5.-NOVEX-Uitwerking-Wabos-in-relatie-tot-de-Lelylijn-Sweco
Tekst van het document
Uitwerking ‘water en bodem sturend’ in relatie tot de Lelylijn Advies en handelingsperspectief ter voorbereiding op het MIRT-besluit
Sweco Nederland B.V. Onderwerp
Projectnummer Klant Auteur Datum Versie Documentreferentie
Handelsregister 30129769 Uitwerking ‘water en bodem sturend’ in relatie tot de Lelylijn 51021594 Gemeente Groningen Tijmen Blom 12-06-2024 D1 NL24-648800269-90870
Gecontroleerd door
Louis Broersma
Vrijgegeven door
Wilmer Noome
2/66
Inhoudsopgave
1
Inleiding ......................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding en doel ............................................................................................... 5 1.2 Doel WABOS Lelylijn .......................................................................................... 5 1.3 Leeswijzer ........................................................................................................... 5 1.4 Samenvatting belangrijkste resultaten ................................................................ 6 1.4.1 Aanleiding en doel ................................................................................. 6 1.4.2 Water en bodem sturend ....................................................................... 6 1.4.3 Invloed van de Lelylijn op water en bodem ........................................... 6 1.4.4 Ontwikkeling van bouwlocaties rond de Lelylijn .................................... 7 1.4.5 Aanbevelingen ....................................................................................... 8
2 3
De Lelylijn en WABOS ................................................................................................ 10 Structurerende keuzes per locatie ............................................................................... 14 3.1 Uitgelichte locaties ............................................................................................ 14 3.2 Toegepaste kaarten .......................................................................................... 14 3.3 Algemeen geldende richtinggevende keuzes ................................................... 17 3.4 Lelystad ............................................................................................................. 18 3.4.1 Toelichting kenmerken van water en bodem ....................................... 19 3.4.2 Analyse ................................................................................................ 20 3.4.3 Handelingsperspectief ......................................................................... 21 3.5 Emmeloord ........................................................................................................ 23 3.5.1 Toelichting kenmerken van water en bodem ....................................... 24 3.5.2 Analyse westelijk tracé ........................................................................
25 3.5.3 Analyse oostelijk tracé ......................................................................... 26 3.5.4 Vergelijking analyse oostelijk en westelijk tracé .................................. 26 3.5.5 Analyse woningbouw Emmeloord (zuidwestzijde)............................... 27 3.5.6 Analyse woningbouw Emmeloord (zuidoostzijde) ............................... 28 3.5.7 Vergelijking westelijke en oostelijke woningbouwlocaties ................... 29 3.5.8 Handelingsperspectief ......................................................................... 30 3.6 Lemmer ............................................................................................................. 31 3.6.1 Toelichting kenmerken van water en bodem Lemmer Zuid ................ 32 3.6.2 Analyse Lemmer Zuid .......................................................................... 33 3.6.3 Handelingsperspectief Lemmer Zuid ................................................... 33 3.6.4 Toelichting kenmerken van water en bodem Lemmer Noord .............. 34 3.6.5 Analyse Lemmer Noord ....................................................................... 35 3.6.6 Handelingsperspectief Lemmer Noord ................................................ 35 3.6.7 Analyse Lemmer Spoorzone ...............................................................
37 3.6.8 Handelingsperspectief Lemmer Spoorzone ........................................ 37 3.7 Tsjûkemar.......................................................................................................... 39 3.7.1 Toelichtingen kenmerken van water en bodem ................................... 39 3.7.2 Analyse Tsjûkemar westelijk tracé....................................................... 39 3.7.3 Analyse Tsjûkemar oostelijk tracé ....................................................... 39
3/66
3.8
Joure ................................................................................................................. 42 3.8.1 Toelichting kenmerken van water en bodem ....................................... 43 3.8.2 Analyse Joure ...................................................................................... 43 3.8.3 Handelingsperspectief Joure ............................................................... 44 3.9 Heerenveen ....................................................................................................... 45 3.9.1 Toelichting kenmerken van water en bodem ....................................... 46 3.9.2 Analyse Heerenveen ........................................................................... 46 3.9.3 Handelingsperspectief Heerenveen .................................................... 47 3.10 Van Oordt’s Mersken ........................................................................... 49 3.10.1 Toelichting kenmerken van water en bodem ....................... 50 3.10.2 Analyse Van Oordt’s Mersken – natuurgebied..................... 50 3.10.3 Analyse Van Oordt’s Mersken diepe veenpolder ................. 51 3.10.4 Handelingsperspectief .......................................................... 51 3.11 Leek/Leekstermeer ..............................................................................
53 3.11.1 Toelichting kenmerken van water en bodem ....................... 54 3.11.2 Analyse Leek en Leekstermeer ............................................ 55 3.11.3 Handelingsperspectief Leek en Leekstermeer ..................... 55 3.12 Leeuwarden ......................................................................................... 58 3.12.1 Toelichting kenmerken van water en bodem ....................... 59 3.12.2 Analyse Leeuwarden ............................................................ 59 3.12.3 Handelingsperspectief Leeuwarden ..................................... 60 4 5
Aanbevelingen ............................................................................................................. 62 Bronvermelding ........................................................................................................... 64 5.1 Brondata gebruikt voor de kaarten .................................................................... 64 5.2 Bronnen gebruikt in rapportage......................................................................... 66
Bijlage 1 – Achtergrond WABOS Bijlage 2 – Structurerende keuzes
4/66
1
Inleiding
1.1
Aanleiding en doel
In opdracht van de Projectorganisatie Lelylijn voert Sweco een onderzoek uit naar de uitwerking van ‘water en bodem sturend’ (WABOS), in relatie tot het NOVEX Ontwikkelperspectief Lelylijn. Dit onderzoek moet leiden tot de beslisinformatie voor een besluit over een Startbeslissing MIRT-verkenning voor de Lelylijn in het najaar van 2024.
1.2
Doel WABOS Lelylijn
Water en bodem zijn als sturende principes benoemd voor de ruimtelijke planvorming. Dat heeft betekenis voor een breed spectrum van onderwerpen, zoals de tracé- en stationskeuze en de inpassing, maar ook de keuze van woningbouw- en werklocaties, zoals vastgelegd in de bestuurlijke opdracht voor het MIRT-onderzoek NOVEX Lelylijn. De samenwerkende partijen hebben water en bodem als sturend aangemerkt. Deze studie moet inzicht geven in een deel van de benodigde beslisinformatie als we de Lelylijn vanuit dit perspectief beschouwen. Met deze uitwerking van WABOS, in relatie tot het NOVEX Ontwikkelperspectief Lelylijn, willen de gezamenlijke partijen handelingsperspectief bieden voor de bestuurders, bijvoorbeeld onder welke randvoorwaarden en uitgangspunten voor de ruimtelijke ontwikkelingen kunnen worden gerealiseerd. Het doel van het onderzoek is om te komen tot reflectie én verdieping op de voorstellen, zoals die in het rapport ‘Toekomstbeelden voor noordelijk Nederland met de Lelylijn, Denkrichtingen NOVEX Lelylijn 2050’ (Studio Bereikbaar, 2024) beschreven zijn. En vervolgens om te komen tot concrete adviezen op die Denkrichtingen als geheel of op onderdelen daarvan, waarbij gedacht wordt aan alternatieven voor of aanvullingen en voorwaarden bij de ontwikkelingen en opmerkingen bij de diverse locaties.
Tot slot worden ook de koppelkansen benoemd voor het integrale Lelylijn-project. Opgemerkt wordt dat in dit onderzoek alleen de (grotere) ontwikkellocaties voor woningbouw en bedrijven zijn beschouwd. Er zijn meer ruimtelijke ontwikkelingen die niet in dit document zijn beschreven die eveneens een grondige analyse vragen vanuit het perspectief van de werking van het wateren bodemsysteem, maar die – vanwege de beschikbare tijd en budget – nu niet zijn meegenomen.
