CConstaterende datLeeuwarden
Koppel je AI →
Document · PDF

Eindrapport_effectiviteit_van_weidvogel_compensatiegebieden_voor_de_Grutto_rond_Leeuwarden

Besluitvorming (raad) 7 juli 2021, gemeente LeeuwardenBij agendapunt: Nagekomen inspraakreacties22.366 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Klasse I II III IV V

Drooglegging in m t.o.v. maaiveld 0 tot 1 meter boven maaiveld. 0 tot -0,4 meter beneden maaiveld -0,4 tot -1 meter beneden maaiveld -1 tot -1,8 meter beneden maaiveld. -1,8 tot-3,38 meter beneden maaiveld.

Geschiktheid voor de Grutto Ongeschikt (te nat) Optimaal Goed Matig ongeschikt

Data analyse Om het verschil in waterpeil tussen de compensatie- en controlegebieden te kunnen beschrijven is gebruik gemaakt van kaarten. Deze informatie is met GIS-software (ARC map 10. 1) geanalyseerd en weergegeven op kaart. Er is per gebied uitgerekend welke drooglegging elk gebied heeft. De gegevens zijn weergegeven op kaarten 9 t/m 11.

23

2.2.2 Plasdras Data verzameling en -preparatie De plasdras gebieden zijn in het begin van het seizoen vastgesteld in de compensatie- en controlegebieden bij de eerste BMP telrondes. Deze gegevens zijn vervolgens in de Shapefile van de GISsoftware (ARC map) gezet en vervolgens op perceelsniveau gestippeld weergegeven op kaart. Data analyse In het GIS programma zijn vervolgens de oppervlakn per gebied berekend. Daarna is de hoeveelheid plas dras teruggerekend naar dichtheid per 100 ha en tussen de compensatie- en controlegebieden vergeleken. Op afbeelding 2 en 3 zijn voorbeelden weergeven hoe een plas dras eruit zag in de onderzoeksgebieden.

Afbeelding 2 Links plas-dras perceel aan de zuidkant van het compensatiegebied Hilaard (Rodenhuis), op de achtergrond het plaatsje Jorwert. Afbeelding 3 Rechts Grutto’s op de plas dras (Oostra) aan de noordkant van de Jorwerter opvaart in het compensatiegebied Hilaard in 2013 (foto: Gjerryt Hoekstra).

24

2.2.3 Kruidenrijkdom Data verzameling en -preparatie Om de kruidenrijkdom in compensatie- en controle gebieden in kaart te brengen zijn alle percelen in de loop van het seizoen geïnventariseerd. De kruidenrijkdom is in de drie volgende klassen ingedeeld, die eenvoudig in het veld te identificeren zijn (Kentie et al. 2013). 

 

Kruidenarm: Voornamelijk hoge opbrengst grassoorten, zoals Engels Raaigras (Lolium perenne ) en geen of nauwelijks andere plantensoorten met uitzondering van een enkele paardenbloem (Taraxacum officinale). Matig kruidenrijk: vooral hoge opbrengstgrassoorten maar nu met een hoger aandeel kruiden, zoals meer Paardenbloem en Pinksterbloem (Cardamine pratensis). Kruidenrijk: Verschillende grassoorten zoals gewoon reukgras (Anthoxanthum odoratum) en aanwezigheid van de scherpe boterbloem (Ranunculus acris) (Kentie et al. 2013).

Op het kaartmateriaal is kruidenarm donkergroen, matig kruidenrijk lichtgeel en kruidenrijk rose weergegeven. Data analyse Deze gegevens zijn op perceelsniveau ingevoerd als Shapefile in de GIS-software ARC map 10.1 en vervolgens op oppervlak geanalyseerd en weergeven op kaart. Met behulp van de oppervlaks per gebied is een vergelijking gemaakt. Bij de vergelijking zijn de gegevens per klasse teruggerekend naar hoeveelheid per 100 ha om zo een nette vergelijking te kunnen doen.

2.2.4 Bemesting Het gebruik van stalmest is over het algemeen een indicatie van een meer extensief landgebruik in tegenstelling tot drijfmest, dat veel op meer intensievere hoge opbrengst graslanden wordt toegepast (Kentie et al. 2013). Data verzameling en -preparatie Om de manier van bemesting van compensatie- en controlegebied met elkaar te vergelijken zijn de gebieden op perceelsniveau geïnventariseerd. Er is een indeling gemaakt in drie klassen die eenvoudig in het veld te identificeren zijn (door auteur).   

Geen bemesting: onbemeste percelen (vaak in eigendom van een natuurorganisatie) Stalmest: vaste (pot)stalmest met hoge stro fractie Drijfmest: vloeibare mest op het land met een giertank geïnjecteerd.

Data analyse De gegevens zijn per perceel als Shapefile in de GIS-software (ARC map 10.1) ingevoerd. Op deze manier konden de oppervlakn per gebied worden uitgerekend en met elkaar vergeleken. Bij de vergelijking zijn de gegevens per klasse teruggerekend naar hoeveelheid per 100 ha.

25

2.2.5 Begreppeling Data verzameling en -preparatie De mate van begreppeling is in kaart gebracht door aan het begin van het seizoen, terwijl het gras nog kort was, op perceelsniveau te inventariseren. Er is een indeling gemaakt in twee klassen.  

Begreppeld: Hierbij lagen er greppels op het perceel die voor de afwatering zorgden. Niet begreppeld: Hierbij waren er geen greppels aanwezig maar werd de ontwatering verzorgd door ondergrondse (drain) ontwatering.

De begreppeling is over het algemeen ook een goede indicator of een gebied intensief of meer extensief gebruikt wordt. Vaak hebben begreppelde percelen ook een hogere kruidenrijkdom en een hoger slootwaterpeil in vergelijking met niet begreppelde percelen (Kentie et al. 2013). De gegevens die zijn verzameld zijn vervolgens als Shapefile in de GIS-software ( ARC map) ingevoerd. Hierna is de verdeling op kaartmateriaal weergegeven. Data analyse In de GIS- analyse konden de oppervlakn per klasse worden berekend. Bij de vergelijking tussen de compensatie- en controlegebieden zijn de gegevens per klasse teruggerekend naar hoeveelheid per 100 ha.

26

2.2.6 Openheid en rust Data verzameling en -preparatie Om de openheid en rust in een gebied te kunnen meten is gebruik gemaakt van vuistregels met betrekking tot verstoringsafstanden. In de tabel 7 hieronder zijn de gemiddelde verstoringsafstanden per verstorend object weergegeven. Met behulp van deze verstoringsafstanden is een GIS-analyse uitgevoerd hier zijn de oppervlakn verstoord- en niet verstoord per gebied aangegeven. Als topografische ondergrond voor de ruimtelijke analyses is de TOP 10NL gebruikt. Tabel 7 Verstoringsafstanden voor weidevogels voor openheid en rust. De verstoringsafstand geeft aan over welke gemiddelde afstand vanaf een storingsbron sprake is van lagere dichtheden van broedende weidevogels dan zonder de verstoringsbron (bron: Oosterveld en Hoekema 2012).

Verstorend object Gemeentelijke wegen Provinciale wegen Auto (snel) wegen Spoorlijn (intercity) Spoorlijnen (lokaal) Fietspad Hoogspanningsleiding Landschapsbeplantingen Lijnvormige beplantingen Bos (>0,5 ha) Huizen (bebouwde kom) Rietland Gaswinstation Windturbines

Gemiddelde verstoringsafstand (m) 50 100 150 150 100 50 100 200 200 250 300 200 325 200

Data analyse Met behulp van de verstoringskaarten is per gebied het percentage verstoord- en niet verstoord oppervlak berekend. Dit is per gebied op kaart weergegeven, hier overheen zijn ook de bekende broed/ nestlocaties van het jaar 2013 geplaatst. Met deze gegevens zijn de compensatie- en controlegebieden met elkaar vergeleken.

27

2.3 Grutto dichtheid De gegevens van voorgaande jaren zijn voor zover bekend opgevraagd en weergeven in bij de gebiedsbeschrijving.

2.3.1 Dichtheid Data verzameling en -preparatie Om de dichtheid van Gruttobroedparen te kunnen berekenen was een inventarisatie van de compensatie en de controlegebieden nodig. Deze gebieden zijn geïnventariseerd aan de hand van tellingen. Bij het uitvoeren van de tellingen is gebruik gemaakt van de door het SOVON ontwikkelde BMP- inventarisatiemethode (Dijk, 2004). Hierbij werden bij elk bezoek de waarnemingen van Grutto’s ingetekend op een kaart van het onderzoeksgebied. Bij deze tellingen werd een ronde door het gebied gelopen. Tijdens de inventarisaties werd gelet op territorium indicerend (balts, en territorium afbakening) en nestindicatief (alarmeren, afleiding) gedrag. Op basis van deze waarnemingen is er uiteindelijk een verspreiding/ dichtheid kaart samengesteld. Elk onderzoeksgebied is 5 keer bezocht. Een bezoek begon bij zonsopgang en eindigde op zijn laatst op 5 uur ‘s middags. (omdat de vogels in deze periode actief zijn en om iedere keer dezelfde zoekinspanning per gebied te leveren). De onderzoeksgebieden zijn lopend gekarteerd, vanaf de rand van de percelen met zo nu en dan insteken. Ook zijn waarnemingen van gekleuringde Grutto’s genoteerd en op de verspreidingskaart ingetekend. Vervolgens is het totale aantal broedparen teruggerekend naar broedparen per 100 ha om zo een zuivere vergelijking tussen de gebieden te kunnen maken.

