BIJLAGE 3 - ruimtelijke onderbouwing omgevingsvergunning Schuilkerkpad nabij 2 d d
Tekst van het document
omgevingsvergunning
Schuilkerkpad nabij 2, Laren Gemeente Laren
Planstatus:
concept
Plan identificatie:
NL.IMRO.0417.Schuilkerkpad-CO01
Datum:
2023-07-24
Contactpersoon Buro SRO:
dhr. J. van Nuland | dhr. T. Repkes
Kenmerk Buro SRO:
SR230265
Opdrachtgever:
Padel Club Laren B.V.
Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl
BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:
NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht
2
Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging plangebied............................................................................................................................................... 5 1.3 Geldend planologisch regime .............................................................................................................................. 6 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 7
2 Planbeschrijving ...................................................................................................................................... 8 2.1 Huidige situatie ................................................................................................................................................... 8 2.2 Toekomstige situatie ........................................................................................................................................... 9
3 Beleidskader .......................................................................................................................................... 12 3.1 Nationaal beleid ................................................................................................................................................ 12 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 13 3.3 Regionaal beleid ................................................................................................................................................ 15 3.4 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 16
4 Onderzoek .............................................................................................................................................. 19 4.1 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 19 4.2 Bodem ............................................................................................................................................................... 20 4.3 Geluid ................................................................................................................................................................ 20 4.4 Luchtkwaliteit .................................................................................................................................................... 22 4.5 Ecologie ............................................................................................................................................................. 23 4.6 Bedrijven en milieuzonering.............................................................................................................................. 24 4.7 Externe veiligheid ..............................................................................................................................................
25 4.8 Archeologie en cultuurhistorie .......................................................................................................................... 26 4.9 Water ................................................................................................................................................................ 27 4.10 Verkeer en parkeren ....................................................................................................................................... 29
5 Uitvoerbaarheid ..................................................................................................................................... 31 5.1 Economische uitvoerbaarheid ........................................................................................................................... 31 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ................................................................................................................... 31
3
4
1 Inleiding 1.1 Aanleiding Ten zuiden van de kern Laren is sportpark 'Schuilkerkpad' gelegen. Hier is onder meer de Sport Vereniging Laren '99 gevestigd (Schuilkerkpad 2). Onderdeel van deze sportvereniging zijn een tennis- en voetbalclub. Op het sportpark is een kantine gevestigd en daarbij zijn zes tennisvelden en vijf voetbalvelden (plus een trainingsveld) gelegen. Initiatiefnemer is voornemens om 3 bestaande tennisbanen te transformeren ten behoeve van 5 padelbanen. Het voorgenomen initiatief is niet mogelijk binnen de ter plaatse geldende juridisch-planologische kaders. Om die reden bestaat het voornemen om met toepassing van artikel 2.1 eerste lid onder c, in samenhang met artikel 2.12 eerste lid onder a sub 3, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) een omgevingsvergunning te verlenen om de beoogde ontwikkeling alsnog te kunnen realiseren. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning geldt als voorwaarde dat sprake moet zijn van een goede ruimtelijke ordening en dat de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. Voorliggend document voorziet hierin.
1.2 Ligging plangebied Het plangebied is gelegen op 'Sportpark Schuilkerkpad' nabij 2 in Laren, ten zuiden van het centrum van Laren. Op het sportcomplex bevinden zich naast de tennisvelden een voetbalclub (Sport Vereniging Laren' 99) ook een touwtrekvereniging (Touwtje) en een buitenschoolse opvang (BSO Het Berenparadijs). Al deze verenigingen zijn gevestigd in de op het sportpark centraal gelegen kantine. Het sportpark wordt omsloten door groene en agrarische gronden. Op ca. 300 m ten oosten van de planlocatie bevindt zich de rijksweg A1. Ten noorden en oosten van het plangebied zijn woonwijken gelegen. De locatie grenst aan het Goois Natuurreservaat Postiljon. De planlocatie is kadastraal bekend onder perceelnummer 1088, sectie D van de kadastrale gemeente Laren Noord-Holland, met een oppervlakte van 2.920 m². De navolgende afbeeldingen tonen de globale ligging en globale begrenzing van het plangebied.
Globale ligging, plangebied rood omcirkeld (bron: Google Earth).
5
Globale begrenzing, plangebied rood omkaderd (bron: ruimtelijkeplannen.nl).
1.3 Geldend planologisch regime Initiatiefnemer is voornemens 3 bestaande tennisvelden te verwijderen en hiervoor in de plaats 5 padelbanen te realiseren. Ter plaatse van de planlocatie geldt het bestemmingsplan 'Laren - West', deze is op 26 juni 2013 vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Laren. Daarbij zijn de gronden voorzien van de enkelbestemming ‘Sport’. Gronden met de bestemming 'Sport' zijn onder meer bestemd voor de beoefening van sport, met bijbehorende bouwwerken zoals vergader- en instructieruimten en kantines, ondergeschikte horeca, groenvoorzieningen en fiets- en/of voetpaden. Tevens zijn op de gronden de dubbelbestemmingen 'Waarde - Geomorfologie', 'Waarde - Cultuurhistorie 1' en 'Waarde - Archeologie 3' van toepassing. Op 26 september 2018 is door de raad van de gemeente Laren het bestemmingsplan 'Correctieve herziening Laren' vastgesteld. Dit bestemmingsplan geldt tevens als aanvulling op de reeds geldende bestemmingsplannen en daarbij is de oude dubbelbestemming 'Waarde Archeologie hoge verwachting' vervangen door de nieuwe dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'. Op de navolgende afbeelding is een uitsnede van de verbeelding van het bestemmingsplan 'Laren - West' weergegeven.