1.3
Leeswijzer
In dit document wordt het handelingsperspectief in beeld gebracht vanuit het principe dat ‘water en bodem sturend’ is aan de hand van een reeks karakteristieke locaties langs het tracé. In paragraaf 1.4 vatten we de belangrijkste resultaten samen. De Lelylijn en de impact op het water- en bodemsysteem worden in hoofdstuk 2 beschreven waarna in hoofdstuk 3 de doorwerking van het principe van ‘water en bodem sturend’ en de daarbij behorende structurerende keuzes voor de verschillende karakteristieke locaties uiteen wordt gezet, met daarbij de handelingsperspectieven per locatie. In hoofdstuk 4 worden de aanbevelingen vermeld en in hoofdstuk 5 zijn de bronnen opgenomen. Sweco | Uitwerking ‘water en bodem sturend’ in relatie tot de Lelylijn Advies en handelingsperspectief ter voorbereiding op het MIRTbesluit Projectnummer 51021594 Datum 12-06-2024
Versie D1
Documentreferentie NL24-648800269-90870
5/66
In bijlage 1 van dit rapport worden de achtergrond van ‘water en bodem sturend’ en de zeven principes achter ‘water en bodem sturend’ toegelicht, zoals deze benoemd zijn in de Kamerbrief ‘Water en bodem sturend’ van het Rijk (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, 2022). Daarna worden de structurerende keuzes uitgelicht in bijlage 2.
1.4
Samenvatting belangrijkste resultaten
1.4.1
Aanleiding en doel
Het principe van ‘water en bodem sturend’ (afgekort WABOS) is één van de uitgangspunten voor de ontwikkeling van de Lelylijn. In dit rapport is in opdracht van het kernteam onderzocht wat de aanleg van de Lelylijn en ontwikkeling van de plannen rond de Lelylijn in dit licht betekent. De werking van het water- en bodemsysteem veranderen mede als gevolg van klimaatverandering. Door het water- en bodemsysteem sturend te laten zijn, heeft dit gevolgen voor hoe en waar de Lelylijn, inclusief de plannen rond de Lelylijn, worden gerealiseerd. Hierbij kijken we ver vooruit, mede omdat investeringen in infrastructuur en woningbouw al snel worden gedaan voor een periode van meer dan 100 jaar. Dit document zal hierna worden gebruikt om als beslisinformatie bij vervolgstappen in een MIRT beslissing
1.4.2
Water en bodem sturend
De doorwerking van het principe van ‘water en bodem sturend’ (WABOS) is in relatie tot het NOVEX Ontwikkel-perspectief Lelylijn onderzocht op basis van beschikbare bronnen. Hierbij is onderzocht wat de 33 structurerende keuzes van het Rijk (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, 2022) betekenen voor de Lelylijn zelf en voor de ontwikkeling van diverse locaties langs de Lelylijn. In een sessie op 22 april 2024 is met de direct betrokkenen het interactieve gesprek gevoerd om de inzichten aan te scherpen en aan te vullen. Dit heeft geresulteerd in voorliggend document.
1.4.3
Invloed van de Lelylijn op water en bodem
Het tracé waar in deze studie de aandacht naar uitgaat, is het bundelingstracé, zoals weergegeven in Figuur 1.
Sweco | Uitwerking ‘water en bodem sturend’ in relatie tot de Lelylijn Advies en handelingsperspectief ter voorbereiding op het MIRTbesluit Projectnummer 51021594 Datum 12-06-2024
Versie D1
Documentreferentie NL24-648800269-90870
6/66
Figuur 1 Te onderzoeken mogelijkheden voor realisatie van de Lelylijn (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, Voortgang onderzoeken Nedersaksenlijn en Lelylijn, 2024). Dit onderzoek focust zich op het bundelingstracé
Bij de aanleg van de Lelylijn via het bundelingstracé worden gebieden met een slappe bodem doorkruist. Hierdoor treden zettingen op. Dit geeft ontwerpuitdagingen voor de ontwikkeling van de Lelylijn als het spoor op een baanlichaam en de ruimtelijke ontwikkelingen. Daarnaast is sprake van de kans op overstroming of verhoogde waterpeilen. Waterkeringen zorgen voor waterveiligheid, maar het Rijk (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, 2022) roept op om rekening te houden met extremen, zoals de gevolgen van extreme neerslag en daarbij ook de principes van meerlaagsveiligheid toe te passen. Bij de aanleg van de Lelylijn ligt de kans op afwentelen voor de hand, doordat het water- en bodemsysteem doorsneden worden. Het voorkomen van afwentelen dient op lokaal maar ook op regionaal en bovenregionaal niveau te worden beschouwd. Voor de gehele Lelylijn is ook de bodem belangrijk. Het Rijk vraagt aandacht voor vitale en gezonde bodems. Als we verstandiger omgaan met de bodem, kunnen we de natuurlijke kracht van de bodem benutten. Verstandiger omgaan met onze bodem betekent onder meer dat we de bodem minder afdekken, niet onnodig afgraven (en grond elders dumpen) en niet verontreinigen. De samenhang van water en de waterkwaliteit (en ook natuurlijke oevers) is belangrijk om rekening mee te houden.
Een ligging op en onder maaiveld heeft ook impact op de bodem en het (grond)watersysteem.
1.4.4
Ontwikkeling van bouwlocaties rond de Lelylijn
Als we de invloed van de bouwlocaties, in relatie tot het water- en bodemsysteem samenvatten, dan zijn de handelingsperspectieven waar rekening mee gehouden dient te worden, op te delen in vier categorieën: omgaan met slappe ondergrond, verhoogd risico op wateroverlast, grotere gevolgen door overstroming en enkele overige water- en bodemaspecten. Sweco | Uitwerking ‘water en bodem sturend’ in relatie tot de Lelylijn Advies en handelingsperspectief ter voorbereiding op het MIRTbesluit Projectnummer 51021594 Datum 12-06-2024
Versie D1
Documentreferentie NL24-648800269-90870
7/66
In onderstaande tabel zijn de geanalyseerde locaties en handelingsperspectieven geaggregeerd naar bovengenoemde categorieën en een inschatting van de geschiktheid voor de voorgenomen ontwikkelingen. Slappe ondergrond Lelystad
X
Emmeloord Spoor West Emmeloord Spoor Oost Emmeloord Woningbouw* Lemmer Zuid Lemmer Noord Lemmer Spoorzone Tsjûkemar West
X X X X X X X
Tsjûkemar Oost
X
Joure Heerenveen Van Oordt’s Mersken
X X X
Verhoogd risico op wateroverlast
Grotere gevolgen door overstroming X
X
X X X X X
X X X
X
X X
Leek
Leekstermeer
X
X
X
Leeuwarden
Water en Bodem Overig Slecht doorlatende kleigrond Idem Idem Idem Idem Veen Veen Veen, verlies biodiversiteit Veen, verlies biodiversiteit Verlies biodiversiteit Droogte, leemhoudende bodem Veen, verlies Biodiversiteit Slecht doorlatende kleigrond
Geschiktheid vanuit WABOS +
+ ++ ----+/-+
-+
* Op niveau van geschiktheid voor woningbouw ter plaatse van de west- en oostzijde van Emmeloord is in dit rapport een nader onderscheid gemaakt.
1.4.5
Aanbevelingen
De belangrijkste keuzes rond de ontwikkeling van de Lelylijn, in relatie tot de werking van het water- en bodemsysteem, hangen samen met de aanwezigheid van slappe bodems. Op het grootste deel van de Lelylijn is sprake van slappe bodems. Daarnaast is op veel locaties sprake van een toenemende kans op hoge waterstanden. De kans daarop wordt groter onder invloed van klimaatverandering. Hier zal bij de ontwikkeling van de Lelylijn rekening mee moeten worden gehouden. Aanvullend adviseren we om bij de verdere planuitwerking nog rekening te houden met de volgende aspecten: 1. Maak bij de verdere uitwerking gebruik van de stresstesten die een nieuwe ronde ingaan en waarvan de uitkomsten naar verwachting een scherper beeld opleveren van de wateroverlast, droogte en andere effecten van extreem weer. 2. Maak altijd een keuze in het voorkomen van wateroverlast in de volgorde van (1) vasthouden, (2) bergen en (3) afvoeren. Bij het onderdeel ruimtebeslag is nu steeds ruimte opgenomen om water te bergen, maar water vasthouden is daarin de eerste stap.
