Bestemmingsplan Leeuwarden Buitengebied - Dekemawei 15 Baard_onbp
Tekst van het document
46/134
1.51 logies met ontbijt: het bieden van de, ten opzichte van het wonen ondergeschikte, mogelijkheid tot recreatief nachtverblijf en ontbijt aan personen die hun hoofdverblijf elders hebben; 1.52 mantelzorg: intensieve zorg of ondersteuning, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, ten behoeve van zelfredzaamheid of participatie, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt, en waarvan de behoefte met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond; 1.53 milieusituatie: de situatie, waarbij milieuaspecten dienen te worden beoordeeld, zoals hinder voor omwonenden en een verkeersaantrekkende werking. In het bijzonder dient er bij de situering en omvang van milieubelastende functies (o.a. bedrijven) op te worden gelet dat de uitbreiding of nieuwvestiging van milieugevoelige functies (o.a. woningen) zo weinig mogelijk wordt beperkt. Omgekeerd dient er bij uitbreiding of nieuwvestiging van milieugevoelige functies op te worden gelet dat bestaande milieubelastende functies zo weinig mogelijk in hun functioneren worden beperkt; 1.54
natuurlijke waarden:
de aan een gebied toegekende waarden in verband met de geologische, bodemkundige en biologische elementen voorkomende in dat gebied. Onderdeel van de natuurlijke waarden vormt steeds een beoordeling van de soortbescherming op basis van de Flora- en Faunawet; 1.55 normaal onderhoud: het onderhoud, dat gelet op de bestemming regelmatig noodzakelijk is voor een goed beheer en gebruik van de gronden en gebouwen die tot de betreffende bestemming behoren; 1.56 normaal onderhoud (in het kader van archeologie): onderhoudswerkzaamheden, als het vervangen van bestrating en dergelijke, die niet leiden tot verstoring van de ongeroerde bodem; 1.57 nutsvoorzieningen: voorzieningen voor algemeen nut, zoals afvalinzameling, elektriciteit, gas, (tele)communicatie en dataverkeer, openbaar vervoer en water. Het gaat hierbij om andere bouwwerken zoals antennes, bakken, borden, containers, hekken, kastjes, palen, zuilen en wat met deze bouwwerken te vergelijken is. Onder nutsvoorziening wordt ook verstaan een schakelstation, een rioolwaterzuiveringsinstallatie, een telecommunicatiestation en een transformatorstation; 1.58 ondergeschikte lichte horeca: horeca die ondergeschikt is aan de bestemming en tot doel heeft het verstrekken van kleine etenswaren en dranken. Tot ondergeschikte horeca worden mede gerekend mobiele horecastands, drankautomaten, en dergelijke;
47/134
1.59 overkapping: een bouwwerk, geen gebouw en ander bouwwerk zijnde, dat een overdekte ruimte vormt zonder wanden dan wel met ten hoogste één wand; 1.60 paardrijbak: een door middel van een afscheiding afgezonderd stuk terrein met een andere ondergrond dan gras dat is ingericht voor het africhten en/of trainen van paarden en/of pony's; 1.61 pand: de kleinste, bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige, eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is; 1.62 peil: a. indien op het land wordt gebouwd: 1. de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte terrein; b. indien in of op het water wordt gebouwd: 1. het ter plaatse geldende streefpeil. 1.63 productiegebonden detailhandel: detailhandel in goederen die ter plaatse worden vervaardigd, geteeld, gerepareerd en/of toegepast in het productieproces, waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan de productiefunctie; 1.64 reclamemast: ander bouwwerk uitsluitend ten behoeve van reclame-uitingen; 1.65 risicogevoelig bouwwerk c.q. object een bouwwerk c.q.
object als bedoeld in het Besluit kwaliteitseisen externe veiligheid inrichtingen milieubeheer, dat kan worden aangemerkt in de zin van dat besluit als een kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object; 1.66 risicovolle inrichting: een inrichting, bij welke ingevolge het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen een grenswaarde, richtwaarde voor het risico c.q. een risico-afstand moet worden aangehouden bij het in het bestemmingsplan toelaten van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten; 1.67 ruimtelijk ondergeschikt: zowel architectonisch als qua afmeting ondergeschikt; 1.68 ruimtelijk ondergeschikt gebouw of ruimtelijk ondergeschikte overkapping: een gebouw of overkapping of onderdeel van een gebouw of overkapping dat ruimtelijk gezien ondergeschikt is aan het hoofdgebouw of de bedrijfswoning;
48/134
1.69 seksinrichting: een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht. of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een erotische massagesalon, een seksbioscoop, een sekstheater, een seksautomatenhal, of een parenclub, of een daarmee gelijk te stellen bedrijf, al dan niet in combinatie met elkaar; 1.70 stacaravan: een caravan of soortgelijk onderkomen op wielen, dat mede gelet op de afmetingen, kennelijk niet bestemd is om regelmatig en op normale wijze op de verkeerswegen ook over grotere afstanden als een aanhangsel van een auto te worden voortbewogen; 1.71 streefpeil: het niveau van het oppervlaktewater ten opzichte van N.A.P. dat door de waterbeheerder wordt nagestreefd en is vastgelegd in een door Provinciale Staten vastgelegd peilbesluit; 1.72 verblijfsrecreatie: een vorm van recreatie waarbij de recreant voor een bepaalde tijd, maar ten minste één nacht in het recreatiegebied of de toeristische plaats verblijft; 1.73
verkeersveiligheid:
de veiligheid voor het verkeer die wordt bepaald door de mate van overzichtelijkheid en vrij uitzicht (met name bij kruisingen van wegen en uitritten) en de (mogelijke) effecten van bebouwing en overige inrichtingselementen op de gedragingen van verkeersdeelnemers; 1.74 voorgevel: de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel die door de ligging, de situatie ter plaatse en/of de feitelijke indeling van het gebouw als voorgevel moet worden aangemerkt; 1.75 voorkeurgrenswaarde: de bij een bestemmingsplan in acht te nemen maximale waarde voor de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten, zoals deze rechtstreeks kan worden afgeleid uit de Wet geluidhinder en/of het Besluit Geluidhinder; 1.76 woning: een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden; 1.77 woonhuis: een gebouw, dat één woning omvat, dan wel twee of meer naast elkaar en/of geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen omvat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid beschouwd kan worden;
49/134
1.78 woonsituatie: een situatie waarbij, mede door de situering van om de woonfunctie liggende functies en bebouwing, in ieder geval sprake is van een redelijke daglichttoetreding, een redelijke mate van uitzicht en voldoende privacy, alsmede van afwezigheid van hinder.
