CConstaterende datlaren
Koppel je AI →
Document · PDF

20210922Cvs Ontwerpbestemmingsplan en BKP Rabobank BIJLAGE ontwerp bestem plan

Commissie Ruimte en Infrastructuur 22 september 2021, gemeente larenBij agendapunt: Ontwerpbestemmingsplan en BKP Rabobank22.394 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Daarnaast bepaalt het bestemmingsplan dat het college van burgemeester en wethouders nadere eisen kan stellen aan bebouwing teneinde het behoud, de versterking of het herstel van de karakteristiek van het dorpsgezicht te verzekeren. Afweging De planologische mogelijkheden van dit bestemmingsplan leiden ertoe dat de huidige bebouwing zal worden gesloopt. Hiervoor is een omgevingsvergunning nodig. De sloop van de bebouwing zal echter niet leiden tot een verlies van enige waardevolle elementen. Het gebouw kent een relatief groot grondoppervlak ten aanzien van de omliggende bebouwing. Het planvoornemen zal voorzien in drie gebouwen van een kleinere schaal en twee twee-onder-een-kapwoningen. Voor het nieuwe planvoornemen is een beeldkwaliteitsplan opgesteld en getoetst door de welstandcommissie. Deze concludeert dat de voorgestelde inrichtingsschets en beeldkwaliteit goed aansluit op het omliggende omgevingsbeeld en bebouwingsbeeld. Tot slot wordt opgemerkt dat de dubbelbestemming voor het beschermd dorpsgezicht in dit bestemmingsplan wordt overgenomen. Artikel 6 bevat de eerder genoemde nadere eisen om zo te komen tot een behoud van het karakter van het dorp Laren. Gelet op het bovenstaande is het project dus voor het aspect cultuurhistorie uitvoerbaar.

4.4

Ecologie

Wettelijk kader Voor het plangebied is de volgende wet- en regelgeving op het gebied van natuurbescherming relevant: de Wet natuurbescherming (Wnb) en de provinciale Omgevingsvisie en -verordening. De Wnb is op 1 januari 2017 in werking getreden en betreft zowel soortenbescherming als bescherming van (Europese) natuurgebieden. In de Wnb is de bescherming van specifieke natuurgebieden geregeld. Het betreft de Natura 2000-gebieden, die een internationale bescherming genieten. Plannen en projecten met negatieve effecten op deze gebieden zijn vergunningsplichtig. Relevant daarbij is dat de Wnb een externe werking kent. Van externe werking is sprake als activiteiten buiten een Natura 2000-gebied van invloed zijn op de natuurwaarden in een Natura 2000-gebied. Onderzoek De initiatiefnemer is voornemens om ter plaatse van het plangebied de aanwezige bebouwing te slopen en daarvoor in de plaats appartementen in de vorm van meerdere gebouwen terug te bouwen. Hiervoor wordt een planologische procedure doorlopen. Om die reden is een ecologisch onderzoek uitgevoerd. Deze is opgenomen als Bijlage 7 (Ecologisch onderzoek). Het doel hiervan is om na te gaan of aanvullend onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) of het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid noodzakelijk is. Vleermuizen

23

Herontwikkeling voormalige Rabobanklocatie

Om de functie van onderzoekslocatie te bepalen voor streng beschermde vleermuizen dient nader onderzoek te worden verricht in de meest gunstige periode van het jaar. Hiervoor zullen meerdere veldbezoeken, in verschillende periodes van het jaar (april - september), uitgevoerd moeten worden om de functie van de onderzoekslocatie te bepalen voor vleermuizen. Doordat vleermuizen iedere (verblijfs)functie slechts een beperkte periode van het jaar gebruiken, is onderzoek naar alle, op de onderzoekslocatie mogelijke, functies noodzakelijk. Deze functies betreffen zomerverblijf, kraamverblijf en baltsverblijf. Iedere functie voor vleermuizen geniet jaarronde bescherming. Indien uit aanvullend onderzoek blijkt dat er vleermuizen op de onderzoekslocatie aanwezig zijn, zullen de voorgenomen plannen leiden tot een overtreding van de Wet natuurbescherming. Hiervoor zal een ontheffing moeten worden aangevraagd. Gezien de mogelijkheid om tijdig tijdelijke verblijfplaatsen te realiseren in de directe omgeving, door in de nieuwbouw permanente voorzieningen voor vleermuizen op te nemen én de mogelijkheid om sloop van de bebouwing uit te stellen, is in redelijkheid aan te nemen dat een ontheffing voor het vernietigen en verstoren van verblijfplaatsen van vleermuizen verkregen wordt. Het bestemmingsplan is aldus in redelijkheid uitvoerbaar te achten.

Overige soortgroepen Ten aanzien van algemene broedvogels kunnen overtredingen worden voorkomen door rekening te houden met het broedseizoen. Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht ten aanzien van algemene zoogdieren en amfibieën. Dit kan door het verwijderen van takkenhopen, bladeren en andere materialen die door langdurige opslag of aanwezigheid schuilplaatsen bieden. Het verwijderen van de materialen dient daarom buiten de gevoelige periode van voortplanting of winterrust plaats te vinden. De meest geschikte periode voor het verwijderen van dergelijke materialen betreft de periode september tot en met november. Stikstof Behalve het ecologisch onderzoek, is ook een onderzoek uitgevoerd naar depositie van stikstof als gevolg van de ontwikkeling. De depositie van stikstof in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden ten gevolge van de emissie van NOX en NH3 van deze ontwikkeling, alsmede van het verkeer van en naar de locatie is berekend met het programmapakket AERIUS.

Het rapport vormt een toelichting op de berekening en is, tezamen met de berekening, opgenomen als Bijlage 8 (Stikstofberekening). De berekening met AERIUS genereert een rekenresultaat waarin wordt geconstateerd dat er geen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden zijn met een overschrijding van een projectbijdrage van meer dan 0,00 mol stikstof per hectare per jaar. Er treedt door de stikstofdepositie geen negatief effect op in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) beschermde Natura 2000-gebieden. Een vergunning van de Wnb is in het kader van de stikstofdepositie dan ook niet nodig. Conclusie Gezien de bovenstaande analyse wordt gesteld dat het aspect ecologie uitvoerbaar te achten is voor de uitvoering van dit project.

24

Herontwikkeling voormalige Rabobanklocatie

4.5

Externe veiligheid

Wettelijk kader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is verschillende wet- en regelgeving van toepassing. Voor inrichtingen is dit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), voor transportroutes het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en voor hogedruk aardgastransportleidingen het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Binnen het beleidskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Op 27 oktober 2004 zijn het Bevi en de Regeling externe veiligheid inrichtingen van kracht geworden. In het Bevi zijn risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot inrichtingen met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die de hele tijd op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 /jaarcontour (die als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen nieuwe kwetsbare objecten geprojecteerd worden.

Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 /jaar-contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1%-letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Het GR kan niet 'op de kaart' worden weergegeven, maar wordt weergegeven in een grafiek waar de kans (f) afgezet wordt tegen het aantal slachtoffers (N): de fN-curve. Afweging Uit de risicokaart (riscokaart.nl), waarvan hieronder een uitsnede is weergegeven, blijkt dat in de omgeving geen risicobronnen aanwezig zijn.

