CConstaterende datLeeuwarden
Koppel je AI →
Document · PDF

Ambtshalve aanpassingen Bp Leeuwarden Arken en woonschepen

Besluitvorming (raad) 4 oktober 2021, gemeente LeeuwardenBij agendapunt: Bestemmingsplan Leeuwarden Arken en woonschepen20.840 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Landschapsplan De Burd

Ruimtelijke onderbouwing De Burd

251-002

oktober 2018

12

Een meer uitgebreide plantoelichting is opgenomen in “Landschapsplan De Burd” (Pouderoyen Compagnons, 26 april 2018). Dit landschapsplan is integraal opgenomen als bijlage 1 bij deze ruimtelijke onderbouwing. Gelet op de omvang van de arken en de afstand tot de (zichtbare) woningen op het recreatiepark aan de Djerreblom (kortste afstand waarover zicht is op onderhavig plangebied bedraagt 115 meter) worden de belangen van de eigenaren niet onevenredig aangetast (de dichtstbijzijnde woning op 85 meter gelegen, heeft geen zicht op de arken vanwege tussenliggende afschermende beplanting van struweel en riet). Bij deze afstand is de zichtbaarheid van de arken en van bescheiden verlichting bij de arken zeer beperkt. De arken gaan bovendien deels schuil achter de rietkragen, die op de oever staan en door lopen tot in de ondiepe waterbodems. De grootste ark zal qua kleurstelling in overleg met welstand dusdanig worden aangepast dat deze beter passend is in het landschap. Onderstaand beeld geeft een indicatie van de beperkte zichtbaarheid en de bescheiden en ingetogen positionering van de arken tussen de rietvelden, tegen het decor van de opgaande beplanting op de landtong.

Landschapsplan in omgeving De Burd

Ruimtelijke onderbouwing De Burd

251-002

oktober 2018

13

4.3.

Beheerplan

“Landschapsplan De Burd” (Pouderoyen Compagnons, december 2016) is de gemeente goedgekeurd en bijgevoegd. In aanvulling daarop is voorliggend beheerplan uitgewerkt (integraal overgenomen), waarin het beheer van de in het landschapsplan opgenomen beplantingselementen is uitgewerkt. Het landschapsplan is hiervoor weergegeven en bestaat uit de volgende landschapselementen: • Wilg, in struweelvorm of als knotboom (vrij invulbaar); • Vochtig hooiland met extensief maaibeheer; • Rietland. Het beheer van deze 3 soorten landschapselementen is hierna uitgewerkt. Wilg, als knotboom Bij de toepassing van knotwilgen dient er in de eerste jaren een beheer plaats te vinden waarbij de vorming van de knot wordt gestuurd. In de eerste 2 jaar na aanplant kan in de zomer een teveel aan takken worden geknipt, waarbij de stam blijvend kan uitgroeien. Het is belangrijk om de e zijscheuten van de stam weg te halen gedurende het 1 groeiseizoen en dan ook de pruik uit te dunnen. 4 jaar na aanplant dient de pruik geheel weggenomen te worden op de gewenste hoogte. En de 2 jaar erna zal door regelmatig stikken (uitdunnen van de pruik) de knotvorming gestimuleerd worden. Daarna kan om de 3-6 jaar de boom worden geknot in de winter/lente. Wilg, in struweelvorm Indien wilgen in struweelvorm of als stobben beheerd worden, kan de gewenste vormsnoei jaarlijks in de winter of lente worden gedaan.

Vochtig hooiland met extensief maaibeheer Er kan alleen gemaaid worden op momenten dat de grond voldoende droog is in de periode juli-november. Hiermee wordt onnodige schade aan de vegetatie en bodem door maaivoertuigen voorkomen. Ook maaien als de grond hard bevroren is, kan op zeer vochtige en natte terreinen schade aan de bodem helpen voorkomen. Als de vegetatie tot ontwikkeling is gekomen, dient pas te worden gemaaid in de late nazomer of herfst, omdat veel soorten daarvoor nog bloeien of zaad moeten zetten. Bij ecologisch maaibeheer kan het maaien worden uitgesteld tot maart-april, waardoor dieren optimaal kunnen profiteren van de begroeiing. Eens per jaar maaien en hooien is voldoende. Als de vegetatie enigszins mag verruigen, dan kan volstaan worden met eens per twee jaar maaien en hooien. Dit past uitstekend bij gefaseerd maaibeheer.

