijke factor. Over het algemeen lijken deze verlopen zich te verhouden met de trends in Fryslân. Echter moet bij deze vergelijking wel worden vermeld dat de oppervlakte aan compensatiebeheer, tezamen met de periode dat compensatiebeheer is uitgevoerd, onvoldoende is om een goede vergelijking te maken. De verschillende beheerovereenkomsten, met verschillende looptijden voor weidevogelbeheer zorgen ervoor dat het bijhouden van de verplichtingen en financiën niet eenvoudig is.

Tijdens het onderzoek is er dan ook een document opgesteld waarin alle verplichtingen en betalingen zijn verwerkt. Dit document vormt de basis voor de weidevogelcompensatie. Als ingezet wordt op agrarisch beheer is het mogelijk om voor een grotere oppervlakte compensatiebeheer uit te voeren, maar het inzetten op natuurbeheer zorgt wel voor een toekomstbestendiger en duurzamer weidevogelbeheer. Nadeel hierbij is dat dit wel ten koste gaat van de oppervlakte landbouwgrond wat als agrarisch is bestemd in de bestemmingsplannen. Voor toekomstige beheerlocaties moet er een duidelijke werkwijze worden ontwikkeld, maar er liggen ook mogelijkheden om aan te sluiten bij al aanwezige regelingen, zoals het ANLb en de SNL. Echter zijn er momenteel meerdere ontwikkelingen gaande in het landelijk gebied welke van invloed kunnen zijn op de weidevogels.

Van alle projecten met een compensatieverplichting is er op 1 na voldaan aan de financiële verplichtingen. De desbetreffende gemeente is gevraagd naar de status van dit project en of de initiatiefnemer heeft voldaan aan de verplichting die de gemeente heeft gesteld. Alle inkomsten, uitgaven en toekomstige uitgaven zijn doorberekend en er is gekeken naar welke aanvullende kosten er zijn voor compensatiebeheer. Uiteindelijk betekent dit dat er een bedrag van € 976.505 beschikbaar is voor nog af te sluiten contracten. Dit zal worden ingezet voor nieuwe beheerlocaties en/of toekomstige verplichtingen. Conclusie van de Evaluatie Weidevogelcompensatie 2014 -2020 is dat in het algemeen gesteld kan worden dat de weidevogelcompensatie een belangrijke bijdrage kan leveren aan het behoud van de weidevogels, maar dat er vooral ingezet moet worden op het behoud van de gebieden die er nog zijn. De controle op de bepalingen en werkwijze voor de weidevogelcompensatie (beleid) werken voldoende, maar kunnen op een aantal punten verbeterd en duidelijker worden beschreven. Het is belangrijk om vast te houden aan de controle op de ruimtelijke ontwikkelingen en indien nodig te zorgen voor een goede compensatie. De vraag of het uitgevoerde compensatiebeheer (de praktijk) effectief is geweest kan, vanwege de uitgevoerde vorm van monitoring, onvoldoende worden beantwoord.

De huidige vorm van monitoring is wel geschikt voor het beheer in de praktijk en ook voor analyse op provinciale schaal, maar is vanwege de korte periode dat het compensatiebeheer is uitgevoerd en het schaalniveau waarop deze vraag wordt gesteld hiervoor niet geschikt. Aan het overgrote deel van verplichtingen en afspraken voor de ruimtelijke ingrepen en het uitgevoerde compensatiebeheer wordt voldaan. Uit de financiën blijkt dat er nog budget beschikbaar is om in te zetten voor nieuw compensatiebeheer.

1 Inleiding In 2014 is de Regeling Weidevogelcompensatie Fryslân 2014 in werking getreden en zijn tevens regels opgenomen in de Verordening Romte Fryslan 2014. Doel van deze regeling is om het verlies aan gronden die door hun rust en openheid geschikt zijn voor weidevogels als gevolg van ruimtelijke ingrepen te compenseren. Dit gebeurt door overheden/initiatiefnemers te verplichten om een goede belangenafweging te maken en bij een verstoring van groter dan 0,5 hectare een bedrag te laten storten in het weidevogelcompensatiefonds. Vervolgens wordt er een geschikte locatie gezocht om deze compensatie daadwerkelijk in te vullen. Dit houdt in dat met de betreffende partij (vaak agrariër, soms natuurorganisatie) een beheersovereenkomst wordt afgesloten om het weidevogelbeheer uit te voeren. Ook kan de compensatie plaatsvinden door omvorming van percelen naar natuur. Hierbij worden de percelen afgewaardeerd naar natuur en worden er kwalitatieve verplichtingen vastgelegd t.a.v. het gebruik van de percelen. Hieronder volgt een evaluatie waarin het gaat over de werking van weidevogelcompensatie, de ervaringen van betrokkenen, resultaten van compensatiebeheer, werkwijze van afsluiten overeenkomsten en een overzicht van alle financiële verplichtingen (Regeling Weidevogelcompensatie Fryslân 2014, 2014).

1.1

Aanleiding:

In de eindevaluatie Nota Weidevogels 2014–2020 is voorgesteld om de effectiviteit van het weidevogelcompensatiebeheer te onderzoeken en de hectarevergoeding voor weidevogelcompensatie aan te passen conform de uitgangspunten van het Aanvalsplan Grutto. Daarnaast stellen betrokkenen zowel intern bij de provincie als externen vragen bij de werking van de weidevogelcompensatie. Bij de behandeling van de Nota Weidevogels 2021-2030 in de Provinciale Statenvergadering van 24-11-2021 heeft gedeputeerde Hoogland ook toegezegd de weidevogelcompensatieregeling te (laten) evalueren (09 Moasje 05 - (Oanpast) Weidevogelland niet aantasten en anders gelijkwaardig compenseren).

1.2

Doel:

Het doel van de evaluatie is om te bepalen op welke onderdelen de weidevogelcompensatie kan worden verbeterd, zowel in de uitvoering in de praktijk als in het opstellen en de nakoming van de verplichting tot compensatie.

1.3

Werkwijze:

Voor de evaluatie weidevogelcompensatie is een plan van aanpak opgesteld waarin vragen zijn geformuleerd, deze zijn na te lezen in Bijlagen: Bijlage 1: Plan van aanpak Evaluatie Weidevogelcompensatie. De indeling van deze vraagstukken is zoveel als mogelijk aangehouden in deze rapportage. De vragen en onderzoeksrichtingen uit het plan van aanpak zullen niet letterlijk in de hoofdstukken worden genoemd. De vraagstukken uit het plan van aanpak gaan naast het proces van het bepalen van de compensatieverplichting ook over het beheer in de praktijk en de invulling van de weidevogelcompensatie. Om op al deze vraagstukken een antwoord verkrijgen wordt de kennis en ervaring van een breed scala aan betrokkenen gebruikt. Middels interviews bij agrariërs, beheerders, bestuurders en andere betrokkenen is opgehaald wat hun ervaring is met de weidevogelcompensatie. Daarnaast is een extern adviesbureau gevraagd om een aantal vragen te beantwoorden, vanwege de specifieke kennis die hiervoor noodzakelijk was.