Figuur. Uitsnede risicokaart met in het blauw kader het plangebied (bron: risicokaart.nl). Conclusie

25

Herontwikkeling voormalige Rabobanklocatie Gezien de bovenstaande analyse wordt gesteld dat het milieuaspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de uitvoering van dit project.

4.6

Geluid

Wettelijk kader De eventuele verplichting tot uitvoering van een akoestisch onderzoek is vastgelegd in de Wet geluidhinder (Wgh). De Wgh bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidsniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan, indien het plan een geluidsgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Woningen betreffen op grond van de Wgh en het Activiteitenbesluit milieubeheer een geluidsgevoelig object. Een akoestisch onderzoek is op grond van de Wet geluidhinder noodzakelijk wanneer een geluidsgevoelig gebouw gelegen is binnen een door deze wet aangewezen geluidszone. Onderzoek De nabij de voorgenomen woningen gelegen Burgemeester van Nispen van Sevenaerstraat en de Bij Den Toren kennen ter plaatse van het planvoornemen een maximumsnelheid van dertig kilometer per uur. Deze wegen hebben voor de meest nabijgelegen wegdelen daarmee in de zin van de Wet geluidhinder geen zone. Voor de Burgemeester van Nispen van Sevenaerstraat geldt dat op circa 140 meter afstand, de weg een vijftig kilometer per uur-regime kent.

Vanwege dit vijftig kilometer per uur regime en in het kader van een goede ruimtelijke ordening ten aanzien van de dertig kilometer per uur-wegen is akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is uitgevoerd en bijgevoegd als Bijlage 9 (Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai). Conclusie Ten gevolge van het gezoneerde wegvak Burgemeester Van Nispen van Sevenaerstraat wordt de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting niet overschreden. Ten gevolge van de dertig kilometer per uur-wegen blijkt dat de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting wordt overschreden ten gevolge van de Burgemeester Van Nispen van Sevenaerstraat. Omdat de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting wordt overschreden, is een maatregelenstudie nodig. Op basis van de maatregelenafweging worden zowel bronals overdrachtsmaatregelen niet doelmatig geacht. De maatregelen stuiten op overwegende verkeerskundige of stedenbouwkundige bezwaren. De gecumuleerde geluidbelasting bedraagt maximaal 62 dB. De binnenwaarden (33 dB) zullen derhalve moeten worden gegarandeerd door middel van extra gevelisolatie. Nader onderzoek naar de geluidwering is bij de omgevingsvergunning nodig (voor blok 2 en 3). Tot slot wordt opgemerkt dat overige bronnen (industrielawaai of luchtvaartlawaai) die eventueel geluidshinder zouden veroorzaken ter plaatse niet aanwezig zijn.

4.7

Luchtkwaliteit

Wettelijk kader Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer. De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing). Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (hierna: NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. De ministerraad heeft op voorstel van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer ingestemd met het NSL. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Deze programma-aanpak zorgt voor een flexibele

26

Herontwikkeling voormalige Rabobanklocatie koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (hierna: nibm) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de nieuwe wet geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging (meer dan drie procent) ten opzichte van de grenswaarde; een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL. Voor kleinere ruimtelijke en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit heeft de minister in samenwerking met InfoMil de nibm-tool maart 2019 ontwikkeld. Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een project niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Met behulp van deze rekenhulp is de toename van de stoffen NO2 en PM10 te bepalen.

Besluit niet in betekenende mate Het Besluit niet in betekenende mate bepaalt in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden twee situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (=1,2 µg/m3 ); een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto-vloeroppervlakte van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. Afweging Dit projectvoornemen voorziet in de sloop van een kantoorgebouw en het terugbouwen van drie appartementsgebouwen en twee twee-onder-een-kapwoningen. Ook wordt voorzien in commerciële functies. Het aantal verkeersbewegingen neemt ten opzichte van de bestaande situatie af. Het initiatief draagt derhalve 'niet in betekenende mate' bij. Hiermee wordt voldaan aan de Wet milieubeheer. De luchtkwaliteitseisen vormen geen belemmering voor het plan.

4.8

Milieuzonering

Algemeen Indien door middel van een project nieuwe, gevoelige functies mogelijk worden gemaakt, moet men aantonen dat een goed leefmilieu mogelijk blijft. Hierbij moet rekening worden gehouden met omliggende functies met een milieuzone. Anderzijds mag men omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden aantasten door de realisatie van een nieuwe gevoelige functie. Het aspect milieuzonering is dus tweeledig. Bedrijven worden ingedeeld in categorieën met behulp van de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering (2009)' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG). Deze publicatie biedt een handreiking ten behoeve van de afstemming tussen ruimtelijke ordening en milieu op lokaal niveau en geeft informatie over de milieukenmerken van verschillende typen bedrijven. Op basis van de milieukenmerken van de verschillende typen bedrijven en inrichtingen wordt een indicatie van de afstanden gegeven, die als gevolg van deze kenmerken moeten worden aangehouden tussen de diverse omgevings- en gebiedstypen: 'rustige woonwijk', 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging.

In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningen, horeca en kleine bedrijven. De informatie heeft geen betrekking op individuele bedrijven, maar op bedrijfstypen. Dit betekent dat een

27

Herontwikkeling voormalige Rabobanklocatie concrete situatie altijd in de context moet worden bekeken: binnen bepaalde bedrijfstypen kunnen zich grote verschillen voordoen; concrete milieu-informatie over een specifiek bedrijf heeft meer waarde dan algemene informatie; de afstanden hebben betrekking op de afstand tot een rustige woonwijk; bij andere gebiedsfuncties kunnen dus andere afstanden mogelijk zijn; afdoende milieuhygiënische maatregelen bij de bron, bij de overdracht of bij de ontvanger, kunnen een kortere afstand eventueel mogelijk maken. De onderstaande toetsing bevat een onderdeel dat aandacht besteedt aan bedrijven en functies in de omgeving die al dan niet hinder kunnen ondervinden van dit project alsook in hoeverre het project al dan niet hinder kan ondervinden als gevolg van bedrijven en functies in de omgeving. Toetsing Als eerste wordt opgemerkt dat ter plaatse sprake is van een gemengd gebied. De omgeving van het projectgebied bestaat uit een centrumgebied met daarin uiteenlopende functies. Wonen, detailhandel en bedrijvigheid zijn in afwisselende samenstelling aanwezig. Er is dus sprake van functiemenging. Om die reden is een hogere milieubelasting gerechtvaardigd. Hinderveroorzakende bedrijven en functies in de omgeving In de omgeving van het projectgebied zijn verscheidene detailhandelsbedrijven aanwezig.

