CConstaterende datlaren
Koppel je AI →
Document · PDF

20220126RVSb22 00018 Bestemmingsplan en Beeldkwaliteitsplan voormalige Rabobank BIJLAGE aangepaste bijlagen 5

Gemeenteraad 26 januari 2022, gemeente larenBij agendapunt: Bestemmingsplan en Beeldkwaliteitsplan voormalige Rabobank21.145 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

ARCHEOLOGISCH BUREAUONDERZOEK EN VERKENNEND BOORONDERZOEK BURGEMEESTER VAN NISPEN VAN SEVENAERSTRAAT 6 TE LAREN GEMEENTE LAREN

Rapportage archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Burgemeester van Nispen van Sevenaerstraat 6 te Laren Opdrachtgever

PartnersRO Julianaplein 8 5211 BC 's-Hertogenbosch

Rapportnummer 1

Versienummer

Datum

4185.002 2 26 september 2017

Vestiging

Gelderland Fabriekstraat 19c 7005 AP Doetinchem 0314 - 365150 doetinchem@econsultancy.nl

Opsteller

ir. E.M. ten Broeke

Paraaf

Kwaliteitscontrole

drs. A.H. Schutte

Paraaf

© Econsultancy bv, Doetinchem Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot) 1

Versie 1 betreft een rapport waarvan geen beoordeling van het bevoegd gezag is ontvangen, bij versie 2 is het rapport wel beoordeelt door het bevoegd gezag.

Econsultancy Archeologisch Rapport

Administratieve gegevens plangebied Projectcode

4185.002

Toponiem

Burgemeester van Nispen van Sevenaerstraat 6

Opdrachtgever

PartnersRO

Gemeente

Laren

Plaats

Laren

Provincie

Noord-Holland

Kadastrale gegevens

Gemeente Laren, sectie C, nummer 1746 en sectie F, nummer 405

Omvang plangebied

5.236 m²

Kaartblad

32 A (1:25.000)

Coördinaten centrum plangebied

X: 143.715 / Y: 474.325

Bevoegde overheid

Gemeente Laren Mevrouw E. Ruizeveld Postbus 71 3755 ZH Eemnes Tel. 14-035 Email: info@laren.nl

Deskundige namens de bevoegde overheid

NMF Erfgoedadvies Mevrouw E. van Rooijen Westerplein 4a 1901 NA Castricum Tel. 0251-674666 Email: info@nmferfgoedadvies.nl

ARCHIS3

Bureauonderzoek 4556464100

Onderzoeksmeldingsnummer (OM-nr.)

Booronderzoek 4556472100

Archeoregio NOaA

Utrechts-Gelders zandgebied

Beheer en plaats documentatie

Econsultancy, Doetinchem / Provinciaal Archeologisch Depot Noord-Holland

Uitvoerders

Econsultancy, ir. E.M. ten Broeke

Kwaliteitszorg Econsultancy s onder meer gecertificeerd voor protocollen 4003 en 4004 van de BRL SIKB 4000. Verder is Econsultancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO). De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Tevens is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA). De VOiA behartigt de belangen van meer dan 100 bedrijven in alle takken van de archeologie. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een booronderzoek wordt in het algemeen uitgevoerd door het steekproefsgewijs onderzoeken van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een booronderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de aan- of afwezigheid van archeologische waarden. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn. Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie.

Econsultancy Archeologisch Rapport

SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van PartnersRO een archeologisch onderzoek uitgevoerd ter plaatse van het plangebied gelegen aan de Burgemeester van Nispen van Sevenaerstraat 6 te Laren in de gemeente Laren (zie figuren 1 en 2). De initiatiefnemer is voornemens de sloop en vervolgens de nieuwbouw van een pand voor de Rabobank te realiseren. Ten behoeve van deze ontwikkeling zal tevens een gedeelte van de bestaande vegetatie worden verwijderd. Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om te bepalen wat de verwachtingswaarde is voor de aanwezigheid van archeologische waarden binnen het plangebied en of deze door eventuele toekomstige bodemingrepen kunnen worden aangetast. De verplichting tot het uitvoeren van een archeologisch onderzoek (zie bijlage 3) komt voort uit het vigerende bestemmingsplan en/of het vigerend gemeentelijk beleid (archeologische beleidskaart van de gemeente Laren), voortvloeiend uit het Verdrag van Malta uit 1992. Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen nieuwbouw binnen het plangebied, alsmede een bestemmingsplanwijziging. Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente Laren ligt het plangebied binnen een gebied 3 (hoge archeologische verwachting) en het oostelijke deel van het plangebied tevens binnen gebied 2 (archeologisch terrein).

Voor gebieden met een hoge verwachting geldt dat bij planvorming en voorafgaand aan vergunningverlening, bij bodemingrepen dieper dan 30 cm -mv en een onderzoekslocatie groter dan 50 m², vroegtijdig een archeologisch inventariserend veldonderzoek dient te worden uitgevoerd. Gespecificeerde archeologische verwachting Op basis van het archeologisch bureauonderzoek heeft het plangebied een hoge verwachting op het voorkomen van archeologische resten uit de perioden Laat-Paleolithicum t/m Midden-Neolithicum (Jagers-Verzamelaars) als voor de perioden vanaf het Laat-Neolithicum (vroege Landbouwers). Het plangebied heeft namelijk een landschappelijke ligging binnen een smeltwaterwaaier, als overgangsgebied tussen en hooggelegen stuwwal in het westen naar een lager gelegen vlakte in het oosten. Deze gebieden hadden een gunstige ligging voor als (tijdelijke) bewoningslocatie voor JagersVerzamelaars en Landbouwers. In de omgeving van het plangebied zijn al sporen en resten van menselijke activiteit waargenomen uit de perioden Mesolithicum t/m Bronstijd, waarbij vuurstenen werktuigen, Trechterbeker-aardewerk en Drakenstein-aardewerk zijn aangetroffen. Voor de periode Nieuwe tijd geldt een zeer hoge verwachting, vooral voor de zuidoosthoek en het centrale deel van het plangebied.

Geraadpleegd historisch kaartmateriaal geeft aan dat ter plaatse historische huislocae ties (boerenerven) aanwezig zijn geweest die uit de 19 eeuw dateren of ouder en tot de historische dorpskern van Laren hebben behoord. Het oostelijke deel van het plangebied wordt gerekend tot de historische dorpskern van Laren, welke is aangewezen als AMK-terrein van hoge archeologische waarde. Tevens staat ten noordoosten van het plangebied de huidige protestantse kerk en waar een veel oudere voorganger heeft gestaan. Rondom deze voorganger heeft wellicht een begraafplaats gelegen. Het is vaak niet goed in te schatten hoe omvangrijk de begraafplaats (indien aanwezig) is geweest. Resultaten inventariserend veldonderzoek Uit de resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) blijkt dat er binnen het merendeel van het plangebied sprake is van een sterk verstoorde bodemopbouw, waarbij verstoringsdieptes reiken tot minimaal 140 en maximaal 280 cm -mv. Dit geroerde deel van de bodemopbouw bevat veelal beton-/bouwpuin en plastic. De onverstoorde bodem betreft direct de C-horizont, in de vorm van lichtgeel gekleurd, zwak grindig, zwak siltig, matig fijn tot zeer grof zand. Deze slecht gesorteerde en grindhoudende zanden betreffen gestuwde afzettingen.

