CConstaterende datlaren
Koppel je AI →
Document · PDF

III-A2 college - raadsinformatiebrief vervolg Kwaliteitskader onderwijshuisvesting BIJLAGE

Gemeenteraad 24 november 2021, gemeente larenBij agendapunt: Vaststellen lijst ingekomen stukken12.892 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Kwaliteitskader onderwijshuisvesting Een toekomstbestendig perspectief voor alle scholen in Laren

Opdrachtgever Gemeente Laren

Datum 28 april 2021

Referentienummer 2190287/20210428adr02

Auteur Doriene Bakker Annet Strooper Leonoor Clemens

│ Onderdeel van ICS Ruimteregiegroep BV

Inhoudsopgave 1.

Introductie 1.1

Aanleiding

4

1.2

Scope

4

1.3

Aanpak

4

1.4

Landelijke en lokale ontwikkelingen onderwijshuisvesting

5

1.4.1

Bijgestelde normvergoeding onderwijshuisvesting

6

1.4.2

Voorgestelde wetswijziging

6

1.4.3

BENG

6

1.4.4

Routekaart Klimaatakkoord

6

1.4.5

Ventilatie

6

1.4.6

Lokaal beleid

7

1.5

2.

3.

Wettelijke taken

7

Visie op onderwijs

10

2.1

Aanbod

10

2.2

Groei en krimp

11

2.3

Samenwerking

11

2.4

Conclusie

12

Visie op onderwijshuisvesting 3.1

4.

5.

6.

4

Duurzaamheid

13 13

3.1.1

Energie

13

3.1.2

Aardgasvrij

14

3.2

Gezond binnenklimaat

14

3.3

Monumenten

14

Scenario’s

16

4.1

Nieuwbouw en uitbreiding

16

4.2

Renovatie

17

4.3

In stand houden

18

Kostenindicatie scenario’s

19

5.1

Investering gemeente

19

5.2

Bijdrage schoolbesturen

20

5.3

Subsidies

20

5.4

Samenvattende tabel

22

Inzicht en beoordeling

23

www.icsadviseurs.nl

7.

6.1

Kwaliteit

23

6.2

Exploitatielasten

25

6.3

Vraag en aanbod

27

Analyse en scenario’s

29

Deel I – Basisonderwijs

31

7.1

Vraag en aanbod

31

7.2

Analyse en scenario’s

31

Deel II – Voortgezet onderwijs

36

7.3

Vraag en aanbod

36

7.4

Analyse en scenario’s

36

7.5

Investeringskosten

37

8.

Vervolgtraject: nieuwe werkwijze

39

9.

Begrippenlijst

40

www.icsadviseurs.nl

1. Introductie 1.1 Aanleiding Voor u ligt het Kwaliteitskader onderwijshuisvesting van de gemeente Laren. Er is vanuit de gemeente Laren en schoolbesturen behoefte aan een heldere, werkbare en toekomstbestendige werkwijze om afwegingen te maken wat betreft gezamenlijke en wettelijke taken en verantwoordelijkheden. Het meerjarenperspectief in het Kwaliteitskader geeft hen de mogelijkheid om afwegingen in samenhang, in gezamenlijkheid en transparant te kunnen maken. Het Kwaliteitskader borduurt enerzijds voort op bestaand beleid zoals de ‘Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Laren (2015)’. Anderzijds is tijdens gezamenlijke bijeenkomsten gewerkt aan het formuleren van aanvullende ambities en nieuwe kaders en uitgangspunten. Tevens is de koppeling gemaakt met andere relevante beleidsterreinen. Hieronder beschrijven we de scope en aanpak van het Kwaliteitskader onderwijshuisvesting. Vervolgens zetten we landelijke ontwikkelingen uiteen die raakvlak hebben met onderwijshuisvesting. In de laatste paragraaf worden de bestaande wettelijke taken en verantwoordelijkheden van gemeente en schoolbesturen op een rij gezet, en ook de landelijke ontwikkelingen.

1.2 Scope De scope van het Kwaliteitskader betreft alle schoolgebouwen voor scholen in het basis- en voortgezet onderwijs. Medegebruik en verhuur is inzichtelijk gemaakt. De welzijns- en opvangorganisatie(s) zijn geïnformeerd tijdens het proces, ontvangen alle stukken en hebben gelegenheid om, indien gewenst, input te leveren. Gymzalen vallen buiten de scope van dit Kwaliteitskader.

1.3 Aanpak Een belangrijk uitgangspunt voor het Kwaliteitskader onderwijshuisvesting is dat het een gezamenlijk plan is van de schoolbesturen en de gemeente. Betrokkenheid van en draagvlak bij de schoolbesturen en de gemeente vormt de basis voor de aanpak. Het Kwaliteitskader komt tot stand door de schoolbesturen en de gemeente, door middel van gezamenlijke bijeenkomsten en 1-op-1-overleggen onderling en met ICSadviseurs als onafhankelijk begeleider. Hierin worden informatie, inzichten en standpunten onderling gedeeld om zo tot een samenhangend en gedragen Kwaliteitskader te komen. ▪

Visie op onderwijs(huisvesting) Om uiteindelijk tot kaders te komen, wordt eerst de vraag beantwoord welke doelen en ambities ten aanzien van de onderwijs(huisvesting) geformuleerd kunnen worden. Thema’s als aanbod, krimp en groei, samenwerking, duurzaamheid, gezond binnenklimaat en monumenten zijn hierbij in twee werkbijeenkomsten behandeld. De visie op onderwijs en onderwijshuisvesting zijn omschreven in hoofdstuk 2 en 3.

▪

Scenario’s en kostenindicatie Na het opstellen van de visie op onderwijs en onderwijshuisvesting zijn de verschillende scenario’s uitgewerkt, te weten nieuwbouw, renovatie en in stand houden, zie hoofdstuk 4. Per scenario worden de thema’s uit de visie beschreven. De financiële consequenties van de uitgangspunten worden toegelicht in hoofdstuk 5.

▪

Actualisatie basisinformatie Voor elke locatie is, op basis van zoveel mogelijk objectieve informatie, een ‘factsheet’ gemaakt. Deze informatie is opgehaald door middel van een schouw, een vragenlijst en interviews. Het gaat hier om

www.icsadviseurs.nl

4/41

gegevens als bouwjaar, exploitatielasten, technische en functionele kwaliteit, de ontwikkeling van vraag en aanbod op basis van de leerlingenprognoses en het inzichtelijk maken van medegebruik en verhuur. Een samenvatting van de factsheets wordt gegeven in hoofdstuk 6. De factsheets en een toelichting op de factsheets zijn toegevoegd aan het bijlagendocument van dit Kwaliteitskader. ▪

Analyse schoolgebouwen en scenario’s Met de basisinformatie als uitgangspunt krijgen we inzicht in de knelpunten, kansen en ontwikkelingen die spelen ten aanzien van onderwijshuisvesting. Op basis hiervan is een analyse van de schoolgebouwen in de vorm van een zogenaamde kansenkaart gemaakt. Deze kansenkaarten zijn op gemeentelijk niveau. De kansenkaarten geven de geïnventariseerde basisinformatie weer via een visuele weergave en geven een totaalbeeld van de stand van zaken van alle schoolgebouwen. De kansenkaarten stellen de gemeente en schoolbesturen in staat om integraal te kijken naar de huisvesting van het onderwijs en vormen de input voor de te ontwikkelen scenario’s. Deze scenario’s zijn per school weergegeven. De scenario’s zijn erop gericht geconstateerde knelpunten op te lossen en de geformuleerde ambities te realiseren om, op basis van een ieders verantwoordelijkheid, te zorgen voor toekomstbestendige onderwijshuisvesting. De analyse van de schoolgebouwen en de voorgestelde scenario’s omschrijven we in hoofdstuk 7 van dit Kwaliteitskader waarbij de volgende onderverdeling wordt gemaakt: ─ Deel I - Basisonderwijs ─ Deel II - Voortgezet onderwijs Tijdens de werksessies zijn alle van belang zijnde ontwikkelingen en knelpunten in gebieden of specifiek ten aanzien van locaties, inzichtelijk gemaakt.

▪

Financiële vertaling scenario’s Voor de verschillende scenario’s is in hoofdstuk 7 de totale bandbreedte van investeringskosten in beeld gebracht.

▪

Rapportage Kwaliteitskader De situatieschets en de gezamenlijke ambities en scenario’s, inclusief financiële bandbreedte, worden beschreven in dit Kwaliteitskader onderwijshuisvesting. De rapportage geeft inzicht in de situatie van elke schoollocatie en, op basis van de visie en spelregels is inzichtelijk wat er de komende jaren nodig is om te zorgen voor toekomstbestendige huisvesting voor alle leerlingen in Laren, vanuit een ieders (gemeente en schoolbesturen) verantwoordelijkheid voor deze gezamenlijke taak.