Ruimtelijke onderbouwing De Burd

251-002

oktober 2018

14

Rietland Het terrein is eind 2016 afgeschraapt, waarbij de bovengrondse vegetatie is verdwenen, maar de ondergrondse wortelstelsels van de rietvelden behouden zijn. Deze zullen vanzelf opnieuw gaan uitlopen. Zodra het riet weer een volgroeid stadium heeft bereikt, kan worden gestart met het jaarlijks maaien of klepelen van het riet. Dit is nodig om het riet in stand te houden en om geleidelijke bosvorming te voorkomen. Riet maaien mag vanaf 1 januari tot eind februari en vanaf 1 oktober t/m 1 december. Er dient in elk geval jaarlijks 10% te worden gemaaid van het totale rietoppervlak en maximaal 50% in één jaar. Hiermee wordt gekomen tot gefaseerd maaibeheer van de rietzomen. Dus niet elk jaar alle of de hele oppervlakte van de rietzomen maaien maar dit faseren en verspreiden over een aantal jaar.

4.4.

Verkeer en parkeren

Voor de bereikbaarheid van de recreatiearken wordt uitgegaan van de bereikbaarheid over water. Er zijn derhalve geen parkeervoorzieningen in het plangebied voorzien. Over het land zijn de arken alleen lopend bereikbaar.

Ruimtelijke onderbouwing De Burd

251-002

oktober 2018

15

5.

MILIEU- & OMGEVINGSASPECTEN

5.1.

Milieu

Bodem Het afmeren van de recreatiearken aan steigers zal geen invloed hebben op de bodemkwaliteit. Ook worden daarmee geen bodemdelen van substantiële omvang permanent geïsoleerd of afgesloten. Het landdeel was reeds recreatief in gebruik (dagrecreatie). Voor de realisatie van de 3 aanlegplaatsen en het gebruik ervan is daarom geen bodemonderzoek vereist. Er zijn geen aanwijzingen dat de bodemkwaliteit is aangetast door (bedrijfs)activiteiten of andere zaken. De locatie ligt in een gebied met een bodemkwaliteit die gemiddeld voldoet aan de bodemkwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur’. Dit is gebaseerd op de gemeentelijke bodemkwaliteitskaart. Luchtkwaliteit Onderhavig project zal Niet In Betekenende Mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. De locatie is niet per auto bereikbaar; het initiatief genereert geen noemenswaardige verkeersbewegingen. Geluid Omdat recreatieverblijven niet als akoestisch gevoelig worden aangemerkt, is er voor de verplaatsing van de recreatiearken geen akoestisch onderzoek uitgevoerd. Bovendien is de afstand van de beoogde locaties tot omliggende wegen en vaarwegen dusdanig groot, dat ook geen twijfels bestaan over een goed woon- en leefklimaat op de planlocatie. Externe veiligheid (Bevi) inrichtingen Aan de hand van de risicokaart kan gesteld worden dat binnen een afstand van 200 meter tot het project geen BEVI inrichtingen aanwezig zijn.

Er wordt dus ruim voldaan aan de normstelling voor het plaatsgebonden risico. Toetsing aan een groepsrisico kent in onderhavige situatie geen toepassing. Transportroutes Ten westen van het projectplan op ruim 2.300 meter afstand is de rijksweg A32 en de spoorlijn Wolvega-Leeuwarden gelegen. Hierop vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Het plangebied is echter gezien de afstand (> 400 meter) als “niet kwetsbaar” aan te merken. Nabij het plangebied is de vaargeul van het prinses Margrietkanaal gelegen. Hierop vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats.

