Eindrapport_effectiviteit_van_weidvogel_compensatiegebieden_voor_de_Grutto_rond_Leeuwarden
Tekst van het document
De verdeling is weergegeven in tabel 26 en figuur 19. Voor de exacte verdeling, zie tabel 8 pagina 34. Tabel 26 Dichtheden per droogleggingklasse.
Drooglegging
oppervlak ha
Klasse I (te nat) Klasse II (optimaal) Klasse III (goed) Klasse IV (matig) Klasse V (slecht)
aantal nesten op dit oppervlak 5,8 47,4 472,9 600,1 16,5
0 13 62 89 0
dichtheid nesten/100ha 0 27 13 15 0
Klasse V Klasse IV Klasse III Klasse II Klasse I 0
5
10
15
20
25
30
dichheid nesten per 100ha Figuur 19 Verdeling van dichtheid aan aantal nesten per 100 ha over de verschillende droogleggingklassen.
73
Aantal nesten in relatie tot kruidenrijkdom De dichtheid van Grutto nesten was het hoogst op kruidenrijk oppervlak met 65 per 100ha. Dit was meer dan 8 x hoger dan de dichtheid op kruidenarm oppervlak. Hieruit wordt duidelijk dat Grutto’s voor het maken van een nest dus het meest voor kruidenrijke percelen kozen. Hieruit kan worden opgemaakt dat de mate van kruidenrijkdom een grote rol speelt bij de keuze en vestiging van de Grutto in een bepaald gebied. Grutto’s kozen binnen het onderzoeksgebied vaker voor kruidenrijke, dan kruidenarme percelen. In het compensatiegebied was het aandeel matig- tot kruidenrijke percelen het hoger dan in controlegebied. De volledige vergelijking is weergegeven in tabel 27 en figuur 20. Tabel 27 Dichtheden van Grutto nesten in relatie tot kruidenrijkdom
Kruidenrijkdom
oppervlak ha
kruidenarm matig kruidenrijk kruidenrijk
849,17 146,59 130,40
aantal nesten op dit oppervlak 67 14 85
dichtheid nesten/100ha 8 10 65
kruidenrijk
matig kruidenrijk
kruidenarm
0
10
20
30
40
50
60
70
dichtheid nesten per 100ha
Figuur 20 Verdeling van dichtheid van Gruttonesten over matig- tot kruidenrijk oppervlak tegenover kruidenarm oppervlak.
74
Aantal nesten in relatie tot bemestingstype Uit eerdere onderzoeken is bekend dat weidevogels baat hebben bij percelen waar vaste (ruige) stalmest wordt gebruikt. Dit omdat bij deze manier van bemesting het aantal regenwormen, en dus het voedselaanbod voor weidevogels hoger is dan bij het gebruik van drijfmest (Oosterveld en Hoekema 2012). De dichtheid van Gruttonesten was in het onderzoeksgebied met 88 per 100 ha op oppervlak met stalmest het hoogst. Deze dichtheid was 4,5 x hoger dan de dichtheid op oppervlak met drijfmest. Hieruit kan worden geconcludeerd dat ook voor Grutto’s het oppervlak waarop stalmest wordt gebruikt belangrijk is bij de keuze en vestiging in een gebied. Grutto’s in het onderzoekgebied kiezen dus ook vaker voor een perceel met stalmest dan een perceel met drijfmest. De vergelijking is weergegeven in tabel 28 en figuur 21. In compensatiegebied werd over een groter oppervlak stalmest gebruikt dan in controlegebied. Tabel 28 Dichtheden van Gruttonesten in relatie tot bemestingstype.
Bemestingstype
oppervlak ha
geen bemesting stalmest drijfmest
aantal nesten op dit oppervlak
16,65 169,64 921,69
dichtheid nesten/100ha
3 150 172
18 88 19
drijfmest
stalmest
geen bemesting
0
20
40
60
80
100
dichtheid nesten per 100ha Figuur 21 Verdeling van dichtheid aan Grutto nesten op percelen met drijfmest, stalmest of geen bemesting.