Gedurende het proces vormt ieder deelproduct de input voor het daaropvolgende deelproduct. Zo vormen de factsheets de input voor de kansenkaarten en de kansenkaarten de basis voor het vormen van scenario’s. De deelproducten bespreken we in gezamenlijke werksessies en worden aangescherpt en vastgesteld in het Kwaliteitskader onderwijshuisvesting. ▪

Vervolgtraject Het Kwaliteitskader heeft inzichtelijk gemaakt dat de financiële opgave voor de komende jaren fors is. Om toekomstbestendige huisvesting te realiseren, met een haalbaar financieel perspectief, is ervoor gekozen om aan de hand van businesscases het scenario gezamenlijke levensduurverlening op te nemen.

1.4 Landelijke en lokale ontwikkelingen onderwijshuisvesting Ten tijde van het opstellen van dit Kwaliteitskader speelt er een aantal landelijke ontwikkelingen dat van invloed is op de uitgangspunten in dit kader. Deze zijn hieronder kort toegelicht.

www.icsadviseurs.nl

5/41

1.4.1 Bijgestelde normvergoeding onderwijshuisvesting De Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft in maart 2018 het advies gegeven de normbedragen, opgenomen in de verordening voorzieningen huisvesting onderwijs, per 1 januari 2019 met 40% te verhogen. De reden hiervoor is dat de jaarlijkse indexering van de normbedragen over de afgelopen jaren, de werkelijke prijsontwikkelingen in de markt niet goed hebben gevolgd. In november 2020 heeft de VNG de nieuwe normbedragen in relatie tot de BENG-normen gepubliceerd. De normvergoeding voor een reguliere basisschool van 200 leerlingen bedroeg € 2.236,- per m2 bvo. Per 1 januari 2021 is het advies om de normbedragen eenmalig extra op te hogen met 9,6% omdat de normbedragen een realistische weergave van de werkelijke kosten moeten zijn. Om de normbedragen te laten aansluiten bij de kostenontwikkeling worden de bedragen per 1 januari 2021 voorts aangepast via de systematiek van de prijsbijstelling zoals beschreven in de Model Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs. Hieruit volgt een plus van 6,38% voor de investeringen, en een plus van 1,57% voor de exploitatie. NB1. In Laren is de verhoging van het normbedrag met 40%, in 2019, niet overgenomen. NB2. Er is geen directe relatie tussen aanpassingen van de normvergoeding in de verordening en de financiële middelen die de gemeente (ongeoormerkt) ontvangt in het gemeentefonds.

Tijdens de ALV van de VNG op 25 september jl. is een motie aangenomen om een toezegging van het kabinet en parlement te verkrijgen voor aanvullende financiële maatregelen, die passend zijn bij de (nieuwe) wettelijke eisen en verduurzaming van onderwijshuisvesting.

1.4.2 Voorgestelde wetswijziging De VNG heeft samen met de koepelorganisaties PO-Raad en VO-Raad een advies tot wijziging van de wet ingediend, waaronder het toevoegen van renovatie als alternatief voor nieuwbouw. In het advies van de VNG, PO-raad en VO-raad wordt het uitgangspunt gehanteerd dat renovatie dient te worden beschouwd als een volwaardig alternatief voor nieuwbouw, in te zetten als mogelijke maatregel (voorziening) aan het einde van de levensduur van een schoolgebouw. Hiermee wordt renovatie niet een extra gemeentelijke verantwoordelijkheid, maar een alternatief voor (vervangende) nieuwbouw, dat reeds behoort tot de gemeentelijke zorgplicht, zoals opgenomen in de wet. Het investeringsverbod op het primair onderwijs komt mogelijk te vervallen. Hierdoor kan het onderwijs in de toekomst, in geval van nieuwbouw of renovatie, eenvoudiger bijdragen aan kwaliteitsverhogende en/of exploitatieverlagende maatregelen. Tenslotte is men voornemens om het opstellen van een Integraal Huisvestingsplan (IHP) verplicht te maken (ten overvloede, dit is een Kwaliteitskader onderwijshuisvesting en geen IHP). De minister heeft aangegeven de voorstellen over te nemen. Het wetswijzigingsvoorstel wordt verwacht in 2022. Of en op welke manier deze wetsvoorstellen (financieel) vertaald worden is momenteel nog onbekend.

1.4.3 BENG Naast deze ontwikkelingen geldt alleen voor nieuwbouw dat het vanaf 2021 verplicht is (bijna) energieneutraal (BENG) te bouwen. BENG specificeert eisen voor de maximale energiebehoefte, het maximale fossiele energiegebruik en een minimaal aandeel hernieuwbaar op te wekken energie voor alle gebouwgebonden installaties.

1.4.4 Routekaart Klimaatakkoord Daarnaast is er in het vervolg op het Klimaatakkoord door de PO-raad en VO-raad een sectorale routekaart gepubliceerd voor het realiseren van CO2-reductie en een aardgasvrije gebouwde omgeving in 20501.

1.4.5 Ventilatie In verband met Covid-19 is de ventilatie in scholen een belangrijk thema geworden. Hiervoor is een specifieke uitkering beschikbaar, de SUVIS-regeling. Inmiddels is het subsidieplafond bereikt en kunnen geen aanvragen

1 https://www.poraad.nl/nieuws-en-achtergronden/routekaart-voor-duurzame-gebouwen-met-goed-binnenklimaat

www.icsadviseurs.nl

6/41

meer worden ingediend. Momenteel is nog niet bekend wanneer de volgende aanvraagronde van start zal gaan en of hierin eventuele wijzigingen/verbeteringen worden aangebracht.

1.4.6 Lokaal beleid In lijn met de landelijke ontwikkelingen heeft de gemeente Laren haar duurzaamheidsambities verwoord in het Klimaatbeleidsplan 2018-2022. Onder andere de volgende zaken hebben een link met dit Kwaliteitskader: ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

Aardgasloos bouwen bij nieuwbouw; Het ontwikkelen van stimulerend beleid en duidelijke kaders voor verduurzamen monumentale en beeldbepalende objecten; Een energiescan per object, inclusief inzicht in de financieringsmogelijkheden en eventueel beschikbare subsidies; Een educatieprogramma voor scholen biedt leerlingen mogelijkheden om meer te leren over natuur- en milieueducatie; De gemeente faciliteert bij verduurzaming van bestaande scholen onder meer met kennis en contacten.

1.5 Wettelijke taken Om de kwaliteit van de onderwijshuisvesting te waarborgen investeren de gemeente en schoolbesturen vanuit een vast kader in de schoolgebouwen. De (financiële) taken en verantwoordelijkheden van gemeente en schoolbesturen zijn wettelijk bepaald. Het bovenste deel van de afbeelding hieronder toont het onderscheid in wettelijke taken en verantwoordelijkheden. In het onderste deel van de afbeelding zijn de hiervoor benoemde (landelijke) ontwikkelingen opgenomen als voorstel voor het Kwaliteitskader. De onderbouwing van deze voorstellen wordt in dit Kwaliteitskader nader toegelicht en vertaald naar concrete uitgangspunten.

www.icsadviseurs.nl

7/41

Gemeentelijke verantwoordelijkheden De gemeente heeft een wettelijke zorgplicht om te voorzien in voldoende en adequate huisvesting voor het onderwijs en bewegingsonderwijs (Wet op het Primair Onderwijs en Wet op het Voorgezet Onderwijs). Deze zorgplicht staat omschreven in de ‘Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Laren (2015)’. De gemeente is verantwoordelijk voor (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding. Voor de uitvoering van de zorgplicht ontvangt de gemeente jaarlijks ongelabeld budget in het gemeentefonds vanuit het ministerie van binnenlandse zaken en financiën. Verantwoordelijkheden schoolbesturen Het schoolbestuur is verantwoordelijk voor de instandhouding van het schoolgebouw. Taken als het onderhouden, exploiteren en het uitvoeren van inpandige (onderwijskundige) aanpassingen zijn belegd bij

www.icsadviseurs.nl

8/41

het schoolbestuur. Voor het in stand houden van de schoolgebouwen ontvangen de besturen een materiële instandhoudingsvergoeding (MI vergoeding). Deze vergoeding wordt gebaseerd op het aantal ingeschreven leerlingen. Het voortgezet onderwijs is daarnaast verantwoordelijk voor al het onderhoud van de gymzalen. NB: zowel voor gemeenten als schoolbesturen geldt dat de vergoeding die zij ontvangen vanuit het Rijk voor hun wettelijke taak (gemeentefonds/MI vergoeding) niet gerelateerd is aan de werkelijke kosten. Landelijke ontwikkelingen en verwachte verantwoordelijkheden Naast de bestaande taken en verantwoordelijkheden voor onderwijshuisvesting, nemen we in dit Kwaliteitskader onderwijshuisvesting ook de verwachte wettelijke taken en verantwoordelijkheden, zoals beschreven in de voorgaande alinea’s, mee. Renovatie Ten aanzien van renovatie is het advies om, vooruitlopend op de wetswijziging, rekening te houden met de verwachte verantwoordelijkheid van de gemeente hiervoor. In dit Kwaliteitskader werken wij een voorstel ten aanzien van renovatie uit. Vervolgens maken we, op basis van de inventarisatie en scenario’s, in het Kwaliteitskader de consequenties hiervan inzichtelijk. Verduurzaming Per 1-1-2021 zijn gemeenten wettelijk verplicht om nieuwe schoolgebouwen te realiseren met een kwaliteitsniveau BENG.