50/134
Artikel 2
Wijze van meten
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 de dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; 2.2 de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; 2.3 de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 2.4 de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig (ander) bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 2.5
de oppervlakte van een bouwwerk:
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; 2.6 de oppervlakte van een overkapping: het neerwaarts geprojecteerd dakvlak; 2.7 afstanden: afstanden tussen bouwwerken onderling alsmede afstanden van bouwwerken tot erfgrenzen worden daar gemeten waar deze afstanden het kleinst zijn;
51/134
Hoofdstuk 2
Artikel 3
Bestemmingsregels
Wonen
3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. een woonhuis, met de daarbij behorende ruimtelijk ondergeschikte gebouwen en ruimtelijk ondergeschikte overkappingen, eventueel in ondergeschikte mate in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden beroep, een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit, mantelzorg en/of logies met ontbijt; b. het aantal woningen mag ten hoogste 2 bedragen; met daaraan ondergeschikt: c. kleinschalige duurzame energieopwekking; d. nutsvoorzieningen; e. wegen en paden; f. water; met de daarbijbehorende: g. tuinen, erven en terreinen; h. andere bouwwerken; 3.2 Bouwregels 3.2.1 Hoofdgebouwen Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. als hoofdgebouw mogen uitsluitend een woonhuis worden gebouwd; b. per bestemmingsvlak zal ten hoogste één hoofdgebouw worden gebouwd; c. de afstand van een hoofdgebouw tot aan de (spoor)weg zal ten minste de bestaande afstand bedragen; d. de inhoud van een hoofdgebouw zal ten hoogste 750 m³ (exclusief ruimtelijk ondergeschikte gebouwen en ruimtelijk ondergeschikte overkappingen) bedragen; e. de goothoogte van een hoofdgebouw zal ten hoogste 3,50 m bedragen; f. de dakhelling van een hoofdgebouw zal ten minste 30° en ten hoogste 60° bedragen; g. de afstand van een hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelgrenzen zal ten minste 3,00 m bedragen.
3.2.2 Ruimtelijk ondergeschikte gebouwen en ruimtelijk ondergeschikte overkappingen Voor het bouwen van ruimtelijk ondergeschikte gebouwen en ruimtelijk ondergeschikte overkappingen gelden de volgende regels: a. de gezamenlijke oppervlakte zal per hoofdgebouw zal ten hoogste de bestaande oppervlakte bedragen; b. de goothoogte zal ten hoogste 3,50 m bedragen, dan wel de bestaande goothoogte indien deze meer bedraagt dan 3,50 m; c. de bouwhoogte van aangebouwde ruimtelijk ondergeschikte gebouwen en aangebouwde ruimtelijk ondergeschikte overkappingen zal ten hoogste 7,00 m bedragen, mits de bouwhoogte 1,00 m lager is dan de
52/134
bouwhoogte van het hoofdgebouw, dan wel de bestaande bouwhoogte indien deze meer is dan 7,00 m; d. de bouwhoogte van vrijstaande ruimtelijk ondergeschikte gebouwen en vrijstaande ruimtelijk ondergeschikte overkappingen zal ten hoogste 5,00 m bedragen, dan wel de bestaande bouwhoogte indien deze meer is dan 5,00 m; e. de ruimtelijke ondergeschikte gebouwen en ruimtelijke ondergeschikte overkappingen worden op ten minste 3,00 m achter de naar de weg gekeerde gevel van het hoofdgebouw gebouwd, met dien verstande dat bij hoofdgebouwen met twee naar de weg gekeerde gevels ten opzichte van één van de naar de weg gekeerde gevels op minder dan 3,00 m zal worden gebouwd; f. de afstand van een ruimtelijk ondergeschikt gebouw of een ruimtelijk ondergeschikte overkapping tot de zijdelingse perceelsgrens zal ten minste 1,00 m bedragen, of wel het ruimtelijk ondergeschikt gebouw of de ruimtelijk ondergeschikte overkapping wordt op de zijdelingse perceelsgrens gebouwd; g. de dakhelling van ruimtelijk ondergeschikte gebouwen en ruimtelijke ondergeschikte overkappingen zal ten minste 30° en ten hoogste 60° bedragen; h. de afstand van een ruimtelijk ondergeschikt gebouw of een ruimtelijk ondergeschikte overkapping tot de gronden ter plaatse van de bestemming ‘Water’ zal ten minste 5 m bedragen. 3.2.3 Andere bouwwerken Voor het bouwen van andere bouwwerken gelden de volgende regels: a.
er zullen geen andere bouwwerken dan erf- en terreinafscheidingen en walbeschoeiingen worden gebouwd; b. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen zal ten hoogste 1,00 m bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de naar de weg gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw en het verlengde daarvan ten hoogste 2,00 m zal bedragen; c. de bouwhoogte van walbeschoeiingen zal ten hoogste 1,00 m ter plaatse van hoofdwatergangen en 0,50 m elders boven het ter plaatse geldende streefpeil bedragen. Walbeschoeiingen mogen uitsluitend bij percelen aan het water worden gebouwd; d. er zullen geen andere bouwwerken in de zin van de opwekking van windenergie, reclamemasten en paardrijbakken worden gebouwd. In art. 3.2.2 staat onder b, c en d het volgende: in het laatste geval zal een uitbreiding van het ruimtelijk ondergeschikte gebouw of de ruimtelijk ondergeschikte overkapping dezelfde goothoogte hebben; Het bestemmingsplan staat echter geen uitbreiding toe dus dit zou er uit kunnen…
3.3 Afwijken van de bouwregels 3.3.1 Afstand hoofdgebouw tot de weg Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 3.2.1 onder c in die zin dat de afstand van een hoofdgebouw ten opzichte van de weg wordt verkleind, mits: a. de geluidsbelasting op de gevels van de geluidsgevoelige gebouwen niet hoger is dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde of een verkregen hogere waarde; b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de woonsituatie, de
53/134
natuurlijke en landschappelijke waarden en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. 3.3.2 Bouwhoogte vrijstaande ruimtelijk ondergeschikte gebouwen Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 3.2.2 onder d in die zin dat de bouwhoogte van een vrijstaand ruimtelijk ondergeschikt gebouw wordt vergroot tot ten hoogste 7,00 m, mits: a. dit noodzakelijk is om de dakhelling van het ruimtelijk ondergeschikt gebouw overeen te laten komen met de dakhelling van het hoofdgebouw en/of om een samenhangend bebouwingsbeeld met de overige bebouwing op het perceel te realiseren; b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke waarden, de woonsituatie en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden. 3.3.3 Situering ruimtelijk ondergeschikte gebouwen en ruimtelijk ondergeschikte overkappingen Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 3.2.2 onder e in die zin dat een ruimtelijk ondergeschikt gebouw of een ruimtelijk ondergeschikte overkapping minder dan 3,00 m achter of voor de naar de weg gekeerde gevel(s) dan wel het verlengde daarvan wordt gebouwd, mits: geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de woonsituatie en het straat- en bebouwingsbeeld.
3.3.4 Afwijken minimale dakhelling ruimtelijk ondergeschikte gebouwen en ruimtelijk ondergeschikte overkappingen Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 3.2.2 onder g die zin dat de minimale dakhelling van ruimtelijk ondergeschikte gebouwen en ruimtelijk ondergeschikte overkappingen wordt verlaagd dan wel dat ruimtelijk ondergeschikte gebouwen en ruimtelijk ondergeschikte overkappingen geheel of gedeeltelijk worden voorzien van een plat dak, mits: a. met een erfinrichtingsplan wordt aangetoond dat de ontwikkeling op een zorgvuldige wijze landschappelijk wordt ingepast overeenkomstig het gestelde in bijlage 2 het Beeldkwaliteitsplan Bûtengebiet oktober 2014; b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke waarden, het bebouwingsbeeld, de woonsituatie en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. 3.3.5 Paardrijbakken Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 3.2.3 onder d in die zin dat paardrijbakken worden toegestaan, mits: tevens de in 3.5.3 bedoelde omgevingsvergunning is verleend. 3.4 Specifieke gebruiksregels Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken met deze bestemming wordt in aanvulling op het gestelde in Artikel 7 in ieder geval gerekend: a.
het gebruik van hoofdgebouwen in combinatie met bedrijfsdoeleinden anders dan een aan-huis-verbonden beroep, dan wel een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit; b. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel; c. het gebruik van gedeelten van een hoofdgebouw, inclusief de aangebouwde ruimtelijk ondergeschikte gebouwen, bij het hoofdgebouw, voor de uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep of een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit, indien: 1. het beroep of bedrijf niet wordt uitgeoefend door één van de bewoners van het hoofdgebouw, waarbij één andere arbeidskracht ter plekke werkzaam mag zijn; 2. de beroeps-/bedrijfsvloeroppervlakte in het hoofdgebouw meer bedraagt dan 30% van het vloeroppervlak van het hoofdgebouw; 3. de beroeps-/bedrijfsvloeroppervlakte meer dan 50 m² bedraagt;
54/134
d. e. f.
g. h. i. j.