75
Aantal nesten in relatie tot begreppeling De dichtheid van nesten was het hoogste op begreppelde percelen met 29 nesten per 100 ha. Dit was meer dan 3,5 x hoger dan de dichtheid op niet begreppeld oppervlak. Uit eerdere onderzoeken is naar voren gekomen dat weidevogels baat hebben bij begreppelde percelen. De mate van begreppeling correleert vaak met de mate van drooglegging, kort gezegd een begreppeld perceel heeft vaak ook een geschiktere drooglegging voor weidevogels (Kentie et al. 2010). Uit bovenstaande dichtheden kan worden opgemaakt dat ook Grutto’s binnen het onderzoeksgebied 3,5 x vaker kiezen voor een begreppeld perceel, dan voor een niet begreppeld perceel. De aanwezigheid van begreppeling speelt dus een ook een rol in de keuzes en vestiging van Grutto’s in een bepaald gebied. De vergelijking is weergegeven in tabel 29 en figuur 22. In compensatiegebied was het begreppelde oppervlak hoger dan in controlegebied zie paragraaf 3.1.4.
Tabel 29 Dichtheden van Gruttonesten in relatie tot begreppeling.
Begreppeling
oppervlak ha
begreppeld niet begreppeld
375,03 750,38
aantal nesten op dit oppervlak 107 57
dichtheid nesten/100ha 29 8
niet begreppeld
begreppeld
0
5
10
15
20
25
30
35
dichtheid nesten per 100ha
Figuur 22 Verdeling van dichtheid aan Gruttonesten per 100ha op begreppeld en niet begreppeld oppervlak.
76
Aantal nesten in relatie tot openheid en rust. De dichtheid aan nesten op niet verstoord oppervlak (openheid en rust) was met 25 per 100ha meer dan 41 x zo hoog als op verstoord oppervlak. Uit eerder onderzoek is gebleken dat weidevogels baat hebben bij rustige en open gebieden met weinig verstoring (Wymenga en Melman 2011). Uit bovenstaande dichtheden kan worden opgemaakt dat openheid en rust ook voor de Grutto erg belangrijk is bij de vestiging in een gebied. Als de Grutto de keuze wordt gelaten dan kiest hij in het onderzoeksgebied het meest voor onverstoord habitat. De vergelijking is te zien in tabel 30 en figuur 23. Tabel 30 Dichtheden van Gruttonesten in relatie tot openheid en rust.
oppervlak ha Openheid en rust verstoord
649,0 476,8
aantal nesten op dit oppervlak 161 3
dichtheid nesten/100ha 25,0 0,6
verstoord
openheid en rust
0
5
10
15
20
25
30
dichtheid nesten per 100ha
Figuur 23 Verdeling van dichtheid aan Gruttonesten per 100ha op verstoord en niet verstoord oppervlak.
77
3.5 Effectiviteit van een gebied als compensatiegebied voor de Grutto. De provincie Fryslân gebruikt een ondergrens van tenminste 10 Grutto broedparen per 100 ha in haar weidevogelbeleid als graadmeter voor een effectief weidevogelkerngebied. De effectiviteit van de compensatie- en controlegebieden is met deze norm tegen elkaar uitgezet. Alle compensatiegebieden (Hempensermeer, Hilaard, Jellum) voldeden aan deze norm. De controlegebieden Warten en Jellum haalden deze norm niet, alleen controlegebied Baard haalde de ondergrens. Zelfs al zou de ondergrens worden verdubbeld en opgeschroefd naar 20 broedparen per 100 ha, dan zouden 2 van de 3 compensatiegebieden hier nog aan voldoen. De vergelijking is weergegeven in tabel 31. Als puur wordt gekeken naar het aantal verhuisde Grutto’s vanuit het impactgebied rond Leeuwarden kan worden gesteld dat alleen compensatiegebieden Hempensermeer en Hilaard effectief hebben gewerkt, dit omdat alleen in deze twee gebieden zich daadwerkelijk verhuisde Grutto’s hebben gevestigd.
