CConstaterende datlaren
Koppel je AI →
Document · PDF

20220928RBSb22 01028 Aanpassing verordening voorzieningen huisvesting onderwijs

Gemeenteraad 28 september 2022, gemeente larenBij agendapunt: Aanpassing verordening voorzieningen huisvesting onderwijs12.775 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

RAADSBESLUIT 2022/b22.01028

De raad van de gemeente Laren; gelezen voorstel b22.01028 d.d. 19 juli 2022 van het college van burgemeester en wethouders over de aanpassing van de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs;

gelet op het bepaalde dienaangaande in de Wet op het primair onderwijs en de Wet op het voortgezet onderwijs;

BESLUIT:

De Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Laren 2022 vast te stellen, onder

gelijktijdige intrekking van de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Laren 2015, en in werking te laten treden op de dag na de bekendmaking.

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

- aanvraag: verzoek om het bekostigen van een voorziening of om het bekostigen van een

voorbereidingskrediet;

- aanvrager: het bevoegd gezag dat een aanvraag indient;

- advies Onderwijsraad: advies van de Onderwijsraad als bedoeld in artikel 95, negende lid, van de

Wet op het primair onderwijs, of artikel 76f, negende lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs; - bekostigingsplafond: bekostigingsplafond als bedoeld in artikel 93 van de WPO.

- bevoegd gezag: bevoegd gezag van een volgens de Wet op het primair onderwijs of de Wet op

het voortgezet onderwijs bekostigde openbare of bijzondere school die geheel of gedeeltelijk gehuisvest is in een gebouw dat zich bevindt op het grondgebied van de gemeente; Pagina 1 van 31

- lokaal bewegingsonderwijs: ruimte die geschikt is voor het bewegingsonderwijs of een bad voor

watergewenning of bewegingstherapie;

- medegebruik : gebruik van een onderwijsgebouw ten behoeve van onderwijs van een andere

school of van culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden; - minister : minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

- nevenvestiging : deel van een school dat door de minister op grond van artikel 85 van de Wet op

het primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs voor bekostiging in aanmerking is gebracht ;

- overzicht : overzicht als bedoeld in artikel 96 van de Wet op het primair onderwijs of artikel 76g van de Wet op het voortgezet onderwijs;

- permanent gebouw: ruimte die door de keuze van het ontwerp en de aard van de constructie en

materialen ten minste 60 jaar als volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan functioneren; - programma : programma als bedoeld in artikel in artikel 95 Wet op het primair onderwijs en

artikel 76f van de Wet op het voortgezet onderwijs; - school :

1 °. school voor basisonderwijs: basisschool als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair

onderwijs;

3°. school voor voortgezet onderwijs: school of scholengemeenschap voor voorbereidend

wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, voor

voorbereidend beroepsonderwijs en voor praktijkonderwijs als bedoeld in de artikelen 1, 2 en 5 van de Wet op het voortgezet onderwijs;

- tijdelijk gebouw: al dan niet verplaatsbare ruimte die door de keuze van het ontwerp en de aard

van de constructie en materialen minstens 15 jaar als volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan functioneren;

- tijdelijke nevenvestiging: een tijdelijke nevenvestiging als bedoeld in artikel 16, derde lid, van de

Wet op het voortgezet onderwijs;

- verhuur : gebruik van een onderwijsgebouw door derden, niet zijnde onderwijsgebruik of gebruik voor culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden;

- medegebruik : gebruik van een onderwijsgebouw ten behoeve van onderwijs van een andere

school of van culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden;

- voor blijvend gebruik bestemde voorziening: voorziening die volgens de uitkomst van de

prognose als bedoeld in bijlage II minimaal 15 jaar noodzakelijk is;

- voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening: voorziening die volgens de uitkomst van de

prognose als bedoeld in bijlage II tenminste 4 jaar en maximaal 15 jaar noodzakelijk is; - voorziening : voorzieningen in de huisvesting als bedoeld in artikel 2.

Artikel 2. Omschrijving voorzieningen in de huisvesting

Bij het toepassen van deze verordening worden de volgende voorzieningen onderscheiden: a. voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen, bestaande uit:

1°. nieuwbouw voor een school die voor het eerst door het rijk voor bekostiging in aanmerking is

gebracht, of nieuwbouw om een gebouw waarin een school is gehuisvest geheel of gedeeltelijk te vervangen, al dan niet op dezelfde locatie;

2°. uitbreiding van een gebouw waarin een school is gehuisvest;

3°. het geheel of gedeeltelijk in gebruik nemen van een bestaand gebouw voor het huisvesten van een school;

Pagina 2 van 31

4°. verplaatsing van een of meer bestaande tijdelijke gebouwen voor het huisvesten van een school; 5°. terrein voor zover nodig voor het realiseren van een voorziening als bedoeld in 1° tot en met 4°;

6°. inrichting met onderwijsleerpakket voor zover deze nog niet eerder door het rijk of de gemeente is bekostigd;

7°. inrichting met meubilair voor zover dit nog niet eerder door het rijk of de gemeente is bekostigd; 8°. medegebruik van een ruimte voor het onderwijs in een gebouw dat al bij een andere school in gebruik is of van een lokaal bewegingsonderwijs en een bad voor watergewenning of bewegingstherapie;

b. herstel van constructiefouten bestaande uit schade aan een gebouw veroorzaakt door eigen

gebrek of eigen bederf, evenals uit kosten gemoeid met het voorkomen van nog niet zichtbare

materiële schade onmiddellijk voortvloeiend uit ontwerpfouten, uitvoeringsfouten of wanprestatie; c. herstel en vervanging in verband met schade (zie bijlage 2) aan gebouw, onderwijsleerpakket of meubilair ingeval van bijzondere omstandigheden;

d. huur van een sportterrein, dat niet in eigendom is van een bevoegd gezag, voor een school voor voortgezet onderwijs voor het onderwijs in lichamelijke oefening. Artikel 3. Voorbereidingskrediet

Voor voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder lid 1 en / of 2 kan een aanvraag voor het bekostigen van de kosten voor het opstellen van een aanbestedingsgereed bouwplan worden ingediend.

Artikel 4. Vaststellen vergoeding voorzieningen

1. Voor voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt de vergoeding vastgesteld overeenkomstig de in bijlage IV opgenomen normbedragen.

2. Voor andere voorzieningen dan bedoeld in het eerste lid wordt de vergoeding vastgesteld op de feitelijke kosten.

3. De vergoeding voor een voorbereidingskrediet als bedoeld in artikel 3 wordt vastgesteld op 8

procent van het geraamde investeringsbedrag. Artikel 5. Informatieverstrekking

Het bevoegd gezag verstrekt aan het college de gegevens die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren

van het bepaalde in deze verordening. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een door het college vastgesteld formulier.

Hoofdstuk 2. Programma en overzicht

Paragraaf 2.1 Aanvragen programma Artikel 6. Indienen aanvraag

1. Een aanvraag om opname van een voorziening op het programma wordt door het bevoegd gezag

bij het college ingediend en moet uiterlijk 31 januari van het jaar waarin het betreffende programma wordt vastgesteld zijn ontvangen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een door het college vastgesteld formulier.

