Aanvullende zienswijze van de VvE Súderburd
Tekst van het document
Voor zover bezwaarden zich beroepen op de nota Welstand op het water (thans Welstandsnota ligplaatsen) merkt de commissie op dat deze alleen criteria bevat voor historische schepen die langere tijd stilliggen, maar waarmee af en toe ook gevaren wordt. Het gaat hierbij om (historische) varende schepen en vaartuigen waarop wordt verbleven. Deze schepen worden niet als bouwwerk aangemerkt. Woonarken vallen daarmee niet onder de reikwijdte van deze nota. Dit
BZW.1.20.0176.01 Blad 11
geldt ook voor schepen en vaartuigen die bedoeld zijn om mee te varen en waarvan de primaire functie varen is (zie hoofdstuk 3 Reikwijdte). Nu in dezen sprake is van een recreatie-ark is de Welstandsnota ligplaatsen niet van toepassing. Ontwerpbestemmingsplan Leeuwarden - Arken en woonschepen In de toelichting op het ontwerpbestemmingsplan Leeuwarden - Arken en woonschepen - dat van 16 april 2020 tot en met 27 mei 2020 ter inzage heeft gelegen - leest de commissie dat het welstandkader voor zowel woonschepen als arken tot voor kort in de beleidsregel Welstand op het water stond. Voor woonschepen geldt per 1 december 2019 de Welstandsnota ligplaatsen. Voor arken, die voorheen ook onder die beleidsregel vielen, wordt een aanvulling gemaakt op de welstandsnota van de gemeente; tegelijk met het vaststellen van het bestemmingsplan Leeuwarden - Arken en woonschepen wordt een welstandkader vastgesteld. Het ontwerpbestemmingsplan Leeuwarden - Arken en woonschepen moet - omdat in de (meeste) geldende bestemmingsplannen geen bouwregels voor een woon- of recreatie-ark zijn opgenomen voorzien in deze bouwregels. Voor recreatie-arken gaan de volgende bouwregels gelden: maximale lengte 17 meter, maximale breedte 6 meter, maximale hoogte 3 meter en maximale oppervlakte 65 mz.
Omdat ook woonarken met twee verdiepingen worden gebruikt (waarbij de onderverdieping zich dan in de onderbouw bevindt), is voor deze 'splitlevel-arken' een afwijkingsbevoegdheid opgenomen die het mogelijk maakt om de bouwhoogte te vergroten tot 4,50 m. Deze afwijkingsbevoegdheid geldt volgens de commissie dus uitdrukkelijk niet voor recreatie-arken. De commissie stelt vast dat het bouwplan ook strijdig is met de bouwregels van dit ontwerpbestemmingsplan. Immers, de recreatie-ark van de heer Kuperus is te lang, te hoog, te breed en heeft een te grote oppervlakte én een tweede verdieping. Namens verweerder is terecht gesteld dat het bouwplan niet hoeft te worden getoetst aan toekomstig beleid; getoetst moet worden aan de wet- en regelgeving die op het moment van indienen van de aanvraag omgevingsvergunning geldt. De commissie bespreekt het ontwerpbestemmingsplan hier wel, omdat het laat zien dat ook in dit toekomstige beleid de recreatie-ark van de heer Kuperus qua afmetingen en tweede verdieping niet zal voldoen aan de bouwregels.
Voor zover de heer Kuperus stelt dat er op grond van artikel 4:84 Awb van beleidsregels kan worden afgeweken, merkt de commissie op dat dat op zich juist is, maar dat dit enkel kan als handelen overeenkomstig de beleidsregel voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen. De tussen verweerder en GVM overeengekomen verplaatsing van drie aan de Minne Finne in Grou gelegen recreatie-/woonarken is naar de mening van de commissie geen bijzondere omstandigheid als bedoeld in dit artikel, die het (tijdelijk) afmeren van de recreatie-ark van de heer Kuperus op de locatie aan de Burd rechtvaardigt. Verordening Romte Fryslán 2014 /Ecologische hoofdstructuur Bezwaarden beroepen zich ook op de Verordening Romte Fryslán 2014 (hierna: Verordening Romte) en de hierin opgenomen Ecologische hoofdstructuur (hierna: EHS). De Verordening Romte regelt de provinciale belangen die op voorhand door moeten werken naar gemeentelijke ruimtelijke plannen. Het gaat dan om belangen die niet doelmatig of doeltreffend op gemeentelijk niveau kunnen worden afgewogen en behartigd, omdat de effecten het lokale niveau overstijgen. De Verordening Romte heeft betrekking op het hele grondgebied van de provincie Fryslán.
De EHS is volgens Hoofdstuk 1 van de Verordening Romte het op de van deze Verordening Romte deel uitmakende kaart Natuur begrensde, samenhangende stelsel van natuurgebieden van internationaal of nationaal belang dat strekt tot de veiligstelling van ecosystemen met de daarbij behorende soorten. De commissie is - anders dan verweerder en de heer Kuperus - van mening dat het bouwplan c.q. de recreatie-ark van de heer Kuperus voor het grootste deel - zo niet helemaal - in de EHS ligt. De
BM 1.20.0176.01 Blad 12
commissie baseert zich hierbij op de gewaarmerkte situatietekening zoals die behoort en deel uitmaakt van de bestreden omgevingsvergunning en op Kaart 3 - Natuur en de digitale verbeelding ervan (Kaart 16 - Verbeelding behorende bij regels Artikel 7 - Natuur) die deel uitmaken van de Verordening Romte. Namens verweerder is ter hoorzitting uitdrukkelijk gesteld dat de locatie van de recreatie-ark niet in de EHS ligt, waaruit de commissie afleidt dat verweerder met het gegeven dat de locatie wél in de EHS is gelegen bij de vergunningverlening dan ook geen rekening heeft gehouden, hetgeen leidt tot een motiveringsgebrek. Het is maar zeer de vraag of de Verordening Romte deze nieuwe ontwikkeling op deze plek toestaat. Verweerder heeft dat niet onderzocht. De EHS is, zoals namens verweerder terecht is gesteld, er niet ter bescherming van de belangen van de recreant c,q. die van bezwaarden, maar dit laat onverlet dat het bouwplan wel had moeten worden getoetst aan de Verordening Romte en de EHS.
Motivering omgevingsvergunning De commissie constateert dat verweerder de omgevingsvergunning voor de activiteit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan als volgt heeft gemotiveerd: "Gegeven het feit dat op de locatie voorzien was in een, inmiddels verplaatste, aanleggelegenheid, achten wij dat er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het ruimtelijk beeld. De gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden worden niet geraakt door het vergunde. Er is, naast enige lokale vaarbewegingen, geen verkeer ter plaatse. De aanvraag ziet toe op een tijdelijke behoefte een recreatie ark of te meren in afwachting van een definitieve ligplaats. Het bestemmingsplan voorziet in zijn algemeenheid in de aanwezigheid van recreatie arken langs de boorden van het meer. Op deze locatie lag tot kort geleden een steiger die bedoeld was voor afmeren van recreatievaartuigen. Er zijn dan ook geen zwaarwegende stedenbouwkundige bezwaren tegen de tijdelijke aanwezigheid van de ark en de twee meerpalen ter plaatse. Wij achten dit initiatief goed tijdelijk inpasbaar en er kan dan ook, met toepassen van artikel 4, lid 11 van het Bor, medewerking verleend worden aan dit tijdelijke initiatief." De commissie is gelet op het voorgaande dan ook van mening dat deze motivering het bestreden besluit niet kan dragen.