Voor detailhandel geldt (uitgezonderd een postorderbedrijf) maximaal milieucategorie 2. Dat betekent een richtafstand van tien meter indien sprake is van gemengd gebied. Voor de restaurants en cafés die ook in de omgeving aanwezig zijn geldt een richtafstand van nul meter indien sprake is van gemengd gebied. Ook aan die richtsafstand wordt voldaan. Voor het overige is er in de omgeving geen bedrijvigheid aanwezig die een belemmering vormt voor het onderhavige planvoornemen. Hinder als gevolg van het onderhavige project Naast dat omringende functies hinder kunnen veroorzaken, is het ook denkbaar dat het onderhavige project hinder veroorzaakt voor de omgeving. De bedrijvigheid waarin in project in voorziet betreft detailhandel en horeca. Zoals hierboven reeds opgemerkt gelden voor zulke bedrijvigheid de richtafstanden van tien en nulmeter op basis van milieucategorie 2 en 1. Dat betekent dat de bedrijvigheid die wordt mogelijk gemaakt door dit planvoornemen op voldoende afstand ligt van de gevoelige functies in de omgeving. Voor de woningen direct boven de bedrijvigheid geldt dat deze ook aan de geldende richtlijnen moeten voldoen. Ten aanzien van zulke functiemenging geldt dat de VNG-brochure een ander type categorieaanduiding kent van bedrijvigheid.

De VNG-brochure geeft aan dat bij activiteiten die zodanig weinig milieubelastend zijn voor hun omgeving, dat deze aanpandig aan woningen -in gebieden met functiemenging- kunnen worden uitgevoerd. De eisen van het Bouwbesluit 2012 voor scheiding tussen woning en bedrijven zijn daarbij voldoende toereikend. Uit de VNG-brochure volgt vervolgens dat bedrijvigheid in de vorm van detailhandel en horeca vallen onder categorie A (op supermarkten, warenhuizen, discotheken, muziekcafés en cateringbedrijven na). Dat betekent dat deze functies aanpandig zijn toegestaan. Bij het onderhavige planvoornemen is daarvan sprake: meerdere appartementen worden boven het de detailhandel en horeca gebouwd. Daarmee voldoet dit planvoornemen wat betreft dit onderdeel aan de voorgeschreven normen. Conclusie Op basis van de bovenstaande analyse is het plan wat betreft het aspect milieuzonering uitvoerbaar.

4.9

Water

Wettelijk kader Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet bij ruimtelijke plannen een waterparagraaf worden opgenomen. Het is verplicht plannen te toetsen op wateraspecten. Het doel van de watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten.

28

Herontwikkeling voormalige Rabobanklocatie

Behalve landelijke wetgeving hanteert de gemeente Laren ook het 'Beleids- en actieplan wateroverlast Laren'. De volgende uitgangspunten zijn in het beleids- en actieplan benoemd: De gemeente accepteert tijdelijk water op straat en ziet kritisch toe op het ontwerp en inrichting van de bebouwde omgeving, zodat berging op straat met beperkte overlast mogelijk is. Schade aan eigendommen en/of het uitvallen van essentiële (gebruiks-) functies vindt de gemeente Laren niet acceptabel. Om in te spelen op klimaatveranderingen wordt de neerslaggebeurtenis van 28 juli 2014 als referentie toegepast bij het uitwerken van verbetermaatregelen. Particulieren verwerken het hemelwater op eigen terrein, tenzij ze aantonen dat dit niet haalbaar en redelijk is. De gemeente hanteert in de openbare ruimte de voorkeursvolgorde voor de afvoer van afstromend hemelwater: 1. Afvoer naar de bodem, indien nodig via een zuiverende voorziening, zoals bodemverrijking; 2. Afvoer via het riool naar de rioolwaterzuivering (als verontreinigingen worden verwacht). De gemeente koppelt het hemelwater afkomstig van verhard openbaar oppervlak af van het gemengde riool als dit doelmatig is: gelijktijdig met een voorgenomen rioolvervanging en als de voordelen opwegen tegen de kosten. Afweging Onderzoek naar de waterhuishouding is uitgevoerd. Dit onderzoek is bijgevoegd als 10.

Het verhard oppervlak in de toekomstige situatie bedraagt circa 2.840 m2 . Ten opzichte van de huidige situatie zal ten aanzien van de ontwikkeling het verhard oppervlak afnemen met 660 m2 . In de toekomstige situatie zal het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) niet op het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) worden aangesloten maar separaat binnen de planlocatie worden verwerkt. Dit betekent dat bij de verdere planuitwerking water expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing wordt genomen en dat hemelwater op een duurzame wijze wordt verwerkt. De ontwikkeling zal daarmee hydrologisch neutraal zijn. Bij herontwikkeling of nieuwbouw mag het hemelwater afkomstig van het dak echter niet zonder meer worden aangesloten op het riool. Afstromend hemelwater mag eveneens niet worden afgewenteld op omliggende percelen of de openbare ruimte. Om dit te voorkomen worden compenserende maatregelen genomen om te voorkomen dat regenwater versneld tot afvoer komt. Conform het beleid van de gemeente Laren geldt ten aanzien van de ontwikkeling en het toekomstig verhard oppervlak een uitbasisinspanning (bergingseis of normering) waaraan moet worden voldaan of aan getoetst kan worden van 40 mm/m2 (bui van 40 mm/uur). Ten aanzien van de ontwikkeling en het toekomstig verhard oppervlak bedraagt de waterbergingsopgave circa 115 m3.

De gemeente adviseert in het kader van waterveiligheid een ontwerpnorm van 60 mm/m2 aan te houden. In een situatie waarbij in een korte tijd meer regen valt (60 mm) dan de ontwerpuitgangspunten kan tijdelijk water op het perceel blijven staan (water-op-straat situatie). In een dergelijke situatie mag het hemelwater niet afstromen richting gebouwen en/of aangrenzende percelen (waterveilig). Met het toepassen van een ontwerpnorm van 60 mm/m2 wordt het risico van water-op-straat en eventuele overlast hierdoor bij gebouwen nog verder verkleind. Om water in de planuitwerking expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing te nemen en hemelwater op een duurzame wijze te verwerken (hydrologisch neutraal) wordt in het ontwerp gewerkt met hoogteverschillen zodat tijdens regenbuien water gemakkelijk kan toestromen naar de onverharde (groene)buitenruimte en aldaar kan worden vastgehouden en infiltreren. Afstroming van hemelwater richting gebouwen en/of aangrenzende percelen wordt daarmee voorkomen. Op basis van de ontwateringsdiepte behoort een ondergrondse hemelwatervoorziening tot de mogelijkheden. Het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) zal in de toekomstige situatie worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel in de omgeving. Op basis van de randvoorwaarden en uitgangspunten is de ontwikkeling in zowel ruimte als tijd waterneutraal uit te voeren.

Er worden dan ook vanuit het oogpunt van de waterhuishouding geen

29

Herontwikkeling voormalige Rabobanklocatie belemmering verwacht ten aanzien van de bestemmingswijziging en de uitvoering van het plan. Conclusie Het milieuaspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het onderhavig projectvoornemen.