6
Uitsnede geldend bestemmingsplan 'Laren - West', plangebied rood omkaderd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Op de gronden van de bestemming 'Sport' mogen gebouwen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd. Een padelbaan wordt gezien als een bouwwerk, geen gebouw zijnde. Conform artikel 14.2 zijn deze bouwwerken, binnen de bestemming 'Sport', toegestaan tot een hoogte van maximaal 2 m. Met wanden van 4 m hoog overschrijdt de padelbaan deze maximum bouwhoogte. Voorliggend initiatief voldoet daarmee niet aan de bouwregels en is daarom in strijd met het geldende bestemmingsplan. Tevens geldt dat op de gronden met de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie 1' eveneens geen gebouwen zijn toegestaan en dat de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten hoogste 1 m mogen bedragen. Dit is echter niet van toepassing, omdat de padelbanen niet gerealiseerd worden op (de groene strook met) deze dubbelbestemming. Middels een buitenplanse afwijking (artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 3 Wabo) kan middels een uitgebreide procedure worden afgeweken van het geldende bestemmingsplan. Voor deze afwijking is een omgevingsvergunning vereist, in welk kader een ruimtelijke onderbouwing nodig is waaruit blijkt dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Om aan te tonen dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening wordt in de navolgende hoofdstukken ingegaan op de beoogde ontwikkeling, de geldende beleidskaders en de haalbaarheidsaspecten.
1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 de bestaande en toekomstige situatie in het plangebied beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante beleid opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van de omgevingsaspecten en de (milieu)wetgeving. Tot slot bevat hoofdstuk 5 de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.
7
2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie Het plangebied bevindt zich op een sportpark ten zuiden van het centrum van Laren en ten oosten van rijksweg A1. Op het sportcomplex zijn tennis- en voetbalclub S.V. Laren '99 gevestigd. Op het sportpark liggen een aantal tennisbanen en voetbalvelden. In het centrale deel van het sportpark ligt een clubgebouw. Daarin zijn, naast de tennis- en voetbalvereniging, ook Touwtrekvereniging Touwtje en buitenschoolse opvang Het Berenparadijs gevestigd. Het sportpark wordt aan de noordkant door een parkeerplaats en een weg (Schuilkerkpad) ontsloten. Laren ligt in een groene omgeving, omringd door bos- en heideterreinen. In de omgeving van het plangebied zijn groene en agrarische gronden gelegen. Ten noorden en westen van het sportcomplex zijn woonwijken gelegen met vrijstaande woningen. In de huidige situatie is het plangebied in gebruik als tennisbanen. Het plangebied betreft de drie oostelijk gelegen tennisbanen. Navolgende afbeeldingen geven de huidige situatie in het plangebied weer.
Impressie sportpark, vanaf parkeerplaats (bron: Google Street View).
8
Impressie plangebied, drie rechter tennisbanen (bron: Google Maps).
2.2 Toekomstige situatie Het planvoornemen heeft betrekking op het omzetten van 3 tennisbanen naar 5 padelbanen. De wens is om deze 5 padelbanen te realiseren op het zuidelijke deel van het sportpark (zijde Vredelaan), op de huidige 3 rechter tennisbanen van Sport Vereniging Laren '99. De padelbanen komen daarmee ten zuiden van de kantine te liggen. Padel is een racket- en balsport, die wordt gespeeld in een omsloten veld of kooi en lijkt op een mix van tennis en squash. De padelbanen zijn elk 20 meter lang en 10 meter breed. De bebouwde oppervlakte voor de 5 nieuwe padelbanen beslaat circa 1.975 m². Met de gekozen positie van de nieuwe padelbanen kunnen de bestaande contouren van het sportpark worden behouden. De 3 westelijk gelegen tennisbanen blijven behouden, die 5 nieuwe padelbanen vervangen de 3 oostelijk gelegen tennisbanen en zijn in oppervlakte gelijk aan deze tennisbanen. De (padel)kooi betreft een glazen wand op de kop zijden (10 m) met omgeslagen einden (2x 4 m) met een gaas hekwerk in het midden van de lange zijden alsook 1 m boven de glaswanden. De glazen wand steunt af aan een bovenregel (koker) op 3 m+ en aan de vloer. De bovenregels worden gesteund door de kolommen.
Op de navolgende afbeeldingen zijn een plattegrond van de padelbanen, de afmetingen van een padelbaan (en kooi) en een indicatie van een padelbaan weergegeven, als impressie van de toekomstige situatie.
9
Impressie nieuwe situatie bovenaanzicht, plangebied rood omkaderd (bron: Google Earth).
Afmetingen padelbaan en kooi (bron: Faas Development).
10
Indicatieve impressie nieuwe situatie zijaanzicht (bron: Tennis Totaal & Padel Totaal).