Tabel 31 Vergelijking in effectiviteit voor de Grutto van de compensatie- en controlegebieden.
Gebied
Aantal Gruttobroedparen per 100 ha
Voldoet aan ondergrens van 10 broedparen per 100 ha
Effectief voor de Grutto
Hempensermeer Warten Hilaard Jellum Mantgum Baard
18 3 37 5 28 14
Ja Nee Ja Nee Ja Ja
Ja Nee Ja Nee Ja Ja
Effectief als compensatie = Grutto’s hierheen verhuisd ja nee ja nee nee nee
78
4. Discussie Resultaten gekoppeld aan de jaarcyclus van de Grutto Hieronder staan samenvattend de resultaten van het onderzoek gekoppeld aan het schema van de jaarcyclus van een geslachtsrijpe Grutto (paragraaf 1.1) . Hierin valt op dat de grootste verschillen tussen compensatie- en controlegebieden vooral zitten in de habitatkarakteristieken (drooglegging, plas dras,kruidenrijkdom, bemesting, begreppeling en openheid en rust) en de dichtheden van (verhuisde) Gruttobroedparen. De verschillen in het uitkomstsucces ( 68% vs 62%) en het Bruto Territoriaal succes (70% vs 62%) zijn daarentegen minimaal te noemen.
Schema 2 Resultaten van het onderzoek gekoppeld aan de jaarcyclus van de volwassen Grutto.
79
4.1 Motivering voor de keuze van de controlegebieden De controle gebieden maakten ook deel uit van het initiële zoekgebied van A & W voor de aanwijzing van compensatiegebieden. De Provincie heeft deze drie compensatiegebieden echter gekozen op basis van contracten met boeren e.d.. Dus controlegebied had in principe net zo goed compensatiegebied kunnen worden. Daarom zijn de controlegebieden ook binnen dit zoekgebied gekozen.
4.2 Habitatkarakteristieken De habitatkarakteristieken zijn per gebied in dit rapport apart van elkaar behandeld. Het is echter zeer waarschijnlijk dat habitatkarakteristieken aan elkaar gecorreleerd zijn. Begreppeling heeft bijvoorbeeld zijn weerslag in de mate van drooglegging (begreppelde percelen hebben vaak minder droogligging) en dit heeft weer invloed op de kruidenrijkdom (een hoge grondwaterstand geeft andere plantensoorten met een hogere kruidenrijkdom dan een lage grondwaterstand). Verder is de mate kruidenrijkdom waarschijnlijk ook weer afhankelijk van het bemestingstype (een schralere bemesting geeft andere plantensoorten met een hogere kruidenrijkdom dan een intensieve bemesting). Hieruit kan worden opgemaakt dat het beheer dat gevoerd wordt in een gebied waarschijnlijk doorslaggevend is in hoe het gebied er uiteindelijk qua habitat voor de Grutto’s uit komt te zien. De habitatkarakteristieken kunnen daarom als parameter dienen om te kijken of het beheer in een gebied intensief, dan wel extensief is. Uit de bevindingen uit dit onderzoek kan worden gesteld dat de compensatiegebieden overwegend extensief worden beheerd, en de controlegebieden vaak wat meer intensief.
4.3 Grutto dichtheid Het koude droge voorjaar van 2013 heeft waarschijnlijk een grote rol gespeeld in de aantallen weidevogels per gebied. Aan het begin van het broedseizoen waren veel vogels in slechte conditie en was er weinig voedsel beschikbaar. Er zullen waarschijnlijk Grutto’s zijn geweest die door hun slechte conditie ervoor gekozen hebben dit seizoen het broeden over te slaan. Het weer heeft hierdoor invloed gehad op de totale dichtheidsaantallen per gebied. Deze zullen waarschijnlijk lager zijn dan in een jaar met betere weersomstandigheden voor de weidevogels. De verschillen in dichtheid tussen compensatie – en controle gebied neigden statistisch gezien naar significantie ( t=4,1 p=0.054, n=3). Wanneer er meer compensatiegebieden zouden zijn geweest (dus een groter aantal paren compensatie- controle en een hogere n) dan zou deze significantie waarschijnlijk sterker zijn, maar het gegeven was dat er maar 3 compensatiegebieden waren.