1.4

Leeswijzer:

In hoofdstuk 2 wordt uitleg gegeven in welke beleidsstukken de weidevogelcompensatie is opgenomen en hoe deze werkt. In dit hoofdstuk worden ook de bepalingen toegelicht en is aangegeven hoe andere provincies hier invulling aan geven. Hoofdstuk 3 gaat over de ervaringen van betrokkenen en een onderzoek naar de toekomst van de weidevogels en de weidevogelcompensatie. In hoofdstuk 4 worden de resultaten van het compensatiebeheer besproken en in hoofdstuk 5 gaat het over de toekomstige invulling van de weidevogelcompensatie. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan in de financiën waarna tot slot in hoofdstuk 7 de conclusie wordt geformuleerd en er aanbevelingen worden gemaakt.

2 Weidevogelcompensatie 2.1

Beleid- en regelgeving

Het beleid en regelgeving omtrent de weidevogelcompensatie is vastgelegd in de Verordening Romte Fryslân 2014, Omgevingsverordening Fryslân 2022, Regeling Weidevogelcompensatie Fryslân 2014 en de Nota Weidevogels 2021-2030. Voorheen waren de regels hiervoor vastgelegd in het Werkplan weidevogels 2007-2013. Zolang de Omgevingsverordening Fryslân 2022 nog niet definitief in werking is getreden, is de Verordening Romte Fryslân 2014 hierbij leidend. Dat wil zeggen dat de artikelen 7.2.1 tot en met 7.2.4 van de verordening bepalend zijn bij de vraag of een verlies aan weidevogelareaal in een ruimtelijk plan mag worden toegestaan. In artikel 7.2.4 van de verordening wordt gesteld dat wanneer een ruimtelijk plan een noodzakelijke ingreep van openbaar belang toestaat - na afweging van belangen, waaronder de weidevogelwaarden - het verlies aan geschikt weidevogelareaal, mits groter dan een halve hectare, financieel moet worden gecompenseerd (Verordening Romte Fryslân 2014, 2014). De Omgevingsverordening Fryslân 2022 is ten aanzien van de weidevogelcompensatie op een aantal punten aangepast ten opzichte van de Verordening Romte Fryslân 2014. Voor meer duidelijkheid zijn de bepalingen van het compensatiebedrag van de Regeling Weidevogelcompensatie Fryslân 2014 toegevoegd aan de verordening (artikel 2.54).

Daarnaast is in de Omgevingsverordening opgenomen dat Gedeputeerde Staten bevoegd is de weidevogelkansgebiedenkaart aan te passen. In de artikelsgewijze toelichting van de Omgevingsverordening, wordt nader toegelicht hoe het areaalverlies en het compensatiebedrag worden berekend. De in de Verordening Romte Fryslân 2014 opgenomen werkwijze voor het bepalen van de oppervlakte is niet aangepast. Wel is de berekening van het compensatiebedrag aangepast naar de huidige inzichten voor optimaal weidevogelbeheer Dit wordt verder toegelicht in paragraaf 2.3.4 Compensatiebedrag (Omgevingsverordening Fryslân 2022, 2022) (Opgave Biodiversiteit, 2021). De Regeling Weidevogelcompensatie Fryslân 2014 dient voor de uitvoering van de weidevogelcompensatie zoals deze is vastgelegd in de Verordening Romte Fryslân 2014 en Omgevingsverordening Fryslân 2022. In de Nota Weidevogels 2021-2030 is de compensatieverplichting opgenomen als één van de maatregelen voor bescherming van de weidevogels (Opgave Biodiversiteit, 2021).

2.2

Bescherming van weidevogelkansgebieden en parels

Weidevogelkansgebieden bestaan uit ruime en open gebieden met voldoende openheid en rust. Het zijn grote gebieden waarin het kan gaan om weidevogelreservaten, agrarische gebieden of een combinatie van beide. Vaak liggen in de weidevogelkansgebieden ook weidevogelkerngebieden, welke worden beheerd door natuurbeheerorganisaties, particulier natuurbeheerders en/of agrariërs. In de kansgebieden wordt het beheer en de inrichting optimaal afgestemd op de weidevogels. Daarnaast bestaan er ook gebieden buiten de weidevogelkansgebieden die een hoge weidevogeldichtheid hebben (minimaal 25 broedparen grutto op een areaal van tenminste 5 ha), dit zijn de zogenaamde weidevogelparels. In de verordeningen is opgenomen dat in of op korte afstand (tot circa 300 m) van weidevogelkansgebieden en weidevogelparels nieuwe planologische ontwikkelingen met bebouwing, beplanting of verharding, die verstorend werken op de openheid en rust in weidevogelkansgebieden, niet zijn toegestaan. Agrarische ontwikkelingen zijn wel toegestaan, omdat de agrarische functie juist mee bepalend is voor de geschiktheid van weidevogelkansgebieden voor weidevogels. Ook hier geldt dat bijbehorende nevenactiviteiten eveneens toelaatbaar zijn.

Uitzondering hierop vormt het aanwijzen van een nieuw bouwperceel: in dat geval is sprake van een nieuwe ontwikkeling waarvoor bij de locatiekeuze rekening moet en kan worden gehouden met de ligging ten opzichte van weidevogelkansgebieden en weidevogelparels. Wanneer een nieuwe activiteit of ontwikkeling in of op korte afstand van een weidevogelkansgebied of weidevogelparel ligt, moet worden berekend of er sprake is van een verstorende werking. Een berekening van de verstoring van een activiteit of ontwikkeling kan op verzoek van de gemeente worden aangevraagd bij de provincie. Als de activiteit of ontwikkeling geen ‘extra verstoring’ van het gebied van openheid en rust geeft, dan past de ontwikkeling en is er geen verdere actie nodig. Als uit de berekening van de provincie wel blijkt dat sprake is van verstoring van het gebied van openheid en rust (ook als dit minder dan 0,5 ha is) dan kan een ontwikkeling alleen plaatsvinden als wordt voldaan aan de regels uit de verordening. Dit betekent dat eerst moet worden gemotiveerd of er sprake is van een openbaar belang. Een ingreep kan alleen als ‘noodzakelijk’ worden aangemerkt, indien buiten het weidevogelkansgebied redelijkerwijs geen geschikte alternatieve locatie kan worden gevonden, zoals bijvoorbeeld een grondgebonden ontwikkeling.