De meest voorname reden om de tennisbanen te transformeren ten behoeve van padelbanen is de snelle stijging in populariteit van padel. De transformatie past daarmee in de trend van afname van tennisbanen en snelle toename van het aantal padelbanen in Nederland. Voor wat betreft de te realiseren padelbanen geldt dat dit geen invloed heeft op het straatbeeld. De glazen kooien bevinden zich aan de zuidelijke zijde van het sportpark. De kooien zijn daarmee gelegen achter de kantine (zuidelijke zijde) en aan de zuidelijke rand van het sportpark, grenzend aan een strook bomen die het sportpark omsluiten.
11
3 Beleidskader 3.1 Nationaal beleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI schrijft een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de kortetermijnmaatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de bovenals de ondergrond. Planspecifiek Gezien de aard en omvang is de NOVI verder niet specifiek van belang. Wel wordt er aangesloten op de ambities en belangen van het Rijk, zoals het realiseren en behouden van een goede leefomgevingskwaliteit. Door de padelbanen te realiseren op een bestaand sportpark, wordt rekening gehouden met de kenmerken en de identiteit van het gebied. Het beoefenen van verschillende sporten op dezelfde locatie zorgt voor een efficiënt en zorgvuldig gebruik van ruimte. Er kan geconcludeerd worden dat het voorgenomen project voldoet aan de uitgangspunten van de Nationale Omgevingsvisie. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd.
Indien provinciale of nationale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens provinciale verordening respectievelijk bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 13 nationale belangen opgenomen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Planspecifiek Het plan valt niet binnen één van de projecten aangewezen in het Barro. Vanuit het Barro zijn er dan ook geen specifieke randvoorwaarden voor dit plan. 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'.
12
De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven:
•
•
•
De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
Planspecifiek Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt tussen op 12 nieuwe woningen. Onderhavige ontwikkeling betreft het omzetten van 3 tennisbanen naar 5 padelbanen. Derhalve wordt het plan niet gezien als een stedelijke ontwikkeling en behoeft het plan niet getoetst te worden aan de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Er kan geconcludeerd worden dat het voorgenomen project voldoet aan de Ladder voor duurzame verstedelijking.
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie NH2050 De Omgevingsvisie NH2050 'Balans tussen economische groei en leefbaarheid' is op 19 november 2018 vastgesteld door Provinciale Staten. Deze vervangt de Structuurvisie Noord-Holland 2040, het Provinciaal Verkeers- en Vervoerplan, het Provinciaal Milieubeleidsplan 2015-2018 en de Agenda Groen. De leidende hoofdambitie in de Omgevingsvisie NH2050 is de balans tussen economische groei en leefbaarheid. Een gezonde en veilige leefomgeving, die goed is voor mens, plant én dier, is een voorwaarde voor een goed economisch vestigingsklimaat. Tegelijkertijd is duurzame economische ontwikkeling een voorwaarde voor het kunnen investeren in een prettige leefomgeving. De hoofdambitie is opgedeeld in de volgende aspecten met bijbehorende ambities: Leefomgeving a. b. c.
Klimaatverandering: een klimaat bestendig en waterrobuust Noord-Holland. Stad, land en infrastructuur worden klimaatbestendig en waterrobuust ingericht. Gezondheid en veiligheid: het behouden en waar mogelijk verbeteren van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Biodiversiteit en natuur: de biodiversiteit in Noord-Holland vergroten, ook omdat daarmee andere ambities/doelen kunnen worden bereikt.
13
Gebruik van de leefomgeving a.
b.
c. d.
Economische transitie: een duurzame economie met innovatie als belangrijke motor. De provincie biedt ruimte aan ontwikkeling van circulaire economie, duurzame landbouw, energietransitie en experimenten. Wonen en werken: woon- en werklocaties dienen beter met elkaar in overeenstemming te zijn. Woningbouw wordt vooral in en aansluitend op de bestaande verstedelijkte gebieden gepland, in overeenstemming met de kwalitatieve behoeftes en trends. Mobiliteit: inwoners en bedrijven van Noord-Holland kunnen zichzelf of producten effectief, veilig en efficiënt verplaatsen. Landschap: het benoemen, behouden en versterken van de unieke kwaliteiten van de diverse landschappen en de cultuurhistorie.
Energietransitie a.
De ambitie van de Provincie is dat Noord-Holland als samenleving in 2050 volledig klimaatneutraal en gebaseerd is op hernieuwbare energie.
Daarnaast wordt er met de Omgevingsvisie NH2050 geprobeerd om een richting uit te zetten en houvast te bieden. Daarvoor wordt een aantal bewegingen voor de toekomst benoemd: 1. 2. 3. 4. 5. 6.
Noord-Holland in beweging: Op weg naar een economisch duurzame toekomst. Dynamisch schiereiland: Benutten van een unieke ligging. Metropool in ontwikkeling: Vergroten agglomeratiekracht door het ontwikkelen van een samenhangend internationaal concurrerend metropolitaan systeem. Sterke kernen, sterke regio's: Sterke kernen houden regio's vitaal. Nieuwe energie: Economische kansen benutten van energietransitie. Natuurlijk en vitaal landelijke omgeving: vergroten van biodiversiteit en ontwikkelen van een economisch duurzame agrifoodsector.
