CConstaterende datlaren
Koppel je AI →
Document · PDF

A 04 1 BIJLAGE - plantoelichting verleggen gastransportleiding W-500-01

Commissie Ruimte en Infrastructuur 7 februari 2024, gemeente larenBij agendapunt: Raadsinformatiebrief verplaatsing buis voor gastransport-hogedruk aardgasleiding weg over Anna’s Hoeve Laren, bespreking10.898 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bestemmingsplan Toelichting ‘Verleggen gastransportleiding W-500-01’ Weg over Anna’s Hoeve te Laren

Document: Status:

Toelichting Bestemmingsplan ‘verleggen W-500-01’ Concept

Datum: IMRO-code:

Oktober 2023 NL.IMRO.0317.BPWoAnnashoeve1-On01

Opgesteld door:

In opdracht van:

Documentgegevens Bestemmingsplan:

Verleggen gastransportleiding W-500-01

Documentnummer: Revisie:

2310-0507-1 1

Laatste wijziging: Status:

30-10-2023 conceptOntwerp

Ravelijn 10 4285 ED Woudrichem Tel. 0613165830 info@vdh-omgevingsadvies.nl

www.vdh-omgevingsadvies.nl

‘Bestemmingsplan verleggen W-500-01 te Laren’

Toelichting

2

Inhoud 2.

Inleiding .................................................................................................................. 5

1.1.

Aanleiding ............................................................................................................ 5

1.2.

Ligging plangebied................................................................................................. 5

1.3.

Vigerende bestemmingsplannen .............................................................................. 6

1.4.Leeswijzer ................................................................................................................. 8 3.

Beschrijving plangebied ........................................................................................... 10

2.1 Bestaande situatie .................................................................................................... 10 2.2 Toekomstige situatie ................................................................................................. 10 4.

Beleidskader .......................................................................................................... 12

4.1.

Rijksbeleid .......................................................................................................... 12

4.1.1.

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte ........................................................... 12

4.1.2.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) ........................................ 13

4.1.3.

Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) ...................................... 14

4.1.4.

Besluit ruimtelijke ordening ........................................................................... 14

4.1.5.

Structuurvisie Buisleidingen ........................................................................... 14

4.1.6.

Besluit externe veiligheid buisleidingen ........................................................... 15

4.2.

Provinciaal beleid ................................................................................................ 15

4.2.1.

Omgevingsvisie NH 2050 ............................................................................... 15

4.2.2.

Omgevingsverordening.................................................................................. 15

3.3.Gemeentelijk beleid .................................................................................................. 16 3.3.1

Ruimtelijke structuurvisie 2008-2023 ................................................................. 16

3.4. Conclusie ................................................................................................................ 17 4.

Omgevingsaspecten ................................................................................................ 18

4.1

Vormvrije m.e.r.-beoordeling ................................................................................ 18

4.2

Archeologie ........................................................................................................ 19

4.2.1 Onderzoek ......................................................................................................... 19 4.3

Cultuurhistorie .................................................................................................... 21

4.4

Explosieven ........................................................................................................ 21

4.5

Bodem ............................................................................................................... 21

4.6

Flora & Fauna ..................................................................................................... 23

4.6.1

Gebieden ........................................................................................................ 23

4.6.2

Soorten .......................................................................................................... 25

4.7 4.7.1

Water ................................................................................................................ 26 Watergangen en –keringen ............................................................................... 26

‘Bestemmingsplan verleggen W-500-01 te Laren’

Toelichting

3

4.7.2

Grondwater ..................................................................................................... 27

4.7.3

Watertoets ...................................................................................................... 27

4.8

5

Externe veiligheid ................................................................................................ 28

4.8.1

Besluit externe veiligheid Buisleidingen ............................................................... 30

4.8.2

Kwantitatieve risicoanalyse ............................................................................... 30

4.10

Kabels en Leidingen ............................................................................................. 31

4.9

Luchtkwaliteit ..................................................................................................... 31

4.10

Verkeer en parkeren ............................................................................................ 31

4.11

Geluid, geur, lichthinder en windhinder .................................................................. 32

4.12

Conclusie ........................................................................................................... 32

Juridische planbeschrijving ........................................................................................... 33 5.1

Planmethodiek .................................................................................................... 33

5.2 Functie van het bestemmingsplan .............................................................................. 33 5.2

6

Bestemmingsregeling........................................................................................... 33

5.2.1

Toelichting op de verbeelding ............................................................................ 34

5.2.2

Toelichting op de regels .................................................................................... 34

Uitvoerbaarheid en handhaving ..................................................................................... 37 6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ............................................................................... 37 6.2 Economische uitvoerbaarheid ..................................................................................... 37 6.3 Handhaving ............................................................................................................ 37

7

Bijlagen...................................................................................................................... 39

‘Bestemmingsplan verleggen W-500-01 te Laren’

Toelichting

4

1. Inleiding 1.1.Aanleiding Gasunie Transport Services B.V. heeft twee bestaande afsluiterschema’s S-6210 en S-6365 gelegen ter hoogte van de Weg over Anna’s Hoeve tussen Baarn en Hilversum, gemeente Laren. Beide afsluiterschema’s zijn verouderd en moeten vervangen worden. De S-6365 zal vervangen worden door een passtuk, terwijl de S-6210 gereconstrueerd zal worden. De vernieuwde S-6210 zal tevens iets naar het westen worden verplaatst. De beoogde verlegging vindt plaats over een leidinglengte van ca. 75m en maximaal ca. 22 meter afwijkend ten op zichte van het huidige tracé. De verlegging wordt uitgevoerd door middel van een open ontgraving. De beoogde locatie van het nieuwe afsluiterschema S-6210 is gelegen op de gemeentegrens van Baarn en Laren en is dus in beide gemeenten van invloed op de bestemde situatie. Met artikel 14 Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) is bepaald dat een 40-bar (en hoger) hoge druk gastransportleiding planologische relevantie kent en dat deze in bestemmingsplannen dienen te worden opgenomen. Binnen de op de locatie van de verlegging (relevante) vigerende bestemmingsplannen is geen mogelijkheid opgenomen om de verlegging van de leiding binnenplans mogelijk te maken. In overleg met gemeente Laren is overeengekomen om het juridisch planologisch vastleggen van het nieuwe leidingnetwerk middels een bestemmingsplanherziening te realiseren.

Het voorliggende plan biedt dit planologische kader. De aanpassingen van het gastransportnetwerk worden mogelijk gemaakt door het aanleggen van een nieuwe gastransportleiding. In overleg met enkele stakeholders, in het bijzonder gemeenten Baarn en Laren, is een tracé ontworpen en afgestemd.

1.2. Ligging plangebied Het project speelt zich af ter hoogte van de Oud-Eemnesserweg, Zandheuvelweg en Weg over Anna’s Hoeve, direct ten oosten van de Rijksweg A27.

Figuur 1 Locatie plangebied

‘Bestemmingsplan verleggen W-500-01 te Laren’

Toelichting

5

In onderstaande figuur is de ligging van de bestaande (rood) en nieuwe leiding (paars onderbroken) weergegeven. Tevens is de gemeentegrens zichtbaar gemaakt (zwart).