2. Aanvragen die na deze datum worden ontvangen neemt het college niet in behandeling.

Artikel 7. Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet behandelen onvolledige aanvraag

1. Een aanvraag (zie bijlage 1) vermeldt in ieder geval: a. de naam en het adres van de aanvrager; b. de dagtekening;

c. de naam van de school en, als dit van toepassing is, het gebouw waarvoor de voorziening is Pagina 3 van 31

bestemd;

d. de voorziening die wordt aangevraagd;

e. de onderbouwing van de noodzaak en de omvang van de gewenste voorziening, bestaande uit: 1°. een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de school voor basisonderwijs of de

school voor voortgezet onderwijs als het betreft een aanvraag voor een voorziening als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1°, 2°, 3°, 4° en 8°, onder de voorwaarde dat de prognose

overeenkomstig bijlage II is vastgesteld, tenzij door het college, al dan niet in samenwerking met de bevoegde gezagsorganen van een school voor basisonderwijs, een actuele prognose is opgesteld, welke door het bevoegd gezag wordt onderschreven;

2°. als de aanvraag betrekking heeft op het geheel of gedeeltelijk bekostigen van vervangende

nieuwbouw van een gebouw als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1°, een overeenkomstig NEN 2767 opgestelde bouwkundige rapportage als bedoeld in bijlage I, deel A, onder A.2;

3°. als de aanvraag betrekking heeft op herstel van een constructiefout als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, een bouwkundige rapportage van een daartoe gecertificeerde, onafhankelijke constructeur, zodat de noodzaak van de gevraagde voorziening kan worden vastgesteld;

4°. als de aanvraag betrekking heeft op het bekostigen van een voorziening waarvoor de vergoeding wordt vastgesteld op de feitelijke kosten, een begroting van de noodzakelijke kosten voor het

bekostigen van de voorziening of, als de aanvraag betrekking heeft op het bekostigen van een voorbereidingskrediet als bedoeld in artikel 3, een kostenbegroting.

f. de geplande aanvangsdatum van uitvoering van de voorziening, en

g. als het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1° tot en met 5°, de aanduiding van de gewenste plaats waar de voorziening moet worden gerealiseerd.

2. Het college stelt de aanvrager voor 15 februari schriftelijk op de hoogte als gegevens als bedoeld in het eerste lid ontbreken. De aanvrager heeft tot 15 maart) (de hersteldatum) de gelegenheid de ontbrekende gegevens aan te vullen. Als dit niet gebeurt, neemt het college de aanvraag niet in behandeling.

3. Als een door het college in behandeling genomen aanvraag mede is gebaseerd op het aantal leerlingen van de betrokken school op 1 oktober van het jaar waarin het programma wordt

vastgesteld, is de aanvrager verplicht dat aantal voor 15 oktober te registeren in de Basisregistratie

Onderwijs bij de Dienst Uitvoering Onderwijs. Heeft aanvrager de registratie niet binnen de gestelde termijn gerealiseerd, dan deelt het college dit schriftelijk mede aan de aanvrager en heeft de

aanvrager de gelegenheid dit alsnog te doen binnen drie dagen na de datum van ontvangst van de mededeling. Als de registratie niet alsnog binnen drie dagen is verstrekt, neemt het college de aanvraag niet in behandeling.

Artikel 8. Opgave ingediende aanvragen

Het college verstrekt aan de bevoegde gezagsorganen voor 15 mei een opgave van de aanvragen

die overeenkomstig artikel 6 zijn ingediend en geeft daarbij aan welke niet in behandeling worden genomen.

Paragraaf 2.2 Overleg voorafgaand aan vaststellen programma en overzicht Artikel 9. Toelichting aanvraag; overleg over ingediende begroting

1. Het college of een aanvrager kan verzoeken een aanvraag nader toe te lichten. Dit overleg vindt plaats binnen 2 maanden na de hersteldatum, bedoeld in artikel 7, tweede lid.

2. Het college treedt in overleg met de aanvrager als de aanvraag betrekking heeft op een

voorziening waarvoor de vergoeding wordt vastgesteld op de feitelijke kosten en het college van oordeel is dat de door de aanvrager overgelegde kostenbegroting moet worden aangepast. Pagina 4 van 31

3. Het college vermeldt in het voorstel tot het vaststellen van het bekostigingsplafond, het programma en het overzicht, bedoeld in paragraaf 2.3:

a. de hoogte van het geraamde bedrag, waarvan voor de aangevraagde voorziening wordt uitgegaan, en

b. als dit van toepassing is, de redenen waarom in het overleg geen overeenstemming is bereikt over de hoogte van het geraamde bedrag.

Artikel 10. Overleg programma en overzicht; advies Onderwijsraad

1 . Voordat het college het programma en het overzicht vaststelt, worden de bevoegde

gezagsorganen in een overleg in de gelegenheid gesteld hun zienswijze over de voorgenomen inhoud van dat voorstel naar voren te brengen.

2 . Dit overleg vindt plaatst uiterlijk 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarop het

vast te stellen programma betrekking heeft. De bevoegde gezagsorganen worden ten minste 2

weken voor de door het college vastgestelde datum schriftelijk in kennis gesteld van het tijdstip van het overleg en de voorgenomen inhoud van het voorstel.

3 . De bevoegde gezagsorganen die niet deelnemen aan het overleg kunnen voor het overleg hun

zienswijzen schriftelijk kenbaar maken aan het college. Het college stelt de deelnemers aan het overleg van deze zienswijzen in kennis.

4 . Het college maakt een verslag van de in het overleg door de bevoegde gezagsorganen naar

voren gebrachte zienswijzen. De overeenkomstig het vorige lid ingediende zienswijzen en de reactie van het college hierop worden opgenomen in het verslag. Het verslag wordt binnen een maand na het overleg toegezonden aan alle bevoegde gezagsorganen.

5 . Een bevoegd gezag en het college kunnen de Onderwijsraad verzoeken een advies uit te

brengen over het conceptprogramma. Het verzoek bevat een schriftelijk gemotiveerde omschrijving van de onderwerpen waarover advies wordt verwacht. Het advies dient betrekking te hebben op de

relatie tussen de voorgenomen inhoud van het programma en de vrijheid van richting en inrichting. Het verzoek en de daarover naar voren gebrachte zienswijzen worden opgenomen in het verslag, bedoeld in het vierde lid.

6 . Het college is belast met het indienen van een verzoek om advies bij de Onderwijsraad. Het

college zorgt ervoor dat de Onderwijsraad alle stukken ontvangt die nodig zijn voor het beoordelen van het verzoek, waaronder het verslag, bedoeld in het vierde lid.

7 . Een afschrift van het door de Onderwijsraad uitgebrachte advies wordt zo spoedig mogelijk

door het college toegezonden aan de bevoegde gezagsorganen. Als het advies zou leiden tot één of meer inhoudelijke bijstellingen van de voorgenomen inhoud van het programma worden de

bevoegde gezagsorganen door het college bij het toezenden van het afschrift van het advies uitgenodigd voor een nader overleg. In alle andere gevallen beoordeelt het college of nader

bestuurlijk overleg over het advies van de Onderwijsraad noodzakelijk is. Het college geeft dit aan bij het toezenden van het afschrift van het advies.

8 . Nader overleg als bedoeld in het vorige lid vindt plaats binnen 2 weken nadat het advies van de

Onderwijsraad aan de bevoegde gezagsorganen is gezonden. Het college maakt van dit overleg een verslag en voegt dit toe aan het verslag, bedoeld in het vierde lid.

Paragraaf 2.3 Vaststellen bekostigingsplafond, programma en overzicht

Artikel 11. Tijdstip vaststellen bekostigingsplafond, programma en overzicht

1 . Het college stelt het bekostigingsplafond vast voor de vergoeding van de aangevraagde

voorzieningen. Hierbij kan onderscheid gemaakt worden naar onderwijssoort of per voorziening.

2 . Het programma en het overzicht worden vastgesteld op uiterlijk 31 december voorafgaande aan Pagina 5 van 31

het jaar waarop het programma betrekking heeft.

Artikel 12. Bekendmaken besluiten vaststellen bekostigingsplafond, programma en overzicht

1 . De besluiten tot het vaststellen van het bekostigingsplafond, het programma en het overzicht

worden door het college binnen 2 weken na de datum waarop het besluit is genomen bekend

gemaakt door het toezenden of uitreiken van het besluit aan de aanvragers. Gelijktijdig stelt het college de overige bevoegde gezagsorganen schriftelijk in kennis van de genomen besluiten. 2 . De besluiten worden gelijktijdig met de bekendmaking ter inzage gelegd.