De bestreden omgevingsvergunning betekent immers dat de recreatie-ark van de heer Kuperus er nu het gehele jaar door mag liggen, terwijl dat voorheen maximaal drie dagen aaneen mocht. Daarbij komt dat de recreatie-ark veel grotere afmetingen heeft dan de recreatievaartuigen die hier gewoonlijk aan de aanlegsteiger hebben afgemeerd. Er kan dan ook niet zonder meer worden gesteld dat er geen zwaarwegende stedenbouwkundige bezwaren bestaan tegen de tijdelijke aanwezigheid van de ark en de twee meerpalen ter plaatse, alleen omdat op deze locatie tot kort geleden een steiger lag die bedoeld was voor het afmeren van recreatievaartuigen. De commissie kan zich voorstellen dat de ruimtelijk impact van de recreatieark van de heer Kuperus op deze locatie juist groter zal zijn. De commissie volgt verweerder dan ook niet in zijn stelling dat het eerder gunstig dan ongunstig is voor de natuurwaarden dat de locatie door grondverkoop van openbaar gebied is overgegaan naar privé eigendom en dat een enkele ark in die zin minder belastend is dan de aanwezigheid van een wisselend aantal recreatieve vaartuigen met meerdere opvarenden.
Tiideliik karakter / samenhang met andere omgevingsvergunningen Voor wat betreft het tijdelijke karakter is het naar het oordeel van de commissie bovendien maar zeer de vraag of er, zoals verweerder stelt, wel sprake zal zijn van tijdelijke aanwezigheid van de recreatie-ark ter plaatse en dat deze tijdelijke voorziening zijn functie zal verliezen als er voor de ark van de heer Kuperus een eigen en permanente ligplaats is ingericht. De commissie stelt vast dat er met betrekking tot het perceel aan de Burd in Grou, kadastraal bekend GR000 E 515, waarvan thans de broers F.G. en R.J. Kuperus ieder voor de helft eigenaar zijn, door verweerder meerdere omgevingsvergunningen zijn verleend.
BZW.1.20,0176.01 Blad 13
Zo heeft verweerder bij besluit d.d. 16 november 2018 aan Recreatieschap Marrekrite een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten bouwen, strijdig gebruik en aanleggen ten behoeve van het aanbrengen van aanlegvoorzieningen op de locatie de Burd te Grou. Deze vergunning is door de Grouster Vastgoed Maatschappij (hierna: GVM) overgenomen. Bij besluit d.d. 2 mei 2019 heeft verweerder aan GVM een omgevingsvergunning verleend voor het afwijken van het bestemmingsplan voor het planologisch mogelijk maken van drie recreatie-arken met de daarbij horende tuinen en bouwwerken op de locatie de Burd te Grou. Bij besluit d.d. 29 augustus 2019 heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor het verplaatsen van drie recreatie-arken en het aanleggen van vlonders op de locatie de Burd te Grou. De commissie is van mening dat bovenstaande omgevingsvergunningen in onderlinge samenhang bezien alle tot doel hebben om op de locatie aan de Burd (drie) permanente ligplaatsen voor recreatie-arken te creëren c.q. mogelijk te maken. Het bestemmingsplan staat op deze locatie slechts recreatieve aanlegplaatsen toe. De commissie stelt voorts vast dat bovengenoemde omgevingsvergunningen alle door bezwaarden worden bestreden en nu bij de rechtbank liggen om gezamenlijk te worden behandeld. Daarnaast lopen er tussen bezwaarden en de heer Kuperus c.q.
GVM een of meerdere zaken op privaatrechtelijk gebied. De verleende omgevingsvergunningen zijn dus nog niet onherroepelijk. Dat is ook de reden dat de commissie de planologische wijziging die met de omgevingsvergunning d.d. 2 mei 2019 wordt beoogd hier buiten beschouwing laat. De commissie is voorts van mening dat - anders dan verweerder - de thans door bezwaarden bestreden omgevingsvergunning d.d. 11 maart 2020 voor een tijdelijke aanlegplaats voor een recreatie-ark op de locatie de Burd te Grou niet op zichzelf staat en niet los kan worden gezien van de eerder afgegeven omgevingsvergunningen op deze locatie. Daarnaast is het perceel, kadastraal bekend GR000 E 515, in eigendom van de broers F.G. en R.J. Kuperus. Alles wijst er derhalve op dat het de bedoeling van de heer Kuperus en/of de GVM is om met de recreatie-ark permanent ligplaats op deze locatie op de Burd te kunnen innemen. De commissie kan zich niet aan de indruk onttrekken dat dit ook de kennelijke bedoeling van verweerder is. In dit licht bezien, is het opmerkelijk dat verweerder slechts 9 à 10 dagen nodig heeft gehad om op de aanvraag van de heer Kuperus te beslissen. Dit terwijl er rond deze locatie maar liefst drie omgevingsvergunningen in beroep op behandeling bij de rechtbank liggen te wachten.
De aanvraag dateert van 2 maart 2020 en is ook op 2 maart 2020 op het gemeentehuis ontvangen; verweerder heeft op 11 maart 2020 de omgevingsvergunning al verleend. Dit klemt te meer nu er naar het oordeel van de commissie - anders dan verweerder - thans (nog) geen enkele noodzaak bestaat/bestond om de recreatie-ark van de heer Kuperus te verplaatsen. En dat dan ook nog eens naar de betreffende locatie op de Burd, waar de ark in strijd met vrijwel alle gemeentelijke regelgeving die op de locatie en de recreatie-ark alhier van toepassing zijn, op grond van de afgegeven omgevingsvergunning nu gedurende drie jaar mag liggen. Deze termijn kan gelet op het bepaalde in artikel 4, aanhef en onder 11, van Bijlage II Bor tot maximaal tien jaar worden verlengd; daarvoor zal te zijner tijd dan wel weer een appellabel besluit moeten worden genomen. In dit licht bezien, is het dan niet zo vreemd dat verweerder in weerwil van artikel 5:16, eerste lid, Bor in de omgevingsvergunning niet de verplichting heeft opgenomen dat na het verstrijken van de driejaarstermijn de voor de verlening van de omgevingsvergunning bestaande toestand moet zijn hersteld. In het voor de heer Kuperus gunstigste en voor bezwaarden ongunstige geval, zou de recreatie-ark er namelijk gedurende (in totaal) tien jaar kunnen liggen, zelfs al zouden in beroep de drie eerder verleende omgevingsvergunningen stranden.