Sweco | Uitwerking ‘water en bodem sturend’ in relatie tot de Lelylijn Advies en handelingsperspectief ter voorbereiding op het MIRTbesluit Projectnummer 51021594 Datum 12-06-2024
Versie D1
Documentreferentie NL24-648800269-90870
8/66
3. Voor de Lelylijn zelf en voor de te ontwikkelen locaties langs de Lelylijn is het omgaan met de bodem overal belangrijk. Het Rijk onderstreept het belang van vitale bodems. Hiervoor geldt het basisprincipe om de bodem zo min mogelijk af te dekken, niet onnodig af te graven (en grond elders te dumpen) en niet te verontreinigen. 4. Het is over het algemeen aan te bevelen om de handelingsperspectieven specifiek per locatie uit te werken. De handelingsperspectieven geven op dit moment op hoofdlijnen inzicht in de gevolgen van ‘water en bodem sturend’, maar de effecten hiervan op locatie specifieke inrichtingen en ontwerpen vergen nog aandacht, zoals in dit document ook al belicht rond het thema bouwrijp maken. 5. Bij een verdere uitwerking moet de samenloop met andere infrastructuur beschouwd worden, zoals bijvoorbeeld de aanleg van 380kV kabel en andere netwerken, zoals windmolenparken, die gepaard gaan met de energietransitie. Dergelijke ontwikkelingen kunnen namelijk concurreren met de effecten op het water- en bodemsysteem. Dergelijke cumulatieve effecten zijn in deze globale studie niet beschouwd. 6. Tijdens de omgevingssessie zijn er verschillende meekoppelkansen benoemd die mogelijk interessant kunnen zijn in een verdere uitwerking.
Wij hebben de belangrijkste hieronder genoemd: o Ten westen van Emmeloord wordt nagedacht over de toekomstige geschiktheid van de landbouwgrond onder invloed van peilopzet, mogelijk dat woningbouw minder hinder ondervindt van een peilopzet. o Mogelijk dat er in relatie tot de spoorlijn ook kansen voor waterberging zijn, hierbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld spoorsloten langs het tracé. o Op de delen van het tracé waar de spoorlijn langs de A6/A7 ligt, bestaat de kans om de effecten van de aanleg van deze snelweg op grondwaterstromen te herstellen waardoor het risico van wateroverlast op de snelweg ook beperkt wordt en water en bodem ook meer sturend worden voor het snelwegtracé.
Sweco | Uitwerking ‘water en bodem sturend’ in relatie tot de Lelylijn Advies en handelingsperspectief ter voorbereiding op het MIRTbesluit Projectnummer 51021594 Datum 12-06-2024
Versie D1
Documentreferentie NL24-648800269-90870
9/66
2
De Lelylijn en WABOS
De Lelylijn wordt ontwikkeld als een spoorlijn die, afhankelijk van de bodemgesteldheid en inrichting, op of onder maaiveld wordt aangelegd met aanpassingen voor de omgeving. Hiervoor is een document met Legostenen ontwikkeld (Projectbureau Lelylijn, 2024). De Lelylijn heeft invloed op het water- en bodemsysteem door de wijze waarop de Lelylijn wordt gerealiseerd. In het document met de legostenen zijn diverse vormen van realisatie uitgelicht. Onderstaand zijn enkele legostenen uit dit ontwerp uitgelicht en is aangegeven wat de invloed is en welk handelingsperspectief hier geldt vanuit het water en -bodemsysteem.
Realisatie van de Lelylijn door verdiepte ligging
Figuur 2 Legostenen met een verdiepte ligging van de Lelylijn
Belangrijkste knelpunten voor het water- en bodemsysteem zijn:
belemmering van de grondwaterstroming; belemmering van de oppervlaktewaterstroming; overstromingsrisico voor open constructies en de in- en uitrit van de tunnel; afname van oppervlak voor berging van water bij hevige neerslag en blootstelling bij hevige neerslag; wateroverlast door hevige neerslag; verstoring door ontgraving van de bodem en waarden in de bodem; ontgraving en transport van bodemmateriaal.
Continuïteit van ecoducten is goed voor natuur, maar zou ook voor grond- en oppervlaktewater moeten gelden.
Sweco | Uitwerking ‘water en bodem sturend’ in relatie tot de Lelylijn Advies en handelingsperspectief ter voorbereiding op het MIRTbesluit Projectnummer 51021594 Datum 12-06-2024
Versie D1
Documentreferentie NL24-648800269-90870
10/66
Handelingsperspectief:
voldoende hoogte van de in- en uitrit tunnels en randen van bakconstructie om overstromingsrisico te beperken; beperken diepte van ingraving of doorsnijding van de bodem om grondwaterstroming te handhaven; compensatie verlies aan oppervlakte voor waterberging.
Realisatie van de Lelylijn als baanlichaam
Figuur 3 Legostenen met de Lelylijn als baanlichaam
Belangrijkste knelpunten voor het water- en bodemsysteem zijn:
belemmering van oppervlaktewaterstroming; beïnvloeding van grondwaterstroming door invloed in de bodem, door grondverbetering, zettingen of het inbrengen van objecten in de bodem; mogelijk afname van oppervlak voor berging van water bij hevige neerslag; onvoldoende hoogte van het baanlichaam door hoge toekomstige peilstijgingen; afname waterkwaliteit door doorsnijding van watersystemen en landwaterovergangen; zettingen in de ondergrond door realisatie van een baanlichaam op slappe bodem door verhoogde ligging; ontgraving van de bodem om zettingen te beperken voor realisatie van een baanlichaam; grondverzet vanwege noodzakelijke grondverbetering.
Sweco | Uitwerking ‘water en bodem sturend’ in relatie tot de Lelylijn Advies en handelingsperspectief ter voorbereiding op het MIRTbesluit Projectnummer 51021594 Datum 12-06-2024
Versie D1
Documentreferentie NL24-648800269-90870
11/66
Handelingsperspectief:
Door duikers of bruggen te realiseren, kan de doorsnijding van het watersysteem worden hersteld en kan water doorstromen. Hierbij moet rekening worden gehouden met de toename van de benodigde afvoercapaciteit als gevolg van de toename van hevige neerslag. Compenseer verlies aan ruimte voor waterberging een ruimte van ecologisch waardevolle landwaterovergangen door realisatie van ruimte naast het baanlichaam; Daarnaast is de waterkwaliteit ook afhankelijk van de ruimte voor groenblauwe verbindingen, inclusief de landwaterovergangen. Ook hiervoor moet rekening worden gehouden met toekomstige ruimte voor verbinding van het systeem waarvan ook landwaterovergangen deel uitmaken. Voldoende hoogte van het baanlichaam, gelet op toekomstige peilstijgingen, maar dit kan strijdig zijn met het optreden van zettingen als gevolg van een baanlichaam. Het beperken van grondverzet en zettingen en realiseren van voldoende hoogte kan worden gerealiseerd door het baanlichaam als constructie met grondverbetering of bijvoorbeeld op palen te realiseren (zie inzet).
Realisatie van de Lelylijn als brug over het water of tunnel onder water
Figuur 4 Legostenen met ontwikkeling van de Lelylijn als brug over water of als tunnel onder water
Belangrijkste knelpunten voor het water- en bodemsysteem zijn:
afname van oppervlak door bedekking waterspiegel (ecologische waarde – habitat voor onder andere vogels); beperking van maximale peilstijging door limiterende hoogte (peilstijging en gebruik van water door bijvoorbeeld scheepvaart); belemmering van bodem door beperking van de mate van ontgraving of uitschuring van de bodem.
Handelingsperspectief:
door voldoende hoogte van voorzieningen te realiseren, kan invloed van bruggen beperkt worden en kan rekening worden gehouden met toekomstige hoge waterpeilen; voor voorzieningen in de bodem is voldoende dekking nodig om de gevolgen van schade te beperken als gevolg van verlies van sediment;
Sweco | Uitwerking ‘water en bodem sturend’ in relatie tot de Lelylijn Advies en handelingsperspectief ter voorbereiding op het MIRTbesluit Projectnummer 51021594 Datum 12-06-2024
Versie D1
Documentreferentie NL24-648800269-90870
12/66
realiseer tunnels in slappe bodem door voldoende sterkte in de constructie zelf aan te brengen; voor bruggen zal voor vrije benutting van soorten, zoals vogels, oppervlakte elders gevonden moeten worden.
