CConstaterende datlaren
Koppel je AI →
Document · PDF

20220126RVSb22 00018 Bestemmingsplan en Beeldkwaliteitsplan voormalige Rabobank BIJLAGE toelichting

Gemeenteraad 26 januari 2022, gemeente larenBij agendapunt: Bestemmingsplan en Beeldkwaliteitsplan voormalige Rabobank13.390 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Samenvattend kunnen de volgende typerende elementen die deel uitmaken van het beschermd dorpsgezicht worden genoemd: de historisch-stedenbouwkundige structuur van het gehele gebied en de herkenbaarheid van de verschillende gave delen uit de periode tot ongeveer 1880; de herkenbaarheid in de bebouwing van het transformatieproces van agrarisch brinkdorp tot forensenen kunstenaarsdorp met behoud van de oude historische structuur; de groenvoorziening in de vorm van brinken, de hertenkamp, delen van de oude agrarische gronden (engen), plantsoenen, bomen, hagen en houtwalafscheidingen, alsmede wegprofielen en Y-splitsingen van wegen; het grote aantal bewaard en herkenbaar gebleven panden met cultuur- en architectonische, typologische en stedenbouwkundige waarde in het gebied, uiting gevend aan hetzij het agrarische of het nijverheidsverleden, hetzij aan de historie van Laren als kunstenaars- en vroeg forensendorp; het in het transformatieproces, behouden kleinschalige, dorpse en informele karakter, met het invoegen van nieuwe wegen en bebouwing in de periode tot 1940 in het bestaande weefsel. Vanwege de beschermde status van het dorpsgezicht is het niet zonder meer toegestaan om ter plaatse zonder een omgevingsvergunning te slopen.

Daarnaast bepaalt het bestemmingsplan dat het college van burgemeester en wethouders nadere eisen kan stellen aan bebouwing teneinde het behoud, de versterking of het herstel van de karakteristiek van het dorpsgezicht te verzekeren. Afweging De planologische mogelijkheden van dit bestemmingsplan leiden ertoe dat de huidige bebouwing zal worden gesloopt. Hiervoor is een omgevingsvergunning nodig. De sloop van de bebouwing zal echter niet leiden tot een verlies van enige waardevolle elementen. Het gebouw kent een relatief groot grondoppervlak ten aanzien van de omliggende bebouwing. Het planvoornemen zal voorzien in 3 gebouwen van een kleinere schaal en 2 twee-onder-een-kapwoningen. Voor het nieuwe planvoornemen is een beeldkwaliteitsplan opgesteld en getoetst door de welstandcommissie. Deze concludeert dat de voorgestelde inrichtingsschets en beeldkwaliteit goed aansluit op het omliggende omgevingsbeeld en bebouwingsbeeld. Tot slot wordt opgemerkt dat de dubbelbestemming voor het beschermd dorpsgezicht in dit bestemmingsplan wordt overgenomen. Artikel 6 bevat de eerder genoemde nadere eisen om zo te komen tot een behoud van het karakter van het dorp Laren. Gelet op het bovenstaande is het project dus voor het aspect cultuurhistorie uitvoerbaar.

22

Herontwikkeling voormalige Rabobanklocatie

4.4

Ecologie

Wettelijk kader Voor het plangebied is de volgende wet- en regelgeving op het gebied van natuurbescherming relevant: de Wet natuurbescherming (Wnb) en de provinciale Omgevingsvisie en -verordening. De Wnb is op 1 januari 2017 in werking getreden en betreft zowel soortenbescherming als bescherming van (Europese) natuurgebieden. In de Wnb is de bescherming van specifieke natuurgebieden geregeld. Het betreft de Natura 2000-gebieden, die een internationale bescherming genieten. Plannen en projecten met negatieve effecten op deze gebieden zijn vergunningsplichtig. Relevant daarbij is dat de Wnb een externe werking kent. Van externe werking is sprake als activiteiten buiten een Natura 2000-gebied van invloed zijn op de natuurwaarden in een Natura 2000-gebied. Onderzoek De initiatiefnemer is voornemens om ter plaatse van het plangebied de aanwezige bebouwing te slopen en daarvoor in de plaats appartementen in de vorm van meerdere gebouwen terug te bouwen. Hiervoor wordt een planologische procedure doorlopen. Om die reden is een ecologisch onderzoek uitgevoerd. Deze is opgenomen als Bijlage 7 (Ecologisch onderzoek). Het doel hiervan is om na te gaan of aanvullend onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) of het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid noodzakelijk is.