Er wordt in de Omgevingsvisie NH2050 uitgegaan van het principe ‘lokaal wat kan, regionaal wat moet’. Hierbij wordt gelet op de diversiteit aan regio's en wordt ruimte geboden aan maatwerk en ruimte om vorm te kunnen geven aan een wendbare samenleving. Planspecifiek De ambitie van de provincie is onder andere het streven naar een goede balans tussen leefbaarheid en economische ontwikkeling. Om de kwaliteit van de fysieke leefomgeving te behouden en te versterken is een goed beheer van de bestaande kwaliteiten en het toevoegen van nieuwe kwaliteiten van belang. Er dient voldaan te worden aan de wettelijke basiskwaliteit voor een gezonde en veilige leefomgeving. Voor de leefomgevingskwaliteit is het essentieel de waarden en karakteristieken van het landschap en de cultuurhistorie te benoemen, te behouden, waar nodig adequaat te herstellen en waar mogelijk te versterken en te ontwikkelen. Met de beoogde ontwikkeling worden er een nieuwe padelbanen gerealiseerd en blijft de ruimtelijke kwaliteit van het perceel behouden. In de huidige situatie zijn er tennisbanen aanwezig op dit perceel. De beoogde padelbanen zullen goed aansluiten bij de naastgelegen tennisbanen en voorzien in een verdere functiemenging van het sportpark. De hoogte van de padelkooien zal hetzelfde zijn als die van de sportkantine.
Gesteld kan worden dat het beoogde initiatief in lijn is met de ambities uit de Omgevingsvisie NH2050. 3.2.2 Omgevingsverordening NH2020 Provinciale Staten van Noord-Holland hebben op 22 oktober 2020 de Omgevingsverordening NH2020 vastgesteld. In de Omgevingsverordening NH2020 zijn de eerste stappen gezet om de ambities, ontwikkelprincipes en sturingsfilosofie uit de Omgevingsvisie, vastgesteld op 19 november 2018, vorm te
14
geven en wordt er een start gemaakt met werken in de geest van de Omgevingswet. Echter valt de Omgevingsverordening NH2020 nog onder de huidige wet- en regelgeving. In de Omgevingsverordening NH2020 zijn alle regels van de provincie die gaan over de fysieke leefomgeving samengevoegd. Merendeel van de regels in deze verordening zijn vrijwel ongewijzigd gebleven ten opzichte van de Provinciale Ruimtelijke Verordening 2010. Echter zijn een aantal onderdelen wel gewijzigd of nieuw. Belangrijke gewijzigde en nieuwe onderdelen zijn het Landelijk gebied, Bijzonder provinciaal landschap, de mogelijkheden voor kleinschalige woningbouw in landelijk gebied en de ruimte voor windenergie in de MRAregio. De omgevingsverordening heeft de volgende doelstellingen:
•
het bereiken van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit te bereiken;
• •
het behoud en herstel van de biologische diversiteit; het in standhouden en doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.
Daarnaast is het doel om de provinciale regels in meer samenhang en op een meer overzichtelijke manier kenbaar te maken. Planspecifiek Er zijn geen relevante aanvullende eisen ten aanzien van het voorgenomen plan vanuit de Omgevingsverordening NH2020 waarmee gesteld kan worden dat het plan in overeenstemming is met het provinciale ruimtelijke beleid.
3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale woonvisie Regio Gooi en vechtstreken 2016-2030 De gemeente Laren behoort samen met de gemeenten Gooise Meren, Hilversum, Huizen, Blaricum, Weesp en Wijdemeren tot de regio Gooi- en Vechtstreek. Samen hebben deze gemeenten de Woonvisie Regio Gooi en Vechtstreek 2016 - 2030 vastgesteld. De woonvisie geeft inzicht in de gezamenlijke missie en ambities van de regiogemeenten op het gebied van wonen. Ook biedt de visie een kader voor lokaal woonbeleid en vormt het de basis voor afspraken met andere overheden. In de woonvisie is de volgende missie geformuleerd: “De regio Gooi en Vechtstreek wil een complete regio zijn, met een passend woningaanbod voor jong en oud, rijk en arm, kleine of grote huishoudens en goed of slecht ter been.” De missie vormt het lange termijnperspectief van de regio op het wonen. Vanuit deze missie zijn drie sleutelambities geformuleerd. Deze ambities vormen de basis van deze regionale woonvisie en worden per thema uitgewerkt in concrete acties en projecten. 1.
2.
3.
Beweging op de woningmarkt: Door het wegnemen van belemmeringen en het stimuleren van doorstroming willen de gemeenten zorgen voor meer beweging op de regionale woningmarkt. Hierdoor krijgen meer mensen meer keuzes en meer kansen. Identiteit en diversiteit: Gooi en Vechtstreek is een regio met een sterke eigen identiteit. Deze identiteit willen de gemeenten behouden en versterken. Dit willen ze doen door onder andere te zorgen voor meer diversiteit aan woningen en woonmilieus in de regio. Samenwerking: De gemeenten werken nauw samen met alle woonpartners in de regio om de missie te verwezenlijken. De gemeenten voeren een continue dialoog en monitoren en evalueren de gezamenlijke inspanningen. Ook investeert de regio in nieuwe vormen van samenwerking tussen overheid en burgers.
