A.3.3 BIJLAGE - Eindverslag verkenning Bouwkringloop G&V 2024 (285K
Tekst van het document
Volgens het BBL zijn er verschillende verplichtingen en richtlijnen voor gemeenten op het gebied van circulaire economie. Hier zijn enkele belangrijke punten: Tabel 3: Wettelijke eisen volgens Besluit Bouwwerken Leefomgeving Onderwerp
Wettelijke verplichting
Specifieke eisen
MilieuPrestatie Gebouwen
Gemeenten moeten de milieuprestatie van gebouwen berekenen en rapporteren bij nieuwbouwprojecten
MPG-score berekenen om de milieubelasting van gebruikte materialen te bepalen.
Rapportage van de MPG-score.
Stimuleren van gerecyclede en hernieuwbare materialen.
26
Afvalscheiding en Recycling bij Sloop
Gemeenten zijn verplicht om afval te scheiden en te recyclen bij de sloop van gebouwen.
Scheiden van afvalstromen tijdens de sloop.
Bevorderen van hergebruik van bouwmaterialen om afval te minimaliseren.
Duurzaam Materiaalgebruik
Gemeenten moeten duurzame materialen gebruiken bij bouwen infrastructuurprojecten.
Gebruik van materialen met een lage milieu-impact.
Beperking van afval tijdens het bouwproces door efficiënte materiaalkeuze en -gebruik.
Bevorderen van gebruik van secundaire (gerecyclede) materialen
Handhaving en Controle
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de handhaving van bouwregelgeving en toezicht op circulaire principes.
Inspectie en controle van bouwprojecten om naleving van circulaire en duurzaamheid voorschriften te waarborgen.
Documentatie van naleving via certificaten en rapportages.
Naast de specifieke verplichtingen en eisen, worden circulaire principes verder ondersteund door beleidsstrategieën zoals de "Strategie naar klimaatneutrale en circulaire rijksinfra projecten" en het "Nationaal Programma Circulaire Economie (NPCE)" die richtlijnen en doelstellingen bieden voor de overgang naar een circulaire bouweconomie. 6.2.2 Wat we doen Bij fysieke projecten in de openbare ruimte wordt er tijdens de voorbereiding van een project nagedacht over duurzaamheid en circulaire economie. Er is aandacht voor het gebruik van duurzamere materialen. De afdeling voldoet daarbij aan de meeste wettelijke eisen in het Bbl. Echter, het ontbreken van enkele minimumeisen samen met het minimaal betrekken van de afdeling duurzaamheid, leidt ertoe dat er geen lijn zit in de duurzaamheidsaanpak van de
27
afdeling. Tevens ontbreekt een controlemechanisme om na te gaan of een aanbieder werkelijk levert wat er is afgesproken. Een aanstaande ontwikkeling binnen het team is de Leidraad Inrichting Openbare Ruimte (LIO). Deze leidraad is een potentieel effectief instrument om minimumeisen met betrekking tot CE, of duurzaamheid in het algemeen, te standaardiseren in onze bouwwerken in de openbare ruimte. Het biedt een mogelijkheid om dezelfde bronze ambities als Eemnes in woningbouw heeft, hierin op te nemen. Ook zijn er kansen om onderhoudsdiensten te integreren in aanbestedingen in de openbare ruimte. Rijkswaterstaat experimenteert bijvoorbeeld met circulaire economie in aanbestedingen door een innovatieve aanpak te hanteren waarbij projectontwikkelaars niet alleen verantwoordelijk zijn voor de aanleg, maar ook voor het onderhoud van infrastructurele projecten. Deze aanpak wordt vaak aangeduid als "Design, Build, Maintain" (DBM). Het implementeren van DBM bij specifieke projecten binnen OW kan leiden tot een significant CE voordeel. Wat DBM inhoudt, wordt hieronder beschreven. 1.
Integratie van Ontwerp, Bouw en Onderhoud In de traditionele aanpak zijn ontwerp, bouw en onderhoud vaak gescheiden processen met verschillende verantwoordelijken. In het DBM/DBFM-model worden deze verantwoordelijkheden geïntegreerd. Dit betekent dat de projectontwikkelaar een lange termijn verantwoordelijkheid heeft, wat hen stimuleert om duurzame en kwalitatief hoogwaardige oplossingen te implementeren die op lange termijn voordeliger zijn.
2.
Stimuleren van Innovatie en Duurzaamheid Door de verantwoordelijkheid voor zowel de bouw als het onderhoud bij dezelfde partij te leggen, worden projectontwikkelaars aangemoedigd om innovatieve en duurzame materialen en technieken te gebruiken. Dit kan bijvoorbeeld het gebruik van gerecyclede materialen, energie-efficiënte ontwerpen en modulair bouwen omvatten. Het doel is om de levenscycluskosten van het project te verminderen en de ecologische voetafdruk te minimaliseren.
3.
Focus op Levenscycluskosten Deze aanpak zorgt ervoor dat projectontwikkelaars niet alleen kijken naar de initiële bouwkosten, maar ook naar de kosten over de gehele levensduur van het project. Dit
28
betekent dat er meer aandacht is voor de duurzaamheid en onderhoudsvriendelijkheid van de gebruikte materialen en constructies. 4.
Verantwoordelijkheid en Risicobeheer Door de integratie van ontwerp, bouw en onderhoud, dragen projectontwikkelaars een grotere verantwoordelijkheid en risico’s. Dit kan leiden tot betere kwaliteitscontrole en een hogere mate van efficiëntie en betrouwbaarheid in het projectbeheer.