In de afbeelding hierboven zijn aanvullende kwaliteitsambities reeds weergegeven, deze komen voort uit het klimaatakkoord, lokaal beleid en de input tijdens de gezamenlijke werksessies. Aanvullend op de wettelijke BENG eis (en BENG ambitie bij renovatie en in standhouden) wordt waar mogelijk het kwaliteitsniveau ENG/0-op-de-meter geambieerd.

www.icsadviseurs.nl

9/41

2. Visie op onderwijs In dit hoofdstuk is de visie op onderwijs omschreven. De visie op onderwijs vormt, samen met de visie op onderwijshuisvesting, het fundament voor het Kwaliteitskader onderwijshuisvesting. Tijdens een interactieve online werkbijeenkomst met de schoolbesturen, de gemeente en onderwijspartners is de visie tot stand gekomen. De vraag die tijdens de totstandkoming van de visie centraal stond, is: “Wat willen we de kinderen in de gemeente Laren bieden?”. Hieronder wordt aan de hand van verschillende thema’s, als vertaling van de gezamenlijke visie, antwoord gegeven op bovenstaande vraag. Gezamenlijk is bepaald aan welke speerpunten er vanuit de onderwijsinhoud de komende jaren gewerkt gaat worden. Per thema wordt tevens de relatie met de huisvesting gelegd. Passende en toekomstbestendige onderwijshuisvesting biedt kansen om deze ambities te realiseren en verder uit te rollen. De vertaling van de onderwerpen met raakvlak op onderwijshuisvesting worden verder uitgewerkt in het Kwaliteitskader onderwijshuisvesting. Het realiseren van de visie op onderwijs vraagt daarnaast ook om verdere samenwerking, afspraken en inzet.

2.1 Aanbod Aan ieder kind wordt kwalitatief hoogstaand onderwijs nabij geboden, zowel in het primair als het voortgezet onderwijs. Het onderwijs in de gemeente Laren sluit aan op de lokale behoefte en er is een divers onderwijslandschap in onderwijsgebouwen die dit optimaal ondersteunen. Voor ouders en kinderen valt er iets te kiezen. Kinderen en ouders hebben keuzevrijheid en gelijke kansen voor wat de betreft de keuze voor een school. Daarnaast heeft ieder kind binnen het onderwijs gelijke kansen. Doorgaande leerlijnen, mogelijk van 0 tot 18 jaar, versoepelen de overgang tussen voorschoolse educatie, peuteropvang, primair onderwijs, buitenschoolse opvang en voortgezet onderwijs en verlagen de drempel tussen de scholen. Zo kunnen we onze kinderen begeleiden in hun ontwikkeling naar volwaardig burgerschap, een zelfstandig bestaan binnen onze maatschappij en voorbereiden op een leven lang leren. Naast een soepele overgang in de ontwikkellijn is het belangrijk de samenwerking binnen en tussen het primair en voorgezet onderwijs verder te versterken, jeugdhulp op een eenduidige wijze bij het onderwijs aan te

www.icsadviseurs.nl

10/41

sluiten en passend onderwijs te optimaliseren. De schoolbesturen hebben de missie om er met elkaar voor te zorgen dat er voor iedere leerling een passende, zo thuis nabij mogelijke, onderwijsplek is. Dit vraagt om het behoud van de goede spreiding van onderwijsgebouwen over de gemeente. De samenwerkingsverbanden hebben daarbij de ambitie het onderwijs en begeleiding op de reguliere scholen te versterken, waardoor er meer mogelijkheden zijn voor leerlingen om op het reguliere onderwijs te blijven. Voor een groep leerlingen blijft sbo, so of vso in een gemeente nabij een noodzakelijke ondersteuning om succesvol een ontwikkeling door te maken. Een doorgaande ontwikkellijn en samenwerking vraagt om gebouwen waar, indien gewenst, ruimte is voor onderwijs, opvang en mogelijk zorg. De huisvesting draagt bij aan het inhoudelijk versterken van de bestaande samenwerking tussen onderwijs, opvang en zorg, en zorgt voor een dekkend aanbod van deze drie sectoren over de gemeente. Hiervoor is goede onderlinge afstemming onder schoolbesturen, onderwijspartners en gemeente nodig, hetgeen overcapaciteit en overbodige ‘dubbelingen’ in aanbod voorkomt en zorgt voor een dekkend aanbod, keuzevrijheid, diversiteit en kwaliteit.

Inclusief en thuisnabij onderwijs, een doorgaande ontwikkellijn en een dekkend aanbod dragen bij aan kansengelijkheid voor leerlingen, huisvesting die voldoet aan de eisen ondersteunt dit.

2.2 Groei en krimp Groei en krimp zijn onderwerpen die relevant blijven. De ambitie is om voldoende capaciteit voor alle scholen te behouden, zodat alle leerlingen het onderwijs kunnen volgen dat hen past. Daarvoor moeten we verantwoord omgaan met de gebouwcapaciteit en de financiële middelen. De capaciteit dient toekomstbestendig te zijn. Dit houdt in dat voldoende capaciteit aanwezig is, de kwaliteit van de capaciteit op orde is en de spreiding van de capaciteit aansluit bij de onderwijsbehoefte. De gemeente is verantwoordelijk voor het ter beschikking stellen van voldoende capaciteit. Een toekomstbestendige capaciteit betekent ook dat de gebouwen vanuit onderwijskundig en technisch oogpunt voldoen aan de huidige wensen en eisen, maar ook ruimte kunnen bieden voor nieuwe ontwikkelingen en innovaties binnen het onderwijs. Het onderwijs is namelijk continu in beweging en de toekomstige vorm en inhoud van het onderwijs is onvoorspelbaar. Flexibele onderwijsruimten en meubilair zijn nodig om in te kunnen spelen op de steeds veranderende onderwijskundige ontwikkelingen.

2.3 Samenwerking Een optimale samenwerking tussen (jeugd)zorg, kinderopvang, primair- en voortgezet onderwijs versterkt het netwerk aan voorzieningen rondom de kinderen in Laren en is daarmee van grote maatschappelijke waarde. Ook samenwerking met lokale ondernemers en verbinding van onderwijs met sport, cultuur en welzijnswerk is belangrijk. Waar nodig en kansrijk worden nieuwe samenwerkingen aangegaan en bestaande samenwerkingen inhoudelijk en ruimtelijk versterkt. Samen bereiken de scholen meer op het gebied van onderwijs en huisvesting. Het voortgezet onderwijs werkt actief samen met het bedrijfsleven om leerlingen voor te bereiden op de stap richting arbeid en te laten participeren in de maatschappij. Het hebben van meerdere voorzieningen onder één dak biedt bijvoorbeeld de mogelijkheid om efficiënt om te gaan met ruimtes, voorzieningen en de bedrijfsvoering. Daarnaast kan kennis en kunde worden gedeeld en kunnen we op deze manier elkaar versterken. Het koppelen van maatschappelijke voorzieningen en het bedrijfsleven aan het schoolgebouw vraagt allereerst om een goede inhoudelijke samenwerking met maatschappelijke partners, het bedrijfsleven en de gemeente Laren.

www.icsadviseurs.nl

11/41

2.4 Conclusie De thema’s hierboven hebben een relatie met onderwijshuisvesting en een link met de wettelijke taken en verantwoordelijkheden van de gemeente en schoolbesturen. Zo vraagt een doorgaande leerlijn en samenwerking met partners om gebouwen waar ruimte is voor deze samenwerking, ofwel in één gebouw, ofwel nabij elkaar. Inclusief en thuisnabij onderwijs vraagt om behoud van de goede spreiding van onderwijsgebouwen over de gemeente. Kansengelijkheid voor leerlingen en daarmee, voor de scholen onderling, vraagt om kwalitatief goede huisvesting voor alle scholen. Voldoende capaciteit voor alle scholen moet behouden blijven, daarbij is de kwaliteit van de capaciteit op orde en sluit de spreiding van de capaciteit aan bij de onderwijsbehoefte. Onderwijsgebouwen kunnen eenvoudig meebewegen met nieuwe ontwikkelingen en innovaties binnen het onderwijs. Flexibele onderwijsruimten en meubilair zijn daarvoor nodig. Streven naar samenwerking met andere partijen zoals lokale ondernemers en maatschappelijke organisaties nabij en waar mogelijk/gewenst onder één dak, zorgt voor efficiënt gebruik van de ruimtes, voorzieningen en de bedrijfsvoering.

www.icsadviseurs.nl

12/41

3. Visie op onderwijshuisvesting De visie op onderwijshuisvesting gaat in op huisvesting gerelateerde thema’s zoals duurzaamheid, gezond binnenklimaat en monumenten. Voor elk thema wordt de gezamenlijke visie en ambitie omschreven op basis van de resultaten van de wettelijke en verwachte taken en verantwoordelijkheden, lokaal beleid en de input uit de interactieve werksessie met de gemeente en schoolbesturen. Een voorstel voor de financiële verantwoordelijkheidsverdeling en te hanteren uitgangspunten in het Kwaliteitskader komt in hoofdstuk 5 aan de orde.