Figuur 2 Locatie te verleggen leiding (paars is nieuw, rood is bestaand) De aanleg van de nieuwe gastransportleiding zal plaatsvinden door middel van open ontgraving. Daarbij wordt een sleuf gegraven en de leiding vanaf maaiveld in de sleuf aangelegd en aangesloten op het bestaande netwerk. Direct ten noorden van de Weg over Anna’s Hoeve wordt een nieuw afsluiterschema aangelegd dat de functie van beide, te vervallen, afsluiterschema kan vervangen. In figuur 2 is middels paarste stippellijn het nieuwe afsluiterschema, inclusief aansluitleidingen, weergegeven. Nadat het nieuwe leidingwerk in bedrijf is genomen, worden de bestaande leidingdelen buiten bedrijf gesteld. Deze oude leiding wordt dan gereinigd en (waar mogelijk) verwijderd.

1.3.Vigerende bestemmingsplannen De vigerende planologische situatie op grondgebied van gemeente Laren is geborgd in het bestemmingsplan ‘Natuurgebied 2009’ dat is vastgesteld op 25 november 2009.

‘Bestemmingsplan verleggen W-500-01 te Laren’

Toelichting

6

Figuur 3 Bestaande planologische situatie ‘Natuurgebied 2009’ Tevens geldt voor de locatie van het nieuwe afsluiterschema het provinciaal inpassingplan ‘Hoogwaardig Openbaar Vervoer in het Gooi’ dat is vastgesteld op 10 april 2017. Deze vaststelling heeft plaatsgevonden na een ingetrokken beroep van nota bene Gasunie vanwege de eerder opgenomen enkelbestemming ‘Verkeer’ op de locatie van het nieuwe afsluiterschema. In het onherroepelijk geworden bestemmingsplan is de enkel bestemming ‘Natuur’ vanuit bestemmingsplan ‘Natuurgebied 2009’ nog steeds van toepassing en is er slechts een tijdelijke aanduiding ‘overige zone -tijdelijk werkterrein’ geldig geweest voor de realisatiefase van HOV ’t Gooi. Het tijdelijke werkterrein is niet meer in gebruik en derhalve niet meer van toepassing. Een klein deel (rode cirkel rechtsboven in figuur 4) van de bestemming ‘Verkeer’ en de dubbelbestemming ‘Waarde-Aardkundige Waarde’ valt nog binnen 4 meter brede (nieuwe) dubbelbestemming van de beoogde leidingen.

‘Bestemmingsplan verleggen W-500-01 te Laren’

Toelichting

7

Figuur 4 Bestaande planologische situatie ‘PIP HOV ín het Gooi’

In beide plannen is ter hoogte van de nieuw geprojecteerde lijn van de toekomstige leiding geen dubbelbestemming ‘leiding-gas’ opgenomen. De gastransportleiding kan derhalve op basis van de vigerende bestemmingsplannen niet worden aangelegd, bestemd en beschermd middels de regels. De in bovengenoemde bestemmingsplannen geldende regels zijn en blijven onverminderd van toepassing na van kracht worden van het voorliggende bestemmingsplan. Het voorliggende bestemmingsplan neemt de vigerende bestemmingen en bijbehorende regels over vanuit die plannen en voegt als het ware de dubbelbestemming ‘Leiding-Gas’ toe op de beoogde situatie van het nieuwe afsluiterschema

1.4.Leeswijzer Na deze inleiding en beschrijving van de werkzaamheden volgt in hoofdstuk 2 een beknopte beschrijving van het plangebied. In hoofdstuk 3 wordt het relevante beleidskader nader aan de orde gesteld. In hoofdstuk 4 komen de omgevingsaspecten met de resultaten uit de uitgevoerde onderzoeken aan bod, gevolgd door de juridische planopzet in hoofdstuk 5. Hierin worden de

‘Bestemmingsplan verleggen W-500-01 te Laren’

Toelichting

8

gewenste ontwikkelingen vertaald in een juridisch-planologische regeling. Daarmee vormt dit hoofdstuk een toelichting op de planregels. Vervolgens wordt in hoofdstuk 6 aandacht besteed aan de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het voorliggende plan, waarbij ook inspraak en overleg van belang zijn. De toelichting wordt afgesloten met een overzicht van bijlagen.

‘Bestemmingsplan verleggen W-500-01 te Laren’

Toelichting

9

2. Beschrijving plangebied Het plangebied is gelegen in de gemeente Laren op de gemeentegrens met Baarn. De locatie direct ten Westen van de Rijksweg A27 in de berm van de Weg over Anna’s Hoeve en kruising Zandheuvelweg/Oud-Eemnesserweg. Dit is één van de doorgaande wegen tussen Hilversum en Baarn. Tot aan de gemeentegrens met Baarn is het natuurgebied Crailo gelegen dat grotendeels in beheer is bij de Stichting Goois Natuurreservaat (GNR). Onlangs zijn er enkele infrastructurele aanpassingen uitgevoerd om het project Hoogwaardig Openbaar Vervoer in het Gooi te kunnen realiseren. Dat project is inmiddels afgerond en daarmee niet meer van invloed.

2.1 Bestaande situatie De reeds aanwezige gastransportleiding kruist de Zandheuvelweg en Oud-Eemnesser op verschillende locaties. Deze situatie is van oudsher ontstaan en de veelvoud aan leiding is mede vanwege de aanwezigheid van het nabij gelegen Meet- en Regelstation van Gasunie, gelegen aan de Dr. Albert Schweitzerweg binnen gemeente Laren). Hier wordt het hoodfgastransportnetwerk (tot 80bar) verdeeld richting het regionale gastransportnetwerk (40bar). De leiding is in gemeente Laren vrijwel volledig gelegen op eigendom van Stichting Goois Natuurreservaat, Weg over Anna’s Hoeve is in eigendom van gemeente Laren.

2.2 Toekomstige situatie Met de aanpassingen aan het leidingnetwerk zal de planologische situatie wijzigen, er wordt immers een nieuw afsluiterschema gerealiseerd in de noordelijke berm van de Weg over Anna’s Hoeve. De functie van de berm blijft, na afloop van de werkzaamheden, ongewijzigd. In de nieuwe situatie wordt er ‘slechts’ een extra dubbelbestemming ‘Leiding-Gas’ aangebracht bovenop de reeds aanwezige enkelbestemming ‘Natuur’ vanuit bestemmingsplan ‘Natuurgebied 2009’. Tijdens de realisatiefase zullen er bomen en struiken moeten worden weggenomen om de werkzaamheden uit te kunnen voeren. Nadat het leidingwerk is aangebracht zal er door Gasunie worden gekeken naar de invulling van de situatie, in overleg met gemeente en GNR. De begrenzing van het voorliggende plan is afgestemd op de toekomstige ligging en begrenzing van de gasleiding en bijbehorende belemmeringenstrook van 4 meter aan weerszijden van de hartlijn van de leiding. Binnen de belemmeringenstrook gelden restricties zoals het niet zonder meer mogen uitvoeren van werkzaamheden of plaatsen van gebouwen en bouwwerken zodat de leiding extra beschermd is. In onderstaande figuur is het beoogde plangebied bij benadering weergegeven met daarop de nieuwe ligging van de leiding (paars) tevens de ligging van de bestaande leiding (rood).