De BMP telgegevens zijn later gevalideerd met de nestvondsten in de gebieden. Data analyse De aantallen Gruttobroedparen zijn per compensatie- en controle gebied berekend naar dichtheid per 100 ha. Met behulp van deze informatie zijn de verschillen tussen de compensatie- en controlegebieden berekend. De verschillen tussen compensatie- en controlegebied zijn op significantie getest met een gepaarde T-toets.

2.3.2 Broedende Grutto’s De broedende Grutto’s zijn geïnventariseerd tijdens de BMP tellingen. Bij elk veldbezoek is per perceel gekeken hoeveel broedparen nestindicerend gedrag vertoonden. Vervolgens is op de percelen waar dit het geval was gericht naar legsels gezocht. Een indicator was de manier van opvliegen uit het perceel. Wanneer een Grutto met een zeer korte vleugelslag uit het perceel opkomt, komt deze vrijwel zeker van een nest. Op deze manier is ongeveer van 90% van het totaal aantal broedparen een nest gevonden. Enkele nesten zijn niet gevonden en deze zijn dan ook niet meegenomen in de analyses van het nestsucces. De broedparen waarvan geen nest bekend was zijn wel meegenomen in de dichtheid analyse van de gebieden. Het kan daarom voorkomen dat er meer broedparen in een gebied zijn dan gevonden nesten (dit kwam voor in controlegebied Warten). Van elke nestvondst is een GPS-locatie genomen die vervolgens in de Shapefile van de GIS-software kon worden ingevoerd. Op de afbeelding 4 op de volgende pagina staat een voorbeeld van een Gruttolegsel met een GPS-locatie weergegeven.

28

Afbeelding 4 Legsel van een Grutto met GPS locatie (foto: Gjerryt Hoekstra 2012)

29

2.3.3 Geringde Grutto’s. Bij elk bezoek aan de compensatie- en controle gebieden is gelet op de aanwezigheid van gekleurringde Grutto’s uit het impactgebied bij Leeuwarden. De vogels uit de Haak waren geringd met een R6 combinatie een voorbeeld hiervan is te zien op afbeelding 5 en 6. Dit betekent de vlag op positie 6 met een combinatie van 4 kleurringen (Rood, geel, blauw, limoen groen). De code wordt gelezen van linksboven (linkerpoot van de Grutto) naar rechtsonder (rechterpoot van de Grutto). De vogel is ook van een metalen ring voorzien die geen deel uit maakt van de kleurcombinatie. De waarnemingen zijn met behulp van een telescoop met een 60x vergroting gemaakt. In de broedfase worden de Grutto’s meer territoriaal en zoeken ze een plek op de percelen om hun nest te bouwen en te broeden. In deze fase is gekeken of er daadwerkelijk gekleuringde Grutto’s uit het gebied van de Haak zich hadden gevestigd in de compensatie- of controlegebieden. Van elke geringde Grutto die zich in de compensatie- of controlegebieden had gevestigd is vervolgens onderzocht bij welk nest ze hoorden en of dit nest succesvol was. Later met de alarmtellingen werd duidelijk of de gekleuringde Grutto’s later in het seizoen nog kuikens aan het begeleiden waren en dus succesvol of niet succesvol gebroed hadden.

De waarnemingen elders in het zoekgebied van A &W (de gestippelde cirkel in kaart 4) zijn gedaan door de auteur en Yde van der Heide (medewerker A & W).

L

R

Vlag

R6 BBYB Metalen ring

Afbeelding 5 Links kleurringcode Afbeelding 6 Rechts Grutto R6BBYB in compensatiegebied Hempensermeer (Bron: Gjerryt Hoekstra 2013)

30

2.4 Bepaling broedsucces 2.4.1 Uitkomstsucces nesten Nesten zoeken De nesten in het gebied zijn opgezocht door te kijken naar het gedrag van de volwassen vogels. Als blijkt dat vogels op bepaalde percelen gedrag vertoonden dat duidde op een nest, zoals het wegjagen van een kraai/kauw of meeuw werden deze percelen gericht afgezocht. Van deze nesten is een GPS locatie genomen en ingetekend op een veldkaart. Data verzameling en -preparatie Om het uitkomstsucces van de gevonden nesten in de controle- en compensatiegebieden te kunnen meten moesten eerst zoveel mogelijk nesten worden gelokaliseerd. Deze nesten zijn in de loop van het seizoen gevolgd. Data analyse Het uitkomstsucces per gebied is berekend door het aantal uitgekomen nesten als percentage te nemen van het totale aantal legsels in een gebied.

2.4.2 Broedparen met jongen Data verzameling en -preparatie Deze gegevens zijn verzameld door een alarmtelling in zowel compensatie- en controlegebied te doen. Bij deze telling worden de aantallen alarmerende Grutto’s paren in kaart gebracht. Als de Grutto’s later in het seizoen alarmeren als een perceel betreden wordt kan er van uit worden gegaan dat ze een of meerdere kuikens aan het begeleiden zijn. De alarmtellingen zijn uitgevoerd tot 30 mei. Data analyse Deze gegevens verkregen uit de alarmtellingen zijn per gebied teruggerekend naar dichtheden per 100 ha. Vervolgens zijn de dichtheden tussen compensatie- en controlegebied met elkaar vergeleken.

2.4.3 Bruto Territoriaal Succes Het Bruto Territoriaal Succes (BTS) is een indicatie van het reproductief succes van de Grutto in de gebieden. BTS is het percentage Gruttoparen dat er in slaagt kuikens groot te brengen als een functie van het aantal paren dat zich aan het begin van het broedseizoen in een gebied hebben gevestigd. Het BTS is uitgerekend aan de hand van de dichtheidsgegevens uit de BMP tellingen. Voor de berekening zijn de dichtheden van het totaal aantal broedparen dat zich in het gebied gevestigd hebben nodig. Ook de dichtheden van het aantal alarmerende broedparen per gebied (verkregen uit de alarmtelling, waar van uit gegaan kan worden dat ze 1 of meer kuikens aan het begeleiden waren) aan het eind van het seizoen waren nodig voor de berekening van het BTS. De verschillen tussen compensatie en controlegebied zijn op significantie getoetst met behulp van een gepaarde T- toets.

31

2.5 Wanneer is een gebied effectief als compensatiegebied voor de Grutto? Om de effectiviteit van een gebied te kunnen bepalen voor de Grutto is in deze studie gekeken naar de criteria en vuistregels uit het rapport naar vitale weidevogellandschappen in Fryslân (A & W rapport 1753, 2012), deze criteria geven een indicatie hoe een goed weidevogellandschap eruit moet zien. Om de effectiviteit te kunnen meten is gebruik gemaakt van de dichtheden van het aantal broedparen per 100 ha van de Grutto. Een gebied is effectief voor de Grutto wanneer er tenminste 10 broedparen per 100 ha aanwezig zijn. Deze ondergrens is vastgesteld door de Provincie Fryslân (gegevens 2009 Oosterveld en Hoekema 2012). Een gebied is pas effectief als compensatiegebied wanneer er daadwerkelijk verplaatsingen zijn van geringde Grutto’s, verstoord rond Leeuwarden, naar een gebied.

2.6 GIS analyses Alle geïnventariseerde gegevens over de compensatie en controlegebieden zijn ingevoerd in een attribute table in ARC map 10.1. Eerst zijn van elk gebied de percelen genummerd. Alle informatie in het kader van habitat is later aan dit perceelnummer gekoppeld en in de tabel weergegeven. Met het programma ARC map 10.1 konden deze gegevens vervolgens worden vertaald in overzichtelijke kaartlagen. In het programma konden per onderdeel berekeningen zoals oppervlakn worden uitgevoerd. Hiermee is elk compensatie gebied met het controlegebied vergeleken. De GPS locaties van de nesten zijn ook in het bestand ingevoerd en als aparte kaartlaag weergegeven. De oppervlak analyses en omzettingen van Raster tot polygon bestanden zijn uitgevoerd met de extensie Spatial analist. Dit programma bevat uitgebreide modelleer- en analysefuncties voor raster en vectordata. De data konden worden geanalyseerd en gevisualiseerd op kaarten.