Dat kan in de ogen van de commissie niet de bedoeling zijn van artikel 4, aanhef en onder 11, van Bijlage II Bor. De commissie vindt dat het daarom in de rede had gelegen dat verweerder in de thans voorliggende omgevingsvergunning in ieder geval het voorschrift zou hebben opgenomen dat de omgevingsvergunning vervalt op het moment dat er door
BZW.1.20.0176.01 Blad 14
de rechter definitief uitspraak is gedaan inzake de eerder verleende en bestreden omgevingsvergunningen. In de exploitatieovereenkomst die de GVM en de gemeente hebben gesloten, is opgenomen dat de gemeente een inspanningsverplichting heeft om planologisch medewerking te verlenen aan verplaatsing van de drie recreatie-arken die gelegen zijn bij de Minne Finne in Grou, maar dat betekent niet dat verweerder medewerking moet verlenen de recreatie-ark(en) te verplaatsen naar juist de locatie op de Burd. De commissie merkt op dat in de exploitatie-overeenkomst voor GVM de verplichting is opgenomen
dat de drie aanwezige recreatie-/woonarken (waaronder die van de heer Kuperus) binnen twee jaar na overdracht van het openbaar gebied op de Minne Finne aan de gemeente moeten zijn verplaatst. Voor zover de commissie bekend, heeft deze overdracht nog niet plaatsgevonden. De ontwikkeling van de Minne Finne in Grou brengt dus nog niet met zich mee dat de recreatie-ark van de heer
Kuperus nu al moet/moest worden verplaatst. Wat dit betreft, had de uitspraak van de rechter in de drie beroepszaken best kunnen worden afgewacht. Verweerder heeft naar het oordeel van de commissie bovendien niet duidelijk gemaakt welk algemeen
belang of bijzonder belang - anders dan de verplichting van GVM om de arken te verplaatsen - is gemoeid met het verlenen van de bestreden omgevingsvergunning, voor welk belang de hiervoor aangegeven zwaarwegende belangen zouden moeten wijken. Voor zover de betreffende regelgeving
- waaronder ook de Verordening Romte en de EHS - dat laatste überhaupt al zou toelaten. Conclusie Alles overziend, is de commissie van oordeel dat het bouwplan zowel wat betreft de locatie als wat betreft de (afmetingen van de) recreatie-ark in strijd is met vrijwel alle hierop van toepassing zijnde regelgeving. Dit betekent naar het oordeel van de commissie dat het bouwplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, zoals bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef, Wabo. Verweerder heeft naar de mening van de commissie niet alleen ten onrechte, maar ook op onjuiste
gronden gebruik gemaakt van de bevoegdheid middels toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten tweede, Wabo, juncto artikel 4, aanhef en onder 11, van Bijlage II Bor medewerking te verlenen aan het bouwplan door een omgevingsvergunning voor de activiteit `het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan' te verlenen. Het
voorgaande betekent dat de commissie voor wat betreft de toepasselijkheid van artikel 4, aanhef en onder 11, van Bijlage II Bor niet meer toekomt aan de vraag of het in dezen feitelijk mogelijk en
aannemelijk is dat de vergunde activiteit zonder omkeerbare gevolgen kan worden beëindigd. Naar het oordeel van de commissie bestaat in dezen evenmin mogelijkheid om medewerking te verlenen
aan afwijking van het bestemmingsplan middels de overige in artikel 4 van Bijlage II Bor genoemde gevallen.
De commissie is voorts van mening dat dit gebrek niet middels het besluit op bezwaar kan worden hersteld. Dit betekent dat verweerder in de ogen van de commissie in dezen ten onrechte de omgevingsvergunning heeft verleend en dat verweerder alsnog zal moeten onderzoeken of vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten derde, Wabo (de uitgebreide voorbereidingsprocedure) tot de mogelijkheden behoort. De commissie
adviseert verweerder de thans ingediende bezwaren in die procedure als zienswijzen mee te nemen.
Het voorgaande leidt er toe dat de bezwaren gegrond moeten worden verklaard. VerQoedin , kosten iuridische biistand Tot slot merkt de commissie nog op dat zij niet adviseert over de kosten van rechtsbijstand die een
bezwaarde in de bezwaarprocedure heeft gemaakt. Daarover beslist verweerder zelf bij het besluit op bezwaar.
B ZW. 1.20.0176.01 Blad 15
6. Advies van de commissie De commissie adviseert burgemeester en wethouders om: 1. 2.
het bezwaarschrift gegrond te verklaren; het bestreden besluit te herroepen, en;
3. alsnog een besluit te nemen op de aanvraag voor een omgevingsvergunning middels toepassing van de procedure behorende bij artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten derde, Wabo.
de Adviescommissie bezwaarschriften,
,\ k- k'~
de voorzitter,
de secretaris.
BZW.1.20.0176.01 Blad 16
Bijlage behorende bij BZW.1.20.0176.01 Verslae hoorzittine 29 iuni 2020 Betreft: Bezwaar tegen het verlenen van een omgevingsvergunning voor een tijdelijke aanlegplaats voor een recreatie-ark op de locatie de Burd te Grou. Aanwezig namens bezwaarden: De heer J.N. de Blécourt (voorzitter VvE Suder Burd te Grou) De heer G.L. Mulder De heer S.M. de Vries De heer mr. W. R. van der Velde van PlasBossinade advocaten en notarissen (gemachtigde van bovenstaande bezwaarden) Aanwezig namens verweerder: Mevrouw M. Vreeswijk Aanwezig namens vergunninghouder De heer mr. J.A. Vos van Stirling nieuwe advocatuur (gemachtigde van de heer R.J. Kuperus; met kennisgeving afwezig) de commissie: De heer drs. H. Schukking (voorzitter) De heer mr. H.J. Bos (lid) Mevrouw mr. J. Wiersma-Veenhoven (lid) De heer drs. J.J. Bouwmeester (secretaris)
De voorzitter opent de hoorzitting met een woord van welkom, stelt de aanwezigen aan elkaar voor, geeft een uiteenzetting van de te volgen procedure en geeft vervolgens het woord aan de heer Van der Velde. De heer Van der Velde overlegt een pleitnota, deelt deze uit en leest deze voor. De pleitnota maakt onderdeel uit van dit verslag (aangehecht). De heer Van der Velde voegt hieraan nog toe dat zoals uit alle procedures blijkt, er in dezen overduidelijk geen sprake is van tijdelijkheid. Mevrouw Vreeswijk zegt dat bezwaarmakers aanspraak maken op de rechten op de gronden om het recreatiepark heen en alles het liefst willen houden zoals het was. Inmiddels zijn er in verschillende procedures uitspraken gedaan die duidelijk hebben gemaakt dat die rechten er niet zijn. De grond is verkocht en is in particulier eigendom. Er zijn niet echt argumenten tegen de ark; bezwaarmakers willen elke beweging op de gronden verhinderen. Op verzoek van de voorzieningenrechter hebben zij uiteindelijk in aanvullende stukken aangegeven dat het om zichthinder gaat. Een motivatie voor een aanvraag is geen toetsingsgrond voor de Wabo; een aanvrager dient belanghebbende te zijn. Die is er, namelijk de eigenaar van een ark. De gemeente vraagt niet waarom iemand iets wil bouwen. Het betreft een tijdelijke aanvraag waarvoor toetsingen zijn voorgeschreven, die zijn uitgevoerd.
De AMvB voorziet in een tijdelijke afwijking van het bestemmingsplan. De locatie die gekozen is, ligt in het hart van het watersportgebied van Grou. Mevrouw Vreeswijk overlegt twee foto's met daarop het open landschap. De aanvraag gaat over waterrecreatie, zij het in een andere vorm dan voorheen, maar niet in een vorm die wezensvreemd is aan de locatie. Er liggen meer arken. Toekomstig beleid waaraan wordt gerefereerd, is niet van toepassing; er wordt getoetst aan het vigerend beleid. Het bouwplan is strijdig met het beleid en daarom is ervan afgeweken. Het ligplaatsbeleid is niet van toepassing, want er is geen ligplaats vergund. Er is een vergunning verleend voor het tijdelijk afmeren van een ark. Het tijdelijk afmeren van drijvende objecten is een veelvoorkomend verschijnsel, zeker in deze Coronatijd, Een ligplaats is een adresseerbaar object en is gedefinieerd in de BAG. De BAG geeft ook aan wanneer een ligplaats en een adres moeten worden uitgegeven, maar dat is niet van toepassing voor tijdelijke bouwwerken. De ark ligt niet in de EHS.