Voorbeelden van DBM in de praktijk: ●
Wegenbouwprojecten: Bij de aanleg van nieuwe wegen of de renovatie van bestaande wegen kan Rijkswaterstaat eisen dat de aannemer ook verantwoordelijk is voor het onderhoud gedurende een bepaalde periode. Dit stimuleert het gebruik van duurzame materialen zoals gerecycled asfalt en innovatieve technieken zoals warme recycling.
●
Waterwerken: Voor projecten zoals de aanleg van dijken, sluizen en waterzuiveringsinstallaties wordt dezelfde DBM/DBFM-aanpak gehanteerd. Dit bevordert het gebruik van circulaire materialen en technieken om de levensduur van de infrastructuur te verlengen en de onderhoudskosten te verlagen.
●
Onderhoud en hergebruik: In plaats van complete vervanging van straatmeubilair, kan de afdeling openbare werken kiezen voor renovatie en hergebruik van bestaande structuren. Oude bankjes kunnen bijvoorbeeld opnieuw worden geschilderd en gerepareerd in plaats van vervangen
Rijkswaterstaat's experimenten met circulaire economie in aanbestedingen door middel van DBM/DBFM-modellen zijn een stap in de richting van duurzamere infrastructurele projecten. Door van hen te leren en het ontwerpen, bouwen en onderhouden te integreren, worden projectontwikkelaars gestimuleerd om innovatieve, duurzame en kostenefficiënte oplossingen te implementeren. Dit leidt tot een vermindering van de ecologische voetafdruk en een betere
7. Conclusie en overzicht 7.1 Conclusie De transitie naar een circulaire economie binnen de BEL-gemeenten (Blaricum, Eemnes, Laren) is een complexe maar noodzakelijke onderneming om duurzaamheidsdoelstellingen te bereiken en toekomstige generaties een gezonde leefomgeving te bieden. Dit document heeft een uitgebreid overzicht geboden van de huidige stand van zaken, beleidskaders, en initiatieven op zowel mondiaal, Europees, nationaal als regionaal niveau. 29
De BEL-gemeenten en met name de individuele teams hebben al aanzienlijke stappen gezet door circulaire duurzaamheidscriteria te integreren in diverse werkzaamheden. Het borgen van de minimumeisen uit het convenant "Toekomstbestendige Woningbouw MRA" en de integratie van circulaire principes in aanbestedings- en vergunningsprocessen zijn voorbeelden van hoe de BEL-gemeenten hun circulaire ambities kunnen verankeren in verschillende processen. Toch zijn er nog uitdagingen en gebieden die verdere aandacht vereisen. Het is van cruciaal belang dat de BEL-gemeenten blijven investeren in educatie en bewustwording omtrent circulaire economie, zowel onder ambtenaren als onder de bevolking. Het versterken van samenwerkingen met lokale bedrijven en andere stakeholders zal eveneens bijdragen aan een veerkrachtige en duurzame regionale economie. De implementatie van meetmethoden zoals de spendanalyse voor circulair inkopen en de ontwikkeling van effectindicatoren zullen helpen om de voortgang te monitoren en bij te sturen waar nodig. Door een gestructureerde aanpak en voortdurende evaluatie kunnen de BEL-gemeenten gerichte en effectieve stappen nemen om hun circulaire doelen te bereiken.
In de komende jaren zullen de BEL-gemeenten blijven werken aan het versterken van hun circulaire economie door middel van beleid, ondersteuning van circulaire initiatieven, en samenwerking met regionale en nationale partners. Deze inspanningen zijn niet alleen noodzakelijk voor het behalen van milieudoelstellingen, maar bieden ook economische kansen en dragen bij aan een duurzame toekomst voor alle inwoners van de BEL-gemeenten 7.2 Wettelijke verplichtingen van gemeenten ten aanzien van circulaire economie 1. Circulair Materialenplan (CMP): Sinds 2024 vervangt het CMP het Landelijk Afvalbeheerplan (LAP3). Gemeenten moeten circulaire principes integreren, zoals afvalpreventie en hergebruik van materialen. 2. Circulaire Economie-wet (CE-wet): Vanaf 2024 verplicht gemeenten om circulaire bouwprincipes in vergunningverlening te integreren. 3. Omgevingswet (vanaf 2024): Biedt gemeenten meer mogelijkheden om circulaire doelen te verankeren in ruimtelijk beleid, zoals circulair bouwen.
30
4. Convenant Toekomstbestendige Woningbouw (TBW): Gemeente Eemnes heeft zich gecommitteerd aan dit convenant met aangescherpte eisen voor duurzaamheid, zoals minimaal 30% gebruik van non-virgin of biobased materialen. 7.3 Lokale ambities De lokale ambities zoals in dit stuk beschreven en hieronder herhaald, zijn vanaf 2025 het wettelijk minimum. 1. Brons niveau nieuwbouw: Het convenant stelt dat de nieuwbouwprojecten in Eemnes moeten voldoen aan het bronzen ambitieniveau. Dit houdt in dat er extra eisen zijn gesteld ten opzichte van de wettelijke minimumeisen, zoals een MPG-score van maximaal 0,75 (strenger dan het Bouwbesluit) en het gebruik van een materialenpaspoort . 2. MRA Circulair Inkopen: De gemeenten Laren en Blaricum hebben zich gecommitteerd aan de circulaire inkoop principes van de Metropoolregio Amsterdam (MRA). Dit betekent dat ze circulaire inkoopprocessen integreren in hun strategisch inkoopbeleid. Voorbeelden zijn de ontwikkeling van materiaal paspoorten via platforms zoals Kadaster en de implementatie van circulaire criteria in aanbestedingsprocedures .
31