4.10 M.e.r.-beoordeling Wettelijk kader De wet- en regelgeving voor milieueffectrapportage (m.e.r.) is vastgelegd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en in de AMvB Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In de Wet milieubeheer zijn vooral de procedurele verplichtingen opgenomen. In Besluit m.e.r. is opgenomen wanneer een m.e.r. verplicht is. Onderzoek Onderzocht is of het bestemmingsplan het ruimtelijk kader biedt voor activiteiten die zijn opgenomen in onderdeel C of D van het Besluit MER. In bijlage 11 is de mer-beoordeling opgenomen. Conclusie Op dit bestemmingsplan rust geen plicht tot het uitvoeren van een MER. De beoogde ontwikkelingen veroorzaken geen nadelige gevolgen voor het milieu.

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische vormgeving

Algemeen

Voor dit bestemmingsplan is gebruikgemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen moeten in onderlinge samenhang worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.

5.2

Opzet van de regels

De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk 2 geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk 3 geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt Hoofdstuk 4 de overgangs- en slotbepalingen. Ook de regels van een bestemming kennen een standaardopbouw en worden als volgt benoemd: Bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); Bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); Nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); Afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); Specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); Afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).

30

Herontwikkeling voormalige Rabobanklocatie

5.3

Beschrijving van de regels

Centrum De eerste bestemming die voorkomt in het plangebied betreft de bestemming 'Centrum'. Deze bestemming bevindt zich aan de oostzijde van het gebied en biedt ruimte aan wonen, dienstverlening, detailhandel en horeca. De woningen kunnen in appartementsvorm worden gerealiseerd. De dienstverlening, detailhandel en horeca kunnen worden gerealiseerd op de begane grond en kelder van het gebouw. Wonen De tweede bestemming betreft de bestemming 'Wonen'. Deze is ten eerste voorzien aan de twee twee-onder-een-kapwoningen aan de Bij Den Toren. Ook is deze bestemming opgenomen voor de overige twee appartementengebouwen. Waarde - Beschermd dorpsgezicht Het beschermd dorpsgezicht is beschermd door middel van een dubbelbestemming, op grond waarvan burgemeester en wethouders nadere eisen kunnen stellen aan de situering en de omvang van nieuw op te richten bouwwerken, de nokrichting van de kappen van gebouwen, de gevelindeling en het materiaal- en kleurgebruik. Uiteraard is dit alleen toegelaten voorzover dat de bestemming 'Waarde - Beschermd dorpsgezicht' dient.

5.4

Verbeelding

Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken et cetera. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart Nederland en kadastrale kaart).

Hoofdstuk 6 6.1

Uitvoerbaarheid

Financiële uitvoerbaarheid

Het voorliggende bestemmingsplan is opgesteld naar aanleiding van een verzoek van de initiatiefnemer. De initiatiefnemer draagt de uit het plan voortkomende kosten. Tussen de initiatiefnemer en de gemeente is een planschadeovereenkomst afgesloten. Op basis van deze overweging is het voorliggende bestemmingsplan economisch uitvoerbaar. De uitvoerbaarheid van het voorliggende bestemmingsplan wordt niet door onvoldoende economische uitvoerbaarheid belemmerd.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

De resultaten van overleg worden te zijner tijd in deze paragraaf verwerkt.

31

Herontwikkeling voormalige Rabobanklocatie

Bijlagen toelichting Bijlage 1 Bezonningsstudie

32

Bezonningsstudie Laren Nispen Burgemeester van nispen van sevenaerstraat 6 23 juli 2021

Architectuur Studio Kuiper B.V.