BZW.1.20.0176.01 Blad 17
De EHS wordt door deze vergunning ook niet bebouwd. De EHS is er niet ter bescherming van de recreant. Mevrouw Vreeswijk vindt dat er nog steeds geen echte reden is voor het bezwaar. De aangehaalde argumenten zijn of persoonlijk of zien op bescherming van andere belangen dan die van bezwaarmakers. De voorzieningenrechter heeft in zijn uitspraak al aangegeven dat het uitzichtbelang bij deze tijdelijke situatie niet dermate zwaarwegend is dat de ark moet worden verplaatst. Het belang van de bewoners aan de Minne Finne is door de gemeente afgewogen tegen de belangen van de recreanten. Daarbij vond de gemeente de belangen van de bewoners van de Minne Finne zwaarder wegen dan die van recreanten in casu de bezwaarmakers. De bewoners van de Minne Finne zouden andermans eigendom aan hun eigendom moeten tolereren en recreanten hoeven dat niet. De heer Vos overlegt eveneens een pleitnota, deelt deze uit en leest deze voor. Ook deze pleitnota maakt onderdeel uit van dit verslag (aangehecht). De heer Vos voegt hieraan met betrekking tot de tijdelijkheid nog toe dat het gaat om de tijdelijkheid van de vergunning en niet om de tijdelijkheid van een bouwwerk. De mogelijkheid van een permanente oplossing wordt door de tijdelijkheid van de omgevingsvergunning niet geblokkeerd.
De voorzitter merkt, kijkend naar de exploitatieovereenkomst, op dat de gemeente op zijn minst een inspanningsverplichting heeft om voor de drie woonarken die er bij de Minne Finne liggen een andere plek voor te zoeken. De gemeente heeft zich via de privaatrechtelijke weg gebonden om de heer Kuperus ter wille te zijn om voor zijn ark een andere plek te zoeken. Mevrouw Vreeswijk zegt dat er naar een locatie is gezocht en dat de gemeente wacht op een uitspraak van de rechter in hoeverre de huidige oplossing houdbaar is. Mocht de oplossing niet houdbaar zijn, dan zal er een andere oplossing moeten worden gezocht. In de tussentijd moet de ark wet ergens liggen. En dat is nu tijdelijk vergund. Zodra er een permanente ligplaats is voor deze ark zal die daar heen gaan en zal deze tijdelijke situatie beëindigd zijn. Mevrouw Vreeswijk antwoordt desgevraagd dat de gemeente in zijn algemeenheid op het gebied van waterrecreatie zeer behoudend bezig is. Dat houdt in dat in principe dat wat er aanwezig is, wordt vastgelegd. De watersport leek wat op zijn retour te zijn, echter de Coronacrisis veroorzaakt een hausse aan mensen die boten kopen en huren en zich op het water bewegen. Het is van belang dat de gemeente meebeweegt op basis van een aanwezige vraag. Voorts antwoordt mevrouw Vreeswijk desgevraagd dat er voor de andere twee arken nog geen plek is gevonden.
Dit is onderdeel van de procedure die ligt te wachten bij de rechter. Mocht de rechter de bestreden beschikking in stand laten, dan is de oplossing gevonden, zo niet, dan zal er een andere oplossing moeten komen. Voor de andere twee arken is de verplaatsing minder urgent. Deze arken komen aan openbaar gebied te liggen. Dat is wat anders dan een ark die straks aan andermans tuin ligt. De heer Van der Velde stelt, reagerend op de betichting van de heer Vos dat hij de commissie probeert te misleiden, dat in het Natuurbeheerplan de EHS wordt begrensd en op de tekeningen die hij heeft toegestuurd, te zien is dat de recreatie-ark in de EHS ligt. Op de website van de provincie is zowel op tekening als in tekst te zien dat dit het geval is. Ook op de kaart die behoort tot de Verordening Romte is te zien dat het water, en de recreatie-ark ligt nu eenmaal in het water, tot de EHS behoort. De heer Van der Velde antwoordt desgevraagd dat het uitgangspunt van de provincie is dat in de EHS geen bouwwerken worden toegestaan, dus ook geen tijdelijke. In de EHS mag niet worden gebouwd, behalve uitzonderingen. Voorts antwoordt de heer Van der Velde desgevraagd dat de EHS is opgenomen en beschermd in de Verordening Romte van de provincie en daar heeft de gemeente zich aan te houden. De provincie hoeft in onderhavige zaak geen aparte vergunning, vrijstelling of ontheffing te verlenen.
Als de commissie vaststelt dat de recreatie-ark wel in de EHS ligt, dan is er sprake van een motiveringsgebrek in het bestreden besluit immers, de gemeente stelt dat de ark niet in de EHS ligt. De heer Van der Velde antwoordt eveneens desgevraagd dat in de aanvraag heet duidelijk staat dat het een tijdelijke ligplaats betreft, het gaat om het tijdelijk afmeren en dat de activiteit eindigt op 13 maart 2023. Het is echt heet bijzonder dat je dat zo invult, als je weet dat het niet zo is, omdat de gemeente op aanvraag van de heer Kuperus vergunningen heeft verleend om die ark daar blijvend neer te leggen. Onlangs hebben zijn cliënten een civielrechtelijk kort geding gevoerd, waarin de Grouster Vastgoed Maatschappij (GVM) een noodweg heeft geclaimd; de heer Kuperus wilde over grond van zijn cliënten naar de openbare weg. Dat wil hij niet als de ark daar tijdelijk ligt; dat wil hij omdat de arken daar permanent
BZW.1.20.0176.01 Blad 18
moeten komen te liggen. En daar is de hele besluitvorming van de gemeente op gericht. Op de vraag hoe dit zich verhoudt tot de jurisprudentie antwoordt de heer Van der Velde dat inderdaad lastig is. Het was inzake de tijdelijkheid altijd zo dat een bouwwerk weggehaald moet kunnen worden en dat het ook aannemelijk moet zijn dat het weggehaald zal worden. De Raad van State heeft nu in de uitspraak inzake de zonneparken gezegd dat als je het bouwwerk kunt weghalen zonder onomkeerbare gevolgen er voldaan is aan de tijdelijkheid. En inderdaad, een ark kun je gemakkelijk wegslepen. Echter, het is in deze kwestie de bedoeling van zowel de aanvrager als de gemeente om de ark daar permanent neer te leggen. Het is overduidelijk dat er in dezen geen sprake is van tijdelijkheid zoals bedoeld in het artikel waarover het gaat. Mevrouw Vreeswijk stelt dat er een aantal dingen door elkaar worden gehaald. De aanvrager van de
tijdelijke vergunning en tevens eigenaar van de ark is de heer Kuperus; zijn broer is betrokken bij de GVM en de GVM maakt aanspraak op privaatrechtelijke faciliteiten (noodweg). Dat staat dus volstrekt los van de aanvraag voor deze ark. Mevrouw Vreeswijk antwoordt desgevraagd dat zij niet weet wanneer de andere drie zaken door de rechter zullen worden behandeld; zij hoopt van dit jaar nog. De heer De Blécourt legt uit dat de GVM de noodweg wenste ten behoeve van de door de GVM