3.1 Duurzaamheid Duurzaamheid is een belangrijk thema bij het realiseren van toekomstbestendige onderwijshuisvesting. Schoolbesturen en gemeenten streven naar het creëren van een duurzame omgeving voor volgende generaties. In lijn met het Klimaatakkoord van Parijs (2015) vraagt dit om een verantwoord gebruik van beschikbare energiebronnen om daarmee de invloed van klimaatveranderingen op de samenleving te beperken. Naast het Klimaatakkoord heeft de gemeente Laren een lokaal duurzaamheidsbeleid (zie paragraaf 1.4.5). Schoolgebouwen hebben een aanzienlijke energiebehoefte en hebben daarmee impact op de gewenste energietransitie (van fossiel naar hernieuwbaar). De schoolgebouwen in de gemeente Laren dragen bij aan het verantwoord omgaan met de beschikbare energiebronnen en aan de energietransitie. Een duurzame leefomgeving en het opleiden van kinderen tot duurzame burgers is tevens een belangrijk uitgangspunt voor de gemeente Laren. We streven ernaar met ons onderwijs en de wijze waarop wij onze onderwijshuisvesting vormgeven een duurzame leefstijl bij de leerlingen te stimuleren. Daarnaast dragen de gemeente en schoolbesturen bij aan de klimaatbestendigheid met het project Regenklaar. Onder duurzaamheid worden twee subthema’s verder uitgewerkt, te weten: energie en aardgasvrij. Per thema zijn uitgangspunten voor de verschillende scenario’s opgesteld.

3.1.1 Energie Het kwaliteitsniveau BENG (Bijna Energie Neutraal Gebouw) vervangt per 1-1-2021 het huidige bouwbesluit. Het draait hierbij om gebouwgebonden energie, de gebruiksgebonden energie wordt buiten beschouwing gelaten. Aanvullend en waar mogelijk wordt het kwaliteitsniveau ENG/0-opde-meter geambieerd. Ook bij het beheren en onderhouden wordt ernaar gestreefd om de schoolgebouwen te verduurzamen. Bij het opstellen en uitvoeren

www.icsadviseurs.nl

Afbeelding 1 – Erkende Maatregelen. Bron: groenecollectief.nl

13/41

van Meerjaren Onderhoudsplannen worden (Erkende) maatregelen opgenomen, die de energieprestaties verbeteren (zie afbeelding 1).

3.1.2 Aardgasvrij In 2050 mag aardgas in Nederland niet meer gebruikt worden als verwarmingsbron voor woningen en andere gebouwen zoals scholen. In het klimaatakkoord is afgesproken dat iedere gemeente in Nederland uiterlijk in 2021 een transitievisie warmte heeft opgesteld. Dit is een plan waarin de gemeente het tijdspad vastlegt waarop wijken van het aardgas afgaan. De gemeente Laren werkt voor het opstellen van de transitievisie samen met omliggende gemeenten in Gooi en Vechtstreek. Het klimaatakkoord vraagt vervolgens dat de gemeente per wijk een uitvoeringsplan opstelt waarin wordt uitgewerkt hoe de woningen en gebouwen in de wijk allen aardgasvrij zullen worden. Met betrekking tot onderwijshuisvesting is volgens het Klimaatbeleidsplan (2018-2022) van de gemeente Laren (en in lijn met het Klimaatakkoord) de ambitie om aardgasvrije schoolgebouwen te realiseren. Aansluitend op de overkoepelende ambitie van de gemeente betekent dit dat er voor elk schoolgebouw een plan nodig is om in 2050 zonder aardgas op een duurzame energiebron te verwarmen en duurzaam in elektriciteit te voorzien. Een plan kan ook zijn om in twee stappen tot aardgasvrij over te gaan, namelijk eerst aardgasready en daarna volledig aardgasvrij.

3.2 Gezond binnenklimaat Gezonde schoolgebouwen met een goed binnenklimaat zijn een voorwaarde voor goed onderwijs en voor een goede werkomgeving. Een goed binnenklimaat heeft een positief effect op de leerprestaties en vermindert gezondheidsklachten. Schoolgebouwen met een gezond binnenklimaat dragen daarom bij aan een omgeving waarin al haar gebruikers optimaal kunnen leren en werken. De ontwikkelingen rondom de Covid-19 pandemie benadrukken het belang van een goed binnenklimaat. Een gezonde school is een schoolgebouw met een laag energieverbruik en een gezond binnenklimaat als het gaat om luchtkwaliteit, temperatuur, comfort, licht en geluid. Gezonde scholen dragen bij aan een duurzaam gebouw, omdat ze het energieverbruik terugdringen en de CO 2-uitstoot beperken. In de praktijk zijn vooral de CO2-concentratie en de temperatuur vaak te hoog als gevolg van slechte ventilatie. Bij nieuwbouw of renovatie van schoolgebouwen dient te worden voldaan aan de wettelijke bouweisen, die grotendeels aansluiten bij methodiek Frisse Scholen (van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland). De ervaring leert echter ook dat relatief nieuwe schoolgebouwen vaak een matig binnenklimaat hebben, ondanks uitgebreide installatiesystemen. In de praktijk merken de schoolbesturen dat deze installaties voor hogere onderhouds- en energielasten zorgen.

Tevens is het gebruik van dergelijke installaties soms dusdanig ingewikkeld waardoor de vooraf berekende prestaties niet worden behaald. Het is zaak van deze ervaringen te leren en ze mee te nemen in nieuwe bouwprojecten, waarbij wordt gekozen voor oplossingen die zich in de praktijk hebben bewezen.

3.3 Monumenten De gemeente Laren kent veel monumenten, waaronder ook een aantal schoolgebouwen. Vier van de zeven scholen zijn gevestigd in een gemeentelijk monument. De gemeente Laren en de schoolbesturen zijn trots op deze monumenten. Het geeft de scholen een eigen identiteit en de monumentale gebouwen een nuttige en maatschappelijke invulling. Het onderbrengen van scholen in monumenten heeft echter ook consequenties. Zo zijn de onderhoudskosten hoog vergeleken met reguliere schoolgebouwen en zijn de mogelijkheden voor verbouwing beperkt. In het rapport ‘Scholenbouw stroomlijnen’ (Den Haag, 2015) is aangegeven dat onderhoud en aanpassingen (zoals renovatie) aan monumenten gemiddeld 30% meer investering vragen. Noch de (ongeoormerkte) vergoeding die de gemeente ontvangt in het gemeentefonds, noch de MI

www.icsadviseurs.nl

14/41

vergoeding dekt deze extra kosten. Het financiële instrumentarium is voor de schoolbesturen niet toereikend voor het exploiteren en toekomstbestendig maken van de monumentale scholen.

www.icsadviseurs.nl

15/41

4. Scenario’s Op basis van de wettelijke verantwoordelijkheidsverdeling zijn gemeenten verantwoordelijk voor nieuwbouw en schoolbesturen verantwoordelijk voor in standhouding. Op basis van de verwachte wetswijziging, hebben wij in dit kwaliteitskader renovatie toegevoegd. In het vorige hoofdstuk, de visie op onderwijshuisvesting, zijn de visie en ambitie op de verschillende huisvestingsthema’s benoemd. In dit hoofdstuk worden per scenario de uitgangspunten op deze thema’s beschreven. De financiële consequenties van de uitgangspunten worden toegelicht in hoofdstuk 5.

4.1 Nieuwbouw en uitbreiding Nieuwbouw (ook in de vorm van een uitbreiding) is een bestaande oplossing en valt onder de wettelijke verantwoordelijkheid van de gemeente. In het geval van nieuwbouw is de vigerende wet- en regelgeving altijd van kracht. Met (vervangende) nieuwbouw wordt de levensduur met minimaal 40 jaar verlengd. Uitgangspunten Duurzaamheid ▪ ▪ ▪

Tenminste voldoen aan BENG (wettelijk verplicht per 1-1-2021); Indien mogelijk worden aanvullende duurzaamheidsambities nagestreefd (ENG of 0-op-de-meter); Alle nieuwe schoolgebouwen worden aardgasvrij (of eerst aardgasvrij-ready).