Bij Den Toren

7A 7

11

9

7

Dammaat

Bij Den Toren

Dammaat 5A

5

1A

1

5

3

9

Burg. Van Nispen van Sevenaerstraat

Burg. Van Nispen van Sevenaerstraat

Stationsweg

Bestaande situatie

22 december 12 uur

Stationsweg

Nieuwe situatie

Bij Den Toren

7A 7

11

9

7

Dammaat

Bij Den Toren

Dammaat 5A

5

1A

1

5

3

9

Burg. Van Nispen van Sevenaerstraat

Burg. Van Nispen van Sevenaerstraat

Stationsweg

Bestaande situatie

22 december 15 uur

Stationsweg

Nieuwe situatie

Bij Den Toren

7A 7

11

9

7

Dammaat

Bij Den Toren

Dammaat 5A

5

1A

1

5

3

9

Burg. Van Nispen van Sevenaerstraat

Burg. Van Nispen van Sevenaerstraat

Stationsweg

Bestaande situatie

22 november / 20 januari 9 uur

Stationsweg

Nieuwe situatie

Bij Den Toren

7A 7

11

9

7

Dammaat

Bij Den Toren

Dammaat 5A

5

1A

1

5

3

9

Burg. Van Nispen van Sevenaerstraat

Burg. Van Nispen van Sevenaerstraat

Stationsweg

Bestaande situatie

22 november / 20 januari 12 uur

Stationsweg

Nieuwe situatie

Bij Den Toren

7A 7

11

9

7

Dammaat

Bij Den Toren

Dammaat 5A

5

1A

1

5

3

9

Burg. Van Nispen van Sevenaerstraat

Burg. Van Nispen van Sevenaerstraat

Stationsweg

Bestaande situatie

22 november / 20 januari 15 uur

Stationsweg

Nieuwe situatie

Bij Den Toren

7A 7

11

9

7

Dammaat

Bij Den Toren

Dammaat 5A

5

1A

1

5

3

9

Burg. Van Nispen van Sevenaerstraat

Burg. Van Nispen van Sevenaerstraat

Stationsweg

Bestaande situatie

23 oktober / 19 februari 9 uur

Stationsweg

Nieuwe situatie

Bij Den Toren

7A 7

11

9

7

Dammaat

Bij Den Toren

Dammaat 5A

5

1A

1

5

3

9

Burg. Van Nispen van Sevenaerstraat

Burg. Van Nispen van Sevenaerstraat

Stationsweg

Bestaande situatie

23 oktober / 19 februari 12 uur

Stationsweg

Nieuwe situatie

Bij Den Toren

7A 7

11

9

7

Dammaat

Bij Den Toren

Dammaat 5A

5

1A

1

5

3

9

Burg. Van Nispen van Sevenaerstraat

Burg. Van Nispen van Sevenaerstraat

Stationsweg

Bestaande situatie

23 oktober / 19 februari 15 uur

Stationsweg

Nieuwe situatie

Bij Den Toren

7A 7

11

9

7

Dammaat

Bij Den Toren

Dammaat 5A

5

1A

1

5

3

9

Burg. Van Nispen van Sevenaerstraat

Burg. Van Nispen van Sevenaerstraat

Stationsweg

Bestaande situatie

23 september / 21 maart 9 uur

Stationsweg

Nieuwe situatie

Bij Den Toren

7A 7

11

9

7

Dammaat

Bij Den Toren

Dammaat 5A

5

1A

1

5

3

9

Burg. Van Nispen van Sevenaerstraat

Burg. Van Nispen van Sevenaerstraat

Stationsweg

Bestaande situatie

23 september / 21 maart 12 uur

Stationsweg

Nieuwe situatie

Bij Den Toren

7A 7

11

9

7

Dammaat

Bij Den Toren

Dammaat 5A

5

1A

1

5

3

9

Burg. Van Nispen van Sevenaerstraat

Burg. Van Nispen van Sevenaerstraat

Stationsweg

Bestaande situatie

23 september / 21 maart 15 uur

Stationsweg

Nieuwe situatie

Bij Den Toren

7A 7

11

9

7

Dammaat

Bij Den Toren

Dammaat 5A

5

1A

1

5

3

9

Burg. Van Nispen van Sevenaerstraat

Burg. Van Nispen van Sevenaerstraat

Stationsweg

Bestaande situatie

23 september / 21 maart 18 uur

Stationsweg

Nieuwe situatie

Bij Den Toren

7A 7

11

9

7

Dammaat

Bij Den Toren

Dammaat 5A

5

1A

1

5

3

9

Burg. Van Nispen van Sevenaerstraat

Burg. Van Nispen van Sevenaerstraat

Stationsweg

Bestaande situatie

23 augustus / 20 april 9 uur

Stationsweg

Nieuwe situatie

Bij Den Toren

7A 7

11

9

7

Dammaat

Bij Den Toren

Dammaat 5A

5

1A

1

5

3

9

Burg. Van Nispen van Sevenaerstraat

Burg. Van Nispen van Sevenaerstraat

Stationsweg

Bestaande situatie

23 augustus / 20 april 12 uur

Stationsweg

Nieuwe situatie

Bij Den Toren

7A 7

11

9

7

Dammaat

Bij Den Toren

Dammaat 5A

5

1A

1

5

3

9

Burg. Van Nispen van Sevenaerstraat

Burg. Van Nispen van Sevenaerstraat

Stationsweg

Bestaande situatie

23 augustus / 20 april 15 uur

Stationsweg

Nieuwe situatie

Bij Den Toren

7A 7

11

9

7

Dammaat

Bij Den Toren

Dammaat 5A

5

1A

1

5

3

9

Burg. Van Nispen van Sevenaerstraat

Burg. Van Nispen van Sevenaerstraat

Stationsweg

Bestaande situatie

23 augustus / 20 april 18 uur

Stationsweg

Nieuwe situatie

Bij Den Toren

7A 7

11

9

7

Dammaat

Bij Den Toren

Dammaat 5A

5

1A

1

5

3

9

Burg. Van Nispen van Sevenaerstraat

Burg. Van Nispen van Sevenaerstraat

Stationsweg

Bestaande situatie

23 juli / 21 mei 9 uur

Stationsweg

Nieuwe situatie

Bij Den Toren

7A 7

11

9

7

Dammaat

Bij Den Toren

Dammaat 5A

5

1A

1

5

3

9

Burg. Van Nispen van Sevenaerstraat

Burg. Van Nispen van Sevenaerstraat

Stationsweg

Bestaande situatie

23 juli / 21 mei 12 uur

Stationsweg

Nieuwe situatie

Bij Den Toren

7A 7

11

9

7

Dammaat

Bij Den Toren

Dammaat 5A

5

1A

1

5

3

9

Burg. Van Nispen van Sevenaerstraat

Burg. Van Nispen van Sevenaerstraat

Stationsweg

Bestaande situatie

23 juli / 21 mei 15 uur

Stationsweg

Nieuwe situatie

Bij Den Toren

7A 7

11

9

7

Dammaat

Bij Den Toren

Dammaat 5A

5

1A

1

5

3

9

Burg. Van Nispen van Sevenaerstraat

Burg. Van Nispen van Sevenaerstraat

Stationsweg

Bestaande situatie

23 juli / 21 mei 18 uur

Stationsweg

Nieuwe situatie

Bij Den Toren

7A 7

11

9

7

Dammaat

Bij Den Toren

Dammaat 5A

5

1A

1

5

3

9

Burg. Van Nispen van Sevenaerstraat

Burg. Van Nispen van Sevenaerstraat

Stationsweg

Bestaande situatie

22 juni 9 uur

Stationsweg

Nieuwe situatie

Bij Den Toren

7A 7

11

9

7

Dammaat

Bij Den Toren

Dammaat 5A

5

1A

1

5

3

9

Burg. Van Nispen van Sevenaerstraat

Burg. Van Nispen van Sevenaerstraat

Stationsweg

Bestaande situatie

22 juni 12 uur

Stationsweg

Nieuwe situatie

Bij Den Toren

7A 7

11

9

7

Dammaat

Bij Den Toren

Dammaat 5A

5

1A

1

5

3

9

Burg. Van Nispen van Sevenaerstraat

Burg. Van Nispen van Sevenaerstraat

Stationsweg

Bestaande situatie

22 juni 15 uur

Stationsweg

Nieuwe situatie

Bij Den Toren

7A 7

11

9

7

Dammaat

Bij Den Toren

Dammaat 5A

5

1A

1

5

3

9

Burg. Van Nispen van Sevenaerstraat

Burg. Van Nispen van Sevenaerstraat

Stationsweg

Bestaande situatie

22 juni 18 uur

Stationsweg

Nieuwe situatie

Herontwikkeling voormalige Rabobanklocatie

Bijlage 2 Natuurinclusief bouwen

58

ADVIES NATUURINCLUSIEF BOUWEN BURGEMEESTER VAN NISPEN VAN SEVENAERSTRAAT 6 TE LAREN

Rapportage advies natuurinclusief bouwen Burgemeester van Nispen van Sevenaerstraat 6 te Laren Opdrachtgever

Triumph BV Emmaplein 8 1075 AW Amsterdam

Rapportnummer Versienummer

14374.006 D1

Status

Eindrapportage

Datum

9 april 2021

Vestiging

Doetinchem

Opsteller

De heer G.J. Assink, BSc

Paraaf

Kwaliteitscontrole

De heer M.C. de Haas, BSc

Paraaf

Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.

Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING .................................................................................................................................. 1

2

GEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................................... 2 2.1 2.2

Huidig gebruik plangebied en omgeving .......................................................................... 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen ..................... 4

3

VOGELS ..................................................................................................................................... 5

4

VLEERMUIZEN .......................................................................................................................... 6

5

ZOOGDIEREN ............................................................................................................................ 8

6

INSECTEN .................................................................................................................................. 9

7

TUINEN EN GROENELEMENTEN .......................................................................................... 10

14374.006

1

INLEIDING

Econsultancy heeft van Triumph BV opdracht gekregen voor het opstellen van een advies natuurinclusief bouwen voor de nieuwbouw aan de Burgemeester van Nispen van Sevenaerstraat 6 te Laren. In dit advies wordt beschreven hoe er rekening kan worden gehouden met stedelijke flora en fauna bij het realiseren van de nieuwbouw. De rapportage voor natuurinclusief bouwen is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging. Hiertoe wordt de huidige bebouwing gesloopt en zullen hier enkele nieuwe panden voor in de plaats komen. Deze rapportage voor natuurinclusief bouwen heeft als doel om in de toekomstige situatie een verbetering van de biodiversiteit te waarborgen. Door natuurinclusief te ontwerpen krijgt het project een positieve uitwerking op de lokale biodiversiteit en natuur. Omdat de voorgenomen planvorming nog niet definitief is, is onderhavige rapportage bedoeld om ideeën op te doen die opgenomen kunnen worden in het ontwerp. Econsultancy is lid van de branchevereniging "Netwerk Groene Bureaus" en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest voor ecologische advisering of ecologisch onderzoek.