80
Vergelijking voorgaande jaren Wanneer men de tijdsreeksen, die tijdens het onderzoek zijn opgevraagd bij de BFVW van de dichtheid aan Gruttobroedparen per 100 ha per gebied bekijkt (figuren 24/25/26), blijkt dat de compensatiegebieden bij aanvang al rijker waren dan de controlegebieden (dit was voor aanvang van dit onderzoek nog niet bekend). Wanneer men naar de trendlijnen kijkt blijkt dat de verschillen in aantal broedparen per 100 ha na de aanwijzing als compensatiegebied niet significant meetbaar veranderd zijn. 120 Gruttobroedparen per 100 ha
compensatie 100
Reservaat SBB comp Hempensermeer
80
cont Warten 60 40 20 0 2000
2002
2004
2006
2008
2010
2012
Jaar
50
compensatie
40 30 Hilaard 20
Jellum
10 0 2010
2011
2012
Jaar
2013
Gruttobroedparen per 100ha
Gruttobroedparen per 100 ha
Figuur 24 Aantalverloop Grutto dichtheden in reservaatsgebied van SBB en compensatiegebied Hempensermeer (aangewezen sinds 2009) en controlegebied Warten. De scheidingslijn geeft aan vanaf wanneer het gebied als compensatie is aangewezen. 2 Van de regressielijn is ook de R weergegeven.
40 35 30 25 20 15 10 5 0 2011
compensatie
Mantgum Baard
2012
2013
Jaar
Figuur 25 Links Grutto dichtheden in compensatiegebied Hilaard (aangewezen sinds 2010) en controlegebied Jellum. Figuur 26 Rechts dichtheden Gruttobroedparen in compensatiegebied Mantgum (aangewezen sinds 2012) en controlegebied 2 Baard. De scheidingslijn geeft aan vanaf wanneer het gebied als compensatie is aangewezen. Van de regressielijn is ook de R weergegeven.
81
4.4 Broedsucces Bruto Territoriaal Succes. Het Bruto Territoriaal Succes is berekend op de alarmtellingen verzameld tot 30 mei. Dit is vrij vroeg in het seizoen meestal vinden de alarmtellingen rond 5/10 juni plaats. Het aantalsverloop van kuikens is waarschijnlijk gedaald in verloop van tijd. De gegevens zijn echter wel kort op elkaar per set compensatie- en controlegebied op dezelfde datum verzameld, dit geeft daarom toch een goed beeld van de aantalsverhoudingen tussen compensatie- en controlegebied.
Figuur 27 schema fases Grutto in relatie tot maand
Overlevingskans van de kuikens. Uit de literatuur is bekend dat kuikens op extensief gebied vaak van een hogere kwaliteit zijn dan kuikens in intensief gebied. De overlevingskans in extensief gebied is 2,5 x hoger dan in intensief gebied (Kentie et al. 2010). Aangezien het compensatiegebied qua kruidenrijkdom en beheer extensiever is dan controlegebied, is het aannemelijk dat de kuikens uit compensatiegebied meer kans hebben om te overleven dan de kuikens in de controlegebieden. De uiteindelijke totale “productie” aan nieuwe Grutto’s zal dus waarschijnlijk hoger zijn in de compensatiegebieden dan in de controlegebieden. De kuikens binnen de compensatiegebieden (veelal extensief) zijn, door de aanwezigheid van meer geschikt habitat voor de Grutto, waarschijnlijk van betere kwaliteit dan die in controlegebied (veelal intensief). Daarom is het aannemelijk dat de overleving van kuikens in de controlegebieden waarschijnlijk lager zal zijn dan de overleving in de compensatiegebieden. Invloed van predatie op broedsucces. Predatie heeft een belangrijke rol gespeeld in de gebieden Hilaard, Mantgum en Baard. Er zijn veel legsels door predatie verloren gegaan, zie ook kaarten 22 t/m 23. Er waren in deze gebieden grondpredatoren als vossen, hermelijnen en bunzing actief.