2.7 Statistiek Gepaarde T Toets. Voor de dichtheidsvergelijking van Grutto paren en de vergelijking van de habitatkarakteristieken tussen compensatie- en controlegebied is een gepaarde T-toets gebruikt. Dit is een parametrische toets voor het testen van gepaarde gemiddelden (in dit geval dichtheden per 100ha). Voor de parenreeksen zijn de gegevens verkregen uit de 3 sets compensatie- controlegebieden (Hempensermeer-Warten, HIlaardJellum en Mantgum-Baard) gebruikt. Met deze gepaarde T-toets zijn de verschillen tussen compensatieen controlegebied op significantie getoetst. Selectivityindex. Een aangepaste versie van de Ivley’s electivity index (E) is gebruikt om de selectivity index (Ei) van geringde Grutto’s te berekenen (Jacobs, 1974). Hierin wordt duidelijk of de geringde verhuisde Grutto’s vanuit het gebied van de ruimtelijke ontwikkeling bij Leeuwarden bij hun verhuizing in 2013 een voorkeur hebben voor compensatie- dan wel controlegebied. Ei wordt gedefinieerd als het relatieve verschil tussen di en ai. Ei = (di –ai)/(di+ai) di staat voor % Grutto’s op het oppervlak (compensatie/controle/ elders zoekgebied A&W) ai staat voor % dat het oppervlak (compensatie/controle/ elders zoekgebied A&W) van het totale oppervlak (alle gebieden samen) bedraagt. De waarde van Ei varieert van -1 tot+1.

Waarden tussen -1 en 0 indiceren dat Grutto’s negatief selecteren op een gebied (in het kort mijden) en waarden tussen 0 en +1 indiceren dat Grutto’s positief selecteren op een gebied (in het kort kiezen voor). Deze selectivity index is onder andere gebruikt in een onderzoek naar habitatselectie van Grauwe ganzen en Brandganzen in de Dollard (Aerts et al. 1996). 32

3.Resultaten 3.1 Habitatkarakteristieken als parameter voor de geschiktheid van een gebied voor de Grutto Per habitatkarakteristiek worden eerst de compensatie- en controlegebieden in detail besproken, daarna is de vergelijking tussen het totale oppervlak compensatie- en controlegebied gemaakt, dus van alle compensatie gebieden samen en alle controlegebieden samen.

3.1.1 Drooglegging. De onderzochte compensatie en controlegebieden verschilden van elkaar in de mate van drooglegging. In compensatiegebied Hilaard was het hoogste percentage klasse II (0 tot -0,4 m t.o.v. maaiveld) aanwezig. Deze voor de Grutto optimale drooglegging was vooral in de zuidkant van het gebied aanwezig (zie kaart 11). In controlegebied Jellum was het percentage klasse II met 2% het laagst. In de vergelijking tussen compensatiegebied Hempensermeer en controlegebied Warten was de drooglegging (klasse II/III) voor Grutto’s beter geschikt in het controlegebied dan in het compensatiegebied (zie kaart 10). Ook in de vergelijking tussen compensatiegebied Mantgum en controlegebied Baard was dit het geval (zie kaart 12). De vergelijking met daarin de percentages oppervlak met een optimale (klasse II in het blauw) en goede (klasse III in het groen) drooglegging per gebied zijn weergegeven in tabel 8 en figuur 4 op de volgende pagina. Op kaarten 10 tot en met 12 is de exacte drooglegging per gebied weergegeven.

33

Tabel 8 Verdeling in droogleggingklassen tussen alle compensatie en controlegebieden. De compensatie- en controlegebieden zijn om en om weergegeven en gearceerd met dezelfde kleur in de tabel. In de linker kolom is steeds per droogleggingklasse het aantal hectares weergegeven, en in de rechterkolom het percentage van het oppervlak van dit gebied.

Klasse Hempensermeer Warten Hilaard Jellum Mantgum Baard

I (ha) 2,0 0 1,6 1,2 0 1,0

II (%) 1 0 1 1 0 1

(ha) 7,2 7,0 17,0 8,3 1,9 6,0

III (%) 3 4 8 2 4 6

(ha) 54,0 144,0 101,0 123,6 16,3 34,0

IV (%) 25 80 47 33 35 37

V

(ha) 150,0 28,5 93,0 235,0 28,6 65,0

(%) 69 15 43 62 61 56

(ha) 3,8 0,5 2,0 10,2 0 0

(%) 2 1 1 2 0 0

100% 90% % van totale oppervlak

80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0%

H.meer

Warten

Hilaard

Jellum

Mant.

Baard

Klasse V-1,8tot-3,38m beneden mv

2%

1%

1%

2%

0%

0%

Klasse IV-1tot-1,8m beneden mv

69%

15%

43%

62%

61%

56%

Klasse III-0,4tot-1m beneden mv

25%

80%

47%

33%

35%

37%

Klasse II 0tot -0,4 m beneden mv

3%

4%

8%

2%

4%

6%

Klasse I 0+1 m boven mv

1%

0%

1%

1%

0%

1%

Figuur 1 Staafdiagram met de verdeling per gebied in droogleggingklassen. Elke set compensatie en controlegebied is met een grijze stippellijn omlijnd. De kleuren in het staafdiagram corresponderen met de legenda op kaarten 10 t/m 12. Klasse II optimaal voor de Grutto is weergegeven in lichtblauw en Klasse III goed voor de Grutto is weergegeven in het groen.

34

V IV III II I

Kaart 10 Drooglegging in het compensatiegebied Hempensermeer en het controlegebied Warten. Drooglegging is de ligging van het maaiveld ten opzichte van de polderpeilen in het gebied (Winterpeil 2011 Gegevens Wetterskip Fryslân) Een drooglegging van -0,2 m wil zeggen dat het polderpeil 0,2 meter beneden maaiveld staat. De drooglegging is in het controlegebied Warten (rechts) beter geschikt voor de Grutto dan het compensatiegebied Hempensermeer (links).

35

Kaart 11 Drooglegging in het compensatiegebied Hilaard (links) en het controlegebied Jellum (rechts). Drooglegging is de ligging van het maaiveld ten opzichte van de polderpeilen in het gebied(Winterpeil 2011 Gegevens Wetterskip Fryslân) Een drooglegging van 0,2 m wil zeggen dat het polderpeil 0,2 meter beneden maaiveld staat. In het compensatiegebied Hilaard is aan de zuidkant van het gebied de meeste oppervlak met optimale drooglegging voor de Grutto aanwezig.

36

Kaart 12 Drooglegging in het compensatiegebied Mantgum (rechts) en het controlegebied Baard (links). Drooglegging is de ligging van het maaiveld ten opzichte van de polderpeilen in het gebied(Winterpeil 2011 Gegevens Wetterskip Fryslân) Een drooglegging van -0,2 m wil zeggen dat het polderpeil 0,2 meter beneden maaiveld staat.

37

Drooglegging in totale oppervlak compensatie- controlegebied Om een totale vergelijking te maken zijn de drie compensatiegebieden (Hempensermeer, Hilaard, Mantgum) bij elkaar genomen en de drie controlegebieden (Warten, Jellum, Baard) bij elkaar genomen en vergeleken. In de compensatiegebieden samen had totaal 5% (26,1ha) van het oppervlak een optimale drooglegging (klasse II) voor de Grutto. Dit tegenover 3% (21,3ha) in het volledige oppervlak controlegebied. In het compensatiegebied had 36% van het oppervlak een goede drooglegging voor de Grutto (klasse III), tegenover 45,5% in het totale controlegebied. In het compensatiegebied was 56 % van de oppervlak qua drooglegging matig geschikt voor de Grutto (klasse IV), tegenover 50 % in het controlegebied. Ook het percentage met een ongeschikte drooglegging voor de Grutto (klasse V) was met 2 % in het compensatiegebied iets hoger dan de 1% in het controlegebied. Het valt dus op dat er in de compensatie gebieden meer areaal is met een optimale drooglegging voor de Grutto (klasse II), maar in de controlegebieden meer areaal met een goede drooglegging voor de Grutto (klasse III). In de tabel 9 hieronder staat de verdeling per klasse in alle compensatie- en controlegebieden samen weergegeven. In figuur 2 is in een staafdiagram de vergelijking tussen de totale oppervlakte aan compensatie- en controlegebied weergegeven.

Hieruit werd duidelijk dat er meer optimale drooglegging (klasse II) aanwezig was in compensatiegebied. Tabel 9 Verdeling in droogleggingklassen over het gehele oppervlak compensatie- en controlegebied. De percentages zijn het totale

I Compensatiegebied Controlegebied

(ha) 3,6 2,2

II % 1 0,5

(ha) 26,1 21,3

III % 5 3

(ha) 171,3 301,6

IV % 36 45,5

(ha) 271,6 328,5

V % 56 50

(ha) 5,8 10,7

% 2 1

oppervlak compensatie dan wel controlegebied.