De blauwe contour omvat de bestemmingsplangrens (bij benadering) waarbinnen de verlegging zich dient plaats te vinden (par 1.4). Deze strook van ca. 8m breedte is tevens de belemmeringenstrook die Gasunie hanteert bij haar regionale gastransportleidingen. De toekomstige planologische situatie geeft de daadwerkelijke ligging van de nieuwe leiding aan middels een dubbelbestemming ‘Leiding-Gas’ van 4 meter aan weerszijden van de hartlijn van de (nieuwe) leiding(delen). Het voorliggende bestemmingsplan zal worden getoond op

‘Bestemmingsplan verleggen W-500-01 te Laren’

Toelichting

10

www.ruimtelijkeplannen.nl met slechts de strook waarop de dubbelbestemming van toepassing is en is daarmee zichtbaar voor eenieder. De smalle strook aan de onderzijde van het plangebied is aanvullend meegenomen om de in onderliggende bestemmingsplan per abuis niet opgenomen dubbelbestemming ‘Leiding-Gas’ alsnog juist op te nemen.

Figuur 4 ligging en begrenzing plangebied

‘Bestemmingsplan verleggen W-500-01 te Laren’

Toelichting

11

3. Beleidskader Op zowel Rijks-, provinciaal, regionaal als gemeentelijk niveau bestaan er diverse beleidsstukken waarbij met het opstellen van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. In dit hoofdstuk wordt het plan getoetst aan de relevante beleidsstukken.

3.1.Rijksbeleid 3.1.1. Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte De op 11 september 20201 vastgestelde Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van onze leefomgeving. Hiermee wil het Rijk inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI geeft weer voor welke uitdagingen Nederland staat, wat daarbij de nationale belangen zijn, welke keuzes het Rijk maakt en welke richting het Rijk meegeeft aan decentrale keuzes. Deze keuzes hangen samen met de toekomstbeelden van de fysieke leefomgeving, de maatschappelijke opgaven en economische kansen die daarbij horen. De NOVI sorteert voor op de Omgevingswet (die naar verwachting in 2022 in werking treedt). Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang met elkaar. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes gemaakt worden. Prioriteiten De NOVI schetst een toekomstperspectief naar 2050 waarin vier prioriteiten worden vastgesteld: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. Zeespiegelstijging, hoge rivierafvoeren, wateroverlast en lange periodes van droogte zijn hier voorbeelden van. In 2050 zal Nederland klimaatbestendig en waterrobuust zijn.

In 2050 moet Nederland ook een duurzame energievoorziening hebben. Dit vraagt ruimte, onder meer voor windmolens en zonnepanelen. Voorwaarde is dat bewoners goed betrokken zijn en invloed hebben op het gebruik en kunnen meeprofiteren in de opbrengsten. Voor de ontwikkeling van duurzame energie zijn regionale energiestrategieën (RES) essentieel. Medeoverheden geven, in samenwerking met de energiesector, gebruikers en andere belanghebbenden, in de RES invulling aan de inpassing van duurzame energie op het land. Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. De Nederlandse economie dient toekomstbestendig te worden, oftewel concurrerend, duurzaam, en circulair. Het gebruik van duurzame energiebronnen en verandering van productieprocessen wordt gestimuleerd. Steden en stedelijke regio's zijn belangrijk voor onze economie. Dit geldt vooral daar waar sprake is van een aantrekkelijke en gezonde omgeving en diversiteit in aanwezige economische functies, opleidingen en andere voorzieningen. Sterke en gezonde steden en regio’s Er zijn vooral in steden en stedelijke regio's nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio's 1

Staatscourant nr. 48104, 15 september 2020

‘Bestemmingsplan verleggen W-500-01 te Laren’

Toelichting

12

behouden blijven. De leefbaarheid van stedelijk gebied staat voorop. Hiervoor dienen deze gebieden in te zetten op klimaatadaptatie om de gevolgen van klimaatverandering tegen te gaan. Ook dient de bouw van nieuwe woningen te zijn gericht om een zo breed mogelijk aantal inwoners te bereiken. Mobiliteit dient aan te sluiten op nieuwe ontwikkelingen waarbij onder meer de CO2 uitstoot wordt verminderd. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw. Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. Er dient een balans tussen de ontwikkeling van natuur en landbouw te worden gevonden. Hiernaast dient het een prettige omgeving te zijn om te werken, wonen en te recreëren. Biodiversiteit van gebieden en de verduurzaming van landbouw zijn kernpunten. Afwegingsprincipes Het stellen van de bovenstaande prioriteiten kan een situatie maken dat belangen soms botsen. Om in zo'n situatie keuzes te maken worden drie afwegingsprincipes gebruikt: •

Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI zoekt het Rijk naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte.

•

•

Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.

• De uitvoering van de NOVI moet gezamenlijk worden aangepakt. Rijk, provincies en gemeenten gaan meer samenwerken als één overheid. Ook staat participatie centraal. Daarnaast is de NOVI continu in beweging. Het is de bedoeling dat het zich continu aanpast aan ontwikkelingen, in een permanent en cyclisch proces. De voorgenomen ontwikkeling(en) raakt de belangen die in de NOVI worden genoemd niet.

3.1.2. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De nationale belangen die juridische borging vragen, staan in de AMvB Ruimte (ook wel bekend als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening – Barro). De AMvB Ruimte is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Het gaat onder meer om nationale belangen als Rijksvaarwegen, Defensie, ecologische hoofdstructuur, erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen en primaire waterkeringen. Bij het opstellen van bestemmingsplannen moeten gemeenten zich houden aan bij AMvB of verordening gestelde regels. Nieuwe of gewijzigde regels moeten binnen een bepaalde termijn in de bestaande bestemmingsplannen worden verwerkt. Dit kan betekenen dat gemeenten bestemmingsplannen moeten aanpassen aan de nieuwe AMvB Ruimte. De AMvB Ruimte is in

‘Bestemmingsplan verleggen W-500-01 te Laren’

Toelichting

13

december 2011 in werking getreden. Door het bestemmen van de nieuw aan te leggen buisleiding strookt de voorgenomen ontwikkeling met het Barro. 3.1.3. Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) De regels uit het Barro zijn verder uitgewerkt in het Rarro. In het Rarro zijn ruimtereserveringen opgenomen voor de nieuwe aanleg en voor de uitbreiding van de infrastructuur. Ter plaatse van de in het Rarro bepaalde ruimtereservering mogen geen ontwikkelingen plaatsvinden die op basis van het vigerende bestemmingsplan niet reeds mogelijk waren, met uitzondering van tijdelijke bouwwerken en bijbehorende bouwwerken. Een omgevingsvergunning voor het afwijken van het vigerende plan biedt daarin mogelijkheden. De voorgenomen ontwikkeling is niet gelegen in een ruimtereservering conform het Rarro. 3.1.4. Besluit ruimtelijke ordening Sinds 1 oktober 2012 is in het Besluit ruimtelijke ordening de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de “ladder voor duurzame verstedelijking” zoals opgenomen in artikel 3.1.6, lid 2 Bro. De “stappen van de ladder” worden in artikel 3.1.6, lid 2 Bro als volgt omschreven: 1. voorziet de voorgenomen stedelijke ontwikkeling in een actuele regionale behoefte; 2.