4. parkeren niet op eigen erf plaatsvindt; 5. detailhandel plaatsvindt anders dan productiegebonden detailhandel; het gebruik van een hoofdgebouw voor meer dan één huishouden; het gebruik van een hoofdgebouw voor meer dan één woning; het gebruik van (vrijstaande) ruimtelijk ondergeschikte gebouwen voor bewoning, tenzij ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - wonen in ruimtelijk ondergeschikt gebouw' in welk geval één woning is toegestaan; het gebruik van gronden en bouwwerken voor verblijfsrecreatieve doeleinden anders dan logies met ontbijt ten behoeve waarvan maximaal twee kamers worden ingericht voor ten hoogste vijf logiesgasten; het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van agrarische bedrijfsactiviteiten; het gebruik van gronden voor buitenopslag; het gebruik van gronden ten behoeve van de aanleg van een paardrijbak met de daarbijbehorende andere bouwwerken.
3.5 Afwijken van de gebruiksregels 3.5.1 Klein kamperen Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 3.4 onder g in die zin dat de gronden tevens worden gebruikt als standplaats voor kampeermiddelen, mits: a. het maximum aantal kleinschalige kampeerterreinen binnen het plangebied ten hoogste 25 zal bedragen; b. per bestemmingsvlak waarbinnen een woning aanwezig is ten hoogste 15 kampeerplaatsen zijn toegestaan, dan wel ten hoogste 25 kampeerplaatsen indien sprake is van een perceel dat qua oppervlakte en ruimtelijke uitstraling vergelijkbaar is met een agrarisch bedrijfsperceel; c. er geen stacaravans en naar de aard daarmee gelijk te stellen onderkomens worden geplaatst en/of seizoenplaatsen worden ingericht; d. het kamperen uitsluitend plaatsvindt in de periode van 15 maart tot 1 november; e. de afstand tussen de kampeermiddelen en de aanwezige bebouwing binnen het bestemmingsvlak ten hoogste 100 m bedraagt; f. de afstand van de gronden waar het kampeerterrein feitelijk gevestigd wordt tot de buitengrenzen van een bestaand kampeerterrein en/of de dichtstbijzijnde gevel van een naastgelegen woonhuis ten minste 100 m bedraagt; g. met een erfinrichtingsplan wordt aangetoond dat de ontwikkeling op een zorgvuldige wijze landschappelijk wordt ingepast overeenkomstig het gestelde opgenomen in bijlage 2 Beeldkwaliteitsplan Bûtengebiet oktober 2014; h.
aangetoond wordt dat de realisatie van een kleinschalig kampeerterrein niet in strijd is met de ecologische en archeologische waarden en de externe veiligheid; i. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. 3.5.2 Recreatieappartementen Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 3.4 onder g in die zin dat de uitoefening van het wonen al dan niet gepaard gaand met interne bouwactiviteiten wordt gecombineerd met verblijfsrecreatie in de vorm van recreatieappartementen, mits: a. de recreatieappartementen in de bestaande gebouwen worden ondergebracht, waarbij gebruik wordt gemaakt van een gezamenlijke entree; b. permanente bewoning van de recreatieappartementen niet is toegestaan;
55/134
c. de oppervlakte van het permanente woongedeelte van het woonhuis, inclusief de aangebouwde ruimtelijk ondergeschikte gebouwen, niet minder mag bedragen dan 75 m²; d. de oppervlakte van een recreatieappartement ten hoogste 50 m² mag bedragen; e. de gezamenlijke oppervlakte van de recreatieappartementen per bestemmingsvlak ten hoogste 200 m² mag bedragen; f. het gezamenlijk aantal slaapplaatsen van alle recreatieappartementen ten hoogste 12 mag en het aantal recreatieappartementen per bestemmingsvlak ten hoogste 15 mag bedragen; g. de logiesactiviteit uitgeoefend wordt door in ieder geval één van de bewoners van het woonhuis; h. het parkeren op eigen erf plaatsvindt; i. ten behoeve van deze activiteiten, indien om bouwtechnische redenen noodzakelijk, geringe aanpassing van de bestaande gebouwen plaatsvinden; j. er vanwege de logiesverstrekking geen onevenredige hinder wordt veroorzaakt voor nabijgelegen woningen van derden (minimale afstand 50 m tot de bestemmingsgrens van de bestemming waarbinnen een woning aanwezig is dan wel kan worden gebouwd); k. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
3.5.3 Paardrijbakken Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 3.4 onder j in die zin dat gronden, voorzover gelegen binnen het bestemmingsvlak, worden gebruikt voor de aanleg van een paardrijbak ten behoeve van het eigen hobbymatige gebruik met de daarbijbehorende andere bouwwerken, mits: a. de paardrijbak zoveel mogelijk uit het zicht van de openbare weg wordt gesitueerd ten behoeve van een goede landschappelijke inpassing; b. er vanwege de paardrijbak geen onevenredige hinder (geur, geluid, licht en stof) wordt veroorzaakt voor nabijgelegen woningen van derden (minimale afstand 50 m tot de bestemmingsgrens van de bestemming waarbinnen een woning aanwezig is dan wel kan worden gebouwd); c. zo nodig met een erfinrichtingsplan wordt aangetoond dat de ontwikkeling op een zorgvuldige wijze landschappelijk wordt ingepast overeenkomstig het gestelde in bijlage 2 Beeldkwaliteitsplan Bûtengebiet oktober 2014; d. er geen onevenredige verstoring van het bodemarchief wordt veroorzaakt e. de oppervlakte van een paardrijbak ten hoogste 1.200 m² bedraagt; f. het aantal lichtmasten bij een paardrijbak ten hoogste 4 bedraagt; g. de bouwhoogte van lichtmasten ten hoogste 6,00 m bedraagt; h. de verlichtingstijd van de paardrijbak uitsluitend in de periode van 7.00 tot 23.00 uur plaatsheeft; i. de lichtmasten uitsluitend zijn gericht op de paardrijbak; j.
de bouwhoogte van overige andere bouwwerken ten hoogste 2,00 m zal bedragen. 3.6 Wijzigingsbevoegdheid 3.6.1 Theeschenkerij Burgemeester en Wethouders kunnen het plan wijzigen in die zin dat de aanduiding "specifieke vorm van horeca - theeschenkerij" wordt aangebracht, mits: a. de schenkerij binnen de bestaande bebouwing wordt gevestigd; b. de bedrijfsvloeroppervlakte ten behoeve van de theeschenkerij mag, inclusief buitenruimtes, maximaal 50 m² bedragen;
56/134
c. bij de aanleg van een buitenruimte een afstand van ten minste 50 m vanaf de bestemmingsgrens van nabijgelegen woningen wordt aangehouden; d. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, de woonsituatie en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
57/134
Artikel 4
Waarde - Archeologie 5
4.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie 5' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. 4.2 Bouwregels 4.2.1 Omgevingsvergunning voor het bouwen Voor bouwwerken, waarvoor bodemingrepen nodig zijn met een oppervlakte groter dan 2500 m² en die de bodem dieper dan 0,50 m beneden maaiveld verstoren moet alvorens een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt verleend, door de aanvrager een rapport worden overlegd waarin: a. de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld, en: b. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd. 4.2.2 Toetsingscriteria Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 4.2.1 wordt uitsluitend verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarden van de gronden. 4.2.3 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen Indien uit het in lid 7.2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen worden verstoord, kunnen één of meerdere van de volgende voorwaarden worden verbonden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen: a.