Om een goede weidevogelstand te handhaven is het belangrijk om deze predatie door grondpredatoren zoveel mogelijk te beperken. Aangezien de predatie druk in de vaak relatief kleine gebieden erg hoog kan zijn. Wanneer de predatie kan worden geminimaliseerd in een gebied zullen de nestsuccessen waarschijnlijk omhoog gaan in zowel compensatie- en controlegebied.
82
Afbeelding 14 Predatie van kuikens wanneer deze nog in het nest verblijven door Hermelijn compensatiegebied Hilaard (bron Gjerryt Hoekstra, 2013)
Afbeelding 15 Predatie van volwassen Grutto bij het nest. Het nest (linksboven) was leeggehaald in dit geval waarschijnlijk door Bunzing compensatiegebied Hilaard (Bron: Gjerryt Hoekstra, 2013)
83
4.5 Keuze van de Grutto Het lijkt er op dat de Grutto’s in de onderzoeksgebieden een voorkeur hebben voor de extensieve onverstoorde, kruidenrijke, met stalmest bemest en begreppelde percelen. Dit komt ook steeds duidelijker naar voren in het onderzoek van Kentie, Grutto demografie in zuidwest Friesland vanaf 2004. Hierin wordt gesteld dat Grutto’s gebaat zijn bij kruidenrijk grasland met greppels en een hoog (grond)waterpeil. In dit rapport wordt dat soort habitat aangeduid als extensief gebied (Kentie et al. 2012). De bevindingen in deze studie (Hoekstra, 2013) versterken dit beeld. Daarmee is dus ook de geschiktheid van de compensatiegebieden hoger dan de controlegebieden. Geringde Grutto’s De geringde Grutto’s kozen relatief vaak voor de compensatiegebieden. Dit is waarschijnlijk het gevolg van het feit dat de compensatiegebieden in het algemeen qua habitat beter geschikt waren voor de Grutto dan de controlegebieden. Dit is weer een logisch gevolg van het feit dat waarschijnlijk het beheer ten aanzien van weidevogels na aanwijzing als compensatiegebied ook verbeterd is. Het is ook mogelijk dat de verhuisde Grutto’s kozen voor de compensatiegebieden omdat de dichtheid in deze gebieden groter was.
Het zou kunnen zijn dat de vogels juist voor een gebied met een hoge dichtheid aan Grutto broedparen kiezen omdat ze zich dan veiliger wanen en als groep meer verweer hebben tegen lucht predatoren. De kans is dan ook groot dat de Grutto’s die nu nog niet zijn verhuisd in de komende jaren ook naar deze gebieden zullen verhuizen.
4.6 Effectiviteit van een gebied voor de Grutto. Om de effectiviteit van een gebied te kunnen meten is voor de ondergrens van 10 broedparen per 100ha (gegevens Provincie Fryslân) gekozen. Hieruit bleek dat alle compensatiegebieden ruim aan deze eis voldeden. Daarom zou de maatstaaf eigenlijk nog wel wat hoger kunnen. Dit bijvoorbeeld omdat de dichtheden in het reservaatgebied van SBB bij de Hempensermar boven de 40 broedparen per 100ha ligt. En eigenlijk zou de “productie” aan vliegvlugge kuikens per gebied een betere maatstaaf zijn omdat het hier uiteindelijk voor de Grutto’s om draait. Een hoog aantal vliegvlugge kuikens zorgt er namelijk voor dat een gebied effectief is voor het in stand houden van een vitale Gruttopopulatie.