Uitgangspunten Lucht, temperatuur, licht, geluid ▪ ▪ ▪ ▪

Bij nieuwbouw moet worden voldaan aan Frisse Scholen Klasse B (dit is in lijn met de eisen in het Bouwbesluit voor nieuwbouw); Indien mogelijk worden aanvullende ambities, passend bij Frisse Scholen Klasse A, nagestreefd; Verkennen van het realiseren van installatiearme gebouwen in de ontwerpfase; Gebruik oplossingen die zich in de praktijk hebben bewezen;

www.icsadviseurs.nl

16/41

▪

Maak prestatieafspraken met een aannemer over het functioneren van de installaties en het binnenklimaat.

4.2 Renovatie Renovatie is een actueel thema, zeker in Laren waar een groot deel van de scholen gehuisvest is in monumenten. Gemeente en schoolbesturen vinden het belangrijk dat deze monumenten in gebruik blijven als onderwijsgebouwen en nieuwbouw is daarom niet (snel) aan de orde. Vooralsnog hanteert de (onderwijs)wetgeving het begrip renovatie niet. Wij adviseren om in het Kwaliteitskader onderwijshuisvesting, naast de reeds in de verordening opgenomen voorzieningen ‘nieuwbouw’ en ‘uitbreiding’ ook ‘renovatie’ als scenario te hanteren. Omdat in deze gevallen nieuwbouw geen optie is en renovatie een alternatieve vorm is om invulling te geven aan de vervangingsnoodzaak. Wij hanteren als uitgangspunt dat renovatie in het Kwaliteitskader een gelijkwaardig alternatief vormt voor (vervangende) nieuwbouw. Bij renovatie wordt gekeken naar: ▪ ▪ ▪ ▪

Verbeteren van de functionaliteit (flexibiliteit, multifunctionaliteit en aansluiten onderwijsconcept); Levensduurverlenging (40 jaar) door investering in bouwkundige en installatietechnische ingrepen; Verduurzaming van het gebouw; De afweging nieuwbouw of renovatie wordt gemaakt door middel van een businesscase waarbij een aantal aspecten wordt afgewogen. Deze aspecten worden hierna omschreven.

Afwegen nieuwbouw en renovatie door middel van businesscase Door middel van een businesscase dient te worden aangetoond of renovatie een alternatief vormt voor (vervangende) nieuwbouw of andersom. Daarbij wordt gekeken naar onderstaande aspecten. De gemeente en het schoolbestuur bepalen samen, welke aspecten aan de orde zijn en daarom moeten worden meegenomen in de businesscase. ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

Het gebouw een monumentale status heeft, en/of; Het van maatschappelijke meerwaarde is om onderwijs in het monument te behouden, en/of; Er geen alternatieve locatie beschikbaar is ter vervanging van een (monumentaal) schoolgebouw, en/of; Het gebouw een goede uitstraling, ligging en/of onderwijskundige functionaliteit heeft, en/of; Het gebouw de mogelijkheid heeft de technische en functionele kwaliteit te verbeteren door constructieve aanpassingen te doen, en/of; Het gebouw verschillende bouwdelen uit verschillende bouwjaren heeft, en/of; Het gebouw nog een hoge boekwaarde heeft, en/of; De exploitatie (leegstand) geen probleem vormt, en/of; Het één een financieel aantrekkelijker alternatief vormt voor het ander, en/of; Met renovatie dezelfde duurzaamheidsambities te behalen zijn (inclusief energietransitie) als bij (vervangende) nieuwbouw, en/of; Renoveren van het gebouw een kleinere ecologische footprint heeft dan bij (vervangende) nieuwbouw, en/of; Het gebouw mogelijkheden tot herbestemming biedt, en/of; Uitzonderlijke omstandigheden van invloed zijn op het scenario.

www.icsadviseurs.nl

17/41

Uitgangspunten Duurzaamheid ▪ ▪ ▪

BENG is het streven en geen eis; Indien mogelijk worden aanvullende duurzaamheidsambities nagestreefd (ENG of 0-op-de-meter); Voorstel is om voor bestaande schoolgebouwen, vanuit de nog op te stellen Transitievisie warmte, een plan op te stellen om gefaseerd van het aardgas af te stappen.

Uitgangspunten Lucht, temperatuur, licht, geluid ▪

Bij een renovatie is Frisse Scholen klasse B het streven en geen eis, maar onderdeel van het afwegingskader hierboven2;

▪ ▪ ▪ ▪

Indien mogelijk worden aanvullende ambities, passend bij Frisse Scholen Klasse A, nagestreefd Verkennen van het realiseren van installatiearme gebouwen in de ontwerpfase; Gebruik oplossingen die zich in de praktijk hebben bewezen; Maak prestatieafspraken met een aannemer over het functioneren van de installaties en het binnenklimaat.

Uitgangspunten Monumenten ▪ ▪ ▪

▪

Verduurzaming maakt onderdeel uit van de renovatie; Ingrepen aan monumenten vragen altijd om maatwerk. Voor ieder renovatieproject wordt een specifiek plan gemaakt; In het Kwaliteitskader onderwijshuisvesting wordt voor het inzicht in de verwachte kosten van renovatie gerekend met een aanvullende investering van 30% (kengetal) t.o.v. de renovatie van een nietmonumentaal gebouw (zie verder hoofdstuk 5); Wanneer subsidies beschikbaar zijn, voor het onderhouden dan wel renoveren van monumenten, worden deze aangevraagd.

4.3 In stand houden Schoolbesturen zijn wettelijk verantwoordelijk voor het onderhoud om een bestaand gebouw in stand te houden. Hiervoor zet zij de materiële instandhoudingsvergoeding in. De gemeente heeft geen wettelijke verantwoordelijkheid hierin. Uitgangspunten Duurzaamheid ▪ ▪ ▪

Het verduurzamen van scholen is een verantwoordelijkheid van het schoolbestuur. De gemeente faciliteert door middel van kennis en inkoop; Bij het uitvoeren van groot onderhoud wordt gestreefd naar het verduurzamen van het schoolgebouw, hierbij worden de erkende en wettelijk verplichte maatregelen uitgevoerd, zie afbeelding 1; Voorstel is om voor bestaande schoolgebouwen, vanuit de nog op te stellen Transitievisie warmte, een plan op te stellen om gefaseerd van het aardgas af te stappen. Advies is om hierbij zoveel mogelijk aan te sluiten bij natuurlijke momenten uit het Meerjaren onderhoudsplan (bv. vervanging cv-ketel) en/of een geplande renovatie.

Uitgangspunten monumenten ▪

▪

Het schoolbestuur voert het groot onderhoud uit, net als bij niet monumenten en hierbij wordt gestreefd naar het verduurzamen van het schoolgebouw, volgens de erkende en wettelijk verplichte maatregelen van de RVO (zie figuur 1); Wanneer subsidies beschikbaar zijn, voor het onderhouden dan wel renoveren van monumenten, worden deze aangevraagd.

2 Hierbij dient wel aandacht te zijn voor de minima die men met elkaar accepteert, dan wel de landelijke ontwikkelingen zoals het Covid-19

virus die hier ook van invloed zijn.

www.icsadviseurs.nl

18/41

5. Kostenindicatie scenario’s Om de kwaliteit van de onderwijshuisvesting te waarborgen investeren de gemeente en schoolbesturen vanuit een vast kader in de schoolgebouwen. Het bekostigen van de in hoofdstuk 3 opgenomen ambities en de in hoofdstuk 4 voorgestelde scenario’s en bijbehorende uitgangspunten, wordt in dit hoofdstuk vertaald naar (financiële) uitgangspunten, die gehanteerd worden in dit Kwaliteitskader. We maken daarbij onderscheid tussen de investering vanuit de gemeente en de investering vanuit het schoolbestuur per scenario.