Wanneer gemotiveerd kan worden dat het gaat om een noodzakelijke ruimtelijke ingreep dan gelden vervolgens de volgende voorwaarden: 1. De natuurwaarden moeten worden afgewogen ten opzichte van de ruimtelijke ingreep; 2. De mogelijkheden om met mitigerende maatregelen de schade te beperken moeten zoveel mogelijk worden benut; 3. Wanneer sprake is van verstoring van 0,5 ha of meer dan moet het areaalverlies worden gecompenseerd. Het berekenen van de verstoring wordt gedaan aan de hand van de dynamische kaart ‘openheid en rust’. Op deze kaart wordt bijgehouden welke gronden binnen de weidevogelkansgebieden al door bestaande verstoringsbronnen zijn verstoord. Bij het berekenen van de verstoring wordt de bestaande verstoring niet meegerekend. In Bijlage 2: Voorbeeldberekening compensatieverplichting is een voorbeeld van de berekening van de compensatieverplichting stap voor stap uitgelegd. Bij verstoring van 0,5 ha of meer is het bevoegd gezag verantwoordelijk voor het storten van een bedrag in het weidevogelfonds. De storting moet zijn gedaan voordat het omgevingsplan/ ruimtelijke ingreep wordt vastgesteld door het gevoegd gezag. Uiteraard wordt het geld teruggestort als de activiteit of ontwikkeling geen doorgang vindt. Dan dient wel de functie op de locatie weer te worden gewijzigd, zodat de openheid en rust wederom geborgd is. De

compensatieplicht vloeit niet voort uit Europese of landelijke regelgeving maar uit provinciaal beleid. De compensatie heeft dan ook een eigen beleidsmatig afwegingskader en het compensatiebedrag is op een normbedrag gebaseerd. Het is voor de initiatiefnemer/bevoegd gezag een financiële verplichting en geen resultaatverplichting. Het bedrag wordt gestort in het provinciale weidevogelfonds en wordt ingezet voor ondersteuning van beheer in de weidevogelkansgebieden en weidevogelparels. Bij voorkeur in het betreffende kerngebied/parel of in de buurt van het vestoord gebied, dit in verband met het verhuisgedrag van de grutto (Bos, 2016). De bescherming van weidevogelkansgebieden en weidevogelparels heeft niet alleen werking op de weidevogelkansgebieden in het agrarisch gebied, maar ook die gebieden die als natuur zijn bestemd. Het verschil van de bescherming van de weidevogelkansgebieden en parels ten opzichte van de gebieden aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN) zit hem naast de beoordeling van het belang ook in de wijze van compenseren. Binnen de NNN geldt namelijk dat er geen nettoverlies op mag treden van de wezenlijke kenmerken en waarden in termen van kwaliteit, oppervlakte of samenhang in het natuurnetwerk Nederland. In sommige gevallen zijn gebieden zowel aangemerkt als weidevogelkansgebied/parel als NNN of natuurgebied buiten het NNN.

Voor deze gebieden gelden dan niet alleen de bepalingen voor weidevogelkansgebieden en weidevogelparels, maar ook die voor Natuurgebieden natuurnetwerk Nederland en Natuurgebieden buiten natuurnetwerk Nederland. Het kan voorkomen dat er vanuit het oogpunt van de NNN geen compensatieverplichting wordt opgelegd, terwijl uit de berekening voor de weidevogelcompensatie wel blijkt dat er gecompenseerd moet worden. Als hiervan sprake is dan zal er gecompenseerd moeten worden.

2.3

Uitgangspunten en bepalingen

In 2023 wordt de nieuwe omgevingsverordening Fryslân 2022 van kracht. In deze paragraaf worden de bepalingen en uitgangspunten voor de weidevogelkansgbieden in deze verordening nader behandeld.

2.3.1 Openbaar belang In paragraaf 0 is aangegeven dat er een verschil zit tussen het bepalen van het openbaar belang tussen de gebieden die als NNN zijn aangewezen en weidevogelkansgebieden. Voor terreinen binnen het NNN staat in Artikel 2.39 lid 2 van de omgevingsverordening dat er geen activiteiten en ontwikkelingen mogelijk zijn die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken of waarden, of die kunnen leiden tot een vermindering van de kwaliteit, de oppervlakte of de samenhang tussen gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. In Artikel 2.42 is opgenomen dat hiervan kan worden afgeweken, wanneer: a. sprake is van een openbaar belang waarvoor geen reële alternatieven aanwezig zijn, en b. schade door mitigerende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt als fysiek ruimtelijk en wat betreft uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling redelijkerwijs mogelijk is, en c. de gevolgen van de activiteit of ontwikkeling zodanig worden gecompenseerd, dat geen netto verlies optreedt van wezenlijke kenmerken en waarden in termen van kwaliteit, oppervlakte of samenhang in het natuurnetwerk Nederland.

In de artikelsgewijze toelichting staat hierover vermeldt dat voor activiteiten en ontwikkelingen binnen het NNN het in algemene zin dient te gaan om een algemeen of maatschappelijk belang, zoals werkgelegenheid, huisvesting, water- en kustveiligheid, civiele veiligheid, volksgezondheid, en essentiële voorzieningen voor het functioneren van de samenleving, zoals energie- en vervoersvoorzieningen. Op sommige plekken, bijvoorbeeld op de Waddeneilanden, kunnen in voorkomende gevallen ook recreatieve voorzieningen een openbaar belang hebben. Voorwaarde is ook dat er voor de betreffende fysieke ontwikkeling geen reële locatie-alternatieven zijn. Alternatieven hangen af van de locatie (op de Waddeneilanden is de beschikbare ruimte anders dan op het vaste land), van de mate van grond-gebondenheid van de beoogde ontwikkeling (bijvoorbeeld uitbreiding van een bestaande functie) en van de mate van plaatsgebondenheid (voorbeeld: een maatschappelijke voorziening voor een specifieke kern). Voor weidevogelkansgebieden staat in Artikel 2.52 van de Omgevingsverordening dat een omgevingsplan voor gronden die gelegen zijn in of op korte afstand van de gebieden als bedoeld in artikel 2.51, regels bevat waarmee voldoende openheid en rust van die gebieden wordt gehandhaafd, waarbij de agrarische productiefunctie en de ontwikkelingsmogelijkheden van bestaande agrarische bedrijven zijn toegestaan.

In Artikel 2.53 is opgenomen dat van artikel 2.52 kan worden afgeweken voor een noodzakelijke ruimtelijke ingreep van openbaar belang, met inachtneming van de volgende voorwaarden: a. de natuurwaarden worden afgewogen ten opzichte van de ruimtelijke ingreep, en b. de mogelijkheden om met mitigerende maatregelen de schade te beperken worden zo veel mogelijk benut, en c. wanneer sprake is van het verloren gaan van gebied groter dan een halve hectare, dat vanwege rust en openheid voor weidevogels geschikt is als bedoeld in artikel 2.52, wordt dit door het bevoegd gezag financieel gecompenseerd door storting van een bedrag in een weidevogelfonds voordat het omgevingsplan wordt vastgesteld. In de artikelsgewijze toelichting is vermeld dat voor nieuwe activiteiten of ontwikkelingen binnen weidevogelkansgebied het eerst moet worden gemotiveerd of er sprake is van een