4.7 Geschiktheid van de gebieden voor de Grutto. De geschiktheid van een gebied zit hem in de mate van openheid en rust, verstoring van predatoren, mate van drooglegging, mate van kruidenrijkdom, mate van bemesting en begreppeling. De compensatiegebieden kwamen na het meten van de habitatkarakteristieken als het meest geschikt naar voren in vergelijking met de controlegebieden (zie schema 2 pagina 79). Dit is waarschijnlijk ook de reden dat de dichtheden van Gruttobroedparen dus ook het hoogste waren in de compensatiegebieden. Deze gebieden hadden ook de hoogste dichtheid aan verhuisde geringde individuen ( 1,26 /100ha) De Grutto’s selecteerden ( Ei= 0,83) de compensatiegebieden waarschijnlijk omdat ze deze beter geschikt achten. Het geheel aan geschikt habitat en een op weidevogels gericht beheer trekt Grutto’s aan. Dit komt ook naar voren in de studie van Kentie 2010 Grutto’s in ruimte en tijd. Dit motiveert tevens de keuze om kerngebieden voor weidevogels aan te leggen en hierin meer inspanning te leveren aan het behoud van een vitale weidevogelpopulatie op een meer geconcentreerde schaal.
84
5. Conclusies 1A.
De mate van drooglegging is verschillend tussen compensatie- en controlegebied. Het oppervlak gebied met een drooglegging klasse II (0 -0,4 m t.o.v. maaiveld), optimaal voor de Grutto was relatief weinig aanwezig in zowel compensatie als controlegebied. In compensatiegebied Hilaard was het meeste klasse II oppervlak beschikbaar met een optimale drooglegging voor de Grutto. Het was echter opvallend dat in de andere gevallen de drooglegging geschikter was voor de Grutto in het controlegebied dan in het compensatiegebied.
1B.
In het compensatiegebied was een 4 maal groter oppervlak plasdras percelen aanwezig in vergelijking met het controlegebied. Vanuit het oogpunt van de Grutto waren de compensatiegebieden dus op dit punt aantrekkelijker dan de controlegebieden.
1C.
De mate van kruidenrijkdom verschilde tussen compensatie en controlegebied. In het compensatiegebied was over het algemeen 2 keer meer matig- tot kruidenrijk oppervlak aanwezig in vergelijking met het controlegebied. De mate van kruidenrijkdom was daardoor geschikter in het compensatiegebied dan in het controlegebied.
1D.
De manier van bemesting verschilde tussen compensatie en controlegebied. In het compensatiegebied werd meer dan 2,5 keer zoveel oppervlak met stalmest bemest dan in controlegebeid (25% van het totale oppervlak in compensatiegebied tegenover 9% in het controlegebied). In het controlegebied werd er een groter oppervlak met drijfmest bemest in vergelijking met het compensatiegebied ( 91% in controlegebied tegenover 71% in compensatiegebied). Hierdoor lijkt het erop dat de compensatiegebieden qua bemesting geschikter zijn voor de Grutto dan de controlegebieden.
1 E.
De mate van begreppeling was verschillend tussen compensatie en controlegebied. De mate van begreppeling was in compensatiegebied meer dan 2 maal hoger dan in controlegebied (50% van het oppervlak in compensatiegebied tegenover 21% in controlegebied). Hieruit kan worden geconcludeerd dat de mate van begreppeling vanuit het oogpunt van de Grutto geschikter was in het compensatiegebied dan in het controlegebied.
2.
De compensatiegebieden waren verschillend in dichtheden aan weidevogels. De compensatiegebieden waren voor aanwijzing al rijker aan Gruttobroedparen dan de controlegebieden. Dit verschil is na aanwijzing niet significant meetbaar veranderd.