Regio Gooi en Vechtstreek Het functioneren van de woningmarkt in de regio Gooi en Vechtstreek kan niet los worden gezien van de ontwikkelingen in de omringende regio’s, zoals Utrecht, Amersfoort en Amsterdam. In al deze regio's is de
15
druk op de woningmarkt ook de komende jaren nog groot. Dit betekent een extra opgave om te zoeken naar voldoende woningbouwmogelijkheden. De regio Gooi en Vechtstreek is onderdeel van de Metropool Regio Amsterdam (MRA). Dit is een informeel samenwerkingsverband van 32 gemeenten, de provincies Noord-Holland en Flevoland en de Stadsregio Amsterdam. De Metropoolregio Amsterdam behoort tot de Europese top vijf van economisch sterke regio’s. Rode draad van de samenwerking is het behouden en versterken van die internationale concurrentiepositie. In de MRA Agenda 2016 is daarom een woningbouwdoelstelling opgenomen van 250.000 woningen voor de periode van 2016 tot 2040. Deze woningen moeten vooral binnenstedelijk worden gerealiseerd, door verdichting en door transformatie en herstructurering van overbodige kantoren en bedrijventerreinen. Laren Laren is een groene, lommerrijke gemeente met natuurgebieden, landgoederen, exclusieve villawijken, een gezellige dorpskern en enkele publiekstrekkers zoals het museum Singer Laren. Het gemiddelde inkomen is hoog en er wonen relatief veel senioren. Laren is vooral een woongemeente, met voornamelijk lokale voorzieningen. De meeste inwoners werken buiten de gemeente. Laren kent een gespannen woningmarkt, hetgeen zich uit in hoge woningprijzen en wachtlijsten voor sociale huurwoningen.
Met nieuwbouw kan maar beperkt tegemoet worden gekomen aan de woningbehoefte, Laren beschikt niet over grootschalige uitbreidingslocaties. In de dorpskern bevinden zich wel enkele kleinschalige locaties die voor herontwikkeling of verdichting in aanmerking komen. Planspecifiek Voorliggende ontwikkeling betreft de transformatie van tennisbanen naar padelbanen. Met deze ontwikkeling wordt ingespeeld op een efficiënt ruimtegebruik van het bestaande stedelijke gebied. Door het inpassen van de padelbanen in het bestaande sportpark blijft daarnaast het groene karakter behouden. Tenslotte wordt met de 5 padelbanen ingespeeld op de opkomende populariteit van de padelsport in Laren en de regio. Gesteld kan worden dat het beoogde initiatief in lijn is met de ambities uit de regionale woonvisie Regio Gooi en Vechtstreek.
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Ruimtelijke structuurvisie 2008 – 2023 De Ruimtelijke Structuurvisie Gemeente Laren 2008-2023 (vastgesteld op 24 april 2008) bevat de algemene gemeentelijke beleidsuitgangspunten op het gebied van de ruimtelijke ordening. Doel van de structuurvisie is om de geambieerde toekomst van Laren te kunnen vormgeven aan de hand van een integraal afgewogen richtinggevend beleidskader. De visie functioneert daarbij als instrument van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). In hoofdlijnen ziet de gemeente als gewenste ontwikkeling voor het brinkdorp Laren het ‘behouden en versterken van de beeldkwaliteit van Laren, van haar karakter en identiteit als fraai, groen en kleinschalig dorp’. Maatregelen en ingrepen moeten deze kernwaarden behouden en versterken. Concreet houdt dat in, dat al het beleid gericht moet zijn op een kwalitatieve verbetering van het dorp en geen kwantitatieve. Als onverkort uitgangspunt geldt verder dat de groenkwaliteit in het dorp behouden en waar nodig versterkt moet worden. Dit betekent dat:
• • •
bij elke ontwikkeling die raakt aan de beeldkwaliteit van het dorp, groenontwikkeling en beheer integraal meegenomen moeten worden; bij eventuele bebouwing en herinrichting van openbare ruimte bescherming van het aanwezige groen/de bomen een belangrijk uitgangspunt is; extra parkeerplaatsen (dus naast bestaande) op particulier terrein niet in het zicht mogen worden aangelegd: dus niet in de voortuin maar 'achter de voorgevel' en bij voorkeur ondergronds.
16
Hiermee wordt het groene karakter van het dorp versterkt en de verstening tegengegaan. Extra parkeerplaatsen (dus naast bestaande) op particulier terrein niet in het zicht mogen worden aangelegd: dus niet in de voortuin maar 'achter de voorgevel' en bij voorkeur ondergronds. Planspecifiek Het voorliggend plan heeft betrekking op het realiseren van een vijftal padelbanen op de gronden van bestaande tennisbanen. Per saldo blijft het bebouwd oppervlak na de transformatie gelijk. De groene structuur van (de omgeving) van het sportpark blijft daarmee behouden. Gesteld kan worden dat het beoogde initiatief in lijn is met de uitgangspunten uit de ruimtelijke structuurvisie. 3.4.2 Nota Sport en Bewegen BEL Combinatie 2018 - 2030 De nota op sport, bewegen en meedoen van de BEL Combinatie geeft richting aan de uitvoeringsplannen van de gemeenten Blaricum, Eemnes en Laren voor de komende jaren. De BEL-gemeenten kennen een rijk verenigingsleven. Sport-, maatschappelijke en culturele voorzieningen zijn ruimschoots aanwezig en het niveau van het culturele- en sportaanbod is van een hoge kwaliteit. De gemeenten hebben de afgelopen jaren op een verschillende manier ingezet op het toekomstbestendig maken van de sportaccommodaties. Waar sport voorheen vooral gezien werd als ‘doel op zich’, zien we dat sport ook steeds beter ingezet wordt als ‘middel’.
