Bijlage 1. Informatiepakket 2022 gemeente Leeuwarden.pdf
Tekst van het document
Wat is uw ambitie ten aanzien van de modernisering van onze informatiehuishouding en informatiebeveiliging? 3. Wilt u dat we deze collegeperiode aan de slag gaan met de ontwikkeling van een digital twin Leeuwarden? 4. Hoe staat u tegenover het instellen van een ethische commissie in Fries verband, bijvoorbeeld bij de coöperatie DataFryslân?
5.2.5 Bedrijfsvoering In deze paragraaf komen enkele onderwerpen bij elkaar die betrekking hebben op de eigen organisatie en enkele knelpunten daarbinnen. Het heeft ook met knelpunten rond beschikbare budgetten te maken die expliciet worden toegelicht. #1 - Vergrijzing en ontgroening In de afgelopen jaren heeft de ambtelijke organisatie zich ontwikkeld tot wat ze nu is, een energieke organisatie. Met een divers team wordt in verschillende rollen en samenwerkingsverbanden gewerkt aan de ambities van de gemeente Leeuwarden. Maar hoeveel betrokkenheid en passie ook waarneembaar is bij de ambtenaren die werken voor de gemeente, de toekomst laat risico’s zien. De vergrijzing en de verminderde aanwas van jonge medewerkers gaan gevolgen hebben voor het personeelsbestand van de gemeente 49
Leeuwarden. We moeten er rekening mee houden dat binnen afzienbare tijd veel kennis, kunde en vaardigheden verdwijnen door de uitstroom van pers oneel. Dat ervaren we nu al. En dat is met de huidige krapte op de arbeidsmarkt niet makkelijk op te vullen. Hierdoor liggen bepaalde opdrachten al stil of werken mensen over. Het kost steeds meer moeite om allerlei functies binnen de gemeente in te vullen. Om de bedrijfsvoering niet in gevaar te brengen, is externe inhuur dan het laatste alternatief. #2 - Aantrekkelijke werkgever Het bieden van een aantrekkelijk arbeidsvoorwaardenpakket is van groot belang, zowel om zittende medewerkers te kunnen behouden én voor nieuwe medewerkers om concurrerend te kunnen zijn met andere werkgevers. De situatie op de arbeidsmarkt vraagt om het verkennen van mogelijkheden hoe nieuwe en bestaande collega’s aan de gemeente Leeuwarden te verbinden. Hoe creëren wij a antrekkelijke ontwikkelmogelijkheden, waarbij sprake is een goede balans tussen werk en privé? Dit vraagt dat gemeenten niet alleen op landelijk niveau moeten kijken naar de primaire arbeidsvoorwaarden, middels cao-afspraken (concurrerend salarisniveau, e.d.), maar dat ook op lokaal niveau gekeken moet worden naar secundaire arbeidsvoorwaarden (functieniveau, reiskosten, opleidingsfaciliteiten e.d.). Deze herijking van de arbeidsvoorwaarden zal kostenverhogend werken.
#3 - Prioriteren van ambtelijke inzet De samenleving en de vraagstukken voor een overheid worden steeds complexer. Dit komt onder meer door het steeds grotere aantal taken dat gemeenten moeten uitvoeren en door de vele projecten die in Leeuwarden op stapel staan. Wat er in de samenleving gebeurt vraagt van ambtenaren dat zij wendbaar zijn, adequaat reageren en tegelijkertijd andere taken blijven uitvoeren. Als de ambtelijke inzet, door de tekorten op de arbeidsmarkt, kostbaar en schaars wordt, dan vergt het een goede afweging voor welke taken, ambities en opdrachten zij worden ingezet. Op dit moment zien we op diverse terreinen dat er sprake is van een overvraging en overbelasting, vooral op het terrein van openbare orde, veiligheid en handhaving (zie ook Handhaving in de volgende paragraaf); de ondersteuning van de burgemeester als bestuursorgaan is in korte tijd complexer is geworden en vraagt meer aandacht en inzet. Daarom vragen we aandacht voor betere regulering van inzet van medewerkers en voor het slaan van de brug tussen bestuurlijke ambities en het belastbaar vermogen van de ambtelijke organisatie. We geven u in overweging om te laten beoordelen of alle afspraken en intenties die u voor de nieuwe collegeperiode heeft, kunnen worden uitgevoerd (een capaciteitstoets). Daar kan ook ruimte in worden meegenomen voor het opvangen van onverwachte situaties en gebeurtenissen.
#4 - Ontwikkeling medewerkers Alle grote opgaven en transities vragen van de ambtelijke organisatie andere competenties. Zeker als het gaat om ontwikkelingen die razendsnel verlopen, zoals de volhoudbaarheidsthema’s en de informatiesamenleving. En dat betreft de hele ambtelijke organisatie. Wil je als gemeente de samenleving kunnen blijven volgen en begrijpen, dan is van belang om stevig in te zetten op de ontwikkeling van voldoende competenties bij voldoende medewerkers. Dat kan door te zorgen voor duurzame inzetbaarheid van medewerkers en door vroegtijdige kennisoverdracht aan jongere collega’s. Maar ook door het opleiden en on twikkelen van mensen via een centraal leeraanbod. Dat betekent dat eerst gericht in kaart gebracht moet worden waar in de organisatie aan welke kennis of vaardigheden gewerkt moet worden. Vervolgens kan het leeraanbod hierop afgestemd worden. Ruimte voor de ontwikkeling van medewerkers wordt een gegeven om rekening mee te houden. We moeten toe naar een continu proces van veranderen, leren en ontwikkelen. En daar is, naast bestaande en nieuwe taken, ruimte voor nodig. #5 - Verduurzaming eigen organisatie De komende jaren staan we voor enorme opgaves rond verduurzamen. Naast het faciliteren en helpen van bedrijven, inwoners en andere overheden is het belangrijk dat de gemeente hierbij zelf het goede voorbeeld gaat geven.
Om dit te doen, moeten we een volhoudbare organisatie worden. Een organisatie die energieneutraal is, op langere termijn zelf geen CO2 meer uitstoot, materialengebruik terugdringt door circulair in te kopen en zich aanpast aan klimaatverandering. Dit betekent ook het duurzaam maken van ons eigen vastgoed, wagenpark en inkoop. Van belang is onze eigen activiteiten te monitoren door interne controles te doen op duurzaamheid en bij te sturen. In het kader van de voorbeeldfunctie is het goed om de inspanningen actief te communiceren. Hiervoor is voldoende formatie nodig.