Rapport 4185.002 versie 2

De waargenomen verstoringen zullen vooral zijn veroorzaakt tijdens de bouw van het bestaande pand e van de Rabobank als tijdens diverse bouwwerkzaamheden die vooral in de tweede helft van de 20 eeuw hebben plaatsgevonden. Zelfs ter plaatse van de boringen in het zuidoostelijke deel van het plangebied is sprake van diepgaande recente verstoringen, met tevens in het geroerde deel van de bodemopbouw resten beton-/bouwpuin en plastic. Het wordt dan ook zeer onwaarschijnlijk geacht dat er ter plaatse nog restanten van ondergrondse historische bebouwing (muurwerk/funderingsresten) aanwezig zullen zijn. Slechts bij één boring in het zuidwestelijke deel van het plangebied is een intact bodemprofiel waargenomen onder de aanwezige klinkerverharding met cunet-/stabilisatiezand, bestaande uit een dun plaggendek met hieronder een intact holtpodzolprofiel (bruine bosgrond). Vanwege de beperkte dikte van het plaggendek betreft het aanwezige bodemprofiel hooguit een laarpodzolgrond. Het terreindeel waar sprake van een intact bodemprofiel is dan ook beperkt. In het opgeboorde materiaal zijn verder geen archeologisch relevante indicatoren waargenomen.

Conclusie Geconcludeerd wordt dat er binnen het merendeel van het plangebied reeds grootschalige recente bodemingrepen hebben plaatsgevonden, waardoor het natuurlijk bodemprofiel grootschalig vergraven/aangetast is tot een diepte voorbij de oorspronkelijke top van de C-horizont. Daarbij is ook het archeologisch niveau (het niveau waarin archeologische resten kunnen worden verwacht en/of sporen zichtbaar kunnen worden aangetroffen) binnen het merendeel van het plangebied verstoord. In het geroerde/verstoorde deel van de bodemopbouw waren vaak resten beton-/bouwpuin en plastic zichtbaar, ook ter plaatse van de boringen waar in de directe nabijheid historische bebouwing moet hebben gestaan. Verder heeft inspectie van het opgeboorde materiaal niet geresulteerd in het aantreffen van archeologisch relevante resten. Voor het plangebied dient de hoge verwachting voor de perioden vanaf het Laat-Paleolithicum dan ook bijgesteld te worden naar een lage archeologische verwachting. De geplande bodemverstorende ingrepen zullen niet resulteren in verstoringen van archeologische waarden, aangezien deze in situ niet meer worden verwacht. Advies Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek wordt door Econsultancy de aanbeveling gedaan om geen vervolgonderzoek te laten uitvoeren.

Voor het merendeel van het plangebied blijkt dat de natuurlijke bodemopbouw recent en diepgaand verstoord is, tot voorbij de oorspronkelijke top van de C-horizont, waarbij in het geroerde deel van de bodemopbouw vaak resten beton-/bouwpuin en plastic aanwezig is. Archeologisch relevante indicatoren zijn verder niet aangetroffen. De geplande bodemverstorende ingrepen zullen niet resulteren in verstoringen van archeologische waarden, aangezien deze in situ niet meer worden verwacht. Econsultancy wil de opdrachtgever erop wijzen dat dit advies nog niet betekent dat de bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen. De resultaten van dit onderzoek zullen eerst moeten worden beoordeeld door het bevoegd gezag (gemeente Laren) die vervolgens een selectiebesluit neemt. Wel dient te allen tijde bij het afgeven van een omgevingsvergunning de wettelijke meldingsplicht (5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016) kenbaar te worden gemaakt om het documenteren van toevalsvondsten te garanderen: Degene die anders dan bij het doen van opgravingen een zaak vindt waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een monument is (in roerende of onroerende zin), meldt die zaak zo spoedig mogelijk bij Onze minister. Deze aangifte dient te gebeuren bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed in Amersfoort.

Het verdient aanbeveling ook de verantwoordelijk ambtenaar van de gemeente Laren (mevrouw E. Ruizeveld) en diens adviseur (NMF Erfgoedadvies) hiervan per direct in kennis te stellen.

Rapport 4185.002 versie 2

INHOUDSOPGAVE

1

INLEIDING .................................................................................................................................. 1

2

DOELSTELLING EN ONDERZOEKSVRAGEN ......................................................................... 1

3

BUREAUONDERZOEK .............................................................................................................. 2 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 3.8 3.9 3.10 3.11

4

INVENTARISEREND VELDONDERZOEK .............................................................................. 23 4.1 4.2 4.3

5

Methoden .......................................................................................................................... 2 Afbakening van het plangebied ........................................................................................ 3 Huidige situatie ................................................................................................................. 3 Toekomstige situatie ......................................................................................................... 4 Beschrijving van het historische gebruik .......................................................................... 4 Aardwetenschappelijke gegevens .................................................................................... 7 Archeologische waarden ................................................................................................ 12 Aanvullende informatie ................................................................................................... 18 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel ........................................................ 18 Beantwoording onderzoeksvragen bureauonderzoek .................................................... 21 Aanbevolen onderzoeksmethode ................................................................................... 22

Methoden ........................................................................................................................ 23 Resultaten ....................................................................................................................... 23 Beantwoording onderzoeksvragen veldonderzoek ........................................................ 25

CONCLUSIE EN ADVIES ......................................................................................................... 26 5.1 5.2

Conclusie ........................................................................................................................ 26 Advies ............................................................................................................................. 27

LITERATUUR ...................................................................................................................................... 28 BRONNEN .......................................................................................................................................... 29

Rapport 4185.002 versie 2

LIJST VAN TABELLEN Tabel I. Tabel II. Tabel III. Tabel IV. Tabel V. Tabel VI. Tabel VII. Tabel VIII. Tabel IX. Tabel X.

Geraadpleegd historisch kaartmateriaal Verleende bouwvergunningen Overzicht rijks- en gemeentemonumenten Aardwetenschappelijke gegevens plangebied Grondwatertrappenindeling Overzicht AMK terreinen Overzicht onderzoeksmeldingen Overzicht ARCHIS-vondsten Gespecificeerde archeologische verwachting Algemene bodemopbouw plangebied

LIJST VAN AFBEELDINGEN Figuur 1. Figuur 2. Figuur 3. Figuur 4. Figuur 5. Figuur 6. Figuur 7. Figuur 8. Figuur 9. Figuur 10. Figuur 11. Figuur 12. Figuur 13. Figuur 14. Figuur 15. Figuur 16. Figuur 17. Figuur 18.

Situering van het plangebied binnen Nederland Detailkaart van het plangebied Luchtfoto van het plangebied Situering van het plangebied binnen de Kadastrale kaart uit 1825 (Minuutplan) Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1873 (Bonneblad) Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1890 (Bonneblad) Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1910 (Bonneblad) Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1932 (Bonneblad) Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1952 Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1974 Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1989 Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart van Nederland Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart van Nederland Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied Situering van het plangebied binnen de archeologische waarden- en verwachtingenkaart gemeente Laren Situering van het plangebied binnen de beleidskaart gemeente Laren Boorpuntenkaart van het plangebied met als achtergrond de luchtfoto

BIJLAGEN Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6

Overzicht geologische en archeologische tijdvakken Bewoningsgeschiedenis van Nederland AMZ-cyclus Inrichtingsplan Overzichtsfoto’s en foto’s van de opgeboorde profielen Boorprofielen

Rapport 4185.002 versie 2

1

INLEIDING

Econsultancy heeft in opdracht van PartnersRO een archeologisch onderzoek uitgevoerd ter plaatse van het plangebied gelegen aan de Burgemeester van Nispen van Sevenaerstraat 6 te Laren in de gemeente Laren (zie figuren 1 en 2). De initiatiefnemer is voornemens de sloop en vervolgens de nieuwbouw van een pand voor de Rabobank te realiseren. Ten behoeve van deze ontwikkeling zal tevens een gedeelte van de bestaande vegetatie worden verwijderd. Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om te bepalen wat de verwachtingswaarde is voor de aanwezigheid van archeologische waarden binnen het plangebied en of deze door eventuele toekomstige bodemingrepen kunnen worden aangetast. De verplichting tot het uitvoeren van een archeologisch onderzoek (zie bijlage 3) komt voort uit het vigerende bestemmingsplan en/of het vigerend gemeentelijk beleid (archeologische beleidskaart van de gemeente Laren), voortvloeiend uit het Verdrag van Malta uit 1992. Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen nieuwbouw binnen het plangebied, alsmede een bestemmingsplanwijziging. Het archeologisch onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek (hoofdstuk 3) en een inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) door middel van boringen (hoofdstuk 4). Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt een advies gegeven of vervolgstappen nodig zijn en zo ja, in welke vorm (hoofdstuk 5).