Vleermuizen Om de functie van onderzoekslocatie te bepalen voor streng beschermde vleermuizen dient nader onderzoek te worden verricht in de meest gunstige periode van het jaar. Hiervoor zullen meerdere veldbezoeken, in verschillende periodes van het jaar (april - september), uitgevoerd moeten worden om de functie van de onderzoekslocatie te bepalen voor vleermuizen. Doordat vleermuizen iedere (verblijfs)functie slechts een beperkte periode van het jaar gebruiken, is onderzoek naar alle, op de onderzoekslocatie mogelijke, functies noodzakelijk. Deze functies betreffen zomerverblijf, kraamverblijf en baltsverblijf. Iedere functie voor vleermuizen geniet jaarronde bescherming. Indien uit aanvullend onderzoek blijkt dat er vleermuizen op de onderzoekslocatie aanwezig zijn, zullen de voorgenomen plannen leiden tot een overtreding van de Wet natuurbescherming. Hiervoor zal een ontheffing moeten worden aangevraagd. Dit aanvullend onderzoek is uitgevoerd en opgenomen als Bijlage 12 (Aanvullend ecologisch onderzoek). Uit het onderzoek blijkt dat er geen beschermde functies voor vleermuizen zijn aangetroffen op de onderzoekslocatie, waardoor de voorgenomen werkzaamheden niet zullen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van deze soortgroep.

Overige soortgroepen Ten aanzien van algemene broedvogels kunnen overtredingen worden voorkomen door rekening te houden met het broedseizoen. Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht ten aanzien van algemene zoogdieren en amfibieën. Dit kan door het verwijderen van takkenhopen, bladeren en andere materialen die door langdurige opslag of aanwezigheid schuilplaatsen bieden. Het verwijderen van de materialen dient daarom buiten de gevoelige periode van voortplanting of winterrust plaats te vinden. De meest geschikte periode voor het verwijderen van dergelijke materialen betreft de periode september tot en met november. Stikstof Behalve het ecologisch onderzoek, is ook een onderzoek uitgevoerd naar depositie van stikstof als gevolg van de ontwikkeling. De depositie van stikstof in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden ten gevolge van de emissie van NOX en NH3 van deze ontwikkeling, alsmede van het verkeer van en naar de locatie is berekend

23

Herontwikkeling voormalige Rabobanklocatie

met het programmapakket AERIUS. Het rapport vormt een toelichting op de berekening en is, tezamen met de berekening, opgenomen als Bijlage 8 (Stikstofberekening). De berekening met AERIUS genereert een rekenresultaat waarin wordt geconstateerd dat er geen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden zijn met een overschrijding van een projectbijdrage van meer dan 0,00 mol stikstof per hectare per jaar. Er treedt door de stikstofdepositie geen negatief effect op in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) beschermde Natura 2000-gebieden. Een vergunning van de Wnb is in het kader van de stikstofdepositie dan ook niet nodig. Conclusie Gezien de bovenstaande analyse wordt gesteld dat het aspect ecologie uitvoerbaar te achten is voor de uitvoering van dit project.