50
#6 - Financiën en dienstverleningsovereenkomst bv SPORT De BV Sport voert in opdracht van de gemeente taken uit op het terrein van het beheer en onderhoud van sportvoorzieningen. Hiervoor is een budget beschikbaar binnen de begroting. De afgelopen jaren blijkt dit beschikbare budget lager te zijn dan de door bv SPORT gevraagde vergoeding. Voor 2022 wordt de discrepantie berekend op € 922.000. Dit verschil loopt ieder jaar op en wordt tot nu toe steeds incidenteel gedekt. Uit onderzoek van het Mulier instituut (2021) blijkt dat het voorzieningenniveau hoog is in Leeuwarden. Met name de hoeveelheid zwemwater is hoog en dat zijn juist relatief dure voorzieningen om te beheren en exploiteren. Wanneer we de huidige sportinfrastructuur, het voorzieningenniveau, maar ook het onderhoudsniveau in stand willen houden, is een structurele verhoging van het beschikbare budget voor Sport noodzakelijk. Andere optie is om het structurele financiële verschil te dichten en de kosten omlaag te brengen door: 1. Eén (of meer) zwembaden te sluiten; 2. Een sportpark (met hallen en/of velden) te sluiten; 3. Het maatschappelijk aanbod (lees “alle niet renderende activiteiten en diensten”) ernstig te beperken; 4. De beschikbare formatie voor buurtsportcoaches te verminderen; 5. Extreme verhoging van de huur- en entreetarieven; 6.
Het onderhoudsniveau en daarmee het voorzieningenniveau fors te verlagen 7. bv SPORT de ruimte te bieden om meer commerciële activiteiten te ontplooien of op andere manieren extra inkomsten te genereren. Vragen over bedrijfsvoering: 1. Is een herijking van de arbeidsvoorwaarden een optie die verkend moet worden? 2. Zou met de nieuwe gemeenteraad besproken kunnen worden hoe de inzet van de ambtelijke dienst meer gereguleerd kan worden. Denk bijvoorbeeld aan het beperken van het aantal schriftelijke vragen, agenda-initiatieven, informerende brieven. 3. Is het uitvoeren van een capaciteitstoets van toegevoegde waarde? 4. Hoe wenst u om te gaan met de in dit hoofdstuk genoemde uitdagingen en knelpunten ten aanzien van de verduurzaming van de eigen organisatie, handhaving en bv SPORT?
5.2.6 Financieel beleid #1 – Uitgangspunten financieel beleid Het financiële beleid van de gemeente is sinds jaar en dag gebaseerd op de volgende pijlers: 1. Een structureel sluitende meerjarenraming; 2. Een weerstandsvermogen dat voldoende is om alle geïnventariseerde risico’s op te vangen; 3. Een houdbare schuldpositie. Het ligt in de rede het financiële beleid voor de komende jaren ook te funderen op deze pijlers. Toch verdient het aanbeveling om de invulling van deze uitgangspunten en onderliggende beleidskader tegen het licht te houden. Ad 1 Structureel sluitende begroting In de wet en regelgeving is vastgelegd dat de gemeentebegroting structureel en reëel in evenwicht moet zijn. Met “de begroting” wordt bedoeld het eerste jaar van de meerjarenraming. De structurele inkomsten dekken in ieder geval de structurele lasten en de ramingen moeten realistisch zijn. Door de provinciaal toezichthouder wordt dit aan de hand van een toezichtkader jaarlijks getoetst en op basis waarvan wordt de gemeente onder een standaard (repressief) of verzwaard (preventief) toezicht gesteld. De laatste jaren is het provinciale toezicht eenduidiger geworden (gemeenschappelijk toezichtkader voor alle provincies) en is ook sprake van een scherpere toepassing.
Daarbij is ook een tussenvorm ontstaan waarbij wel sprake is van repressief toezicht, het lichte regime, maar waarbij de provincie zorgpunten in de financiële positie heeft gesignaleerd op grond waarvan de vinger aan de pols wordt gehouden in de vorm van ambtelijk en/of bestuurlijk overleg. Voor deze tussenvorm is overigens geen wettelijke grondslag. Binnen onze gemeente wordt al sinds oudsher de bestendige gedragslijn gehanteerd dat (minimaal) de laatste jaarschijf van de meerjarenraming structureel sluitend moet zijn. Dat betekent dat over het eerste begrotingsjaar heen gekeken wordt en vanuit een meerjarenbeeld naar de houdbaarheid van de financiële positie op middellange termijn wordt gekeken.
51
Om in aanmerking te komen voor het repressief toezicht toetst de toezichthouder of het eerste jaar van de meerjarenraming, dus de feitelijke begroting, structureel en reëel in evenwicht is aan de hand van een aantal toetsingscriteria. Is dit niet het geval dan wordt bezien of het aannemelijk is dat dit structurele evenwicht uiterlijk in de laatste jaarschijf van de meerjarenraming kan worden bereikt. Als dat het geval is eveneens sprake van repressief toezicht. Wel is het in die situatie denkbaar dat de provincie de gemeente tijdens het begrotingsjaar wat intensiever volgt. Hoewel de gemeentelijke gedragslijn niet strijdig is met het provinciaal toezichtkader is duidelijk dat beide benaderingen niet volledig congruent zijn. Daar waar het interne beleid vooral gericht is op evenwicht in het laatste jaar kijkt de toezichthouder primair naar het eerste jaar en pas in tweede instantie naar de overige jaren van de meerjarenraming. Een tweede bron van incongruentie is het onderscheid tussen structurele en incidentele lasten en baten. De invulling die door de toezichthouder hieraan wordt gegeven is van grote invloed op het wel of niet aanwezig zijn van een structureel begrotingsevenwicht. Een invulling die niet altijd overeenkomt met de gemeentelijke perceptie op dit punt.