Realisatie van de Lelylijn, waarbij waterwegen en waterkeringen worden aangepast voor de realisatie van de Lelylijn
Figuur 5 Legostenen waarin de waterwegen worden aangepast ten behoeve van de Lelylijn
Belangrijkste knelpunten voor het water- en bodemsysteem zijn:
doorsnijding van het watersysteem (oppervlaktewater) en mogelijk ook grondwater bij insnijding in de bodem; verstoring van de bodem; verlies aan landwaterovergangen; beperking ruimte voor versterking van de waterkering zowel verticaal als horizontaal; belemmering van bodem door beperking van de mate van ontgraving of uitschuring van de bodem.
Handelingsperspectief:
houd voldoende ruimte vrij voor doorstroming van watergangen en kijk daarbij ook naar toekomstige verandering van de benodigde capaciteit; houd ook voldoende ruimte vrij voor landwaterovergangen vanuit oogpunt van ecologie; realiseer voldoende hoogte van bruggen, zodat de invloed van toekomstige waterpeilen en fluctuaties niet wordt ingeperkt; dit geldt ook voor ruimte voor toekomstige versterking van waterkeringen (verticaal en horizontaal); realiseer voldoende dekking in de bodem om de gevolgen van verlies van sediment mogelijk te maken; compenseer verlies aan vrij wateroppervlak voor soorten, zoals vogels.
Sweco | Uitwerking ‘water en bodem sturend’ in relatie tot de Lelylijn Advies en handelingsperspectief ter voorbereiding op het MIRTbesluit Projectnummer 51021594 Datum 12-06-2024
Versie D1
Documentreferentie NL24-648800269-90870
13/66
3
Structurerende keuzes per locatie
3.1
Uitgelichte locaties
Er zijn locaties geselecteerd die op basis van een globale analyse handvatten opleveren voor de verdere uitwerking van de locaties zelf en die het brede palet aan effecten op het water- en bodemsysteem illustreren evenals het handelingsperspectief. Hiervoor is gezocht naar locaties waar zo veel mogelijk aandachtspunten op het gebied van ‘water en bodem sturend’ samen komen. Daarvoor zijn de volgende locaties met woningbouwplannen geselecteerd: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
Lelystad; Emmeloord; Lemmer; Joure; Heerenveen; Leeuwarden; Leek.
De locaties Drachten en Groningen zijn niet geselecteerd, aangezien voor Groningen in het document met denkrichtingen vooral binnen en dicht bij de bestaande kern wordt gekeken naar woningbouw. Voor Drachten geldt dat daar de ondergrond ter plaatse van twee uitbreidingslocaties overwegend op zandgronden zijn geprojecteerd. Om die reden wordt vanuit het handelingsperspectief van het water- en bodemsysteem een minder grote opgave verwacht, in vergelijking met bovenstaande locaties. Er moet wel opgemerkt worden dat het van belang is om bij een verdere verkenning van de Lelylijn deze aspecten nog wel uitgediept moeten worden. Om ook wat over de effecten van het water- en bodemsysteem op de wijze van aanleggen op het spoor te kunnen zeggen, zijn er een aantal voorbeeldlocaties geselecteerd. De ligging van het tracé is beschouwd voor de volgende delen van het tracé van de Lelylijn: 1. 2. 3. 4.
Emmeloord; Tsjûkemar; Van Oordt’s Mersken; Leekstermeer.
3.2
Toegepaste kaarten
Per locatie wordt een eerste set tekeningen van de locatie gebruikt om de belangrijkste effecten op het water- en bodemsysteem te illustreren. Dit is weergegeven in Figuur 6.
Sweco | Uitwerking ‘water en bodem sturend’ in relatie tot de Lelylijn Advies en handelingsperspectief ter voorbereiding op het MIRTbesluit Projectnummer 51021594 Datum 12-06-2024
Versie D1
Documentreferentie NL24-648800269-90870
14/66
1
9
2
3
8
7
4
5
6
Figuur 6 Indeling van de basiskaart met belangrijke aspecten voor ‘water en bodem sturend’ 1) 2) 3) 4) 5) 6) 7) 8) 9)
Locatie en maaiveldligging Geschiktheid en omvang opgave Zettingen in de bodem en samenstelling van de bodem De mate waarin sprake is van kwel of zoutindringing Het overstromingsrisico (waterdiepte) en schadegevaar De laagste delen van het watersysteem voor opvang van neerslag De aanwezigheid van natuur en landbouw en zones daartussen (bandbreedte van 300 m is gearceerd) De stapelkaart waarin inzichtelijk wordt waar en in welke mate er op een locatie rekening moet worden gehouden met kenmerken van het water- en bodemsysteem. De samenvatting van het handelingsperspectief.
Ad 2) Voor een eerste analyse van de geschiktheid van het water- en bodemsysteem voor bebouwing of een spoorlijn is gebruik gemaakt van de sturingskaart van ministerie IenW (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, Ruimtelijk afwegingskader klimaatadaptieve gebouwde omgeving, 2024). Deze kaart geeft een eerste indicatie weer in hoeverre een locatie geschikt is voor bebouwing en in hoeverre er een opgave is om klimaatadaptief te bouwen. Opgemerkt wordt dat dit een grove inschatting betreft en deze kaart nog verder zal worden ontwikkeld. Daarnaast is gebruik gemaakt van de kaart uit ‘Op Waterbasis’ (Deltares, Bosch Slabbers, & Sweco, Op Waterbasis, grenzen aan de maakbaarheid van ons water- en bodemsysteem, 2021). Op deze kaart worden de beperkingen weergegeven voor verschillende vormen van grondgebruik. Hiervoor is de kaart met de geschiktheid voor bebouwing gebruikt.
Sweco | Uitwerking ‘water en bodem sturend’ in relatie tot de Lelylijn Advies en handelingsperspectief ter voorbereiding op het MIRTbesluit Projectnummer 51021594 Datum 12-06-2024
Versie D1
Documentreferentie NL24-648800269-90870
15/66
Ad 3) Voor de bodemgesteldheid en met name de zettingsgevoeligheid van de bodem worden kaarten gebruikt om de draagkracht van de bodem te illustreren. Hiervoor is gebruik gemaakt van:
de bodemkaart; de dikte van de veenlaag in de ondergrond; de prognose van de bodemdaling door zetting en klink.
Als extra poster zijn nog overige kaarten toegevoegd die per locatie verschillen. Hieronder een korte toelichting van de overige kaarten per locatie.
A. B. C. D. E. F.
Aardkundige waarden, inclusief verwachtingswaarde archeologie Een combinatie van hoge grondwaterstanden en aanwezigheid van kwel (natte condities) De diepte van het zoet-zout grensvlak in de ondergrond KRW-waterlichamen Aanwezige waterlopen, vaarten en vaarroutes Een overzicht van de ruimte die berekend is als beschikbare ruimte. Hierbij zijn bestaande bebouwing, infrastructuur, waterberging en ruimte voor toekomstige versterking van waterkeringen gearceerd en daarmee niet beschikbaar voor nieuwe inrichting.
Ad (F) De ruimte voor regionale berging kan mogelijk ook elders worden gerealiseerd, maar voor het totaalbeeld is deze wel meegenomen als ruimtereservering die in of bij het plangebied beschikbaar moet zijn voor de opvang van neerslag.