kan binnen bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio in de behoefte worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins; 3. wanneer blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld (m.a.w. zorgen voor optimale inpassing en bereikbaarheid). Met ingang van 1 januari 2017 is de ladder voor duurzame verstedelijking aangepast. De minister wil daarmee de knelpunten oplossen die in de dagelijkse praktijk worden ervaren bij toepassing van de ladder. Signalen uit de praktijk en de daaruit voortgekomen jurisprudentie hebben er toe geleid dat de Minister met betrokken partijen verkend heeft welke knelpunten de toepassing van de ladder kent. De voornaamste knelpunten zijn: • •

onduidelijk begrippenkader toepassing bij globale en flexibele bestemmingsplannen

• •

onderzoekslasten regionale afstemming

Voor het voorliggende plan heeft de aanpassing van de ladder van duurzame verstedelijking verder geen gevolgen ten opzichte van voorheen en past daarmee binnen het beleidsdocument. 3.1.5. Structuurvisie Buisleidingen Op 12 oktober 2012 is de Structuurvisie Buisleidingen vastgesteld. Dit is een visie waarmee het Rijk voor de komende 20 tot 30 jaar ruimte wil reserveren in Nederland voor toekomstige buisleidingen voor gevaarlijke stoffen. Op basis van de hoofdlijnen uit de Structuurvisie Buisleidingen kunnen provincies en gemeenten het exacte buisleidingtracé bepalen. Uitgangspunt daarbij is zoveel mogelijk bundeling met bestaande buisleidingen(-stroken). De gastransportleiding

‘Bestemmingsplan verleggen W-500-01 te Laren’

Toelichting

14

in dit plan valt niet onder de werkingssfeer van de Structuurvisie Buisleidingen, maar draagt wel bij aan het streven om het vervoer van gevaarlijke stoffen via buisleidingen te laten verlopen. 3.1.6. Besluit externe veiligheid buisleidingen Op 1 januari 2011 is middels de inwerkingtreding van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) de oude circulaire “Zonering langs hoge druk aardgastransportleidingen” uit 1984 vervangen. Op grond van dit besluit (artikel 6, lid 4) mag een buisleiding slechts worden aangelegd of vervangen indien dit in overeenstemming is met het geldend bestemmingsplan of indien voor die aanleg of vervanging een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.12 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Voor een nadere uitwerking van de externe veiligheidsaspecten wordt verwezen naar paragraaf Externe veiligheid van het volgende hoofdstuk. Hierin worden de resultaten van de uitgevoerde kwantitatieve risicoanalyse (QRA, bijlage 2) voor de te verleggen leiding nader besproken.

3.2.Provinciaal beleid Het Omgevingsbeleid van provincie Noord-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. 3.2.1. Omgevingsvisie NH 2050 Met het op 19 november 2018 vaststellen van de omgevingsvisie NH 2050 heeft de provincie Noord-Holland een visie voor de komende 30 jaren opgesteld. De provincie wil in die periode balans tussen economische groei en leefbaarheid realiseren. Dit betekent dat in heel NoordHolland een basiskwaliteit van de leefomgeving wordt gegarandeerd. Er zijn randvoorwaarden geformuleerd hoe om te gaan met klimaatverandering. De provincie ontwikkelt zoveel mogelijk natuurinclusief en met behoud van (karakteristieke) landschappen, clustert ruimtelijke economische ontwikkelingen rond infrastructuur en houdt rekening met de ondergrond. In de visie zijn 5 bewegingen met ontwikkelprincipes beschreven voor de ontwikkeling van de leefomgeving. 1. Dynamisch schiereiland. Hierin is het benutten van de unieke ligging van Noord-Holland, te midden van water, leidend. 2. Metropool in ontwikkeling. Hierin wordt beschreven hoe de Metropoolregio Amsterdam steeds meer als één stad functioneert. 3. Sterke kernen, sterke regio’s, gaat over de ontwikkeling van centrumgemeenten die de gehele regio waarin ze liggen vitaal houden. 4.

Nieuwe energie, benut de economische kansen van de energietransitie. 5. Natuurlijk en vitaal landelijke omgeving, staan het ontwikkelen van natuurwaarden en een economisch duurzame agrarische sector centraal. De belangrijkste ambities voor Noord-Holland, zoals omschreven in de Omgevingsvisie, zijn verankerd in de Omgevingsverordening Noord-Holland 2020. Planspecifiek geldt dat op de locatie van de voorgenomen ontwikkeling op de visiekaart met name aandacht is voor behoud en ontwikkeling van natuur(waarden). 3.2.2. Omgevingsverordening In de Omgevingsverordening staan de regels voor de fysieke leefomgeving. In de Omgevingsverordeningen NH zijn regels samengevoegd op het gebied van natuur, milieu, mobiliteit, erfgoed, ruimte en water. De provincie heeft 2 vastgestelde Omgevingsverordeningen.

‘Bestemmingsplan verleggen W-500-01 te Laren’

Toelichting

15

Op dit moment geldt de Omgevingsverordening NH2020. De Omgevingsverordening NH2022 treedt in werking als de Omgevingswet van kracht wordt. De provincie wil met deze verordening ontwikkelingen, zoals woningbouw en de energietransitie, mogelijk maken en zet ook in op het beschermen van mooie en bijzondere gebieden in NoordHolland. In Noord-Holland zijn 32 gebieden aangewezen als ‘Bijzonder Provinciaal Landschap’. Dit zijn landschappen waarop we extra zuinig zijn vanwege hun bijzondere eigenschappen en waarde voor mens en dier, de ontwikkellocatie valt niet binnen één van deze gebieden.

Figuur 5 Uitsnede Omgevingsverordening NH 2020

Voor het plangebied zijn geen specifieke regels gegevens anders dan het beschermen, instand houden en verbeteren van bestaande waarden zoals landelijk gebied, natuurnetwerk Nederland en zijn ontwikkelingen als datacenters, permanente bollenteelt e.d. uitgesloten. De locatie behoudt volgens de omgevingsverordening dus vooral de bestaande waarden en situatie. In het provinciaal omgevingsbeleid wordt niet nader ingegaan op de ligging en aanwezigheid van gastransportleidingen en diens toebehoren. Met de komst van de beoogde aanpassing zijn er nog voldoende mogelijkheden om bestaande waarden te realiseren of herstellen in overleg met Gasunie. Verder heeft de verlegging heeft geen negatieve invloed op de benoemde elementen, waardoor de ontwikkeling past binnen het beleid van de provinciale omgevingsvisie en verordening.