inmiddels aan de heer R.J. Kuperus verkochte grond. Het ging er om dat onder meer de tuinman van Kuperus over het terrein van de VVE kon rijden om bij de ark te kunnen komen. Hun bezwaar is dat deze ark buiten alle proporties is. De heer Vos antwoordt desgevraagd dat de ark is aangesloten op de nutsvoorzieningen, met
uitzondering van het riool. Daar is een voorziening voor in de maak. Voorts antwoordt de heer Vos bevestigend dat er bij de ark een zeecontainer staat; die zal er niet blijven staan. Mevrouw Vreeswijk antwoordt desgevraagd dat als dit een zeecontainer is deze niet in de
vergunning is opgenomen. In zijn algemeenheid kan gesteld worden dat een tijdelijke container voor opslag van materiaal bij onderhoudswerkzaamheden vergunningsvrij kan. In alle andere gevallen zal er een vergunning voor moeten worden aangevraagd. Op de vraag of er elders plek is voor de ark als deze moet worden verplaatst als het bezwaarschrift gegrond zou worden verklaard, antwoordt mevrouw Vreeswijk dat ze dat nu niet kan zeggen. Als er inderdaad zwaarwegende redenen zijn dat de ark daar weg moet, dan zal er een oplossing voor moeten worden gevonden. Dat is niet zozeer een probleem van de gemeente, maar van de eigenaar van de ark. Er zijn meerdere arken die in verband met werkzaamheden tijdelijk van plaats veranderd zijn. De kwestie van de ark van de heer Kuperus speelt zich af op particulier terrein en niet in openbaar gebied. Op de vraag wat er gebeurt als binnen de drie jaar elders een definitieve ligplaats wordt gevonden, antwoordt mevrouw Vreeswijk dat de ark daar dan naar toe zal gaan. Dan vervalt deze vergunning; de vergunning is houdbaar voor drie jaar of tot het moment dat er een ligplaats is gevonden. Mocht de instandhoudingstermijn van deze vergunning langer noodzakelijk zijn dan drie jaar, dan bestaat de mogelijkheid volgens de Wabo om die tijdelijkheid te verlengen tot maximaal tien jaar.
De heer Van der Velde stelt in tweede termijn dat hij de integriteit van de gemeente niet ter
discussie heeft gesteld; wel heeft hij het gehad over de schijn van vooringenomenheid. B&W hebben op zijn minst de schijn van vooringenomenheid tegen nu ze én zonder goede motivering contrair zijn gegaan én dat ze binnen twee maanden na toewijzing van een voorlopige voorziening gewoon een tijdelijke vergunning voor hetzelfde project hebben verleend. De heer Van der Velde brengt dit in verband met de inspanningsverplichting die B&W op zich hebben genomen om de ark te verplaatsen. Het is niet correct om de kwestie af te doen als een burenruzie. Natuurlijk zijn het buren, maar zijn cliënten hebben goede redenen waarom zij niet willen dat er gebouwd wordt. Zij hebben woningen gekocht in een landelijk gaaf open natuurgebied. Deze ark, en de arken die er nog bij moeten komen, veranderen dit landschap fundamenteel. Het verzoek om een voorlopige voorziening is enkel en alleen afgewezen op grond van het ontbreken van spoedeisend belang; de voorzieningenrechter heeft helemaal niets gezegd over uitzicht en of dit wel of niet een zwaarwegend belang is. Er was geen spoedeisend belang meer omdat de ark er al lag. De rechter zegt niets over de inhoud van de zaak. B&W doen voorkomen alsof het helemaal niet relevant is waarom iemand wil bouwen of een vergunning aanvraagt. Op het moment dat er een aanvraag binnenkomt om af te wijken van het bestemmingsplan dan behoren B&W belangen af te wegen.
En als je belangen gaat afwegen, moet
a—
BZW.1.20.0176.01 Blad 19
je ook weten waarom iemand zo'n recreatie-ark wil verplaatsen. Die belangenafweging heeft niet plaatsgevonden. Verder moet er ook getoetst worden aan het gemeentelijk beleid. Het gemeentelijk beleid zoals hij dat in zijn bezwaarschrift heeft genoemd, is - anders dan mevrouw Vreeswijk en de heer Vos stellen - wel degelijk van toepassing. Het gaat over recreatie-arken en/of om deze specifieke plek. Hij vraagt de gemeente één beleidsstuk te laten zien waarin recreatie-
arken van meer dan 200 m2 op deze plek in de EHS zijn toegestaan. Dat beleid is er gewoon niet. Voor wat betreft de andere plek stelt de heer Van der Velde tot slot dat dat wel degelijk ook in de belangenafweging thuishoort. Het is niet zo dat er nu noodzakelijkerwijs een ligplaats moet worden gevonden juist op de huidige plek; men heeft er zelf voor gekozen de ark te verwijderen, althans de grond te verkopen waardoor de ark verwijderd moest worden. De ark zou ook tijdelijk kunnen worden afgemeerd in een haven. Mevrouw Vreeswijk zegt dat de vergunning waarbij contrair aan het advies van de commissie is gegaan, een totaal andere vergunning is dan hier nu aan de orde. Voorts zegt mevrouw Vreeswijk dat het zichtcriterium wel degelijk is genoemd in de uitspraak van de voorzieningenrechter en dat
BEtW wel degelijk een belangenafweging hebben gemaakt. Voorts is mevrouw Vreeswijk van mening dat de ark niet in de EHS ligt en zij zal hiervoor aan de commissie en partijen de correcte kaart doen toekomen. Inzake het beleid dat deze ark hier mag liggen, stelt mevrouw Vreeswijk dat
hierover een raadsbesluit is genomen. De ligplaats is een zaak van de aanvrager en niet van de gemeente. De heer Vos merkt tot slot op dat er twee voorlopige voorzieningenprocedures zijn geweest, dat
deze los van elkaar staan en dat alleen de tweede iets te maken heeft met onderhavige bezwarenprocedure. De voorzitter constateert dat niemand nog iets heeft toe te voegen en sluit vervolgens de zitting.
de Adviescommissie bezwaarschriften,
de voorzitter, ~ , i de secretaris.
PIasB®ssinade advocatennotarissen
Aantekeningen van mr. W.R. van der Velde Zaaknummer: BZW.1.20.0176.01 Hoorzitting d.d. 29 juni 2020, 19.30 uur Bestreden besluit: 11 maart 2020, verzonden 12 maart 2020 (tijdelijke omgevingsvergunning recreatieark Suder Burd) Geachte Commissie, Algemeen 1.
Cliënten en ikzelf zitten hier met gemengde gevoelens. Wij vragen ons af of deze bezwarenprocedure wel zin heeft. Na uw vorige advies (d.d. 30 april 2019, BZW.1.19.0427.01) over de omgevingsvergunning voor aanlegvoorzieningen voor recreatiearken op De Burd zijn B&W op 5 juli 2019 zonder inhoudelijke motivering contrair gegaan, In afwijking van uw advies hebben B&W de bezwaren ongegrond verklaard en die vergunning gehandhaafd.
2.
Dat leidde uiteraard tot schorsing van die vergunning (schorsingsuitspraak van 9 december 2019). Maar ook dat kon B&W niet tegenhouden. Zij verleenden voor de permanente bedoelde recreatieark op 11 maart 2020 een "tijdelijke" omgevingsvergunning.