2

DOELSTELLING EN ONDERZOEKSVRAGEN

Het onderzoek heeft tot doel inzicht te krijgen in de archeologische waarden van het plangebied. Het bureauonderzoek heeft tot doel om een gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel van het plangebied op te stellen. Het verwachtingsmodel is gebaseerd op bronnen over bekende of verwachte archeologische waarden in en om het plangebied. Voor het bureauonderzoek zijn de volgende onderzoeksvragen opgesteld: 

Wat is er bekend over bodemverstorende ingrepen binnen het plangebied uit het verleden? Is er bijvoorbeeld informatie bekend over vroegere ontgrondingen, bodemsaneringen, egalisaties, diepploegen of landinrichting? Ligt het plangebied binnen een landschappelijke eenheid die vanuit archeologisch oogpunt een specifieke aandachtslocatie kan betreffen (zoals een relatief hoge dekzandkop of -rug, nabij een veengebied, een beekdal)? Wat is de gespecificeerde archeologische verwachting van het plangebied?

Het inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen, en is er op gericht om inzicht te krijgen in de geologische en bodemkundige opbouw binnen het plangebied. Tevens is het bedoeld om kansrijke zones te selecteren voor vervolgonderzoek en kansarme zones ervan uit te sluiten. Ook wordt gelet op het voorkomen van (diepe) verstoringen van het bodemprofiel. Indien de ondergrond tot grote diepte verstoord is, zullen eventueel aanwezige archeologische resten mogelijk verdwenen zijn. Het veldonderzoek dient antwoord te geven op de volgende vragen: 

Wat is de bodemopbouw binnen het plangebied?

Rapport 4185.002 versie 2

Pagina 1 van 29

 

Is het bodemprofiel binnen het plangebied intact of (geheel of gedeeltelijk) verstoord en indien verstoord, tot welke diepte gaat deze verstoring? Wat zijn de gevolgen van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting van het plangebied.

Het bureauonderzoek is uitgevoerd op 24 en 25 juli 2017 door ir. E.M. ten Broeke (senior prospector). Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd op 31 juli 2017 door ir. E.M. ten Broeke (senior prospector). Het rapport is gecontroleerd door drs. A.H. Schutte (senior KNA-archeoloog/kwaliteitscontroleur).

3 3.1

BUREAUONDERZOEK Methoden

Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd conform de eisen en normen zoals aangegeven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.0, 07-06-2016), die is vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie en is ondergebracht bij het SIKB te Gouda. Voor de uitvoering van het bureauonderzoek gelden de specificaties LS01, LS02, LS03, LS04 en 2 LS05. De resultaten van dit onderzoek worden in dit rapport weergegeven conform specificatie LS06. Binnen dit onderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht:     

afbakening van het plangebied en vaststellen van de consequenties van het mogelijk toekomstige gebruik (LS01); beschrijving van de huidige en toekomstige situatie (LS02); beschrijving van de historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03); beschrijving van bekende archeologische en historische waarden en aardwetenschappelijke gegevens (LS04); opstellen van een gespecificeerde verwachting (LS05).

Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden zijn de volgende bronnen geraadpleegd:             

2

het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS); de Archeologische Monumenten Kaart (AMK); de Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW); geologische kaarten, geomorfologische kaarten en bodemkaarten; de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINOLoket); literatuur en historisch kaartmateriaal; bouwhistorische gegevens; de recente topografische kaart (schaal 1:25.000); recente luchtfoto’s; het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN); de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van de provincie Noord-Holland; de archeologische verwachtingskaarten van de gemeente Laren; plaatselijke (amateur-)archeoloog c.q. heemkundevereniging;

Beschikbaar via www.sikb.nl

Rapport 4185.002 versie 2

Pagina 2 van 29

3.2

Afbakening van het plangebied

Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen het onderzoeksgebied en het plangebied. Het plangebied is het gebied waarbinnen feitelijk de bodemverstorende ingreep gaat plaatsvinden. Het onderzoeksgebied is het gebied waarover informatie is verzameld om een goed beeld te krijgen van de archeologische waarden binnen het plangebied. Dit gebied is groter dan het plangebied. In het huidige onderzoek betreft het onderzoeksgebied het gebied binnen een straal van circa 1 km rondom het plangebied. Het plangebied heeft oppervlakte van circa 5.236 m² en ligt aan de Burgemeester van Nispen van Sevenaerstraat 6, binnen de bebouwde kom en deels binnen de historische kern van Laren binnen de gemeente Laren (zie figuren 1 en 2). Volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) ligt het maaiveld van west naar oost op een hoogte tussen circa 7,1 en 6,2 m +NAP. Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Laren, sectie C, nummer 1746 en sectie F, nummer 405. Volgens de topografische kaart van Nederland, kaartblad 32 A (1:25.000), zijn de coördinaten van het midden van het plangebied X: 143.715 / Y: 474.325. 3.3

Huidige situatie

Voor het bureauonderzoek is het van belang de huidige situatie te onderzoeken. Landgebruik en bebouwing kunnen van invloed zijn op de archeologische verwachting. Het centrale en oostelijke deel van het plangebied is bebouwd met een pand van de Rabobank en bestaat een vrij groot oppervalk, circa 1.600 m². De onbebouwde terreindelen rondom het pand zijn grotendeels voorzien van een klinker- of tegelverharding en verder in gebruik als groenstrook/siertuin. De uiterst westelijk en noordoostelijk gelegen terreindelen van het plangebied zijn in gebruik als parkeerterrein die voorzien zijn van een klinkerverharding. De Burgemeester van Nispen van Sevenaerstraat loopt langs de zuidoostzijde van het plangebied. Langs de noordoostzijde van het plangebied loopt de weg Bij den Toren. Het plangebied bevindt zich binnen de bebouwde kom van Laren en wordt verder merendeels omgeven door woonpercelen (zie figuur 3). 3

Bodemloket Met het bodemloket wil de overheid inzicht geven in maatregelen die de afgelopen jaren getroffen zijn om de bodemkwaliteit in Nederland in kaart te brengen (bodemonderzoek) of te herstellen (bodemsanering). Ook laat het Bodemloket zien waar vroeger (bedrijfs-) activiteiten hebben plaatsgevonden die extra aandacht verdienen. Op basis van informatie van het Bodemloket blijkt dat er op het centraal-zuidelijke deel van het plangebied een sanering is uitgevoerd van een verontreiniging met minerale olie. Waar een drietal ondergrondse tanks hebben gelegen zijn graafwerkzaamheden uitgevoerd tot maximaal 2,6 m -mv. In het overige zuidwestelijke terreindeel is alleen de bouwvoor (30 cm) ontgraven. Ter plaatse waar de ondergrondse tanks hebben gelegen hebben dus al diepgaande verstoringen plaatsgevonden en zullen daar dus geen archeologische resten meer in situ voorkomen. Het gaat echter om zeer beperkte oppervlaktes. Voor het overige zuidwestelijke terreindeel zijn de graafwerkzaamheden dermate beperkt geweest dat archeologische resten en zeker het archeologisch sporenniveau nog intact bewaard zal zijn gebleven, indien ter plaatse geen andere diepgaande bodemverstorende ingrepen hebben plaatsgevonden.