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij de vergunning te stellen kwalificaties.
4.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 4.3.1 Vergunningplichtige werken en werkzaamheden Voor de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is ongeacht het bepaalde in de regels bij de andere op de gronden van toepassing zijnde bestemmingen een omgevingsvergunning vereist: a. het ontgronden, afgraven (waaronder het graven van watergangen en waterpartijen), egaliseren en ophogen van gronden en/of het anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur, het diepploegen; b. het verwijderen en/of aanbrengen van bomen en diepwortelende beplanting;
58/134
c. het aanleggen van ondergrondse energie-, transport,- en of communicatieleidingen.
4.3.2 Uitzonderingen Het bepaalde in lid 4.3.1 is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden welke: a. het normale onderhoud betreffen; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan; c. in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen worden uitgevoerd, mits verricht door een daartoe bevoegde instantie; d. (her)drainage door middel van kettingdrainage en sleufloze drainage betreffen; e. niet dieper gaan dan 0,50 m beneden maaiveld en een kleinere oppervlakte dan 2500 m2 beslaan. 4.3.3 Toetsingscriteria Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 4.3.1 wordt uitsluitend verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarden van de gronden. 4.3.4 Onderzoeksplicht Een omgevingsvergunning kan pas worden verleend nadat door de aanvrager een rapport is overlegd waarin: a. de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld, en: b. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd.
4.3.5 Voorwaarden omgevingsvergunning 7.3.5 Voorwaarden omgevingsvergunning Indien uit het in lid 4.3.4 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het uitvoeren van werken of werkzaamheden zullen worden verstoord, kunnen één of meerdere van de volgende voorwaarden worden verbonden aan de omgevingsvergunning: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot bodemverstoring; te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij de vergunning te stellen kwalificaties.
59/134
Artikel 5
Waarde - Archeologie 6
5.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Waarde - Archeologie 6' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden.
5.2 5.2.1
Bouwregels Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
5.2.2 Omgevingsvegunning voor het bouwen Voor bouwwerken waarvoor bodemingrepen nodig zijn met een oppervlakte groter dan 10.000 m2 en die de bodem dieper dan 0,50 m beneden maaiveld verstoren moet alvorens een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt verleend, door de aanvrager een rapport worden overlegd waarin: a. de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld, en: b. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd. 5.2.3 Toetsingscriteria Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 5.2.2 wordt uitsluitend verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarden van de gronden. 5.2.4 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen Indien uit het in lid 5.2.2 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen worden verstoord, kunnen één of meerdere van de volgende voorwaarden worden verbonden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c.
de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij de vergunning te stellen kwalificaties.
60/134
5.3
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
5.3.1 Vergunningplicht Voor de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is ongeacht het bepaalde in de regels bij de andere op de gronden van toepassing zijnde bestemmingen een omgevingsvergunning vereist: a. het ontgronden, afgraven (waaronder het graven van watergangen en waterpartijen), egaliseren en ophogen van gronden en/of het anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur, het diepploegen; b. het verwijderen en/of aanbrengen van bomen en diepwortelende beplanting; c. het aanleggen van ondergrondse energie-, transport,- en of communicatieleidingen. 5.3.2 Uitzonderingen Het bepaalde in lid 5.2.1 is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden welke: a. het normale onderhoud betreffen; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan; c. in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen worden uitgevoerd, mits verricht door een daartoe bevoegde instantie; d. niet dieper gaan dan 0,50 m beneden maaiveld en een kleinere oppervlakte dan 10.000 m2 beslaan. 5.3.3 Toetsingscriteria Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 5.2.1 wordt uitsluitend verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarden van de gronden. 5.3.4 Onderzoeksplicht Een omgevingsvergunning kan pas worden verleend nadat door de aanvrager een rapport is overlegd waarin: a.
de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld, en: b. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd. 5.3.5 Voorwaarden omgevingsvergunning Indien uit het in lid 5.3.4 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het uitvoeren van werken of werkzaamheden zullen worden verstoord, kunnen één of meerdere van de volgende voorwaarden worden verbonden aan de omgevingsvergunning: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen;
61/134
c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot bodemverstoring; te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij de vergunning te stellen kwalificaties.
62/134
Hoofdstuk 3 Artikel 6
Algemene regels
Anti-dubbeltelregel
Grond welke eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
63/134
Artikel 7
Algemene gebruiksregels
7.1 Strijdig gebruik Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken met enige bestemming wordt in ieder geval gerekend: a. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting; b. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van het huisvesten van arbeidsmigranten; c. het gebruik van gronden voor de opslag van aan het oorspronkelijk verkeer onttrokken voer-, vaar- of vliegtuigen en andere onbruikbare of aan het oorspronkelijk gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen en materialen, anders dan in het kader van de ter plaatse toegestane bedrijfsvoering; d. het gebruik van gronden voor de opslag van schroot, afbraak- en bouwmaterialen, grond, bodemspecie en puin en voor het storten van vuil, anders dan in het kader van de ter plaatse toegestane bedrijfsvoering; e. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van evenementen, behalve ter plaatse van de aanduiding "evenemententerrein"; f. het gebruik van gronden voor het plaatsen en/of aanbrengen van niet-perceelsgebonden handelsreclame en/of reclame voor ideële doeleinden of overtuigingen, tenzij hiervoor anderszins vergunning is verleend; g. het gebruik van gronden en bouwwerken voor zonnepanelen anders dan op daken van gebouwen of overkappingen.
7.2
Afwijking van de gebruiksregels
7.2.1 Afwijking zonnepanelen anders dan op daken Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 7.1 onder h in die zin dat zonnepanelen anders dan op daken van gebouwen of overkappingen worden geplaatst, mits: a. de zonnepanelen uitsluitend op bouwpercelen binnen de daarvoor op de verbeelding opgenomen bestemmingsvlakken of binnen de bouwvlakken binnen de op de verbeelding aangeduide agrarische bedrijfskavels worden toegelaten; b. de zonnepanelen uitsluitend ten behoeve van het eigen gebruik worden opgericht; c. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de woonsituatie, de milieusituatie, de landschappelijke, cultuurhistorische en natuurlijke waarden en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
64/134
Artikel 8
Algemene aanduidingsregels
8.1 vrijwaringszone - radarverstoringsgebied 8.1.1 Aanduidingsomschrijving De voor 'vrijwaringszone - radarverstoringsgebied' aangeduide gronden zijn mede bestemd voor het vrijhouden van een goed radarbeeld van het luchtruim. 8.1.2 Bouwregels Op de met 'vrijwaringszone - radarverstoringsgebied' aangeduide gronden zal de bouwhoogte van bouwwerken binnen de ter plaatse voorkomende bestemmingen ten hoogste de ter plaatse binnen de aanduiding 'vrijwaringszone - radarverstoringsgebied aangegeven 'maximum hoogte (m)', ten opzichte van NAP, dan wel de bestaande bouwhoogte bedragen. 8.1.3 Afwijken van de bouwregels Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 8.1.2 in die zin dat de bouw- of tiphoogte, ten opzichte van NAP, wordt overschreden, mits: a. uit een beoordeling door de beheerder van de radar is gebleken dat door de bouw van het bouwwerk het radarbeeld van het luchtruim niet ontoelaatbaar wordt verstoord; b. vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de beheerder van de radar.