Sweco | Uitwerking ‘water en bodem sturend’ in relatie tot de Lelylijn Advies en handelingsperspectief ter voorbereiding op het MIRTbesluit Projectnummer 51021594 Datum 12-06-2024
Versie D1
Documentreferentie NL24-648800269-90870
16/66
3.3
Algemeen geldende richtinggevende keuzes
Er zijn richtinggevende keuzes die niet verschillen per locatie. Deze keuzes zijn algemeen geldend en voor alle locaties van toepassing. Vanuit het perspectief van water en bodem zijn dit:
Houd rekening met extremen en kijk daarbij ook naar de effecten die mogelijk na 2100 optreden. Veel investeringen in infrastructuur en bebouwing gaan 50 – 100 jaar (of langer) mee en dienen daarom bestand te zijn tegen klimaatverandering, ook na 2100. Pas de maatlat voor een klimaatadaptieve en natuurinclusieve bebouwde omgeving toe voor de bouwlocaties. Gebruik bij verstedelijking en infrastructuur de ruimte zo efficiënt mogelijk, dek de bodem zo min mogelijk af en herstel de bodem, waar mogelijk. Beperk het ontgraven van de bodem en voorkom daarmee verstoring van de bodem en zodoende ook het transport van bodemmateriaal. Voorkom aantasting van aardkundige waarden.
Sweco | Uitwerking ‘water en bodem sturend’ in relatie tot de Lelylijn Advies en handelingsperspectief ter voorbereiding op het MIRTbesluit Projectnummer 51021594 Datum 12-06-2024
Versie D1
Documentreferentie NL24-648800269-90870
17/66
3.4
Lelystad
In het kader van de Lelylijn wordt er bij Lelystad gekeken naar de geplande uitbreiding van een woonwijk, ZuiderC. De reden dat deze locatie is geselecteerd, is vanwege de diepe ligging in een polder en de gevolgen van klimaatverandering voor de polder vanuit water en bodem. Deze beoogde woonwijk bevindt zich ten zuiden, grenzend aan het bestaande stedelijke gebied van Lelystad. Vanuit het spoortracé zijn er bij Lelystad ZuiderC geen specifieke punten waar rekening mee gehouden dient worden, aangezien de Lelylijn in Lelystad aantakt op het bestaande spoor. In Figuur 7 is de ligging van de locatie te zien.
Figuur 7 - Uitsnede kaart locatie Lelystad met daarin de contouren van de woningbouw ZuiderC
Sweco | Uitwerking ‘water en bodem sturend’ in relatie tot de Lelylijn Advies en handelingsperspectief ter voorbereiding op het MIRTbesluit Projectnummer 51021594 Datum 12-06-2024
Versie D1
Documentreferentie NL24-648800269-90870
18/66
Figuur 8 - Sturingskaart WABOS (links) en Geschiktheidskaart Op Waterbasis (rechts)
De sturingskaart in Figuur 8 die weergeeft waar er vanuit water en bodem gebouwd kan worden (Ministerie IenW, april 2024), laat zien dat er gebouwd kan worden “Ja Mits, met kleine en gemiddelde opgave”. De geschiktheidskaart in Figuur 8 voor bebouwing, zoals opgenomen in ‘Op Waterbasis’, laat zien dat er in dit gebied sprake is van enkele (geel) tot weinig (licht groen) beperkingen voor stedelijke ontwikkelingen.
3.4.1
Toelichting kenmerken van water en bodem
Water
Oostelijk Flevoland is een diepe laaggelegen polder en om die te kunnen gebruiken is er continu de noodzaak om het overtollig water af te voeren, de peilen te beheersen en in drogere perioden water aan te voeren. Het beoogde woningbouwgebied in deze polder ligt ongeveer 4,5 m onder NAP. Aanvoer van water kan in de toekomst niet altijd worden gegarandeerd. Grondwaterstanden veranderen als gevolg van langdurige natte en droge perioden. Dit wordt versterkt door toename van zeespiegelstijging en als gevolg daarvan een hoger IJsselmeerpeil. Hierdoor is er sprake van een hogere GHG en een lagere GLG. In het gebied is sprake van toename van zoute kwel als gevolg van een hogere zeespiegel en een hoger IJsselmeerpeil. Als gevolg van klimaatverandering neemt naar verwachting de hoeveelheid neerslag toe evenals de neerslagintensiteit. Hierdoor zullen de waterpeilen stijgen met een grotere kans op wateroverlast. Bij een extreem kleine kans is een overstroming mogelijk met een waterdiepte van 2,5 tot 3,5 meter.
Sweco | Uitwerking ‘water en bodem sturend’ in relatie tot de Lelylijn Advies en handelingsperspectief ter voorbereiding op het MIRTbesluit Projectnummer 51021594 Datum 12-06-2024
Versie D1
Documentreferentie NL24-648800269-90870
19/66
Bodem
De polder heeft als gevolg van de drooglegging nog te maken met zettingen als gevolg van klink. In het gebied bevindt zich een veenlaag onder een kleilaag. Deze laag ligt veelal dieper dan 2 m onder maaiveld. Door de aanwezigheid van klei en daaronder veen kunnen zettingen optreden. Tot 2100 wordt tot nog 40 cm bodemdaling verwacht. Tussen Lelystad en Emmeloord bevinden zich meerdere gebieden die aangemerkt zijn vanwege de aardkundige waarden.
3.4.2
Analyse
De Flevopolder is een diep gelegen polder die geconfronteerd wordt met een stapeling van klimaateffecten waardoor gevolgen voor het water- en bodemsysteem elkaar versterken. Hevige neerslag zorgt voor een grote kans op wateroverlast door een toename van de piekbelasting in de polder. In droge perioden is het minder vanzelfsprekend dat water aangevoerd kan worden, doordat we rekening moeten houden met het feit dat de aanvoer vanuit het IJsselmeer in de toekomst onvoldoende is om alle functies in Noord- en Oost Nederland van water te kunnen voorzien. In dat geval zal via de verdringingsreeks geprioriteerd moeten worden. Verder kunnen als gevolg van langdurige droge perioden de grondwaterstanden uitzakken. Omdat aanvoer van water niet altijd kan worden gegarandeerd, is weerbaarheid tegen droogte belangrijk. Voldoende ruimte horizontaal en verticaal om een overschot of een tekort op te vangen, is daarom belangrijk. De stijging van het IJsselmeerpeil zorgt voor een toename van de gevolgen van een overstroming en als gevolg van de hogere waterstanden zorgt dit ook voor toename van de kwel en een plaatselijk ook toename van zoute kwel in de Flevopolder. De toename van zoute kwel is met name merkbaar in droge perioden. Bij de inrichting van het watersysteem moet daarom rekening worden gehouden met hogere chloride concentraties.
Tevens zorgt bodemdaling in de polder voor zettingen in het gebied. Ten zuiden van ZuiderC loopt één van de hoofdvaarten van het gebied, de Lage Dwarsvaart. Deze is voor de afvoer van water richting het Markermeer van groot belang. Het is van belang dat deze in de toekomst bij piekbelasting ook nog voldoende afvoercapaciteit heeft. De woonwijk ZuiderC bevindt zich op grond die nu gebruikt wordt voor de landbouw, door de ontwikkeling van woningbouw wordt dit areaal verkleind. De kleigronden die hier voornamelijk aan het oppervlakte voorkomen, zijn erg geschikt voor landbouw. Daarnaast grens het gebied aan een N2000-gebied en NNN-gebied. Daarmee is het belangrijk om bij deze ontwikkeling ruimte te bieden aan groenblauwe structuren en deze aan te sluiten op de omgeving. Om in deze situatie woningbouw mogelijk te maken, is het hierna beschreven handelingsperspectief geschetst, rekening houdend met de kenmerken van het aanwezige water- en bodemsysteem.