openbaar belang. Net als bij natuur buiten NNN mag dit iets soepeler worden beoordeeld dan bij natuur die is aangewezen als NNN. Onder ‘openbaar belang’ kunnen in dit geval ook bovenlokaal of lokaal georiënteerde, kleinschaliger ontwikkelingen vallen op het gebied van woningbouw, (verblijfs-)recreatie, infrastructuur (rondweg of ontsluitingsweg) en nutsvoorzieningen, mits de noodzaak daarvan redelijkerwijs aantoonbaar is. Het kan ook gaan om particuliere initiatieven waaraan een maatschappelijke betekenis kan worden toegekend. Hier kan een ingreep alleen als ‘noodzakelijk’ worden aangemerkt, indien buiten het natuurgebied redelijkerwijs geen geschikte alternatieve locatie kan worden gevonden, zoals bijvoorbeeld een grondgebonden ontwikkeling. Voor zowel de weidevogelkansgebieden als de NNN zal aangetoond moeten worden dat er sprake is van een “noodzakelijke” ingreep en moet hiervan het belang worden aangetoond. Het verschil is dat voor weidevogelkansgebieden ook de kleinschalige bovenlokale en lokale ingrepen ook onder openbaar belang kunnen vallen. Daarnaast geldt dat voor de weidevogelkansgebieden er een afweging gemaakt moet worden tussen de verschillende belangen, hier is het bevoegd gezag verantwoordelijk voor.

Oftewel, bij een wijziging van het bestemmingsplan besluit een gemeente of zij het belang van de weidevogels voor een gebied zwaarder wegen dan de ruimtelijke ontwikkeling. Onder kleinschalige lokale ingrepen vallen bijvoorbeeld ook campings. Voor het uitbreiden van een bestaande camping binnen weidevogelkansgebied kan het belang nog aangetoond worden omdat hier sprake is van een grondgebonden ontwikkeling, maar voor een nieuw te ontwikkelen camping wordt het aantonen van het “noodzakelijk” openbaar belang al veel lastiger. Dit geldt voor meerdere kleinschalige ontwikkelingen, zoals bijvoorbeeld: • • • • • •

Fietspaden Recreatieve ontwikkelingen (campings, recreatiewoningen, minicampings etc.) Agrarische bouwblokken Individuele woningen Natuurontwikkeling (bijvoorbeeld water, bos en opgaande begroeiing) Tijdelijke projecten (bijvoorbeeld depots)

Bij grotere ontwikkelingen, als bijvoorbeeld woning- en wegenbouw, is in elk geval sprake van een openbaar belang. Natuurlijk moet ook hier ook de belangen worden afgewogen en gezocht worden naar alternatieven. De provincie controleert of het bevoegd gezag de belangenafweging goed heeft gemaakt. Er wordt hierbij gecontroleerd of het belang juist is gemotiveerd (daarbij moeten alternatieve locaties zijn onderzocht, er een goede belangenafweging worden gemaakt en de mogelijkheden voor mitigatie zijn benut). Wanneer er sprake is van een financiële verplichting dan moet het bevoegd gezag het compensatiebedrag hebben gestort, voordat het besluit is genomen. Als houvast is hiervoor een document opgesteld waarin extra uitleg wordt gegeven aan de bepalingen waar aan moet worden voldaan, zie Bijlage 3: Compensatietraject weidevogelkansgebied op basis van 7.2.4 VRF. Het besluit ligt uiteindelijk bij het bevoegd gezag. •

Voorgesteld wordt om aan de Provinsjale Steaten fan Fryslân te vragen of zij een nadere bepaling noodzakelijk achten waarin wordt vermeld welke ontwikkelingen wel en niet binnen weidevogelkansgebied worden uitgesloten. Oftewel: wat valt onder openbaar belang en wat niet. Hiervoor is nader onderzoek nodig vanwege de impact die het kan hebben op de ruimtelijke ontwikkelingen in Fryslân. Mogelijk kan deze vraag ook meegenomen worden in de uitwerking van de Gebiedsgerichte aanpak van het NPLG/FPLG.

2.3.2 Openheid en rust en verstoringsafstanden De kaart openheid en rust laat zien waar in Fryslân sprake is verstoring van de openheid en rust. Aan de hand van verschillende datasets wordt bepaald waar verstoringsbronnen aanwezig zijn, waarna met behulp van de verstoringsafstanden, zie Tabel 1: Verstoringsafstanden, kan worden berekend welke gebied verstoord is. Het gaat hierbij niet om alleen om de fysiek aanwezige verstoringsbronnen, maar ook om de verstoringsbronnen, die vanuit het vigerende bestemmingsplan worden toegestaan. Een voormalige huiskavel wordt dus nog wel gezien als verstoringsbron, omdat hier zonder een wijziging van het bestemmingsplan mag worden gebouwd. Altenburg en Wymenga is gevraagd om te onderzoeken of de verstoringsbronnen en afstanden nog actueel zijn. •

Voorgesteld wordt om de verstoringsafstanden te actualiseren op basis van het adviesrapport van Altenburg en Wymenga, deze wordt verwacht in december 2022.

Tabel 1: Verstoringsafstanden (Verordening Romte Fryslân 2014, 2014)

Storingsbron

Verstoringsafstand (m) Gemeentelijke weg 50 Provinciale weg 100 Autosnelweg 150 Spoorlijn (intercity) 150 Spoorlijn (lokaal) 100 Fietspad 50 Opgaande begroeiing (bos <0,5 ha, houtsingel, bomenrij 200 boomgroep) Bos (> 0,5 ha) 250 Rietland 200 Hoogspanningsleiding 100 Activiteit/ontwikkeling buiten bebouwde kom 200 Activiteit/ontwikkeling binnen of aansluitend aan bebouwde kom 300 Gaswinstation 325 Windturbines 200

2.3.3 Kaart weidevogelkansgebied Weidevogelkansgebieden zijn begrensd op basis van de volgende criteria (Opgave Biodiversiteit, 2021): • dichtheid: een dichtheid van min. 10 broedparen grutto per 100 ha of van min. 50 broedparen grutto, tureluur, scholekster en of kievit per 100 ha of van min. 30 broedparen kritische soorten per 100 ha (grutto, tureluur, veldleeuwerik, graspieper, gele kwikstaart, slobeend, kuifeend, wulp, watersnip, kwartel, tafeleend, zomertaling, wintertaling, witte kwikstaart, kluut, knobbelzwaan, krakeend, bergeend en patrijs); op basis van de BFVW-stippenkaart, • ruimtelijke samenhang van verspreidingskernen: hiervoor is een afstand van 2 km gehanteerd; • ruimtelijk geschikt qua ligging: verstoringsbronnen zoals snelwegen en spoorlijnen zijn niet of nauwelijks aanwezig en er is de mogelijkheid tot het creëren van een open landschap; • minimale oppervlakte: 250 ha.