Paragraaf 2.4 Uitvoeren programma

Artikel 13. Overleg wijze van uitvoering

1 . Binnen vier weken nadat het programma is vastgesteld treedt het college in overleg met de

aanvrager over de wijze waarop de op het programma geplaatste voorziening wordt uitgevoerd. In dit overleg wordt alle informatie verstrekt die nodig is voor het uitvoeren van de voorziening en worden, voor zover van toepassing, afspraken gemaakt over:

a . het bouwheerschap, bedoeld in artikel 103 van de Wet op het primair onderwijs, en artikel 76n

van de Wet op het voortgezet onderwijs;

b . het tijdstip waarop het bouwplan en de begroting door de aanvrager worden ingediend;

c . als dit van toepassing is, een andere wijze waarop de toegekende voorziening wordt uitgevoerd,

met inachtneming van het beschikbaar te stellen bedrag;

d . de wijze waarop het college het bouwplan en de begroting toetst, en of het naar het oordeel van

het college noodzakelijk is bij het toetsen van het bouwplan en de begroting rekening te houden met feiten en omstandigheden die gewijzigd zijn ten opzichte van het moment waarop het programma is vastgesteld, waardoor het eerder genomen besluit kan worden herzien;

e . de controle op en het afleggen van verantwoording over het besteden van de beschikbaar te

stellen middelen;

f . de wijze waarop de aanbesteding plaatsvindt;

g . de mogelijkheid om vooruitlopend op het aanvragen van het totale investeringskrediet een

bedrag aan te vragen voor de kosten van voorbereiding van het bouwplan tot 8 procent van het geraamde investeringsbedrag.

2 . De inhoud van de afspraken of het feit dat het overleg niet tot overeenstemming heeft geleid

legt het college schriftelijk vast in een verslag. De aanvrager ontvangt het verslag binnen 4 weken

na het overleg. Als de aanvrager niet binnen twee weken nadat het verslag is ontvangen schriftelijk

reageert, wordt, afhankelijk van de inhoud van het vastgestelde verslag, geacht overeenstemming of geen overeenstemming te zijn bereikt.

3 . Bij het toepassen van artikel 14, tweede lid, neemt het college binnen 4 weken nadat

overeenstemming is bereikt een beslissing over het tijdstip waarop de bekostiging aanvangt. Het bepaalde in artikel 15 is daarbij van overeenkomstige toepassing.

4 . Als in het overleg geen overeenstemming is bereikt, deelt het college dit binnen 4 weken nadat

het verslag is vastgesteld schriftelijk mede aan de aanvrager en vermeldt gelijktijdig dat het bekostigen van de uitvoering van de voorziening wordt opgeschort.

Artikel 14. Instemmen bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang bekostiging; toetsen wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en omstandigheden; overleggen offertes

1. Nadat overeenstemming als bedoeld in artikel 13, tweede lid, is bereikt dient het bevoegd gezag het bouwplan en, als de voorziening wordt bekostigd op basis van de feitelijke kosten, de

bijbehorende begroting in bij het college. Het bevoegd gezag houdt daarbij rekening met de

hierover gemaakte afspraken, bedoeld in artikel 13, eerste lid. Gelijktijdig vermeldt het bevoegd Pagina 6 van 31

gezag het tijdstip waarop de bekostiging kan starten. Het college moet instemmen met het bouwplan en de begroting voordat een bouwopdracht wordt verleend.

2. Het college beslist binnen 6 weken nadat de stukken zijn ontvangen over de bouwplannen, de desbetreffende begroting en het tijdstip waarop de bekostiging start. Het college kan, onder

mededeling daarvan aan de aanvrager, deze termijn verlengen met 3 weken. Als niet binnen de

gestelde termijn is besloten, wordt geacht instemming te zijn verleend met de bouwplannen en de

begroting en start de bekostiging op het door de aanvrager aangegeven tijdstip. Het college stelt de aanvrager binnen 2 weken na de datum van de beslissing over het bouwplan, de desbetreffende begroting en het tijdstip waarop de bekostiging start respectievelijk na de datum waarop de instemming geacht wordt te zijn verleend hiervan schriftelijk in kennis.

3. De vergoeding op basis van de feitelijke kosten wordt vastgesteld op basis van de economisch meest voordelige inschrijving.

Artikel 15. Aanvang bekostiging

Het college kan bij de beslissing over het tijdstip waarop de bekostiging start bepalen dat de

gelden in termijnen betaald worden. Het betalen van de gelden vindt telkens plaats op een zodanig tijdstip dat de aanvrager kan voldoen aan de financiële verplichtingen die voortkomen uit het realiseren van de op het programma geplaatste voorziening. Artikel 16. Vervallen aanspraak op bekostiging

1. Voor 1 oktober van het jaar waarop het programma betrekking heeft geeft de aanvrager een

bouwopdracht of sluit hij een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst af. Hiervan zendt hij voor 15 oktober een afschrift aan het college. De aanspraak op bekostiging vervalt als niet aan deze verplichtingen wordt voldaan.

2. De in het eerste lid bedoelde:

a. bouwopdrachten en overeenkomsten zijn onherroepelijk;

b. bouwopdrachten vermelden de aanvangsdatum van het werk en de termijn, uitgedrukt in het aantal werkbare dagen, waarbinnen het werk wordt opgeleverd;

c. huur- of erfpachtovereenkomsten vermelden de datum van inwerkingtreding, alsmede de duur van de overeenkomst;

d. koopovereenkomsten vermelden de datum van aankoop.

3. De aanspraak op bekostiging vervalt niet als het overschrijden van de in het eerste lid bedoelde termijn veroorzaakt wordt door:

a. bijzondere omstandigheden die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen, en

b. de aanvrager voor 1 september een schriftelijk gemotiveerd verzoek tot het verlengen van de termijn heeft ingediend bij het college.

4. Het college beslist voor 15 september op een verzoek tot het verlengen van de termijn. Bij

inwilliging van het verzoek wordt in het besluit aangegeven tot welke datum de termijn wordt verlengd.

Hoofdstuk 3. Aanvragen met spoedeisend karakter

Paragraaf 3.1 Aanvraag

Artikel 17. Indienen aanvraag

Een aanvraag tot het bekostigen van een voorziening die gelet op de voortgang van het onderwijs geen uitstel kan lijden, wordt binnen 2 weken na het ontstaan van de calamiteit ingediend bij het college. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een door het college vastgesteld formulier. Pagina 7 van 31

Artikel 18. Inhoud aanvraag

1. Een aanvraag als bedoeld in artikel 17 vermeldt naast de gegevens genoemd in artikel 7, eerste lid, de omstandigheden waarom de voorziening spoedeisend wordt geacht.

2. Het college stelt de aanvrager binnen 2 weken na de datum waarop de aanvraag is ingediend

schriftelijk op de hoogte als gegevens als bedoeld in het eerste lid ontbreken. De aanvrager heeft vervolgens 2 weken om de ontbrekende gegevens aan te vullen. Als dit niet gebeurt, neemt het college de aanvraag niet in behandeling.

Paragraaf 3.2 Beoordelen aanvraag; uitvoeren besluit Artikel 19. Tijdstip beslissing

1. Het college beslist binnen 4 weken nadat de aanvraag is ontvangen of, binnen 4 weken nadat de aanvullende gegevens zijn verstrekt of hadden moeten zijn verstrekt.

2. Als een beschikking niet binnen de gestelde termijn kan worden gegeven, deelt het college dit aan de aanvrager schriftelijk mede en noemt daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.