Ruimtelijke onderbouwing De Burd

251-002

oktober 2018

16

In bijlage 6 van het RNVGS is een lijst met vaarwegen opgenomen waarvoor risicoafstanden gelden. Voor vaarwegen die niet op deze lijst staan en die voor de binnenvaart worden gebruikt gelden geen risicoafstanden. Het prinses Margrietkanaal is niet in bijlage 6 van het RNVGS opgenomen en is daarmee niet relevant voor het plaatsgebonden risico. Naast het plaatsgebonden risico dient voor wat betreft transportroutes waarop vervoer van gevaarlijke stoffen plaats vindt evenwel ook rekening te worden gehouden met de effecten van plasbrand scenario’s. Het Plasbrand Aandachtsgebied PAG betreft de zone waarbinnen de effecten van een ongeluk met brandbare vloeistoffen een dodelijk effect hebben. Voor de wegen en het spoor ligt deze grens op 30 meter voor vaarwegen op 25 meter. De afstand tot het plangebied is ruim groter en derhalve niet van toepassing als PAG. Buisleidingen Op basis van de risicokaart kan gesteld worden dat in de directe omgeving van het project geen ondergrondse buisleiding is gelegen. Milieuzonering In de publicatie “Bedrijven en milieuzonering” (editie 2009) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) zijn indicatieve richtafstanden voor woningbouw nabij verschillende typen bedrijven opgenomen.

De richtafstanden gelden tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning of ander gevoelig object die volgens het bestemmingsplan of via vergunningsvrij bouwen mogelijk is. Binnen deze richtafstanden is hinder ten gevolge van het betreffende bedrijf niet uit te sluiten. De geprojecteerde recreatiearken (deels gevoelige bestemmingen, vanwege menselijk verblijf) in het plangebied vormen geen belemmering voor de bedrijfsmatige activiteiten bij agrarische- en niet agrarische vergunningplichtige inrichtingen in de directe omgeving. Ook beïnvloeden inrichtingen in de omgeving het woon- en leefklimaat voor de 3 recreatiearken niet. De recreatiearken worden op dusdanig ruime afstand van bestaande bebouwing gesitueerd, dat geen lichthinder etc. zal ontstaan. Bij de aangehouden afstand zal de toepassing van normale verlichting op de recreatiearken, niet leiden tot onaanvaardbare hinder. Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de realisatie van het initiatief.

Ruimtelijke onderbouwing De Burd

251-002

oktober 2018

17

5.2.

Waterhuishouding

Op grond van artikel 3.1.6 uit het Besluit ruimtelijke ordening dient in de toelichting op ruimtelijke plannen een waterparagraaf te worden opgenomen van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie. In die paragraaf dient uiteengezet te worden of en in welke mate het plan in kwestie gevolgen heeft voor de waterhuishouding, dat wil zeggen het grondwater en het oppervlaktewater. Het is de schriftelijke weerslag van de zogenaamde watertoets. Het doel van de watertoets is het waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Door middel van de watertoets wordt in een vroegtijdig stadium aandacht besteed aan het wateraspect. In het nationale waterbeleid, vastgelegd in onder meer het Nationaal e Waterplan, de adviezen van de Commissie Waterbeheer 21 eeuw en de Europese Kaderrichtlijn water staat het duurzaam omgaan met water centraal: het waarborgen van voldoende veiligheid en het zo klein mogelijk houden van de kans op wateroverlast. Het voorgaande moet mede gezien worden in het kader van de problematiek met betrekking tot ontwikkelingen als klimaatverandering, bodemdaling en zeespiegelstijging. Hiervoor is de trits 'vasthouden bergen - afvoeren' maatgevend.

Kort gezegd betekent dit dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd. Uitgangspunten in dit verband zijn: • geen afwenteling van problemen naar andere compartimenten in ruimte en tijd; • zoveel mogelijk gebiedseigen water vasthouden en de inlaat van gebiedsvreemd water zoveel mogelijk beperken; • beperking van overlast door (grond)water of tekort aan water. Naast de waterkwantiteit heeft duurzaam omgaan met water ook betrekking op de waterkwaliteit. Hierbij staat de trits 'schoonhouden scheiden - zuiveren' centraal. Bij schoonhouden, scheiden en zuiveren gaat het erom dat het water zo veel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod. Uitgangspunten in dit verband zijn: • vervuiling waar mogelijk bij de bron aanpakken; • voorkomen van verspreiding van verontreinigingen;