5.1 Investering gemeente De gemeente is vanuit de wet verantwoordelijk voor het bekostigen van nieuwbouw, uitbreiding en (vooruitlopend op wetgeving) renovatie. De normvergoeding van de VNG bedraagt momenteel € 2.236,- per m² bvo. Zoals in hoofdstuk 1 is aangegeven zal deze normvergoeding aangepast worden om beter aan te sluiten bij de huidige markt en o.a. duurzaamheidsambities. Uitgaande van de in hoofdstuk 3 beschreven visie t.a.v. duurzaamheid en binnenklimaat dient in de huidige markt rekening gehouden te worden met de volgende investeringskosten per scenario. In dit Kwaliteitskader hanteren we onderstaande uitgangspunten om de gemeente en schoolbesturen inzicht te geven in reële te verwachten kosten van scenario’s. Ten overvloede, zoals vermeld in hoofdstuk 1, hanteert de gemeente Laren in haar verordening momenteel de normbedragen van voor januari 2019. Onderstaande bedragen zijn prijspeil 2020 en incl. btw: ▪

Nieuwbouw: € 2.950, - per m² BVO (o.b.v. BENG (wettelijk verplicht per 1-1-2021), Frisse Scholen klasse B en aardgasvrij. Dit is een gemiddeld bedrag berekend o.b.v. een school van ca. 1.500 m² BVO). De werkelijke kosten zijn leidend.

▪

Renovatie: max. 70% van de investering voor nieuwbouw (max. € 2.065, - per m² BVO) (o.b.v. BENG (ambitie), Frisse Scholen klasse B en aardgasvrij). De werkelijke kosten zijn leidend.

www.icsadviseurs.nl

19/41

Bekostiging van renovatie is momenteel niet bij gemeente of schoolbestuur belegd. De verwachting is een wetswijziging waarbij de gemeente verantwoordelijk wordt voor renovatie. De berekening voor renovatie is gekoppeld aan het bouwjaar van uitbreidingen en renovaties en bedraagt een percentage van de vergoeding voor nieuwbouw. Deze systematiek is gebaseerd op de expertise en ervaring van ICSadviseurs. De onderstaande tabel geeft de systematiek weer. Uitgangspunt is dat de renovatie die met deze totale vergoeding wordt bekostigd ervoor zorgt dat de levensduur van het gehele gebouw met min. 40 jaar wordt verlengd. o

Renovatie monument: Renovatie van een monument is een complexe opgave en daarom altijd maatwerk. In het Kwaliteitskader onderwijshuisvesting maken we inzichtelijk welke investering benodigd is en houden hierbij aan dat het renoveren van een monument gemiddeld 30% duurder is dan renovatie van een regulier gebouw (zie hoofdstuk 1). De indicatie van de investering bij renovatie van monumenten per m² bvo is als volgt opgebouwd: max. 70% van de investering voor nieuwbouw * 1,3). De werkelijke kosten zijn altijd leidend. De werkelijke kosten worden op basis van een businesscase onderbouwd.

5.2 Bijdrage schoolbesturen Het onderhouden en daarmee het in stand houden van de schoolgebouwen is een verantwoordelijkheid van het schoolbestuur. Zij stellen hiervoor een Meerjaren onderhoudsplan (MJOP) op. In het geval van nieuwbouw, uitbreiding en renovatie dragen de schoolbesturen, zoals aangegeven in het vorige hoofdstuk, boven op de investering van de gemeente, bij aan het behalen van aanvullende duurzaamheidsambities. Per scenario komt dit uit op de volgende bijdrage, die wij hanteren om inzicht te geven in de kosten in het Kwaliteitskader: ▪

Nieuwbouw en renovatie: Aanvullend op de bijdrage van de gemeente dragen de schoolbesturen bij aan het behalen van verdere duurzaamheidsambities (ENG/0-op-de-meter). Als richting voor de aanvullende bijdrage door de schoolbesturen wordt uitgegaan van een bedrag van €100,- tot €150,- per m² bvo. Het is per situatie verschillend welke maatregelen noodzakelijk zijn om de aanvullende ambitie te realiseren. De investering vanuit de schoolbesturen wordt onderbouwd met een sluitende businesscase als verantwoording voor de aanvullende bijdrage. De businesscase geeft inzicht in de volgende zaken: ─ De benodigde ingrepen om het hogere kwaliteitsniveau te realiseren ─ De investeringskosten van deze ingrepen ─ Het effect van de ingrepen op de exploitatie (incl. het effect op onderhoud) ─ De verwachte terugverdientijden De voorwaarde is dat de investering van het schoolbestuur zich in afzienbare tijd terugverdient, in ieder geval zolang het investeringsverbod voor primair onderwijs geldt.

▪

In stand houden: het schoolbestuur zet haar materiele instandhoudingsvergoeding in voor het bekostigen van het onderhoud en het uitvoeren van de Erkende maatregelen. De maatregelen worden zoveel mogelijk gekoppeld aan natuurlijke momenten in het MJOP. Dit geldt voor monumentale en nietmonumentale schoolgebouwen. De financiële effecten van het aardgasvrij maken van bestaande gebouwen worden pas inzichtelijk, zodra de plannen ten aanzien van de transitievisie Warmte verder uitgewerkt en gereed zijn. De bekostiging en kostenverdeling dient nader uitgewerkt te worden.

5.3 Subsidies Bij het bekostigen van nieuwbouw, renovatie en in stand houden wordt ook rekening gehouden met additionele financiering in de vorm van subsidies. Zo kan de SDE-subsidie (Stimulering Duurzame Energie) worden aangevraagd voor het verduurzamen van nieuwe en bestaande gebouwen. Daarnaast zijn er mogelijk subsidies beschikbaar voor het onderhouden en renoveren van monumenten. De bouwheer (in de

www.icsadviseurs.nl

20/41

regel het schoolbestuur) of de juridisch eigenaar is verantwoordelijk voor het aanvragen van dergelijke subsidies. De kostenramingen in dit Kwaliteitskader zijn exclusief eventuele subsidies. In verband met Covid-19 is er een specifieke uitkering gepubliceerd, de SUVIS-regeling, voor verbetering van de ventilatie in bestaande schoolgebouwen. Aanvragen voor de subsidie dienen door de gemeente te worden gedaan en konden tot en met 30 juni 2021 worden ingediend. Inmiddels is het subsidieplafond bereikt en kunnen geen aanvragen meer worden ingediend. Het gaat om 30% bijdrage en het maximumbedrag van de subsidie wordt gebaseerd op een staffel die op zijn beurt weer gebaseerd is op leerlingaantallen. Wanneer de volgende aanvraagronde open gaat is en welke eventuele aanpassingen hiervoor gelden is nog onbekend. De gemeente Laren heeft een SUVIS-aanvraag ingediend voor verbeteren van de ventilatie bij de Larense Montessori School.

www.icsadviseurs.nl

21/41

5.4 Samenvattende tabel In de voorgaande paragrafen is ingegaan op de uitgangspunten die we in het Kwaliteitskader hanteren. Onderstaande tabel geeft een samenvatting van de (wettelijke) taken, ambities en de daarbij behorende (financiële) verantwoordelijkheden per scenario die gehanteerd worden in het Kwaliteitskader om inzicht te geven in welke financiële middelen nodig zijn om de scenario’s te realiseren.

Type ingreep

Nieuwbouw

Eisen/ambities

Verantwoordelijkheid

Investering

BENG Frisse scholen B

Gemeente

100% nieuwbouw

ENG/0-op-demeter

Schoolbestuur

BENG Wetsvoorstel Renovatie (*monument)

Frisse scholen B (streven)

ENG/0-op-demeter

Schoolbestuur

Onderhouden

Schoolbestuur Schoolbestuur

In stand houden

Verduurzamen Gemeente Verbeteren binnenklimaat

MI-vergoeding, exploitatievoordeel, reservering onderhoud 70% nieuwbouw (* 30%) 70-50% nieuwbouw (* 30% monument) 50-30% nieuwbouw (* 30% monument) 30-10% nieuwbouw (* 30% monument) MI-vergoeding, exploitatievoordeel, reservering onderhoud, subsidies MI-vergoeding, subsidies, exploitatievoordeel MI-vergoeding, subsidies, exploitatievoordeel Kennis en ervaring, subsidies

Schoolbestuur

MI-vergoeding

Gemeente

Kennis en ervaring, subsidies

Leeftijd gebouw(deel)

Ca. 40 jaar

>40 jaar 40-20 jaar 20-10 jaar <10 jaar

Ca. 40 jaar

Varieert

De bekostiging van een renovatie wordt gekoppeld aan het bouwjaar van de verschillende bouwdelen waaruit het gebouw mogelijk is opgebouwd. Uitgangspunt is dat de ingrepen die vanuit dit totale budget worden bekostigd ervoor zorgen dat het technische levensduur van het gehele schoolgebouw met minimaal 40 jaar wordt verlengd. Voorbeeld: Schoolgebouw X is gerealiseerd in 1965 (1800 m² bvo) en uitgebreid in 1990 met 200 m² bvo. Voor dit gebouw is een renovatie voorzien in 2024. Het bouwdeel uit 1965 is op het moment van de renovatie 59 jaar oud. De uitbreiding is dan 34 jaar oud. De bekostiging van de renovatie ziet er als volgt uit: ▪ ▪

Bouwdeel 1965: 1.800 * 70% norm nieuwbouw Bouwdeel 1990: 200 * 64% norm nieuwbouw