3. Het college stelt de aanvrager binnen 2 weken na de datum van de beslissing schriftelijk van de beslissing in kennis.

Artikel 20. Uitvoeren beslissing

1 . Na het bekendmaken van een beslissing als bedoeld in artikel 19, eerste lid, waarbij een

vergoeding is toegewezen, treedt het college zo spoedig mogelijk in overleg met de aanvrager over de wijze waarop de voorziening wordt uitgevoerd. Het bepaalde in de artikelen 13, 14, 15 en 16,

tweede tot en met vierde lid, is daarbij van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in plaats van de termijn, bedoeld in artikel 14, tweede lid, eerste volzin, een termijn van 3 weken geldt.

2 . Binnen drie maanden na bekendmaking van een beslissing als bedoeld in het eerste lid geeft de

aanvrager een bouwopdracht of sluit hij een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst af. Hiervan

zendt hij binnen twee weken een afschrift aan het college. De aanspraak op bekostiging vervalt als niet aan deze verplichtingen wordt voldaan. Hoofdstuk 4. Medegebruik en verhuur

Paragraaf 4.1 Medegebruik voor onderwijs of educatie Artikel 21. Aanduiden omstandigheden

Het college kan overgaan tot het vorderen van een gedeelte van een voor een school bestemd gebouw of terrein als:

a. door medegebruik aan de behoefte aan huisvesting kan worden voorzien van een school waarbij overeenkomstig bijlage III, deel C, een aanvullende ruimtebehoefte is vastgesteld en het bevoegd gezag van die school een aanvraag als bedoeld in de artikelen 6 of 17 heeft ingediend;

b. sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij een andere school of een instelling als

bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs, vastgesteld aan de hand van de voor die school of instelling gangbare berekeningswijze;

c. leegstand is vastgesteld in een lesgebouw van een school;

d. leegstand is vastgesteld in een lokaal bewegingsonderwijs van een school, of

e. een sportveld van een school voor voortgezet onderwijs niet volledig wordt benut, wat blijkt uit het lesrooster van de school of scholen die dat sportveld voor het onderwijs gebruiken. Artikel 22. Omschrijving leegstand

1. Er is sprake van leegstand in een schoolgebouw als overeenkomstig bijlage III, deel C, is Pagina 8 van 31

vastgesteld dat de vastgestelde capaciteit van het gebouw groter is dan de vastgestelde ruimtebehoefte.

2. Er is sprake van leegstand in een lokaal bewegingsonderwijs als:

a. het lokaal wordt gebruikt door een of meer scholen voor basisonderwijs, en de som van het aantal klokuren gebruik dat door het college is vastgesteld minder is dan 40 klokuren;

b. het lokaal wordt gebruikt door een of meer scholen voor voortgezet onderwijs en uit de

overeenkomstig bijlage III, deel B, vastgestelde ruimtebehoefte blijkt dat het lokaal minder dan 40

lesuren wordt gebruikt, tenzij het bevoegd gezag op basis van het lesrooster of de lesroosters voor het lopende of eerstkomende schooljaar aantoont dat dit niet het geval is; Artikel 23. Nalaten vorderen

Het college vordert geen medegebruik als het bevoegd gezag de leegstand van het gebouw waarin

het beoogde medegebruik moet plaatsvinden, in gebruik heeft gegeven aan een andere school of

scholen voor het onderwijs aan die school of scholen, tenzij dat gebruik kan plaatsvinden in de voor die scholen al beschikbare huisvestingscapaciteit. Artikel 24. Overleg en mededeling

1. Voordat het college overgaat tot vorderen in het kader van een aanvraag als bedoeld in artikel 6

overlegt het daarover met de betrokken bevoegde gezagsorganen tijdens het overleg als bedoeld in artikel 10.

2. Voordat het college overgaat tot vorderen in het kader van een aanvraag als bedoeld in artikel 17, overlegt het daarover zo spoedig mogelijk met de betrokken bevoegde gezagsorganen.

3. Binnen 4 weken nadat het programma is vastgesteld of binnen 1 week na het overleg, bedoeld in het vorige lid, deelt het college het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt schriftelijk mede dat gevorderd wordt.

4. De schriftelijke mededeling van het college bevat in ieder geval:

a. de naam van de school en het bevoegd gezag waarvoor wordt gevorderd;

b. een aanduiding van het aantal leerlingen waarvoor gevorderd wordt of, als het betreft het bewegingsonderwijs, het aantal klokuren dat gevorderd wordt; c. het gebouw waarop de vordering betrekking heeft;

d. het aantal vierkante meters bruto vloeroppervlakte dat gevorderd wordt; e. de periode waarvoor gevorderd wordt, en f. de ingangsdatum van het medegebruik. Artikel 25. Vergoeding

De betrokken bevoegde gezagsorganen stellen in onderling overleg de vergoeding voor het

medegebruik vast. Hierbij wordt als uitgangspunt genomen dat de vergoeding kostendekkend dient te zijn. Als geen overeenstemming wordt bereikt stellen partijen in onderling overleg vast welke handelswijze wordt gevolgd.

Paragraaf 4.2 Medegebruik voor culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden Artikel 26. Overleg en mededeling

1. Voordat het college overgaat tot vorderen overlegt het college met het bevoegd gezag. 2. In het overleg komt in ieder geval aan de orde:

a. voor welke activiteit of activiteiten gevorderd wordt;

b. of die activiteit of activiteiten zich verdragen met het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school;

c. of maatregelen noodzakelijk zijn om te voorkomen dat het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school hinder van het medegebruik ondervindt;

Pagina 9 van 31

d. wat naar oordeel van het college en het bevoegd gezag een redelijke vergoeding voor het medegebruik is;

e. de datum waarop het medegebruik redelijkerwijs aanvang kan nemen.

3. Binnen 4 weken na het overleg deelt het college het bevoegd gezag waarvan medegebruik

gevorderd wordt schriftelijk mede dat gevorderd wordt. Als het overleg heeft geleid tot afspraken, worden ook deze opgenomen in de schriftelijke mededeling. Als het overleg niet tot volledige

overeenstemming heeft geleid, dan bevat de mededeling de beslissing van het college over de punten waarover geen overeenstemming was bereikt.

Paragraaf 4.3 Verhuur

Artikel 27. Verzoek toestemming college

1. Het bevoegd gezag verzoekt het college schriftelijk om toestemming als bedoeld in artikel 108,

eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs artikel 76s, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs voordat een huurovereenkomst wordt gesloten.

2. Het verzoek bevat een aanduiding van de huurder en van de bestemming van de te verhuren ruimte.

3. Het college kan aan de toestemming de voorwaarde verbinden dat voor de verhuur een huur is verschuldigd.

Hoofdstuk 5. Einde gebruik gebouwen en terreinen Artikel 28. Staat van onderhoud 1

Als het bevoegd gezag aan het college schriftelijk meldt dat een gebouw of terrein niet

meer nodig is voor het huisvesten van een school stelt het college vast of er mogelijk sprake is van achterstallig onderhoud aan het gebouw of terrein.

2

3

Als het college vaststelt dat er sprake is van achterstallig onderhoud wordt voordat de

eigendomsoverdracht plaatsvindt een staat van onderhoud opgemaakt.

De staat van onderhoud wordt na overleg met het bevoegd gezag opgemaakt in opdracht

van het college.

4

Over de staat van onderhoud wordt overleg gevoerd met het bevoegd gezag.

5

Als uit de staat van onderhoud blijkt dat sprake is van achterstallig onderhoud wordt in het

overleg vastgesteld welk deel hiervan voor rekening van het bevoegd gezag komt en of het bevoegd gezag opdracht verstrekt voor het uitvoeren van de werkzaamheden, of dat het bevoegd gezag een in overleg vast te stellen bedrag aan het college betaalt. Als geen

overeenstemming wordt bereikt, stellen partijen vast welke handelwijze verder gevolgd wordt. 6

Het opmaken van een staat van onderhoud blijft achterwege als dit naar het oordeel van het

college niet nodig is.