Gelet op deze discrepanties is het raadzaam de gemeentelijke gedragslijn op dit punt voor de komen de bestuursperiode opnieuw op zijn merites te beoordelen. Ad 2 Weerstandsvermogen en risicomanagement Het gemeentelijke beleid rondom het risicomanagement en de bepaling van het benodigde weerstandsvermogen om tegenvallers op te vangen is vastgelegd in de kadernota risicomanagement van 2016. Daar worden beleidsuitgangspunten geformuleerd over onder meer de wijze van risico-identificatie en de berekening van het benodigde weerstandsvermogen, de samenstelling van het weerstandsvermogen, de minimumstand van de Algemene Reserve, de verschillende rollen en verantwoordelijkheden op dit terrein en de wijze waarop over de beheersing van risico’s wordt gerapporteerd aan college en raad. Ad 3 Houdbare schuldpositie De gemeentelijke visie op de schuldenontwikkeling is vastgelegd in de notitie “gemeentelijke schuldbeheersing” uit 2016. Strekking van deze visie is dat geen noodzaak aanwezig is om actief beleid te voeren op het reduceren van de schuldpositie, maar dat de ontwikkeling van de gemeentelijke schuldpositie aan de hand van de kengetallen die in de begroting en jaarrekening zijn opgenomen gevolgd zal worden en door het college van een inhoudelijke beoordeling wordt voorzien.
Indien maatregelen nodig zijn om een ongewenste ontwikkeling van de schuld bij te sturen, zullen die in die beoordeling worden toegelicht. Dit onder andere vanuit de overweging dat, zolang de beschikbare ruimte in de begroting aanwezig is voor het dekken van de kapitaallasten voor investeringsbeslissingen, dit van voldoende doorslaggevend belang is. Verder is daarin aangegeven dat het voorkomen van onverwachte rekeningtekorten door een strakke budgetdiscipline een cruciale bijdrage levert aan het beheersen van de schuldpositie. De start van een nieuwe collegeperiode is een goed moment om ook deze visie op schuldontwikkeling tegen het licht te houden. #2 - Ontwikkelingen Stijgende energieprijzen en inflatie Sinds enige tijd is sprake van een substantieel toegenomen inflatiepercentage, vooral ook veroorzaakt door stijgende energieprijzen. Mede gelet op de situatie in Oost Europa is de verwachting dat deze ontwikkeling voorlopig zal aanhouden en ook tot een aanzienlijke lastenverzwaring voor de gemeente Leeuwarden zal leiden. Zowel door de impact van de prijsstijging op de eigen bedrijfsvoering alsook door de mogelijke doorwerking op subsidieverstrekkingen. Daarbij is het onzeker of de ac cresontwikkeling in het gemeentefonds voldoende is om de feitelijk prijsontwikkeling waarmee de gemeente wordt geconfronteerd het hoofd te bieden.
Dat vraagt om een herbezinning op de systematiek waarmee prijsontwikkelingen worden gecalculeerd en binnen de gemeentelijke begroting worden opgevangen. Herziening financiële verhoudingen Gemeenten zijn voor een groot deel afhankelijk van inkomsten uit het gemeentefonds. De manier waarop dit fonds meebeweegt met de uitgaven van het Rijk wordt de normeringssystematiek genoemd. De huidige normeringssystematiek, samen de trap op, samen de trap af, zorgt ervoor dat de middelen in het gemeentefonds dezelfde ontwikkeling krijgen als de Rijksuitgaven. Om een stabielere financiering voor de gemeenten te realiseren en hun autonomie te vergroten, is in het regeerakkoord aangekondigd dat in de 52
komende jaren een nieuwe financieringssystematiek voor de periode na 2025 zal worden uitgewerkt, waarbij de mogelijkheid voor een groter eigen belastinggebied wordt betrokken. Daarbij worden ook alternatieven voor de OZB in de beschouwing betrokken. In de huidige kabinetsperiode zal de financiering van de gemeenten grotendeels worden vormgegeven via de accressystematiek. Reservering voor strategische opgaven In het verleden was er een spaar/investeringsfonds (SIOF) dat de gemeente in staat stelde financieel te participeren in strategische ontwikkelingen. Gelet op de grote strategische opgaven voor de komende jaren ligt het in de rede te overwegen een vergelijkbaar fonds in te voeren. Gedacht kan worden aan een breed inzetbaar fonds waarop voor de grote transities die op verschillende terreinen plaatsvinden, zoals verduurzaming, volkshuisvesting, de woonopgave, Leeuwarden Oost en digitalisering, een beroep gedaan kan worden om lokale projecten en initiatieven mee financieren. Met het vrij maken van een dergelijke bijdrage kunnen tevens andere geldstromen uit fondsen bij het Rijk en Europa worden benut die we moeten matchen met cofinanciering. Naast het op deze wijze beschikbaar krijgen van co-financieringsmiddelen zou een strategisch fonds ook ingezet kunnen worden om innovatieve ontwikkelingen en investeringen te ondersteunen.
Door middelen voor strategische opgaven te reserveren ontstaat er meer financiële continuïteit en stabiliteit om uitvoering te geven aan langjarige beleidsambities. Mogelijk nadeel van een dergelijk fonds kan zijn dat een zeker starheid gaat ontstaan in de besteding van de middelen en dat dit afbreuk doet aan het principe van de “integrale afweging” bij het koppelen van middelen aan beleidsdoelen. Transparante en resultaatgerichte inzet van het fonds vraagt in ieder geval om heldere kaders op het vlak van afweging, besluitvorming en verantwoording met een stevige borging in de jaarlijkse P&C-cyclus. Vragen over financieel beleid: 1. Deelt u de mening dat de drie genoemde pijlers nog steeds het fundament van het financiële beleid vormen maar dat het raadzaam is om de onderliggende principes en kaders opnieuw op bestendigheid te toetsen? 2. Bent u bereid het instellen van een nieuw financieringsfonds te overwegen voor strategische opgaven op basis van een nadere uitwerking van het doel, scope en bestedingscriteria van het fonds en de daaraan verbonden voor- en nadelen?