3.3.Gemeentelijk beleid 3.3.1

Ruimtelijke structuurvisie 2008-2023

Op 24 april 2008 is de Ruimtelijke structuurisie 2008-2023 vastgesteld. De Ruimtelijke Structuurvisie Gemeente Laren 2008-2023 bevat de algemene gemeentelijke beleidsuitgangspunten op het gebied van de ruimtelijke ordening. Doel van de structuurvisie is om de geambieerde toekomst van het dorp Laren te kunnen vormgeven aan de hand van een integraal afgewogen richtinggevend beleidskader. De visie functioneert daarbij als instrument van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). In hoofdlijnen ziet de gemeente als gewenste ontwikkeling voor het brinkdorp Laren het ‘behouden

‘Bestemmingsplan verleggen W-500-01 te Laren’

Toelichting

16

en versterken van de beeldkwaliteit van Laren, van haar karakter en identiteit als fraai, groen en kleinschalig dorp’. Maatregelen en ingrepen moeten deze kernwaarden behouden en versterken. Concreet houdt dat in, dat al het beleid gericht moet zijn op een kwalitatieve verbetering van het dorp en geen kwantitatieve. Hoofduitgangspunt voor actualiserende bestemmingsplannen is dat ze conserverend bestemmen. Daarnaast wil de gemeente Laren maatschappelijke ontwikkelingen faciliteren, maar met een minimum aan mogelijke ruimteclaims. Als onverkort uitgangspunt geldt verder dat de groenkwaliteit in het dorp behouden en waar nodig versterkt moet worden. Dit betekent dat: In directe nabijheid zijn de gebieden gelegen die vanuit de structuurvisie aandacht hebben gekregen voor landschap/bos en zorg. Gezien de kleinschaligheid van de beoogde ontwikkeling en de mogelijkheden voor dubbel grondgebruik (leiding en natuur/infrastructuur) biedt de voorgenomen ontwikkeling geen belemmering ten aanzien van de visie vanuit de gemeentelijke Structuurvisie. De gemeente is vanuit de Omgevingswet (inwerkingtreding per 1 januari 2024) verplicht een Omgevingsvisie op te stellen. De Omgevingsvisie is ook de basis voor het Omgevingsplan dat we later opstellen. Dit Omgevingsplan vervangt op termijn alle bestemmingsplannen in Laren.

In het najaar van 2023 is de gemeente gestart met het maken van de Omgevingsvisie. Daarbij worden bewoners, bedrijven en maatschappelijke organisaties uitgenodigd om hierover mee te denken. De Omgevingsvisie is op dit moment onvoldoende concreet om inhoudelijk aan te kunnen toetsen.

3.4. Conclusie De noodzakelijke verlegging van de gastransportleiding conflicteert niet met de bovengenoemde beleidsdocumenten. Het behoud en versterken van waarden en ontwikkelingsrichtingen vanuit de beleidsdocumenten wordt niet in gevaar gebracht door de beoogde aanpassingen van het gastranportnetwerk en daarmee past het binnen de beleidsregels. In het volgende hoofdstuk wordt in het kader van omgevingsaspecten nader geanalyseerd en beoordeeld in hoeverre de voorgenomen ontwikkeling voldoet aan een goede ruimtelijke ordening.

‘Bestemmingsplan verleggen W-500-01 te Laren’

Toelichting

17

4. Omgevingsaspecten In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de verantwoording van de ontwikkelingen van de voorliggende planologische afwijking met het oog op milieu- en omgevingsaspecten.

4.1

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in het verplaatsen van een gastransportleiding. Daarmee wordt een activiteit mogelijk gemaakt die wordt genoemd in bijlage II bij het Besluit m.e.r.: “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een buisleiding voor het transport van aardgas” (D 8.1). Een m.e.r.-beoordelingsplicht is aan de orde in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een buisleiding die over een lengte van 5 kilometer of meer is gelegen of geprojecteerd in een gevoelig gebied (zoals Natura 2000-gebied, Ecologische hoofdstructuur of grondwaterbeschermingsgebied). Alhoewel de activiteit ruimschoots onder de drempelwaarde ligt, is een vormvrije m.e.r.beoordeling noodzakelijk (artikel 2 lid 5 van het Besluit milieueffectrapportage 1994). Op grond van het Besluit Milieueffectrapportage moet het besluit om geen MER te verlangen separaat (als zelfstandig besluit) worden genomen, dit proces kan parallel met de bestemmingsplanherziening meelopen. Het doel van een m.e.r.-beoordeling is om te analyseren in hoeverre sprake is van mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen. Als uit de m.e.r.-beoordeling blijkt dat sprake is van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen kan het bevoegd gezag besluiten een m.e.r.procedure op te starten. Als de milieugevolgen beperkt zijn of hier in het plan goed mee om kan worden gegaan, volstaat deze m.e.r.-beoordelingsnotitie.

De m.e.r.-beoordeling is dan afgerond en vormt dan een bijlage bij dit bestemmingsplan. De verlegging van het leidingwerk die met dit plan mogelijk wordt gemaakt is minimaal. Het leidingwerk komt nagenoeg op dezelfde locatie te liggen. De invloed op de omgeving is dan ook verwaarloosbaar. De leiding komt niet dichter bij gevoelige gebieden of bestemmingen te liggen. Gedurende de werkzaamheden kan er sprake zijn van enige verstoring van de omgeving. Gelet op de beperkte tijdsduur en de kleinschaligheid van het project, betreft het hier echter een gering effect. De milieugevolgen van het plan zijn in deze onderbouwing inzichtelijk gemaakt. Hieruit blijkt dat geen grote gevolgen zijn te verwachten. Met de vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan kan dan ook worden geconcludeerd dat het voornemen niet leidt tot significant nadelige gevolgen voor het milieu zoals bedoeld in artikel 7.17 Wet Milieubeheer waardoor het doorlopen van een m.e.r.-procedure kan worden uitgesloten. Uit de conclusie van de mer-notitie2 blijkt dat, gelet op de kenmerken van het plan, de plaats van het plan, de kenmerken van de potentiële effecten en de te treffen maatregelen, geen belangrijke negatieve milieugevolgen zullen optreden. Er is dan ook geen aanleiding voor het doorlopen van een milieueffectrapportage in het kader van het bestemmingsplan.

Het bovenstaande in aanmerking genomen besluit het college dat een MER voor dit plan niet noodzakelijk is. De mer-aanmeldnotitie kan parallel lopen aan de bestemmingsplanherziening.

2

PM

‘Bestemmingsplan verleggen W-500-01 te Laren’

Toelichting

18

4.2

Archeologie

Het Verdrag van Malta is een verdrag dat in 1992 werd ondertekend door alle lidstaten van de Raad van Europa. Eén van de doelstellingen van het Verdrag is de afstemming van het archeologisch belang met de ruimtelijke ordening. Dat is dan ook de reden dat de wetgever ervoor gekozen heeft om de bescherming van het archeologisch erfgoed in te bedden in de ruimtelijke ordening. Met de inwerkingtreding van de Wet op de archeologische monumentenzorg op 1 september 2007 is de beleidsuitvoering van het archeologische beleid bij gemeenten komen te liggen. De gemeenten hebben de plicht om in bestemmingsplannen aan te geven welke archeologische waarden worden verwacht en mogelijk in het geding zijn. Deze archeologische verwachtingswaarde is bepaald aan de hand van de kaart archeologische waarden, onderzoeken en waarnemingen, waarvan onderstaande illustratie een uitsnede is.

Figuur 7 Uitsnede kaart archeologische waarden, onderzoeken en waarnemingen

4.2.1 Onderzoek In opdracht van initiatiefnemer heeft recent bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (booronderzoek)3 plaatsgevonden. De ondergrond van het plangebied bestaat zoals verwacht uit dekzand (Laagpakket van Wierden, Formatie van Boxtel). In het westelijke deel van het plangebied, dat op het grondgebied van de gemeente Laren ligt, is in het dekzand een intacte podzolbodem aanwezig en is het dekzand afgedekt door veen (Formatie van Nieuwkoop) en/of stuifzand (Laagpakket van Kootwijk, Formatie van Boxtel).

3

17-07-2023, RAAP Rapport 6545, Plangebied afsluiterschema S-6210 te Laren en Baarn.