Ruimtelijke onderbouwing De Burd

251-002

oktober 2018

18

• benutten van schoon water. Het beleidsdoel duurzaam omgaan met water dient niet alleen in waterbeheerplannen te worden uitgewerkt, maar er dient ook in de ruimtelijke ordening, waaronder de bestemmingsplannen, rekening mee te worden gehouden. Afstemming van waterbeleid en ruimtelijke ordening kan door: • het bieden van ruimte voor water in verband met veiligheid, wateroverlast en zoetwaterbeheer; • water als ordenend principe in de functietoekenning; • kansen benutten die water biedt voor de vergroting van de belevingswaarde en functiecombinaties (bijvoorbeeld cultuurhistorische waarden van voormalige waterlinies); • randvoorwaarden aan de inrichting en het beheer op basis van water (bijvoorbeeld kruipruimteloos bouwen, zodat de grondwaterstand hoog kan blijven); • effecten op waterkwaliteit meewegen bij besluitvorming in de ruimtelijke ordening. Omdat de toename van het verharde oppervlak in het plangebied minder dan 1.500 m² bedraagt, kan de versnelde watertoets worden toegepast. Watertoets Op Dewatertoets is de digitale watertoets uitgevoerd voor dit project. Daaruit volgt onderstaand Wateradvies (zie ook bijlage 2). De uitkomst is dat de korte procedure moet worden gevolgd. Het plan 3 recreatiearken De Burd heeft een beperkte invloed op de wateraspecten die van belang kunnen zijn bij ruimtelijke plannen.

Dit betekent dat de beperkte invloed van het plan kan worden opgevangen met standaard maatregelen die vermeld staan in de leidraad watertoets. Naast dit wateradvies staan hieronder enkele aandachtspunten die gelden voor het plan. Aandachtspunt: Vrij voor de boezem Het plangebied ligt vrij voor de boezem. Dit wil zeggen dat het gebied niet is beschermd tegen hoge waterstanden in de Friese boezem. Het waterschap adviseert om hiermee rekening te houden bij het bepalen van de aanleghoogte. De steigers zijn hierop ingericht en de recreatiearken bewegen mee met eventuele waterstandsverandering. Leidraad watertoets Als richtlijn bij het beoordelen van ruimtelijke plannen werkt Wetterskip Fryslân met de Leidraad Watertoets te raadplegen via de link: www.wetterskipfryslan.nl/watertoets. In Leidraad Watertoets, hoofdstuk 4. De wateraspecten, staan de aandachtspunten voor alle wateraspecten omschreven waarmee rekening gehouden moet worden en is informatie te vinden over de te nemen standaard maatregelen. Deze vragen evenwel aandacht bij de verdere uitvoering en zijn niet relevant voor de planologische afwijking.

Ruimtelijke onderbouwing De Burd

251-002

oktober 2018

19

Waterwet Voor bepaalde werkzaamheden is een watervergunning nodig. Soms is het doen van een melding voldoende. Zodra het plan in meer technische details is uitgewerkt, zal indien nodig een melding worden gedaan of een vergunningaanvraag. Afronden procedure Via www.dewatertoets.nl is deze watertoets als een melding ontvangen. Wetterskip Fryslân archiveert deze melding. De watertoets is hiermee voor Wetterskip Fryslân afgerond.

5.3.

Flora & Fauna

Door Staro is de “Quickscan flora en fauna en toets EHS De Burd te Grou” uitgevoerd (december 2016, zie bijlage 3). Daarin zijn de volgende onderzoeksconclusies opgenomen: Beschermde gebieden De voorgenomen plannen zullen geen negatieve effecten tot gevolg hebben op het Natura 2000-gebied Alde Feanen en op het Nationaal Park De Alde Feanen (zie paragraaf 3.1 van deze onderbouwing). Als gevolg van de ingreep vindt geen aantasting plaats van het ecologisch functioneren van de EHS. Door de tuinen bij de recreatiearken landschappelijk in te richten met riet en grasland wordt positief bijgedragen aan het functioneren van de EHS. Beschermde soorten Onder de nieuwe Wet natuurbescherming (die in werking is getreden kort nadat het natuuronderzoek is uitgevoerd) blijven soorten van de FFtabel 1 in Friesland vrijgesteld van de verbodsbepalingen, zo blijkt uit de Verordening Wet natuurbescherming Fryslân 2017. Aan het einde van deze paragraaf is aangegeven op welke wijze de wetswijziging invloed heeft op onderstaande conclusies. In het plangebied komen mogelijk verschillende beschermde soorten voor die vermeld staan in de tabellen van de Flora- en faunawet, zie tabel 1 op de volgende pagina. Soorten van FFtabel 1 Mogelijk wordt het plangebied gebruikt door enkele grondgebonden zoogdieren en amfibieën, die zijn opgenomen in FFtabel 1.