4.5

Externe veiligheid

Wettelijk kader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is verschillende wet- en regelgeving van toepassing. Voor inrichtingen is dit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), voor transportroutes het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en voor hogedruk aardgastransportleidingen het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Binnen het beleidskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Op 27 oktober 2004 zijn het Bevi en de Regeling externe veiligheid inrichtingen van kracht geworden. In het Bevi zijn risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot inrichtingen met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die de hele tijd op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10- 6/jaarcontour (die als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen nieuwe kwetsbare objecten geprojecteerd worden.

Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10- 6/jaar-contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1%-letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Het GR kan niet 'op de kaart' worden weergegeven, maar wordt weergegeven in een grafiek waar de kans (f) afgezet wordt tegen het aantal slachtoffers (N): de fN-curve. Afweging Uit de risicokaart (riscokaart.nl), waarvan hieronder een uitsnede is weergegeven, blijkt dat in de omgeving geen risicobronnen aanwezig zijn.

24

Herontwikkeling voormalige Rabobanklocatie

Figuur. Uitsnede risicokaart met in het blauw kader het plangebied (bron: risicokaart.nl). Conclusie Gezien de bovenstaande analyse wordt gesteld dat het milieuaspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de uitvoering van dit project.

4.6

Geluid

Wettelijk kader De eventuele verplichting tot uitvoering van een akoestisch onderzoek is vastgelegd in de Wet geluidhinder (Wgh). De Wgh bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidsniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan, indien het plan een geluidsgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Woningen betreffen op grond van de Wgh en het Activiteitenbesluit milieubeheer een geluidsgevoelig object. Een akoestisch onderzoek is op grond van de Wet geluidhinder noodzakelijk wanneer een geluidsgevoelig gebouw gelegen is binnen een door deze wet aangewezen geluidszone. Onderzoek De nabij de voorgenomen woningen gelegen Burgemeester van Nispen van Sevenaerstraat en de Bij Den Toren kennen ter plaatse van het planvoornemen een maximumsnelheid van 30 km/u. Deze wegen hebben voor de meest nabijgelegen wegdelen daarmee in de zin van de Wet geluidhinder geen zone. Voor de Burgemeester van Nispen van Sevenaerstraat geldt dat op circa 140 meter afstand, de weg een 50 km/u-regime kent.

Vanwege dit 50 km/u-regime en in het kader van een goede ruimtelijke ordening ten aanzien van de 30 km/u-wegen is akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is uitgevoerd en bijgevoegd als Bijlage 9 (Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai). Conclusie Ten gevolge van het gezoneerde wegvak Burgemeester Van Nispen van Sevenaerstraat wordt de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting niet overschreden. Ten gevolge van de 30 km/u-wegen blijkt dat de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting wordt overschreden ten gevolge van de Burgemeester Van Nispen van Sevenaerstraat. Omdat de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting wordt overschreden, is een

25

Herontwikkeling voormalige Rabobanklocatie

maatregelenstudie nodig. Op basis van de maatregelenafweging worden zowel bron- als overdrachtsmaatregelen niet doelmatig geacht. De maatregelen stuiten op overwegende verkeerskundige of stedenbouwkundige bezwaren. De gecumuleerde geluidbelasting bedraagt maximaal 62 dB. De binnenwaarden (33 dB) zullen derhalve moeten worden gegarandeerd door middel van extra gevelisolatie. Nader onderzoek naar de geluidwering is bij de omgevingsvergunning nodig (voor blok 2 en 3). Tot slot wordt opgemerkt dat overige bronnen (industrielawaai of luchtvaartlawaai) die eventueel geluidshinder zouden veroorzaken ter plaatse niet aanwezig zijn.

4.7

Luchtkwaliteit

Wettelijk kader Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer. De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing). Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (hierna: NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. De ministerraad heeft op voorstel van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer ingestemd met het NSL. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Deze programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (hierna: nibm) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden.