3.
Dat gebeurde allemaal nogal stiekem. De aanvraag (in strijd met artikel 3.8 Awb) en de vergunning zelf (in strijd met artikel 3.9 lid 1 Awb, publicatie d.d. 26 maart 2020) zijn pas ver na vergunningverlening (op 12 maart 2020) bekendgemaakt, nadat de ark op 14 maart 2020 ligplaats had ingenomen. Verzoekers zijn daarover ook niet vooraf gehoord (in strijd met artikel 4:8 Awb).
4.
Het lijkt er dus op dat het B&W weinig interesseert wat anderen - uw Commissie, cliënten, de voorzieningenrechter - ervan vinden; koste wat het kost gaan B&W door met het verlenen van vergunningen voor recreatiearken aan de Suder Burd. B&W wekken daardoor op zijn minst de indruk vooringenomen te zijn. Ontvankelijkheid
5.
Over de ontvankelijkheid kunnen cliënten kort zijn. Bijgevoegd is een foto die - zonder trucages, groothoeklenzen of fotoshopping - is genomen vanaf het perceel van de heer Sluijmer (Snoekeblêd 6, op de kop van de oostelijke landtong).
6.
Er kan redelijkerwijs geen discussie over bestaan dat men met dit uitzicht op een forse ark in een open natuurgebied zonder meer belanghebbende is. Dat geldt dus voor veel verschillende eigenaren en daarom zijn zowel die eigenaren als de VvE - als hun belangenbehartiger zonder meer ontvankelijk. Dat vonden ook B&W zelf in de eerdere procedure over de de commissie en 16 november 2018, alsook uw van omgevingsvergunning voorzieningenrechter.
P aa- S B OSMnade advocatennotarissen
Inhoudelijk 7.
In het aanvullend bezwaarschrift van 18 juni 2020 heb Ik uitgebreid uiteengezet dat deze recreatieark op deze locatie in strijd is met zowel het huidige als het toekomstige bestemmingsplan én met alle beleid van de gemeente Leeuwarden voor recreatiearken. B&W kunnen geen enkel beleidsdocument noemen, waarmee deze recreatieark op deze locatie in overeenstemming is.
8.
Er is ook geen aanleiding om hier een recreatieark neer te leggen. Dat de recreatieark van de Minne Finne moest worden verwijderd, heeft enkel te maken met de keuze van de Grouster Vastgoedmaatschappij B.V. om de ligplaats aldaar te verkopen. Dat mag uiteraard, maar dat betekent niet dat de recreatieark - vanwege die commerciële keuze - ligplaats moet krijgen in een natuurgebied. Het zelf gekozen en louter financiële belang van Kuperus c.q. de Grouster Vastgoedmaatschappij B.V. rechtvaardigt geen inbreuk op het open landschap, het bestemmingsplan en het gemeentelijk beleid. Conclusie
9.
Cliënten verzoeken uw Commissie om B&W te adviseren de omgevingsvergunning van 11 maart 2020 in te trekken. Voorts verzoeken zij om een vergoeding van de kosten in bezwaar ex artikel 7;15 lid 2 Awb.
2
MI
I~ ~ra~ r~,~
E:~Y
__
i -
-
_-
NV ,..a .
• #~
--
- E
~.~. ~
....
-..
•
L- - ,
~
a
~
f.
r. -.• ~7-.Y'_.~~
t
v. - ~ c .i . x . `~ =~ t. ;T~ =q- ~~ .~Y F r__ j ~_~- 7~. ~ ~~-- ~~~' -~ , _ c_ ~~ •r •w ~. ~ ++. - -.-..~ •'-^~` r.5 . r . _ -~ Ts•~^ ~_ _ ~ _ . . . ~~ ~-'~~~ . -~.-> ~~ '_ ~_~ ++r.'.at.-c-• --~. `~--L^^".~-. ~ '~.i,~: . ",a ~"+--,~ =-`7. ~ 1 Kar~`+ -.+'C_ .t .... ~-~ --t.a..~R- ~ -~C"~y cs~~~ j•~+..~~t_'~~~t. _ .. ~--s]-: -.. , r:"í'~ -~ ~ _~a ._. T.=.Taï=~a ~-~-~~- ~. ► +-~.a-sY .ti.~~~.a► C~-~ ~:~.`-r~_ `'~-_ _,~~ _ „~ -Y-1~~, ~y.,.- ~y~+. ~•d'~ : -C~~-i~`"_ --~ `~-+ _~ .="~M 1~ . `_s-.,r~, _~-.`~^`~-..? . . .E.~= G~'~%' . .~ " •"~ -~_-~ ~~ic .~?~; -4C `~-= •~_ 9 -~ ,fs- . `~' ~ ~• ~~^~ 'S- ~ ~i +2_~~ +C~ _ _ `=a a~ yc~~,'.~......._ . t:s~' r1-~=~~ r-~.~as. ~ : .3._. --r• -~-_ .-..__. ' .~ .~-~o.,.~..=--o•~," - . ,z ,~ J•`~..,_ •m~„~ -,.:~-' _ -~ ~~1, •,y =~-_ -=-r~..~ _ =" r,~ '' ---~ _ -'"~ ..., ~ ----~z _r ,- '~- ~-.~: .~^ `~ ~ -r.....' _;_' _ ~._ . ~ r ~~--- .~~ .~- -.'=~tc . ,-- ~~ ._.-á..~_ ~ __~~'~~ ~•~,=.~ ,~ -~'~ ~ sw ~t~ -. .~ • -.r~ = ~ _ ~~~^!-'eia ~ y y` - t.e~~ ~_~~~_ ~ -_-.••r ~_ "~_~ ~4 P _~ ~ _ . _?~~_~ ~_`~ ~-~~ -~_-~~-~.._~ .~ . ~ --_ -t +~...~ -~~~`+-Sw~~_ ~ ~= ~•~. b~~~-•. .z~, .~.~. : ~ o- _-^~• .~._~. ~„ ~~ . _~. Y` =...~~_. -~ ~z _~ 1 _ - •, ~ ~ 7 _ `±.M' 7 ~_-~~--s.~L ~~y_~~:..,,ti_ ~-~•' ~ -+'— =s.
}=~ ~
.1 : i in' ! —=s.. :
S'-
~.:~ »
~.
. ~Z=-
~~~.~—_-~,
_
, ~cY : ,-
_~ _ —
--s
,= ~ '»
-. yy
~
.
~`~_
_ .
~
~.Y--~-
~ ~^'+~ - -~ • •.ti,
_
_
..
r~
!w
...rr_
.
`~'
--'-~..~
.
_-
~_ ~ -_
I ,-
-
_».
.,
~
~~ -,-~..r_ -_ - ,,,i.r—~~ ~r ~~ _ ~ . ir. r„ ~ • ,,,iY: ~~-
_
_ ~R
.f
~~~
__
-.è~,•., ~_
-
~ ~_
-
'~-~
_
_ ..... ---
_
~
__
_ -
-
=,...._. _ _ _ ~-~-+m-=,.-•~.
--
_ ;. ,c, ,,
•y
_ _ •
~
..~
"-
- .~ ,_
_ .~_.y~.,.
.,~_
'.;,,c-•":.
.0
-~"~~~_ -
~~a.+a ~r•'
_
- -
-
...