In bijlage 4 is de kaart met de huidige weidevogelkansgebieden weergegeven. Gedeputeerde Staten kunnen aan deze kaart gebieden toevoegen en verwijderen. In het Natuurbeheerplan Fryslân worden dezelfde criteria aangehouden bij het maken van het leefgebied Open grasland. Op deze wijze is niet alleen de openheid en rust gewaarborgd voor deze gebieden maar wordt het voor agrariërs ook mogelijk om subsidie aan te vragen in kader van het Agrarisch Natuur en Landschapsbeheer. Deze kaarten komen voor het overgrote gedeelte al met elkaar overeen. Al zijn voor de subsidieverstrekking voor het ANLb de natuurgebieden uit het leefgebied Open grasland gehaald. Er zijn wel uitzonderingen mogelijk in verband met gemaakte afspraken tussen overheden of wanneer een gebied al is gecompenseerd. •

Voorgesteld wordt om wijziging op de kaart leefgebied Open grasland ook als een verzoek voor het wijzigen van de kaart Weidevogelkansgebieden te behandelen.

2.3.4 Compensatiebedrag In de Verordening Romte Fryslân 2014 wordt voor het compensatiebedrag verwezen naar de Regeling Weidevogelcompensatie Fryslân 2014. Het compensatiebedrag wordt berekend op basis van twaalf SNL-jaarvergoedingen zoals geregeld in de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer voor agrarisch beheerpakket A01.01.01c Weidevogelgrasland met rustperiode van 1 april tot 15 juni, verhoogd met 7,5% voor administratiekosten. Sinds het ANLb wordt er niet meer met dit pakket gewerkt, het compensatiebedrag is nu € 6.500 euro per ha, verhoogd met een opslag van 7,5% voor administratiekosten. In de Nota Weidevogels 2021-2030 wordt als aanbeveling uit de evaluatie de aanpassing van de hectarevergoeding aangegeven. Dit zou conform de uitgangspunten van het ‘Aanvalsplan Grutto’ kunnen. In de Omgevingsverordening Fryslân 2022 is daarom het compensatiebedrag aangepast en bestaat het nu uit twaalf jaarvergoedingen van het “pakket compensatiebedrag”. Dit pakket bestaat uit een mix van beheerpakketten en overige kosten en is vastgesteld op € 1.482,67 per jaar. Wat voor 12 jaarvergoedingen op een totaal compensatiebedrag komt van € 17.792,04 per hectare, zie Figuur 1: tabel tarief compensatiebedrag. De vergoeding per ha per beheerpakket zijn afgestemd op die van het ANLb. Afhankelijk van ontwikkelingen in het ANLb, zouden deze geactualiseerd kunnen worden. •

Voorgesteld wordt om de artikelsgewijze toelichting aan te passen zodat het duidelijk is dat tariefwijzigingen in het ANLb ook in het “pakket compensatiebedrag” worden doorgevoerd.

Figuur 1: tabel tarief compensatiebedrag

2.4

Andere provincies

2.4.1 Zuid-Holland: In de provincie Zuid-Holland zijn de regels voor de weidevogelgebieden opgenomen in de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Hierin wordt in de toelichting verwezen naar de beleidsregel Compensatie Natuur, Recreatie en Landschap Zuid-Holland (Omgevingsverordening Zuid-Holland, 2019). In deze beleidsregel staat dat de belangrijke weidevogelgebieden in Zuid-Holland zijn weergeven op de functiekaart in de Provinciale Structuurvisie. Dit zijn (overwegend) graslandgebieden buiten de EHS waarin op grond van recente gegevens hoge tot zeer hoge dichtheden van weidevogels voorkomen (>35 broedparen per 100 ha, 15 biotoopkritische soorten). Deze gebieden zijn globaal en op polderniveau of in anderszins herkenbare grotere eenheden aangeduid. Daarbij is rekening gehouden met de bebouwingscontouren en, in geval van opstrekkende verkaveling, met de gradiënten ten opzichte van (lint)bebouwing en boerderijstroken. In veel belangrijke weidevogelgebieden wordt al jarenlang geïnvesteerd in agrarisch natuurbeheer (weidevogelbeheer). Indien door een nieuw plan, project of initiatief de wezenlijke kenmerken en waarden van een belangrijk weidevogelgebied significant worden aangetast dan dient de schade van de ingreep gemitigeerd en/of gecompenseerd te worden.

Het gaat hierbij in principe om grootschalige ruimtelijke ontwikkelingen zoals de aanleg van wegen en andere infrastructuur of de uitbreiding van woongebieden, bedrijventerreinen of glastuinbouwgebieden buiten de bebouwingscontouren (incl. het verleggen daarvan om deze uitbreiding mogelijk te maken). Voor alle duidelijkheid: (ruimtelijke) ontwikkelingen binnen het huidige agrarische grondgebruik, in het algemeen dus de melk- of vleesveehouderij, zijn niet compensatieplichtig (bijv. de intensivering van het graslandgebruik, de aanleg van kavelpaden, slootdempingen, graslandverbetering, ruwvoederteelt of de nieuwbouw van boerderijen). De eventuele toelaatbaarheid van dergelijke maatregelen wordt, voor zover van toepassing, afgewogen binnen het gangbare ruimtelijke ordening- of milieuvergunningenspoor. Onder de wezenlijke kenmerken en waarden van een belangrijk weidevogelgebied worden de factoren verstaan die de kwaliteit van het leefgebied voor weidevogels bepalen. Dit zijn, naast het agrarisch (grasland)gebruik c.q. de grondgebonden veehouderij, openheid, schaal (versnippering!), rust en relatief hoge grondwaterstanden.

Bij het voorspellen van de effecten van ingrepen in belangrijke weidevogelgebieden gaat het niet alleen om het ruimtebeslag maar - bij de aanleg of uitbreiding van infrastructuur als wegen, spoorwegen en fietspaden, en van hoogspanningsleidingen en windturbines - ook (en vooral) om de bijbehorende verstoringszones (door geluid, beweging en licht) die daardoor minder of ongeschikt worden voor weidevogels. Voor het bepalen van de verstoringsafstanden wordt verwezen naar de vakliteratuur. Hiervoor zijn diverse rekenmodellen beschikbaar. De compensatieopgave dient te worden berekend op basis van de oppervlakte belangrijk weidevogelgebied dat door de ingreep verloren gaat of voor weidevogels ongeschikt wordt. Omdat de belangrijke weidevogelgebieden globaal begrensd zijn, de weidevogels binnen deze gebieden (meestal) niet homogeen verspreid zijn en de dichtheden jaarlijks kunnen fluctueren, verdient het aanbeveling om bij de effectvoorspelling zowel actuele als oudere verspreidingsgegevens (stippenkaarten) te betrekken. Daarmee kan beter onderbouwd worden of er wel sprake is van een significant negatief effect en hoe groot dat effect dan is. Het zou bijvoorbeeld kunnen dat het effect van de ingreep beperkt blijft tot dat deel van een belangrijk weidevogelgebied waarin 'van nature' of door reeds aanwezige storingsbronnen al

weinig tot geen weidevogels voorkomen. De vraag of negatieve effecten significant zijn mag niet gerelateerd worden aan de totale omvang van een belangrijk weidevogelgebied. Indien er geen recente gegevens voorhanden zijn moet worden uitgegaan van een homogene verspreiding van de weidevogels over het belangrijk weidevogelgebied. Compensatie voor het verlies aan weidevogels is in feite een vorm van kwaliteitsverbetering waarbij in het compensatiegebied zoveel extra inrichtings- en/of beheermaatregelen worden getroffen om de dichtheid aan weidevogels te verhogen, dat aan de compensatieopgave kan worden voldaan. Daarbij moet uiteraard rekening gehouden worden met de uitgangssituatie in het compensatiegebied ofwel met de dichtheid aan weidevogels die reeds in het compensatiegebied aanwezig is. Het is dan ook eenvoudiger om via gerichte maatregelen de dichtheid aan weidevogels te verhogen in een potentieel geschikt gebied met lagere dichtheden, dan in een gebied met hoge dichtheden. De compensatie moet worden uitgevoerd in een gebied dat qua openheid, schaal, rust en grondwaterstanden voor weidevogels geschikt is of kan worden gemaakt en dat bij voorkeur aansluit bij of in de omgeving ligt van andere goede weidevogelgebieden of natuurgebieden met een weidevogeldoelstelling.

