Bestemmingsplan (ontwerp) De Klamp Bijzonder Wonen
Tekst van het document
32/82
Bijlagen bij toelichting
33/82
34/82
Bijlage 1 Beeldkwaliteitsplan & welstandsrichtlijnen
Beeldkwaliteitsplan & welstandsrichtlijnen Locatie “Bijzonder wonen” in ‘De Klamp’
februari 2022
Inleiding Ten zuiden van Goutum en ten oosten van de Overijsselselaan wordt De Zuidlanden gebouwd. De Zuidlanden bestaat uit verschillende 'buurtschappen, woonbuurten van 300 tot 400 woningen die verwantschap vertonen met een buurtschap of dorp. De Klamp is de 'jongste' van de buurschappen en ligt midden in het gebied ‘De Zuidlanden’. Veel voorzieningen zijn al beschikbaar zoals een supermarkt, een brede school, het gezondheidscentrum en ruimten voor sport en spel. In De Klamp is inmiddels het nieuw IKC (Integraal Kind Centrum) De Sprong geopend.
De locatie ten noorden van De Klamp
Leeswijzer In de eerste 3 pagina's wordt de hoofdopzet van de invulling van het gebied uitgelegd. Daarna staat in 'Beeldkwaliteit' een aantal zaken over de openbare ruimte. Het deel 'Welstandsrichtlijnen' vormt het kader voor de beoordeling van de ruimtelijke kwaliteit van de bouwaanvragen.
In De Klamp is ook een bijzondere locatie in het stedenbouwkundig plan opgenomen. Voor deze locatie zal een ontwikkelende partij het hele proces van ontwerp tot en met de uitvoering ter hand nemen. Een eerste schetsplan is gemaakt en dient als uitgangspunt. Om de uiteindelijke bouwplannen te kunnen realiseren is dit document opgesteld dat een kader biedt voor de toets op de ruimtelijke kwaliteit.
Opzet van het plan (1) De invulling van de locatie is geïnspireerd op een nederzettingstype dat we het zgn. ‘gehofte’ of gehucht noemen. Een ‘gehofte’ heeft de karakteristieken van een boerenerf, maar vormt een zelfstandige woonkern. Erven zijn kleinschalig en gericht op werk en arbeid. Gebouwen op het erf zijn vaak rondom een verhard deel (het erf) georganiseerd en zijn qua volume vaak groot te noemen (boerderij en schuren). Gehuchten daarentegen zijn de kleinste vorm van een buurtschap, soms nauwelijks groter dan een uit de kluiten gewassen boerenerf. Belangrijk kenmerk van een gehucht is dat deze minder formeel is georganiseerd dan een buurtschap of dorp. Overgangen van privaat naar openbaar zijn onder hard en veel informeler vormgegeven. Soms liggen gehuchten tegen een buurtschap of dorp aan, soms liggen er nog percelen tussen. BUURTSCHAP - GROENE ENCLAVES
De Klamp is naast Techum en Wiarda een nieuw buurtschap in De Zuidlanden. In de groene ruimte tussen de buurtschappen zijn nog een aantal groene enclaves (A,B,C) waarvan deze locatie (D) er één is. Het bijzondere aan deze enclave ten opzichte van de overige drie, is de schaal en de positie tegen het buurtschap de Klamp.
De opgave van 35 woningen op ongeveer 2 hectare sluit goed aan bij het nieuwe gehucht. De watergang in de locatie zou gezien kunnen worden als een fictieve aanleiding zijn voor het “ontstaan” van het gehucht. Vanuit deze gedachtengang is dit planconcept gemaakt. De openbare ruimte in het geheel wordt overgedragen aan de toekomstige bewoners. Het moet werken voor alle huishoudens in het 'gehucht'. Een opdeling in meerdere erven, hoven of gebouwen is daarom onwenselijk. Het collectieve gebruik van de openbare ruimte moet voor alle bewoners beschikbaar en aantrekkelijk zijn. In de schema's op deze en de volgende twee pagina's wordt in een aantal thema's de hoofdopzet uitgelegd.
Opzet van het plan (2)
DE PLEK
Het perceel bestaat uit een stuk grond doorsneden door een vaart en omgeven door water waardoor er een soort eilanden ontstaan.
DE VERBINDING
Vanaf de ontsluitingsweg worden beide eilanden apart ontsloten. Een straat in oost-westrichting verbindt de eilanden met elkaar, maar ook met de school en de landerijen. Een typisch Fries hoog bruggetje voor voetgangers maakt het mogelijk om de vaarverbinding in stand te houden.
DICHTHEID - OPENHEID
Het gehucht ontstaat op de kruising van het water tussen de eilanden en de weg die ze verbindt. Door de aanwezige kwaliteit van het water kan hier relatief compact gebouwd worden waardoor op andere plekken op de eilanden meer ruimte ontstaat voor echt extensief wonen.
PARKEREN
Op beide eilanden is het eerste gebouw dat je tegenkomt een collectieve parkeerschuur. Hier staan een aantal deelauto’s voor algemeen gebruik. Het zonnedak zorgt voor voldoende stroom om alle auto’s electrisch op te laden. Tevens vindt je er een werkplaats voor onderhoud. En je zou er je boodschappen kunnen laten bezorgen. Natuurlijk is wel elk huis bereikbaar met de auto voor als je een keer iets zwaars moet vervoeren.
Opzet van het plan (3)
ONTMOETEN
Als je je auto geparkeerd hebt in één van de parkeerschuren loop je het laatste stukje verder naar je huis. Via een uitgebreid netwerk van wegen en stegen kom je bij je huis. Onderweg kom je je buren tegen. Heel anders dan in de traditioneel opgezette wijken. Het resultaat: Mienskip.
DELEN
Naast de collectieve parkeerschuur kan er nog veel meer gedeeld worden op It Nije Hiem: een sloep, een kas, een moestuin, een boomgaard.
WONEN
In de opzet van het plan zijn meerdere karakteristieke gebieden met elk een eigen woonkwaliteit:
3. Wonen in de collectieve tuin / boomgaard. Als je graag wat om handen hebt, en lekker vrij wilt wonen.
1. Wonen bij de brug, een levendige plek voor wie van gezelligheid houdt.
4. Wonen aan de landerijen, met vrij uitzicht richting de stad.
2. Wonen in het hof, een veilige plek dicht bij de parkeerschuur voor als je wat minder ter been bent.
5. Wonen aan de vaart, met je eigen aanlegsteiger voor de echte bootjes liefhebber.
Beeldkwaliteit De beeldkwaliteit beschrijft de inrichting van de openbare ruimte, de verhardingen en het groen. De opzet van het beoogde plan heeft de sfeer van een erf. Belangrijk hierin is dat de particuliere tuinen relatief klein zijn waardoor er een groot gebied blijft voor een gemeenschappelijke inrichting. De inrichting staat niet van te voren vast. De toekomstige bewoners zullen zoveel mogelijk bij de uitwerking van het gemeenschappelijke erf en het groen betrokken worden De omranding van het gebied dient wel te bestaan uit een groene singel met opgaand groen.
Welstandsrichtlijnen
Referenties van informele setting uit het buitengebied
De welstandsrichtlijnen vormen het toetsingskader voor de welstandsbeoordeling. In De Zuidlanden worden de bouwplannen in een vroegtijdig stadium besproken in het Kwaliteitsteam De Zuidlanden. Die gesprekken vormen het vooroverleg waarna op basis van de adviezen en aanbevelingen de definitieve aanvraag kan worden aangepast. Een positieve beoordeling zorgt bij een consequente uitwerking in de uiteindelijke aanvraag voor een positief welstandsadvies. Voor het gebied 'Bijzonder wonen' zijn de criteria in drie hoofdgroepen ingedeeld, te weten de ruimtelijke inpassing, de verschijningsvorm en de detaillering, materiaal en kleur.