Bijvoorbeeld door voor bepaalde doelgroepen met behulp van sport de maatschappelijke positie van de burger te verstevigen. Sport en bewegen is niet alleen heel goed voor je lichaam, het heeft ook een positieve invloed op het mentale welbevinden en is ook goed voor de sociale contacten. Daarom richt deze visie zich niet alleen op sport en bewegen, maar ook op meedoen. De nota beschrijft de kaders om te komen tot een gezondere en sociale samenleving. Daarbij wordt uitgegaan van drie overkoepelende thema’s: sport, bewegen en meedoen. Om te komen tot effectieve uitvoering hebben we de volgende uitgangspunten: 1. 2.
3. 4.
5.
6.
7. 8.
Het maatschappelijke veld, de gemeenten, sportverenigingen en inwoners werken als vanzelfsprekend samen om bij te dragen aan brede maatschappelijke doelen. We zetten in op beweegcoaches. De beweegcoach is actief aanspreekpunt in de wijk en treedt op als verbinder voor alle zaken die te maken hebben met zorg, welzijn, onderwijs, gezondheidszorg en opvoeding. We zorgen samen voor vindbaarheid van het huidige sport- en beweegaanbod en stemmen dit af met de behoefte van onze inwoners. We kiezen voor een integrale aanpak, waarbij vanuit de BEL Combinatie gewerkt wordt. We zijn overtuigd dat er alleen stappen kunnen worden gezet als we voorbij de gemeentegrenzen kijken, breder denken dan slechts sport en gezamenlijk invulling geven aan de uitvoering. Om de visie te borgen, zowel binnen als buiten de BEL Combinatie, is het van belang dat er ambtelijke uren beschikbaar zijn. Daartoe zal in een later stadium een voorstel worden voorgelegd zodat binnen de BEL-Combinatie 1 FTE beleidsmedewerker Sport beschikbaar is. We kiezen ervoor om niet per thema of doelstelling een budget op te nemen. Het maatschappelijke veld is samen met de gemeenten aan zet om het totale budget doelmatig (efficiënt) en doeltreffend (effectief) in te zetten. Dit wordt vormgegeven in het uitvoeringsprogramma die per collegeperiode wordt opgesteld.
We monitoren en evalueren sport-, beweeg- en meedoencijfers periodiek, en sturen ons beleid bij daar waar nodig, waar we uitgaan van de eigen keuze van de inwoners. We bekijken het huidige aanbod van sportfaciliteiten en blijven faciliteren waar mogelijk. We laten ons daarin graag adviseren door een Sportraad.
Sport Voorts zijn binnen het thema 'Sport' drie doelstellingen geformuleerd: 1. 2. 3.
Sportverenigingen zijn krachtig en veilig Sportaccommodaties zijn duurzaam en bereikbaar voor iedereen We hebben aandacht voor topsport en talentontwikkeling
17
Planspecifiek Het voorliggend plan heeft betrekking op het realiseren van een vijftal padelbanen op een bestaand sportpark. Deze ontwikkeling sluit daarmee aan bij de uitgangspunten en doelstellingen over het thema sport in de gemeente Laren en de regio. De padelbanen maken onderdeel uit van de bestaande accommodatie (Sportpark Schuilkerkpad) en de padelsport wordt daarmee betrokken bij de Sportvereniging Laren '99. De accommodatie is daarmee goed bereikbaar en biedt een veilig sportklimaat. Gesteld kan worden dat het beoogde initiatief in lijn is met de uitgangspunten van de Nota Sport en Bewegen van de BEL Combinatie.
18
4 Onderzoek 4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.
c.
d.
het plan of besluit is direct m.e.r.-plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.-(beoordelings-)plicht.
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:
• • •
Door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; Het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden; De initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek De realisatie van een sportvoorziening kan worden geschaard onder categorie D 11.2 van het Besluit m.e.r. (stedelijk ontwikkelingsproject). Jurisprudentie wijst uit dat met name de aard en omvang van een project bepalen of gesproken moet worden van een stedelijk ontwikkelingsproject. In het onderhavig initiatief worden 3 tennisbanen getransformeerd tot 5 padelbanen. Daarom kan niet gesproken worden van een uitbreiding. Het feitelijk gebruikte oppervlakte sportvoorziening zal hetzelfde blijven. Tevens wordt de functie van de locatie niet aangepast. Dit maakt dat het onderhavig initiatief niet kan worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingstraject in de zin van categorie 11.2 van het Besluit milieueffectrapportage. Derhalve is het niet noodzakelijk een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling uit te voeren dan wel een m.e.r.beoordelingsbesluit te nemen.
19
Desalniettemin wordt er in de navolgende paragrafen in het kader van een goede ruimtelijke ordening ingegaan op verschillende milieuaspecten. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling zijn de belangrijkste milieuaspecten, waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie, in beeld gebracht in hoofdstuk 4. Daaruit blijkt dat er geen sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten.
4.2 Bodem Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet bodembescherming. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek De gronden in het plangebied beschikken over de bestemming 'Sport'. Met de beoogde ontwikkeling is er geen sprake van een wijziging van een gevoeliger bodemgebruik. Verder is de locatie, gelet op het historische gebruik, onverdacht op het voorkomen van bodemverontreiniging. Om die reden is de bestaande informatie afdoende en is er geen bodemonderzoek nodig. Er dient geconcludeerd te worden dat het plan uitvoerbaar is voor het aspect bodem.