Compensatie voor ingrepen in belangrijke weidevogelgebieden kan worden ingevuld door verwerving en inrichting van gronden en overdracht aan een terreinbeherende natuurbeschermingsorganisatie, door particulier natuurbeheer of door agrarisch natuurbeheer. Als vuistregel kan worden aangehouden dat met reservaatsbeheer ongeveer 3x, en met particulier natuurbeheer en zwaar agrarisch natuurbeheer ongeveer 2x zo hoge dichtheden kunnen worden bereikt als met gangbaar agrarisch beheer. Indien wordt gekozen voor compensatie door middel van agrarisch natuurbeheer moet het afsluiten van zware pakketten voor een periode van minimaal 12 jaar gegarandeerd zijn. Bij de samenstelling van deze zware pakketten kunnen de mogelijkheden in de Subsidieregeling Natuur- en Landschapsbeheer als voorbeeld dienen. Overigens is het voor overheden (behoudens de provincie) niet eenvoudig om te compenseren door middel van agrarisch natuurbeheer, omdat dat dient te gebeuren op basis van een regeling die staatssteunproof is. De uitvoering van compensatie door agrarisch natuurbeheer kan worden ondergebracht bij de Dienst Regelingen (Beleidsregel compensatie natuur, recreatie en landschap Zuid-Holland, 2013).

2.4.2 Noord-Holland In de provincie Noord-Holland zijn in paragraaf 6.4.2 Bijzonder provinciaal landschap bepalingen opgenomen voor het beschermen van waardevol weidevogelgebied (Omgevingsverordening NH2020, 2020). Hierin staan de volgende bepalingen: Artikel 6.44 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over ruimtelijke ontwikkelingen in Bijzonder provinciaal landschap. Artikel 6.45 Oogmerk Deze paragraaf is gericht op het benoemen, behouden en beschermen van de kernkwaliteiten van het Bijzonder provinciaal landschap, zijnde gebieden die landschappelijk, aardkundig, ecologisch of cultuurhistorisch van bijzondere waarde zijn én niet vallen binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland. Artikel 6.46 Bijzonder provinciaal landschap 1. De kernkwaliteiten van het Bijzonder provinciaal landschap zijn vastgelegd in Bijlage 6. 2. Een ruimtelijk plan ter plaatse van het werkingsgebied Bijzonder provinciaal landschap bevat regels ter bescherming van de voorkomende kernkwaliteiten. 3. In afwijking van artikel 6.3 bevat het ruimtelijk plan geen regels die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken.

4. Het ruimtelijk plan kan regels bevatten die een andere nieuwe ruimtelijke ontwikkeling dan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, mits deze ontwikkeling de voorkomende kernkwaliteiten niet aantast. 5. De toelichting op het ruimtelijk plan bevat een beschrijving van de voorkomende kernkwaliteiten en een motivering van de wijze waarop wordt voldaan aan het tweede en, indien van toepassing, het vierde lid. 6. Indien uit de motivering volgt dat maatregelen noodzakelijk zijn om te voldoen aan het bepaalde in het vierde lid, dan dient de uitvoering hiervan te zijn geborgd bij de vaststelling van het ruimtelijk plan. 7. In afwijking van het vierde lid kan het ruimtelijk plan regels bevatten die de volgende ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken: a. een uitbreiding van een agrarisch bouwperceel tot maximaal twee hectare; of b. nieuwe bebouwings- en functiemogelijkheden op grond van artikel 6.33, eerste lid, onder e en f en artikel 6.33, tweede en derde lid. 8. In afwijking van het derde en vierde lid kan het ruimtelijk plan een nieuwe stedelijke ontwikkeling of een andere nieuwe ruimtelijke ontwikkeling die de kernkwaliteiten aantast mogelijk maken, indien: a. er sprake is van groot openbaar belang; b. er geen reële alternatieven zijn; en c. de aantasting zoveel mogelijk wordt beperkt en de aantasting wordt gecompenseerd. 9.

In afwijking van het derde en vierde lid kan het ruimtelijk plan voorzien in woningbouw overeenkomstig de afspraken tussen Rijk, provincie en betrokken gemeenten met betrekking tot de Pilot Waterland. 10. Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen over de motivering als bedoeld in het vijfde lid en over de wijze van compensatie als bedoeld in het achtste lid, aanhef en onderdeel c. 11. Gedeputeerde Staten kunnen de kernkwaliteiten zoals opgenomen in Bijlage 6 wijzigen. In Artikel 6.46 lid 10 staat dat er nadere regels gesteld kunnen worden over de wijze van compensatie, deze zijn vastgelegd in de Uitvoeringsregeling natuurcompensatie NoordHolland (Uitvoeringsregeling natuurcompensatie Noord-Holland, 2019). Hierin staat dat een initiatiefnemer de schade aan een weidevogelleefgebied fysiek moet compenseren. Als dat niet mogelijk is kan de gemeente het nog regelen in een ander bestemmingsplan of via een financiële compensatie. Hier geldt dus dat men eerst goed moet onderzoeken of fysieke compensatie kan. De compensatie van weidevogelleefgebied kan bestaan uit inrichtingsmaatregelen of actief weidevogelbeheer voor een bedrag gelijk aan de kosten voor weidevogelbeheer voor een periode van 30 jaar. Compensatie voor activiteiten in weidevogelleefgebied vindt plaats in aangewezen weidevogelleefgebied.

In deze gebieden zijn de compensatiemaatregelen het meest effectief, omdat hier is aangetoond dat deze gebieden geschikt zijn voor weidevogels. De besteding van de middelen moet zinvol zijn. Om te voorkomen dat op een gebied beheer wordt vastgelegd voor een lange termijn, terwijl de omstandigheden kunnen veranderen kan in de overeenkomst een clausule worden opgenomen om de maatregelen te evalueren en tussentijds aan te passen (Uitvoeringsregeling natuurcompensatie Noord-Holland, 2019).