53
Deel B
54
Financiële positie gemeente Leeuwarden per maart 2022
1. Inleiding In dit deel B van het informatiepakket komt het financiële kader voor de collegeonderhandelingen aan de orde. Gestart wordt met de geactualiseerde financiële perspectief op basis van ongewij zigd beleid. Dit financiële beeld moet aangevuld worden met een aantal belangrijke kanttekeningen die niet in cijfers verwerkt kunnen worden op de wijze zoals dat bij de gebruikelijke actualisaties gedaan wordt. Deze kanttekeningen betreffen met name, maar niet alleen de onzekerheid over de effecten van het jongste regeerakkoord op de financiële perspectief van gemeenten. Gegeven deze onzekerheid wordt daarna de geactualiseerde financiële perspectief aangevuld met enkele mogelijk denkbare effecten van de ka nttekeningen.
2. Geactualiseerde financiële perspectief bij ongewijzigd beleid Het actualiseren van de financiële perspectief houdt in dat de laatste, door de gemeenteraad vastgestelde begroting en meerjarenraming bijgewerkt wordt met de jongste financiële ontwikkelingen zonder dat sprake is van nieuw beleid. Dit betreft: a. Het verwerken van de uitkomsten van de september- en de decembercirculaire Gemeentefonds alsmede het actualiseren van het Gemeentefonds op grond van gewijzigde landelijke en lokale variabelen; b. Nieuwe veronderstellingen m.b.t. lonen en prijzen (waaronder de uitkomsten van de Cao) en de daarmee gepaard gaande inflatie-compensatie van de begrotingsbudgetten en meerjarenraming; c. Nieuwe onontkoombare mee- en tegenvallers. De uitkomsten van o.a. de aanvullende financiële opgaven “Beheer en Onderhoud Kapitaalgoederen”, waarover de gemeenteraad bij brief van 8 februari jl. is geïnformeerd, zijn hierin zowel incidenteel als structureel meegenomen. De “stelpost corona” van structureel € 1 mln. is daarbi j ook vrijgevallen ten gunste van de financiële perspectief. Op basis van het voorgaande is op moment van schrijven het beeld dat in 2026 sprake is van een structureel tekort van afgerond € 200.000. In de onderstaande tabel staat het verloop over de jaren tot en met 2026 weergegeven. Ta bel 1
Financieel perspectief
2022 Voorgaand jaar
2023
2024
2025
2026 Totaal
7.632
7.493
3.145
711
Startpositie begroting 2022
3.020
2.061
-3.210
-1.831
1. Gemeentefonds
6.779
3.329
-1.521
-303
-328
-300
-580
-2.823
-197
0 -197
2. Loon- en prijsontwikkeling
40
-5.370
7.956 -5.370
3. Uitzettingen en inkrimpingen structureel
-1.545
-533
135
4. Uitzettingen en inkrimpingen incidenteel Totaal saldo bijgesteld perspectief
-622 7.632
374 7.493
248 3.145
711
Het voorgaande heeft ook gevolgen voor de stand van de Algemene Reserve omdat het saldo van baten en lasten met de Algemene Reserve verrekend wordt. De ontwikkeling van de Algemene Reserve is als volgt: Ta bel 2
Ontwikkeling Algemene Reserve Voorlopige nieuwe stand AR
2022
2023
2024
2025
2026
39.692
47.822
48.903
47.550
45.289
In deze stand van de Algemene Reserve is nog een geen rekening gehouden met resultaat van de jaarrekening 2021.
55
In de uitzettingen zijn twee posten opgenomen die aparte vermelding verdienen vanwege hun bestuurlijke portee: Minimabeleid. Tekorten m.b.t. het minimabeleid (vooral vanwege regelgevi ng beschermingsbewind) zijn de afgelopen jaren incidenteel gedekt. In de huidige financiële positie wordt hier nu in voorzien door het geraamde tekort van € 1 mln. structureel te dekken. BV Sport. Via een C-memo is de dienstverlening van de BV Sport in het college aan de orde gesteld. Naar aanleiding daarvan is een incidentele uitzetting van € 922.000 opgenomen voor het jaar 2022
Kanttekeningen Helaas moet er een aantal belangrijke kanttekeningen geplaatst worden bij het hiervoor gepresenteerde financiële beeld. De reden daarvoor is dat er na een lange formatie kort voor de gemeenteraadsverkiezingen een nieuw kabinet is aangetreden. Het nieuwe regeerakkoord heeft diverse gevolgen voor gemeenten maar het document waarin die gevolgen staan, de meicirculaire, is nog niet beschikbaar. Maar dit is niet enige aanleiding voor de kanttekeningen die betrekking hebben op de baten van de gemeente. Ontwikkelingen aan de lastenkant geven ook aanleiding voor het plaatsen van kanttekeningen.
Baten [in willekeurige volgorde] - Herijking verdeling Gemeentefonds Het besluit om het nieuwe model voor het verdelen van het Gemeentefonds is nog niet door kabinet genomen. Dat nieuwe verdeelmodel is na een langdurig ontwikkelproces tot stand gekomen maar riep en roept vanwege de herverdeeleffecten en de inhoud van het model veel vragen en weerstand op bij gemeenten. Het beoogde ingangsjaar was en is nog steeds 2023 maar dat vraagt om een besluit in de eerste helft van 2022 van het kabinet. De kans bestaat dat invoering wordt uitgesteld. Maar ook bij invoering in 2024 blijft de kanttekening hetzelfde: er kan geen schatting van het effect van het nieuwe verdeelmodel worden gegeven die betrouwbaar en precies genoeg is om in het financiële perspectief te verwerken. Er ligt wel een indica tie: het ministerie van BZK heeft meerdere keren overzichten gepubliceerd van de herverdeeleffecten en daaruit blijkt dat de gemeente Leeuwarden wel aan de goede kant van de streep staat: er wordt op dit moment geen negatief herverdeeleffect in die berekeningen voor de gemeente Leeuwarden voorzien. - Jeugdzorg Al geruime tijd is er sprake van een diepgaand meningsverschil tussen het rijk en gemeenten over de omvang van de financiering van de gedecentraliseerde zorg voor jeugd.