Luchtkwaliteitseisen vormen onder de nieuwe wet geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging (meer dan 3%) ten opzichte van de grenswaarde; een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL. Voor kleinere ruimtelijke en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit heeft de minister in samenwerking met InfoMil de nibm-tool maart 2019 ontwikkeld. Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een project niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Met behulp van deze rekenhulp is de toename van de stoffen NO2 en PM1 0 te bepalen. Besluit niet in betekenende mate Het Besluit niet in betekenende mate bepaalt in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst.

Hierbij worden twee situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM1 0 (=1,2 µg/m3 ); een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto-vloeroppervlakte van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. Afweging Dit projectvoornemen voorziet in de sloop van een kantoorgebouw en het terugbouwen van 3 appartementsgebouwen en 2 twee-onder-een-kapwoningen. Ook wordt voorzien in commerciële functies. Het aantal verkeersbewegingen neemt ten opzichte van de bestaande situatie af. Het initiatief draagt derhalve 'niet in betekenende mate' bij. Hiermee wordt voldaan aan de Wet milieubeheer. De luchtkwaliteitseisen vormen geen belemmering voor het plan.

26

Herontwikkeling voormalige Rabobanklocatie

4.8

Milieuzonering

Algemeen Indien door middel van een project nieuwe, gevoelige functies mogelijk worden gemaakt, moet men aantonen dat een goed leefmilieu mogelijk blijft. Hierbij moet rekening worden gehouden met omliggende functies met een milieuzone. Anderzijds mag men omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden aantasten door de realisatie van een nieuwe gevoelige functie. Het aspect milieuzonering is dus tweeledig. Bedrijven worden ingedeeld in categorieën met behulp van de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering (2009)' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG). Deze publicatie biedt een handreiking ten behoeve van de afstemming tussen ruimtelijke ordening en milieu op lokaal niveau en geeft informatie over de milieukenmerken van verschillende typen bedrijven. Op basis van de milieukenmerken van de verschillende typen bedrijven en inrichtingen wordt een indicatie van de afstanden gegeven, die als gevolg van deze kenmerken moeten worden aangehouden tussen de diverse omgevings- en gebiedstypen: 'rustige woonwijk', 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging.

In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningen, horeca en kleine bedrijven. De informatie heeft geen betrekking op individuele bedrijven, maar op bedrijfstypen. Dit betekent dat een concrete situatie altijd in de context moet worden bekeken: binnen bepaalde bedrijfstypen kunnen zich grote verschillen voordoen; concrete milieu-informatie over een specifiek bedrijf heeft meer waarde dan algemene informatie; de afstanden hebben betrekking op de afstand tot een rustige woonwijk; bij andere gebiedsfuncties kunnen dus andere afstanden mogelijk zijn; afdoende milieuhygiënische maatregelen bij de bron, bij de overdracht of bij de ontvanger, kunnen een kortere afstand eventueel mogelijk maken. De onderstaande toetsing bevat een onderdeel dat aandacht besteedt aan bedrijven en functies in de omgeving die al dan niet hinder kunnen ondervinden van dit project alsook in hoeverre het project al dan niet hinder kan ondervinden als gevolg van bedrijven en functies in de omgeving. Toetsing Als eerste wordt opgemerkt dat ter plaatse sprake is van een gemengd gebied. De omgeving van het projectgebied bestaat uit een centrumgebied met daarin uiteenlopende functies. Wonen, detailhandel en bedrijvigheid zijn in afwisselende samenstelling aanwezig. Er is dus sprake van functiemenging.