Principes van volumes
Suggesties van materiaal en kleur
Impressie van het samenspel van informele inpassing, architectuurbeeld en kleurgebruik
Ruimtelijke inpassing • De plaatsing van de gebouwen is informeel, er zijn geen vaste rooilijnen. • De spreiding van de bebouwing is in verschillende dichtheden, soms staan de gebouwen heel dicht op elkaar en soms verder uit elkaar. • De typologie van gebouwen is afwijkend van de bebouwing in De Klamp zelf, de woningen en overige bouwwerken verwijzen in hun vormentaal naar de plattelandsarchitectuur van schuren, boerderijen en arbeiderswoningen. Deze typen worden op een eigentijdse
wijze geïnterpreteerd en verwerkt in een meer eigentijdse architectuur. Verschijningsvorm • De gebouwen zijn in basis zo vierkant mogelijk. • De daken hebben voornamelijk piramide achtige vormen. De bovenkant van de daken is plat afgeknot. • De gebouwen hebben maximaal één doorlopende stenen (voor)gevel. • Door het combineren van verschillende kenmerken ontstaat een grote rijkdom aan vormen die de indruk wekken van een grote variëteit in woningen. Detaillering, materiaal en kleur • Er is sprake van metselwerk mat minimaal twee metselverbanden. • Naast metselwerk is ook sprake van houten gevelbekleding. • De kleur van het metselwerk is bij voorkeur licht en daarmee afwijkend van De Klamp. • De daken hebben bij voorkeur rode pannen. Het toegepaste houtwerk heeft overwegend een donkere tot zwarte kleur.
Bijlage 2 Onderbouwing parkeervraag
Memo Aan
: J. Doornbos (Nijhuis Bouw)
C.c.
: -
Van
: Eelco Bos en Jasper Doeven (Mobycon)
Betreft
: Onderbouwing parkeervraag It Nije Hiem
Datum
: 9 februari 2022
Kenmerk
: M07334-M-E3
Aanleiding en doel Nijhuis Bouw werkt aan de planvorming van It Nije Hiem. Deze ontwikkeling betreft een inbreidingslocatie in het buitengebied van Leeuwarden en voorziet in de bouw van 35 woningen. It Nije Hiem is een woonwijk die gebaseerd is op een ‘gehofte’, een woonkern van meerdere boerderijwoningen die vroeger rond een Hoeve of herenboerderij gebouwd werd. Het is een woongebied waar een extensief woonmilieu wordt gerealiseerd. De doelgroepen bestaan uit mensen die in Leeuwarden nog weinig worden bediend. Hiervoor zijn drie woningtypes: woningtype A is een grote twee- onder één kapwoningen voor grote (samengestelde) gezinnen met veel kinderen. Woningtype C is een middenvorm, bedoeld voor de ‘verloren generatie’ (50 65 jaar). Woningtype B is het kleinste woningtype met senioren (65+) als doelgroep. Het concept gaat uit van een buurt die gericht is op mensen die willen delen. Het doel is dat de inwoners als collectief gebruik maken van de voorzieningen waaronder energie, mobiliteit, de werkplaats, de gemeenschappelijke tuin, de kas, de boomgaard et cetera. Dit draagt bij aan het langer zelfstandig kunnen wonen, het verminderen van eenzaamheid en het tegengaan van individualisering. De omgeving is erg groen, deze wordt ook niet onderhouden door de gemeente maar door de inwoners zelf.
Er wordt geparkeerd in twee collectieve parkeerschuren of de met groene bestrating aangelegde parkeerplaatsen. Fietsenstallingen zijn dicht bij de woningen gerealiseerd en de parkeerschuren op enige afstand. Er worden in totaal 42 parkeerplaatsen gerealiseerd: 24 in de twee parkeerschuren en 18 parkeerplaatsen uitgevoerd met open bestrating in de buurt van de parkeerschuren. Het plan bevat ruimte voor een eventuele verdere uitbreiding van het aantal autoparkeerplaatsen. Vanwege de kenmerken van de doelgroep en het concept van de wijk is het wenselijk om uit te gaan van een lagere parkeernorm dan het beleid van de gemeente Leeuwarden voorschrijft. Mede uit een uitgezette enquête blijkt namelijk dat het autobezit onder de doelgroep laag is en dat deze groep welwillend tegenover het gebruik van deelauto’s staat. Deze memo geeft daarom een onderbouwing voor deze lagere parkeervraag. Hiervoor beschrijven wij de volgende stappen: 1. 2. 3. 4.
Vaststellen parkeeropgave o.b.v. gemeentelijke parkeernorm Beschrijven argumenten voor lager autobezit en -gebruik Vaststellen parkeeropgave o.b.v. realistische parkeernorm Ruimtelijke inpassing en back-up parkeerplaatsen
Vaststellen parkeeropgave o.b.v. gemeentelijke parkeernorm In het ruimtelijk programma wordt onderscheid gemaakt in drie typen woningen: A, B en C. Onderstaande tabel geven de aantallen per soort woning weer waar in dit memo mee is gerekend. Functie Woning A Woning B Woning C
Doelgroep Samengestelde gezinnen Senioren ‘verloren generatie’
GBO 174 m2 134 m2 154 m2
BVO 653 m2 526 m2 539 m2
Aantal 10 13 12
Tabel 1: Ruimtelijk programma
Voor de berekening van de parkeeropgave volgens de normen van de gemeente Leeuwarden gebruiken wij de ‘Nota parkeernormen Leeuwarden 2014’ (aangepaste versie voor het ‘Parkeerbeleidsplan 2015’). We gaan in lijn met de parkeernota uit voor een stedelijkheidsgraad van ‘sterk stedelijk’. Daarnaast ligt de ontwikkeling in de gebiedsindeling ten behoeve van parkeernormen in ‘rest bebouwde kom’. De gemeente maakt voor de parkeernormen onderscheid in het gebruiksoppervlak (GVO) van woningen. Bij iedere parkeernorm geldt een aandeel van 0,3 parkeerplaatsen voor bezoekers. Dit geeft de onderstaande parkeervraag. Functie programma Woning A Woning B Woning C
Functie Parkeernota
Parkeernorm
Aantal
Parkeervraag
Woning met gebruiksoppervlakte (GBO) >120 m2 Woning met gebruiksoppervlakte (GBO) >120 m2 Woning met gebruiksoppervlakte (GBO) >120 m2
1,7 (excl. 0,3 bezoekers) 1,7 (excl. 0,3 bezoekers) 1,7 (excl. 0,3 bezoekers) 0,3
10
17
13
22
12
21
35
11 70
Bezoekers Totaal
Tabel 2: Parkeervraag o.b.v. Nota parkeren Leeuwarden 2014
De totale parkeervraag bedraagt minimaal 70 parkeerplaatsen voor auto’s. Er mag echter nog rekening worden gehouden met de aanwezigheidspercentages van bewoners en bezoekers. De Nota parkeernormen Leeuwarden 2014 bevat deze aanwezigheidspercentages, welke in de volgende tabel zijn te zien, met daaronder de minimale parkeervraag per moment. Op het maatgevende moment (de werkdagavond) is de parkeervraag 62 parkeerplaatsen. Functie Woning met GBO >120 m2 Wonen bezoekers Totaal
Werkdagochtend 50% 30 10% 1 31
Werkdagmiddag 50% 30 20% 2 32
Werkdagavond 90% 54 80% 8 62
Koopav ond 80% 48 70% 7 60
Werkdagnacht 100% 60 0% 0 55
Zaterdagmiddag 60% 36 60% 6 42
Zaterdagavond 80% 48 100% 11 59
Zondagmiddag 70% 42 70% 7 49
Tabel 3. Aanwezigheidspercentages per functie en totale parkeervraag auto
2
Onderbouwing lager autobezit en -gebruik Zoals gezegd is It Nije Hiem geen reguliere woonwijk, maar een concept waarbij samenleven en delen centraal staat. Wij zien in dit concept en de bijbehorende beoogde doelgroep aanleiding om van een lagere parkeervraag uit te gaan. Hieronder beschouwen we daarom de volgende argumenten: • • •
Autobezit o.b.v. enquête en CBS-data Aanbod deelauto’s Ruimtelijke inrichting en ligging
Autobezit o.b.v. enquête en CBS-data Onder potentiele bewoners is een enquête uitgezet waarin werd gevraagd naar het autobezit. De enquête heeft een respons van ca. 110 respondenten, waarbij 89% aangeeft geïnteresseerd te zijn als bewoner voor het project. Omdat dit het aantal bewoners dat in de wijk kán wonen benadert, geeft de enquête een betrouwbaar beeld van de potentiele doelgroep van It Nije Hiem. In de enquête werd gevraagd naar het autobezit. Onderstaande tabel geeft een uitsplitsing van het autobezit naar de verschillende leeftijdsgroepen uit het plan. Leeftijdsgroepen 25-35 en 3545 zijn samengevoegd om een uitspraak te doen over de doelgroep grote (samengestelde) gezinnen en leeftijdsgroepen 46-55 en 55-56 zijn samengevoegd om een uitspraak te doen over de ‘verloren generatie’. Voor de leeftijdsgroep 65+ is de respons dermate laag dat we een inschatting maken aan de hand van het Mobycon Autobezit voorspelmodel. Uit de enquête blijkt dat de leeftijdsgroepen 26-35 een gemiddeld autobezit hebben van 1,25 en de leeftijdsgroep 35-45 een autobezit van 1,32. Het samenvoegen van deze twee groepen geeft en autobezit van 1,28. Dit is ongeveer 0,5 lager dan de gemeentelijke parkeernorm. De leeftijdsgroep 46-55 heeft en autobezit van 1,11 en de leeftijdsgroep 56-65 een autobezit van 1,00. Het samenvoegen van deze groep geeft een autobezit van 1,09.