3

http://www.bodemloket.nl/kaart

Rapport 4185.002 versie 2

Pagina 3 van 29

3.4

Toekomstige situatie

Het toekomstige gebruik van het plangebied kan bepalend zijn voor het vervolgtraject (behoud in-situ of behoud ex-situ van archeologische waarden). De toekomstige inrichting van het plangebied kan gevolgen hebben op het in-/ex-situ behoud van de archeologische waarde. De initiatiefnemer is voornemens de sloop en vervolgens de nieuwbouw van een pand voor de Rabobank te realiseren (zie bijlage 4). Ten behoeve van deze ontwikkeling zal tevens een gedeelte van de bestaande vegetatie worden verwijderd. Ter plaatse van de toekomstige bebouwing zal naar verwachting, bij de aanleg van een standaard staalfundering op het gele zand (top van de C-horizont), de bodem tot een diepte van maximaal circa 1 m -mv worden afgegraven (bouwput). Een gedeelte van nieuwbouw zal worden voorzien van een ondergrondse parkeergarage. Hiervoor zal de bodem tot een diepte van circa 3,5 m -mv worden afgegraven (bouwput). 3.5

Beschrijving van het historische gebruik

In het plangebied kunnen naast archeologische sporen ook historische relicten voorkomen die nog in het landschap zichtbaar zijn. Het gaat hierbij om historisch geografische relicten zoals nederzettingsvormen en wegen- en kavelpatronen. Veel van deze bewaard gebleven historische geografie geeft e door de herverkavelingen in de tweede helft van de 20 eeuw een incompleet beeld van het historisch landschap. Historische kaarten van vóór de herverkaveling zijn een goede aanvulling op het huidige incomplete beeld. Voor de historische ontwikkeling is naast het historisch kaartmateriaal ook relevante achtergrondliteratuur geraadpleegd. Korte historische ontwikkeling van Laren Laren is het oudste dorp van het Gooi. De oorspronkelijke naam is Laer wat ‘intensief benut bos’ of 4 ‘bosweide’ betekent. Omstreeks 400 na Chr. vestigden boeren zich aan de oostkant van het tegenwoordige Sint Janskerkhof. De ‘eng’ - het bouwland - waar zij gingen wonen, is de bakermat van het dorp Laren. Die eng is er nog steeds, en ligt in de buurt van de sportvelden van LVV. Omdat de boeren regelmatig te maken kregen met invallen en oorlogen, trokken zij zich terug in het tegenwoordige Zevenend. Doordat zij bij elkaar in één buurt woonden, konden ze elkaar in geval van nood makkelijk helpen. Later verhuisden de boeren naar een lager deel, naar dat wat nu de Brink heet.

Daar lag een poel die gebruikt werd als drenkplaats voor het vee. Daardoor kreeg deze poel de naam ‘Coeswaerde’, afgeleid van Koewade, waarbij ‘wade’ drenkplaats betekent. Van hieruit ontstond het tegenwoordige Laren. Door de arme zandgrond bleef het Gooi lange tijd achter in ontwikkeling en welvaart. Dat e veranderde in de laatste decennia van de 19 eeuw. Er kwamen spoor- en tramverbindingen, en het gebied werd steeds beter bereikbaar. Stedelingen met geld ontdekten het dorp voor een dagje uit. Maar ook als verblijfplaats kwam Laren steeds meer in trek. Door de industrialisatie in de steden groeide het aantal ziektegevallen daar, en artsen raadden het wonen in een bosrijke omgeving aan. In eerste instantie konden alleen de rijkere burgers zich een verblijf buiten de stad permitteren. Zij verbleven in het plaatselijke hotel, in pensions of bij boeren thuis. Zij verhuurden ’s zomers hun woongedeelte om extra inkomsten te hebben. Ondernemers, zoals hotelier Jan Hamdorff, bouwden villa's langs de Naarderstraat, aan de ingang van het dorp. Hamdorff verhuurde zijn villa’s eerst aan toeristen, maar al snel verkocht hij ze. Ook waren er rijke kunstenaars en intellectuelen die atelierwoningen en villa’s lieten bouwen. Door de bijzondere verkavelingsstructuur kon Laren niet op grote schaal worden uitgebreid, bijvoorbeeld met villaparken of villawijken.

De nieuwe woningen en winkels werden tussen de boerderijen gebouwd. Door die mengeling ontstond het karakteristieke gezicht van 5 Laren. 4 5

Van Berkel en Samplonius, 1995 www.laren.nl

Rapport 4185.002 versie 2

Pagina 4 van 29

Historisch kaartmateriaal De situatie van het plangebied is op verschillende historische kaarten als volgt: Geraadpleegd historisch kaartmateriaal6

Tabel I. Bron

6

Periode

Kaartblad

Schaal

Omschrijving plangebied

Bijzonderheden/directe omgeving

Kadastrale kaart (Minuutplan)

1825

Gemeente Laren, sectie A, blad 02

1:2.500

Zuidoosthoek plangebied bebouwt, waarschijnlijk met een woonboerderij en een bijbehorende schuur. Door het uiterst zuidelijke deel van het plangebied loopt een deel van de voorloper van de Burgemeester van Nispen van Sevenaerstraat (zandweg). Overige deel plangebied in gebruik als moestuin (terreindelen naast historische bebouwing) en verder in agrarisch gebruik, akkerland.

Aangrenzend ten oosten historische dorpskern met bebouwing van Laren, rondom een brink waar tevens een vijver/waterpartij aanwezig is (wellicht in gebruik voor drenkkuil voor vee?). Protestantse kerk aanwezig ten noordoosten van het plangebied. Voorloper van de Nispen van Sevenaerstraat en de ten noorden van het plangebied aanwezige weg Bij den Toren reeds aanwezig.

Militaire topografische kaart (Bonneblad)

1873

388

1:50.000

Geen noemenswaardige veranderingen.

Geen noemenswaardige veranderingen anders dan langzame uitbreiding van aantal woonerven binnen de dorpskern van Laren.

Militaire topografische kaart (Bonneblad)

1890

388

1:50.000

Gebouw aanwezig in het centrale deel van het plangebied, vermoedelijk ook een woonboerderij. Verder een trambaan aangelegd langs de voorloper van de Burgemeester van Nispen van Sevenaerstraat en die onder het centrale deel van het plangebied doorloopt in westelijke richting en wellicht door het uiterst zuidwestelijke deel van het plangebied heeft gelopen. Merendeel plangebied behorend tot woonerven (in gebruik als tuin/moestuin).

Verdere toename van aantal woonerven binnen de dorpskern van Laren, vooral langs de doorgaande historische wegen.

Militaire topografische kaart (Bonneblad)

1910

388

1:50.000

Geen agrarisch gebruik meer van delen van het plangebied, geheel behorend tot woonerven.

Verdere toename van aantal woonerven binnen de dorpskern van Laren, nu ook direct rondom het plangebied. Loop van de van Nispen van Sevenaerstraat aangepast.

Militaire topografische kaart (Bonneblad)

1932

388

1:50.000

Centraal-zuidelijke deel plangebied bebouwd met nieuw pand dan wel een uitbreiding van de bestaande bebouwing.

Bouw van veel kleine maar wel losstaande woningen, vorming van de bebouwde kom van Laren.

Topografische kaart

1952

32 A

1:25.000

Diverse nieuwbouw binnen het plangebied, diverse woningen in het zuidelijke en noordoostelijke deel van het plangebied. Noordwestelijke deel plangebied bebouwd met een pand dat in gebruik is geweest als smid/metaalbewerking.

Verdere uitbreiding van bebouwde kom van Laren.