65/134
Artikel 9
Algemene afwijkingsregels
Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van: a. de bij recht in de regels gegeven maten, afmetingen en percentages, met uitzondering van de oppervlaktematen, tot ten hoogste 10% van die maten, afmetingen en percentages; b. de regels in die zin dat het beloop of profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of -intensiteit daartoe aanleiding geeft; c. de regels in die zin dat gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen, openbaar vervoer, bediening van kunstwerken en naar de aard daarmee gelijk te stellen gebouwtjes worden gebouwd, mits: 1. de oppervlakte per gebouwtje ten hoogste 50 m² mag bedragen; 2. de bouwhoogte van een gebouwtje ten hoogste 3,00 m mag bedragen; d. de regels, ten aanzien van de bouwhoogte van andere bouwwerken, in die zin dat de bouwhoogte van de andere bouwwerken wordt vergroot tot ten hoogste 10,00 m, waarbij de hoogte van reclamemasten ten hoogste 6,00 m zal bedragen.
66/134
Artikel 10 Overige regels 10.1 Parkeren a. Een bouwwerk, waarvan een behoefte aan parkeergelegenheid wordt verwacht, kan niet worden gebouwd of gebruikt wanneer op het bouwperceel of in de omgeving daarvan niet in voldoende parkeergelegenheid is voorzien en in stand wordt gehouden; b. Bij een omgevingsvergunning wordt aan de hand van op dat moment van toepassing zijnde beleidsregels bepaald of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid; c. Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in sub a en worden toegestaan dat in minder dan voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien, mits dit geen onevenredige afbreuk doet aan: 1. het bebouwingsbeeld; 2. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; 3. de cultuurhistorische waarden; 4. de landschappelijke waarden; 5. de milieusituatie; 6. de natuurlijk waarden; 7. de sociale veiligheid; 8. de verkeersveiligheid; 9. de watersituatie; 10. de woonsituatie.
10.2 Nadere eisen Burgemeester en Wethouders kunnen ten behoeve van de milieusituatie, de landschappelijke waarden, de natuurlijke waarden, de geomorfologische waarden, de cultuurhistorische waarden, de archeologische waarden, het bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid, het voorkomen van lichthinder en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, zodanig dat er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de genoemde criteria. 10.3 Overschrijding bouwgrenzen De bouwgrenzen mogen in afwijking van de verbeelding en de bestemmingsregels uitsluitend worden overschreden door: a. tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen, funderingen, balkons, erkers, serres, entreeportalen, veranda's en afdaken, mits de overschrijding niet meer bedraagt dan 1,50 m; b. andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, mits de overschrijding niet meer bedraagt dan 1,00 m. 10.4 Overschrijding bouwhoogtes De maximale bouwhoogte van gebouwen mag in afwijking van de verbeelding en de bestemmingsregels uitsluitend worden overschreden voor plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers en lichtkappen wordt vergroot, mits: a. de maximale oppervlakte van de plaatselijke verhoging ten hoogste 10% van het betreffende bouwvlak mag bedragen; b.
de vergroting ten hoogste 1,25 maal de maximale (bouw)bouwhoogte van het betreffende gebouw bedraagt;
67/134
68/134
Hoofdstuk 4
Overgangs- en slotregels
Artikel 11 Overgangsrecht 11.1 Overgangsrecht bouwwerken a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde in sub a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in sub a met maximaal 10%; c. Sub a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 11.2
Overgangsrecht gebruik
a. Het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet; b. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in sub a, te veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en afwijking wordt verkleind; c. Indien het gebruik, bedoeld in sub a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten; d. Sub a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
69/134
Artikel 12 Slotregel Deze regels worden aangehaald als: Regels van het Bestemmingsplan Leeuwarden Buitengebied - Dekemawei 15 Baard
70/134
71/134
72/134
Bijlagen bij de regels
73/134
74/134
Bijlage 1
Lijst met kleinschalige beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten
LIJST VAN TOEGESTANE BEROEPEN EN BEDRIJVEN BIJ WONINGEN alsmede met ondergenoemde bedrijven naar de aard en de invloed op de omgeving gelijk te stellen bedrijvigheid en voorzieningen. Uitoefening van (para-)medische beroepen, waaronder: individuele praktijk voor huisarts, psychiater, psycholoog, fysiotherapie of bewegingsleer, voedingsleer, mondhygiëne, tandheelkunde, logopedie, enz. individuele praktijk dierenarts Kledingmakerij (maat)kledingmakerij en kledingverstelbedrijf woningstoffeerderij Kantoorfunctie ten behoeve van bedrijvigheid die elders wordt uitgeoefend, zoals: schoonmaakbedrijf, schoorsteenveegbedrijf, glazenwasserij, maar ook ten behoeve van bijvoorbeeld een groothandelsbedrijf Reparatiebedrijfjes, waaronder: schoen-/lederwarenreparatiebedrijf uurwerkreparatiebedrijf goud- en zilverwerkreparatiebedrijf reparatie van kleine (elektrische) gebruiksgoederen reparatie van muziekinstrumenten klussenbedrijf In ieder geval zijn autoreparatiebedrijven uitgezonderd Advies- en ontwerpbureaus, waaronder individuele praktijk voor: reclame ontwerp grafisch ontwerp architect (Zakelijke) dienstverlening, waaronder individuele praktijk voor: notaris advocaat accountant assurantie-/verzekeringsbemiddeling exploitatie en handel in onroerende zaken
75/134
Overige dienstverlening kappersbedrijf schoonheidssalon Onderwijs autorijschool onderwijs niet in te delen naar specificatie, mits zonder werkplaats of laboratorium Sociaal-culturele activiteiten ateliers, galerieën en/of musea voor kunst en nijverheid of het geven van workshops Museale activiteiten Galerie/atelier
===
76/134
Bijlage 2
77/134
Beeldkwaliteitsplan oktober 2014
Hilaard
Jellum
Húns
Bears
Leons Jorwert
Weidum
Baard
Mantgum
Easterwierrum Britswert
Wiuwert
Rien Boazum
Lytsewierrum
BEELDKWALITEITSPLAN BÛTENGEBIET
LITTENSERADIEL
RUIMTELIJKE KWALITEIT VOOR DORPEN EN DIJKEN, LANGS TERPEN EN VAARTEN
BEELDKWALITEITSPLAN BÛTENGEBIET
WERKWIJZER
richtlijnen opgenomen voor de uitstaling
Het buitengebied van Littenseradiel
van gebouwen, bouwwerken, licht
is een uniek, open landschap. De
en reclame uitingen in het gehele
gemeente biedt in het bestemmingsplan
buitengebied.