RAPPORT 14374.006 versie D1

Pagina 1 van 10

2 2.1

GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik plangebied en omgeving

Het plangebied (± 5.240 m²) ligt aan de Burgemeester van Nispen van Sevenaerstraat 6, gelegen in de kern van Laren. In figuur 1 is de topografische ligging van het plangebied weergegeven. Volgens de topografische kaart van Nederland zijn de coördinaten van het midden van de onderzoekslocatie X = 143.715, Y = 474.325.

Figuur 1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie.

Op de onderzoekslocatie staat een groot kantoorgebouw, dat voor het grootste gedeelte leeg staat, maar een deel wordt gebruikt als kunstexpositie. Het gebouw bestaat uit bakstenen muren voorzien van een spouwmuur. Langs de dakranden is het gebouw voorzien van boeidelen. Het dak is bedekt met dakpannen, die beschikken over een ondervorstband. Onder het gebouw bevindt zich een parkeergarage die toegankelijk is via de westzijde van het gebouw, ware het niet dat de deur volledig overgroeid is met klimop. Westelijk op de onderzoekslocatie is een parkeerterrein dat tijdens het veldbezoek grotendeels overgroeid is met mos. Aan de noord- en oostzijde is een kleine tuin aanwezig en op veel plaatsen is de onderzoekslocatie omgeven door heesters en bomen. De onderzoekslocatie ligt aan de westelijke rand van het centrum van Laren. Aan de oostzijde bevinden zich daarom voornamelijk winkelpanden en aan de westzijde van de onderzoekslocatie bevinden zich woonhuizen, veelal met groene tuinen. In figuur 2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De figuren 3 t/m 8 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.

RAPPORT 14374.006 versie D1

Pagina 2 van 10

Figuur 2. Luchtfoto onderzoekslocatie en directe omgeving.

Figuur 3. Zuidzijde van de onderzoekslocatie.

Figuur 4. Noordzijde van de onderzoekslocatie.

Figuur 5. Westzijde van de onderzoekslocatie. De ingang van de parkeergarage is overgroeid door klimop.

Figuur 6. Het parkeerterrein is deels overgroeid door gras en mos.

Figuur 7. Tuin op de onderzoekslocatie.

Figuur 8. Veel groen aan de randen van de onderzoekslocatie.

RAPPORT 14374.006 versie D1

Pagina 3 van 10

2.2

Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen

De initiatiefnemer is voornemens nieuwbouw te realiseren op de onderzoekslocatie die bestaat uit woningen en een commerciële functie in de plint van het hoofdgebouw (zuidoostelijk op de kavel). De nieuwe bebouwing zal bestaan uit verschillende gebouwen. De huidige parkeergarage zal worden behouden en worden aangepast. In figuur 9 wordt de toekomstige situatie weergegeven. Ten behoeve van de voorgenomen plannen dient het huidige gebouw gesloopt te worden. Voor de toekomstige situatie wordt het merendeel van de huidige beplanting worden verwijderd.

Figuur 9. Planinrichting van de onderzoekslocatie. Bron: Triumph BV.

RAPPORT 14374.006 versie D1

Pagina 4 van 10

3

VOGELS

De huismus is een soort die voor geschikte nestlocaties afhankelijk is van bebouwing. Doordat in veel gevallen nestplaatsen verdwijnen bij nieuwbouw, neemt deze soort in Nederland gestaag af. Toch is deze soort gemakkelijk te helpen bij het creëren van geschikte nestlocaties. De meest eenvoudige methode is het plaatsen van het vogelschroot onder de derde pannenrij van onder, in plaats van onder de gebruikelijke eerste rij. Dit biedt ruimte aan huismussen om onder de eerste drie rijen dakpannen hun nesten te maken. Daarnaast is het mogelijk om voor huismussen kunstmatige nestgelegenheden aan te bieden in de vorm van nestkasten of neststenen (figuur 10). Nestkasten die aan de gevel worden gehangen, bestaan vaak uit meerdere compartimenten, omdat huismussen graag in groepen nestelen. Als het enkele kasten zijn, is het aan te raden om er meerdere bij elkaar op te hangen. Voor een lange levensduur zijn kasten van houtbeton aan te bevelen. Deze kasten moeten beschut zijn tegen zon en wind en kunnen daarom het beste aan de noord of noordoostzijde worden geplaatst. Er zijn ook nestkasten verkrijgbaar die in de gevel gemetseld kunnen worden, waardoor de gevel vrij blijft (figuur 11). Deze kasten dienen op dezelfde manier geplaatst te worden als normale nestkasten, dus met meerdere bij elkaar en gericht op het noorden of noordoosten. Tot slot zijn er ook nestpannen verkrijgbaar.

Dit zijn dakpannen met daarin ruimte waar huismussen een nest kunnen bouwen. Het is belangrijk dat deze pannen aan de oost of noordoostzijde geplaatst worden, om te hoge temperaturen te voorkomen.

Figuur 10. HMT1 nestkast voor huismussen (bron: faunaprojecten.nl).

Figuur 11. HMP2 inbouwkast voor huismussen (bron: faunaprojecten.nl).

Er zijn nog meer soorten die gebruik maken van nestkasten, zoals koolmezen, pimpelmezen, winterkoningen en zwarte roodstaart. Voor deze soorten zijn er verschillende soorten nestkasten te verkrijgen. In tegenstelling tot huismussen, nestelen deze soorten niet in de bebouwing en kunnen nestkasten voor deze soorten beter aan bomen of schuttingen worden opgehangen op plaatsen waar rust te vinden is voor deze vogels. Behalve het plaatsen van nestkasten zijn er nog enkele maatregelen waar vogels erg bij gebaat zijn. Een zeer eenvoudige, maar zeker in de zomer doeltreffende maatregel is het voorzien in drinkwater. In het stedelijk gebied is in de zomer weinig water te vinden, terwijl dit voor vogels van levensbelang is. Bij het creëren van een drinkplaats voor vogels, is het belangrijk dat deze drinkplaats schoongehouden kan worden om het verspreiden van ziektes te voorkomen. Ook is het belangrijk dat de drinkplaats veilig is ten aanzien van predatoren zoals katten. Tot slot moet het water niet te diep zijn, om te voorkomen dat jonge vogels er in kunnen verdrinken.