Kort gezegd komt het erop neer dat het nieuwe kabinet ervoor kiest om geen extra structurele middelen beschikbaar te stellen voor de gedecentraliseerde zorg voor jeugd. De ramingen in onze begroting zijn daarmee in overeenstemming. Maar dit is niet het hele verhaal: a. Het kabinet stelt wel incidentele middelen beschikbaar en de omvang daarvan is substantieel. Voor 2022 is door het vorige kabinet ook incidenteel geld beschikbaar gesteld en dat is ook in de begroting 2022 verwerkt, maar voor de jaren daarna is niets opgenomen. Alles wat nog aan incidentele middelen ontvangen gaat worden is dus niet geraamd. Cumulatief over de jaren 2023 -2026 gaat op basis van het regeerakkoord om een bedrag van € 3,84 mrd. b. De keuze van het kabinet om geen extra structurele middelen beschikbaar te stellen ha ngt ook samen met het opstellen van de zg. Hervormingsagenda. Die agenda heeft o.a. als doel om de incidentele, naar € 0 dalende extra middelen aan de kostenkant op te vangen. Daarvoor zijn maatregelen ontwikkeld o.a. in samenspraak met de VNG: de Hervormi ngsagenda. Dat mogelijke effect van de Hervormingsagenda is niet in het financiële perspectief verwerkt maar de kostenreductie die ervan verwacht wordt (door het rijk) is structureel € 1,2 mrd. Dat is het startbedrag van de incidentele, extra middelen volgens het regeerakkoord ad.
€ 1,5 mrd die in de kabinetsplannen naar € 0,3 mrd worden afgebouwd in 2027. Deze € 0,3 mrd was al eerder min of meer toegezegd door het vorige kabinet en mochten de gemeenten meenemen in de meerjarenramingen. Ook in onze begroting is al rekening gehouden met deze € 0,3 mrd; voor onze gemeente gaat het dan om een bedrag van € 2,7 mln. Het terugbrengen van de extra middelen naar € 0,3 mrd is nog uitgemaakte zaak. De Eerste Kamer heeft een motie aangenomen om de verlaging met de laatste € 0,5 mrd achterwege te laten.
56
- Opschalingskorting De zg. opschalingskorting is ook een voortdurende bron van irritatie voor de gemeenten. Het is een verlaging van het Gemeentefonds zonder enige plausibele onderbouwing en druist daarmee in tegen alle afspraken in die tussen rijk en gemeenten zijn gemaakt inzake de bestuurlijke verhoudingen en omgangsvormen. In het regeerakkoord is bevriezing van de oploop de korting opgenomen maar dat is in feite een incidentele compensatie van de groei van de korting tot het jaar waarin de korting maximaal is: 2026. Die oplopende korting is verwerkt in onze meerjarenraming maar de incidentele compensatie die nu door het nieuwe kabinet wordt geboden niet. - Het accres De omvang van het Gemeentefonds is gekoppeld aan de omvang de (gerealiseerde) rijksuitgaven. Door het regeerakkoord stijgen de rijksuitgaven op begrotingsbasis en daardoor groeit ook het Gemeentefonds, op begrotingsbasis. Uit de startnota van het kabinet blijkt dat het accres dat voor de structurele finan ciële positie van grote betekenis is, niet gekoppeld is aan de ontwikkeling van de rijksuitgaven (op begrotingsbasis). Het kabinet heeft dus de normeringssystematiek (trap op, trap af) voor dat jaar losgelaten maar het accres voor 2026 en daarna vastgezet op € 0,84 mrd.
Daarmee is mutatie van het accres als gevolg van het regeerakkoord niet de uitkomst van een tussen rijk en gemeenten overeengekomen rekenregel maar van een besluit van het rijk. De accressen in de jaren 2022-2025 zijn wel gekoppeld aan de gestegen rijksuitgaven. In de startnota wordt daarover echter wel aangegeven dat die accressen nog herrekend worden in het kader van het opstellen van de Voorjaarsnota en dus nog kunnen wijzigen.Ondanks dit alles is het op basis van de aannames in de startnota wel mogelijk om het aandeel van Leeuwarden in de daarin genoemde bedragen te bepalen. - Specifieke uitkeringen ten laste van het accres De coalitiepartijen hebben besloten om in totaal € 1,6 mrd aan (de groei van) het Gemeentefonds te onttrekken en vervolgens gericht via een specifieke uitkering gericht terug te geven als impuls voor woningbouw (10 jaar, € 100 mln. per jaar) en volkshuisvesting (4 jaar, € 150 mln. per jaar). Deze bedragen staan als Aanvullende Post op de rijksbegroting en dat betekent dat het ministerie van Financien de middelen vrij geeft op basis van een gedegen beleidsvoorbereiding en ordentelijke besluitvorming (aldus de startnota).
Specifieke uitkeringen worden nooit in de financiële positie meegenomen, maar vanwege de dekking en h et doel wordt deze kanttekening toch geplaatst én om aan te geven dat ambities op het gebied van impulsen aan de woningbouw en volkshuisvesting niet noodzakelijk uit de ‘eigen’ middelen bekostigd hoeven te worden. Tegelijkertijd betekent het ook door de keuze van het instrument, specifieke uitkeringen i.p.v. een algemene uitkering uit het Gemeentefonds, onderkend moet worden dat het rijk stevig op het geld zit en dus de baas is waardoor gemeenten in een meer uitvoeringen rol komen. Lasten - Onderhoud en investeringen verhardingen en kunstwerken Naar aanleiding van een nieuwe beoordeling van de staat van onderhoud van verhardingen en kunstwerken is vastgesteld dat bij ongewijzigd beleid sprake is aanzienlijke tekorten. Daar is vooreerst een oplossing voor gevonden die geen blijvende is maar er wel voor zorgt dat er tot en met 2026 voldoende budget beschikbaar is voor het benodigde onderhoud en investeringen. Met ingang van 2027 keert het probleem in volle omvang terug en 2027 wordt als jaarschijf in de tweede begroting van het nieuwe college aan de meerjarenraming toegevoegd (2024-2027). De voorbereidingen voor die begroting en meerjarenraming start in 2023.