‘Bestemmingsplan verleggen W-500-01 te Laren’

Toelichting

19

Figuur 7 Uitsnede kaart archeologisch booronderzoek In boring 3 is de podzol verrommeld en is een afwijkende donkergrijze laag met houtskoolspikkels aangetroffen. Dit betreft mogelijk een grondspoor. De verrommelde podzol is wel afgedekt door intact stuifzand. Het betreft dus geen recente verstoring. De houtskoolhoudende laag wordt gezien als aanwijzing voor een archeologische vindplaats binnen het plangebied. Het is echter niet mogelijk om te bepalen of het om resten van jager-verzamelaars uit de steentijd of van landbouwers (vanaf neolithicum) gaat. Om de gespecificeerde verwachting te toetsen wordt voor het deel van het plangebied in de gemeente Laren vervolgonderzoek geadviseerd in de vorm van een waarderende fase van een inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven. Voorafgaand aan een dergelijk onderzoek moet een Programma van Eisen (PvE) worden opgesteld, waarin onder meer de doelen vraagstelling en de methode van het onderzek zijn vastgelegd. Dit PvE dient voor aanvang van het onderzoek akkoord te zijn bevonden door de bevoegde overheid, in deze de gemeente Laren. Verwijderen bestaande leidingen De bodemopbouw ter hoogte van de bestaande leidingen is bij de aanleg daarvan geroerd. Om deze te verwijderen worden smallere sleuven gegraven dan bij de aanleg, daarom is ook hier de kans dat archeologische resten worden verstoord klein.

Indien tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden alsnog onverhoopt archeologische waarden worden aangetroffen dan zal opdrachtgever hiervan melding maken conform artikel 5.10 van de

‘Bestemmingsplan verleggen W-500-01 te Laren’

Toelichting

20

Erfgoedwet. De gemeente Laren zal hiervan op de hoogte worden gebracht als bevoegd gezag zijnde.

4.3

Cultuurhistorie

In 2010 is in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) opgenomen dat gemeenten bij het maken van nieuwe bestemmingsplannen, maar ook bij het afwijken van bestemmingsplannen door toepassing van de zogenaamde uitgebreide afwijkingsbevoegdheid uit de Wabo, rekening moeten houden met de in en rondom het projectgebied aanwezige cultuurhistorische waarden. Onder cultuurhistorische waarden vallen naast archeologische waarden ook monumenten, beeldbepalende panden en beschermde stads- en dorpsgezichten, die op basis van de Monumentenwet zijn aangewezen. In, en in de directe omgeving van, het projectgebied zijn geen historische bouwwerken of monumentale panden met een cultuurhistorische of beeldbepalende waarde te benoemen. De verlegging van de gastransportleiding is dan ook niet van (negatieve) invloed op de cultuurhistorie ter plaatse.

4.4

Explosieven

Om meer informatie te achterhalen van mogelijke Niet Gesprongen Explosieven (NGE) is door opdrachtgever een onderzoek4 uitgevoerd. Er is een ruim gebied aan weerszijden van de aan te leggen leiding als onderzoeksgebied aangegeven. Op basis van de beoordeelde feiten is geconcludeerd dat er onvoldoende indicaties zijn voor de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten in het onderzoeksgebied. Derhalve is het onderzoeksgebied niet verdacht op de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten. Grondroerende werkzaamheden kunnen in het onderzoeksgebied op reguliere wijze worden uitgevoerd en een vooronderzoek na-conflictperiode is daarom niet van toepassing De kans op het aantreffen van ontplofbare oorlogsresten is net zo groot als de gemiddelde kans op het aantreffen van ontplofbare oorlogsresten op als ‘onverdacht’ aangemerkte locaties in de rest van Nederland.

4.5

Bodem

Omdat de werkzaamheden zich met name in en op de bodem zullen plaatsvinden is historisch milieukundig onderzoek5 verricht binnen het plangebied, zowel voor de bodem als de waterbodem. Hiermee is getracht relevante informatie met betrekking tot het voormalig en huidige gebruik te verzamelen en tevens potentieel verdachte activiteiten zichtbaar te maken die de bodemkwaliteit op de locatie mogelijk hebben beïnvloed. Het doel van het verkennend bodemonderzoek is vast te stellen of er ter hoogte van de onderzoekslocatie sprake is van een verontreiniging van grond en/of grondwater. Aan de hand van een groot aantal peilbuizen en boringen is de ondergrondse situatie op milieukundig aspect inzichtelijk gemaakt. Onderstaande illustratie geeft het aantal onderzoekslocaties weer waarop het onderzoek is gebaseerd. 29-03-2023, AVG Explosieven Opsporing, Vooronderzoek ontplofbare oorlogsresten, Hilversum S-6210 n S6365, 143000154-VO-02D 5 27 juni 2023, WSP, Verkennend en nader bodemonderzoek afsluiterschema’s S-6210 en S-6365 aan de weg over Anna’s Hoeve te Laren, SOL022574MK, versie 3.0 4

‘Bestemmingsplan verleggen W-500-01 te Laren’

Toelichting

21

Figuur 8 Onderzoekslocaties bodemonderzoek

Onderzoeksresultaten bestaande locaties Uit het verrichte onderzoek kan worden geconcludeerd dat ter hoogte van afsluiterschema S-6365 sterke grond-verontreinigingen met nikkel, PAK aanwezig zijn in de ondergrond. Middels het nader onderzoek zijn de beide verontreinigingen volledig afgeperkt. Verder onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Wel dient voorafgaand aan de werkzaamheden een plan van aanpak te worden opgesteld. De werkzaamheden in de sterk verontreinigde grond dienen door een BRL7001 gecertificeerd aannemer onder toezicht van een BRL6001 gecertificeerd milieukundig begeleider te worden uitgevoerd. Onderzoeksresultaten nieuwe locatie Ter hoogte van de nieuwe locatie van het afsluiterschema kan op grond van het uitgevoerde verkennend en nader onderzoek worden geconcludeerd dat ter hoogte van de boringen 31, 32, 125, 127 en 132 een matige tot sterke grondverontreiniging met PAK aanwezig is welke te relateren is aan de aangetoonde grondverontreiniging met PAK in 2021/2022. Op basis van het onderhavige onderzoek is de omvang van de sterke grondverontreiniging met PAK voor de geplande werkzaamheden voldoende in beeld. Voorafgaand aan de geplande werkzaamheden dient een BUS-melding te worden verricht.

De werkzaamheden in de sterk verontreinigde grond dienen door een BRL7001 gecertificeerd aannemer onder toezicht van een BRL6001 gecertificeerd milieukundig begeleider te worden uitgevoerd. Ter bepaling van de veiligheidsklasse zijn de gemeten waarden tevens getoetst aan de CROW400. Uit deze toetsing blijkt dat er bij graafwerkzaamheden ter hoogte van boring 04 (aftappunt 81), naast de basishygiëne, de veiligheidsklasse ‘’Rood vluchtig’’ van toepassing is op basis van de gemeten waarde aan minerale olie in de grond. Ter hoogte van de overige boorpunten is, naast de basishygiëne, geen veiligheidsklasse van toepassing bij graafwerkzaamheden. De definitieve veiligheidsklasse dient door een veiligheidskundige te worden vastgesteld.