RAPPORT 14374.006 versie D1

Pagina 5 van 10

Een laatste maatregel ten aanzien van vogels is het aanleggen van zogenaamde ‘kwetterbosjes’. Deze bosjes bestaan uit dichte groenblijvende struiken, waarin vogels, zoals huismussen en andere vogels jaarrond beschutting kunnen vinden. Belangrijk is dat deze struiken een minimale hoogte van 1,5 meter hebben. Deze ‘kwetterbosjes’ kunnen ook dienen als natuurlijke afscheidingen tussen tuinen. Geschikte struiken zijn bijvoorbeeld hulst, vuurdoorn, beukhaag en taxus. Hoewel de besjes van de taxus in trek zijn bij vogels, zijn ze giftig voor mensen. 4

VLEERMUIZEN

Verschillende soorten vleermuizen, zoals de gewone Figuur 12. Huismus in taxusstruik (Bron: Geert Sines). dwergvleermuis en laatvlieger, hebben hun verblijfplaatsen in bebouwing. Met het verdwijnen van oude bebouwing, verdwijnen vaak ook de verblijfplaatsen van deze soorten. Het is echter gemakkelijk om in nieuwbouwwoningen nieuwe verblijfplaatsen te creëren. Veelal de gemakkelijkste maatregel is het toegankelijk maken van een open spouwmuur. Dit kan gemakkelijk door het aanbrengen van open stootvoegen (minimaal 1,5 cm breed en 4 cm hoog) of het plaatsen van een gevelsteen (figuur 13 & 14). Deze openingen worden op minimaal 3 meter hoogte aangebracht, zodat vleermuizen veilig in en uit kunnen vliegen. Het is belangrijk dat deze openingen niet onder directe invloed van verlichting geplaatst worden en een vrije aanvliegroute naar de openingen aanwezig is.

Figuur 13. VMPM4 Entreesteen voor het toegankelijk maken van een spouwmuur (bron: faunaprojecten.nl).

Figuur 14. Gebruik van een VMPM4 entreesteen (bron: faunaprojecten.nl).

Indien de woningen over een zadeldak beschikken, kan ook de nokvorst toegang geven tot ruimte onder het dak. In dat geval kan de nokvorst toegankelijk worden gemaakt voor vleermuizen. Hiervoor dient 2 centimeter ruimte overgelaten te worden bij de eindvorst en moet ervoor gezorgd worden dat de ondergelegen dakpannen elkaar niet raken, maar ook hier minimaal 3 - 4 centimeter ruimte aanwezig is.

RAPPORT 14374.006 versie D1

Pagina 6 van 10

Indien er geen open spouw aanwezig is waar vleermuizen hun verblijfplaatsen kunnen maken, dan kunnen er ook kunstmatige ruimten worden aangeboden. Dit kan door het plaatsen van vleermuiskasten aan of in de gevel. Er zijn vleermuiskasten die aan de gevel gehangen kunnen worden (figuur 15), maar het is mooier om deze in de gevel te metselen, waardoor de kasten vanaf de buitenzijde niet te ze zien zijn (afbeelding 16 & 17). Wanneer een woning voorzien wordt van enkele vleermuiskasten, is het verstandig om ervoor te zorgen dat de invliegopeningen op minimaal 3 meter hoog gehangen worden en dat er een vrije aanvliegroute aanwezig is. Wanneer er meerdere kasten in een woning worden geplaatst, is het aan te bevelen om deze aan verschillende zijden van de woning te plaatsen, om zo verschillende microklimaten te creëren.

Figuur 15. VMT1a vleermuiskast. Dit type kasten kan aan de gevel worden gehangen (bron: faunaprojecten.nl).

Figuur 16. VMPM1e inbouwkast met entreesteen. Dit type kast kan in de gevel gemetseld worden (bron: faunaprojecten.nl).

Figuur 17. Verschillende mogelijkheden voor het inmetselen van vleermuiskasten (bron: faunaprojecten.nl).

Indien er bij de nieuwbouw een overstek, boeidelen of gootbekisting geplaatst wordt, kunnen deze ook geschikt worden gemaakt voor vleermuizen. Dit kan door hierin vleermuizen kasten te plaatsen, of wanneer er een hellend vlak aanwezig is, kan er in de overstek gripgaas worden geplaatst en kunnen er enkele openingen in gemaakt worden, zodat vleermuizen toegang kunnen krijgen tot de aanwezige ruimten. Tot slot is het voor vleermuizen belangrijk dat er ’s nachts zo min mogelijk licht aanwezig is. Wanneer het weglaten van verlichting geen optie is, kan er worden gekozen voor vleermuisvriendelijke verlichting. Dit betreft verlichting met een aangepast armatuur, waardoor er geen uitstraling naar boven plaatsvindt, of speciale lampen zoals de LED Batlamp.

RAPPORT 14374.006 versie D1

Pagina 7 van 10

5

ZOOGDIEREN

In de omgeving van het plangebied komen verschillende soorten zoogdieren voor. Het gaat voornamelijk om de egel en de eekhoorn. Om het plangebied geschikt te maken voor egels, is het belangrijk dat de tuinen toegankelijk zijn. Dit kan door het gebruik van hagen, of wanneer er gebruik wordt van schuttingen, dan kunnen er zogenaamde egelsnelwegen worden aangelegd. Dit zijn kleine openingen aan de onderzijde van de schutting, waardoor egels andere tuinen kunnen bereiken. Voor egels is het ook van groot belang dat tuinen niet enorm opgeruimd zijn. Wanneer het mogelijk is, wordt er geadviseerd om het bladafval in de winter niet allemaal op te ruimen, maar dit op een grote hoop in een rustige hoek van de tuin te bewaren. Egels kunnen van deze hopen gebruik maken om te overwinteren. Eventueel kunnen er ook speciale egelschuilplaatsen geplaatst worden (figuur 18).

Figuur 18. Egelschuilplaats.

Figuur 19. Egel (bron: Dreamstime).

Eekhoorns kunnen geholpen worden door het planten van bomen. De voorkeur gaat uit naar inheemse bomen die in de regio ook voorkomen zoals beuk, zomereik en berk.

RAPPORT 14374.006 versie D1

Pagina 8 van 10

6

INSECTEN

Insecten zijn vaak een vergeten groep, maar deze dieren zijn juist extreem belangrijk voor de biodiversiteit. Daarnaast kunnen ze met enkele eenvoudige maatregelen goed geholpen worden. Zo kan er bij de beplanting van de tuin gekozen worden voor struiken en planten, waar voor veel insecten voedsel te vinden is. Goede voorbeelden van dergelijke planten zijn: vlinderstruik, Gelderse roos, meidoorn, sleedoorn en sporkehout. De laatste vier bieden in het najaar ook voedsel aan vogels, in de vorm van bessen. Het is belangrijk dat deze planten in de grond en niet in een pot geplaatst worden. Het wordt aangeraden om voor planten te kiezen die duurzaam en biologisch geteeld zijn. Gras of braakliggend terrein kan ingezaaid worden met een zadenmengsel waarin veel planten en bloemen ten gunste komen van insecten. Het is belangrijk om te kiezen voor een zadenmengsel dat inheems en regio gebonden is. Goede zadenmengels zijn te vinden bij Cruydhoek of Medigran. Voor bijen kan er een bijenhotel of insectensteen geplaatst worden (figuur 20). Deze zijn verkrijgbaar in veel verschillende vormen en maten, bij onder andere Vivara. Het beste is om deze ho- Figuur 20. Insectenhotel. tels te plaatsen in de nabijheid van een kruidenrijke beplanting en op een hoogte van 40 centimeter tot 2 meter.