Hoofdstuk 6. Gebruik lokaal bewegingsonderwijs door basisonderwijs voortgezet onderwijs Artikel 29. Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit, inroosteren en gebruik

1. Het college stelt jaarlijks voor 15 februari voorlopig vast het aantal klokuren bewegingsonderwijs Pagina 10 van 31

waarop een school voor basisonderwijs, in het daaropvolgende schooljaar aanspraak maakt.

2. Grondslag voor het berekenen van het aantal klokuren is het aantal leerlingen dat op 1 oktober van het lopende schooljaar op de school staat ingeschreven.

3. De bevoegde gezagsorganen gaan in overleg met de exploitant om het gymrooster op te stellen.

Op verzoek van de bevoegde gezagsorganen kan het college een overleg over het voorstel plannen. Dit overleg vindt plaats voor 15 april. In het overleg kunnen de vertegenwoordigers van de bevoegde gezagsorganen reageren op het voorstel.

4. Het college stelt het rooster voor 15 mei definitief vast en houdt hierbij rekening met de reacties van de bevoegde gezagsorganen.

5. Het bevoegd gezag kan het college verzoeken meer klokuren in te roosteren dan het aantal klokuren dat door het college is vastgesteld.

6. Het college neemt een verzoek als bedoeld in het vorige lid uitsluitend in behandeling als

daarvoor nog capaciteit beschikbaar is. Het aantal klokuren dat door het college extra wordt ingeroosterd komt voor rekening van het bevoegd gezag van de school. Hoofdstuk 7. Slotbepalingen

Artikel 30. Beslissing college in gevallen waarin de verordening niet voorziet

In gevallen die de uitvoering van deze verordening betreffen en waarin deze verordening niet

voorziet beslist het college. Artikel 31. Indexering

Het college stelt jaarlijks de in het kader van deze verordening gehanteerde normbedragen voor de

vergoeding van voorzieningen bij op basis van de in bijlage IV opgenomen systematiek van prijsbijstelling.

Bijlage I Beoordelingscriteria noodzaak aangevraagde voorzieningen Deel A - Lesgebouwen

De voorzieningen genoemd onder A.2 (vervangende bouw) en A.3 (uitbreiding met één of meer

leslokalen) worden niet noodzakelijk geacht voor dislocaties met een permanente bouwaard. Slechts in bijzondere omstandigheden kan dit, na overleg met het bevoegd gezag en ter beoordeling van het college plaatsvinden. A . 1 Nieuwbouw

Noodzaak van nieuwbouw is aanwezig als:

a . de minister de desbetreffende school voor het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt; b . de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of kunnen worden verwacht en:

1 °. als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening betreft een overeenkomstig bijlage II

opgestelde prognose aantoont dat deze leerlingen gedurende ten minste 15 jaar kunnen worden verwacht, of

2 °. als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening betreft een overeenkomstig bijlage II

opgestelde prognose aantoont dat deze leerlingen gedurende ten minste 4 jaar kunnen wor­den verwacht, en

c . geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken is als passende

huisvesting voor de school, en

d . het onmogelijk is om door medegebruik een passende huis­vesting voor de school te realiseren. Pagina 11 van 31

A . 2 Vervangende bouw

De noodzaak van vervangende bouw is aanwezig als:

a . op grond van een overeenkomstig NEN 2767 opgestelde bouwkundige rapportage, inclusief

conditiescore, wordt vastgesteld dat de conditie van voldoende en voldoende zwaarwegende gebouwelementen matig/slecht is waardoor de kosten van onderhoud en/of aanpassingen

disproportioneel hoog zijn ten opzichte van een levensduurverlenging met 20 jaar, zulks ter beoordeling van het college;

b . dit het gevolg is van een herschikkingsoperatie;

c . dit het gevolg is van ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening en:

1 °. als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening betreft een overeenkomstig bijlage II

opgestelde prognose aantoont dat dit aantal leerlingen gedurende ten minste 15 jaar aanwezig is of kan worden verwacht, of

2 °. als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening betreft een overeenkomstig bijlage II

opgestelde prognose aantoont dat dit aantal leerlingen gedurende ten minste 4 jaar aanwezig is of kan worden verwacht, en

d . geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken is als passende

huisvesting voor de school, en

e . het onmogelijk is om door medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren.

A . 3 Uitbreiding schoolgebouw

De noodzaak van het uitbreiden van een schoolgebouw is aanwezig als:

a . de overeenkomstig bijlage III, deel A, vastgestelde capaciteit van een schoolgebouw van een

school voor basisonderwijs of een voortgezet onderwijs, gelijk of groter is dan de drempelwaarde, bedoeld in bijlage III, deel C, en b . daarnaast :

1 °. als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening betreft een overeenkomstig bijlage II

opgestelde prognose aantoont dat dit aantal leerlingen gedurende minstens vijftien jaar kan worden verwacht,

2 °. als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening betreft een overeenkomstig bijlage II

opgestelde prognose aantoont dat dit aantal leerlingen gedurende minstens vier jaar aanwezig is of kan worden verwacht, of

3 °. de prognose op basis van de laatste teldatum voor het indienen van de aanvraag aantoont dat

het aantal leerlingen dat aanwezig is niet voor ten hoogste vier jaar binnen het gebouw of de gebouwen kan worden gehuisvest, en

c . geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken is als passende

huisvesting voor de school, en

d . het onmogelijk is om door medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren

A . 4 In gebruik nemen van een bestaand gebouw

De noodzaak van het in gebruik nemen van een gebouw is aanwezig als:

a . de minister de desbetreffende school voor het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt of

als het huidige gebouw moet worden vervangen of uitgebreid;

b . de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of kunnen worden verwacht en:

1 °. als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening betreft een overeenkomstig bijlage II

opgestelde prognose aantoont dat deze leerlingen gedurende minstens vijftien jaar kunnen worden verwacht, of

2 °. als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening betreft een overeenkomstig bijlage II Pagina 12 van 31

opgestelde prognose aantoont dat deze leerlingen gedurende minstens vier jaar kunnen worden verwacht, en

c . geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken is als passende

huisvesting voor de school;

d . het onmogelijk is om door medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren,

en

e . de kosten van het in gebruik nemen en aanpassen naar oordeel van het college in redelijke

verhouding staan tot de kosten van vervangende bouw of uitbreiding. A . 5 Verplaatsen tijdelijk gebouw

De noodzaak van het verplaatsen van een tijdelijk gebouw is aanwezig als:

a . er op basis van een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose een tijdelijke behoefte aan

huisvesting voor minstens vier jaar is, waarin een beschikbaar leeg of leegkomend tijdelijk gebouw kan voorzien;

b . geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken is als passende

huisvesting voor de school;

c . het onmogelijk is om door medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren,

en

d . de kosten van het verplaatsen naar oordeel van het college in redelijke verhouding staan tot de

kosten van een nieuwe tijdelijke voorziening voor hetzelfde aantal leerlingen en voor dezelfde tijdsduur.

A . 6 Terrein

De noodzaak van het verwerven of uitbreiden van een terrein of een deel daarvan is aanwezig als

het college heeft ingestemd met een voorziening als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1° tot en met 4°, en de oppervlakte van het bestaande terrein niet voldoende is om deze voorziening te

realiseren. De oppervlakte van het terrein moet voldoen aan de minimumnormen, bedoeld in bijlage III, deel D.

A . 7 Eerste inrichting

1 . De noodzaak van de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket en meubilair ontstaat wanneer

deze niet eerder door de gemeente is bekostigd.

2 . Bij fusie van scholen wordt uitsluitend uitbreiding van eerste aanschaf van onderwijsleerpakket,

meubilair toegekend als het aantal leerlingen na de fusie groter is dan het totaal aantal leerlingen van de afzonderlijk aan de fusie deelnemende scholen. A . 8 Medegebruik

1 . De noodzaak van medegebruik van een school voor basisonderwijs, of een school voortgezet

onderwijs is aanwezig als het verschil tussen de overeenkomstig bijlage III, deel A, vastgestelde capaciteit en de overeenkomstig bijlage III, deel B, vastgestelde ruimtebehoefte: a . gelijk of groter is dan de drempelwaarde, bedoeld in bijlage III, deel C, en

b . een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat de overeenkomstig bijlage III,

deel C, vastgestelde aanvullende ruimtebehoefte voor minimaal 4 jaar noodzakelijk is.