Om die reden is een hogere milieubelasting gerechtvaardigd. Hinderveroorzakende bedrijven en functies in de omgeving In de omgeving van het projectgebied zijn verscheidene detailhandelsbedrijven aanwezig. Voor detailhandel geldt (uitgezonderd een postorderbedrijf) maximaal milieucategorie 2. Dat betekent een richtafstand van 10 meter indien sprake is van gemengd gebied. Voor de restaurants en cafés die ook in de omgeving aanwezig zijn geldt een richtafstand van 0 meter indien sprake is van gemengd gebied. Ook aan die richtsafstand wordt voldaan. Voor het overige is er in de omgeving geen bedrijvigheid aanwezig die een belemmering vormt voor het onderhavige planvoornemen. Hinder als gevolg van het onderhavige project Naast dat omringende functies hinder kunnen veroorzaken, is het ook denkbaar dat het onderhavige project hinder veroorzaakt voor de omgeving. De bedrijvigheid waarin in project in voorziet betreft kantoor, detailhandel (via afwijking) en horeca. Zoals hierboven reeds opgemerkt gelden voor zulke bedrijvigheid de richtafstanden van 10 en 0 meter op basis van milieucategorie 2 en 1. Dat betekent dat de bedrijvigheid die wordt mogelijk gemaakt door dit planvoornemen op voldoende afstand ligt van de gevoelige functies in de omgeving. Voor de woningen direct boven de bedrijvigheid geldt dat deze ook aan de geldende richtlijnen

27

Herontwikkeling voormalige Rabobanklocatie

moeten voldoen. Ten aanzien van zulke functiemenging geldt dat de VNG-brochure een ander type categorieaanduiding kent van bedrijvigheid. De VNG-brochure geeft aan dat bij activiteiten die zodanig weinig milieubelastend zijn voor hun omgeving, dat deze aanpandig aan woningen -in gebieden met functiemenging- kunnen worden uitgevoerd. De eisen van het Bouwbesluit 2012 voor scheiding tussen woning en bedrijven zijn daarbij voldoende toereikend. Uit de VNG-brochure volgt vervolgens dat bedrijvigheid in de vorm van detailhandel en horeca vallen onder categorie A (op supermarkten, warenhuizen, discotheken, muziekcafés en cateringbedrijven na). Dat betekent dat deze functies aanpandig zijn toegestaan. Bij het onderhavige planvoornemen is daarvan sprake: meerdere appartementen worden boven het de detailhandel en horeca gebouwd. Daarmee voldoet dit planvoornemen wat betreft dit onderdeel aan de voorgeschreven normen. In de huidige situatie is de inrit gelegen aan de oostzijde van de Burgemeester van Nispen van Sevenaerstraat 4. De huidige uitrit ligt aan de oostzijde van de woning aan de Nieuwlarenweg 11. Dit is de plek waar de nieuwe in- en uitrit ook komt te liggen.

Ten opzichte van de huidige verkeersgeneratie op grond van het geldende bestemmingsplan en het historisch gebruik van de commerciële functie is er per saldo sprake van een vergelijkbaar aantal ritten aan de oostzijde van de woning aan de Nieuwlarenweg 11. Het beperkt aantal verkeersbewegingen, alsmede de beperkte gewijzigde situatie met betrekking tot het optrekken en afremmen van auto's is niet zodanig dat er in redelijkheid dan ook geen goed woon- en leefklimaat in de nabijheid te verwachten is vanwege deze voorziening. Een deel van de huidige bovengrondse parkeervoorziening zal bovendien ondergronds worden uitgevoerd wat uit akoestisch oogpunt positief werkt. Bij de uitvoering zal verder voorzien worden in een geluidsarme installatie voor de parkeergarage. Dit mede gelet op het feit dat boven deze in- en uitgang ook voorzien is in nieuwe gevoelige functies en een geluidsarme installatie dan ook in redelijkheid te verwachten is. Conclusie Op basis van de bovenstaande analyse is het plan wat betreft het aspect milieuzonering uitvoerbaar.