Het is belangrijk dat het insectenhotel op het zuiden wordt geplaatst, zodat het snel opwarmt, en in de beschutting wordt geplaatst, zodat het niet te nat wordt tijdens een regenbui. Zorg ook voor een vrije aanvliegroute voor insecten.

RAPPORT 14374.006 versie D1

Pagina 9 van 10

7

TUINEN EN GROENELEMENTEN

Bij het beplanten van tuinen, wordt er bij voorkeur gekozen voor inheemse en overblijvende planten. Deze bieden vaak meer voedsel aan insecten dan exotische plantensoorten. Een goed voorbeeld is de sleedoorn, deze soort bloeit eerder dan de meeste andere gelijkende soorten en biedt voeding aan veel vroeg vliegende bijen en andere insecten. Voor vogels is het belangrijk dat er enkele groenblijvende planten aanwezig zijn, waarin ze jaarrond beschutting kunnen vinden. Dergelijke planten kunnen vaak ook dienen als schutting en bieden naast een erfafscheiding dan ook een rijkere biodiversiteit. Wanneer er oude muren op de locatie aanwezig zijn, kan het de moeite waard zijn om deze, of resten hiervan, te laten staan, om unieke muurflora een kans te bieden. Er kan ook een muurtje gebouwd worden, bestaande uit kalkrijke stenen en specie. Muren kunnen ook worden ingezaaid met planten zoals tongvaren, muurvaren, steenbreekvaren en muurleeuwenbek. Kies altijd voor inheemse en bij voorkeur regio gebonden soorten. Groene gevels bieden niet alleen een unieke kans aan de flora, maar geven bebouwing ook een unieke en groene uitstraling. Daarnaast dragen ze bij aan een stabielere stadsklimaat en zorgen ze voor meer insecten. Groene gevels kunnen enorm variëren in grootte, maar zijn bij voorkeur minimaal 2 meter hoog.

Daarnaast kunnen groene gevels op veel verschillende manieren worden vormgegeven, afhankelijk van de situatie. Belangrijk is wel om te kiezen voor inheemse, zelfvoorzienende en sterke planten, zoals klimop, bosrank, kamperfoelie of wilde hop. Een vijver is voor veel dieren van enorm belang. Zoogdieren en vogels kunnen er drinken, veel insecten kunnen er foerageren en eieren leggen en ook veel amfibieën leggen hun eieren in vijvers. Wanneer er een vijver op de locatie wordt aangelegd, is het belangrijk om rekening te houden met een aantal punten. Ten eerste moeten de oevers van de vijver goed toegankelijk zijn voor amfibieën zoals kikkers en salamanders, maar ook voor vogels en eventuele andere dieren die bijvoorbeeld in de vijver gevallen zijn. Ten tweede is het belangrijk om te kiezen voor in- Figuur 21. Natuurlijke vijver (bron: tuinadvies.nl). heemse planten, om verspreiding van exoten tegen te gaan en een voedselbron te bieden aan insecten. Kies ook voor voldoende planten, zodat het water op een natuurlijke wijze gezuiverd wordt. Tot slot is het belangrijk om te zorgen voor een diepte van minimaal 50 centimeter. Om de vijver nog aantrekkelijker te maken voor libellen is het belangrijk dat er zitplaatsen direct naast of boven het water aanwezig zijn. Dit kan bijvoorbeeld door riet of takken naast of boven het water te plaatsen.

Econsultancy Doetinchem, 9 april 2021

RAPPORT 14374.006 versie D1

Pagina 10 van 10

Herontwikkeling voormalige Rabobanklocatie

Bijlage 3 Bomeneffectanalyse

73

Colofon

Bomen Effect Analyse Rabobankterrein te Laren

Projectnummer:

17P2100059

Opdrachtgever:

Triumph BV T.a.v. de heer J.S. Breure Emmaplein 8 1075AW Amsterdam

Vestiging:

Pius Floris Boomverzorging Amsterdam

Procesmanager:

Dhr. H. Werner

Contactpersoon:

Dhr. J.V.C. Wernsen

Telefoon:

020-4974080

Onderzoeker & auteur:

Dhr. J.V.C. Wernsen, European Tree Technician, Geregistreerd taxateur bomen (NVTB)

Datum:

10 maart 2021

Versie:

Definitief

© 2021 PFBA Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, in enige vorm of op enige wijze, zonder voorafgaande toestemming van de auteur.

WWW.PIUSFLORIS.NL

Inhoud 1. Inleiding............................................................................................................................. 4 1.1. 1.2.

Aanleiding ........................................................................................................................................... 4 Doelstelling ......................................................................................................................................... 4

2. Onderzoeksmethoden ...................................................................................................... 5 2.1. 2.2. 2.3. 2.4. 2.5

Boominventarisatie ............................................................................................................................. 5 Visuele boombeoordeling ................................................................................................................... 5 Boom Effect Analyse ........................................................................................................................... 6 Groeiplaatsonderzoek ......................................................................................................................... 7 Beleidstatus......................................................................................................................................... 7

3. Bevindingen ...................................................................................................................... 8 3.1. Situatie ................................................................................................................................................ 8 3.2. Boominventarisatie een -veiligheidscontrole ..................................................................................... 8 Conditiebepaling .......................................................................................................................................... 8 Boomveiligheidscontrole .............................................................................................................................. 9

4. Groeiplaatsonderzoek....................................................................................................... 3 5. Boom Effect Analyse ......................................................................................................... 4 5.1. Voorgenomen werkzaamheden.......................................................................................................... 4 5.2. Risicoanalyse ....................................................................................................................................... 5 5.2.1. Wortelschade ................................................................................................................................. 5 5.2.2. Verdichting ..................................................................................................................................... 5 5.2.3. Ophoging ........................................................................................................................................ 5 5.2.4. Kroon- en stamschade .................................................................................................................... 5 5.2.5. Bronbemaling ................................................................................................................................. 6 5.3.

Ondergrondse kabels en leidingen ..................................................................................................... 6

6. Conclusie & advies ............................................................................................................ 6 6.1 6.2

Keuringresultaten ............................................................................................................................... 6 Boomefectanalyse .............................................................................................................................. 7

Bijlage - Fotomateriaal - Themakaarten - VTA-lijsten - Protocol werken bij bomen

1. Inleiding 1.1.

Aanleiding

In opdracht van Triumph BV is een Bomen Effect Analyse (hierna: BEA) uitgevoerd op het terrein van de voormalige Rabobank aan de Burgemeester van Nispen van Sevenaerstraat te Laren. De aanleiding voor dit onderzoek is het opgestelde ontwikkelingsplan waarbij onder andere een andere inrichting van het terrein en nieuwbouw zal plaatsvinden. Binnen de projectlocatie staan diverse bomen (zie figuur 1). De bijbehorende ontwikkelingen vinden binnen de invloedsfeer van volwassen bomen plaats.

1.2.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10570161/1