2 . Bepalend bij het beoordelen van de beschikbaarheid van een gebouw of ruimte voor

medegebruik is een afstand van ten hoogste afstand 2 km, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg).

3 . Medegebruik blijft beperkt tot ten hoogste twee gebouwen. A . 9 Herstel van constructiefouten

De noodzaak van herstel van constructiefouten is aanwezig als een bouwkundige rapportage Pagina 13 van 31

uitwijst dat het gaat om constructiefouten die hersteld moeten worden.

A . 10 Vervangen of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden

De noodzaak van vervangen of herstel van een gebouw, onderwijsleerpakket of meubilair als

gevolg van schade daaraan is aanwezig als door de opgetreden bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt gehinderd. Deel B - Voorzieningen voorlokalen bewegingsonderwijs

B . 1 Nieuwbouw, vervangende nieuwbouw, uitbreiding en ingebruikneming. De noodzaak van:

a . nieuwbouw is aanwezig als de minister de desbetreffende school voor het eerst voor

bekostiging in aanmerking brengt;

b . vervangende nieuwbouw is aanwezig als op grond van een overeenkomstig NEN 2767

opgestelde bouwkundige rapportage wordt vastgesteld dat onderhoud of aanpassen niet zal leiden tot de gewenste levensduurverlenging van 20 jaar of dit het gevolg is van een herschikkingsoperatie;

c . uitbreiding van een lokaal bewegingsonderwijs is aanwezig als de oppervlakte van de zaal

kleiner is dan 140 vierkante meters en het effectief gebruik van het lokaal daardoor belemmerd wordt,

d . het in gebruik nemen van een lokaal bewegingsonderwijs is aanwezig als:

1 °. de minister de school voor het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt;

2 °. het huidige gebouw overeenkomstig onderdeel b voor vervanging in aanmerking komt; of

3 °. de kosten van het in gebruik nemen en aanpassen naar oordeel van het college in redelijke

verhouding staan tot de kosten van vervangende bouw, en

e . het onmogelijk is gebruik te maken van één of meer lokalen bewegingsonderwijs of van binnen

een redelijke termijn beschikbaar komende lokalen bewegingsonderwijs voor: 1 °. een school voor basisonderwijs bij noodzakelijk gebruik van:

a . ten minste 20 klokuren binnen 1 km gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende

begaanbare en veilige weg of

b . ten minste 15 klokuren binnen 3,5 km gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende

begaanbare en veilige weg of

c . ten minste 5 klokuren binnen 7,5 km gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende

begaanbare en veilige weg of

2 °. een school voor voortgezet onderwijs binnen 2 km gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare weg en veilige en

een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaar de groepen leerlingen waarvoor het door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk is, aanwezig zijn of verwacht kunnen worden. B . 2 Terrein

De noodzaak van het verwerven of uitbreiden van een terrein of een deel daarvan is aanwezig als

voor het realiseren van de nieuwbouw of de uitbreiding geen of onvoldoende terrein aanwezig is. B . 3 Eerste inrichting

De noodzaak van eerste inrichting bewegingsonderwijs is aanwezig als:

a . nieuwbouw, uitbreiding of ingebruikneming bestaand lokaal bewegingsonderwijs voor de school

is goedgekeurd, en

Pagina 14 van 31

b . voor de desbetreffende groepen leerlingen van het basisonderwijs nog niet eerder bekostiging

eerste inrichting bewegingsonderwijs is verstrekt of voor de desbetreffende leerlingen van het

voortgezet onderwijs nog niet eerder bekostiging eerste inrichting bewegingsonderwijs is verstrekt. B . 4 Huur van een sportterrein school voor voortgezet onderwijs

De noodzaak van huur van een sportveld is aanwezig als het lesrooster buitensport vermeldt, het

bevoegd gezag niet beschikt over een eigen sportveld en medegebruik van een sportveld van een ander bevoegd gezag onmogelijk is. B . 5 Medegebruik

De noodzaak van medegebruik is aanwezig als het door de gemeente vastgestelde aantal klokuren bewegingsonderwijs zodanig is dat daarvoor binnen de op dat moment in gebruik zijnde lokalen bewegingsonderwijs geen plaats is. B . 6 Herstel constructiefouten

De noodzaak van herstel van constructiefouten is aanwezig als een bouwkundige rapportage uitwijst dat het gaat om constructiefouten die hersteld moeten worden.

B . 7 Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden

De noodzaak van vervangen of herstel van een gebouw, onderwijsleerpakket of meubilair als gevolg van schade daaraan is aanwezig als door de opgetreden bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt gehinderd. Bijlage II Prognosecriteria A . Algemeen

1 . Een prognose van het aantal te verwachten leerlingen van een school voor basisonderwijs of

voor voortgezet onderwijs wordt gemaakt voor een periode van minstens vijftien jaar, met als eerste jaar het jaar waarin de start van de bekostiging wordt gewenst (de prognoseperiode).

2 . De prognose omvat gegevens voor minstens een periode van zes jaar (de analyseperiode) met

als laatste jaar het jaar dat voorafgaat aan het indienen van de aanvraag. De prognose is niet meer

dan twee jaar oud. Als basis voor de prognose mag gebruik gemaakt worden van de omvang van de basisgeneratie voor het basisonderwijs zoals het meest recent berekend door het Centraal Bureau voor de Statistiek of het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

3 . Een prognose wordt schriftelijk aangeleverd en bevat in ieder geval de relevante gegevens en

berekeningen over de analyse- en prognoseperiode, een beschrijving van de gebruikte

programmatuur en een onderbouwing van de aannames waarop de prognose is gebaseerd. B . Voedingsgebied

1 . Het voedingsgebied van een school omvat het gebied waaruit het overgrote deel van de leerlingen afkomstig is of zal zijn.

2 . De prognose voor een basisschool bevat in ieder geval een beschrijving van het voedingsgebied op wijkniveau.

3 . Voor zover het voedingsgebied kleiner is dan de hele gemeente wordt beredeneerd aangegeven welke berekeningen op de basisgeneratie zijn toegepast. C . Prognose school voor basisonderwijs

De prognose van een school voor basisonderwijs geeft per jaar inzicht in het te verwachten aantal leerlingen van de school of nevenvestiging waarbij rekening wordt gehouden met: a . het voedingsgebied;

b . de bevolking in het voedingsgebied, verdeeld in relevante leeftijdsgroepen; Pagina 15 van 31

c . de woningvoorraad en wijzigingen daarin, inclusief een eventuele wijziging van het

voedingsgebied;

d . veranderingen als gevolg van migratie, sterfte en geboorte in de leeftijdsgroepen, bedoeld

onder b;

e . veranderingen in de bevolking als gevolg van wijzigingen in de woningvoorraad;

f . de verdeling van de leerlingen als gevolg van de belangstelling voor de basisschool, en g . het onderwijs dat wordt gegeven.

E . Prognose school voor voortgezet onderwijs

De prognose van een school voor voortgezet onderwijs moet inzicht geven in: a . de gemeente van herkomst van de leerlingen b . het voedingsgebied;

c . de verdeling van de leerlingen als gevolg van de belangstelling voor de basisschool; d . de basisgeneratie 4 tot en met 11 jaar + 30 procent van de 12 jarigen, en e . de plaats waar het onderwijs moet worden gegeven.