2 C.
De dichtheid aan Grutto’s was 4,5 maal hoger in compensatiegebied dan in controlegebied (28 paar per 100 ha in compensatiegebied tegenover 6 paar per 100 ha in controlegebied). Hierdoor kan worden gesteld dat de compensatiegebieden meer Gruttobroedparen hebben gehuisvest dan de controlegebieden.
85
3.
Het verschil in uitkomstsucces was niet groot en statistisch niet verschillend tussen compensatieen controlegebied. In compensatiegebied was het uitkomsucces van de nesten 68% in compensatiegebied tegenover 62% in controlegebied. Het verschil in dichtheid van het aantal ouders met jongen per gebied neigde wel significant te zijn (t=3,5, p=0.071, n=3). Dit verschil was 21 per 100 ha in compensatiegebied tegenover 4 per 100 ha in controlegebied. Dit leek een logisch gevolg van het verschil in dichtheid aan broedparen tussen compensatie- en controlegebied.
4.
De trefkans om een verhuisde geringde Grutto in de compensatiegebieden te zien was met 43 % hoger dan in de controlegebieden met 0%. De compensatie gebieden hebben meer individuele Grutto’s opgevangen dan het controlegebied. Ook de Ei van 0,83 in compensatiegebied duidde erop dat de geringde vogels de compensatiegebieden selecteerden.
5.
De Grutto heeft een voorkeur voor extensieve onverstoorde natte gebieden met een grote mate aan kruidenrijke, begreppelde met stalmest bemeste percelen (zoals aanwezig in de compensatiegebieden) met een verbeterd op het behoud van weidevogels gericht beheer (uitgestelde maaidata en dergelijke). Dit kwam ook naar voren in de langjarige studie van Rijksuniversiteit Groningen. Grutto’s in ruimte en tijd 2007-2010 (Kentie et al. 2010).
86
6. Aanbevelingen voor betere compensatiegebieden 1.
De drooglegging in compensatiegebieden kan beter geschikt gemaakt worden voor weidevogels. Er moet eigenlijk meer geschikt klasse II gebied gecreëerd worden, omdat er in alle gebieden maar marginaal Klasse II (optimaal voor de Grutto) drooglegging aanwezig is.
2.
De nestoverleving in compensatiegebied kan worden verbeterd door predatie te minimaliseren. Hiervoor is een goede manier van predatoren beheer nodig met een adequatere wetgeving op dit gebied (lichtbakvergunning).
3.
Omdat de mate van openheid en rust een belangrijke rol speelt bij de vestiging van Grutto’s is het belangrijk de openheid en rust te bewaren en te verbeteren in weidevogelgebieden.
4.
De continuering van de monitoring van de geringde vogels uit het impactgebied bij Leeuwarden. Dit om goed te kunnen zien hoe de totale populatie reageert op de veranderingen bij de Haak. Deze informatie geeft een handvat voor het beheer van weidevogels in relatie tot ruimtelijke ontwikkeling elders.
5.
Het valt ook aan te bevelen om de compensatiegebieden nog eens te onderzoeken op alle soorten weidevogels, zodat een gedetailleerder beeld geschetst kan worden over de werking van deze compensatiegebieden, dit was door een beperkte tijd echter niet haalbaar. De Grutto kan echter dienen als indicatorsoort voor een goede weidevogelstand in een gebied (Guldemond et al. 2009).
6.
Omdat het controlegebied Baard aan de ondergrens van tenminste 10 broedparen per 100ha voldoet verdient het de aanbeveling om dit gebied misschien ook in te richten als compensatiegebied, aangezien de compensatie opgaaf (in aantal ha)voor de ruimtelijke ontwikkeling bij Leeuwarden nog niet volledig gerealiseerd is. Met de dichtheidsaantallen, het relatief geschikte habitat en de ligging tegen compensatiegebied Mantgum heeft dit gebied waarschijnlijk een goede kans van slagen om als compensatiegebied te functioneren.