Sweco | Uitwerking ‘water en bodem sturend’ in relatie tot de Lelylijn Advies en handelingsperspectief ter voorbereiding op het MIRTbesluit Projectnummer 51021594 Datum 12-06-2024
Versie D1
Documentreferentie NL24-648800269-90870
20/66
3.4.3
Handelingsperspectief
Vanuit water en bodem kan op de volgende manieren worden omgegaan met het water- en bodemsysteem en de gevolgen van klimaatverandering:
Houd rekening met zettingen in de ondergrond van 40 cm tot 2100, en wentel de gevolgen niet af in tijd, ruimte en kosten. Met andere woorden, de woningen en infrastructuur moeten zo aangelegd worden dat zettingen tijdens de gebruiksfase zoveel mogelijk verwaarloosbaar worden door bijvoorbeeld zettingen versneld op te laten treden. Zorg bij de inrichting van het watersysteem er voor dat het watersysteem bestand is tegen periodes van extreme droogte, watertekorten en verzilting. Daarbij moet er ruimte beschikbaar zijn om water vast te houden in het gebied en moet onnodige bodemafdekking voorkomen worden. Dit zorgt ook voor voldoende sponswerking en biodiversiteit in de bodem. Houd rekening met gevolgen van extreem weer en overstromingen (2,5 tot 3,5 m diepte) door het toepassen van principes van meerlaagsveiligheid. Denk daarbij aan de ontwikkeling van woningen met dakramen en vluchtroutes naar de nabij gelegen hoge plaatsen. Plaats bijvoorbeeld vitale infrastructuur, zoals transformatoren, op hoger gelegen locaties zodat deze langer in bedrijf kunnen blijven. Ook het waterbewustzijn van toekomstige bewoners is een belangrijk aandachtspunt. Belemmer de afvoercapaciteit van de aangrenzende vaart niet, en houd daarbij rekening met de capaciteit die in toekomst nodig is bij een extremer neerslag-scenario.
Zorg daarnaast voor voldoende ruimte voor groenblauwe dooradering richting Lelystad om te zorgen voor een robuust watersysteem, waarbij ook voldoende ruimte is voor landwaterovergangen vanuit het belang van een goede ecologische waterkwaliteit. Voorkom zo veel mogelijk bodemverstoring, en bescherm archeologische en aardkundige waarden. Indien ontgraving nodig is, zorg in dat geval voor hoogwaardig hergebruik van de grond. Pas bij woningbouwplannen de maatlat voor een klimaatadaptieve en natuurinclusieve bebouwde omgeving toe.
Conclusie Vanuit ‘water en bodem sturend’ is dit een locatie waar woningbouw mogelijk is, mits er rekening wordt gehouden met de opgaven voor bodemdaling, meerlaagsveiligheid en compensatie van verlies aan berging in de polder. Indien deze opgaven goed worden opgepakt, wordt voorkomen dat deze worden afgewenteld op toekomstige generaties. Voor ZuiderC is een gebied met een bruto oppervlak van 712 ha omkaderd. Hierbinnen is circa 88 ha bestaande infrastructuur en bebouwing aanwezig (waar onder Warande dat in ontwikkeling is). Voor de regionale waterberging, het boezemstelsel en de waterkeringen is circa 81 ha gereserveerd. Aanvullend zal voor de opvang van versneld tot afstroming komende neerslag in het bebouwde gebied voldoende water of andere vormen van opvang (ook lager gelegen groen) aanwezig moeten zijn. Een oppervlakte van 10% (circa 45 ha) is een robuuste maat voor de opvang van versneld tot afstroming komende neerslag. De overige ruimte van 488 ha is dan beschikbaar voor voorzieningen, woningen en dergelijke.
Sweco | Uitwerking ‘water en bodem sturend’ in relatie tot de Lelylijn Advies en handelingsperspectief ter voorbereiding op het MIRTbesluit Projectnummer 51021594 Datum 12-06-2024
Versie D1
Documentreferentie NL24-648800269-90870
21/66
Figuur 9 – Impressie van wonen in het groen in de wijk ZuiderC (bron SBB)
Sweco | Uitwerking ‘water en bodem sturend’ in relatie tot de Lelylijn Advies en handelingsperspectief ter voorbereiding op het MIRTbesluit Projectnummer 51021594 Datum 12-06-2024
Versie D1
Documentreferentie NL24-648800269-90870
22/66
3.5
Emmeloord
Bij Emmeloord zijn er twee mogelijkheden voor een tracé en het bijbehorende station; ten westen langs Emmeloord of ten oosten langs Emmeloord. Op deze locatie kunnen de kenmerken van het water- en bodemsysteem bepalend zijn voor de tracékeuze. Om deze reden is deze locatie meegenomen in deze studie. Hierbij worden beide locaties bekeken en worden de voor- en nadelen van beide locaties tegen elkaar afgezet. Daarna wordt nog ingezoomd op de gevolgen van de mogelijke keuzes voor de woningbouw, gelinkt aan de ontwikkeling van de Lelylijn in Emmeloord om een compleet beeld van de locatie te krijgen.
Figuur 10 - Uitsnede ArcGIS met daarin de twee indicatieve tracés nabij Emmeloord
Sweco | Uitwerking ‘water en bodem sturend’ in relatie tot de Lelylijn Advies en handelingsperspectief ter voorbereiding op het MIRTbesluit Projectnummer 51021594 Datum 12-06-2024
Versie D1
Documentreferentie NL24-648800269-90870
23/66
Figuur 11 - Sturingskaart WABOS (links) en Geschiktheidskaart Op Waterbasis (rechts)
De sturingskaart in Figuur 11 die weergeeft waar er vanuit water en bodem gebouwd kan worden (Ministerie IenW, april 2024), laat zien dat er in het oostelijke tracé gebouwd kan worden “Ja Mits, met kleine opgave” en in het westelijke tracé “Ja mits, met gemiddelde opgave”. De geschiktheidskaart in Figuur 11 voor bebouwing, zoals opgenomen in “Op Waterbasis”, laat zien dat er in dit gebied sprake is van enkele (geel) tot weinig (licht groen) beperkingen voor stedelijke ontwikkelingen.
3.5.1
Toelichting kenmerken van water en bodem
Water
De Noordoostpolder Flevoland is een diepe laaggelegen polder en om die te kunnen gebruiken is er continu de noodzaak om het overtollig water af te voeren, de peilen te beheersen en in drogere perioden water aan te voeren. Het beoogde woningbouwgebied in deze polder ligt ongeveer 4,5 m onder NAP, het maaiveld loopt op in oostelijke en noordelijke richting. Grote delen van de gebieden rond Emmeloord behoren tot de lagere delen van de polder en de daarin aanwezige afwateringsgebieden. In periode met veel neerslag wordt op deze locaties tijdelijk water geborgen met waterpeilen tot boven maaiveld. Aanvoer van water kan in de toekomst niet altijd worden gegarandeerd, omdat aanvulling van het IJsselmeer ontoereikend is om alle functies in Noord- en Oost Nederland van voldoende water te voorzien en de verdringingsreeks moet worden ingezet om in waterverdeling te prioriteren. Grondwaterstanden veranderen als gevolg van langdurige natte en droge perioden. Dit wordt versterkt door toename van zeespiegelstijging en als gevolg daarvan een hoger IJsselmeerpeil. Hierdoor is er sprake van een hogere GHG en een lagere GLG. In het gebied is, vooral in het westelijke deel, sprake van toename van zoute kwel als gevolg van een hogere zeespiegel en een hoger IJsselmeerpeil.
Sweco | Uitwerking ‘water en bodem sturend’ in relatie tot de Lelylijn Advies en handelingsperspectief ter voorbereiding op het MIRTbesluit Projectnummer 51021594 Datum 12-06-2024
Versie D1
Documentreferentie NL24-648800269-90870
24/66
Klimaatverandering heeft onder andere tot gevolg dat er meer neerslag valt en is er een toename van de neerslagintensiteit. Dit zorgt ervoor dat waterpeilen snel zullen stijgen met een grotere kans op wateroverlast. Met een zeer kleine kans is een overstroming mogelijk met een waterdiepte van 3,5 tot 4 m (westzijde) en 2,5 tot 3 m (oostzijde).
Bodem
De polder heeft als gevolg van de drooglegging nog te maken met zettingen als gevolg van klink. In het gebied bevindt zich een veenlaag onder een kleilaag. Deze laag ligt veelal dieper dan 2 m onder maaiveld. Door de aanwezigheid van klei en daaronder veen kunnen zettingen optreden. Tot 2100 wordt tot nog 40 cm bodemdaling verwacht. Er zijn aardkundige waarden in de omgeving van Emmeloord aanwezig, bijvoorbeeld door de aanwezigheid van het Stroomgebied van de Oer-Vecht en de bijbehorende rivierduinen.