2.4.3 Groningen De provincie Groningen heeft in de Omgevingsverordening voor het leefgebied van de weidevogels het volgende vastgelegd (Geconsolideerde Omgevingsverordening juni 2022 , 2022): Afdeling 2.23 Leefgebied weide- en akkervogels Artikel 2.48.1 Leefgebied weidevogels: 1. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een op kaart 6 aangegeven ‘leefgebied weidevogels’ en dat voorziet in een nieuwe grootschalige ruimtelijke ontwikkeling biedt inzicht in de maatregelen die nodig zijn om de mogelijke schade aan de waarde van

het leefgebied voor weidevogels te voorkomen en restschade elders te compenseren als die ontwikkeling in significante mate afbreuk kan doen aan de waarden van het leefgebied voor weidevogels door aantasting van de landschappelijke openheid, of door verstoring van vogels en aantasting van het areaal. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op normaal agrarisch gebruik.

2.4.4 Overijssel In Overijssel staat in het Actieplan weide- en akkervogels Overijssel 2018-2021 hoe omgegaan wordt met de bescherming van de weidevogelgebieden (Actieplan weide- en akkervogels Overijssel 2018-2021, 2018). In Artikel 4.7.: Planologische bescherming en compensatie staat: In de Omgevingsvisie staat voor de weidevogelgebieden aangegeven, dat hier de openheid, rust en het waterpeil moet worden gehandhaafd. De provincie heeft geen direct compensatiebeleid als weidevogelgebieden voor andere functies moeten wijken of als hier ingrepen plaatsvinden die nadelig zijn voor weidevogels. Toch worden vaak wel mitigerende maatregelen genomen als maatregelen ongunstig uitpakken voor weidevogels (op basis GSbesluit). Zo zijn bij de aanleg van de bypass Kampen door de provincie compenserende maatregelen (inzet extra beheerpakkettenbeheer voor weidevogels) genomen om de verwachte afname van weidevogels op te vangen. Tevens zijn compenserende maatregelen genomen voor weidevogels bij de plaatsing van windmolens in het gebied Tolhuislanden (door eigenaren windmolens) en bij de inrichting van Schellerwade (Waterschap DOD).

3 Ervaringen bij de weidevogelcompensatie 3.1

Uitkomsten interviews

Om tot een goede evaluatie van de weidevogelcompensatie te komen zijn ook de ervaringen van de betrokken partijen in “het veld” van wezenlijk belang. Hiervoor heeft de provincie Fryslân in de periode van september 2021 tot juli 2021 diverse betrokkenen bevraagd over hun ervaringen en meningen voor eventuele verbeteringen. De vragen die aan de orde zijn geweest waren o.a.: Hoe wordt het contact beleefd met de provincie over de invulling van de compensatie?, Hoe verloopt het contact tussen collectief en boer?, Hoe kijkt het collectief / boer tegen de contracten aan; moet er meer ruimte zijn voor flexibiliteit?, Moet de provincie zich meer bemoeien met de uitvoering; bijvoorbeeld monitoring, geen goede uitvoering door boeren en ingrijpen als het niet goed gaat?, Hoe verloopt de monitoring en moet de provincie hier ook meer op sturen? en zien jullie ook verbeterpunten. De vraaggesprekken zijn gevoerd met betrokkenen vanuit de volgende organisaties: Natuerkoöperaasje Baarderadiel, collectief Noardlike Fryske Wâlden, Milieudefensie Leeuwarden, Natuurmonumenten, Bond van Friese Vogelwachten (BFVW) en met deelnemende boeren. Wij danken hen voor hun kennis en ervaringen die zij met ons gedeeld hebben. De uitwerking van dit onderdeel van de evaluatie is te vinden in Bijlage 5: Resepsje fan it greidefûgelkompensaasjebelied fan ’e provinsje Fryslân.

Hierin wordt toegelicht waarom en hoe dit is uitgevoerd en zijn de volledige gesprekverslagen te lezen, dizze útwurking is skreaun yn it Frysk. Uit al deze gesprekken zijn een 14-tal uitkomsten gekomen. Een 7-tal van komen in meerdere gesprekken terug, deze worden hieronder weergegeven: 1. Contact met ambtenaar weidevogelcompensatie is goed, maar de functie is in het verleden wel vaak van ambtenaar gewisseld, dit is niet wenselijk 2. Zorg voor meer flexibiliteit in het compensatiebeheer 3. Zorg voor langjarig en toekomstbestendig compensatiebeheer 4. Het beheer vindt plaats in het veld, kijk wat er speelt en bespreek dit met de vrijwilligers en beheerders 5. De monitoring van het aantal weidevogels en de nestuitkomsten is voldoende om te sturen op het beheer in de praktijk 6. Vergrijzing onder vrijwilligers is een groot aandachtspunt 7. Er zijn zorgen over de toekomst van de landbouw, geef een perspectief

3.2

Toekomstperspectief weidevogels en compensatiebeheer in Fryslân

De Provincie Fryslân heeft Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek gevraagd om een aantal onderdelen vanuit het plan van aanpak Evaluatie Weidevogelcompensatie te onderzoeken. Normaal gesproken omvat een evaluatie van dergelijk beleid onder andere een kwantitatieve analyse van de mate waarin de uitgevoerde compensatie effectief is geweest voor het behoud van de weidevogelstand. Echter stelt A&W dat vanwege het ontbreken van een monitoringsprogramma hiervoor niet de juiste gegevens aanwezig zijn. Hierdoor blijft de evaluatie op het vlak van de effecten op de weidevogels. Het onderzoek is beperkt tot een globale analyse van de toestand van de weidevogels in Fryslân en van de mate waarin compensatie als bijdrage aan weidevogelbehoud in ecologische zin nog effectief is (Oosterveld, 2022). In het onderzoek worden de volgende vraagstukken behandeld:

1. Zijn de totale provinciale populaties nog voldoende groot om niet het risico te lopen om in een neerwaartse spiraal te raken en zelfs uit te sterven? Populatiebiologisch gaat het hierbij om de vraag wat de minimale omvang van een populatie is die zichzelf in stand kan houden, de minimale levensvatbare populatieomvang (MVP volgens de Engelse vakterm minimum viable population),

2. Wat is het effect van de steeds grotere versnippering in deelpopulaties, met steeds grotere tussenafstanden tussen de deelpopulaties? Is er nog voldoende uitwisseling om de deelpopulaties gezond te houden of om hervestiging te krijgen als lokaal een deelpopulatie een klap krijgt? Populatiebiologisch gaat het om de vraag wat de verhouding is tussen deelpopulaties die een overschot aan jongen produceren en deelpopulaties waar te weinig jongen groot komen om de sterfte te compenseren. Het eerste type deelpopulaties worden bronpopulaties genoemd, het tweede type worden putpopulaties genoemd (source resp. sink populaties volgens de Engelse vaktermen). Het tekort in putpopulaties kan worden gecompenseerd door een overschot in bronpopulaties