60%

% van totaal oppervlak

50% 40% Compensatiegebied

30%

Controlegebied 20% 10%

0% I

II

III

IV

V

Figuur 2 Verdeling in droogleggingklassen over het gehele oppervlak compensatie- en controlegebied.

38

3.1.2 Kruidenrijkdom en plas dras De gegevens van de kruidenrijkdom en plas dras zijn in alle compensatie- en controlegebieden onderzocht (tabel 10 en figuur 6). De kruidenrijkdom en plas dras zijn samengenomen omdat ze deels met elkaar overlapten, kort gezegd veel plas dras oppervlak was ook kruidenrijk. Deze plas dras oppervlakten bestonden uit greppel-plas dras (altijd ook kruidenrijk) en plas dras waarbij een perceel volledig onder water stond (geen vegetatie zichtbaar maar voor inundatie wel kruidenrijk). Deze twee soorten plas dras zijn in de vergelijking tussen de gebieden samengenomen. In het compensatiegebied Hempensermeer was veel kruidenarm oppervlak aanwezig, zo’n 80%. Het oppervlak matig kruidenrijk besloeg 14 % en het kruidenrijke oppervlak 4%, in totaal was 2% van het gebied plas dras. Er lag een plas dras zowel in het westelijke als het oostelijke deel van het gebied. In het controlegebied Warten was 75% kruidenarm, 19% matig kruidenrijk en 5% kruidenrijk oppervlak aanwezig. Er was ook plas dras aanwezig, deze bedroeg 1 % van het totale oppervlak. De plas dras en de matig tot kruidenrijke percelen lagen in het westelijke deel van het gebied tegen de Langedeelvaart die het gebied scheidt van het compensatiegebied (zie kaart 13). Compensatiegebied Hilaard was het gebied met het meeste kruidenrijk oppervlak, dit bedroeg 29%.

Ook was het matig kruidenrijke oppervlak het hoogst met 26%. Het kruidenarme oppervlak besloeg 42% van het gebied. De kruidenrijke percelen en de plas dras lagen vooral in het midden en het zuiden van het gebied (zie kaart 14). Het controlegebied Jellum was een overwegend kruidenarm intensief gebied met veel hoge opbrengstgrassoorten en weinig kruidenrijke percelen en geen plas dras aanwezig. Aan de zuidwestkant van het gebied was een klein stukje met kruidenrijke tot matig kruidenrijke percelen aanwezig dit bedroeg echter maar 6 % van het totale oppervlak. In compensatiegebied Mantgum was een kruidenrijke greppel plas dras aanwezig deze besloeg 8% van het totale oppervlak, met daaromheen vooral kruidenarme percelen. In het zuidelijke deel waren enkele kruidenrijke percelen aanwezig. In totaal was 17% van het gebied kruidenrijk en 9% matig kruidenrijk, de overige 74 % was kruidenarm. In het controlegebied Baard was in het centrum van het gebied een greppel plasdras aanwezig met een kruidenrijke vegetatie deze besloeg 3 % van het totale gebied. Aan de randen werd deze omringd door percelen met een matige kruidenrijkdom. Het grootste deel (72%) bestond echter uit kruidenarme percelen (zie kaart 15).

39

Tabel 10 Vergelijking van de verdeling van kruidenarme tot kruidenrijke oppervlaks in combinatie met plas dras per compensatie- en controlegebied. Het percentage plas dras overlapt soms met kruidenrijke oppervlaks, dit omdat plas dras percelen in veel gevallen ook kruidenrijk waren in de linkerkolom is per klasse het totale aantal hectares aangeven in de rechter kolom het percentage van het totale oppervlak.

Hempensermeer Warten Hilaard Jellum Mantgum Baard

Kruidenarm (ha) (%) 174,38 80 134,78 75 89,61 42 348,20 94 34,10 74 68,10 72

Matig kruidenrijk (ha) (%) 28,68 14 35,09 19 55,25 26 7,90 3 3,60 9 16,07 16

Kruidenrijk (ha) (%) 7,48 4 8,30 5 62,00 29 9,05 3 7,40 17 11,20 12

Plas dras (ha) (%) 3,40 2 1,90 1 11,90 6 0 0 2,20 8 2,70 3

100% 90%

percentage per 100 ha

80% 70% 60% 50% 40% 30% 20%

10% 0%

H.meer

Warten

Hilaard

Jellum

Mantgum

Baard

plasdras

2%

1%

6%

0%

8%

3%

kruidenrijk

4%

5%

29%

3%

17%

12%

matig kruidenrijk

14%

19%

26%

3%

9%

16%

kruidenarm

80%

75%

42%

94%

74%

72%

Figuur 3 Vergelijking van de verdeling van kruidenarme tot kruidenrijke oppervlakte in combinatie met plas dras per compensatie- en controlegebied. Het percentage plas dras overlapt soms met kruidenrijke oppervlakte, dit omdat plas dras percelen in alle gevallen ook kruidenrijk waren, de percentages zijn teruggerekend naar percentage van totale oppervlak om zo een zuivere vergelijking te kunnen maken.

40

Afbeelding 7 Voorbeeld kruidenrijk grasland in compensatiegebied Hilaard met een open structuur met scherpe Boterbloem (Ranunculus acris) en Pinksterbloem (Cardamine pratensis) (foto: Gjerryt Hoekstra, 2013).

Afbeelding 8 Kruidenarm grasland in controlegebied Jellum met een dichtere structuur met vooral hoge opbrengstgrassoorten zoals Engels raaigras. (Lolium perenne)(foto: Gjerryt Hoekstra, 2013).

41

Kaart 13 Ligging van plas dras en de kruidenarme- tot kruidenrijke percelen in het compensatiegebied Hempensermeer links en controlegebied Warten rechts. Gegevens zijn in het broedseizoen 2013 verzameld tijdens de veldbezoeken.

42

Kaart 14 Ligging van plas dras en de kruidenarme- tot kruidenrijke percelen in het Compensatiegebied Hilaard links en controlegebied Jellum rechts. Gegevens zijn in het broedseizoen 2013 verzameld tijdens de veldbezoeken.

43

Kaart 15 Ligging van plas dras en de kruidenarme- tot kruidenrijke percelen in het compensatiegebied Mantgum rechts en controlegebied Baard links. Gegevens zijn in het broedseizoen 2013 verzameld tijdens de veldbezoeken.

44

Kruidenrijkdom op het totale oppervlak compensatie- controlegebied Om een totaal overzicht te maken zijn de drie compensatiegebieden (Hempensermeer, Hilaard, Mantgum) en de drie controlegebieden (Warten, Jellum, Baard) bij elkaar genomen en vergeleken. Het percentage kruidenrijk- en plas dras oppervlak was in het compensatiegebied 4 maal hoger dan in het controlegebied. Ook was het percentage matig kruidenrijk oppervlak in compensatiegebied bijna 2 keer zo hoog als in controlegebied. Het percentage kruidenarme percelen was juist in de controlegebieden ongeveer 4x hoger dan in de compensatiegebieden (tabel 11 en figuur 4). Het is bekend dat de Grutto kruidenrijke percelen met plas dras in de buurt prefereert omdat hier meer voedsel te vinden is in vergelijking met kruidenarme percelen. Met het oog hierop lijkt het dat het totale oppervlak compensatiegebied er vanuit het oogpunt van de Grutto qua kruidenrijkdom en plas dras geschikter uitziet dan het totale oppervlak controlegebied.

Tabel 11 Vergelijking van de verdeling van kruidenarme tot kruidenrijke oppervlaks in combinatie met plas dras per compensatie- en controlegebied (alle compensatie en controle gebieden zijn bij elkaar opgeteld en het percentage is berekend van het totale oppervlak.) het percentage plas dras overlapt soms met kruidenrijke oppervlaks, dit omdat plas dras percelen in veel gevallen ook kruidenrijk waren in de linkerkolom is per klasse het totale aantal hectares aangeven in de rechter kolom het percentage van het totale oppervlak.

Compensatiegebied Controlegebied

100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0%

Kruidenarm (ha) (%) 298,09 62 551,08 86

Matig kruidenrijk (ha) (%) 87,53 18 59,06 10

Kruidenrijk (ha) (%) 77,2 16 28,55 4

Plas dras (ha) (%) 17,5 4 4,6 0,7

Compensatiegebied (477,8 ha) Controlegebied (648 ha)

Figuur 4 Vergelijking van de verdeling van kruidenarme tot kruidenrijke oppervlaks in combinatie met plas dras per compensatie- en controlegebied (alle compensatie en controle gebieden zijn bij elkaar opgeteld en het percentage is berekend van het totale oppervlak). Het percentage plas dras overlapt in enkele gevallen met kruidenrijke oppervlaks, dit omdat plas dras percelen in alle gevallen ook kruidenrijk waren.