De voorgenomen plannen hebben mogelijk een tijdelijk negatief effect op zoogdieren en amfibieën van FFtabel 1. Voor de soorten van FFtabel 1 geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkeling een algehele vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Flora- en faunawet. Het is derhalve niet noodzakelijk om mitigerende maatregelen te nemen.

Ruimtelijke onderbouwing De Burd

251-002

oktober 2018

20

Soorten van FFtabel 2 In het plangebied komen mogelijk de beschermde vissoorten paling en rivierdonderpad (beide FFtabel 2) voor. De voorgenomen plannen zullen geen negatief effect op mogelijk voorkomende beschermde vissoorten hebben. Soorten van FFtabel 3 Het plangebied en de omgeving daarvan zijn geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. Negatieve effecten op het foerageergebied zijn redelijkerwijs uit te sluiten. Vanwege het ontbreken van bebouwing of bomen zijn er geen mogelijkheden voor verblijfplaatsen of vliegroutes van vleermuizen binnen het plangebied. Mogelijk komen heikikkers (FFtabel 3) voor in het plangebied. Door mogelijk verstorende werkzaamheden uit te voeren in de winterrustperiode van heikikkers (november t/m februari) worden negatieve effecten op heikikkers voorkomen. Mogelijk komen incidenteel ringslangen voor binnen het plangebied. Het doden of verwonden van ringslangen kan worden voorkomen door mogelijk verstorende werkzaamheden uit te voeren in de winterrustperiode van ringslangen: grofweg half oktober t/m half maart. Het plangebied vormt mogelijk leefgebied van noordse woelmuis en waterspitsmuis. Om negatieve effecten op de soorten uit te sluiten dient het verwijderen van het riet te worden uitgevoerd buiten de kwetsbare perioden voor noordse woelmuis en waterspitsmuis.

Dit houdt in dat het verwijderen van riet alleen in de periode november tot en met maart mag worden uitgevoerd. Soorten van FFtabel vogels Het plangebied is geschikt als broed- en foerageergebied voor algemeen voorkomende vogelsoorten. De voorgenomen plannen zullen geen negatieve effecten hebben ten aanzien van foerageergebied en of broedgebied. Na de herinrichting zal het gebied even geschikt zijn als foerageer- en broedgebied voor vogels. Indien exemplaren aan het broeden zijn, kan het verwijderen van riet en andere beplanting niet plaatsvinden zonder deze dieren te verstoren. Door riet en andere beplanting buiten het broedseizoen van vogels te verwijderen/snoeien wordt voorkomen dat er negatieve effecten zullen optreden ten aanzien van vogels.

Ruimtelijke onderbouwing De Burd

251-002

oktober 2018

21

Overzicht mogelijk aanwezige en aangetroffen beschermde soorten:

Wet natuurbescherming Onder de nieuwe Wet natuurbescherming blijven soorten van de huidige FFtabel 1 in Friesland vrijgesteld van de verbodsbepalingen blijkt uit de Verordening Wet natuurbescherming Fryslân 2017. Rivierdonderpad, paling, kleine modderkruiper en bittervoorn zijn onder de nieuwe wet niet meer beschermd. Dat betekent dat bij werkzaamheden in watergangen geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd voor deze soorten. Echter, dient altijd rekening te worden gehouden met de zorgplicht. Noordse woelmuis en waterspitsmuis blijven beschermd en ontheffingsplichtig onder de Wet natuurbescherming. De bescherming van vogels blijft in de praktijk ook gelijk. Omdat voor de verschillende genoemde soorten het van belang is om terreinbeheer in de juiste seizoenen van het jaar uit te voeren, is een beheerplan uitgewerkt voor het terrein dat in paragraaf 4.3 van deze onderbouwing is opgenomen. De daarin opgenomen maanden waarin terreinbeheer uitgevoerd kan en mag worden van landschappelijke doelstellingen, komt voldoende overeen met de in deze paragraaf genoemde perioden waarin vanuit ecologisch oogpunt het beheer kan plaatsvinden.

Ruimtelijke onderbouwing De Burd

251-002

oktober 2018

22

5.4.