LITTENSERADIEL
INHOUD 1.0 KERN-
Bûtengebiet ruimte voor ontwikkelingen in dit landschap, maar stelt wel
Stap 2: Ga naar het betreffende
eisen aan de kwaliteit van deze
landschapstype in hoofddtuk 6.0 en
ontwikkelingen. Zo ontstaat ruimte voor
geef aan op welke wijze er in het plan
dynamiek in het buitengebied, en blijft
rekening gehouden wordt met de
het fraaie landschap voor de volgende
uitgangspunten.
generaties bewaard.
Voor water-, groen-, wegen- en
KWALITEITEN LITTENSERADIEL 4
padenstructuur worden de De regels in het bestemmingsplan
uitgangspunten toegelicht (blauwe,
Bûtengebiet geeft aan welke
groene en grijze kolommen). Aansluitend
ontwikkelingen in het buitengebied
daarop volgen de richtlijnen voor nieuwe
zijn toegestaan, en in welke omvang.
‘rode’ ontwikkelingen.
2.0 INLEIDING AANLEIDING 6
De Welstandsnota geeft harde kwaliteitscriteria waaraan nieuwe of
Stap 3: Bepaal onder het betreffende
gewijzigde bebouwing dient te voldoen.
landschapstype bij welke van de
Het Beeldkwaliteitsplan Bûtengebiet
zeven thema’s de nieuwe ontwikkeling
geeft nadere invulling aan de eisen uit
aansluit en geef aan hoe in het plan
het bestemmingsplan en welstandsnota
aan de richtlijnen wordt voldaan.
en is primair gericht op de ruimtelijke
In aanvulling op de regels uit het
kwaliteit. Initiatiefnemers dienen in een
bestemmingsplan worden per
erfinrichtingsplan aan te geven hoe in
ontwikkeling richtlijnen benoemd
hun plan rekening te houden met de
waaraan de ontwikkeling dient te
ruimtelijke kwaliteit. Daarbij dienen de
voldoen. Per thema worden de richtlijnen
volgende stappen te worden doorlopen:
– zie zorg dragen voor de gewenste beeldkwaliteit - in maximaal drie niveaus
Stap 1: Bepaal op de kaart
onderscheiden: 1) landschapsniveau, 2)
Landschappen (bijlage 1) in welk
erfniveau en 3) bebouwingsniveau.
AMBITIE 7 STATUS 7 RUIMTELIJKE KWALITEIT EN DUURZAAMHEID 8 TWEEDIMENSIONAAL EN DRIEDIMENSIONAAL 9
landschapstype de ontwikkeling plaats vindt.
Stap 4: Stel een erfinrichtingsplan op
In 3..0 ‘Wat is er?’ worden de
waarin wordt aangegeven hoe met
LANDSCHAPSTYPEN
onderscheidende waarden van de
voorstaande punten wordt omgegaan.
1.
landschappen toegelicht. In 4.0 ‘Wat
Het erfinrichtingsplan maakt onderdeel
speelt er’, wordt toegelicht wat voor
uit van uw verzoek aan de gemeente en
ontwikkelingen van invloed zijn op
wordt als onderdeel van de ruimtelijke
de ruimtelijke kwaliteit. In 5.0 ‘Wat
ordeningsprocedure beoordeeld.
is van belang’ wordt de ruimtelijke
Ga vroegtijdig met uw initiatief met de
kwaliteit op verschillende schaalniveaus
gemeente in overleg, zodat u tijdig een
toegelicht en zijn in aansluiting op de
goed inzicht hebt in de eisen die aan het
Welstandsnota aanvullende algemene
erfinrichtingsplan worden gesteld.
RUIMTELIJKE KWALITEIT VOOR DORPEN EN DIJKEN, LANGS TERPEN EN VAARTEN BEELDKWALITEITSPLAN BÛTENGEBIET, LITTENSERADIEL 572 00 407 Oktober 2014
2
Noordelijke kwelderwallen en kweldervlakte
2.
Kleiterpenlandschap
3.
Kwelderwal langs voormalige Middelzee
4.
Oude zeepolders
5.0 WAT IS VAN BELANG? KLEUR- EN MATERIAALGEBRUIK 21 LICHT- EN RECLAMEGEBRUIK 21
4.0 WAT SPEELT ER?
CULTUURHISTORISCH ERFGOED 12 BESCHERMDE DORPSGEZICHTEN EN DORPSSILHOUETTEN 14 LANDSCHAPPEN 16
PUNTEN VOOR HET LANDSCHAP
VERBREDING VAN DE LANDBOUW
6.1 NOORDELIJKE KWELDERWALLEN EN KWELDERVLAKTE
DORPSRANDEN EN BEDRIJVENTERREINEN
WATER EN RELIËF 10
UITGANGS-
SCHAALVERGROTING LANDBOUW
FUNCTIEVERANDERING
3.0 WAT IS ER?
6.0
18
UITGANGSPUNTEN EN RICHTLIJNEN 25 6.2 KLEITERPENLANDSCHAP UITGANGSPUNTEN EN RICHTLIJNEN 31 6.3 KWELDERWAL LANGS VOORMALIGE MIDDELZEE UITGANGSPUNTEN EN RICHTLIJNEN 37 6.4 OUDE ZEEPOLDERS UITGANGSPUNTEN EN RICHTLIJNEN 43 LITERATUURLIJST 49 BEGRIPPENLIJST 49
3
1. 0 K E R N K W A L I T E I T E N 1. DIJKEN De wegen slingeren over de vaak hoog
2. VAARTEN EN OPVAARTEN
gelegen dijken, met steeds wisselende
De Boalserter Feart, de Frjentsjerter Feart,
(verge)zichten op en over het landschap.
de Boazumer Feart, de Mantgumer Feart
De Slachtedyk en de Hegedyk zijn
en De Swette maken samen met de
waardevol door hun beloop, de hoogte,
opvaarten deel uit van het fijn vertakte
het profiel, het gebruikte bouwmateriaal,
vaarwegenstelsel in de provincie.
de natuurlijke onderdelen en de
Easterlittens ligt als dorp aan het
bekleding.
‘knooppunt’ van het vaarwegen stelsel van deze gemeente. De vaarten vormen de belevingsaders van het landschap.
4. VOORMALIG MIDDELZEEGEBIED De weidsheid van de voormalige Middelzee als groot aaneengesloten vrijwel onbebouwd en onbeplant gebied biedt een fraai contrast met het naastgelegen gebied waar een reeks van dorpen en woningen met Boalserter Feart bij Easterlittens
erfbeplanting elkaar afwisselen.
5. NATTE (NATUUR)GEBIEDEN (SKROK-SKRINS- LIONSERPOLDER EN EROSIEGEULENSYSTEEM)
De Slachtedyk
De openheid en de relatief lage ligging en hoge grondwaterstand in combinatie met een ‘dichte’ sloten- en greppelstructuur maakt deze gebieden tot een interessante zone. Natte weiden en bolle ('kruinige') akkers bepalen het beeld.