Dit is ongeveer 0,6 lager dan de gemeentelijke parkeernorm. Leeftijdsgroep
Respondenten
< 25 26 - 35 36 - 45 46 - 55 56 - 65 65 +
2 28 25 27 8 6
1 auto 1 17 11 18 6 5
Autobezit 2 auto’s >3 auto’s 0 0 9 0 11 0 6 0 1 0 0 0
26 - 35 + 36 - 45 53 28 20 (samengestelde gezinnen) 46 - 55 + 56 - 65 35 24 7 (verloren generatie) Tabel 4: Autobezit uit enquête uitgesplitst naar leeftijdsgroepen
Autobezit gemiddeld 0,50 1,25 1,32 1,11 1,00 0,83
0
Autobezit totaal 1 35 33 30 8 5 0 68
0
38
1,09
1,28
Omdat de respons van deze groep in de enquête erg laag is geven we op basis van ons Mobycon Autobezit voorspelmodel het autobezit van 65+ers weer in een gebied met de stedelijkheidsgraad van de gemeente Leeuwarden.
3
In het model hebben we op basis van CBS-data1 en Machine Learning software bepaald welke factoren het autobezit per huishouden zo goed mogelijk voorspellen. De waarde wordt bepaald op basis van alle pc4-gebieden van Nederland, machine learning biedt inzicht in verbanden tussen verschillende factoren en autobezit. De factoren die in het model als meest-verklarend naar voren komen, zijn omgevingsadressendichtheid (OAD), aandeel sociale huurwoningen en leeftijdsverdeling. We gaan op basis van het CBS uit van het OAD van Leeuwarden (2.134) en van 0% sociale huurwoningen. Volgens het model ligt het autobezit onder 65+ers op ca 0,55 per huishouden (Figuur 3). Dit is 0,75 tot 1,15 lager dan de gemeentelijke parkeernorm.
Figuur 1: Uitkomst rekenmodel autobezit
Aanbod deelauto’s Binnen de filosofie van het delen in It Nije Hiem is de verwachting dat het aanbod van deelauto’s zal leiden tot een daling in autobezit. Het aanbod van deelauto’s zal ervoor zorgen dat mensen geen eigen auto meer zullen hebben, of in ieder geval geen tweede auto kopen. In de enquête onder potentiele bewoners is gevraagd hoe ze tegenover deelauto’s staan. Onderstaande tabel toont de respons uitgesplitst naar de gevraagde leeftijdsgroepen. De potentiele doelgroep kent een hoge bereidheid tot het gebruiken van deelauto’s. In totaal geeft maar liefst 41% van de respondenten aan graag gebruik te maken van een deelauto. Van de leeftijdsgroep 25-35 + 35-45 zou 32% graag gebruik maken van een deelauto en van de leeftijdsgroep 45-55 + 56-65 46%.
1 Autobezit en overige gegevens per huishouden op postcode-4-niveau: https://opendata.cbs.nl/statline/portal.html?_la=nl&_catalog=CBS&tableId=37209hvv&_theme=419 en https://www.cbs.nl/nl-nl/dossier/nederland-regionaal/geografische-data/gegevens-per-postcode
4
Leeftijdsgroep
Respondenten
< 25 26 - 35 36 - 45 46 - 55 56 - 65 65 +
2 28 25 27 8 6
Zou u gebruik maken van deelauto’s? Graag Misschien Nee 0% 100% 0% 21% 79% 0% 44% 36% 20% 52% 37% 11% 25% 63% 13% 50% 33% 17%
26 - 35 + 36 - 45 53 32% (samengestelde gezinnen) 46 - 55 + 56 - 65 35 46% (verloren generatie) Tabel 5: Bereidheid gebruik deelauto's op basis van de enquête
59%
9%
43%
11%
Er is in Nederland echter nog weinig onderzoek gedaan naar het feitelijke effect van deelauto’s op het autobezit in uitbreidingslocaties zoals It Nije Hiem. Uiteindelijk zal het aanbod van deelauto’s wel bijdragen aan het verlagen van de parkeervraag, alleen kunnen we dit om deze reden niet voldoende kwantificeren om te kunnen gebruiken als argument om de parkeervraag te verlagen. Daarnaast geldt dat in het geval deelauto’s worden ingezet als onderdeel van de parkeeroplossing de deelname hieraan volgens jurisprudentie2 verplicht of zeer aannemelijk moet zijn (bijv. doormiddel van parkeerregulering). Dit is in It Nije Hiem niet het geval. Wanneer dit niet het geval is moet er jurisprudentie een ‘fall-back’-scenario worden ontwikkeld, zodat ook wanneer deelmobiliteit niet het gewenste effect heeft, terug gevallen kan worden op dit scenario. Later in dit rapport beschrijven we dit fall-back-scenario, maar hieruit blijkt dat er ook zonder de inzet van de deelauto’s een klein tekort in dit fall-back-scenario is. Ons advies is daarom om deelauto’s wel als pilot aan te bieden, maar op basis hiervan niet het aantal te realiseren parkeerplaatsen te verlagen. Ruimtelijke inrichting en ligging De wijk is ingericht met kenmerken van het STOMP-principe (Stappen-Trappen-OV-MaaSPersonenauto).
Op deze manier stuurt de ruimtelijke inrichting het maken van mobiliteitskeuzes, waarbij eerst de fiets en dan de auto wordt aangeboden. De fietsparkeerplaatsen worden namelijk zo dicht mogelijk bij de woningen gerealiseerd terwijl autoparkeren in parkeerschuren centraal in de wijk gebeurt, wat het gebruik van de fiets ten opzichte van de auto stimuleert. Op enkele minuten lopen van de woonwijk bevindt zich aan de Sudertrimdielsdyk de bushalte ‘Techumerdyk/Crematorium’. Vanaf deze halte kan met lijn 22 ieder uur van en naar Leeuwarden worden gereisd. Verderop, circa tien minuten lopen (4 minuten fietsen) ligt de bushalte ‘Gotum Sud’. Vanaf deze halte kan ieder halfuur met lijn 28 of 95 van en naar Leeuwarden worden gereisd. Het aanbieden van een probeeraanbod van deze busverbinding kan het gebruik hiervan stimuleren en daarmee het autogebruik- en bezit verlagen.