~ ~ "~_
-
_
-
' ~'L~.
—_
~
-
. _ ~ ~~
~•`
-~-'
-._._ - '`~
~~
_
i _ ~
-
-~
.
-
.
-
r-
~..
-
~ _
-~~.~~
_ ~- -: ~ ^_~_
~'
_
-
. .
y .`
_
_
~~+r ►
=
~ rs
—
>~.-~ ~' _
..
_`~
_
1 ~` -~i~ ~+.~~~-t.
--
~~.r.~
: -~~S
_
_'
~~~
i
_
~..`
~ _
--
- -
-
: —^~,~ —~ =--Ps -.2~e
~
-~_
•
_
- ~.~~ ,~ . ~~'~ '~-•s..~~ _ _
_
y ~~
~~e•~_,~
er. - , ~
-
~ r*
~
. ,g ~..~.~,
-•-+~..~~~i.~ ~
~'
~-.~
LZ-QM-_
~
--
~-
1 -mm— -.-,^~~~
1*
.~~~r
.. - . ~- ~`.+-- .w~.~+.:+~ '~ ,
~ — -~..- •~--- •~.,x.?E"r~,+
_ ~-
- ~e•s:
~•---• ~~
y~ '
~.,~-~a~.~a
~~ •_.~_
~_
._
-•"~~~
+ .,i._
4 - ----` - ~-1 ~ — .
_, 4,,, "~'~-.. L~_ .
`
~~
-~~
_'T~:
=`-~
_ - --'-f=~=z~~ ~_
~~+.~_ _~~
_ - ,~~~
~
_=-
-
-
.'J~__c•
w.a.a. .~v
-
. .., Y
..~~_:. r<K+'
Y_~~_V
~s-
•
;~~rr •...
=1•
T
-
-
-
-
` r
_
'
v,
_
-
._
~
!•
_
...~ a` '~~I
íf"=:_
fll AmL
.1 'r--J ~
-
'. .••~7F•~,+~:
..
- . .
. Y
~- •
.
..-.
f ~..
__
.•H;T~•1~~
..._
~
~5 ~..
a --s___
__~~
.•o..._
-
- ~
~
_
_ _..~!.4:~+.6=:é.a1. _ _
~ ~
__
.i.L~iY :._h
NIEUWE ADVOCATUUR
Gemeente Leeuwarden Adviescommissie Bezwaarschriften Oldehoofsterkerkhof 2 Postbus 21000 8900 JA LEEUWARDEN
BZW.1.20.0176.01 Hoorzitting 29 juni 2020
OPMERKINGEN REINDER JAN KUPERUS DIRECT-BELANGHEBBENDE
VVE Suder Burd G. L. Mulder J. S. B. Schram D.Sluijmer S. M. de Vries E.P. van der List
tegen
College van burgemeester en wethouders Gemeente Leeuwarden
1
NIEUWE ADVOCATUUR
Geachte Commissie,
(1) In het aanvullend bezwaarschrift wordt Kuperus volkomen ongefundeerd beticht van valsheid in geschrifte. Het opzettelijk aanranden van iemands eer of goede naam, door openbare schriftelijke telastlegging van een bepaald feit, wordt aangemerkt als smaadschrift (artikel 261, lid 2, Sr.). Smaadschrift met wetenschap dat het te last gelegde feit onwaar is, wordt aangemerkt als laster (artikel 262 Sr.). (2) Niet alleen strafrechtelijk, maar ook bestuursrechtelijk trachten de bezwaarmakers u door verdichting te misleiden. De EHS wordt afgebakend door de bij artikel 7.1.1, lid 1, Verordening Romte Fryslán 2014 behorende kaart Natuur, die niet in het aanvullend bezwaarschrift is opgenomen. In plaats daarvan zijn drie kaartjes uit het Natuurbeheerplan 2020 opgenomen, die niet overeenkomen met de kaart Natuur. Daarmee wordt de indruk gewekt dat De Yndyk middenin de EHS is geplaatst. Dit is onjuist en misleidend. (3) Volgens artikel 7.1.1, lid 2, Verordening Romte Fryslán 2014 mag een omgevingsvergunning zoals de onderhavige geen ontwikkelingen en activiteiten mogelijk maken die tot significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden leidt. Dienaangaande hebben de bezwaarmakers niets naar voren gebracht. (4) Ook de door de bezwaarmakers aangehaalde beleidsregels kunnen de onderhavige omgevingsvergunning niet ondergraven.
De aangehaalde beleidsregels zijn niet van toepassing en ingetrokken (Welstand op het Water), flexibel (Notitie Het Innemen van een Ligplaats voor Recreatieve Woonschepen), worden vertekend weergegeven (Beleidsregel Recreatiewoningen) of zijn niet van toepassing en nog niet geldig (Welstandscriteria Arken). Bovendien is inherent aan de onderhavige omgevingsvergunning dat van het bestemmingsplan Buitengebied Boarnsterhim 2008 wordt afgeweken en geldt ten aanzien van beleidsregels een inherente afwijkingsbevoegdheid (artikel 4:84 Awb). (5) Voor het overige stuiten de bezwaren af op het in artikel 8:69a Awb neergelegde relativiteitsbeginsel. De door de bezwaarmakers ingeroepen regels en beginselen strekken immers niet tot bescherming van hun belangen — zij willen De Yndyk daar gewoon niet hebben.
NIEUWE ADVOCATUUR
(6) Ook de jurisprudentie inzake artikel 4, Bijlage 11, Besluit omgevingsrecht wordt vertekend weergegeven: Volgens de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State is voor de toepasbaarheid van artikel 4, onderdeel 11, van bijlage 11 van het Bor uitsluitend vereist dat het feitelijk mogelijk en aannemelijk moet zijn dat de vergunde activiteit zonder omkeerbare gevolgen kan worden beëindigd. Uitdrukkelijk is dus niet van belang of aannemelijk is dat het bouwwerk ook daadwerkelijk na ommekomst van de termijn zal worden verwijderd(ECLI:NL:RVS:2018:1112, 4.1). Als een zonnepark van 22 ha met een bouwsom van € 1.517.500 daaraan voldoet, geldt dat zeker ook voor De Yndyk. (7) De onderhavige omgevingsvergunning staat niet haaks op andere omgevingsvergunningen en doorkruist evenmin aanhangige beroepsprocedures. Van détournement de pouvoir of unfair play kan in het geheel geen sprake zijn.
(8) Voor de herontwikkeling en transformatie van de Minne Finne is een onherroepelijke omgevingsvergunning verleend, waaruit de verplaatsing van De Yndyk voortvloeit. De onderhavige omgevingsvergunning biedt daarvoor een tijdelijke oplossing. Het is niet aan de bezwaarmakers om deze achtergrond ter discussie te stellen.