3.5.2
Analyse westelijk tracé
Het tracé dat ten westen van Emmeloord is geprojecteerd, is gevoelig voor wateroverlast doordat een groot gedeelte van dit tracé tot de lagere delen van de Noordoostpolder en in ieder geval tot de 10% laagste delen van het centrale peilgebied behoort. Daarom moet bij een ontwerp langs de westzijde rekening gehouden worden met een groot gebied waar water moet kunnen worden geborgen. Ook bij wateroverlast zijn dit delen van de polder die als eerste overstromen. Met andere woorden, er moet rekening worden gehouden met tijdelijke peilstijgingen op het maaiveld in dit gebied. Tevens is er bij een overstroming sprake van overstroming met een maximale waterdiepte van 3,5 tot 4 meter. Daarnaast is dit tracé erg zettingsgevoelig door de aanwezige veenlaag, die in dikte varieert van 10 cm tot meer dan 2 meter. Dit doet zich voor aan zowel de zuidzijde als aan de westzijde van Emmeloord. Vanuit het ‘niet afwentelen’-principe mogen de kosten van eventuele zettingen niet op toekomstige generaties worden afgewenteld. Daarbij is het dus belangrijk om de zetting te beperken of met een minimale restzettingseis te ontwerpen. Dit kan worden gedaan door zettingen versneld op te laten treden door extra belasting op maaiveld aan te brengen, in combinatie met bijvoorbeeld verticale drainage. De veenrestanten liggen overwegend meer dan 1,5 m onder maaiveld, waardoor deze laag permanent nat is.
Alleen ter plaatse van dunnere deklagen (circa 0,5 m onder maaiveld in het noordwestelijke deel van het tracé) kan het nat houden van deze lagen nog om aanpassingen vragen in het peilbeheer. Het noordwestelijke tracé doorsnijdt waardevolle landbouwgronden en betekent een versnippering van bestaande verkavelingsstructuur en verlies van areaal. De geringere ontwateringsdiepte, in vergelijking met het gebied ten oosten van Emmeloord, betekent mogelijk een geringere geschiktheid van deze grond voor de huidige vorm van landbouw.
Sweco | Uitwerking ‘water en bodem sturend’ in relatie tot de Lelylijn Advies en handelingsperspectief ter voorbereiding op het MIRTbesluit Projectnummer 51021594 Datum 12-06-2024
Versie D1
Documentreferentie NL24-648800269-90870
25/66
3.5.3
Analyse oostelijk tracé
Ten oosten van Emmeloord is het maaiveld 0,5 tot 1 m hoger in vergelijking tot de westzijde en hoeft er minder rekening gehouden te worden met wateroverlast. Doordat het maaiveld 0,5 m tot 1,0 m hoger ligt, zal de diepte bij overstroming ook 0,5 tot 1,0 m minder zijn. In dit gebied is over een groot deel van het tracé een dikke veenlaag aanwezig, voor het grootste deel is deze tussen de 1 en 2 m dik. Hierdoor is dit gebied ook erg zettingsgevoelig. De kosten van zettingen mogen ook hier niet naar de toekomst afgewenteld worden. Bij dunnere deklagen moet in het peilbeheer rekening worden gehouden met het nat houden van ondiepe veenlagen om de oxidatie van veen te beperken. Op deze locatie is tevens landbouwgrond aanwezig. De ligging van de lijn, aansluitend op de bestaande snelweg, levert minder versnippering van percelen op in vergelijking met het westelijke tracé.
3.5.4
Vergelijking analyse oostelijk en westelijk tracé
Westelijk tracé
Oostelijk tracé
Door de lage ligging van het maaiveld bestaat hier grote kans op wateroverlast waardoor kans is op water op maaiveld. Het tracé doorkruist ruimte die nodig is voor waterberging.
Door de relatief hogere ligging van het maaiveld is sprake van minder kans op wateroverlast. Het tracé doorkruist in beperkte mate ruimte die nodig is voor waterberging.
Bij een overstroming kunnen waterdieptes ontstaan tussen de 3,5 en 4 m diepte.
Bij een overstroming kunnen waterdieptes ontstaan tussen de 2,5 en 3 m diepte. Ten opzichte van de westzijde kan met circa 1,0 m minder waterdiepte rekening worden gehouden vanwege de hogere ligging van het maaiveld.
Langs dit tracé leidt de ligging van het tracé tot versnippering van waardevolle agrarische percelen.
Door bundeling van het tracé met de bestaande A6 is in mindere mate sprake van versnippering van waardevolle agrarische percelen.
Door de aanwezige veenlaag in de ondergrond die van 10 cm tot meer dan 2 m varieert, moet rekening worden gehouden met grote variatie in zettingsgevoeligheid*.
Door de gemiddeld dikkere veenlaag van 1 tot 2 m moet over een groot deel van het tracé rekening gehouden worden met een grotere zettingsgevoeligheid*.
Langs dit tracé zijn overwegend landbouwgronden aanwezig
Langs dit tracé zijn meer natuurwaarden aanwezig
*Ter vergelijking: In het tracé van de spoorlijn Dronten-Kampen zijn in het recente verleden problemen opgetreden voor gebruik van de spoorlijn en het station, doordat de combinatie van het baanlichaam en de ondergrond met veen onvoldoende de krachten kon opvangen van de belasting van de trein door remmen en optrekken. Ter plaatse van het station Kampen-Zuid is sprake van 1,5 m veen in de ondergrond.
Conclusie Vanuit het oogpunt van een goed functionerend water- en bodemsysteem is een spoortracé langs de oostzijde van Emmeloord wenselijker. Hier is minder kans op wateroverlast, waardoor het tracé niet extra verhoogd boven het maaiveld aangelegd hoeft te worden. Door de grotere zettingsgevoeligheid ten zuiden en oosten van Emmeloord moet er wel verhoogde inzet geleverd worden om zetting langs het tracé niet in de tijd af te wentelen.
Sweco | Uitwerking ‘water en bodem sturend’ in relatie tot de Lelylijn Advies en handelingsperspectief ter voorbereiding op het MIRTbesluit Projectnummer 51021594 Datum 12-06-2024
Versie D1
Documentreferentie NL24-648800269-90870
26/66
3.5.5
Analyse woningbouw Emmeloord (zuidwestzijde)
Ten zuidwesten van Emmeloord is sprake van woningbouwplannen, zoals weergegeven in Figuur 12.
Figuur 12 - Uitsnede kaart locatie Emmeloord met daarin de contouren van de woningbouw
Figuur 13 - Sturingskaart WABOS (links) en Geschiktheidskaart Op Waterbasis (rechts)
De sturingskaart in Figuur 13 die weergeeft waar er vanuit water en bodem gebouwd kan worden (Ministerie IenW, april 2024), laat zien dat er op de woningbouwlocatie gebouwd kan “Ja mits, met gemiddelde opgave”. De geschiktheidskaart in Figuur 13 voor bebouwing, zoals opgenomen in “Op Waterbasis”, laat zien dat er in dit gebied sprake is van enkele (geel) tot weinig (licht groen) beperkingen voor stedelijke ontwikkelingen.
Sweco | Uitwerking ‘water en bodem sturend’ in relatie tot de Lelylijn Advies en handelingsperspectief ter voorbereiding op het MIRTbesluit Projectnummer 51021594 Datum 12-06-2024
Versie D1
Documentreferentie NL24-648800269-90870
27/66
Figuur 14 - 10% laagste delen van het peilgebied
Het gebied dat voor woningbouw is aangemerkt in relatie tot de ontwikkeling van de Lelylijn, ligt voor een groot deel in 10% van de laagste delen van het peilgebied maar ook in de lagere delen van de Noordoostpolder; dit is middels de grijze vlakken weergegeven in Figuur 14. Dit leidt tot beperkingen voor de ontwikkeling van woningbouw, aangezien deze delen kwetsbaar zijn voor wateroverlast en er ruimte wordt ingenomen waar op dit moment sprake is van regionale waterberging. Vanuit de structurerende keuzes mag de bergingscapaciteit van dit gebied niet beperkt worden en moet rekening worden gehouden met bestaande berging. Dit beperkt de mogelijkheden voor woningbouw ,aangezien deze ruimte voor waterberging gereserveerd moet worden. Als we dit beeld aggregeren tot op afwateringseenheden, dan is er in het oostelijke deel een groter ruimtebeslag dat gereserveerd moet worden. Bij de inrichting van het gebied dient verder rekening te worden gehouden met extremen. Naast de kans op overstroming met een waterdiepte van 2,5 tot 4 m moet ook rekening worden gehouden met wateroverlast als gevolg van extreme neerslag. Bij realisatie van woningbouw is het belangrijk om rekening te houden met de principes van meerlaagsveiligheid en bijvoorbeeld vitale infrastructuur zo aan te leggen dat uitval wordt voorkomen. Dit gebied bevindt zich op een veenlaag met een dikte tot 2 meter.