2 Zie bijvoorbeeld https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RVS:2021:2403
5
Vaststellen parkeeropgave o.b.v. realistische parkeernorm Op basis van de argumenten die we hiervoor beschreven hebben, zien wij mogelijkheden om af te wijken van de parkeernorm van de gemeente en uit te gaan van de parkeervraag die blijkt uit de uitgevoerde enquête en de voorspelling op basis van CBS-data. Onderstaande tabel laat de drie doelgroepen zien met het te verwachten autobezit. Op basis hiervan hebben we de parkeervraag op dezelfde manier berekend, als de berekening van de parkeervraag volgens de normen van de gemeente Leeuwarden. Functie programma Woningtype A Woningtype B Woningtype C
Doelgroep Samengestelde gezinnen Senioren ‘Verloren generatie’ Bezoekers
Autobezit 1,28
Aantal 10
Parkeervraag 13
0,55 1,09
13 12
7 13
0,3
35
11 44
Bezoekers Totaal Tabel 6: Te verwachten autobezit per doelgroep
De totale parkeervraag van de nieuwe functies op basis van de te verwachten doelgroepen bedraagt minimaal 44 parkeerplaatsen. Dit is echter nog zonder rekening te houden met de aanwezigheidspercentages. Onderstaande tabel laat de aanwezigheidspercentages zien (gebaseerd op de Nota parkeernormen Leeuwarden 2014), met daaronder de minimale parkeervraag per moment. De hoogste minimale parkeervraag bedraagt 39 parkeerplaatsen op de werkdagavond. Functie Woning A Woning B Woning C Wonen Bezoekers Totaal
Werkdagochtend 50% 6 50% 4 50% 7 10% 1 18
Werkdagmiddag 50% 6 50% 4 50% 7 20% 2 19
WerkdagAvond 90% 12 90% 7 90% 12 80% 8 39
Koopavond 80% 10 80% 6 80%1 10 70% 7 34
Werkdagnacht 100% 13 100% 7 100% 13 0% 0 34
Zaterdagmiddag 60% 8 60% 4 60% 8 60% 6 27
Zaterdagavond 80% 10 80% 6 80% 10 80% 8 35
Zondagmiddag 70% 9 70% 5 70% 9 70% 7 31
Tabel 7: Aanwezigheidspercentages per functie en totale parkeervraag auto
Ruimtelijke inpassing en back-up parkeerplaatsen In het plan zijn 42 parkeerplaatsen voorzien, waarvan 24 in de parkeerschuren (groen) en 18 in de openbare ruimte (geel). Dit is voldoende om te voorzien in de berekende parkeervraag op basis van de enquête en de CBS-data. In het plan is ruimte vrijgehouden (blauw), om meer parkeerplaatsen toe te voegen mocht er een tekort ontstaan. Er is ruimte om indien nodig tot vijftien parkeerplaatsen toe te voegen en daarmee het totaal naar 57 te brengen. Het kan namelijk voorkomen dat door veranderend inzicht of nieuwe bewoners met een ander mobiliteitsgedrag het aantal parkeerplaatsen onvoldoende blijkt. Het aanbieden van meer parkeerplaatsen leidt tot een latente parkeervraag, daarom is ons advies om ruimte voor deze back-up locaties uit te voeren in groen maar voor minimaal 10 jaar te bestemmen als verkeersruimte.
6
Op deze manier wordt het gewenste extra groen mogelijk en kan in de praktijk blijken of de nu voorziene 42 parkeerplaatsen afdoende zijn. Als dit nodig blijkt te zijn, dan kunnen extra parkeervakken op de back-up locaties worden gerealiseerd. De gemeentelijke normen geven een parkeeropgave van 62 parkeerplaatsen, waardoor er een tekort van 5 parkeerplaatsen overblijft. Omdat bewoners door bovenstaande aanpak op termijn worden geconfronteerd met het verdwijnen van groen in hun omgeving (bijvoorbeeld de appelboomgaard) ten behoeve van verharding voor parkeerplaatsen, kan in redelijkheid verwacht worden dat in de toekomst niet alle 62 parkeerplaatsen hoeven te worden gerealiseerd.
Figuur 2: Parkeerschuren (groen), overige parkeerplaatsen (geel) en mogelijke uitbreiding voor parkeren (blauw).
Aanbod deelauto’s Uit de enquête bleek een hoge bereidheid tot het gebruiken van deelauto’s, maar liefst 41% van de respondenten geeft aan hier graag gebruik van te maken. Uitgaand van 35 huishoudens in It Nije Hiem, betekent dit dat 25 * 0,41 = 13,94 huishoudens bereid zijn tot het gebruiken van een deelauto. Het Kennisinstituut voor Mobiliteit (KiM) stelt dat onder een doelgroep met een hoge bereidheid, een deelauto tot 3,14 privéauto’s kan vervangen. Om de huishoudens met een hoge bereidheid optimaal te bedienen zullen er, uitgaand van één auto per huishouden, 13,94 / 3,14 = 4,44, afgerond 5 deelauto’s nodig zijn. Uit gesprekken met marktpartijen blijkt echter dat zij in 5 deelauto’s geen haalbare businesscase zien. Voor het aanbieden van deelauto’s is het daarom realistischer om uit te gaan van een aanbod van 1 á 2 deelauto’s. Hiervoor hoeven geen extra parkeerplaatsen te worden gerealiseerd ten opzichte van het huidige plan. Hoewel we met het huidige onderzoek niet voldoende kunnen kwantificeren wat de impact zal zijn van het aanbieden van deelauto’s in It Nije Hiem, kunnen we op basis van het onderzoek van KiM wel een inschatting maken.
7
Onderstaande tabel laat een uiteenzetting zien van de theoretische impact van het aanbieden van verschillende aantallen deelauto’s. Berekende Parkeervraag 39 39 39 39 39 39
Aantal deelauto’s 5 4 3 2 1 0
Afname parkeervraag 5 * 3,14 = 13,9* 4 * 3,14 = 12,6 3 * 3,14 = 9,4 2* 3,14 = 6,3 1* 3,14 = 3,2 n.v.t.
Bezetting door deelauto’s 5 4 3 2 1 0
Geadviseerde plaatsen 44 43 42 41 40 39
In theorie resterende parkeervraag 30,1 ≈ 31 30,4 ≈ 31 32,6 ≈ 33 34,7 ≈ 35 36,9 ≈ 37 39
Tabel 8: Benadering impact aanbod deelauto's. *aantal bereide huishoudens is als maximum genomen.
Het is belangrijk om de deelauto’s aan te bieden op plaatsen in de wijk die (in lijn met het STOMP-principe) zo liggen dat de loopafstand niet langer is dan naar een privéauto. Dit kan door bijvoorbeeld in beide parkeerschuren een parkeerplaats te reserveren voor een deelauto. Aanvullende maatregelen voor stimuleren deelmobiliteit Een deelauto is een kostbare investering, daarom geven we hierbij aanvullende suggesties die het autobezit- en gebruik (blijvend) kunnen verlagen. Belangrijke redenen voor het hebben van een (tweede) auto zijn bijvoorbeeld woon-werk verkeer en het doen van boodschappen. Door voor dit soort reizen een alternatief te bieden of deze verplaatsing te voorkomen, kan het autogebruik worden teruggebracht. Hieronder worden enkele kwalitatieve suggesties gedaan voor het terugbrengen van autobeziten gebruik en het stimuleren van het gebruik van deelmobiliteit. • Investeer in het voor- en natransport van en naar de bushaltes ‘Techumerdyk/Crematorium’ en ‘Gotum Sud’. De eerste bushalte ligt op enkele minuten lopen vanaf de wijk en biedt ieder uur een verbinding van en naar Leeuwarden. ‘Gotum Sud’ ligt aan de hoofdweg op ongeveer 10 minuten lopen en biedt ieder halfuur een verbinding van en naar Leeuwarden. Door te investeren in de reis tussen de wijk en de bushalte, kan OV-gebruik worden gestimuleerd.
• Stimuleer OV-gebruik, bijvoorbeeld door het aanbieden van een OV-chipkaart met een dal voordeel-jaarabonnement (€60,- per jaar per abonnement) • Aanbieden van (elektrische) bakfietsen. Een aanzienlijk kostenefficiëntere investering dan een deelauto met een bereik dat voldoende is om te voorzien in bewegingen naar de supermarkt of plaatselijke recreatie. • Aanbieden van een centrale plaats waar pakketten en boodschappen bezorgd kunnen worden. Hierdoor hoeven mensen niet zelf naar de supermarkt te gaan, maar hoeven ze ook niet thuis te blijven om de pakketten in ontvangst te nemen. • It Nije Hiem valt onder het bereik van GO, een aanbieder van deelscooters die ook in Leeuwarden actief is. Misschien kan er en regeling worden getroffen die de beschikbaarheid van de deelscooters in (de omgeving van) de wijk kan garanderen. • Maak duidelijke afspraken met bewoners over autobezit- en gebruik. Communiceer bijvoorbeeld duidelijk dat de insteek is dat er slechts één parkeerplaats beschikbaar is per woning beschikbaar is.