Topografische kaart

1974

32 A

1:25.000

Aantal woningen binnen het plangebied niet meer aanwezig/gesloopt.

Verdere uitbreiding/vernieuwing van bebouwde kom van Laren.

Topografische kaart

1989

32 A

1:25.000

Pand gebouwd in het oostelijke deel van het plangebied, deel van huidige pand Rabobank.

Merendeels huidige situatie.

www.topotijdreis.nl / www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl

Rapport 4185.002 versie 2

Pagina 5 van 29

e

Beschikbaar historische kaartmateriaal laat zien dat aan het begin van de 19 eeuw de zuidoosthoek van het plangebied reeds bebouwd was, waarschijnlijk met een woonboerderij en een bijbehorende schuur. Door het uiterst zuidelijke deel van het plangebied liep een deel van de voorloper van de Burgemeester van Nispen van Sevenaerstraat (zandweg). Het overige deel van het plangebied was waarschijnlijk in gebruik als moestuin (terreindelen naast historische bebouwing) en verder in gebruik als akkerland (zie figuur 4). Aangrenzend ten oosten van het plangebied bestond de historische dorpskern van Laren uit diverse (boeren)erven rondom een brink, waar tevens een vijver/waterpartij aanwezig was (wellicht in gebruik voor drenkkuil voor vee?). De protestantse kerk stond en staat nog steeds niet ver ten noordoosten van het plangebied. Ook de voorlopers van de Nispen van Sevenaerstraat ten zuiden en de weg Bij den Toren ten noorden van het plangebied waren reeds aanwezig. e

Tijdens het merendeel van de 19 eeuw vinden er weinig veranderingen plaats zowel binnen als rondom het plangebied. De dorpskern van Laren breidt zicht langzaam uit met een aantal woonerven (zie e figuur 5). Aan het einde van de 19 eeuw is er in het centrale deel van het plangebied vermoedelijk een woonboerderij gebouwd. Verder was er een trambaan aangelegd langs de voorloper van de Burgemeester van Nispen van Sevenaerstraat die onder het centrale deel en wellicht ook door het uiterst zuidwestelijke deel van het plangebied heeft gelopen. Het merendeel van het plangebied was niet meer in agrarisch gebruik en vormde juist onderdeel van een aantal woonerven (in gebruik als tuin/moestuin, zie figuur 6). e

In de loop van de eerste helft van de 20 eeuw vond een verdere toename plaats van het aantal woonerven binnen de dorpskern van Laren, nu ook direct rondom het plangebied. Tevens werd het tracé van de Burgemeester van Nispen van Sevenaerstraat aangepast (zie figuur 7). Rond begin jae ren ’30 van de 20 eeuw werd het centraal-zuidelijke deel van het plangebied bebouwd met een nieuw pand, dan wel met een uitbreiding van het bestaande pand dat in het centrale deel van het plangebied stond. Er werden veel kleine maar wel losstaande woningen gebouwd, waarmee de bebouwde kom van Laren gestalte kreeg (zie figuur 8). e

Aan het begin van de tweede helft van de 20 eeuw vonden er diverse bouwwerkzaamheden plaats binnen het plangebied, voornamelijk in de vorm van woningen in het zuidelijke en noordoostelijke deel van het plangebied (zie figuur 9). In het noordwestelijke deel van het plangebied was een pand gebouwd dat in gebruik is geweest als smid/metaalbewerking. De bebouwde kom van Laren breidt zich e verder uit. In de jaren ’70 en ’80 van de 20 eeuw zijn een aantal van de woningen weer gesloopt en wordt er in het oostelijke deel van het plangebied een vrij groot pand gebouwd (zie figuren 10 en 11). Al deze bebouwing heeft inmiddels plaats gemaakt voor het huidige pand van de Rabobank, welke vanaf 1986 en latere uitbreidingen (onder andere in 2007) is gebouwd. Gegevens bouwtekeningen Uit gegevens van de door de opdrachtgever aangeleverde bouwtekeningen van het in 1996 gebouwde pand van de Rabobank, blijkt dat deze bebouwing volledig onderkelderd is tot een diepte van circa 350 cm -mv. Aan de westzijde van het pand is tevens een in-/uitrit aangelegd die schuin afloopt tot deze diepte. Ter plaatse zullen in ieder geval diepgaande verstoringen zijn uitgevoerd, waarmee het oorspronkelijke zal zijn vergraven. Voor het uitgraven van een diepe bouwput om een onderkeldering te realiseren zal er ook een strook rond het bestaande pand zijn vergraven (afgraven in talut).

De terreindelen rondom het pand van de Rabobank zijn verder in gericht als siertuin/groenstrook en deels voorzien van een klinker- of tegelverharding. Deze inrichting van de omliggende terreindelen zullen eveneens geleid hebben tot verstoringen van het oorspronkelijke bodemprofiel. In welke mate is echter niet bekend.

Rapport 4185.002 versie 2

Pagina 6 van 29

Rijks- en gemeentemonumenten binnen het onderzoeksgebied Het plangebied ligt binnen een 50 m attentiezone van één rijksmonument (AWG categorie 1, zie tabel II). Tabel II.

Overzicht rijks- en gemeentemonumenten

Situering t.o.v. plangebied 40 meter ten oosten

Monument nr.

Type object

23953

Boerderij

Status Beschermd

Datering e

18 eeuw

Omschrijving Boerderij, langhuistype, langgerekt rieten dak, XVIII.

Tweede Wereldoorlog Om vast te stellen of mogelijke archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plange7 bied aanwezig zijn, is een aantal publicaties geraadpleegd. Het raadplegen van deze bronnen geeft geen redenen om aan te nemen dat er archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied te verwachten zijn. 3.6

Aardwetenschappelijke gegevens

Het landschap heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in het nederzettingspatroon. Bij onderzoek naar archeologische sporen in een bepaald gebied is het van groot belang te weten hoe het landschap er in het verleden heeft uitgezien. Men kan meer te weten komen over dit landschap door de geologische opbouw, de bodem en de hydrologie van een gebied te bestuderen. De volgende aardwetenschappelijke gegevens zijn bekend van het plangebied: Tabel III.

Aardwetenschappelijke gegevens plangebied Type gegevens

Gegevensomschrijving

Geologie8

Dekzand- op sneeuwsmeltwaterafzettingen, behorend tot de Formatie van Boxtel (dekzand specifiek behorend tot het Laagpakket van Wierden).

Geomorfologie9

Niet gekarteerd, vanwege de ligging binnen de bebouwde kom, maar zeer waarschijnlijk op een glooiing van hellingafspoelingen, al dan niet afgedekt met dekzand (4H3).

Bodemkunde10

Niet gekarteerd, vanwege de ligging binnen de bebouwde kom. Meest waarschijnlijk hoge enkeerdgronden, bestaande uit grof zand (gzEZ30).

7

Amersfoort & Kamphuis, 1990/De Jong, 1969 - 1994/ikme.nl/Klep & Schoenmaker, 1995/Zwanenburg, 1990 De Mulder et al., 2003 9 Alterra, 2003 10 Stichting voor Bodemkartering, 1963 8

Rapport 4185.002 versie 2

Pagina 7 van 29

11

Geologie Voor de ontwikkeling van het landschap ter plaatse van het plangebied zijn de geologische ontwikkelingen vanaf de voorlaatste ijstijd (het Saalien, circa 180.000 en 140.000 jaar geleden) van belang. In het Saalien reikte de maximale uitbreiding van het landijs tot de lijn Haarlem-Nijmegen. Aan de grens van het landijs “vloeide” het ijs in lobben uit en drong laagten binnen. Door de stuwende werking van het ijs werden er langs de rand van zulke laagtes, waarvan de Gelderse Vallei een voorbeeld is, stuwwallen gevormd, waaronder de Utrechtse Heuvelrug. Het plangebied bevindt zich op de oostelijke flank van de Utrechtse Heuvelrug. Het opgestuwde materiaal zelf bestaat uit dikke lagen zand, grind en klei die eerder in een vlak en laaggelegen gebied waren neergelegd door de Rijn en Maas. Deze zijn door het ijs in grote schubben over elkaar opgedrukt en vormen nu hellende lagen. De Utrechtse Heuvelrug is ontstaan onder invloed van een ijstong die in de Gelderse vallei gelegen heeft en die vanuit het noordwesten in zuidoostelijke richting gestroomd heeft. De dagzomende, opgestuwde grindlagen van de fossiele rivierbeddingen bleken zeer bestendig tegen erosieprocessen en bleven als hoge toppen op de stuwwallen liggen.