Dit is de oorzaak van de extreme zettingsgevoeligheid (op delen zelfs meer dan 60 cm) van dit gebied. Tijdens de aanleg van de woningen en infrastructuur mogen de zettingen niet afgewenteld worden naar de toekomst. Waar het veen relatief ondiep voorkomt, dient ook rekening te worden gehouden met voldoende hoge grondwaterstanden zodat dit veen niet oxideert.
3.5.6
Analyse woningbouw Emmeloord (zuidoostzijde)
Het gebied dat voor woningbouw is aangemerkt in relatie tot de ontwikkeling van de Lelylijn, bevat de 10% laagste delen van het peilgebied waartoe dit gebied behoort binnen de Noordoostpolder. Dit is echter minder in vergelijking met de westzijde waardoor er minder ruimte hoeft te worden gereserveerd voor waterberging. Sweco | Uitwerking ‘water en bodem sturend’ in relatie tot de Lelylijn Advies en handelingsperspectief ter voorbereiding op het MIRTbesluit Projectnummer 51021594 Datum 12-06-2024
Versie D1
Documentreferentie NL24-648800269-90870
28/66
Bij de inrichting van het gebied dient wel rekening gehouden te worden gehouden met wateroverlast als gevolg van extreme neerslag. Dit gebied bevindt zich echter wel op een veenlaag met een dikte tot 2 meter. Dit is de oorzaak van de zettingsgevoeligheid van dit gebied, er kan tot 2100 tussen de 20 en 60 cm zetting verwacht worden. Tijdens de aanleg van de woningen en infrastructuur mogen de zettingen niet afgewenteld worden naar de toekomst. Waar het veen relatief ondiep voorkomt, dient ook rekening te worden gehouden met voldoende hoge grondwaterstanden zodat dit veen niet oxideert.
3.5.7
Vergelijking westelijke en oostelijke woningbouwlocaties
Zuidwestelijke locatie
Zuidoostelijke locatie
Door de lage ligging van het maaiveld bestaat hier grote kans op wateroverlast waardoor een grotere kans is op water op maaiveld.
Door de relatief hogere ligging van het maaiveld is sprake van minder kans op wateroverlast.
Bij een overstroming kunnen waterdieptes ontstaan tussen de 3,5 en 4 m diepte.
Bij een overstroming kunnen waterdieptes ontstaan tussen de 2,5 en 3 m diepte. Ten opzichte van de westzijde kan met circa 1,0 m minder waterdiepte rekening worden gehouden vanwege de hogere ligging van het maaiveld.
Door de aanwezige veenlaag in de ondergrond die van 10 cm tot meer dan 2 m varieert, moet rekening worden gehouden met grote variatie in zettingsgevoeligheid.
Door de gemiddeld dikkere veenlaag van 1 tot 2 m moet er op deze locatie rekening gehouden worden met een grote zettingsgevoeligheid. Echter zijn deze op deze woningbouwlocatie minder significant in vergelijking met de zuidwestelijke locatie.
Conclusie Vanuit ‘water en bodem sturend’ is de oostelijke woningbouwlocatie wenselijker. Er zijn hier minder laaggelegen delen, waardoor er minder ruimte gereserveerd moet worden voor waterberging. Op deze locatie kan dus met een hogere dichtheid gebouwd worden. Daarnaast is het gebied ook minder zettingsgevoelig waardoor de opgave om geen zetting op toekomstige generaties af te wentelen waarschijnlijk minder groot is, ook al is op beide locaties sprake van forse zettingen.
Figuur 15 – Impressie van bouwrijp maken Emmelhage in de Noordoostpolder
Sweco | Uitwerking ‘water en bodem sturend’ in relatie tot de Lelylijn Advies en handelingsperspectief ter voorbereiding op het MIRTbesluit Projectnummer 51021594 Datum 12-06-2024
Versie D1
Documentreferentie NL24-648800269-90870
29/66
3.5.8
Handelingsperspectief
Vanuit water en bodem kan op de volgende manieren worden omgegaan met de kenmerken van water en bodem en de gevolgen van klimaatverandering:
Houd rekening met zettingen in de ondergrond van 40 tot plaatselijk 60 cm tot 2100 en wentel de gevolgen niet af in tijd, ruimte en kosten. Met andere woorden, de woningen en infrastructuur moeten zo aangelegd worden dat zettingen tijdens de gebruiksfase zoveel mogelijk verwaarloosbaar worden. Houd rekening met de gevolgen van extreme neerslag door de 5 – 10% laagste delen van de afwateringsgebieden niet te bebouwen en te reserveren als ruimte voor de opvang van neerslag. Zorg er bij inrichting van het watersysteem voor dat het watersysteem bestand is tegen periodes van extreme droogte, watertekorten en verzilting, bijvoorbeeld door verticale en horizontale ruimte. Voorkom onnodige bodemafdekking en zorg voor voldoende sponswerking en biodiversiteit in de bodem. Zorg voor goede verbindingen van watergangen in en rond het gebied, waarbij ook voldoende ruimte moet zijn voor landwaterovergangen vanuit het belang van een goede ecologische waterkwaliteit. Houd rekening met gevolgen van extreem weer en overstromingen (2,5 en 4 m diepte) door het toepassen van principes van meerlaagsveiligheid. Dit kan door hogere vluchtplekken in het gebied te realiseren, energievoorzieningen (transformatoren) op hogere posities aan te brengen, woningen te voorzien van dakramen op zolder en vluchtroutes hoger dan maaiveld te realiseren zodat bij eerste inundatie wegen nog zichtbaar zijn.
Ook moet er aandacht zijn voor het waterbewustzijn van de toekomstige bewoners. Voorkom aantasting van aardkundige waarden. Voorkom bodemverstoring door ontgraving en, indien dit niet voorkomen kan worden, zorg in dat geval voor hoogwaardig hergebruik van de grond. Pas bij woningbouwplannen de maatlat voor een klimaatadaptieve en natuurinclusieve bebouwde omgeving toe.
Voor Emmeloord West is een gebied met een bruto oppervlak van 1292 ha omkaderd. Hierbinnen is circa 87 ha bestaande infrastructuur en bebouwing aanwezig. Voor regionale waterberging, watergangen en vaarten is een ruimtebeslag berekend van circa 514 hectare. Aanvullend zal voor de opvang van versneld tot afstroming komende neerslag in bebouwd gebied voldoende water of andere vormen van opvang (ook lager gelegen groen) aanwezig moeten zijn. Een oppervlakte van 10% (circa 69 ha) is een robuuste maat voor de opvang van versneld tot afstroming komende neerslag. De overige ruimte van 622 ha is dan beschikbaar voor voorzieningen, woningen en dergelijke. Voor Emmeloord Oost is een gebied met een bruto oppervlak van 1477 ha omkaderd. Hierbinnen is circa 218 ha bestaande infrastructuur en bebouwing aanwezig. Voor regionale waterberging, watergangen en vaarten is circa 509 ha berekend. Aanvullend zal voor de opvang van versneld tot afstroming komende neerslag in bebouwd gebied voldoende water of andere vormen van opvang (ook lager gelegen groen) aanwezig moeten zijn. Een oppervlakte van 10% (circa 75 ha) is een robuuste maat voor de opvang van versneld tot afstroming komende neerslag. De overige ruimte van 676 ha is dan beschikbaar voor voorzieningen, woningen en dergelijke.