Cultureel erfgoed

Archeologie Begin 1992 ondertekende Nederland het Verdrag van Valletta/Malta. Daarmee heeft de zorg voor het archeologische erfgoed een prominentere plaats gekregen in het proces van de ruimtelijke planvorming. Uitgangspunten van het verdrag zijn het vroegtijdig betrekken van archeologische belangen in de planvorming, het behoud van archeologische waarden in situ (ter plaatse) en de introductie van het zogenaamde “veroorzakerprincipe”. Dit principe houdt in dat degene die de ingreep pleegt financieel verantwoordelijk is voor behoudsmaatregelen of een behoorlijk onderzoek van eventueel aanwezige archeologische waarden. Ondertussen is dit vertaald in de Wet op de archeologische monumentenzorg (WAMZ) die op 1 september 2007 van kracht is geworden. Met name de Monumentenwet is door de WAMZ aangepast en gaat concreet in op de bescherming van archeologische waarden in planologische procedures. De gemeente heeft naar aanleiding daarvan haar eigen archeologiebeleid opgesteld. De archeologische indicatie voor dit gebied is zeer laag. Dit kan worden verklaard door de zeer lage ligging van het gebied, wat historische bewoning onwaarschijnlijk maakt. Daarnaast is het gebied meermalen mechanisch gespit en vergraven en is meermaals grootschalig onderhoud gedaan waarbij stobben etc uit de grond zijn weggenomen, laatstelijk in 2016.

Daar komt bij dat de beoogde ontwikkeling niet zal leiden tot oeveraanpassingen of bodemroering tot een diepte die niet reeds eerder geroerd is. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de realisatie van het initiatief.

5.5.

Leidingen

In het plangebied zijn geen leidingen met een planologisch relevante beschermingszone gelegen, noch overlapt een beschermingszone van een planologisch relevante leiding met het plangebied.

Ruimtelijke onderbouwing De Burd

251-002

oktober 2018

23

6.

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

6.1.

Economische uitvoerbaarheid

Met de initiatiefnemer zijn afspraken gemaakt over de vergoeding van ambtelijke kosten. Ook de eventuele planschade komt voor rekening van de initiatiefnemer. De overige kosten worden gedekt uit de leges. Het project wordt volledig gefinancierd door de initiatiefnemer en er is geen aanleiding om te veronderstellen dat deze niet over voldoende financiële middelen beschikt om dit project te realiseren. Er is derhalve geen twijfel over de economische uitvoerbaarheid van het project.

6.2.

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Aan deze procedure is vooroverleg vooraf gegaan met o.a. de VVE van het noordelijk gelegen recreatiecomplex, de provincie en recreatieschap. Daaruit is gebleken dat voorliggende locatie voor deze ontwikkeling aanvaardbaar is en dat andere onderzochte locaties zijn afgevallen om uiteenlopende redenen. Dit heeft overigens, na overleg met de VVE, niet kunnen leiden tot instemming van de VVE met voorliggende plannen. Alternatieve locaties blijken evenwel om moverende redenen niet voorhanden. De aanvraag omgevingsvergunning doorloopt de in de Wabo voorgeschreven procedure. Dit betekent dat de aanvraag gedurende zes weken ter inzage ligt voor zienswijzen. Tijdens deze periode bestaat voor een ieder de mogelijkheid voor het indienen van zienswijzen. Aan de hand van de ingekomen zienswijzen kan het plan eventueel worden aangepast. De indieners van de zienswijzen worden hiervan op de hoogte gehouden. Tegen de omgevingsvergunning is beroep mogelijk bij de rechtbank en hoger beroep bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. In het kader van overleg heeft afstemming met de provincie plaatsgevonden.

De provincie heeft per brief, gedateerd 12 juni 2018, kenmerk 01532923 laten weten dat de voorontwerp omgevingsvergunning aanleiding geeft tot het maken van de volgende opmerking: Het project brengt nautisch geen problemen met zich en de vaarwegverordening is hier niet van toepassing. De plaatsing van de arken dient wel te worden afgestemd op het vaarverkeer (uitvoeringsaspect). De omgevingsvergunning geeft voor het overige geen aanleiding tot opmerkingen.

Ruimtelijke onderbouwing De Burd

251-002

oktober 2018

24

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leeuwarden&id=b1f86b6c-e89d-4452-8cfd-c33c10ef8d6f