Al direct tijdens en na de vorming van de stuwwallen spoelde er in de zomer smeltwater van het landijs vanuit het stuwwallengebied naar de lager gelegen, omliggende gebieden. Het smeltwater nam veel zand en grind mee wat voorbij de ijsrand werd afgezet in een geleidelijk aflopende ijssmeltwatervlakte, ook wel aangeduid als een sandr of sandrvlakte. Sandrvlakten komen onder andere voor op de zuidwestelijke flanken van de Utrechtse Heuvelrug. De verspoelde gestuwde afzettingen worden gerekend tot het Laagpakket van Schaarsbergen, Formatie van Drente. Aan het einde van het Saalien trok het landijs zich definitief terug en begon de zeespiegel weer te stijgen. Er brak een relatief warme periode aan, het Eemien (circa 130.000 en 115.000 jaar geleden). Het was vergelijkbaar met het huidige klimaat in Midden-Frankrijk. Grote delen van het Nederlandse vasteland werden daarbij, voor het eerst na bijna 1,8 miljoen jaar, weer door de zee overspoeld. Afzettingen van deze zogenaamde Eem-zee komen onder andere voor in de ondergrond van de Gelderse Vallei (ten oosten/zuidoosten van de gemeente Laren). Aan het begin van het Eemien bestond de vegetatie vooral uit berken en later uit uitgestrekte dennenbossen. Vervolgens nam het gemengde eikenbos (eik, iep, linde, esdoorn en hazelaar) in omvang toe.

Tegen het koudere einde van het Eemien namen de spar en de den weer belangrijke plaatsen in de vegetatie in. Vanwege de dichte begroeiing was in deze relatief warme tijd niet of nauwelijks sprake van erosie (geen verandering in het landschap). Ook vond er weinig sedimentatie plaats binnen het gebied van de gemeente Laren. Na het Eemien brak weer een nieuwe ijstijd aan, in dit geval de laatste ijstijd in onze geologische geschiedenis, het Weichselien (circa 120.000 en 10.000 jaar geleden). Het landijs bereikte Nederland echter niet. Wel was er toen gedurende langere periodes sprake van een zeer koud en droog klimaat. Het landschap in Nederland bestond uit een poolwoestijn, waarin vrijwel geen vegetatie aanwezig was. Onder de periglaciale omstandigheden is de ondergrond periodiek permanent bevroren en is het regen- en sneeuwsmeltwater gedwongen om over het oppervlak af te stromen. Hierdoor vond sterke erosie plaats van de stuwwallen. Erosie vond vooral plaats doordat een geconcentreerde afstroming van sneeuwsmeltwater zich insneed in de permafrost. Hierdoor ontstonden sneeuwsmeltwaterdalen, welke vandaag de dag worden aangeduid als droge dalen. Aan het einde van deze dalen zijn de meegevoerde sedimenten tot afzetting gekomen als sneeuwsmeltwaterafzettingen, ofwel een daluitspoelingswaaier. Deze komen voor zowel in het oostelijke als het westelijke deel van de gemeente Laren.

11

De Mulder et al., 2003 / Berendsen, 2008, 2005

Rapport 4185.002 versie 2

Pagina 8 van 29

In de tweede helft van het Wiechselien veranderde het klimaat van koud en nat naar koud en droog. In de koudste en droogste perioden, vooral tijdens het Laat-Pleniglaciaal (circa 26.000 en 15.700 jaar geleden) en in sommige perioden van het Laat-Glaciaal (circa 15.700 en 11.755 jaar geleden), is de vegetatie vrijwel verdwenen. In het open zandige pleniglaciale landschap hadden ijzige sneeuwstormen vrij spel. Door de wind verstoof veel zand, waarbij vooral het fijnere stof over grote afstanden werd verplaatst. Dit materiaal is afgezet als een deken van fijn, zwak lemig zand afgewisseld met lemige lagen: het Oude Dekzand. Een deel van het zand werd in de luwte van de erosiedalen en de stuwwallen afgezet. Door afspoeling en andere hellingprocessen werd een deel van dit verstoven materiaal vermengd met grover zand en leem. Het Laat-Glaciaal wordt gekenmerkt door enkele snel op elkaar volgende klimaatwisselingen. Tijdens relatief warme periode ontwikkelde zich een parkachtig landschap. Tevens was sprake van bodemvorming, met als gevolg dat op sommige locaties deze bodem in het (diepere) bodemprofiel zichtbaar is. Duidelijke herkenbare warme fasen zijn het Bølling (14.900-14.100 jaar geleden) en Allerød (13.200-13.010 jaar geleden) interstadiaal. Tijdens het Allerød interstadiaal kwam een volledige bosontwikkeling op gang.

Daarin domineerden berk, den en spar die de plaats innamen van een door berk en jeneverbes gekenmerkte pioniervegetatie. Op de nattere plekken groeiden elzen. Gedurende het Allerød is op verschillende plekken op de pleistocene zanden de zogenaamde Allerødbodem ontstaan, ook wel het laagje van Usselo genoemd. Deze overstoven paleobodem is als eerste herkend in het plaatsje Usselo. Het laatste millennium van het Weichselien was weer een zeer koude en droge periode van: het Late Dryas stadiaal (13.010-11.800 jaar geleden). De begroeiing werd sterk gereduceerd en er ontstonden weer omvangrijke zandverstuivingen. Het zwak lemige stuifzand uit deze periode wordt aangeduid als Jong Dekzand en vormt in uitgestrekte gebieden zwak glooiende ruggen, welvingen en koppen: de kenmerkende overwegend noordoost-zuidwest lopende dekzandruggen. Langs de hoge stuwwallen werd het dekzand afgezet in de vorm van een gordel, vandaar de term gordeldekzandafzettingen. Het plangebied ligt binnen een dergelijke gordel van dekzandafzettingen. Zowel de sneeuwsmeltwaterafzettingen als de dekzandafzettingen behoren tot de Formatie van Boxtel. Het dekzand wordt specifiek aangeduid als het Laagpakket van Wierden. Het Holoceen begon ongeveer 10.000 jaar geleden en duurt nog steeds voort.

Door de temperatuursstijging aan het eind van de Weichselien smolten de ijskappen op het noordelijk halfrond waardoor de zeespiegel sterk steeg en er een vegetatieontwikkeling van vooral warmteminnende boomsoorten plaatsvond. In de loop van het Holoceen kon in de lagere delen van het dekzandgebied een veenpakket ontstaan als gevolg van een sterke grondwaterspiegelstijging in het Atlanticum in combinatie met de invloed van kwelwater vanaf de Utrechtse Heuvelrug. Verder zijn er door verwaaiing van de dekzanden lokaal stuifzandgebieden ontstaan. Bij het ontstaan hiervan speelde de mens een belangrijke rol, door beweiding, afbranden en het steken van plaggen op de heidevelden dat vooral plaatsvond in de Nieuwe tijd (zie bijlage 1). Zandverstuivingen hebben voornamelijk aan en op de flanken van de stuwwal plaatsgevonden. Plaatselijk hebben zij het oorspronkelijke reliëf sterk gewijzigd. Ze worden gekenmerkt door een grillig reliëf met hoge en lage landduinen waarin geen bodemvorming heeft plaatsgevonden. De stuifzanden worden gerekend tot het Laagpakket van Kootwijk, welke tevens behoort tot de Formatie van Boxtel. Daarnaast zijn er in (lokale) beekdalen afzettingen gevormd bestaande uit leem, veen en zand. Deze afzettingen worden gerekend tot het Laagpakket van Singraven, welke tevens behoren tot de Formatie van Boxtel.