‘Bestemmingsplan verleggen W-500-01 te Laren’

Toelichting

22

4.6

Flora & Fauna

Met ingang van 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet zijn de Flora- en Faunawet, de Natuurbeschermingswet en de Boswet samengevoegd tot één nieuwe wet. De bevoegdheden zijn hierbij meer komen te liggen bij de provinciale overheden. Een uitzondering hierop zijn ruimtelijke ingrepen die gevolgen voor de natuur hebben, waaronder het gastransportnetwerk van Gasunie. Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) blijft hiervoor het bevoegd gezag. 4.6.1

Gebieden

In de Wet natuurbescherming wordt onderscheid gemaakt in soorten en gebieden. Met name voor gebieden valt de wetgeving terug op Europese regelgeving van de Habitat- en Vogelrichtlijn waardoor er weinig verandert. Het plangebied is niet gelegen in, of in nabijheid van, een Vogel- of Habitatrichtlijngebied. Provinciale gebiedsbescherming De projectlocatie is gelegen in het NatuurNetwerk Nederland (NNN) van provincie Noord-Holland en net buiten het NNN-gebied van de provincie Utrecht.

Figuur 9 Situatie plangebied ten aanzien van NNN-gebieden (paars en groen) De werkzaamheden in de oostelijke berm van de Zandheuvelweg vinden plaats in Droog bos met productie (N16.03). Hier worden twee bomen gekapt op de grens van het NNN. Deze beperkte kap in een natuurtype waar houtoogst een doel is en reeds periodiek bomenkap plaatsvindt, zorgt niet voor aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN Utrecht. Het bostype blijft als dusdanig behouden. De werkzaamheden in de westelijke berm van de Zandheuvelweg vinden plaats in Dennen-, eiken, en beukenbos (N15.02) en omvatten het definitief kappen van circa 1320 m2 en mogelijk kappen van 405 m2 van dit natuurtype. Ten zuiden van de Weg over Anna’s Hoeve dient mogelijk gekapt te worden vanwege het tijdelijk afsluiten (ook wel bekend als stoppelen) van de gasleiding. Deze locatie ligt binnen natuurtype Dennen-, eiken-, en beukenbos (N15.02) en afhankelijk van de definitieve begrenzing ook mogelijk in natuurtype Droge heide (N07.01).

‘Bestemmingsplan verleggen W-500-01 te Laren’

Toelichting

23

Gezien de omvang van de te kappen oppervlakte binnen het NNN wordt geadviseerd om hierover in overleg te treden met het bevoegd gezag, in dit geval voor het deel van het plan dat is gelegen is in gemeente Laren, provincie Noord-Holland. Er wordt geadviseerd om voor het te kappen bos een compensatieplan op te stellen. Binnen het compensatieplan worden de compensatiemogelijkheden (fysieke compensatie en financiële compensatie) nader uitgewerkt. Voor bosgebieden binnen het NNN geldt hierbij mogelijk een kwaliteitstoeslag. Voor het deel van het plangebied van gemeente Laren is gelegen, dient aan de hand van het compensatieplan worden bepaald wat het daadwerkelijke (blijvende) effect is op het NoordHollandse NNN-gebied. Met een op maat gemaakt compensatieplan kan het zelfs zo zijn dat de waarden van het NNN-gebied voor de lange termijn zelfs kunnen worden verbeterd. Dat is echter ter uitwerking aan initiatiefnemer in overleg met Provincie Noord-Holland en GNR. Gebiedsbescherming conform Wet Natuurbescherming Het plangebied maakt geen onderdeel uit van beschermd Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde beschermde Natura 2000-gebied ligt op ruim 7 kilometer ten oosten van het plangebied. Het gaat hier om het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen.

Figuur 10 Situatie plangebied ten opzichte van Natura2000-gebieden Tussen het plangebied en het Natura2000-gebied bevinden zich meerdere drukke wegen. Gezien de aard van de ingreep (kleinschalige ingrepen) in het plangebied worden externe effecten zoals trillingen, verstoring door geluid en mechanische effecten niet verwacht. Er is geen kans op fysieke aantasting of verstoring. Verdere toetsing aan de Wnb voor het onderdeel gebiedsbescherming is niet noodzakelijk. Na aanleiding van een recente uitspraak van de Raad van State is de partiële vrijstelling van de vergunningplicht voor activiteiten van de bouwsector komen te vervallen. Dat houdt in dat de tijdelijke gevolgen van de door de bouw veroorzaakte stikstofdepositie zal moeten worden berekend aan de hand van een Aerius-berekening. Op basis van de Aerius-berekening wordt per Natura2000-gebied zichtbaar in hoeverre en in welke mate er sprake is van stikstofdepositie. Op dit moment wordt er een berekening uitgevoerd op basis van de verwachting van in te zetten materieel. Gezien de ligging van het plangebied en de beperkte omvang van de ingreep ligt in de lijn der verwachting dat de stikstofdepositie op Natura2000-gebied 0,00mol/ha bedraagt.

‘Bestemmingsplan verleggen W-500-01 te Laren’

Toelichting

24

4.6.2

Soorten

De verandering die de Wet natuurbescherming voor soorten met zich mee heeft gebracht is dat er nieuwe soorten beschermd zijn en eerder beschermde soorten juist geen beschermde status meer hebben. Per provincie is hierin onderscheid gemaakt waardoor de soortenbescherming niet meer landelijk gelijk is. Vanuit de natuurwetgeving blijft bij ruimtelijke ingrepen de initiatiefnemer verplicht op de hoogte te zijn van mogelijk voorkomende beschermde natuurwaarden binnen het plangebied, zodat hiermee rekening kan worden gehouden of (mitigerende) maatregelen kunnen worden genomen. De consequenties van de beoogde ruimtelijke ingreep zijn getoetst aan de bepalingen van de Wet natuurbescherming. De initiatiefnemer heeft dan ook een natuurtoets6 naar flora en fauna verricht op en rond de projectlocatie. Resultaten Aan de hand van gegevens uit de bureaustudie, de aanwezige biotoop en ecologische expertise is een inschatting gemaakt met betrekking tot het (mogelijk) voorkomen van beschermde plantenen diersoorten. Tevens is natuurinformatie opgevraagd bij de Nationale Databank Flora en Fauna. Uit het onderzoek wordt het volgende geconstateerd: •

Het verspreidingsbeeld van streng beschermde soorten hazelworm en levendbare hagedis op de ingreeplocatie en binnen de invloedssfeer van de voorgenomen ingreep is onvoldoende actueel en volledig om effecten van de ingreep te kunnen beoordelen. Vervolgonderzoek is nodig. Aan de hand van het vervolgonderzoek kan de verplichting volgen voor een eventueel noodzakelijke Wnb-ontheffing of nadere mitigerende

•

maatregelen tijdens uitvoering. Deze zullen door initiatiefnemer worden opgevolgd. Binnen de invloedssfeer van de voorgenomen ingreep kunnen de volgende streng beschermde soorten voorkomen: das, hazelworm en levendbarende hagedis. Verder dient gedurende het broedseizoen rekening te worden gehouden met broedende vogels.

•

Negatieve effecten kunnen deels worden voorkomen door het treffen van mitigerende maatregelen voorafgaand of tijdens de werkzaamheden.

•

Indien de voorgestelde mitigerende maatregelen worden uitgevoerd, wordt overtreding van verbodsbepalingen uit artikel 3.1 en 3.10 voor de meeste soorten voorkomen. Alleen voor de nader te onderzoeken soorten is dat nog onduidelijk.