8
Conclusies en aanbevelingen It Nije Hiem heeft op basis van de parkeernormen van de gemeente Leeuwarden een parkeerbehoefte van 62 parkeerplaatsen. Gezien het karakter van de wijk en de beoogde doelgroep zien wij echter mogelijkheden om af te wijken van de parkeernormen van de gemeente en uit te gaan van een lagere parkeervraag. Uit een enquête die onder potentiele bezoekers in de wijk is uitgezet en uit CBS-data blijkt dat het te verwachten autobezit lager is dan de parkeernormen van de gemeente. Uit een berekening van de parkeervraag aan de hand van het te verwachten autobezit onder de doelgroepen blijkt een parkeerbehoefte van 39 parkeerplaatsen. Daarnaast blijkt uit de enquête een grote bereidheid tot het gebruik van deelauto’s. Een deelauto kan de aanschaf van tweede auto’s voorkomen en daarmee bijdragen aan een (blijvend) laag autobezit. Hierdoor kan het aantal benodigde parkeerplaatsen ook in de toekomst laag blijven. Omdat onderzoek naar het effect van deelauto’s op autobezit nog onvoldoende aanwezig is en de capaciteit van de back-up locaties niet toereikend is om in een fall-back scenario van de deelauto’s te voorzien, is ons advies om als pilot deelauto’s aan te bieden en in te zetten om het lage autobezit te waarborgen, maar op basis hiervan niet het aantal te realiseren parkeerplaatsen te verlagen.
De ervaring uit deze pilot kan de gemeente gebruiken voor andere ruimtelijke ontwikkelingen. Om optimaal in de vraag naar deelauto’s te voorzien zijn 5 deelauto’s nodig. Echter, 1 á 2 deelauto’s zijn markttechnisch gezien realistischer en vereisen geen aanvullende parkeerplaatsen ten opzichte van het huidige plan. Tot slot adviseren wij om de ruimte waar in de toekomst extra parkeercapaciteit gerealiseerd kan worden, uit te voeren als groen en voor minimaal 10 jaar te bestemmen als verkeer. Als dit in de praktijk nodig blijkt te zijn, dan kunnen extra parkeervakken op deze locaties worden gerealiseerd. Wij adviseren daarbij om niet eerst de parkeervakken aan te leggen en die vervolgens op termijn om te vormen naar groen. In het verkeer geldt namelijk een latente vraag, waardoor aangeboden parkeer- en verkeerscapaciteit in de regel altijd wordt gebruikt. Door eerst groen aan te bieden, wordt het autobezit van de nieuwe bewoners het meest efficiënt gestuurd en zien bewoners op termijn wat zij aan groenvoorzieningen moeten opgeven als zij extra parkeercapaciteit willen. Het maken van duidelijke afspraken bewoners omtrent autobezit- en gebruik en het aanbieden van (probeeraanbod van) mobiliteitsalternatieven kan het lage autobezit tot slot (blijvend) verlagen.
9
Bijlage 3 Quickscan soortenbescherming
2021 Quickscan Wet natuurbescherming Gemeente Leeuwarden
Ontwikkeling De Klamp te Leeuwarden
COLOFON BUREAU FAUNAX Tijnjedyk 89 8936 AC Leeuwarden +316 83 77 25 48 info@faunax.nl www.faunax.nl Lid van Netwerk Groene Bureaus
Quickscan Wet natuurbescherming Gemeente Leeuwarden
Ontwikkeling De Klamp te Leeuwarden Leeuwarden, februari 2021
In opdracht van: Rho Adviseurs/ Gemeente Leeuwarden Uitvoering: Bureau FaunaX Rapportage: Mevr. A. Wieringa Foto’s: Bureau FaunaX Autorisatie: Dhr. J. Groen Foto’s voorpagina: Impressie van het plangebied
© Bureau FaunaX. Gebruik en overname van gegevens alleen toegestaan met volledige bronvermelding: Bureau FaunaX (2021). Quickscan Wet natuurbescherming, Rho Adviseurs/ gemeente Leeuwarden – Ontwikkeling De Klamp te Leeuwarden. Rapport 21039, Bureau FaunaX, Leeuwarden. Disclaimer: In deze rapportage worden de resultaten van een onafhankelijk onderzoek behandeld. Bureau FaunaX heeft een adviserende rol en spreekt zich niet uit over de wenselijkheid van het plan waarop dit onderzoek betrekking heeft. Dit onderzoek is zo zorgvuldig en nauwkeurig mogelijk uitgevoerd. Het voorkomen van beschermde soorten is echter onvoorspelbaar. Aan dit rapport kunnen geen rechten worden ontleend. Op dit onderzoek zijn onze algemene voorwaarden van toepassing, zoals gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel te Leeuwarden.
INHOUDSOPGAVE 1.
2.
INLEIDING ..................................................................................................................... 1 1.1 Aanleiding ..................................................................................................................... 1 1.2
Doel ............................................................................................................................... 1
1.3
Onderzoeksopzet .......................................................................................................... 1
1.4
Ligging en karakteristiek van het plangebied ..............................................................2
RESULTATEN QUICKSCAN ...........................................................................................4 2.1 Flora .............................................................................................................................. 4 2.2
2.3
Vogels ........................................................................................................................... 4 2.2.1
Jaarrond beschermde vogelnesten ............................................................... 4
2.2.2
Overige (broed)vogelsoorten .........................................................................5
Zoogdieren ....................................................................................................................5 2.3.1
Vleermuizen ...................................................................................................5
2.3.2
Overige zoogdiersoorten .............................................................................. 6
2.4
Reptielen en amfibieën .................................................................................................7
2.5
Vissen ............................................................................................................................7
2.6
Ongewervelden .............................................................................................................7
2.7
Gebiedsbescherming .....................................................................................................7 2.7.1
2.8 3.
Stikstofgevoeligheid ...................................................................................... 8
Houtopstanden ............................................................................................................ 8
SAMENVATTING EN CONCLUSIES ...............................................................................9 3.1 Overzicht beschermde soorten ................................................................................... 9 3.2
3.3
Effectbespreking en aanbevelingen ............................................................................. 9 3.2.1
Algemeen voorkomende broedvogels .......................................................... 9
3.2.2
Vrijgestelde- en niet beschermde soorten: de zorgplicht ............................ 9
Overzicht vervolgstappen ........................................................................................... 10
4. BRONNEN EN LITERATUUR ........................................................................................ 11 BIJLAGE I WET- EN REGELGEVING ................................................................................. - 1 Wnb Soortbescherming ......................................................................................................- 1 Vogels en verstoring .................................................................................................- 1 Vrijgestelde soorten provincie Fryslân .....................................................................- 1 Voorwaarden vrijstellingen ..................................................................................... - 2 Zorgplicht art 1.11 Wnb............................................................................................. - 2 Wnb Gebiedsbescherming ................................................................................................ - 3 Natura 2000-gebieden ............................................................................................. - 3 Wnb Houtopstanden ......................................................................................................... - 3 NatuurNetwerk Nederland/ Ecologische HoofdStructuur .............................................. - 3 -
1. INLEIDING 1.1
Aanleiding
Men is voornemens een perceel ruderaal/braakliggend terrein te ontwikkelen tot 35 erven met nieuwbouwwoningen als onderdeel van De Klamp te Leeuwarden. Met de werkzaamheden zullen de bestaande watergangen onderdeel vormen van de natuurlijke begrenzing van het plangebied en zullen extra watergangen ten noordoosten en zuidwesten aangelegd worden om bestaande watergangen met elkaar te verbinden. Tijdens de werkzaamheden zullen geen bomen worden gekapt. Omdat een deel van bovenstaande maatregelen een ruimtelijke ingreep betreft, dient een toetsing te worden uitgevoerd in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze toetsing vindt eerst plaats in de vorm van een quickscan gebaseerd op het onderdeel soortbescherming. In het kader daarvan is door Bureau FaunaX een analyse gemaakt van de (mogelijk) binnen de invloedssfeer aanwezige beschermde natuurwaarden. Hierbij ligt de focus op flora en alle diergroepen waarvan redelijkerwijze kan worden verwacht dat beschermde soorten voor kunnen komen in het plangebied. Tevens is een inschatting gemaakt van de eventuele effecten van de voorgenomen plannen op in de omgeving liggende beschermde natuurgebieden (Natura 2000 en NNN/EHS) (onderdeel gebiedsbescherming).