Gemachtigde
3
P9asB®ssinada advo cater ootarissen
bijlage 2
01del ool'sterkerkhof 2
++'+vw.leeuwudeu.ul
Postbus 2 100 0
E-mail gemeeute(á~leeun,ardeu.ul
8900 JA Leeuwarden Teleloon 14 058
KVK-munmer 59734817
BTW-uuuuner NL 0019.03.664.601
Gemeente Leuwarden
Plas Bossinade advocaten De heer mr. W. R. van der Velde
,,,.., c ~ l, ;,. ,
Postbus 1100
9701 BC GRONINGEN
toezenden besluit op bezwaar 20180375-14/wrv/ah/20-01315809 Z227450-2020 Fysiek Domein Bouwen Wonen en Milieu M. Vreeswijk, 06 50050265
ondem'erp Uw kenmerk
Ons kenmerk Dienst Sector contact
WhatsApp Bijlagen
besluit
Datum+
18 november 2020
NOV. 2020
Geachte heer Van der Velde,
Bij deze ontvangt u ons besluit op het door u op 24 maart 2020 ingediende bezwaar, kenmerk 20180375-14/wrv/ah/20-01315809, tegen de verleende vergunning voor het tijdelijk afmeren van een recreatieark aan De Burd, nr. 11039066, d.d. 11 maart 2020, verzonden 12 maart 2020.
Wij hebben contrair aan het advies van de bezwarencommissie op uw bezwaar besloten. In het besluit, wat als bijlage bij deze brief gevoegd is, wordt dit nader onderbouwd.
In beroep gaan Bent u het niet eens met dit besluit? Dan kunt u tegen dit besluit binnen zes weken, vanaf de dag na die waarop dit besluit is verzonden, een beroepschrift indienen bij Rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen. Het beroepschrift moet worden ondertekend en moet in ieder geval bevatten: a. b. C. d.
uw naam, adres en ondertekening; de datum; een omschrijving van het besluit waartegen het beroep is gericht; de gronden (motivering) van het beroep.
U kunt uw beroepschrift ook digitaal indienen via http://loket.rechtspraak.nt/bestuursrecht. Daarvoor dient uw wel te beschikken over een elektronische handtekening (DigiD). Kijk voor de precieze voorwaarden op genoemde site.
~~~~~
~r
~' ~,
Sjah dine stéd; sjah nut der rdnom hart — It gilde sprflelet him yn ortt Je tnkonut hnt — PitrrTcrpstm
.
Blad 2
Besluit tijdelijk opschorten Wilt u dat de gemeente een besluit waartegen u een beroepschrift heeft
ingediend, niet uitvoert? Vraag dan om een voorlopige voorziening bij de voorzieningenrechter van Rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen. Dit kan alleen in spoedeisende zaken. Ook dit kan digitaal via de hierboven genoemde link.
Hoogachtend, —~—
-
S. Spoelstra, teamleider bouwen, milieu en monumenten.
Contrair advies aan college Z227450-2020
HET COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE LEEUWARDEN; overwegende, Dat de bezwarencommissie in haar advies, op het bezwaarschrift voor de verleende vergunning voor het tijdelijk afmeren van een recreatieark aan het zuidelijke puntje van De Burd, adviseert liet bezwaar gegrond te verklaren en heeft aangegeven dat er een andere voorbereidingsprocedure moet worden gevolgd. Dat het door de commissie uitgebrachte advies niet in het verlengde ligt van de toepasselijkheid van artikel 2.23 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de strekking van artikel 2.12, lid 1 a, onder 2e Wabo juncto artikel 4, lid 11, van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor), aangezien deze artikelen uitgaan van een reguliere voorbereidingsprocedure. Dat naar onze opinie op correcte wijze en met toepassen van de juiste voorbereidingsprocedure op de aanvraag is beschikt, daar de wetgever voorziet in het toepassen van de reguliere voorbereidingsprocedure op aanvragen voor tijdelijke activiteiten. Artikel 2.7 van het Bor stelt dat als categorieën gevallen als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2', van de Wabo, worden aangewezen de categorieën gevallen in artikel 4 van bijlage II Bor.
Artikel 4, lid 11, van Bijlage II Bor maakt afwijken van de voorschriften van een bestemmingsplan mogelijk voor een ander gebruik van gronden of bouwwerken voor een termijn van ten hoogste tien jaar met toepassen van de reguliere voorbereidingsprocedure. Dat wij niet zien hoe een uitgebreide voorbereidingsprocedure de vereiste goede ruimtelijke ordening in dit geval beter zou beschermen of bevorderen. Dat voor de motivatie van een goede ruimtelijke ordening bij tijdelijke activiteiten niet omvang of aanzicht van een tijdelijk bouwwerk bepalend is maar dat het gaat om de omkeerbaarheid van het tijdelijk gebruiken van gronden in strijd met de voorschriften van een bestemmingsplan. Hierbij accepteert de wetgever kennelijk in een tijdelijke ruimtelijke impact van een vergunde activiteit aangezien zij een toetsing aan welstand voor tijdelijke activiteiten expliciet uitsluit. Dat er naar onze mening door de vergunning van deze aanvraag geen strijd ontstaat met een goede ruimtelijke ordening daar de gronden zijn bestemd voor natuur met waterrecreatief medegebruik en de gronden de aanduiding 'steiger' hebben, welke steiger bedoeld is voor het afmeren van jachten ten behoeve van recreatie. Dat deze vergunning voorziet in de tijdelijke aanwezigheid, bij de plaats van die voormalige steiger, van een recreatieark die door de wet - na de wetswijziging in 2018 - als gebouw wordt gezien.
Gebouwen zijn in die basis bestemming niet voorzien.
Blad 2
Dat het tijdelijk afmeren van een enkele recreatie ark voor de locatie niet vreemd is aangezien er in de omgeving meerdere recreatieve arken afgemeerd liggen. Dat de permanente aanwezigheid van een stil liggende ark minder belastend is voor de omgeving dan de aanwezigheid van een steiger waar jachten aan af kunnen meren, doordat er minder beweging rond de locatie plaats zal vinden en dat deze stelling door de provincie wordt onderschreven in de context van een andere vergunning bij deze locatie die drie permanent aanwezige recreatie arken voorziet, met ligplaatsen en tuinen. Dat de aanwezigheid van de arken geen gevolgen heeft voor de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) en dat de vergunde tijdelijke recreatie ark slechts deels binnen de EHS-contour is afgemeerd en dat daardoor geen door de EHS beschermde waarden onevenredig worden geschaad. Dat de EHS in haar volgende wijziging van de EHS-contouren volledig over de gronden komt te liggen. Dat bezwaarmakers hebben verzocht om vergoeding van hun kosten. Dat nu wij van mening zijn dat de bezwaren, in afwijking van het advies van de adviescommissie, ongegrond zijn er ons inziens geen aanleiding is het verzoek tot vergoeding van kosten te honoreren.
Dat een brief van de voorzitter van de vereniging van eigenaren Suder Burd is ontvangen waarin deze nogmaals zijn standpunt in bezwaar nader duidt en het college verzoekt het advies van de commissie over te nemen. Dat deze brief ter kennisname wordt aangenomen aangezien deze buiten de bezwaarprocedure valt en de argumenten niet alleen toezien op voorliggende bestreden vergunning maar op meerdere ontwikkelingen rond het recreatiepark op de Burd. Dat, nu het bezwaar ongegrond wordt verklaard, er geen reden is voor een vergoeding van kosten ex. artikel 7:15 lid 2 Awb.
Blad 3
BESLUIT: 1. Contrair aan het advies van de adviescommissie bezwaarschriften het bezwaar ongegrond te verklaren en de verleende vergunning, nr.11039066, d.d. 11 maart 2020, verzonden 12 maart 2020, ongewijzigd in stand te houden. 2. Het verzoek om een vergoeding van kosten ex. artikel 7:15 lid 2 Awb af te wijzen.
Aldus vastgesteld in de vergadering van 17 november 2020,