De budgettaire problematiek en het oplossen daarvan wordt deels versterkt en/of gecompliceerd door de uitgangspunten die de Provincie Fryslân hanteert (samen met de andere provincies) bij het uitoefenen van het begrotingstoezicht op gemeenten. De omvang van de financiële opgave is evenwel vrij goed in te schatten (op basis van ongewijzigd beleid). Het vers chil tussen het benodigde en beschikbare budget voor onderhoud verhardingen is € 2,3 mln. en voor onderhoud kunstwerken € 0,8 mln.; samen € 3,1 mln. Dat is in eerste instantie een structureel tekort. Hier komen de kapitaallasten van de noodzakelijk investeringen nog bij. Voor kunstwerken is onbekend welke investeringen in 2027 en daarna noodzakelijk zijn; voor verhardingen wordt uitgegaan van een structurele jaar-op-jaar kapitaallast van € 50.000 (elk jaar opnieuw). - Herplant bomen Tot en met 2026 is voor de herplant van bomen voldoende budget beschikbaar, echter met ingang van 2027 is dat, uitgaande van het huidige beleid niet meer het geval. Afgezien van de vraag of het hierbij om incidentele 57
dan wel structurele lasten gaat staat vast dat er sprake is va n een financiële opgave die in de begroting 20232027, jaarschijf 2027 naar voren zal komen.
Effect kanttekeningen op Financieel Perspectief De volgende stap is het, ondanks de grote onzekerheden kwantificeren van de hiervoor genoemde kanttekeningen. Ta bel 3
kanttekening Herijking GF
structureel/ incidenteel structureel
max
min
advies
In de laatste berekeningen van het rijk wordt op basis van de gegevens 2019 voor onze gemeente een positief herverdeeleffect gegeven van € 39 per inwoner. Op basis daarvan maximaal € 4,6 mln.
Er mag van uitgegaan worden de herijking van de verdeling in ieder geval niet tot een negatief herverdeeleffect gaat leiden voor onze gemeente t.o.v. de huidige verdeling.
Vooralsnog hiervoor geen financiële ruimte meenemen: - de minister moet nog een besluit nemen over de invoering van het nieuwe verdeelmodel; - het jaar van invoering is onbekend; - de daadwerkelijke effecten kunnen pas berekend worden als het model wordt toegepast op alle relevante gegevens in 2023 (of later) en niet 2019. Meenemen in de financiële ruimte.
Jeugdzorg
incidenteel
Op basis van de bedragen genoemd in het regeerakkoord en ons aandeel in eerdere extra middelen (d.w.z.: het huidige verdeelmodel) over de gehele kabinetsperiode ongeveer € 21 mln.
n.v.t.
structureel
Inzet incidentele middelen: niet in te schatten Uitvoering Hervormingsagenda: maximaal € 1 mrd kostenbesparingen aangevuld met € 0,5 mrd.: niet in te schatten op dit moment.
n.v.t.
Vooralsnog niet meenemen in de financiële ruimte: - Invoering van de maatregelen uit de Hervormingsagenda is nog onbekend. - Financieel effect van de maatregelen voor Leeuwarden onbekend en niet in te schatten. - Het overleg over de Hervormingsagenda is
58
kanttekening
structureel/ incidenteel
max
min
advies stilgelegd door de VNG.
Opschalingskorting
incidenteel
Accres
structureel (2026), incidenteel (2022-2025)
Onderhoud verhardingen en kunstwerken
structureel m.i.v. 2027
Herplant bomen
te bepalen
Op basis van de bedragen genoemd in het regeerakkoord kan het effect ingeschat worden op basis van het huidige verdeelmodel. Op basis van de bedragen genoemd in het regeerakkoord kan het effect ingeschat worden op basis van het huidige verdeelmodel. Verhardingen: € 2,3 mln. Kunstwerken: € 0,8 mln.
(De eerder toegekende € 0,3 mrd is al meegenomen in onze begroting.) Incidentele ruimte meenemenen in de financiële ruimte.
n.v.t.
Volledig meenemen in de financiële ruimte conform de aannames die in de startnota van het kabinet staan. Indien maatregelen gevonden kunnen worden om de onderhoudslasten te verlagen en/of incidenteel te maken kunnen de genoemde bedragen lager uitvallen. Daar is nu geen (uit)zicht op. Maximaal is minimaal dus.
€ 0,75 mln. per jaar m.i.v. 2027
Verwerken in de financiële positie 2024-2027 als structurele last.
Uitonderhandelen en niet op voorhand als een structurele last beschouwen. Meerjarig incidenteel is ook een reële optie. Voor de beleidsplanperiode van het nieuwe college is in de dekking van de kosten voorzien.
- Herzien Financieel Perspectief Als de financiële ruimte (niet: lasten i.v.m. onderhoud verhardingen en kunstwerken en de herplant van bomen) op basis van het voorgaande ingerekend wordt, dan ziet het financieel perspectief als er als volgt uit: Ta bel 4
Financieel Perspectief herzien wijzigingen eerdere mjr
2022
2023
2024
2025
2026
12.449
22.205
23.159
19.525
-139
-4.348
-2.434
-908
Totaal -7.829 59
Financieel Perspectief herzien Startpositie 2022
2022
2023
2024
2025
2026
7.632
Herijking verdeling GF
7.632 pm
Jeugdzorg cf Regeerakkoord / CvW
Pm 9.296
pm -1.522
pm -4.084
-3.149
541
-541
-541
Technische correctie (structureel effect) Bevriezing opschalingskorting t/m 2026 Extra accressen Startnota
4.817
Inzet structurele ruimte (2026 € 0 saldo) Totaal saldo
Totaal
3.222
1.088
1.128
-5.438
0
1.933
5.736
1.756
-9.489
4.753
-4.556 12.449
22.205
-4.556 23.159
19.525
0
0
De ontwikkeling van de Algemene Reserve op basis van het voorgaande staat in de volgende tabel. Hierbij moet nog wordt opgemerkt daar in die ontwikkeling ook vermoedelijke rekeningresultaat van € 10 mln. over 2021 is meegenomen. Ta bel 5
Ontwikkeling Algemene Reserve
2022
2023
2024
2025
2026
Voorlopige nieuwe stand
54.509
77.350
98.445
115.906
114.383
In het Financieel Perspectief herzien is ervoor gekozen om de maximale structurele ruimte in 2023 in te zetten: € 4,556 mln. Dit bedrag is structurele overschot in 2026 door dit te doen eindigt het perspectief in het laatste jaar op € 0. Zou dit achterwege blijven, dan wordt door verrekening van begrotingssaldi met de Algemene Reserve de stand van die reserve overs chat. De structurele ruimte zal immers vrijwel zeker worden benut. Dit alles op basis van aannames en inschattingen met betrekking tot de onderdelen die in de tabel staan. Het zijn schattingen die met veel meer onzekerheid omgeven zijn dan de ramingen van de financiële positie zoals die onder normale omstandigeheden worden afgegeven. Het grootste negatieve risico in deze opstelling wordt gevormd door accressen die zijn ingerekend, met name die in de jaren 2022-2026. Deze zullen nog worden herrekend in het kader van het opstellen van de Voorjaarsnota. Dat valt buiten het tijdsbestek waarbinnen deze notitie is opgesteld maar tijdens de collegeonderhandelingen kan er wel meer informatie beschikbaar komen. Naast dit risico waardoor na het verschijnen van de Voorjaarsnota en/of de meicirculaire het financiële perspectief nog ingrijpend kan wijzigen moet ook nog gemeld worden dat met name de ontwikkeling van de prijzen zorgelijk is.