Indien het te renoveren schoolgebouw een monument betreft wordt er met 30% hogere investeringskosten gerekend.

www.icsadviseurs.nl

22/41

6. Inzicht en beoordeling Alle onderwijsgebouwen in de gemeente Laren zijn op basis van verschillende kenmerken in kaart gebracht. De gemeente heeft de basisinformatie aangeleverd. Aan de hand van een vragenlijst en interviews is aan alle schoolbesturen gevraagd deze gegevens te controleren, de benodigde informatie aan te leveren en de onderdelen te beoordelen. Er is een schouw uitgevoerd, voor een onafhankelijk oordeel over de kwaliteit van de gebouwen en omgeving. Tijdens de schouw is het MJOP beoordeeld en getoetst. Voor elk schoolgebouw is een zogenaamde factsheet opgesteld, wat inzicht geeft in de staat van de gebouwen (nulmeting). Deze factsheets en een toelichting op de factsheets zijn toegevoegd aan het bijlagendocument van dit Kwaliteitskader. Onderstaand wordt een beschrijving gegeven van de hoofdthema’s waarop de onderwijsgebouwen beoordeeld zijn: ▪ ▪ ▪

Kwaliteit Exploitatielasten Vraag en aanbod

In de volgende paragrafen wordt per onderdeel de beoordeling van de gebouwen nader toegelicht. De beoordeling op onderdelen geeft inzicht in de staat van de gebouwen. Belangrijk om te melden is dat op basis van de samenhang tussen de verschillende onderdelen, tot een beoordeling kan worden gekomen voor het huisvestingsscenario. In het volgende hoofdstuk komt dit verder aan de orde.

6.1 Kwaliteit Binnen het thema kwaliteit wordt onderscheid gemaakt tussen de onderdelen schouw en binnenklimaat. De schouw bestaat uit de volgende onderdelen: ▪ ▪

Omgevingskwaliteit locatie; Ruimtelijk functionele kwaliteit gebouw;

www.icsadviseurs.nl

23/41

▪ ▪ ▪

Technische kwaliteit gebouw; Technische staat gebouw; Lange termijn.

Ieder onderdeel bestaat uit een aantal subonderdelen. De weging van ieder subonderdeel binnen het onderdeel is hieronder toegelicht. Door middel van een schouw uitgevoerd door BOAadvies zijn de onderwijsgebouwen beoordeeld. Het binnenklimaat is kwalitatief beoordeeld als onderdeel van de vragenlijst. Beide onderdelen zijn besproken in het interview. De uitkomsten van de beoordeling zijn weergegeven in figuur 2.

KWALITEIT Goed

Redelijk

Slecht 1

3

4

1 4

6 6

3 3 1 OMGEVINGSK WAL I T E I T

TECHNISCHE K WAL I T E I T

1 2

1 RUIMTELIJK FUNCTIONELE K WAL I T E I T

5

TECHNISCHE ST AAT

L AN GE TERMIJN

1 BINNENK L I M AAT

Figuur 2 - Weergave beoordeling kwaliteit Omgevingskwaliteit locatie De omgevingskwaliteit locatie omvat de beoordeling van het aantal parkeerplekken voor auto’s en de veiligheid van verkeerstromen (weging van dit subonderdeel is 40%), de beoordeling en het aantal plekken/capaciteit van de fietsenstalling (weging 30%) en de sociale veiligheid rondom de school (weging 30%). Van de zeven schoolgebouwen scoort 1 schoolgebouw goed, 3 scholen redelijk en 3 scholen slecht op dit onderdeel. Bij een slechte score komt dit in de meeste gevallen door een beperkt aantal parkeerplekken en de verkeersveiligheid. Ruimtelijk functionele kwaliteit gebouw De ruimtelijk functionele kwaliteit van het gebouw geeft aan in welke mate het gebouw het gebruik faciliteert. Hierin spelen niet alleen de leslokalen en ondersteunde ruimtes een rol (weging van dit subonderdeel is 40%), maar ook de verkeersruimtes en gangen (weging 60%). Thema’s waarop de subonderdelen zijn beoordeeld zijn overzichtelijkheid, het aantal werkplekken, voorzieningen voor het ophangen van jassen/tassen, een duidelijke vluchtroute en nabijheid van toiletten. Uit de analyse blijkt dat 4 van de 7 schoolgebouwen slecht scoort op ruimtelijk functionele kwaliteit. 3 schoolgebouwen scoren redelijk. Bijna alle oude gebouwen met een monumentenstatus zijn slecht beoordeeld. Deze gebouwen zijn vaak niet overzichtelijk en transparant.

Het verbeteren van de functionaliteit is daarom een aandachtspunt.

www.icsadviseurs.nl

24/41

Technische kwaliteit gebouw Dit onderdeel geeft inzicht in de gebouwstructuur, flexibiliteit en mate van aanpasbaar van de plattegrond. Op dit onderdeel scoren 6 van de 7 schoolgebouwen slecht en 1 schoolgebouw redelijk. De constructieve structuur van de gebouwen, met name monumenten, laat geen eenvoudige aanpassingen toe in de plattegrond. Ruimtes kunnen vaak niet aan elkaar gekoppeld worden. Technische staat gebouw Uitgangspunt voor de beoordeling van dit onderdeel is de beschikbaar gestelde NEN2767 (de uitgevoerde conditiemetingen). De technische staat is beoordeeld aan de hand van de kwaliteit van vier onderdelen. Het eerste onderdeel is buitenwanden en openingen (weging van dit subonderdeel is 15%), waarbij het buitenschilderwerk, metselwerk en voegwerk geschouwd zijn. Het tweede onderdeel is dakafwerking (weging 15%), waaronder de dakbedekking, goten en hemelwaterafvoer vallen. Het derde onderdeel is installaties (weging 35%), waaronder warmteopwekking, water en luchtbehandeling vallen. Het laatste onderdeel is binnenafwerking (weging 35%), waarbij de vloerafwerking, het schilderwerk en het sanitair zijn beoordeeld. Uit de analyse blijkt dat de technische staat van de schoolgebouwen bij 6 van de 7 schoolgebouwen redelijk wordt beoordeeld. De technische staat van 1 gebouw wordt slecht beoordeeld.

Het merendeel van de gebouwen is ouder dan 40 jaar, monumentaal en technisch sterk verouderd. De gebouwen zijn goed onderhouden, maar verschillende onderdelen zijn op termijn aan vervanging toe en scoren daarom redelijk tot slecht op technische staat. Lange termijn Om inzicht te geven in of een schoolgebouw, op de lange termijn, met regulier onderhoud nog voldoet aan de eisen die worden gesteld aan functionaliteit, technische staat en binnenklimaat (o.a. de doelstellingen uit de sectorale routekaart), is het onderdeel lange termijn in de schouw meegenomen. Op basis daarvan scoren twee schoolgebouwen goed, welke in stand gehouden kunnen worden. Eén schoolgebouw is redelijk beoordeeld; hiervoor geldt dat bij in stand houden maar deels een slag kan worden geslagen in de eisen die worden gesteld aan functionaliteit, technische staat en binnenklimaat. Op lange termijn (10-15 jaar) kan bij in stand houden niet meer worden voldaan aan de eisen die worden gesteld. Vier schoolgebouwen scoren slecht; voor deze gebouwen geldt dat op de korte (0-5 jaar) of middellange termijn (5-10 jaar) bij in stand houden niet meer kan worden voldaan aan de eisen die worden gesteld. Bij de gebouwen met een redelijke en slechte beoordeling op het onderdeel lange termijn moet binnen de scope van dit Kwaliteitskader, 16 jaar, renovatie of nieuwbouw worden gerealiseerd.

Binnenklimaat De beoordeling van het binnenklimaat geeft aan hoe de ventilatie, temperatuur, licht en geluid binnen het gebouw wordt ervaren. Dit onderdeel is beoordeeld voor ieder gebouwdeel en op basis van de ervaring van de gebruiker. Er is een weging aangebracht op basis van het aantal vierkante meters van ieder gebouwdeel. Op deze manier telt het oordeel over grootste gebouwdeel het zwaarste mee in het totaaloordeel. De meeste schoolgebouwen, 5, scoren op dit onderdeel redelijk. Klachten zijn vooral gericht op ventilatie en temperatuur. Een verklaring hiervoor is het veelal ontbreken van een ventilatiesysteem. Het onderdeel licht scoort meestal goed.