4.9

Water

Wettelijk kader Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet bij ruimtelijke plannen een waterparagraaf worden opgenomen. Het is verplicht plannen te toetsen op wateraspecten. Het doel van de watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Behalve landelijke wetgeving hanteert de gemeente Laren ook het 'Beleids- en actieplan wateroverlast Laren'. De volgende uitgangspunten zijn in het beleids- en actieplan benoemd: De gemeente accepteert tijdelijk water op straat en ziet kritisch toe op het ontwerp en inrichting van de bebouwde omgeving, zodat berging op straat met beperkte overlast mogelijk is. Schade aan eigendommen en/of het uitvallen van essentiële (gebruiks-) functies vindt de gemeente Laren niet acceptabel. Om in te spelen op klimaatveranderingen wordt de neerslaggebeurtenis van 28 juli 2014 als referentie toegepast bij het uitwerken van verbetermaatregelen. Particulieren verwerken het hemelwater op eigen terrein, tenzij ze aantonen dat dit niet haalbaar en redelijk is. De gemeente hanteert in de openbare ruimte de voorkeursvolgorde voor de afvoer van afstromend hemelwater: 1. Afvoer naar de bodem, indien nodig via een zuiverende voorziening, zoals bodemverrijking; 2.

Afvoer via het riool naar de rioolwaterzuivering (als verontreinigingen worden verwacht). De gemeente koppelt het hemelwater afkomstig van verhard openbaar oppervlak af van het gemengde riool als dit doelmatig is: gelijktijdig met een voorgenomen rioolvervanging en als de voordelen

28

Herontwikkeling voormalige Rabobanklocatie

opwegen tegen de kosten. Afweging Onderzoek naar de waterhuishouding is uitgevoerd. Dit onderzoek is bijgevoegd als 10. Het verhard oppervlak in de toekomstige situatie bedraagt circa 2.840 m2 . Ten opzichte van de huidige situatie zal ten aanzien van de ontwikkeling het verhard oppervlak afnemen met 660 m2 . In de toekomstige situatie zal het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) niet op het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) worden aangesloten maar separaat binnen de planlocatie worden verwerkt. Dit betekent dat bij de verdere planuitwerking water expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing wordt genomen en dat hemelwater op een duurzame wijze wordt verwerkt. De ontwikkeling zal daarmee hydrologisch neutraal zijn. Bij herontwikkeling of nieuwbouw mag het hemelwater afkomstig van het dak echter niet zonder meer worden aangesloten op het riool. Afstromend hemelwater mag eveneens niet worden afgewenteld op omliggende percelen of de openbare ruimte. Om dit te voorkomen worden compenserende maatregelen genomen om te voorkomen dat regenwater versneld tot afvoer komt. Conform het beleid van de gemeente Laren geldt ten aanzien van de ontwikkeling en het toekomstig verhard oppervlak een uitbasisinspanning (bergingseis of normering) waaraan moet worden voldaan of aan getoetst kan worden van 40 mm/m2 (bui van 40 mm/uur).

Ten aanzien van de ontwikkeling en het toekomstig verhard oppervlak bedraagt de waterbergingsopgave circa 115 m3. De gemeente adviseert in het kader van waterveiligheid een ontwerpnorm van 60 mm/m2 aan te houden. In een situatie waarbij in een korte tijd meer regen valt (60 mm) dan de ontwerpuitgangspunten kan tijdelijk water op het perceel blijven staan (water-op-straat situatie). In een dergelijke situatie mag het hemelwater niet afstromen richting gebouwen en/of aangrenzende percelen (waterveilig). Met het toepassen van een ontwerpnorm van 60 mm/m2 wordt het risico van water-op-straat en eventuele overlast hierdoor bij gebouwen nog verder verkleind. Om water in de planuitwerking expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing te nemen en hemelwater op een duurzame wijze te verwerken (hydrologisch neutraal) wordt in het ontwerp gewerkt met hoogteverschillen zodat tijdens regenbuien water gemakkelijk kan toestromen naar de onverharde (groene)buitenruimte en aldaar kan worden vastgehouden en infiltreren. Afstroming van hemelwater richting gebouwen en/of aangrenzende percelen wordt daarmee voorkomen. Op basis van de ontwateringsdiepte behoort een ondergrondse hemelwatervoorziening tot de mogelijkheden. Het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) zal in de toekomstige situatie worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel in de omgeving.