45

3.1.3 Bemesting In het compensatiegebied Hempensermeer werd in 2013 op 14,92ha (8%) stalmest gebruikt. Voor 88% van het gebied werd drijfmest gebruikt. De overige 4% werd niet bemest, hieronder viel ook het perceel plas dras. In het controlegebied Warten werd voor 24% van het totale oppervlak strorijke stalmest gebruikt. Dit was 3 maal zoveel als de 8 % in compensatiegebied Hempensermeer. Op de overige 74% van het gebied werd drijfmest gebruikt. In Hilaard werd het hoogste aantal hectares (90,2) stalmest gebruikt, dit bedroeg 44% van het gebied. Op 50% van het gebied werd drijfmest gebruikt, en op 4% werd geen bemesting toegepast. Het percentage stalmest was 14 maal hoger dan in het controlegebied Jellum. In controlegebied Jellum werd dan ook het laagste percentage (3%) stalmest gebruikt. Op de overige 97% van het gebied werd drijfmest gebruikt. In compensatiegebied Mantgum werd de plasdras en een perceel in de zuidkant van het gebied met stalmest bemest dit bedroeg 14 % van het totaal. Voor de overige 86% van het gebied werd drijfmest gebruikt. In controlegebied Baard was totaal 4,92 ha (5%) met stalmest bemest. In de rest van het gebied werd drijfmest gebruikt. Voor de volledige vergelijking zijn tabel 12 en figuur 5 hieronder weergegeven.

Tabel 12 Vergelijking van bemestingstype per gebied in de linkerkolom het aantal hectares en de rechterkolom het percentage van het totale oppervlak. Elke set compensatie- en controlegebied is met dezelfde kleur gearceerd in de tabel.

% van totale oppervlak

Hempensermeer Warten Hilaard Jellum Mantgum Baard

100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0%

Stalmest (ha) (%) 14,92 8 41,68 24 90,20 44 11,62 3 6,30 14 4,92 5

Drijfmest (ha) (%) 188,00 88 135,79 76 105,67 50 361,37 97 40,40 86 90,46 95

Geen bemesting (ha) (%) 7,48 4 0 0 9,17 6 0 0 0 0 0 0

geen bemesting drijfmest stalmest

Figuur 5 Vergelijking van bemestingstype per gebied teruggerekend naar percentage van het totale oppervlak van het gebied.

46

Bemesting op het totale oppervlak compensatie- controlegebied In het totale oppervlak compensatiegebied (Hempensermeer, Hilaard en Mantgum) werden 25% van het oppervlak met strorijke stalmest bemest. Op 71% van het oppervlak werd drijfmest gebruikt. In Totaal werd 4 procent van de percelen niet bemest. Dit waren meestal de plas dras percelen of een aantal percelen in beheer van Natuurmonumenten in Hilaard. In de controlegebieden (Warten, Jellum en Baard) werd 9% van het totale oppervlak met strorijke stalmest bemest. 91% van het controlegebied werd bemest met drijf- of kunstmest. Er waren in de controlegebieden geen percelen aanwezig die niet bemest waren. In de compensatiegebieden werd bijna 3 keer zoveel met strorijke stalmest bemest in vergelijking met de controlegebieden. In de controlegebieden werd 20 % meer drijf- of kunstmest gebruikt in vergelijking met de compensatiegebieden (zie kaarten 16t/m 18). Het is bekend dat Grutto’s een perceel met stalmest prefereren boven een perceel dat met drijfmest is bemest, omdat op deze percelen door een meer gevarieerd bodemleven meer voedsel te vinden is. Vanuit het oogpunt van de Grutto is dus het compensatiegebied beter geschikt dan het controlegebied omdat in het compensatiegebied een hoger percentage met stalmest bemest oppervlak aanwezig is (dit is te zien in tabel 13 hieronder).

Tabel 13 Vergelijking tussen het totale oppervlak compensatie- en controlegebied in het kader van bemestingstype. In de linker kolom is per gebied het aantal hectares weergegeven, en in de rechterkolom de percentages zijn van het gehele oppervlak aan compensatie- en controlegebied.

Compensatie (477,8 ha) Controle (648 ha)

Stalmest (ha) (%) 111,42 25

drijfmest (ha) (%) 334,07 71

58,22

587,62

9

91

Geen bemesting ha % 16,65 4 0

0

%oppervlak van totaal

vergelijking bemestingstype compensatie/controlegebied 100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% stalmest

drijfmest

geen bemesting

Compensatie (477,8 ha)

25%

71%

4%

Controle (648 ha)

9%

91%

0%

Figuur 6 Vergelijking van bemestingstype van het totale compensatie- (Hempensermeer, Hilaard en Jellum samen 477,8 ha) en controlegebied (Warten, Jellum en Baard samen 648ha) De percentages zijn van het totale oppervlak compensatie en controlegebied.

47

3.1.4 Begreppeling In compensatiegebied Hempensermeer was 43% van het totale oppervlak begreppeld. In het controlegebied Warten was dit 41 %. In het compensatiegebied Hilaard was bijna de helft van de percelen begreppeld (49%) tegenover 9% in controlegebied Jellum. In Mantgum waren alle percelen begreppeld, en in het controlegebied Baard bedroeg dit 32% van het totale oppervlak. De verschillen tussen en begreppeld- en een niet begreppeld perceel zijn te zien in afbeeldingen 9 en 10 (pagina 53). De mate van begreppeling is per gebied ook weergegeven op kaarten 16 t/m 18. Tabel 14 Vergelijking van mate van begreppeling per gebied. In de linkerkolom staat het aantal hectares per gebied en in de rechterkolom staan de percentages van het totale oppervlak van elk gebied.

% van het totale oppervlak

Hempensermeer Warten Hilaard Jellum Mantgum Baard

100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0%

begreppeld (ha) (%) 92,40 43 74,60 41 105,50 49 32,45 9 39,95 100 30,11 32

Niet begreppeld (ha) (%) 124,62 57 105,40 59 108,46 51 340,55 91 6,85 0 64,50 68

niet begreppeld begreppeld

Figuur 7 Vergelijking van mate van begreppeling per gebied. De percentages zijn van het totale oppervlak van elk gebied elke set compensatie- en controlegebied is omrand met een grijze stippellijn in het diagram.

48

Kaart 16 Bemestingstype en mate van begreppeling in compensatiegebied Hempensermeer links en controlegebied Warten rechts. Begreppelde percelen zijn zwart gearceerd.

49

Kaart 17 Bemestingstype en mate van begreppeling in compensatiegebied Hilaard links en controlegebied Jellum rechts. Begreppelde percelen zijn zwart gearceerd.

50

Kaart 18 Bemestingstype en mate van begreppeling in compensatiegebied Mantgum rechts en controlegebied Baard links. Begreppelde percelen zijn zwart gearceerd.

51

Begreppeling op het totale oppervlak compensatie- controlegebied Het compensatie en controlegebied verschilden van elkaar in de mate van begreppeling. In totaal waren in de compensatiegebieden (Hempensermeer, Hilaard en Mantgum samen 477,8 ha) 50% van de percelen begreppeld en de andere helft gedraineerd. In de controlegebieden (Warten, Jellum en Baard samen 648 ha) was 21% van de percelen begreppeld en 79 % van de percelen gedraineerd. De mate van begreppeling was in de compensatiegebieden meer dan 2 keer zo hoog in vergelijking met de controlegebieden. Het is bekend dat op begreppelde percelen, het beheer vaak extensiever is en er vaak een geschiktere drooglegging heerst. Hierdoor is het voor Grutto’s makkelijker om op deze percelen voedsel te vinden, omdat ze op deze percelen beter met hun snavels de bodem kunnen binnendringen op zoek naar regenwormen (zie afbeelding 9 en 10 op de volgende pagina). Vanuit het oogpunt van de Grutto zijn deze percelen dus beter geschikt dan gedraineerde percelen. Dit wetende zijn dus de compensatiegebieden voor de Grutto beter geschikt dan de controlegebieden, omdat het begreppelde oppervlak in deze gebieden meer dan 2x zo hoog was. Tabel 15 Vergelijking tussen het totale oppervlak compensatie- en controlegebied in het kader van mate van begreppeling. De percentages zijn van het gehele oppervlak aan compensatie- en controlegebied.

Compensatie Controle

begreppeld (ha) (%) 237,87 50 137,16 21

Niet begreppeld (ha) (%) 239,93 50 510,84 79

Figuur 8 Vergelijking van mate van begreppeling van het totale compensatie- (Hempensermeer, Hilaard en Jellum samen 477,8 ha) en controlegebied (Warten, Jellum en Baard samen 648ha) Gegeven is het percentage van het totale oppervlak in compensatie en controlegebied.

100% 90% %oppervlak van totaal

80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0%

begreppeld

Niet begreppeld

Compensatie (477,8ha)

50%

50%

Controle (648ha)

21%

79%

52

Afbeelding 9 Een begreppeld (extensief) perceel in compensatiegebied Hilaard. Het is goed te zien dat ook de drooglegging geschikter is en de kruidenrijkdom op deze percelen ook hoger is. Kortom voor de Grutto is het makkelijker om op dit perceel voedsel te vinden in vergelijking met het perceel hieronder.(Bron: Gjerryt Hoekstra, 2013).