1.2
Doel
Deze ecologische beoordeling geeft, voor zover mogelijk, antwoord op de volgende vragen: 1. Komen binnen het plangebied (biotopen van) beschermde soorten in het kader van de Wet natuurbescherming voor? 2. Komen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden beschermde natuurgebieden voor? 3. Wat zijn de mogelijke effecten van de realisatie van de initiatieven en het in gebruik hebben ervan op deze beschermde natuurwaarden? 4. Voor welke soorten en hun leefgebied wordt de wet mogelijk overtreden en in hoeverre kunnen overtredingen vermeden, dan wel verzacht worden? 5. Wat zijn de te ondernemen vervolgstappen met betrekking tot het voorkómen van schade aan beschermde soorten binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden? Voor het beantwoorden van deze vragen zijn, naast de verzamelde gegevens tijdens het veldonderzoek, ook andere bronnen geraadpleegd. Zie hiervoor de bronnenlijst in hoofdstuk 4.
1.3
Onderzoeksopzet
Soorten In opdracht van de gemeente Leeuwarden heeft Bureau FaunaX het planvoornemen door middel van een ecologische quickscan getoetst aan de natuurwetgeving. Deze quickscan heeft bestaan uit een bureaustudie en een veldbezoek gebaseerd op ecologisch inzicht (expert judgement). Een ecologische quickscan of beoordeling is meestal de eerste stap van ecologisch onderzoek en is bedoeld om een inschatting te maken van de mogelijke effecten op eventueel aanwezige beschermde flora en fauna en/of natuurgebieden binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden. Het veldonderzoek voor deze quickscan is uitgevoerd op donderdag 28 januari 2021 en vond plaats onder winterse weersomstandigheden (2°C, lichte regen/natte sneeuw). Dit onderzoek bestond uit een visuele inspectie van het plangebied, waarbij is gelet op de aanwezigheid van (of sporen van) beschermde soorten en op de eventuele aanwezigheid van geschikt leefgebied van deze soorten.
1
Gebieden - Natura 2000 Behalve dat onderzocht wordt welke soorten binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden kunnen voorkomen, wordt ook gecontroleerd of er sprake kan zijn van negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Dit gebeurt middels een grove analyse op basis van de geplande werkzaamheden en de relevante afstand tot de meest nabij gelegen Natura 2000-gebieden. Houtopstanden Onder de Wet natuurbescherming worden ook houtopstanden beschermd. Er wordt gecontroleerd in welke mate er sprake is van kap en of hier een meld- en/of herplantingsplicht aan de orde kan zijn. Overige gebiedsbescherming Naast de Wet natuurbescherming zijn er nog meer regelgevingen die ingaan op het beschermen van de natuur in Nederland. Dit zijn veelal provinciale stukken, al dan niet als uitvoeringsorgaan vanuit rijksbeleid. Het gaat hierbij om regelgeving omtrent het NatuurNetwerk Nederland/ Ecologische Hoofdstructuur, ganzenfoerageergebieden en weidevogelgebieden. Deze toetsing stipt kort aan of er sprake kan zijn van een conflict tussen de provinciale regelgevingen en het geplande initiatief.
1.4
Ligging en karakteristiek van het plangebied
Het plangebied (figuur 1.1. + 1.2.) betreft een grasperceel met ruderaal terrein ten zuiden binnen de bebouwde kom van Leeuwarden. Het terrein wordt omringd door waterwegen en grasvelden en wordt door een smalle sloot opgesplitst. Het grasperceel is door het weer deels blank komen te staan met water. Het ruderaal terrein wordt gedeeltelijk omheind met hekken en door de regen gevormde watergangen en is voor een deel opgehoogd (zie foto’s voorpagina). De omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt door nieuwbouw woonwijken. Het planvoornemen betreft het terrein te ontwikkelen tot 35 nieuwbouwwoningen als onderdeel van De Klamp te Leeuwarden (figuur 1.3). Met de werkzaamheden zullen de bestaande watergangen onderdeel vormen van de natuurlijke begrenzing van het plangebied en zullen extra watergangen ten noordoosten en zuidwesten aangelegd worden om alle watergangen met elkaar te verbinden. Tijdens de werkzaamheden zullen geen bomen worden gekapt.
Figuur 1.1. De ligging van het plangebied in de gemeente Leeuwarden (bron: Google Maps).
2
Figuur 1.2. Ligging van het plangebied, rood omrand (bron: Rho Adviseurs).
Figuur 1.3. Mogelijk planvoornemen nieuwe situatie (bron: Rho Adviseurs/ Gemeente Leeuwarden).
3
2. RESULTATEN QUICKSCAN 2.1
Flora
Het plangebied wordt gekenmerkt door grasland met soorten zoals Engels raaigras, paardenbloem, hondsdraf, reukloze kamille, smalle weegbree, riet en andere soorten die gebonden zijn aan voedselrijke omstandigheden (figuur 2.1). Het plangebied is vanwege habitateigenschappen ongeschikt voor beschermde flora en deze zijn ook niet aangetroffen.
Figuur 2.1. Impressie aangetroffen flora binnen het plangebied.
Op basis van de waargenomen soorten en de (habitat)eigenschappen van het plangebied is het voorkomen van beschermde plantensoorten uit te sluiten.
2.2 2.2.1
Vogels
Jaarrond beschermde vogelnesten
Nesten van vogelsoorten die jaarrond beschermd zijn bevinden zich over het algemeen in volgroeide bomen en/of bossen, zoals ooievaarsnesten of horsten van roofvogels. Vaak worden oude kraaien- of eksternesten gebruikt door roofvogels en uilen. Tijdens het veldbezoek zijn geen bomen aangetroffen. Negatieve effecten op jaarrond beschermde boomnesten kunnen op voorhand worden uitgesloten. Daarnaast bevinden zich geen gebouwen binnen het plangebied, waardoor negatieve effecten op jaarrond beschermde nesten van gebouwbewoners zoals huismus en gierzwaluw ook op voorhand kunnen worden uitgesloten.
4
Negatieve effecten van de werkzaamheden binnen het plangebied op jaarrond beschermde nesten kunnen op voorhand worden uitgesloten.
2.2.2 Overige (broed)vogelsoorten Naast de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten is het plangebied ook beoordeeld op waarden voor (weide)broedvogels waarvan de nesten niet jaarrond beschermd zijn. De rietkragen binnen en rondom het plangebied bieden mogelijkheden voor broedvogels als de kleine karekiet om in te nesten (figuur 2.2). Ook kunnen weidevogelsoorten als de kievit tot broeden komen op de (voormalige) landbouwpercelen in het plangebied. Negatieve effecten als gevolg van de werkzaamheden op broedvogels waarvan de nesten geen jaarronde bescherming genieten, kunnen daarom niet op voorhand worden uitgesloten.
Figuur 2.2. Impressie rietkragen plangebied en aangetroffen (broed)vogels.
Er kan niet bij voorbaat worden uitgesloten dat zich binnen het plangebied/ de invloedssfeer van de werkzaamheden nestplaatsen bevinden van vogelsoorten waarvan de nesten tijdens het broedseizoen beschermd zijn.
2.3 2.3.1
Zoogdieren
Vleermuizen
Het plangebied is tijdens het veldbezoek beoordeeld op waarden voor vleermuizen. Hierbij is de nadruk gelegd op de aanwezigheid van mogelijke verblijfplaatsen. Ook is gekeken of het plangebied onderdeel uitmaakt van essentiële vliegroutes of foerageergebied van vleermuizen. Binnen het plangebied zijn er geen bomen of gebouwen aangetroffen die kunnen dienen als verblijfplaats voor vleermuizen. Negatieve gevolgen van de werkzaamheden op vleermuisverblijfplaatsen kunnen daarom op voorhand worden uitgesloten. Bomenrijen, watergangen en andere rechtlijnige verbindende elementen kunnen door vleermuizen gebruikt worden als vliegroutes tussen verblijfplaatsen en foerageergebied. Het plangebied betreft een vrij kaal terrein met enkele smalle watergangen, waardoor het aannemelijk is dat vliegroutes en foerageergebied buiten het plangebied liggen. Hoogstens kunnen de watergangen in en om het plangebied onderdeel vormen van vliegroutes van vleermuizen. Deze watergangen zijn echter onderdeel van een groot stelsel aan watergangen, waaronder bredere watergangen als het Alddjip en de Wirdumervaart. Naar ons inzien vormen de watergangen in en om het plangebied derhalve geen essentiële vliegroute. Negatieve gevolgen van de werkzaamheden op essentiële vliegroutes en foerageergebied kunnen daardoor op voorhand worden uitgesloten.