Op basis van de randvoorwaarden en uitgangspunten is de ontwikkeling in zowel ruimte als tijd waterneutraal uit te voeren. Er worden dan ook vanuit het oogpunt van de waterhuishouding geen belemmering verwacht ten aanzien van de bestemmingswijziging en de uitvoering van het plan. Conclusie Het milieuaspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het onderhavig projectvoornemen.

4.10

M.e.r.-beoordeling

Wettelijk kader De wet- en regelgeving voor milieueffectrapportage (m.e.r.) is vastgelegd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en in de AMvB Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In de Wet milieubeheer zijn vooral de procedurele verplichtingen opgenomen. In Besluit m.e.r. is opgenomen wanneer een m.e.r. verplicht is. Onderzoek Onderzocht is of het bestemmingsplan het ruimtelijk kader biedt voor activiteiten die zijn opgenomen in onderdeel C of D van het Besluit MER. In bijlage 11 is de mer-beoordeling opgenomen.

29

Herontwikkeling voormalige Rabobanklocatie

Conclusie Op dit bestemmingsplan rust geen plicht tot het uitvoeren van een MER. De beoogde ontwikkelingen veroorzaken geen nadelige gevolgen voor het milieu.

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische vormgeving

Algemeen

Voor dit bestemmingsplan is gebruikgemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen moeten in onderlinge samenhang worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.

5.2

Opzet van de regels

De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk 2 geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk 3 geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt Hoofdstuk 4 de overgangs- en slotbepalingen. Ook de regels van een bestemming kennen een standaardopbouw en worden als volgt benoemd: Bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); Bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); Nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); Afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); Specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); Afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).

5.3

Beschrijving van de regels

Centrum De eerste bestemming die voorkomt in het plangebied betreft de bestemming 'Centrum'. Deze bestemming bevindt zich aan de oostzijde van het gebied en biedt ruimte aan wonen, dienstverlening, detailhandel en horeca. De woningen kunnen in appartementsvorm worden gerealiseerd. De dienstverlening, detailhandel en horeca kunnen worden gerealiseerd op de begane grond en kelder van het gebouw. Wonen De tweede bestemming betreft de bestemming 'Wonen'. Deze is ten eerste voorzien aan de 2 twee-onder-een-kapwoningen aan de Bij Den Toren. Ook is deze bestemming opgenomen voor de overige twee appartementengebouwen. Waarde - Beschermd dorpsgezicht Het beschermd dorpsgezicht is beschermd door middel van een dubbelbestemming, op grond waarvan

30

Herontwikkeling voormalige Rabobanklocatie

burgemeester en wethouders nadere eisen kunnen stellen aan de situering en de omvang van nieuw op te richten bouwwerken, de nokrichting van de kappen van gebouwen, de gevelindeling en het materiaal- en kleurgebruik. Uiteraard is dit alleen toegelaten voorzover dat de bestemming 'Waarde - Beschermd dorpsgezicht' dient.

5.4

Verbeelding

Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken et cetera. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart Nederland en kadastrale kaart).

Hoofdstuk 6 6.1

Uitvoerbaarheid

Financiële uitvoerbaarheid

Het voorliggende bestemmingsplan is opgesteld naar aanleiding van een verzoek van de initiatiefnemer. De initiatiefnemer draagt de uit het plan voortkomende kosten. Tussen de initiatiefnemer en de gemeente is een planschadeovereenkomst afgesloten. Op basis van deze overweging is het voorliggende bestemmingsplan economisch uitvoerbaar. De uitvoerbaarheid van het voorliggende bestemmingsplan wordt niet door onvoldoende economische uitvoerbaarheid belemmerd.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

De resultaten van overleg worden te zijner tijd in deze paragraaf verwerkt.

31

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11077768/1