Afbeelding 10 Een niet begreppeld (intensief) perceel in controlegebied Jellum (Bron: Gjerryt Hoekstra, 2013)

53

3.1.5 Openheid en rust Het percentage oppervlak met openheid en rust in de compensatiegebieden was in alle gevallen iets kleiner dan in de controlegebieden. In compensatiegebied Hempensermeer was dit 46% tegenover 61% in het controlegebied Warten. In Hilaard was 54% van het gebied onverstoord, tegenover 62% in het controlegebied Jellum. Ook in compensatiegebied Mantgum was de mate van openheid en rust iets kleiner dan in het controlegebied met 66% tegenover 68%. De verschillen waren statistisch niet significant (t=2,218, p=0,157, n=3). De verschillen zijn hieronder per gebied weergegeven in tabel 16 en figuur 9. Tabel 16 Verdeling in verstoord- en niet verstoord oppervlak in de compensatie- en controlegebieden.

oppervlak Hempensermeer Warten Hilaard Jellum Mantgum Baard

openheid en rust (ha) (%) 99 46 109 61 115 54 230 62 31 66 65 68

verstoord/ openheid en rust

100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0%

verstoord (ha) (%) 118 54 71 39 99 46 143 38 15,8 34 30 32

Hemp meer

Warten

Hilaard

Jellum

Mant

Baard

verstoord

54

39

46

38

34

32

openheid en rust

46

61

54

62

66

68

Figuur 9 Percentages verstoord- ( minder of ongeschikt) en niet verstoord (openheid en rust) oppervlak per gebied.

54

Kaart 19 Verdeling tussen verstoord oppervlak (lichtgroen) en niet verstoord oppervlak (openheid en rust donkergroen) in Compensatiegebied Hempensermeer en controlegebied Warten. (Let op de clusters van gruttolegsels die vrijwel altijd in het oppervlak met openheid en rust liggen)

55

Kaart 20 Verdeling tussen verstoord oppervlak (lichtgroen) en niet verstoord oppervlak (openheid en rust donkergroen) in Compensatiegebied Hilaard en controlegebied Jellum. (Let op de clusters van gruttolegsels die vrijwel altijd in het oppervlak met openheid en rust liggen)

56

Kaart 21 Verdeling tussen verstoord oppervlak (lichtgroen) en niet verstoord oppervlak (openheid en rust donkergroen) in Compensatiegebied Mantgum en controlegebied Baard. (Let op de clusters van gruttolegsels die vrijwel altijd in het oppervlak met openheid en rust liggen)

57

Openheid en rust over het totale oppervlak compensatie- controlegebied Wanneer alle compensatie en controlegebieden worden samengenomen en vergeleken blijkt dat de mate van openheid en rust in het totale oppervlak controlegebied met 62% hoger is dan in het totale compensatiegebied met 51%. De verschillen over het gehele oppervlak compensatie- en controlegebied zijn hieronder weergegeven in tabel 17 en figuur 10. Hieruit mag men in eerste instantie opmaken dat de controlegebieden qua percentage openheid en rust geschikter zijn voor weidevogels dan de compensatiegebieden. Echter het aantal paren (n=3) was te klein om de verschillen in openheid en rust tussen compensatie en controlegebied statistisch significant te laten zijn (t=2,218, p=0,157, n=3). Wat ook opvalt, is dat de Grutto’s het oppervlak met openheid en rust prefereren in de keuze van nestlocatie boven de verstoorde oppervlakten in de gebieden. Dit is duidelijk te zien op de kaarten 19 t/m 21 waarin de nestlocaties in relatie met openheid en rust zijn weergegeven. De clusters met gruttolegsels liggen vrijwel allemaal in het groene gebied (openheid en rust). Het wordt duidelijk dat bijvoorbeeld in de buurt van een boerderij of erf of openbare wegen geen nestlocaties zijn. Hieruit blijkt dat openheid en rust dus ook van groot belang zijn voor de Grutto.

De keuze voor openheid en rust wordt verder besproken in hoofdstuk 3.4.2. Tabel 17 Verdeling tussen verstoord- en niet verstoord oppervlak (openheid en rust) in alle compensatie- en controlegebieden samen.

compensatiegebied controlegebied

Openheid en rust ha % 245 51 404 62

Verstoord ha % 232,8 244

49 38

70% 60% 50% 40% compensatiegebied 30%

controlegebied

20% 10% 0% openheid en rust

verstoord

Figuur 10 Percentages verstoord- en niet verstoord oppervlak in het totale compensatie- en controlegebied.

58

3.2 Grutto dichtheid 3.2.1 Aantal broedparen In totaal waren er in Hempensermeer 38 Gruttobroedparen aanwezig en in controlegebied Warten 5 broedparen. Deze gegevens zijn teruggerekend naar aantal broedparen per 100ha. In Hempensermeer resulteerde dit in 18 paren per 100ha tegenover 3 paren in controlegebied Warten, dit verschil bedroeg een factor 6. In compensatiegebied Hilaard waren er totaal 80 broedparen aanwezig tegenover 18 paren in controlegebied Jellum. Teruggerekend naar aantal per 100ha resulteerde dit in 37 in Hilaard tegenover 5 in Jellum. Het verschil bedraagt dan een factor van meer dan 7. In het compensatiegebied Mantgum waren er in totaal 13 broedparen aanwezig. Dit aantal was precies hetzelfde in controlegebied Baard. Echter wanneer de aantallen teruggerekend werden naar aantal per 100ha ontstond er een verschil. Dit bedraagt met 28 paar in Mantgum en 14 paar in Baard een verschil met een factor van meer dan 2. Voor de volledige vergelijking tussen de gebieden zie tabel 18 en figuur 11 hieronder afgebeeld. De verschillen in dichtheid van het aantal broedparen per individueel compensatie en controlegebied neigen statistisch gezien naar significantie (t=4.1, p=0.073, n=3). Tabel 18 Totaal aantal broedparen en dichtheden per 100 ha per gebied verkregen uit de BMP telrondes in 2013.

Gebied Hempensermeer Warten Hilaard Jellum Mantgum Baard

40 35 30 25 20 15 10 5 0

Totale aantal broedparen 38 5 80 18 13 13

Dichtheid per 100 ha 18 3 37 5 28 14

37 28

18 3

5

14

Figuur 11 Dichtheid van Gruttobroedparen bij de BMP telrondes per 100ha per gebied. Rode kolomen vertegenwoordigen compensatiegebied en de blauwe kolommen controlegebied.

59

Dichtheid over het totale oppervlak compensatie- controlegebied In totaal waren er 131 Gruttobroedparen in de compensatiegebieden (Hempensermeer , Hilaard en Mantgum samen 477,8ha) tegenover 36 Gruttobroedparen in de controlegebieden (Warten, Jellum, en Baard samen 648ha). Omdat de gebieden niet even groot waren zijn deze aantallen teruggerekend naar aantal broedparen per 100ha. Dit resulteerde in een dichtheid van 28 broedparen per 100ha in compensatiegebied tegenover een dichtheid van 6 broedparen per 100ha in controlegebied, zie ook tabel 19 en figuur 12 hieronder. Dit betekent dat de dichtheid in het compensatiegebied meer dan 4,5 keer zo hoog is als in het controlegebied. Tabel 19 Het verschil in dichtheid per 100 ha per totaal oppervlak compensatie- en controlegebied verkregen uit de BMP telrondes in 2013.

Compensatie totaal (477,8ha) Controle totaal (648ha)

Totaal aantal broedparen 131 36

Dichtheid per 100 ha 28 6

30

Aaantal broedparen per 100 ha

25 20 15

10 5 0

Broedparen per 100 ha

compensatie

Controle

28

6

Figuur 12 Dichtheid in Gruttobroedparen per 100ha in compensatiegebied in vergelijking met de dichtheid aan broedparen in controlegebied.

60

3.3 Broedsucces 3.3.1 Uitkomstsucces In tabel 20 hieronder, zijn de lotgevallen van alle gevolgde legsels per gebied weergegeven. Wat opvalt, is het relatief hoge aantal gepredeerde nesten in Hilaard en Mantgum en Baard. Er was bekend dat in deze gebieden de vos erg actief was en de oorzaak was van veel predatiegevallen. De legsels in de Hempensermeer zijn voor het grootste deel uitgekomen en in Warten was het uitkomstsucces zelfs 100%. In Jellum was ook relatief weinig nestverlies. De nestlocaties zijn per gebied weergeven op kaart, de legsels lagen vaak erg geclusterd (zie kaarten 22 t/m 24). Tabel 20 Lotgevallen van de Gruttonesten in de compensatie en controlegebieden in 2013.

percentage

Hempensermeer Warten Hilaard Jellum Mantgum Baard

dichtheid 100ha 16 2 39 4 32 14

totaal nesten 34 3 83 16 15 13

gepredeerd

verlaten

uitgekomen

uitkomstsucces

4 25 1 9 8

5 1 1

30 3 53 14 6 4

88,2 % 100,0 % 63,9 % 87,5 % 40,0 % 30,7 %

100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0%

uit verlaten predatie

Figuur 13 Uitkomstsucces van de Gruttolegsels per gebied in 2013.