3. Klimaatverandering drukt tegenwoordig steeds meer een stempel op het broedseizoen van de weidevogels, met bijvoorbeeld een toename van droogte in het voorjaar. In hoeverre beïnvloedt dat compensatiemogelijkheden? Uit het eerste concept Evaluatie beleid weidevogelcompensatie Provincie Fryslân zijn de volgende conclusies over de toekomst van de weidevogels in Friesland en het compensatiebeheer naar voren gekomen (Oosterveld, 2022): 1. Op grond van de populatiebiologische eigenschappen van de soort (levensduur, jaarlijkse overleving, voortplantingssnelheid) is de provinciale omvang van de gruttopopulatie anno 2022 nog voldoende groot om zich te handhaven. 2. Het meer en meer voorkomen in versnipperde broedconcentraties staat een vitale Gruttopopulatie met voldoende voortplantingsvermogen anno 2022 nog niet in de weg. 3. Verstoorde grutto’s kúnnen zich verplaatsen en elders succesvol tot broeden komen. Maar er is een risico dat een deel van de verstoorde vogels een klein eindje opschuift en daar minder broedsucces heeft. En het is onzeker of alle vogels die zich elders hervestigen, daar met succes broeden. 4. Het verlies van gruttobroedparen kan in principe ook worden gecompenseerd door populatiegroei en verbetering van de reproductie door habitatherstel op andere locaties. Daar zijn nog steeds actuele voorbeelden van.

Aan de andere kant gaat de gruttostand op provinciale schaal nog steeds achteruit, ondanks veel inspanningen op grote schaal. 5. In het licht van de voortgaande populatieafname, de moeite die het kost om een goed broed- en opgroeihabitat te creëren en de onzekerheden bij compensatie, is eigenlijk ieder verder verlies van bestaand goed weidevogelhabitat onwenselijk, ook al wordt het gecompenseerd. We kunnen beter houden wat we hebben. Of er zou eerst voortijdig met de compensatie moeten worden begonnen, zodat duidelijk is dat compensatie werkt, vóórdat de verstoring wordt veroorzaakt.

4 Het weidevogelcompensatiebeheer In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het afgesloten weidevogelcompensatiebeheer. Dit beheer wordt gefinancierd uit een aantal compensatieverplichtingen en wordt apart over gerapporteerd.

4.1

Overzicht beheerlocaties

Momenteel lopen er in 5 gebieden contracten/overeenkomsten voor compensatiebeheer en voor 1 gebied zijn de contracten in 2019 afgelopen. In Tabel 2: Overzicht beheerlocaties is inzichtelijk gemaakt wat voor typebeheer er wordt uitgevoerd, voor welke oppervlakte, waar en voor welke periode. Tabel 2: Overzicht beheerlocaties Beheerlocatie 1 De Haak 1 De Haak 2 Wiarda 1 2 Wiarda 2 3 Techum 4 Centrale As 5 NHH 6 Diverse

4.2

Type Agrarisch Natuur Agrarisch Natuur Agrarisch Agrarisch Agrarisch Natuur

Opp. in ha 63,78 81,6 27,7 7,7 38,5 50 15 10,95

Locatie Baarderadiel Baarderadiel Baarderadiel Baarderadiel Wergea Garyp It Heidenskip Baarderadiel

Startdatum 2011-2017 2013 2012 2015 2007 2015 2022 2016

Einddatum 2022 - 2028 2042 2023 2026 2019 2032 2031 2033

Jaren 12 30 12 12 13 18 12 18

Opmerking Wisselde start en einddatums KV en beheer KV en beheer 1 jaar extra beheer Voor nu via opdracht van 1 jaar KV en beheer

Type contracten

Voor het weidevogelcompensatiebeheer zijn er twee type contacten afgesloten, namelijk ‘agrarisch’ en ‘natuur’. In beide gevallen kunnen in de afspraken naast het beheer ook afspraken staan voor de inrichting en onderhoud van het gebied. Tevens zijn, voor de beheerlocaties met meerdere beheerders, er ook contracten afgesloten met een lokale vogelwachten, agrarische natuurverenigingen en agrarische collectieven. Zij voeren in opdracht van de provincie de monitoring en rapportage uit over het gevoerde beheer. Het ‘agrarisch beheer’ sluit aan bij de werkwijze van het agrarisch natuur- en landschapsbeheer (ANLb). In deze contracten zijn de beheervoorschriften en bepalingen overgenomen zoals die ook gelden in het ANLb en zijn hier ook de hoogtes van de beheervergoeding op afgestemd. Het ‘natuurbeheer’ sluit aan bij de werkwijze uit de subsidieregeling natuur- en landschapsbeheer (SrNL). In de contracten is aangegeven dat het beheer zal moeten uitgevoerd conform het beheertype N13.01 Vochtig weidevogelgrasland. Ter houvast is er voor een aantal contracten een beheermozaïek opgesteld, zodat er geen onduidelijkheid ontstaat in het te voeren beheer. Belangrijk verschil met het ‘agrarisch beheer’ is dat deze percelen ook zijn omgevormd naar natuur.

De eigenaren hebben voor de functieverandering conform de subsidieregeling kwaliteitsimpuls natuur- en landschap (SKNL) hiervoor een subsidie ontvangen. Middels een kwalitatieve verplichting (KV, dit is een notariële akte) is vastgelegd dat deze percelen nu eeuwigdurend als weidevogelnatuurgebied moeten worden beheerd. De akte zit niet vast aan de beheerder, maar aan de grond. Dat betekent dat bij vervreemding de nieuwe eigenaar ook wordt verplicht om de percelen als weidevogelnatuurgebied te beheren. Op deze wijze is het weidevogelbeheer duurzaam geregeld, maar dit kost dan ook aanzienlijk meer als bij het ‘agrarisch beheer’.

4.3

Monitoring

Voor de weidevogelcompensatie wordt door de lokale vogelwachten en agrarisch collectieve, net als voor het ANLb, de aantallen weidevogels gemonitord. In het systeem van de Bond voor Friese Vogelwachten (BFVW) worden de nesten en/of broedparen van de weidevogels geregistreerd. Uit gesprekken met het adviesbureau is naar voren gekomen dat op basis van deze registraties wel een ontwikkeling in de aantallen kan worden weergegeven, maar dat dit voor een wetenschappelijke onderbouwing van de effectiviteit van de weidevogelcompensatie op zo’n kleine schaal en voor zo’n korte periode niet voldoende is. Het adviesbureau is gevraagd om aan te geven welke vorm van monitoring nodig is om wel iets te kunnen zeggen over de effectiviteit van het compensatiebeheer. De uitkomsten hiervan zullen in elk geval worden meegenomen bij het opstellen van nieuw af te sluiten overeenkomsten. Voor de reeds afgesloten contracten zal na worden gegaan in hoeverre deze op het onderdeel monitoring nog kunnen worden aangepast of dat aanvullende overeenkomsten noodzakelijk zijn. Deze uitkomsten worden verwacht in december 2022. Naast weidevogels zijn er op moment geen afspraken gemaakt over aanvullende monitoring van andere soortgroepen. Bij de aanpassingen van de monitoring zal ook per gebied worden bekeken of hier invulling aan gegeven kan/moet worden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leeuwarden&id=efa98176-852e-42d3-9460-d91956f7da96