Bijlage III- Criteria vaststellen capaciteit, ruimtebehoefte en aanvullende ruimtebehoefte Deel A – Vaststellen capaciteit A . 1 Uitgangspunten

De capaciteit van gebouwen wordt op basis van onderstaande methodiek vastgesteld. Het college

kan in overeenstemming met het bevoegd gezag van een school besluiten tot het verminderen van de met onderstaande methodiek vastgestelde capaciteit, als de hiertoe beschikbaar komende ruimten worden ingezet voor onderwijskundige, culturele, maatschappelijke of recreatieve

doeleinden. Als een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen en hiervoor geen vergoeding wordt genoten, wordt dit deel niet tot de capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel geregistreerd.

A . 1 . 1 School voor basisonderwijs of voortgezet onderwijs

1 . De capaciteit van een gebouw voor een school voor basisonderwijs of voortgezet onderwijs

wordt vastgelegd in de bruto vloeroppervlakte van het gebouw en bepaald overeenkomstig bijlage III, deel E. De capaciteit van ieder gebouw wordt afzonderlijk vastgesteld.

3 . De capaciteit van een schoolgebouw wordt verminderd met 90 vierkante meter als een ruimte in

het schoolgebouw is verhuurd voor het huisvesten van een peuterspeelzaal, buitenschoolse opvang of kinderopvang en het college voor deze verhuur vooraf toestemming heeft verleend.

4 . De bruto vloeroppervlakte van een schoolgebouw van het voortgezet onderwijs wordt

vermeerderd met de bruto vloeroppervlakte van de lokalen bewegingsonderwijs.

5 . Als sprake is van een schoolgebouw met een bruto-netto-verhouding in de oppervlakte die

sterk afwijkt van de sinds 1 januari 1997 gerealiseerde schoolgebouwen, kan het schoolbestuur een verzoek indienen tot vaststelling van een fictieve bruto vloeroppervlakte als grondslag voor de capaciteitsbepaling.

A . 1 . 2 Dislocaties, gebouwen met een permanente of tijdelijke bouwaard

De capaciteit van dislocaties wordt overeenkomstig bijlage III, deel E, vastgesteld. A . 1 . 3 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties

Als een schoolbestuur voornemens is een hoofdvestiging, nevenvestiging of dislocatie af te stoten, wordt in overleg met het college vastgesteld welk gebouw wordt afgestoten. A . 1 . 4 Terrein

Het terrein omvat het kadastraal perceel of de kadastrale percelen waarop het schoolgebouw met Pagina 16 van 31

toebehoren zich bevindt. De terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van het Kadaster. Als de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het schoolterrein wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van de terreinoppervlakte vastgelegd.

A . 1 . 5 Inventaris

Voor de inventaris geldt als uitgangspunt dat op 1 januari 2015 alle scholen voor basisonderwijs en

voortgezet onderwijs in de gemeente zijn voorzien van voldoende onderwijsleerpakket en meubilair en leer- en hulpmiddelen. De bruto vloeroppervlakte van de school is de basis voor het vaststellen van de omvang van de aanwezige inventaris. A . 1 . 6 Lokalen bewegingsonderwijs

A . 1 . 6 . 1 Lokalen bewegingsonderwijs

De capaciteit van een lokaal bewegingsonderwijs bedraagt 40 klokuren. A . 1 . 6 . 2 Terrein

De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster. Slechts de

terreinoppervlakte van de vrijstaande lokalen bewegingsonderwijs gelegen op eigen terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt geregistreerd. A . 1 . 6 . 3 Inventaris

De inventaris aanwezig op 1 januari 2015 wordt geacht voldoende te zijn. Deel B – Vaststellen ruimtebehoefte B . 1 Lesgebouwen

B . 1 . 1 School voor basisonderwijs

1 . De ruimtebehoefte voor een school voor basisonderwijs wordt bepaald aan de hand van het

aantal leerlingen en omvat een speellokaal. De ruimtebehoefte wordt berekend voor elke school met een eigen BRIN-nummer en voor elke nevenvestiging met een eigen vestigingsnummer. Een

nevenvestiging wordt voor het berekenen van de ruimtebehoefte beschouwd als een afzonderlijke school. Aan de ruimtebehoefte wordt een toeslag verbonden, indien voor de school aanvullende bekostiging beschikbaar wordt gesteld.

2 . De ruimtebehoefte wordt berekend met de formule: R = 200 + 5 , 03 * L , waarbij :

R = ruimtebehoefte in vierkante meter bruto vloeroppervlakte, afgerond op hele vierkante meter.

L = Aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking

heeft op de school zijn ingeschreven.

3 . Indien een school een vergoeding ontvangt op grond van de achterstandsscore als bedoeld in

artikel 27 van het Besluit bekostiging Wet op het primair onderwijs wordt een toeslag voor de ruimtebehoefte toegekend. De toeslag wordt berekend met de formule: T = 1 , 40 * G , waarbij :

T = Toeslag in vierkante meter bruto vloeroppervlakte, afgerond op hele vierkante meter.

G = De achterstandsscore, zoals gepubliceerd door de Dienst Uitvoering Onderwijs van het

ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap vermenigvuldigd met 7,17%, rekenkundig afgerond op een geheel getal.

B.1.2. School voor voortgezet onderwijs

1. De ruimtebehoefte voor een school voor voortgezet onderwijs wordt bepaald aan de hand van het ruimtebehoeftemodel (RBM-(L)VO. De totale ruimtebehoefte van een instelling voor voortgezet onderwijs is het totaal van twee componenten, te weten: a. een leerlinggebonden component, en

Pagina 17 van 31

b. een vaste voet.

2. De leerlinggebonden component wordt berekend door de in tabel 1 opgenomen bruto

vloeroppervlakten per leerling te vermenigvuldigen met het aantal leerlingen dat op de school voor voortgezet onderwijs staat ingeschreven. De leerlinggebonden component is afhankelijk van de soort onderwijs en het profiel die de leerling volgt. Aan de hand van de gegevens van de Dienst Uitvoering Onderwijs kunnen de aantallen worden vastgesteld.

3. De vaste voet, opgenomen in tabel 1, voor de hoofdvestiging van de instelling is 980 vierkante meter bruto vloeroppervlakte. Voor een nevenvestiging die op grond van een ministeriële

beschikking in aanmerking komt voor aanvullende bekostiging in verband met spreidingsnoodzaak geldt een afzonderlijke vaste voet van 550 vierkante meter bruto vloeroppervlakte. Een tijdelijke nevenvestiging komt niet in aanmerking voor een vaste voet. Naast de vaste voet per instelling wordt per instelling een vaste voet toegekend op de vestiging voor die profielen waar de beroepsgerichte leerweg(en) wordt aangeboden.

4. De ruimtebehoefte van een school voor voortgezet onderwijs is de som van:

a. de uitkomst van de vermenigvuldiging van het aantal leerlingen per onderwijssoort met de bijbehorende normoppervlakten; b. de vaste voet per instelling;

c. als dit van toepassing is, een vaste voet per vmbo-profiel met beroepsgerichte leerweg, uitgedrukt in bruto vierkante meter, en

d. als dit van toepassing is, een vaste voet voor een afdeling praktijkonderwijs. 5. De ruimtebehoefte van een school voor praktijkonderwijs is de som van:

a. de uitkomst van de vermenigvuldiging van het aantal leerlingen met de bijbehorende normoppervlakten, en

b. de vaste voet voor praktijkonderwijs.

6. Als dit noodzakelijk is voor het bepalen van de omvang van de toekenning, kan op basis van deze normering de leegstand in onderwijsruimten binnen een gebouw voor voortgezet onderwijs worden bepaald. Het ruimtebehoeftemodel kent geen afzonderlijke normering voor een orthopedagogisch didactisch centrum.

Tabel 1 Ruimtebehoeftemodel Voortgezet Onderwijs m² bvo Ruimt vaste voet

Per school VMBO-HAVO-VWO (hoofdvestiging*)

980

Per school VMBO-HAVO-VWO (nevenvestiging spreidingsnoodzaak*)

550

PRO (Praktijkonderwijs)

306

Onderbouw (leerjaar 1 en 2) VMBO- Theoretische leerweg (TLW)

m² bvo per leerling soort* excl. Gymnastiek e

**

m² bvo per /eerling gymnastiek

-Alg. -Alg.