5
Negatieve effecten van de werkzaamheden op vleermuisverblijfplaatsen, essentiële vliegroutes of foerageergebied zijn op voorhand uit te sluiten.
2.3.2 Overige zoogdiersoorten Het plangebied is eveneens gecontroleerd op waarden voor overige zoogdiersoorten. De sloten beschikken over vlakke oevers met af en toe goed ontwikkelde rietkragen maar deze oevers worden intensief beheerd, waardoor er weinig dekking aanwezig is. Tevens is in deze watergangen weinig watervegetatie aanwezig (figuur 2.3). Op basis van habitatgeschiktheid en het feit dat uit de ruime omgeving van het plangebied geen waarnemingen van deze soort bekend zijn (bron: NDFF), kan de aanwezigheid van waterspitsmuis binnen het plangebied op voorhand worden uitgesloten. Nabij het plangebied zijn recente waarnemingen van ottersporen gedaan (bron: NDFF). Het plangebied biedt echter te weinig dekking voor de otter om als vaste rust- en verblijfplaats te kunnen dienen. Op basis van habitatgeschiktheid kan de aanwezigheid van verblijfplaatsen van de otter binnen het plangebied op voorhand worden uitgesloten.
Figuur 2.3. Impressie watergangen binnen en rondom het plangebied.
De aanwezigheid van verblijfplaatsen van de overige beschermde land zoogdiersoorten als de das en de boommarter kan op voorhand worden uitgesloten op basis van habitateigenschappen en/of verspreidingsgegevens.
6
Wel is het plangebied op basis van de habitat, alsook bevestigd door de aangetroffen sporen, geschikt voor vrijgestelde zoogdieren zoals veldmuis en haas. Voor vrijgestelde soorten geldt zorgplicht.
Aanwezigheid van verblijfplaatsen van overige beschermde zoogdiersoorten zoals waterspitsmuis en otter kan op voorhand worden uitgesloten. Voor voorkomende vrijgestelde soorten zoals veldmuis en haas geldt de zorgplicht.
2.4 Reptielen en amfibieën Het plangebied betreft grasland met enig ruderaal terrein en watergangen. Op basis van habitatgeschiktheid en de afwezigheid van waarnemingen van reptielen en beschermde amfibieën, zoals de heikikker, in de omgeving van het plangebied (bron: NDFF), kan op voorhand worden uitgesloten dat deze soortgroepen negatieve effecten van de werkzaamheden zullen ondervinden. Voor de vrijgestelde soorten amfibieën geldt zorgplicht.
De aanwezigheid van beschermde reptielen en amfibieën kan op basis van habitatgeschiktheid en verspreidingsgegevens worden uitgesloten.
2.5
Vissen
Het plangebied betreft enkele watergangen met weinig watervegetatie en een weinig ontwikkelde sliblaag, waardoor het ongeschikt is voor de grote modderkruiper. Ook zijn er uit de ruime omgeving van het plangebied geen waarnemingen van deze soort bekend. Op basis van habitatgeschiktheid alsmede verspreidingsgegevens (bron: NDFF) kan het voorkomen van beschermde vissen worden uitgesloten.
Op basis van habitatgeschiktheid en verspreidingsgegevens kan het voorkomen van beschermde vissen op voorhand worden uitgesloten.
2.6 Ongewervelden Het plangebied bevat geen waardplanten of watervegetatie die essentieel zijn bij de voortplanting van beschermde insecten. Op basis hiervan kunnen negatieve effecten van de werkzaamheden op beschermde ongewervelden zoals de groene glazenmaker of grote weerschijnvlinder binnen het plangebied worden uitgesloten.
Op basis van habitateigenschappen kan worden uitgesloten dat de werkzaamheden negatieve gevolgen zullen hebben op beschermde ongewervelden.
2.7
Gebiedsbescherming
Het plangebied valt niet onder de NNN/ EHS, ganzenfoerageergebieden of weidevogelgebieden.
Het plangebied valt niet onder de EHS, ganzenfoerageergebieden of weidevogelgebieden aangesteld door de provincie Fryslân. Een toetsing naar een mogelijk conflict tussen gebiedsbescherming en het initiatief is niet van toepassing.
7
2.7.1
Stikstofgevoeligheid
In de omgeving van het plangebied zijn de volgende Natura 2000-gebieden te vinden: Groote Wielen (6,5 km) en Alde Feanen (6,9 km), zie figuur 2.4. Voor deze gebieden zijn zowel habitattypen aangewezen als habitatrichtlijnsoorten, zoals meren met krabbenscheer en fonteinkruidenslijkgrasvelden en vochtige heiden, bittervoorn en gevlekte witsnuitlibel. Tijdens de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden komt er naar alle waarschijnlijkheid extra stikstof vrij door bijvoorbeeld het inzetten van mobiele werkvoertuigen. Deze extra stikstofemissie heeft mogelijk een effect op voorgenoemde gebieden welke zijn aangewezen voor diverse (stikstof)geschikte habitattypen en soorten. Gezien de werkzaamheden op relatief grote afstand van Natura 2000-gebieden plaatsvinden, kan naar onzes inziens worden uitgesloten dat de extra stikstofemissie significant negatieve effecten zal veroorzaken binnen de voorgenoemde gebieden en is een Aerius-berekening niet van toepassing. De provincie Fryslân is echter bevoegd gezag in dezen en bepaalt of het uitvoeren van deze berekening benodigd is.
Een Aerius-berekening in het kader van Natura 2000 is naar onze mening niet nodig.
Figuur 2.4. Ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000 gebieden (bron: Natuur overzichtskaart, provincie Fryslân).
2.8 Houtopstanden Als er een houtareaal wordt gekapt van meer dan 10 are (1000 m2) of een bomenrij van minimaal 20 bomen buiten de bebouwde kom kan er sprake zijn van een meld- en/of herplantingsplicht. Binnen het plangebied staan geen bomen die gekapt zullen worden, er is dan ook geen sprake van een meld- en/of herplantingsplicht.
8
Er is geen sprake van een meld- en/of herplantingsplicht.
3. SAMENVATTING EN CONCLUSIES 3.1
Overzicht beschermde soorten
In onderstaand tabel 3.1 worden de aangetroffen en potentieel aanwezige beschermde soorten en hun beschermingsstatus binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden samengevat. In de Wet natuurbescherming zijn vooral vaste verblijfsplaatsen (voortplantingslocaties zoals nesten, holen, kraamkolonies etc.) van belang, maar ook de functionele leefomgeving die vaste verblijfplaatsen in stand houdt. In dit overzicht zijn dan ook alleen de soorten opgenomen, waarvoor het plangebied onderdeel vormt van hun leefgebied en/of levenscyclus, en waarop eventueel in de toekomst geplande werkzaamheden van negatieve invloed kunnen zijn. Tabel 3.1 Overzicht van aangetroffen en potentieel voorkomende beschermde flora en fauna in het plangebied. Art. Art. Art. Soortgroep Soort Aanwezigheid Vrijgesteld Advies 3.1 3.5 3.10 Vogels Algemene broedvogels Mogelijk X Werken buiten broedtijd Vogels Zoogdieren Algemeen voorkomende Mogelijk X X Zorgplicht Amfibieën soorten Vissen
3.2
Effectbespreking en aanbevelingen
Het project kan naar onzes inziens doorgang vinden binnen het kader van de Wet natuurbescherming, mits men zich houdt aan de hieronder volgende aanbevelingen.
3.2.1
Algemeen voorkomende broedvogels
Het plangebied biedt mogelijkheden voor vogels om te broeden, in de rietkragen en oevers binnen het plangebied. Het gaat hier om soorten waarvan nesten alleen beschermd zijn tijdens het broedseizoen. Wij adviseren daarom om de werkzaamheden buiten de broedtijd uit te voeren. De broedtijd loopt grofweg van 15 maart tot 15 juli. Er is echter geen standaard voor deze periode. Sommige soorten kunnen eerder of later in het jaar broeden. Wat van belang is, is of er een broedgeval is en of er sprake is van wezenlijke verstoring van het betreffende broedgeval. In riet broedende soorten als de kleine karekiet kunnen in september nog jongen in het nest hebben. Eventueel kan tijdens de broedtijd gewerkt worden, dit dient dan te gebeuren onder begeleiding van een ecoloog.