3. FIJNMAZIG SLOTENPATROON De verkaveling wordt gevormd door een fijnmazig slotenpatroon. Dit netwerk van water kent wisselende patronen, welke van cultuurhistorische waarde zijn en aantrekkelijk voor de flora en fauna en de beleving van het landschap als recreatiegebied. De Slachtedyk
4
L I T T E N S E R A D I E L 6. TERPEN Van oorsprong hoger gelegen
8. ERVEN EN ERFBEPLANTING
10. WINDWATER- MOLENS
kunstmatige ruimtes vormen vaak nog
Erfbeplanting bij agrarische erven en
De (Amerikaanse) windwatermolens zijn
de kern van een dorp of bieden ruimte
rond burgerwoningen zorgt voor een
een markant herkenningspunt (bakens)
voor één of enkele boerderijen.
juiste mix van groen en bebouwing.
in het open landschap. Ze zijn in veel
Erfbeplanting maakt door het opgaand
gevallen aangemerkt als Rijksmonument.
karakter deel uit van een aantrekkelijk silhouet van het landschap.
7. DORPEN EN DORRPSSIL- HOUETTEN 29 Dorpen liggen verspreid in het landschap. De wegen en dijken maken een netwerk van dorpen. Steeds weer komt een ander dorpssilhouet in beeld, zorgvuldig ingepast in het landschap, met een juiste mix van groen en bebouwing in de dorpsrand en de kerktoren als baken. Zes dorpen kennen een beschermd historisch dorpsgezicht.
9. KOP-HALS- ROMP- BOERDERIJ De onderdelen van kop-halsrompboerderij zijn functioneel: wonen in het voorhuis (kop), werken in de ‘hals’ en onder het grote rode dakvlak van de schuur (romp) ligt de oogstopslag en veestalling. De boerderijen liggen als ‘kathedralen’ in het landschap. Zicht op Kûbaard
5
BEELDKWALITEITSPLAN BÛTENGEBIET
LITTENSERADIEL
2.0 INLEIDING AANLEIDING De gemeente Littenseradiel is de meest landelijke gemeente van Nederland (bron: E. Boneschansker, Bureau voor Beleidsonderzoek). De Capitool Reisgids van Friesland omschrijft deze gemeente als een weids landschap met verrassende dorpsgezichten, oude dorskernen, rechte dorpsvaarten, smalle wegen, statige kop-hals-rompboerderijen en slingerende oude binnendijken die ooit het zeewater keerden. Deze gemeente heeft een landschap om trots op te zijn!
Lystewierum
Franeker Leeuwarden
Wjelsryp
Baaium
Hilaard
Húns
Jellum Bears
Winsum
Leons
Jorwert Weidum
Spannum
Baard Easterlittens Mantgum
Kûbaard
Waaksens
Iens Wommels
Hinnaard
Britswert
Wiuwert
Itens Easterein
Rien Lytsewierrum
Hidaard Reahus
Bolsward
Gemeente Littenseradiel
6
Boazum
Easterwierrum
2.0 INLEIDING
AMBITIE
STATUS
In de Structuurvisie 2030 worden
Structuurvisie Nieuw Stroomland).
Gezien de directe verbintenis van de
de ruimtelijke ontwikkelingen voor
Tevens is er het Landschaps-
richtlijnen in het beeldkwaliteitsplan met
de periode 2010-2030 omschreven.
ontwikkelingsplan (2004) waarin voor de
de regels uit het bestemmingsplan vormt
Zelfstandigheid, eigenheid en kwaliteit
Stadsregio Leeuwarden, waaronder ook
dit een bijlage bij het bestemmingsplan
staan centraal in deze visie en uiten
de gemeente Littenseradiel valt, richting
Bûtengebiet en wordt als zodanig
zich in een zestal thema’s. Eén daarvan
wordt gegeven aan het behoud en de
ook door de raad vastgesteld. De
is het thema ‘landbouw en landschap’.
ontwikkeling van de diversiteit van de
welstandsbeleid van de gemeente
Daarbij komen de ontwikkeling van
landschappen.
blijft daarnaast van kracht. Het
de landbouw en de cultuurhistorische
beeldkwaliteitsplan geldt tevens als
waarde van het landschap naar voren.
Het gaat erom het landschap ook
zelfstandig ruimtelijk kwaliteitskader voor
De gemeente kiest voor ondersteuning
in de toekomst, met de ruimtelijk-
toetsing van ontwikkelingen die niet
van de ontwikkeling van de landbouw,
economische ontwikkelingen in het vizier,
passen binnen het bestemmingsplan
maar niet ten koste van het landschap
een eigen identiteit te geven zodat het
Bûtengebiet.
en de ruimtelijke kwaliteit. Behoud
karakteristieke van de regio ook dan
van de historische waarden van het
gestalte krijgt.
landschap staat voorop.
Een uitwerking van het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) is het Handboek
Het beeldkwaliteitsplan sluit aan
voor het landschap (concept, 2012),
bij het huidig beleid en borduurt
dat dient als methodiek om het LOP
naast de Structuurvisie 2030, voort
operationeel te maken ten behoeve
op het provinciaal beleid (Provinciale
van de landschappelijke inpassing van
Verordening ‘Romte Fryslân’ en ‘Grutsk
ruimtelijke plannen in de verschillende
op ‘e Romte’) en het (inter)gemeentelijk
gemeenten.
beleid (‘In eigen lûd’, Strategische visie gemeente Littenseradiel 2010-2015 en
Sloot met open landschap en Slachtedyk
Structuurvisiekaart 2030
HANDBOEK VOOR HET LANDSCHAP
richtlijnen voor de uitvoeringspraktijk
van het Landschapsontwikkelingsplan
voor de Stadsregio Leeuwarden
oktober 2012
Grutsk + Handboek voor het landschap
7
BEELDKWALITEITSPLAN BÛTENGEBIET
LITTENSERADIEL
Water en paden als belevingsaders van het landschap
BLAUW
GRIJS
BELEVINGSADERS (2D)
GROEN
ROOD
BELEVINGSELEMENTEN (3D)
ECOLOGIE IDENTITEIT 8
ECONOMIE PROGRAMMA
2.0 INLEIDING
RUIMTELIJKE KWALITEIT EN DUURZAAMHEID Ruimtelijke kwaliteit wordt bepaald door gebruiks-, belevings- en toekomstwaarde. Gebruikswaarde zit
Belevings-
Gebruiks-
Toekomst-
in de functie van het landschap als
waarde
waarde
waarde
Gebieds-DNA
Functie
Kansen
culturele identiteit en de leesbaarheid
wat is er?
Bestemming
Ontwik-
van de historie (diversiteit, identiteit en
wat zien we?
gebied voor landbouw en natuur en als woon-, recreatie- en werkomgeving. Belevingswaarde zit in de unieke gebiedsspecifieke kenmerken, zoals
kelingen
schoonheid). Toekomstwaarde zit in de kansen van het buitengebied om diverse functies, aansluitend bij de specifieke
BORGEN VAN RUIMTELIJKE KWALITEIT
ruimtelijke kenmerken in de toekomst te blijven ontwikkelen en te exploiteren (duurzaamheid, inpasbaarheid en beheerbaarheid).
TWEEDIMENSIONAAL EN DRIEDIMENSIONAAL
via de 2D structuren te beleven zijn. In
De water- en infrastructuur lopen als
3D structuren constant in ontwikkeling.
tweedimensionale belevingsaders
De groen- en waterstructuur zijn
door het landschap. Van hieruit
onderdeel van het casco van het
wordt het landschap waargenomen
landschap en vormen de ecologische
en beleefd. Deze elementen zijn
dragers. De infrastructuur en bebouwing
een vast gegeven en vrijwel niet
vormen primair de economische dragers
onderhevig aan ontwikkelingen. De
in het gebied.
tegenstelling tot de 2D structuren zijn de
groen- en bebouwingsstructuur zijn de driedimensionale elementen die
9
3 . 0 W AT I S E R ?