Stijgende prijzen moeten gemeenten opvangen door het accres en door aanpassing va n de eigen inkomsten voor inflatie. Maar gemeenten krijgen geen specifieke, herkenbare inflatiecompensatie van het rijk. Het grootste positieve risico dat niet is meegenomen, is de herijking van het Gemeentefonds. Over de herijking kan tijdens de onderhandelingen meer informatie beschikbaar komen die aanleiding kunnen zijn voor een aanpassing van het Financieel Perspectief. - Inzet Algemene Reserve Uit het herzien perspectief blijkt dat er gerekend kan worden op een aanzienlijk in omvang groeiende Algemene Reserve. Het voor beleidsdoeleinden in te zetten deel is afhankelijk van de toe te passen minimum stand. Op basis van het huidige beleidskader bedraagt deze ondergrens € 10 mln. Inmiddels is een nieuwe kadernota risicomanagement in de maak waarin in overweging wordt gegeven om deze minimumstand te verhogen € 12,5 mln. Hiervan uitgaande is in 2023 sprake van een mogelijk in te zetten incidenteel bedrag van € 42,5 mln. De afgelopen jaren is het provinciaal begrotingstoezicht in een aantal stappen door de pr ovincies nader ingevuld. Die nadere invulling heeft zich o.a. toegespitst op de vraag wat het onderscheid is tussen structurele en incidentele baten en lasten.
Dat onderscheid is van belang omdat de Gemeentewet voorschrijft dat een begroting reëel en structureel moet sluiten: structurele lasten moet gedekt worden door structurele baten. Deze nadere invulling zoals neergelegd in Toezichtskader heeft een aantal beperkingen opgeworpen tegen de inzet van ruimte uit de Algemene Reserve. Beperkingen die zich, van meerdere factoren afhankelijke onder specifieke omstandigheden kunnen voordoen. Het voert te ver om daar in dit geval dieper op in te gaan. Consequentie is wel dat tijdens de onderhandelingen op daarvoor geschikte momenten getoetst moet worden hoe de tot dan toe behaalde resultaten zich verhouden tot hetgeen hiervoor geschetst is. 60
3. Financieel Perspectief versus ontwikkelingen en opgaven In het voorgaande is, met de nodige voorbehouden en kanttekeningen en financieel perspectief geschetst voor de komende periode. Tegelijkertijd is voor de onderhandelingen ook het deel A opgesteld met daarin overzicht van de belangrijkste maatschappelijke ontwikkelingen en opgaven waarmee een nieuw college te maken krijgt of kan krijgen, al naar gelang de politiek-bestuurlijke keuzes op dat punt. In deze paragraaf wordt nadrukkelijk de balans niet opgemaakt. Het is echter duidelijk dat er prioriteiten gestel d moeten worden en dan kan daarbij ook van belang zijn om zicht te hebben op de mogelijke ruimtescheppende maatregelen die het nieuwe college kan treffen: het herprioriteren van bestaande beleid in het licht van de nieuwe uitdagingen. Dat zicht bestaat uit drie ingrediënten: - Beïnvloedbare deel van de bestaande begroting In de achterliggende collegeperiode is een Midterm Review uitgevoerd en daarbij de begroting gescreend op mogelijkheden op budgettaire ruimte te scheppen. Dat potentieel is destijds bij l ange na niet benut. In de onderstaande tabel wordt het resultaat van die inventarisatie weergegeven. Dit moet gezien worden als een indicatie voor mogelijkheden in de begroting 2023 en verder. Het is een indicatie omdat er geen actualisatie, herberekening heeft plaatsgevonden voor de begroting 2023.
Ta bel 6 MTR oordeel A B C bei nvl oedba a r voorges tel d nee Economie en toerisme
D ja
E bezuiniging
6,16
1,10
0,85
0,25
Werk en i nkomen
110,40
5,54
4,54
1,00
Wonen en milieu
1,30
0,11
Infra structuur en mobiliteit
-1,92
0,32
Bes tuur
0,11 0,32
0,33
Vei ligheid
1,83
Rui mtelijke ordening
1,50
Beheer leefomgeving
0,33
0,16
0,16
26,16
1,97
1,93
Al gemene baten en lasten
1,47
0,01
0,01
Overhea d
20,40
0,35
0,35
Soci ale basis Jeugdzorg en maatsch. onderst.