3.2.2 Vrijgestelde- en niet beschermde soorten: de zorgplicht Er kan een aantal niet beschermde of vrijgestelde soorten voorkomen in het plangebied, zoals verschillende soorten kleine zoogdieren, amfibieën en vissen. Voor schade aan deze soorten geldt in principe een vrijstelling. De zorgplicht van de Wet natuurbescherming schrijft echter voor dat men verplicht is om alles wat redelijkerwijze mogelijk is, te doen of juist te laten om schade aan wilde planten en dieren zo veel mogelijk te voorkomen. Dit kan bijvoorbeeld tot uiting worden gebracht door voorafgaand aan de werkzaamheden dekking te verwijderen. Hierdoor worden eventueel aanwezige dieren vooraf bewogen een andere verblijfplaats te zoeken.
9
3.3
Overzicht vervolgstappen
De werkzaamheden kunnen binnen de kaders van de Wet natuurbescherming worden uitgevoerd, mits aan de hieronder genoemde vervolgstappen wordt voldaan. Voor meer detaillering en uitleg, zie de paragrafen hiervoor.
10
Algemeen voorkomende broedvogels: Werken buiten de broedtijd (grofweg 15 maart15 juli). Of werken onder begeleiding van een ecoloog. Vrijgestelde soorten: Het naleven van de zorgplicht.
4. BRONNEN EN LITERATUUR Alterra (2015). Synbiosis kaartenmachine Natura 2000 | Beschermde gebieden. Via: http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/googlemapszoek.aspx Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M. & J.J.W. van Delft 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland.Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey- Nederland, Leiden FLORON (2015) Verspreidingsatlas planten. Via http://www.verspreidingsatlas.nl/planten Korsten, E. en Regelink, J.R. (2010). Cursus herkennen van potentiële vleermuiswaarden: in het kader van quickscans en ander ecologisch vooronderzoek. Zoogdiervereniging rapport 2010.44. Zoogdiervereniging, Nijmegen Melis, J. & M.Koopmans, 2015. Fiskatlas Fryslân, verspreiding en ecologie van zoetwatervissen in Fryslân. Bornmeer, Gorredijk. Natura 2000 gebieden https://www.natura2000.nl/gebieden/friesland Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging en Gegevensautoriteit Natuur. Vleermuisprotocol 2013, 27 maart 2013.
www.gegevensautoriteitnatuur.nl en www.netwerkgroenebureaus.nl Kaarten betreffende gebiedsbescherming provincie Fryslân https://fryslan.maps.arcgis.com/home/webmap/viewer.html?webmap=eb4e12aa6eea4591af7c0f 48ef6def54&extent=120990,533762,221778,617075,28992 RAVON (2009). Verspreidingsonderzoek reptielen en amfibieën. In opdracht van het ministerie van LNV, Gegevensautoriteit Natuur. Verspreidingsatlas https://www.verspreidingsatlas.nl
11
BIJLAGE I WET- EN REGELGEVING De wettelijke bescherming van natuurwaarden valt in grote lijnen uiteen in drie delen: soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden.
Wnb Soortbescherming De Wet natuurbescherming draagt onder andere zorg voor de bescherming van in het wild voorkomende dier- en plantensoorten. De wet bevat een aantal verbodsbepalingen die ervoor moeten zorgen dat de gunstige staat van instandhouding van alle in het wild levende dier- en plantensoorten zal blijven gewaarborgd. De Wet natuurbescherming verdeelt beschermde soorten in twee groepen, de Europees beschermde soorten en de nationaal beschermde soorten. De eerste groep bestaat uit strikt beschermde soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn (art. 3.1 en 3.5). De Vogel- en Habitatrichtlijn zijn richtlijnen van de Europese Unie waarin wordt aangegeven welke diersoorten en welke typen natuurgebieden door de lidstaten dienen te worden beschermd. In de tweede categorie staan de overige (nationaal) beschermde soorten (art. 3.10). Binnen de Wet natuurbescherming vullen Europese en nationale wetgeving elkaar aan. De Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) genieten een iets zwaardere bescherming dan de nationaal beschermde soorten (art. 3.10). Zo geldt voor de nationale soorten geen verbod op het verstoren, iets wat wel het geval is bij de Habitatrichtlijnsoorten. Ook zijn de belangen waaronder ontheffing aangevraagd mag worden, voor de nationaal beschermde soorten uitgebreider dan voor de habitatrichtlijnsoorten.
Vogels en verstoring Voor alle inheemse vogelsoorten geldt dat het verboden is om in het wild levende vogels te doden of te vangen, opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen, te beschadigen, te rapen of nesten van vogels weg te nemen. Ook is het verboden om vogels opzettelijk te storen. Dit is echter niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Dit kan dus ook tijdens het broedseizoen het geval zijn, als kan worden aangetoond of beargumenteerd dat de verstoring geen negatieve effecten heeft op (de kansen van) het broedsucces. Of dit van toepassing is hangt af van meerdere factoren, zoals de biologie van een soort, de fase van de broedtijd waarin het broedpaar zich op dat moment bevindt (zoals balts, nestbouw, eieren of jongen) en de mate van verstoring. Een ter zake kundige ecoloog kan in voorkomende gevallen bepalen wat wel of niet geldt als wezenlijke verstoring. In aanvulling op bovenstaande wordt er door de provincies een lijst met vogelsoorten gehanteerd, waarvan de nesten jaarrond bescherming genieten. Binnen deze categorie wordt onderscheid gemaakt in soorten met jaarrond beschermde nesten (categorie 1 tot en met 4) en vogels met mogelijk jaarrond beschermde nesten (categorie 5).
Vrijgestelde soorten provincie Fryslân Hoewel de Wet natuurbescherming een nationale wet is, kunnen de provincies (als de bevoegde gezagen) soorten aanwijzen die vrijgesteld kunnen worden van de beschermde status, als het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen. Tabel 2.1 geeft een overzicht van de via de Verordening Wet natuurbescherming door de provincie Fryslân vrijgestelde soorten (zoogdieren en amfibieën). De verordening van de Provinciale Staten van Fryslân is te vinden op https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2016-6515.html.
-1-
Tabel 1. Vrijgestelde soorten Verordening Wet natuurbescherming provincie Fryslân.
Zoogdieren Aardmuis Bosmuis Bunzing Dwergmuis Dwergspitsmuis Egel Gewone bosspitsmuis Haas Hermelijn Huisspitsmuis Konijn Ree Rosse woelmuis Steenmarter Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos Wezel Woelrat
Amfibieën Bastaardkikker Bruine kikker Gewone pad Kleine watersalamander Meerkikker
Voorwaarden vrijstellingen Zoals gezegd zijn de vrijstellingen onder het bevoegd gezag van de provincie Fryslân, en zijn hiermee geen onderdeel van de Wet natuurbescherming zelf. De provincie heeft de soorten zoals die genoemd zijn in bovenstaande tabel niet zonder meer vrijgesteld, hier zijn voorwaarden aan verbonden. Ten eerste is het van belang dat er geen andere bevredigende oplossing voorhanden is. Ten tweede gelden de vrijstellingen niet in alle situaties. Deze zijn alleen van toepassing als de geplande werkzaamheden onder één van de volgende noemers vallen: a.
in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; c. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; d. in het kader van bestendig beheer en onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied. Ten derde is een aantal specifieke voorwaarden opgesteld (Bijlage I van de Verordening). Hierbij geldt dat indien sprake is van vangen of doden, alleen gebruik mag worden gemaakt van de in de verordening genoemde middelen en methoden. Dit is vooral van toepassing bij de vrijgestelde zoogdieren. Indien deze in winterslaap zijn en ze worden gevangen, dan moet er alles aan gedaan worden om ervoor te zorgen dat de overlevingskansen niet worden verminderd als gevolg van het vangen en verplaatsen. Voor amfibieën is het belangrijk te vernemen dat indien deze in winterslaap zijn, het niet is toegestaan ze te vangen (en verplaatsen). Indien bovengenoemde soorten voorkomen binnen een plangebied, is een ontheffing voor deze soort dus niet nodig.