3.0 WAT IS ER? Het landschap van Littenseradiel bestaat uit het oude kleilandschap en het jonge kleilandschap. Het oude kleilandschap kent vele compacte dorpen en kleine buurtschappen die door slingerde dijken aaneen worden geregen. Het jonge kleilandschap herbergt één van de oudste gebieden; de voormalige Middelzee die wordt gekenmerkt door een grote aaneengesloten open ruimte. Deze kenmerken vormen de identiteit en leggen de basis voor het beeldkwaliteitsplan.
WATER EN RELIËF Wjelsryp
Baaium
Natte natuurgebieden (Skrok-Skrins-Lionserpolder)
Winsum
De gebieden Skrok en Skrins zijn in de
Spannum
Ruilverkaveling Wommels als weidevogelreservaat aangewezen en het gebied Lionserpolder is in de Ruilverkaveling Baarderadeel als
Easterlittens
weidevogelreservaat aangewezen. Door deze aanwijzing als Ecologische Hoofdstructuur (EHS) blijven ze behouden in de unieke staat. Het zijn relatief kleine
Iens
Kûbaard
percelen met vaak een schuin uitlopende vorm. De relatief lage ligging en hoge grondwaterstand in combinatie met een ‘dichte’ sloten- en greppelstructuur maakt dit een interessant gebied
Hinnaard
Wommels Waaksens
voor de flora en fauna. Een deel van de natuurgebieden (Skrins) ligt in een
Easterein
ingepolderde geul van de voormalige
Itens
Middelzee. Het gebied bestaat daar uit natte weiden en bolle (‘kruinige’) akkers. Hier komt nog zoutig water aan de oppervlakte, welke bijzondere Hidaard
planten voedt, zoals bijvoorbeeld het Goudknopje.
Reahus
Erosiegeulensysteem en reliëf Het gebied tussen Jorwert en Winsum bestaan uit fijn vertakt erosiegeulensysteem. Het is ontstaan doordat een groot deel van het knipkleigebied vanuit de Middelzee is weggeslagen. Het is een van de meest representatieve voorbeelden van een erosiesysteem in het knipkleigebied. Plaatselijk komt in lage gebieden zoute kwel voor.
10
W AT E R E N R E L I Ë F
Kwelderwallen en -vlakte In het noordelijk deel van de gemeente liggen de kwelderwallen en -vlaktes. De kwelderwallen liggen parallel aan elkaar en liggen iets hoger ten opzichte van het omringende landschap. Van oorsprong zijn dit opgeslibde buitendijkse gronden die alleen bij de hoogste vloeden werden overstroomd. Daar kwam dan ook bewoning. Tegenwoordig concentreert in dit gebied de bebouwing zich nog steeds voornamelijk op de kwelderwallen en zijn de kweldervlaktes nagenoeg onbebouwd.
Hilaard Jellum
Húns Bears
Leons
Jorwert Weidum
Vaarten en opvaarten De vaarwegen vormen van oudsher
Baard
een belangrijke categorie voor de Mantgum
s
economische (recreatie) en sociale ontwikkeling van Fryslân. In Littenseradiel zijn de Boalserter Feart, de Frjentsjerter Feart, de Boazumer Feart, de Mantgumer Feart en De Swette de meest belangrijke vaarten. Vrijwel alle dorpen of kernen zijn over het water bereikbaar, soms
Britswert
rechtstreeks, maar meestal via een
Wiuwert
Easterwierrum
opvaart. Zij maken deel uit van het fijn vertakte vaarwegenstelsel in de provincie. Vaak hebben de opvaarten ook weer aftakkingen naar andere dorpen of boerderijen.
Rien Boazum Lytsewierrum
Gebieds-DNA Littenseradiel
Voormalige Middelzee De voormalige Middelzee is een ingepolderde zeearm die, gelegen tussen twee kwelderwallen, binnen het terpengebied ligt. De oostwest gelegen dwarsdijken en verschillende verkavelingstructuren maken de fasering van inpoldering herkenbaar. Het oudste gedeelte van de Middelzee loopt ver landinwaarts en eindigt tussen Sneek en Bolsward. De voormalige Middelzee onderscheidt zich van het aangrenzende terpengebied (Oude kleilandschap) door de relatief lage ligging, de zeer schaarse bebouwing, een overwegend regelmatige blokverkaveling en een grootschalige openheid waarin slechts ondergeschikte verdichting aanwezig is.
11
3 . 0 W AT I S E R ?
CULTUURHISTORISCH ERFGOED Dijken
Vanuit deze moederpolders werd
Eén van de meest opvallende
meer land ingedijkt. Deze dijken sloten
cultuurhistorische structuren van het
haaks aan op de oudere dijken van de
kleiweidegebied is het dijkenstelsel.
moederpolders. Door het uitbreidende
In eerste instantie werden lage dijkjes
netwerk van dijken verloren veel
aangelegd om een boerderij of enkele
zeewerende dijken hun functie en
akkers te beschermen tegen de zee.
werden slaperdijk.
In de 10e eeuw omsloten ringdijken
De Slachtedyk en Hegedyk vormen
steeds grotere gebieden, dit zijn de
net als de terpen, een antwoord op
‘memmepolders’, de moederpolders,
de bedreiging van de (voormalige)
waarvan de polder tussen Easterein
Middelzee. De uiterlijke kenmerken van
en Lytsewierrum er één van is.
de dijken zoals het beloop, de hoogte,
Daarmee is het hier één van de oudste
het profiel, het gebruikte bouwmateriaal,
polderlandschappen van Fryslân. Aan de
de natuurlijke onderdelen en de
kronkelende loop van sommige sloten
bekleding zijn waardevol voor de
en vaarten is nu nog te zien dat dat
omgeving. De interne opbouw vormt
voormalige wadgeulen en -prielen zijn.
tevens een archeologisch archief.
Wie van Reahûs naar Lytsewierrum gaat,
De dijken vormen een fraai netwerk
rijdt over de Sánleansterdijk. Dat is nog
die met name voor bewoners en
een onderdeel van de originele ringdijk
recreanten aantrekkelijk is door de hoge
om de moederpolder.
belevingswaarde.
Terpen De meest karakteristieke nederzettingsvorm in het kleiweidegebied is het terpdorp. De
Wjelsryp
terp zelf is een door de mens opgeworpen
Baaium
heuvel om destijds bij hoog water een droge woonomgeving te hebben. Kleine
Húns
Winsum
terpen waren geschikt voor één of enkele boerderijen. Op de grotere terpen werd een heel dorp gebouwd. De herkenbare hoogtes Spannum
ten opzichte van de omgeving zijn in de
Ba
loop van de tijd echter grotendeels verloren Easterlittens
gegaan door afgraving. Na de bedijking van dit gebied was bewoning namelijk niet meer
Iens
afhankelijk van de hoger gelegen terpen. De plekken waar de hoogteverschillen nog zichtbaar zijn moeten worden gekoesterd.
Kûbaard
Britsw
Waaksens Wommels
Hinnaard
Itens Easterein
Rien
Lytsewierrum Hidaard
Reahus
Cultuurhistorisch erfgoed Littenseradiel
12
C U LT U U R H I S TO R I S C H E R F G O E D