4.3 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
• •
woningen;
•
andere geluidsgevoelige gebouwen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen gebouw dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft, niet zijnde een woning).
geluidsgevoelige terreinen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen terrein dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft);
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Planspecifiek Het plan voorziet niet in de aanleg van een weg of de realisatie van een geluidgevoelige functie. Echter genereert padellen meer geluid dan tennis en daarom is het van belang om inzicht te krijgen in de geluidemissie ervan ter plaatse van de woningen in de omgeving. Derhalve is voor het realiseren van de 5 padelbanen een akoestisch onderzoek uitgevoerd, waarmee de akoestische effecten naar de omgeving inzichtelijk zijn gemaakt (Het Geluidburo, 22-2268-R01ML, d.d. 13 mei 2022, zie Bijlagen, bijlage 1). SV Laren heeft de aangewezen locatie als meest optimaal beschouwd vanwege de gunstige afstand tot de woningen. De berekende geluidniveaus zijn afgezet tegen de wettelijke grenswaarden. Voorts is getoetst aan de 'Handreiking Padel en Geluid', die op initiatief van de KNLTB (tennis- en padelbond) is opgesteld met daarbij vertegenwoordigers van de betrokken partijen en geluidspecialisten,
20
waaronder Sportkoepel NOC*NSF, Nederlandse Stichting Geluidshinder en Sportbond KNLTB (januari 2023, zie Bijlagen, bijlage 2). Toetskader Activiteitenbesluit Zolang er geen sprake is van een bestemmingsplanwijziging voor de aanleg van de padelbanen, valt een sport- of tennispark met padelbanen onder de algemene regelgeving van het Activiteitenbesluit. In principe geldt dat het gehele sportpark moet voldoen aan de wettelijke normen van het Activiteitenbesluit. De geluidvoorschriften zijn opgenomen in afdeling 2.8 “Geluidhinder”, artikel 2.17 tot en met 2.22 van het Activiteitenbesluit. Conform artikel 2.17 lid 1 van het Activiteitenbesluit gelden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) en het piekniveau (LAmax), gelden in navolgende afbeelding de volgende geluidniveaus:
Geluidnormen in dB(A) uit het Activiteitenbesluit (bron: Het Geluidburo).
Bij padel is sprake van kortstondig contactgeluid van de bal tegen het racket en van de bal tegen de wanden. Het geluid (pok-pok) heeft daardoor een impulsachtig karakter. Dit wordt als extra hinderlijk beschouwd. Bij de beoordeling van impulsachtig geluid dient, conform de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai, 1999 (verder HMRI), een toeslag van +5 dB(A) in rekening gebracht te worden. Daarmee wordt padellen (net als tennis) 5 dB strenger beoordeeld. Voor de beoordeling van de in tabel 2.1 weergegeven geluidniveaus blijft (onder meer) buiten beschouwing: de geluidnorm voor piekgeluiden in de dagperiode (07.00 – 19.00 uur) vanwege laden en lossen (inclusief aanverwante activiteiten zoals dichtslaan van deuren, starten, manoeuvreren en aanof afrijden van voertuigen). Toetskader Handreiking Padel en Geluid Om voor alle partijen meer duidelijkheid te scheppen in deze relatief nieuwe problematiek rondom padel, is op initiatief van de KNLTB (tennis- en padelbond) een Taskforce opgezet met daarbij vertegenwoordigers van de betrokken partijen en geluidspecialisten. De Taskforce heeft de Handreiking Padel en Geluid 2023 opgesteld, waarin de meest relevante zaken rondom padel en geluid aan de orde komen. Daarbij is deze Handreiking alleen bedoeld voor nieuw aan te leggen padelbanen in de open lucht.
Voor een tennis- of sportvereniging of een commerciële uitbater is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) van toepassing. Is voor de aanleg van de padelbanen een nieuw bestemmingsplan of een wijziging van het bestemmingsplan noodzakelijk, dan is ook de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van toepassing. De toetskaders voor een initiatief met een bestemmingsplanwijziging of andere ruimtelijke afweging dat ligt in gemengd gebied geldt de 50 dB(A)-etmaalwaardecontour, waarbij geldt dat bij op een afstand van ca. 100 m voldaan kan worden aan het Activiteitenbesluit (grenswaarde 50 dB(A)-etmaalwaarde en daarmee 50 dB(A) in de dagperiode en 45 dB(A) in de avondperiode) en ligt daarmee op dezelfde waarde als de norm van het Activiteitenbesluit. Berekende geluidniveaus In de navolgende tabel zijn de berekende geluidniveaus weergegeven.
21
Geluidniveaus tennis en padel in dB(A): 3 tennisbanen en 5 padelbanen, inclusief +5 dB impulstoeslag (bron: Het Geluidburo).
Uit de rekenresultaten blijkt dat de avondperiode bepalend is. Met de 5 padelbanen wordt voldaan aan de geluidnormen van het Activiteitenbesluit (norm avondperiode 45 dB(A)). Ook de maximale geluidniveaus zijn laag en voldoen (ruimschoots) aan de wettelijke normen (norm avondperiode 65 dB(A)). Deze geluidsniveaus zijn conform artikel 2.17 lid 1 van het Activiteitenbesluit. De afstand tot de woningen is dermate groot dat er geen sprake van hinder zal zijn als gevolg van de 5 nieuwe padelbanen. Conclusie Er dient geconcludeerd te worden dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.