28,49
2,21
2,19
88,23
2,69
2,69
284,02
14,79
13,03
0,25
F res ta nt 0,85 5,54
0,05
0,06
0,12
0,20
0,03
0,30 0,16
0,04
0,66
1,31 0,01
0,03
0,15
0,20
0,03
2,18 2,69
1,76
1,29
Verhoging leges
0,52
Toeri stenbelasting Verwerking bouwen en s l open
0,25
tota a l MTR
2,13
13,50
0,07
Samengevat komt de tabel neer op het volgende: A. Op basis van de bij de MTR gehanteerde criteria was van de geraamde lasten 2022 € 284,02 mln. beïnvloedbaar door gemeentelijk beleid. B. Ambtelijk is destijds voor een bedrag van € 14,79 mln. aan bezuinigingsvoorstellen voorgelegd aan het college. C. Daarvan € 13,03 afgewezen en D. € 1,76 mln. overgenomen aan begrotingsposten waarop E. € 1,29 mln. bezuinigd i s op de lasten. De baten zijn verhoogd met in totaal € 0,84 mln. F. Aldus blijft € 13,50 mln. op basis van de analyse van de lasten 2022 over als restant op de ambtelijke voorgestelde bezuinigingen; € 14,79 mln. - € 1,29 mln. Iin aanvulling op de bovengenoemde analyse van beïnvloedbare posten is inmiddels een onderzoek gestart naar mogelijke structurele doorwerking van de onderliggende oorzaken van het hoge rekeningresultaat op 61
toekomstige begrotingen. De inzichten die hieruit voorvloeien kunnen worden betrokken bij de finale afwegingen rondom het al dan niet nemen van ruimte scheppende maatregelen. - Onbenutte belastingcapaciteit De politiek-bestuurlijke overwegingen met betrekkng tot de hoogte van de belangrijkste eigen inkomstenbron van de gemeente, de opbrengst van de Onroerendzaakbelasting, kunnen in de context van de afwegingen die door andere gemeenten zijn gemaakt geplaatst worden. Het COELO berekent jaarlijkse de woonlasten per gemeente op een wijze die deze vergelijkbaar maken, o.a. door rekening te houden met verschillen in de WOZwaardes tussen gemeenten. In deze woonlasten wordt de OZB, de afvalstoffenheffing en de rioolheffing meegenomen. De door het COELO berekende woonlast in Leeuwarden voor een meerpersoonshuishouding met een koopwoning bedroeg in 2021 € 753,-- per jaar. Dit bedrag kan afgezet worden tegen meerdere referentiebedragen: het landelijk gemiddelde, et Fries gemiddelde, het gemiddelde van grote gemeenten (G40, 100.000+). Als het bedrag vergeleken wordt met het landelijke gemiddelde da n zijn in Leeuwarden de woonlasten op basis van de COELO berekeningswijze € 85,-- per jaar lager. Het landelijk gemiddelde is € 838,-- in 2021.
Dit verschil tussen het landelijk gemiddelde van de woonlasten en de woonlasten in Leeuwarden vertegenwoordigt een potentiele verhoging van de inkomsten met € 5,4 mln. Een verhoging van de inkomsten zou dan een gemiddelde woonlast opleveren die gelijk is aan het landelijke gemiddelde. Aangezien de afvalstoffen - en de rioolheffing zijn in Leeuwarden reeds maximaal kostendekkend, gaat het dan dus om een verhoging van de inkomsten uit de Onroerendzaakbelasting. - Overige maatregelen a. Verlaging of ongedaan maken structurele storting in de Algemene Reserve. Momenteel is sprake van een jaarlijkse storting in de Algemene Reserve van € 1,7 mln. ten laste van de begroting. Nu de Algemene Reserve naar verwachting autonoom een forse groei gaat doormaken ligt het voor de hand deze storting opnieuw op zijn merites te beoordelen. b. Creëren structurele ruimte door eenmalige investeringen. Globale verkenningen hebben uitgewezen dat er reële kansen aanwezig lijken om door middel van innovatieve investeringen in de bedrijfsvoeringsfeer structurele begrotingsruimte te creëren die kan worden benut voor beleidsambities. Gedacht kan worden aan kostenbesparende maatregelen op het vlak van de verduurzaming van de eigen gebouwen of het verder inzetten op efficiencywinsten door het inzetten van RPA-toepassingen (robotgestuurde procesautomatisering).
Inmiddels is opdracht gegeven om de concrete haalbaarheid van dit type investeringen nader te onderzoeken. Als richtsnoer wordt aangehouden een structurele opbrengst van €100.000 per jaar bij een eenmalige investering van € 1 mln.
4. Slotbeschouwing Uit het voorgaande kunnen de vol gende conclusies worden getrokken: Op basis van de huidige inzichten onstaat een voorlopig financieel beeld dat bestaat uit een beschikbare vrije ruimte in de Algemene Reserve van € 42,5 mln. in 2023 en een structurele begrotingsruimte van €4,5 mln. die eveneens vanaf 2023 inzetbaar is. Dit herziene financiële perspectief voor de komende bestuursperiode is evenwel nog met veel onzekerheden omkleed. Eerstvolgend ijkmoment voor de bepaling van de financiële positie is het verschijnen van de meicirculaire al s opmaat voor de totstandkoming van de begroting 2023. Onzekerheid die ook nog aanzienlijk versterkt wordt door de recente ontwikkelingen in Oost-Europa en de te verwachten macro-economische effecten daarvan die naar verwachting ook de financiële huishouding van de gemeente zullen raken. Als gevolg van deze onzekerheden zal ook de toewijzing van budgetten ter bekostiging van de opgaven en ambities van het nieuwe Collegeakkoord stapsgewijs moeten plaatsvinden. Ook hiervoor is de opmaak van de begroting 2023 een eerste belangrijk besluitvormingsmoment. Er moet evenwel rekening mee gehouden worden dat de onzekerheden rondom de financiële positie ook na dat moment zullen voortduren, zodat afwegingen rondom de bekostiging van het Collegeprogramma deels ook in latere jaren tot besluitvorming zullen moeten leiden.
Wel is duidelijk dat de omvang van de Algemene Reserve voor de komende jaren een forse groei zal doormaken. Hierdoor ontstaat verhoudingsgewijs meer ruimte voor incidentele uitgaven dan voor 62
structurele uitgaven. Met structurele uitgaven worden hier lasten bedoeld die jaar op jaar terugkomen in de begroting in tegenstelling tot incidentele uitgaven die begrensd zijn in de tijd (eenmalig of gedurende enkele jaren). Uit de voortgaande overdenkingen vloeit voort dat tijdens de collegeonderhandelingen noodzakelijkerwijs voorlopige en voorwaardelijke aannames moeten worden gemaakt ten aanzien van de beschikbare financiële ruimte en de besteding daarvan. Daarbij moet er rekening mee gehouden worden dat de onzekerheid omtrent de ontwikkeling van de structurele begrotingsruimte ertoe toe noodzaakt dat een substantieel deel van de beleidsambities (in eerste instantie) tijdelijke gefinancierd moet worden.
63