6.2 Exploitatielasten Het thema exploitatielasten geeft inzicht in de onderhouds- en energielasten van de onderwijsgebouwen. De schoolbesturen zijn verantwoordelijk voor deze onderdelen. Binnen de beoordeling wordt onderscheid gemaakt tussen onderhoudslasten, waarbij gekeken wordt naar het Meerjaren onderhoudsplan (MJOP) voor de komende 10 jaar, en energielasten op basis van de afschriften van het afgelopen jaar. De kosten zijn vervolgens vergeleken met een door ICSadviseurs opgestelde benchmark (2021). De benchmark bevat

www.icsadviseurs.nl

25/41

actuele gegevens van ruim 500 schoolgebouwen van uiteenlopende bouwjaren uit heel Nederland, bestaat uit een analyse op onderhoudslasten en een analyse op jaarlijkse energielasten (gas, water en elektra) en is daarmee een representatieve database van de huidige exploitatielasten van schoolgebouwen. De benchmark bevat 60 scholen die gehuisvest zijn in een rijksmonument of gemeentelijk monument. In het bijlagendocument is een flyer opgenomen met meer informatie over de benchmark. De vergelijking van de kosten met de benchmark heeft als doel om te beoordelen hoe het gebouw ‘scoort’. Figuur 3 maakt de beoordeling van de exploitatielasten op basis van de benchmark inzichtelijk. Op de factsheets is tevens inzichtelijk gemaakt hoe de kosten zich verhouden tot de materiële instandhoudingsvergoeding (exploitatievergoeding vanuit het Rijk) die de scholen ontvangen. Hoewel dit een aandachtspunt vormt voor de schoolbesturen, heeft dit verder geen rol in dit Kwaliteitskader.

EXPLOITATIELASTEN Goed

Redelijk

Slecht

3 5

3

2 1 0

ONDERHOUD

ENERGIE

Figuur 3 - Weergave beoordeling exploitatielasten Onderhoud Voor de schoolgebouwen zijn de onderhoudslasten in beeld gebracht op basis van de verwachte onderhoudskosten zoals opgenomen in het MJOP. Deze bedragen zijn omgerekend naar een jaarlijks gemiddelde aan onderhoudslasten per vierkante meter bruto vloeroppervlak (bvo). Dit gemiddelde is vervolgens afgezet tegen de gemiddelde onderhoudskosten uit de benchmark opgesteld door ICSadviseurs, die € 33,- per m² bvo voor PO-scholen en € 23,- per m² voor VO-scholen per jaar bedraagt. De besturen is gevraagd de MJOP’s aan te leveren. De onderhoudslasten zijn gebaseerd op de bedragen uit de MJOP’s. De volgende uitgangspunten zijn hierbij gehanteerd: ▪ Onderhoudslasten voor de komende 10 jaar; ▪ Onderhoudslasten zijn incl. klein dagelijks onderhoud en keuringen; ▪ Onderhoudslasten zijn incl. btw en indexering (indien in de ontvangen MJOP’s geen btw en indexering is opgenomen, is hier 21% btw en 2,0% jaarlijkse indexering aan toegekend). Van de 7 gebouwen hebben 5 schoolgebouwen zeer hoge onderhoudslasten. Voor een groot deel heeft dit te maken met de monumentale status van de gebouwen en in sommige gevallen met de reguliere piek in de onderhoudscyclus. De bouwjaren van de gebouwen die slecht scoren op onderhoudslasten lopen uiteen van 1905 tot 1998.

www.icsadviseurs.nl

26/41

Energie De energielasten van de onderwijsgebouwen zijn vastgesteld op basis van de meest recente jaarafrekeningen van het gas-, water- en elektraverbruik. Ook deze jaarlijkse lasten zijn afgezet tegen de gemiddelde energielasten uit de benchmark van ICSadviseurs. De gemiddelde jaarlijkse energielasten uit de benchmark bedragen € 13,- per m² bvo voor PO-scholen en € 11,- per m² bvo voor VO-scholen. Bijna alle gebouwen hebben te maken met hoge energielasten. Een verklaring hiervoor is slechte of ontbrekende isolatie en ontbrekende duurzame toepassingen in de gebouwen.

6.3 Vraag en aanbod Binnen het thema vraag en aanbod wordt de beschikbare onderwijscapaciteit vergeleken met de toekomstige normatieve ruimtebehoefte aan onderwijscapaciteit tussen nu en 2037. De leerlingenprognoses zijn de basis voor de berekening van de ruimtebehoefte. In het bijlagendocument is een overzicht van de leerlingenprognoses per school in het basisonderwijs en het voortgezet onderwijs opgenomen. Medegebruik/verhuur, bijvoorbeeld door een opvangorganisatie, is bij het bepalen van het ruimtetekort/ overschot niet meegenomen in de berekening, maar wel weergegeven in de grafiek op de factsheet. In de scenario’s is hier aandacht voor en, indien van toepassing wordt dit meegenomen. Werkwijze De meest actuele leerlingenprognoses (Planning Verband Groningen BV, juni 2020) geven inzicht in de verwachte ontwikkeling van het aantal leerlingen in de komende jaren. Planning Verband geeft daarbij aan: ▪

▪

▪ ▪

“In de berekening zijn de telresultaten van 1 oktober jl. meegenomen: aan de hand van deze en de vorige telling is de deelname-/belangstelling (van de onderbouw) per basisschool ten opzichte van de basisgeneratie (voor de onderbouw) berekend volgens de waarde die op grond van de laatste telling is gesignaleerd volgens de formule: deelname/belangstelling per school x basisgeneratie (onderbouw) per voedingsgebied.” “De leerlingprognoses van de VO-scholen Laar en Berg en College de Brink zijn berekend op basis van het COGVO-model: op basis van de instroom in leerjaar 1 en de vermenigvuldigingsfactor wordt de lange termijn omvang van de school bepaald, met behulp van het instroom/-doorstroommodel wordt de korte termijn ontwikkeling berekend.” “De ISK vestiging van College de Brink in Laren vormt plm. 10% van het totaal en is in de prognose berekening opgenomen.” “Vanaf 1-8-2018 vormt I.G.V.O. (Internationaal Georiënteerd Voortgezet Onderwijs) onderdeel van het aanbod van Laar & Berg. In de huidige prognose is slechts beperkt rekening gehouden met de verwachte groei van dit onderdeel van de school.’’

www.icsadviseurs.nl

27/41

Leerlingenprognoses De meest actuele leerlingenprognose (Planning Verband Groningen BV, juni 2020) geeft inzicht in de verwachte ontwikkeling van het aantal leerlingen in de komende jaren. Deze prognoses worden gehanteerd als uitgangspunt in dit Kwaliteitskader. Tabel 3 geeft een overzicht van de historie en de verwachte leerlingenprognose voor het basis- en voortgezet onderwijs. De kolom historie geeft de oktobertelling van 2018 (historie 2019) en de oktobertelling van 2019 (historie 2020) weer. Historie

Historie

Prognose →

Leerlingaantal

2019

2020

2021

2023

2025

2027

2029

2031

2033

2035

2037

∆ 2021 2037

BO

1.003

1.027

1.032

1.045

1.074

1.070

1.062

1.032

1.027

1.019

1.001

-31

VO

1.566

1.518

1.509

1.523

1.484

1.513

1.515

1.521

1.467

1.453

1.441

-68

TOTAAL

2.569

2.545

2.541

2.568

2.558

2.583

2.577

2.553

2.494

2.472

2.442

-99

Verschil

Tabel 3 – Leerlingenprognoses aantal leerlingen basis- en voortgezet onderwijs Uit de tabel is op te maken dat de leerlingenaantallen van het basis- en voortgezet onderwijs in de komende jaren nagenoeg stabiel blijven (kleine afname 2021-2037). Aangezien de status van de woningbouwontwikkelingen kan wijzigen, is het van belang bij herijking van het Kwaliteitskader de status van de woningbouwontwikkelingen en de ontwikkeling van het leerlingaantal te actualiseren door middel van nieuwe prognoses. Ook een controle op locatieniveau van de ontwikkeling in de praktijk, ten opzichte van de prognose, in het jaar van realisatie, kan relevant zijn.

www.icsadviseurs.nl

28/41

Primair onderwijs 1. De Binckhorst St. Jan 2. De Binckhorst St. Jan 2,0 3. De Gooische School 4. OBS De Ploeg 5. Larense Montessorischool Voortgezet onderwijs A. College De Brink B. Laar en Berg

7. Analyse en scenario’s In het vorige hoofdstuk is een algemeen beeld geschetst over de kwaliteit van de schoolgebouwen in de gemeente Laren. Dit hoofdstuk omvat een analyse van ieder schoolgebouw apart en de scenario’s die daaruit volgen. Analyse schoolgebouwen De analyse van de schoolgebouwen bestaat uit een afbeelding van de kansenkaart en een beknopte samenvatting van de gegevens die zijn verzameld in de factsheets van de schoolgebouwen, zie bijlagendocument. Ieder schoolgebouw is beoordeeld op functionaliteit, technische staat, binnenklimaat, exploitatielasten en vraag & aanbod, hieronder vallen de volgende aspecten: ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10831863/1