De voorgestelde mitigerende maatregelen voor de aanwezige soorten dassen en (algemene) broedvogels luidt als volgt; Grondgebonden zoogdieren (dassen) • De werkputten worden met een flauw talud afgewerkt als uittreedplaats voor dieren of er worden uittreedplanken aangebracht. Op deze wijze kunnen dassen zelfstandig de werkput verlaten. Ook is het mogelijk te voorkómen dat dassen in de werkput terecht komen door deze volledig af te zetten met een dassenkerend raster. Broedvogels •

6

De werkzaamheden (inclusief bomenkap) worden uitgevoerd buiten het broedseizoen van

20-06-2023, WSP Nederland B.V., Natuurtoets afsluiterschema’s S-6365 en S-6210, SOL022574FF, definitief

‘Bestemmingsplan verleggen W-500-01 te Laren’

Toelichting

25

aanwezige broedvogels. Dat loopt globaal van maart t/m juli, maar in het kader van de Wnb wordt geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. •

Als het niet mogelijk is om buiten het broedseizoen te werken kunnen voorbereidende maatregelen worden getroffen om de ingreeplocatie voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt te maken voor vogels om er te broeden, op voorwaarde dat met zekerheid is vastgesteld dat er geen essentiële functies, zoals verblijfplaatsen en vliegroutes, voor andere beschermde soorten aanwezig zijn. Dat kan door binnen de begrenzing van het werkterrein (werkputten, grond- en materiaalopslag, parkeerplaatsen, etc.) bomen en struiken te rooien en overige vegetaties kort te houden. Dergelijke maatregelen dienen uitsluitend voor het voorkómen van vestiging, niet voor het bestrijden van al aanwezige broedgevallen. Op deze wijze wordt voorkomen dat broedvogels gaan broeden op het werkterrein, waarna werkzaamheden ook in het broedseizoen kunnen plaatsvinden.

Opgemerkt moet worden dat voor werkzaamheden aan het hoge druk gastransportnetwerk van Gasunie het ministerie van EZ (RVO) bevoegd gezag is in het kader van de Wnb7.

4.7

Water

Het plangebied is gelegen binnen het beheersgebied van Waterschap Vallei en Veluwe, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. 4.7.1

Watergangen en –keringen

De leggerkaart van het Waterschap laat zien dat het plangebied niet is gelegen in, of in directe nabijheid van, een waterkering.

Figuur 11 Situatie leggerkaart Waterschap Vallei en Veluwe (in rood het plangebied) Ook is er geen direct raakvlak met aanwezig oppervlaktewater. Meest dichtstbijzijnde watergang is de C-watergang direct ten oosten van de Oude Eemnesserweg. 7

Zie artikel 1.3 van het Besluit natuurbescherming

‘Bestemmingsplan verleggen W-500-01 te Laren’

Toelichting

26

Figuur 12 Situatie leggerkaart Waterschap Vallei en Veluwe (in rood het plangebied) 4.7.2

Grondwater

Het leidingmateriaal is, mede vanwege veiligheidsredenen, zodanig afgesloten dat lekkage van het aardgas en infiltratie van grondwater in de leiding onmogelijk is. Invloed op de grondwaterkwaliteit is daarom afwezig. Zoals beschreven wordt de aanpassing aan het gastransportnetwerk uitgevoerd door middel van open ontgraving. De te graven sleuf dient ten tijde van aanleg volledig droog te zijn. Naar verwachting zal bouwputbemaling benodigd zijn om deze droogte te kunnen realiseren. Het te onttrekken water zal geloosd worden op nabij gelegen oppervlakte water. Naar verwachting zal de invloed op de omgeving nihil zijn. Over het aspect water zal voorafgaande aan de uitvoering nader overleg worden gevoerd met Waterschap Vallei en Veluwe, en zal worden voldaan aan de gestelde (vergunnings- of meldings)voorwaarden. 4.7.3

Watertoets

Bij nieuwe bestemmingsplannen en afwijkingen daarvan dient het betreffende waterschap gehoord te worden in het kader van vooroverleg, alsmede het verrichten van een watertoets. In voorliggend geval betreft het een ontwikkeling voor de aanleg van een ondergrondse gastransportleiding. Er wordt geen bebouwing gerealiseerd en van een permanente toename van verharding is geen sprake. Na de werkzaamheden wordt alles overeenkomstig weer ingericht conform de huidige situatie. Van blijvende invloeden van de ontwikkeling op de waterhuishouding is dan ook geen sprake Door de realisatie van de leiding wordt geen negatief hydrologisch of waterhuishoudkundig effect in de eindsituatie verwacht, omdat: • De leiding wordt ondergronds aangelegd en heeft een beperkte diameter. Door de geringe diameter heeft de leiding geen invloed op de grondwaterstroming; • Door de opdrachtgever is aangegeven dat de leiding onder de watergangen wordt doorgelegd. De leiding levert dus geen belemmering op voor de doorstroming van het oppervlaktewater, wel dient rekening te worden gehouden met de eisen van het Hoogheemraadschap;

‘Bestemmingsplan verleggen W-500-01 te Laren’

Toelichting

27

• Door de ondergrondse ligging is geen toename van het verhard oppervlak; Het uitvoeren van een watertoets wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.

4.8

Externe veiligheid

Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is verschillende wet- en regelgeving van toepassing. Voor inrichtingen is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) het relevante beleidskader, voor buisleidingen is dit het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het beleid voor transportmodaliteiten staat in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) sinds de inwerkingtreding van de Wet basisnet (1 april 2015). Binnen het beleidskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Plaatsgebonden Risico (PR) Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die de hele tijd op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR.

Binnen de 10-6/jaar-contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen nieuwe kwetsbare objecten (gebouwen waarin veel mensen zich kunnen bevinden of waar nietzelfredzame mensen aanwezig zijn) aanwezig zijn of geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten (bijv. kantoorgebouwen, hotels, restaurants, winkels, bedrijfsgebouwen en overige gebouwen voor zover er doorgaans geen grote aantallen personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig zijn) geldt de 10-6/jaar-contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Het GR kan niet ‘op de kaart’ worden weergegeven, maar wordt weergegeven in een grafiek waar de kans (f) afgezet wordt tegen het aantal slachtoffers (N): de fN-curve.

‘Bestemmingsplan verleggen W-500-01 te Laren’

Toelichting

28

Figuur 13 Weergave plaatsgebonden risicocontouren, invloedsgebied en groepsrisicografie met oriëntatiewaarde voor transport Verantwoordingsplicht In het Bevi, het Bevb en het Bevt is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Bij deze verantwoordingsplicht dient het bevoegd gezag op een juiste wijze de toename en ligging van het groepsrisico te onderbouwen en te verantwoorden. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan of het groepsrisico in de betreffende situatie aanvaardbaar wordt geacht. Bij de verantwoording van het groepsrisico dient het bevoegd gezag advies in te winnen bij de veiligheidsregio. De verantwoordingsplicht van het groepsrisico dient naast de rekenkundige hoogte van het groepsrisico, dat berekend wordt door middel van een kwantitatieve risicoanalyse (QRA), tevens rekening te houden met een aantal kwalitatieve aspecten, zoals in onderstaande figuur weergegeven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13787117/1