87
Literatuur Aerts B.A., Esselink P., Helder G.J.F. 1996. Habitat selection and diet composition of Greylag Geese Anser Anser and Barnacle Geese Branta leucopsis during fall and spring staging in relation to management in the tidal marsches of the Dollard. Zeitschrift für Ökologie und Naturschutz 5. BirdLife International 2013. Species factsheet: Limosa limosa. Gedownload van http://www.birdlife.org on 17/07/2013. Bruinzeel L.W. Van der Kamp J., Zwarts L. en Wymenga E. (Altenburg & Wymenga), Le Gouar P., Schekkerman H. en Van der Jeugd H. (Centrum voor vogeltrek en demografie, NIOO), Kentie R., Lourenço P., Hooijmeijer J.C.E.W en Piersma T.(Centre for Ecological and Evolutionary Studies, Rijksuniversiteit Groningen), Kleijn D. (Alterra, Wageningen), (Altenburg & Wymenga) 2010. Overleving, trek en overwintering van scholekster, kievit, tureluur en grutto. Dijk, A.J. van, 2004. BMP handleiding, SOVON Vogelonderzoek Nederland, Beek-Ubbergen Guldemond J.A., Melman Th.C.P., Joldersma R., Rougoor C.W., Schrijver R.A.M., Kiers M.A., Visser A. 2009 Boeren voor Grutto’s ,Grutto’s als agrarisch product. CLM onderzoek en Advies Altera Wur Alterra-Rapport 1849. Jacobs J. 1974. Quantitative measurement of food selection, a modification of the forage ratio and Ivlev’s electivity index. Oecologia. Kentie R., Hooijmeijer J.C.E.W., Both C. & Piersma T. 2010.
Eindrapport Grutto’s in ruimte en tijd 2007-2010 Rijksuniversiteit Groningen. Kentie R., Hooijmeijer J.C.E.W., & Piersma T. 2012. Grutto-demografie in Zuidwest-Friesland vanaf 2004 Rijksuniversiteit Groningen. Kuijper D.P.J., Wymenga E., van der Kamp J., Tanger D. 2006. Wintering areas and spring migration of the black-tailed gowdit bottlenecks and protection along the migration route. A&W rapport 820 Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden. Melman D., Sierdesma H. Teunissen W. & Schotman A. 2011. Oproep; Kerngebieden voor weidevogels, wat brengt dat ons? De levende Natuur. Mulder T. 1972. De Grutto (Limosa limosa) in Nederland aantallen, verspreiding, terreinkeuze, trek en overwintering. Hoogwoud Bureau van de K.N.N.V. Oosterveld E.B. 2009. Proefproject vastemestvoorziening weidevogelreservaten Fryslân/Groningen. A& W-rapport 1109 Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden. Oosterveld E.B., Hoekema F, 2012. Naar vitale weidevogellandschappen in Fryslân, Uitwerking van drie voorbeeldgebieden. A & W-rapport 1753 Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden. Van der Heide Y., Koopmans M. 2011. Weidevogels in de compensatiegebieden Hempensermeer en Hilaard A&W-rapport 1685 Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden. Van der Heide Y.2010. Weidevogels in de graslandpolders tussen Hilaard, Bears en Jorwert Van der Heide Y. 2012.
Weidevogels in de compensatiegebieden bij Mantgum in 2012. A & W-rapport 1867 Altenburg &Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden. Wymenga E. ,Bruinzeel L.W. ,Hoekema F. 2010. Compensatie voor weidevogels in het kader van de ontwikkelingen rond Leeuwarden A & W rapport 1324 Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden. Wymenga E. Bos D., Van der Heide Y., Hoekema F., Sikkema M., Van der Weyde C. 2012. Adres Onbekend Verplaatsingen van Grutto’s bij habitatverlies door woningbouw en infrastructuur. A & W rapport 1718 Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek Feanwâlden. Wymenga E., Melman D. 2011 Weidevogelcompensatie in Fryslân: Achtergronden en uitwerking A & W rapport 1651/Alterra-rapport 2246 Alterra, Wageningen/ Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden.
88