61

Kaart 22 De locaties en lotgevallen van nesten in compensatiegebied Hempensermeer links en controlegebied Warten rechts. Een rode stip vertegenwoordigt een gepredeerd nest, een groene stip een succesvol nest, en blauw een verlaten niet succesvol nest.

62

Kaart 23 De locaties en lotgevallen van nesten in compensatiegebied Hilaard links en controlegebied Jellum rechts. Een rode stip vertegenwoordigt een gepredeerd nest, een groene stip een succesvol nest, en blauw een verlaten niet succesvol nest.

63

Kaart 24 De locaties en lotgevallen van nesten in compensatiegebied Mantgum rechts en controlegebied Baard rechts. Een rode stip vertegenwoordigt een gepredeerd nest, een groene stip een succesvol nest, en blauw een verlaten niet succesvol nest.

64

Afbeelding 11 Links: Een Gruttolegsel dat begint met uitkomen, in het ei linksonder is de snavel met eitand van het kuiken zichtbaar. Afbeelding 12 Rechts: Een uitgekomen legsel met de kuikens nog in het nest (Bron: Gjerryt Hoekstra, 2012).

In totaal lagen er op het totale oppervlak compensatiegebied 132 nesten en op controlegebied 32 nesten. De eerste eieren werden gevonden op 16 april in Hilaard. In het compensatiegebied zijn er in totaal 43 nesten verloren gegaan (38 aan predatie en 5 verlaten). In het controlegebied zijn er in totaal 11 nesten verloren gegaan (9 aan predatie en 2 verlaten). In het compensatie gebied zijn er 89 nesten uitgekomen en in het controlegebied 21. Het uitkomstsucces bedroeg in het totale compensatiegebied 68% en in het totale controlegebied 62%. Op de afbeeldingen 11 en 12 is een Grutto legsel te zien dat aan het uitkomen is. De gegevens zijn in tabel 20 op pagina 61 weergegeven en het percentage uitgekomen nesten is vergeleken in figuur 14 hieronder. Deze verschillen waren klein (6%) en statistisch niet significant (t=-0,904, p=0.461, n=3).

100% 90% % uitgekomen nesten

80% 70% 60% 50% 40%

30% 20% 10% 0% % uitgekomen nesten

Compensatie

Controle

68%

62%

Figuur 14 Percentage uitkomstsucces vergeleken tussen compensatie en controlegebied. Het percentage uitkomstsucces bestaat uit het aantal uitgekomen nesten als percentage van het totaal aantal nesten in per compensatie- en controlegebied in 2013.

65

3.3.2 Ouders met jongen. In compensatiegebied Hempensermeer waren er 35 alarmerende paren tegenover 5 in controlegebied Warten. In compensatiegebied Hilaard werd het hoogste aantal paren met kuikens gesignaleerd met 50 paar. Dit tegenover 10 paren in het controlegebied Jellum. In het compensatie gebied Mantgum was het aantal paren met kuikens met 7 paar lager dan het controlegebied Baard met 8 paren. De gegevens zijn voor een vergelijking teruggerekend naar dichtheden per 100 ha. In compensatiegebied Hempensermeer resulteerde dit in een dichtheid van 16 paar per 100 ha, tegenover 3 in controlegebied Warten. In compensatiegebied Hilaard was dit 23 paar per 100 ha tegenover 3 paar in controlegebied Jellum. In compensatiegebied Mantgum bedroeg dit 15 paar per 100 ha tegenover 8 paar in controlegebied. De dichtheid was in elke vergelijking het hoogst in compensatiegebied (tabel 21 en figuur 15). Tabel 21 Vergelijking van het aantal paren alarmerend met jongen geteld in de Alarmtelling. In de linkerkolom is het totale aantal weergegeven en in de rechterkolom het aantal teruggerekend naar 100ha.

Hempensermeer Warten Hilaard Jellum Mantgum Baard

Aantal paren alarmerend met jongen Totaal aantal Dichtheid per 100ha 35 16 5 3 50 23 10 3 7 15 8 8

dichtheid per 100ha

25 20 15 10 5 0 dichtheid aantal alarmerende paren per 100ha

H.meer Warten Hillaard

16

3

23

Jellum

Mant.

Baard

3

15

8

Figuur 15 Vergelijking van de dichtheid per 100ha aan paren met jongen per gebied in 2013. Compensatiegebied is rood weergegeven en controlegebied in het blauw.

66

Ouders met jongen over het totale oppervlak compensatie- controlegebied Het compensatie- en controlegebied verschillen van elkaar in het aantal ouders met jongen. Dit verschil was in eerste instantie al te danken aan het dichtheidsverschil tussen de gebieden. Het aantal paren met jongen is per gebied geïnventariseerd door middel van een alarmtelling. Bij de signalering van een alarmerend Gruttopaar is er vanuit gegaan dat ze 1 of meer kuikens aan het begeleiden waren. Het totale aantal alarmerende paren in compensatie- en controlegebied is samengevoegd en teruggerekend naar aantal dichtheid per 100ha. In het compensatiegebied waren er in totaal 92 alarmerende Gruttoparen tegenover 23 in het alle controlegebieden. Teruggerekend naar dichtheid per 100ha gaf dit een dichtheid van 21 paar in de compensatiegebieden tegenover 4 paar in de controlegebieden (figuur 19). Dit resulteerde in een verschil in het aantal broedparen met jongen tussen compensatie en controlegebied met een factor van meer dan 5. Statistisch neigde dit verschil (ondanks kleine n=3) naar significantie ( t=3,5, p=0.071, n=3) Er dient te worden vermeld dat dit de situatie tot 30 mei betrof, dit betekent dat de aantallen paren met jongen in verloop van tijd waarschijnlijk nog zijn gedaald.

25 20 15 10 5 0 alarmerend met jongen tot 30 mei per 100 ha

compensatie

controle

21

4

Figuur 16 Dichtheid van alarmerende Gruttoparen tot 30 mei 2013 in de compensatie- en controlegebieden (compensatiegebied is in deze figuur rood weergegeven en controlegebied in het blauw)

67

3.3.3 Bruto Territoriaal Succes. BTS is het percentage Gruttoparen dat er in slaagt kuikens groot te brengen als een functie van het aantal paren dat zich aan het begin van het broedseizoen in een gebied hebben gevestigd. De getallen zijn teruggerekend naar aantal paren per 100ha in zowel compensatie als controlegebied (tabel 22). Dit resulteerde in een BTS van 70 % in het totale oppervlak compensatiegebied tegenover 73% in het totale controlegebied weergegeven in figuur 17. Het Bruto territoriaal succes verschilde niet significant tussen compensatie- en controlegebied (t=-0,6 , p=0.461, n=3). Tabel 22 Vergelijking tussen het totaal aantal broedparen, het aantal paren alarmerend met jongen en het BTS per gebied.

Aantal broedparen Hempensermeer Warten Hilaard Jellum Mantgum Baard

38 5 80 18 13 13

Aantal paren alarmerend met jongen 35 5 50 10 7 8

BTS

92% 100% 63% 56% 54% 62%

100% 90% 80% 70% 60% 50%

compensatiegebied

40%

controlegebied

30% 20% 10% 0% compensatiegebied

controlegebied

Figuur 17 Vergelijking BTS tussen het totale oppervlak compensatiegebied en het totale oppervlak controlegebied.

68

3.4 Keuze van de Grutto. 3.4.1 Geringde Grutto’s uit Leeuwarden Vanaf het jaartal 2007 is onderzoeksbureau A & W gestart met het kleurringen van Grutto’s in het impactgebied van de ruimtelijke ontwikkeling van de stadsuitbreiding rondom Leeuwarden. In de tabel 24 hieronder zijn de aantallen geringde vogels met daarin de jaarlijkse overleving weergeven. Hierbij is uitgegaan van een jaarlijkse overlevingskans van 86% voor een volwassen Grutto (Kentie et al. 2010). In deze vergelijking is men er van uit gegaan dat van de totaal 74 geringde Grutto’s er in 2013 in ieder geval nog 42 in leven waren (zie tabel 23). Tabel 23 Aantalsverloop van geringde Grutto’s binnen het impactgebied van de ruimtelijke ontwikkeling Leeuwarden (hierin zijn individuen geringd in Goutum, Deinum, Boksum (Nij Bosma Zathe), Ritsumazijl,Wirdum,Jellum meegenomen).