Vaak nemen deze beekdalen dezelfde positie in als de in de laatste ijstijd gevormde sneeuwsmeltwaterdalen (nu aangeduid als droge dalen). Of dergelijke beekdalen nog watervoerend zijn is afhankelijk van de omvang van het stroomgebied en de opbouw van de ondergrond (doorlatendheid). Vanaf de Late-Middeleeuwen, maar waarschijnlijk pas in de Nieuwe tijd, ontstonden op de flanken en langs de voet van de stuwwalgebieden en op verschillende dekzandruggen door de toepassing van plaggenbemesting her en der dikke en uitgestrekte plaggendekken.

Rapport 4185.002 versie 2

Pagina 9 van 29

12

DINO Het Dinoloket is de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO). Het DINO-systeem is de centrale opslagplaats voor geowetenschappelijke gegevens over de diepe en ondiepe ondergrond van Nederland. Het archief omvat diepe en ondiepe boringen, grondwatergegevens, sonderingen, geo-elektrische metingen, resultaten van geologische, geochemische en geomechanische monsteranalyses, boorgatmetingen en seismische gegevens. De site wordt beheerd door TNO. 13

In het Dinoloket zijn enkele boringen bestudeerd. Hieruit blijkt dat de ondergrond tot circa 19 m -mv bestaat uit gestuwde afzettingen, voornamelijk in de vorm van grindig grof zand en dunne kleilagen (overschuivingsvlakken). Geomorfologie De Geomorfologische kaart geeft de mate van reliëf en de vormen die in het landschap te onderscheiden zijn weer. Het plangebied is op de geomorfologische kaart van Nederland (1:50.000) niet gekarteerd, vanwege de ligging binnen de bebouwde kom (zie figuur 12). Op basis van de eenheden die in de omgeving worden aangetroffen bevindt het plangebied zich vermoedelijk op een glooiing van hellingafspoelingen, al dan niet afgedekt met dekzand (4H3). Deze hellingafspoelingen zijn afkomstig van de hoge stuwwal, welke op ongeveer 200 meter ten westen van het plangebied ligt. 14

Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Het Actueel Hoogtebestand Nederland vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laseraltimetrie verkregen digitale bestand vormt een gedetailleerd beeld van het huidige reliëf in het plangebied. Het AHN laat goed de ligging van het plangebied zien op een flank van een hooggelegen stuwwal in het westen naar een lager gelegen vlakte in het oosten (zie figuur 13). Dit zijn de overgangen naar de smeltwaterwaaiers en vervolgens de gordeldekzanden die op de lager gelegen flanken rondom de stuwwal liggen (met vaak een kenmerkende vorm van een gordel). Het hoogtebeeld vertoont duidelijke overeenkomsten met de Geomorfologische kaart van Nederland. Bodemkunde Doordat het plangebied zich binnen de bebouwde kom bevindt, is de bodemopbouw niet gekarteerd (zie figuur 14). Op basis van de vorm van de bodemkundige eenheden direct buiten de bebouwde kom komt er binnen het plangebied waarschijnlijk een hoge zwarte enkeerdgrond voor, bestaande uit grof zand (gY30). Enkeerdgronden zijn oude bouwlanden, die vanaf de late Middeleeuwen op de Pleistocene zandgronden zijn ontstaan door het opbrengen van mest (uit potstallen) vermengd met plaggen, die gestoken werden op de woeste gronden (zoals heide, bossen en beekdalen).

Dergelijke gronden zijn eerst ontstaan op de hogere delen van het landschap en hebben zich later uitgebreid tot de lagere delen. Ze bestaan uit dikke lagen leemarme en humusrijke gronden. Hun voorkomen valt veelal samen met de zogenaamde esdekken. Het belang van een enkeerdgrond ligt in de beschermende kwaliteiten van het dek. Eventuele archeologische waarden worden in de regel door het dikke dek beschermd tegen verstoring door onder andere agrarische activiteiten.

12

www.dinoloket.nl DINO boornummers B32A0018, B32A1682 en B32A1692 14 www.ahn.nl 13

Rapport 4185.002 versie 2

Pagina 10 van 29

e

Sinds de jaren ‘80 van de 20 eeuw is er een grotere en meer systematische aandacht voor essen en plaggenbodems in Nederland. In veel gevallen bleken de betreffende terreinen een hoge dichtheid aan verhoudingsgewijs goed geconserveerde archeologische overblijfselen te bevatten, soms zelfs complete archeologische landschappen. De vaak opmerkelijke resultaten vormen de belangrijkste bron voor de beschrijving van de bewoning en het landgebruik in de zandlandschappen voor de periode vanaf de Midden-Bronstijd tot in de Nieuwe tijd. Veel hiervan representeert de vroegere geschiee e denis van de dorpen die tussen de 9 en de 12 eeuw naast de essen kwamen te liggen. De rijkheid aan archeologische resten leidde er toe dat de hoger en droger gelegen plaggendekken of enkeerdgronden op de Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW) over het algemeen een hoge 15 indicatieve waarde kregen. Grondwatertrap Grondwatertrappen zijn een indicatie voor de diepte van de grondwaterstand en de seizoensfluctuatie daarvan. De grondwatertrappenindeling is gebaseerd op de gemiddeld hoogste (GHG) en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG). Hiermee worden de winter- en zomergrondwaterstanden gekarakteriseerd in een jaar met een gemiddelde neerslag en verdamping. In stedelijk gebied zijn geen grondwatertrappen bepaald.

Deze worden als ‘witte vlekken’ op de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) weergegeven. Tabel IV geeft een overzicht van de klassengrenzen die worden aangehouden bij de indeling van de grondwatertrappen. De trappen worden vastgesteld op een schaal van I tot VII van respectievelijk extreem nat tot extreem droog. Bij sommige grondwatertrappen is een ' of een '' weergegeven: het gaat hier om tussenliggende grondwatertrappen die een drogere variant vertegenwoordigen. Tabel IV.

Grondwatertrappenindeling16

Grondwatertrap

I

II'

III'

IV

V'

VI

VII"

GHG (cm -mv)

-

-

<40

>40

<40

40-80

>80

GLG (cm -mv)

<50

50-80

80-120

80-120

>120

>120

>120

') ")

Bij deze grondwatertrappen wordt een droger deel onderscheiden Een met een * achter de code als onderverdeling aangegeven "zeer droog deel" heeft een GHG dieper dan 140 cm beneden maaiveld

Gebiedsdelen met een goede ontwatering (Grondwatertrap VI en VII) zijn zeer geschikt voor landbouw en vormden mede daarom, vooral in het verleden, een aantrekkelijk vestigingsgebied. Vanwege de ligging van het plangebied in de bebouwde kom van laren is de grondwatertrap niet gekarteerd. Op grond van de nog relatief hoge ligging op de overgang van het stuwwallengebied naar glooiing van hellingafspoelingen (al dan niet afgedekt met dekzand), heeft het plangebied zeer waarschijnlijk een grondwatertrap VII. Hier zal in het verleden zeer waarschijnlijk sprake zijn geweest van natuurlijk goed gedraineerde gronden.