4.4 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijnstof, namelijk PM2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³.
Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt. In het kader van een ruimtelijk plan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden.
22
Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling kan, gezien de beperkte omvang, aangemerkt worden als een NIBM-project. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM, niet noodzakelijk. Het project heeft ‘niet in betekenende mate’ invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse. Wel is, met behulp van de Atlas Leefomgeving, gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. Hieruit blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse ruim voldoet aan de gestelde grenswaarde van 40 µg/m³voor zowel fijnstof als stikstofdioxide. De specifieke concentraties over 2020 van fijnstof (PM10), fijnstof (PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) in het plangebied bedragen respectievelijk 15,8 μg/m³ fijnstof PM10, 8,5 μg/m³ fijnstof PM2,5 en 13,7 μg/m³ NO2. Daarmee worden de wettelijke grenswaarden niet overschreden. Daaruit volgt dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen veroorzaakt voor het beoogde initiatief.
4.5 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kunnen voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is. Planspecifiek Gebiedsbescherming Het plangebied is op ca.
6,5 km afstand van het Natura 2000-gebied 'Naardermeer' gelegen. Andere Natura 2000-gebieden bevinden zich op grotere afstand. Gezien de afstanden en de aard en omvang van het initiatief, zijn effecten op Natura 2000-gebieden uitgesloten. De planlocatie ligt niet binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN) of andere bij provinciale verordening beschermde gebieden. De groene omgeving rondom het plangebied behoort wel tot het NNN, genaamd 'Gooi Midden en Zuid'. Hiervoor is externe werking geen toetsingskader. Stikstofdepositie De ontwikkeling gaat gepaard met de uitstoot van stikstof in de bouw- en de gebruiksfase, wat mogelijk effecten heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied betreft 'Naardermeer' en bevindt zich op een afstand van ca. 6,5 km van het plangebied. Gelet op de relatief grote afstand en op het feit dat de ontwikkeling slechts vervangende sportvelden betreft, wordt ervan uitgegaan dat het initiatief geen negatief effect heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van het betreffende Natura 2000-gebied. Daarmee is er geen vergunning nodig in het kader van de Wet natuurbescherming. Soortenbescherming In en rondom het besluitgebied kunnen in het wild levende planten en dieren aanwezig zijn. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. Gezien het plangebied in
23
de bestaande situatie als tennisveld wordt gebruikt, is het zeer onwaarschijnlijk dat beschermde diersoorten zich binnen het plangebied bevinden. Het aspect soortenbescherming staat de ontwikkeling niet in de weg en aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk. Houtopstanden Bij deze ruimtelijke ontwikkeling wordt geen houtopstand geveld waarop de regels van de Wet natuurbescherming van toepassing zijn. De bescherming van houtopstanden vormt dan ook geen beperking voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Conclusie Er dient geconcludeerd te worden dat het plan uitvoerbaar is voor het aspect ecologie.
4.6 Bedrijven en milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.
De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
•
het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
•
het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling op deze locatie voorziet in de realisatie van een hinder veroorzakende functie in een omgeving met verschillende hindergevoelige functies. De omgeving van het plangebied bestaat in de huidige situatie uit woningen en niet-woonfuncties zoals het sportpark van voorliggend initiatief, waarmee sprake is van het omgevingstype 'gemengd gebied'. Hierbij kan de richtafstand, met uitzondering van het aspect gevaar, met één afstandsstap worden verminderd. In de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering wordt een afstand van minimaal 30 meter tussen geluidgevoelige objecten (woningen) en een veldsportcomplex of tennisbanen (met verlichting) aanbevolen in gemengd gebied. De afstand tot de dichtstbijzijnde huizen, aan de Vredelaan 56 tot en met 64, bedraagt minimaal 90 m. De aanleg van de padelbanen levert daarmee geen belemmeringen op voor de nabij gelegen hindergevoelige woningen.
24
Daarnaast is in een akoestisch onderzoek uitgevoerd (paragraaf 4.3), waarin is aangetoond dat de woningen in de omgeving van het besluitgebied (aan de Vredelaan) geen hinder ondervinden van voorliggend project. Conclusie Gezien het voorgaande vormt het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.7 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:
• • •
risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels en horeca. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6-contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10 -5contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek.
In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording.
25
Planspecifiek Met de risicokaart kan worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, transportroutes en/of buisleidingen aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de risicokaart van de Atlas Leefomgeving.
Uitsnede risicokaart, plangebied zwart omkaderd (bron: Atlas Leefomgeving).
Transport gevaarlijke stoffen Uit de risicokaart komt naar voren dat in de nabijheid van het plangebied, op ca. 300 m afstand, transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt met plasbrandrisico, te weten de rijksweg A1 (Knp. Muiderberg - Knp. Eemnes). De afstand is dusdanig groot dat hieruit geen risico ontstaat voor de mensen die verblijven in het plangebied. Inrichtingen Uit het raadplegen van de risicokaart blijkt dat in of nabij het plangebied geen risicovolle inrichtingen zijn gelegen. Buisleidingen Uit de risicokaart komt naar voren dat in de nabijheid van het plangebied, op ca. 990 m afstand, een buisleiding is gelegen. Het betreft een aardgastransportleiding, waardoor transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Het plangebied is gelegen op voldoende afstand van de aardgasleiding. Conclusie Gezien het voorgaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor het voorgenomen initiatief.