-Alg.

4,41

Wpl

7,72**

-

-Alg.

6,18

1,66

-

-Alg.

6,41

1,11

Pagina 18 van 31

1,99

VMBO- Theoretische leerwegondersteunend onderwijs (TLW-LWOO)

-

-Alg.

7,07

1,26

LWOO

B/KLW

GLW

4,44

4,69

5,98

12,72**

8,99** 5,47**

5,85

5,56

5,95

Spec

3,06

2,25

0,89

-Alg.

4,85

4,71

5,33

Spec

5,53

4,22

2,1

-Alg.

5,03

5,37

5,94

(+ 117)** Wpl

4,69**

2,34** 0,78**

HAVO

-

-Alg.

5,85

0,78

VWO

-

-Alg.

5,85

0,78

Bovenbouw Techniek

VMBO- Profiel Bouwen, wonen en interieur (BWI) VMBO- Profiel produceren, installeren en energie (PIE) VMBO- Profiel Mobiliteit en transport (M&T)

(+ 299) **

VMBO- Profiel Maritiem en techniek (MaT)

-Alg. Wpl

LWOO

B/KLW

GLW

1,57

1,38

1,1

Bovenbouw Economie

VMBO- Profiel Horeca, bakkerij en recreatie (HBR)

(+ 196)** -Alg. of 196 indien HBR

VMBO- Profiel Dienstverlening en producten (D&P)

(+150)**

VMBO- Profiel Media, vormgeving en ICT (MVI) VMBO- Profiel Economie en ondernemen (E&O)

Bovenbouw Zorg & Welzijn

VMBO- Profiel Zorg-welzijn (Z&W)

(+ 168)**

Bovenbouw Landbouw/Groen

VMBO- Profiel Groen Bovenbouw HAVO/VWO

*) niet van toepassing voor zelfstandige praktijkschool TLW = Theoretische leerweg / GLW= Gemengde leerweg

** /** Vaste voet bovenbouw alle vmbo profielen alleen

LWOO = Leerwegondersteunend onderwijs

als sprake is van BLW_KLW richtingen

B/K- LW = Basisberoeps of- Kaderberoepsgerichte leerweg

Alle overige ruimten zijn Algemene ruimten -Alg

*** RUIMTESOORTEN

De aanduiding ruimtesoort(en) is van belang voor het bepalen van de vergoeding voor de

investering volgens bijlage IV van de verordening. Er zijn drie ruimtesoorten, algemene ruimte, specifieke ruimte en werkplaatsen. a.

Bij het bepalen van de investeringsvergoedingen voor het gebouw worden de ruimtesoorten

algemene en specifieke ruimte samengevoegd;

b. Voor het bepalen van de vergoedingen voor eerste inrichting met leer- en hulpmiddelen verschillen de bedragen/m² voor de algemene ruimte en de specifieke ruimte;

c. Bij het bepalen van de vergoedingen voor zowel a) gebouw als b) eerste inrichting wijken de

bedragen/m² voor de ruimtesoort werkplaats en de ruimtesoort algemene ruimte en/of specifieke ruimte van elkaar af.

B . 2 Lokalen bewegingsonderwijs

1 . De ruimtebehoefte van een lokaal bewegingsonderwijs wordt vastgesteld:

a . voor een school voor basisonderwijs, op 1,5 klokuur per week per groep leerlingen 6 jaar en Pagina 19 van 31

ouder;

c . als het schoolgebouw niet beschikt over een speellokaal, op 3,75 klokuur per week voor de leerlingen 4 en 5 jaar.

2 . Bij een school voor voortgezet onderwijs wordt de ruimtebehoefte bepaald op basis van het

aantal lestijden bewegingsonderwijs. Hiervoor geldt als maximum het aantal lesuren dat

overeenkomstig tabel 3 van het ruimtebehoeftemodel is berekend. Deze berekening is als volgt:

(aantal leerlingen * 32 * vierkante meter bruto vloeroppervlakte bewegingsonderwijs per leerling) ÷

460. Voor het leerwegondersteunend onderwijs en praktijkonderwijs wordt een aangepaste formule gehanteerd: (aantal leerlingen * 32 * vierkante meter bruto vloeroppervlakte bewegingsonderwijs per leerling) ÷ 322.

Tabel 2 – Uitgangspunten vaststellen ruimtebehoefte lokaal bewegingsonderwijs voortgezet

onderwijs

Onderwijssoort

Leerweg

BVO per leerling

Onderbouw ( leerjaar 1 en 2)

-

1 , 66

Bovenbouw AVO/VWO

-

0 , 78

Bovenbouw theoretische leerweg

TLW

1 , 11

-

LWOO

1 , 26

Bovenbouw techniek

GLW

1 , 11

-

BLW

1 , 38

-

LWOO

1 , 57

Bovenbouw economie

GLW

1 , 11

-

BLW

1 , 38

-

LWOO

1 , 57

Bovenbouw zorg/welzijn

GLW

1 , 11

-

BLW

1 , 38

-

LWOO

1 , 57

Bovenbouw landbouw

GLW

1 , 11

-

BLW

1 , 38

-

LWOO

1 , 57

Praktijkonderwijs Deel C – Vaststellen aanvullende ruimtebehoefte

C . 1 Voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen

Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als de overeenkomstig deel C vastgestelde ruimtebehoefte gedurende minstens vijftien jaar blijft bestaan. C . 1 . 1 Nieuwbouw, of vervangende nieuwbouw

De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening nieuwbouw of vervangende nieuwbouw wordt overeenkomstig deel B vastgesteld. C . 1 . 2 Overige voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen

1 . Uitbreiding , uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, ingebruikneming of

medegebruik wordt voor een:

a . school voor basisonderwijs vastgesteld als het verschil tussen de overeenkomstig deel A

vastgestelde capaciteit en de overeenkomstig deel B vastgestelde ruimtebehoefte gelijk of groter is Pagina 20 van 31

dan de drempelwaarde van:

1 °. 55 vierkante meter bruto vloeroppervlakte voor een voorziening basisonderwijs;

b . school voor voortgezet onderwijs wordt vastgesteld als het verschil tussen de overeenkomstig

deel A vastgestelde capaciteit en de overeenkomstig deel B vastgestelde ruimtebehoefte gelijk of

groter is dan tien procent van de bestaande capaciteit met een minimum van 100 vierkante meter. Medegebruik wordt vastgesteld op het verschil tussen de overeenkomstig deel B vastgestelde ruimtebehoefte en de overeenkomstig deel A vastgestelde capaciteit verhoogd met 10%. C . 2 Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen

De ruimtebehoefte van een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening wordt op dezelfde wijze

vastgesteld als de ruimtebehoefte voor een voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen. Een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening is voor minstens vier jaar en maximaal vijftien jaar

noodzakelijk. Voor het vaststellen van de omvang van een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening moet het verschil:

a . bij een school voor basisonderwijs, ten minste 40 vierkante meter bruto vloeroppervlakte

bedragen, en

b . bij een school voor voortgezet onderwijs voldoen aan het gestelde onder C.1.2, eerste lid, onder

b.

C . 3 Overige voor blijvend gebruik of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen De omvang van een goedgekeurde voorziening:

a . voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde voorziening terrein, dan wel uitbreiding van het

terrein, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om het schoolgebouw te realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen ten aanzien van de terreinoppervlakte en de minimumnormen, bedoeld in bijlage III deel D. b . eerste aanschaf van:

1 °. onderwijsleerpakket en meubilair, of uitbreiding van de eerste aanschaf van het

onderwijsleerpakket en meubilair voor een school basisonderwijs is gekoppeld aan de omvang van de toegekende voorziening.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11886873/1