15 16

Van Doesburg et al., 2007 Locher & Bakker, 1990

Rapport 4185.002 versie 2

Pagina 11 van 29

3.7

Archeologische waarden

Voor de uitkomst van het bureauonderzoek is het van belang de bekende archeologische waarden (al dan niet volledig onderzocht) te beschrijven. Een belangrijke informatiebron is het landelijke ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS), dat beheerd wordt door de Rijksdienst voor het Cultureel Erf17 goed (RCE). In dit systeem worden alle archeologische gegevens verzameld en via internet zijn deze door bevoegden te raadplegen. De bekende archeologische waarden zijn middels kaartmateriaal weergegeven in figuur 15. Tevens zijn in de figuur de indicatieve archeologische waarde en de in ARCHIS geregistreerde AMK-terreinen, waarnemingen, vondstmeldingen en onderzoeksmeldingen binnen een straal van 1 kilometer weergegeven. Archeologische waarden- en verwachtingenkaart en beleidskaart gemeente Laren Sinds 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg van kracht (WAMZ). Het doel van deze wet is te voorkomen dat archeologische waarden uit het verleden verloren gaan. In deze wet zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het beheer van het bodemarchief binnen hun grondgebied. Voor een goed beheer van dit bodemarchief gebruikt de gemeente een archeologische beleidskaart. De Archeologische beleidskaart geeft een gemeentebreed overzicht van bekende en te verwachten archeologische waarden.

De kaart maakt inzichtelijk waar en bij welke ruimtelijke ingrepen een archeologisch onderzoek verplicht is en wordt als toetsingskader gebruikt voor ruimtelijke procedures. Volgens de archeologische waarden- en verwachtingenkaart van de gemeente Laren ligt het plangebied binnen een gebied met een hoge archeologische verwachting en tevens het oostelijke deel van het plangebied binnen een archeologisch terrein (zie figuur 16). Het archeologisch terrein betreft de historische kern van Laren en komt exact overeen met de begrenzing van een AMK-terrein (zie figuur 15). Op basis van de archeologische waarden- en verwachtingenkaart is een archeologische beleidskaart opgesteld. Het plangebied ligt daarmee binnen een gebied 3 (hoge archeologische verwachting) en het oostelijke deel van het plangebied tevens binnen gebied 2 (archeologisch terrein) (zie figuur 17). Voor gebieden met een hoge verwachting geldt dat bij planvorming en voorafgaand aan vergunningverlening, bij bodemingrepen dieper dan 30 cm -mv en een onderzoekslocatie groter dan 50 m², vroegtijdig een archeologisch inventariserend veldonderzoek dient te worden uitgevoerd. Indicatieve archeologische waarde De IKAW (Indicatieve Kaart Archeologische Waarde) geeft voor heel Nederland de trefkans aan op het voorkomen van archeologische resten.

Die trefkans is aangegeven in vier categorieën (per landen waterbodem): een hoge, middelhoge, lage en zeer lage verwachting. Bebouwde gebieden, waarvan geen bodemkundige of geologische gegevens bekend zijn, zijn niet gekarteerd. De IKAW is voornamelijk gebaseerd op de relatie die er bestaat tussen de bodemkundige of geologische kwalificaties en de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen. Een punt van aandacht daarbij is dat de IKAW grotendeels is gebaseerd op kaarten met een schaal van 1:50.000. De grenzen op de kaart zijn in werkelijkheid globale overgangen, abrupte overgangen zijn het gevolg van bodemkundige of geologische kwalificaties. Op lokaal schaalniveau is de kaart daarom minder betrouwbaar. Omdat de gemeentelijke beleidsadvieskaart een hoger detailniveau heeft dan de IKAW (Indicatieve Kaart Archeologische Waarde) is de IKAW voor het onderzoek niet geraadpleegd.

17

Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort

Rapport 4185.002 versie 2

Pagina 12 van 29

AMK-terreinen binnen het onderzoeksgebied De Archeologische Monumentenkaart (AMK) bevat een overzicht van archeologische terreinen in Nederland, welke ook wel worden aangeduid als monumenten. De terreinen zijn beoordeeld op verschillende criteria (kwaliteit, zeldzaamheid, representativiteit, ensemblewaarde en belevingswaarde). Op grond daarvan zijn de terreinen ingedeeld in vier categorieën; terreinen met archeologische waarde, een hoge archeologische waarde, een zeer hoge archeologische waarde of een zeer hoge archeologische waarde met een beschermde status. Het oostelijke deel van het plangebied ligt binnen een AMK-terrein (zie tabel V en figuur 15). Tabel V.

Overzicht AMK terreinen

AMK nr.

Situering t.o.v. plangebied

Datering

Waarde en omschrijving

13.734

Oostelijke deel plangebied ligt binnen het AMK-terrein

Middeleeuwen laat Nieuwe tijd

Toponiem: Complex: Stad Waarde: Terrein van hoge archeologische waarde Betreft de historische kern van Laren. De begrenzing van deze historische kern is bepaald op grond van de historische kaart uit 18491859, schaal 1:25.000. De archeologische waarde van historische kernen bestaat uit de reeds aangetroffen of te verwachten aanwezigheid, boven of onder de grond, van bouwhistorische resten en archeologische sporen en voorwerpen. Samen bevatten zij een veelheid aan historische informatie over ouderdom en ruimtelijke ontwikkeling van de kern.

In het verleden uitgevoerde archeologische onderzoeken binnen het onderzoeksgebied Binnen het onderzoeksgebied zijn in de afgelopen jaren door verschillende archeologische bedrijven en instellingen in totaal achttien archeologische onderzoeken uitgevoerd Het gaat daarbij om zestien bureau- en/of booronderzoeken (prospectief onderzoek) en twee proefsleuvenonderzoeken (zie tabel VI en figuur 15). Tabel VI.

Overzicht onderzoeksmeldingen

Zaakidentificatie (OMnummer) 2298379100 (42558)

Rapport 4185.002 versie 2

Situering t.o.v. plangebied

Aard, uitvoerder en resultaten van het onderzoek

Aangrenzend ten oosten van het plangebied

Type onderzoek: bureauonderzoek Toponiem: Bij De Toren 1A Laren Uitvoerder: Archaeological Research en Consultancy Datum: 7-8-2010 Resultaat: De onderzoekslocatie ligt op de flank van meest noordwestelijke uitloper van de Utrechtse Heuvelrug, ten westen van de Gelderse Vallei. Op de onderzoekslocatie worden gordeldekzandwelvingen (met of zonder oud bouwlanddek) verwacht. Op basis van deze bodemtypes in de omgeving worden op de onderzoekslocatie laarpodzolgronden of hoge enkeerdgronden verwacht. Daarom heeft de onderzoekslocatie een hoge archeologische trefkans op archeologische resten vanaf het Paleolithicum. In de omgeving van de onderzoekslocatie heeft in ieder geval sinds het Mesolithicum bewoning plaatsgevonden. Daarnaast ligt de onderzoekslocatie in de historische kern van Laren. Dit betekent dat er bovendien een specifieke hoge verwachting op archeologische resten vanaf de Late Middeleeuwen is. In 1832 was de locatie waarschijnlijk in gebruik als moestuin of bouwland. In 1900 was de onderzoekslocatie ook nog onbebouwd. De huidige bebouwing is rond 1952 gerealiseerd. Uit het bureauonderzoek blijkt dat de onderzoekslocatie ter plaatse van de nieuwbouw al 160 cm is afgegraven. Omdat de archeologische resten en/of sporen direct onder het eerddek/de A-horizont verwacht werden, is hiermee is het archeologisch interessante niveau verdwenen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11077762/1