Jaartal 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013

Overleving (86% vorig jaar) 2,5 12 43,8 50,7 47 42

n= vogels geringd 3 11 39 15 4 2 -

Totaal nog in leven (geringd) 3 14 51 59 55 49 42

In totaal zijn er 38 van deze gekleuringde Grutto’s teruggezien in het broedseizoen 2013. 14 van deze individuen zijn daadwerkelijk verhuisd naar een nieuwe broedlocatie (dit bedroeg 37% van het aantal teruggevonden individuen). 8 van deze geringde Grutto’s zijn naar elders verhuisd (buiten compensatie of controlegebied, maar wel binnen zoekgebied A & W zie kaart 4). Er zijn 0 individuen naar de controlegebieden verhuisd en 6 naar de compensatiegebieden. Voor een overzicht zie tabel 24. Tabel 24 Overzicht van onderzochte geringde Grutto’s van het impactgebied ruimtelijke ontwikkeling Leeuwarden in het jaar 2013.

totaal geringd vanaf 2007 n=74

teruggezien zeker in leven in 2013 n=38

-Verhuisd naar elders (buiten compensatie/controle 31211 ha) n=8 (niet volledig onderzocht) Verhuisd -Verhuisd naar controlegebied (648 ha) n=0 n=14 (volledig onderzocht) -Verhuisd naar compensatiegebied n= 6 (477,8 ha) (volledig onderzocht) Niet verhuisd n=24

-Heeft een bekende nestlocatie binnen het zoekgebied A & W elders (buiten compensatie/controle).

waarschijnlijk dood in 2013 n=32 niet teruggezien in 2013 n= 4 69

De trefkans om een gekleuringd individu terug te zien was binnen het onderzoeksgebied (compensatie/ controle) het hoogst in de compensatiegebieden. 6/14 (43%) van de verhuisde vogels is teruggezien in de compensatiegebieden tegenover 0/14 (0%) in de controlegebieden. De overige 8/14 (57%) is naar elders buiten de compensatie of controlegebieden verhuisd (binnen het zoekgebied van het onderzoek Adres onbekend van A & W). Binnen het onderzoeksgebied (de compensatie en controlegebieden) werd dus 6 x voor compensatiegebied gekozen tegenover 0x controlegebied. Ook de dichtheden van het aantal gekleuringde Grutto’s in elk gebied zijn uitgerekend en in figuur 18 hieronder weergegeven. Hieruit bleek ook de dichtheid aan verhuisde Grutto’s in compensatiegebied met 1,26 per 100 ha het hoogste te zijn. Ook de selectivity index (Ei) van 0,83 duidde erop dat Grutto’s bij een verhuizing relatief vaker kozen voor compensatiegebied (waarden van -1 tot 0 indiceren negatieve selectie en waarden tussen 0 en +1 indiceren positieve selectie).

Zelfs wanneer er van uit wordt gegaan dat alle individuen die waarschijnlijk dood zijn (n=32) en niet gezien zijn (n=4), gekozen zouden hebben voor elders binnen het zoekgebied A & W, (in theorie hadden dit er dus nog 36 extra kunnen zijn, de dichtheid zou dan 0,22 per 100 ha bedragen en de Ei zou -0,02 geweest zijn), dan nog valt de dichtheid en de selectivity index het hoogste uit in de compensatiegebieden. Deze informatie wijst erop dat de geringde vogels de compensatiegebieden selecteren. “mijden” controle (648 ha) n=0

“prefereren”

Ei=-1

0

compensatie (477,8 ha) n=6

Ei= 0,83

1,26

elders binnen zoekgebied A&W(31211 ha) n=32

0,1

0

Ei=-0,07 0,5

1

1,5

dichtheid per 100ha

-1

-0,5

0

0,5

1

Figuur 18 dichtheidsverdeling met de selectivitity index Ei (waarden van -1 tot 0 indiceren negatieve selectie en waarden tussen 0 en +1 indiceren positieve selectie) van de teruggemelde Grutto’s in broedseizoen 2013 (totaal 38 individuen). Het oppervlak elders binnen zoekgebied A&W is gecorrigeerd voor het oppervlak aan bebouwing bos wegen e.d.. Bruto bedroeg het oppervlak van de cirkel 36887,5 ha en netto 31211 ha.

De verplaatsingen zijn in kaart gebracht en weergeven op kaart 25 op de volgende pagina. Hier zijn de verplaatsingen naar compensatiegebieden en verplaatsingen binnen het zoekgebied van A & W te zien. De vogels die naar het compensatiegebied Hempensermeer zijn verhuisd werden in het jaar 2012 ook al in deze gebieden aangetroffen. Dit heeft waarschijnlijk te maken met het feit dat er in 2012 ook al werkzaamheden in het kader van de ruimtelijke ontwikkeling bezig waren. En dat deze vogels toen waarschijnlijk al verstoord zijn.

70

Kaart 25 Locaties van gekleuringde Grutto’s verhuisd vanuit het ontwikkelingsgebied bij Leeuwarden naar de compensatiegebieden De stip met de kleurcode geeft de oude broedlocatie aan. De lijn geeft aan waar de nieuwe broedlocatie was gelegen. Een groene lijn geeft een verhuizing aan in 2012 en een rode lijn een verhuizing in 2013.

71

Alle gekleuringde Grutto’s verhuisd naar de compensatiegebieden waren in staat een legsel te produceren en voor zover bekend succesvol te broeden. De geringde Grutto’s verhuisd naar de compensatiegebieden zijn later ook alarmerend met jongen waargenomen in de compensatiegebieden. In tabel 25 zijn de betrokken Grutto’s weergegeven. Tabel 25 Locaties van de Grutto’s verhuist uit het impactgebied bij Leeuwarden naar het onderzoeksgebied (compensatie/controle) met de afstand tot de oude broedlocatie. De groene kleurcodes zijn in 2012 al verhuisd, en de rode kleurcodes zijn in 2013 verhuisd. (zie ook kaart 25 vorige pagina) gegevens zijn verzameld met behulp van Yde van der Heide medewerker A & W.

kleurcode geringd in jaartal R6RLRY R6BBYB R6LBYR R6RYYB R6YBBR R6YYLR R6BBYY R6RYLY R6AALY R6RLLR R6BBLL R6RLBL R6RLRB R6YBRB

2010 2010 2007 2010 2009 2009 2009 2010 2007 2009 2009 2011 2009 2009

oorspronkelijke broedloc binnen impactgebied Leeuwarden Goutum Goutum Goutum Boksum Deinum Jellum Deinum Ritsumazijl-Noord Goutum Techum Techum Ritsumazijl-Zuid Deinum Techum

nieuwe broedloc

Comp Hempensermeer Comp Hempensermeer Comp Hempensermeer Comp Hilaard Comp Hilaard Comp Hilaard Boksum NBZ Boksum NBZ Boksum NBZ Boksum NBZ Goutum Blessum Blessum Tjaarderpolder

Verplaatsings broedsucces afstand

2,1 km 2,2 km 2,2 km 4,2 km 5,2 km 3,0 km 2,3 km 2,5 km 3,5 km 1,1 km 1,1 km 3,5 km 1,6 km 3,5 km

ja ja ja ja ja ja onbekend onbekend onbekend onbekend ja onbekend onbekend onbekend

Afbeelding 13 Grutto R6RLRY in met haar nest en haar kuikens in het compensatiegebied Hempensermeer (Bron: Gjerryt Hoekstra, 2012).

72

3.4.2 Keuze nestlocatie in relatie tot habitatkarakteristieken. In het volgende hoofdstuk zijn de keuze van nestlocatie in relatie tot de habitatkarakteristieken besproken. Per karakteristiek is gekeken naar de dichtheid per 100 ha van nesten op dit oppervlak. Hierbij zijn de totale oppervlakn per karakteristiek uit zowel compensatie als controlegebied bij elkaar genomen. Hieruit wordt duidelijk hoe de Grutto’s in de onderzoeksgebieden hun nestlocatie kiezen. Aantal nesten in relatie tot droogleggingklasse Uit de literatuur is bekend dat een drooglegging klasse II (0, -0,4 m beneden maaiveld) optimaal is voor de Grutto (Oosterveld en Hoekema 2012). Uit de dichtheidsgetallen bleek dat de dichtheid op de droogleggingklasse II inderdaad ook het hoogste was met 27 nesten per 100 ha. Dit was 2 x hoger dan bijvoorbeeld de dichtheid op klasse III en IV. Hieruit blijkt dat Grutto’s het meest kozen voor een drooglegging van 0,- 0,4 m beneden maaiveld wanneer dit in een gebied aanwezig was. Hieruit kan worden geconcludeerd dat het oppervlak met een drooglegging van 0, -0,4 m beneden maaiveld in een gebied mogelijk belangrijk is voor de vestiging van Grutto’s en dat een Grutto deze drooglegging mogelijk binnen het onderzoeksgebied kiest. In controlegebied was een groter oppervlak met een optimale drooglegging beschikbaar dan in compensatiegebied.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leeuwarden&id=1578b819-0d92-4ef7-b24c-7b3e482e630a