20210630Rvs40 Regionale Energie Strategie Noord-Holland Zuid 1 0 (RES 1 0) BIJLAGE reg energie strategie tot blz 125
Tekst van het document
Deze is nog in ontwikkeling en stuurt, volgens de trias energetica, eerst op besparing, de interne verduurzaming en het interne hergebruik van restwarmte.
Warmtevraag overige warmteclusters •
Glastuinbouw: de glastuinbouw is een zeer energie-intensieve sector met een enorme ambitie. Driekwart van het energieverbruik in de glastuinbouw bestaat uit warmte. Greenport Aalsmeer maakt een inventarisatie van de ambities en stemt deze af met gemeenten en bedrijven. Tot nu toe lag de aandacht bij de inventarisatie op het maken van een nulmeting. Volgend jaar verschuift de focus naar het opstellen van een toekomstvisie voor het gebied met het uiteindelijke doel om tot een gebiedsakkoord te komen waarbij er een duidelijke rol voor bedrijven ligt. De warmtevraag en het handelingsperspectief voor de glastuinbouw vindt u terug in paragraaf 3.5 (deelregio Amstelland, Amsterdam en Haarlemmermeer).
Elektriciteit zal voor de verwarming van gebouwen een grotere rol gaan spelen in de toekomst. Bij lokale keuze voor aardgasvrije verwarmingsoplossingen (bijvoorbeeld individuele/collectieve warmtepompen) is
Elektriciteitsvraag voor verwarming
In de regio Noord-Holland Zuid zijn al enkele (bovengemeentelijke) warmtenetten aanwezig, bijvoorbeeld in de regio Amsterdam. Daarnaast zijn er lokale warmtenetten in Purmerend, Zaanstad en Zandvoort. Ook zijn er projecten in ontwikkeling rondom (de uitbreiding van) collectieve warmte.
3.3 Warmteinfrastructuur
Werkagenda • Actie: overheden blijven in gesprek met netbeheerders over netcapaciteit in relatie tot warmtetransitie. • Toelichting: duurzame warmtebronnen zijn veelal van lage temperatuur. Om de warmte op te waarderen en/of de gebouwde omgeving all electric te kunnen verwarmen, is verzwaring van het elektriciteitsnet nodig. De komende jaren werkt de regio in RES-verband aan een strategie met de netbeheerders over de verzwaring van het net en realisatie daarvan. Deze strategie dient integraal te zijn, gericht op elektriciteitsvraag en
De verwachte toename van de elektriciteitsvraag op basis van de warmtetransitie is op dit moment lastig in te schatten. Deze hangt samen met de keuze in de technieken die zullen worden toegepast en de mate van isolatie van het te verwarmen object.
extra elektriciteit nodig. In het elektriciteitsdeel van de RES wordt ingegaan op de duurzame opwek van elektriciteit met zon en wind. In relatie tot de warmtevraag is het van belang te weten dat het moment van elektriciteitsopwekking bij windenergie het best past bij het jaarlijkse verloop van de warmtevraag.
elektriciteitsopwekking. Niet alleen de warmtetransitie in de gebouwde omgeving heeft impact op het elektriciteitsnet. Ook het elektrificeren van mobiliteit, de industrie en de glastuinbouw beïnvloeden het elektriciteitsnet. Dit alles vraagt om transport van elektriciteit (zie ook katern Energie-infrastructuur).
Deze paragraaf beschrijft hoe de regio de regionale samenwerking vormgeeft. De samenwerking bestaat uit de werkagenda en de gespreksleidraad.
3.4 Regionale samenwerking
Werkagenda
Tot nu toe bevindt de warmtetransitie zich regionaal en lokaal nog overwegend in de fase van beleidsvorming (RES, RSW en TVW). De komende jaren zal het accent verschuiven naar uitvoering. Niet alle gemeenten zullen op alle onderwerpen gaan samenwerken. Deelregiogrenzen zullen daarbij worden losgelaten. Vooralsnog is uitgesproken dat gemeenten geen nieuwe organisatiestructuur vormen, maar de samenwerking binnen de al bestaande structuur van de RES behouden. In
Er is op dit moment nog veel onduidelijk over warmtebronnen, warmtevraag en benodigde energie-infrastructuur. Onderzoeken naar de potentie van bovengemeentelijke warmtebronnen zijn nog niet afgerond en veel TVW’s moeten nog worden vastgesteld. Om toch voortgang te kunnen boeken spreekt de regio in de RSW af om gezamenlijk concrete stappen te zetten. Daarom heeft de regio een werkagenda opgesteld voor de regionale samenwerking waar, binnen RES-verband, aan gewerkt zal worden. De werkagenda gaat in op verdere samenwerking, kennisdeling, onderzoeken en studies op specifieke thema’s en op het gesprek met marktpartijen.
In de RSW is voor een aantal onderwerpen beschreven hoe gemeenten regionaal willen samenwerken in de aanloop naar de RSW 2.0. Hiernaast wil de regio samenwerken op het gebied van kennisuitwisseling, ondersteuning en bij het realiseren van energiebesparing. Dit zijn warmtethema’s waarop regionale samenwerking van meerwaarde zal zijn. Zie kader op de volgende pagina voor een toelichting op deze onderwerpen.
Komende jaren wordt ook de relatie met andere RES-regio’s verder uitgewerkt en ingevuld. Dit gebeurt zodanig dat de RSW 2.0 naadloos aansluit op de naastgelegen regio’s (voor zover dat nu niet al het geval is) .
de komende periode zullen gemeenten, de provincie en de waterschappen bespreken hoe en via welke gremia hier op ingespeeld kan worden.
Ondersteuning De warmtetransitie vraagt veel van gemeenten op het gebied van kennis, tijd en
Kennisuitwisseling Gemeenten in de regio hebben behoefte aan kennisuitwisseling. Om deze te faciliteren kan een lerend netwerk voor het delen van kennis en het uitwisselen van informatie op de volgende onderwerpen worden opgezet: • Kennisuitwisseling over de inzet van warmtebronnen zoals aquathermie, geothermie en hernieuwbare gassen. • Delen van plannen en aanvragen voor opsporingsvergunningen; • Delen van succesvolle praktijkvoorbeelden bij het creëren van draagvlak voor duurzame warmteoplossingen. • Opzetten van gezamenlijke pilots en het opdoen van kennis rond het ontwikkelen van businesscases. • Kennisdeling over drukte in de ondergrond en de ecologische impact bij de inzet van warmtebronnen. • Uitwisselen van kennis over het maken van afspraken met de markt of het opzetten van een gemeentelijk of regionaal warmtebedrijf. Daarbij is meer inzicht gewenst in de veranderende rol van gemeenten en de provincie in het kader van de Wet collectieve warmtevoorziening, waarvan de inwerkingtreding wordt voorzien in 2022. Besparing Gemeenten hebben uitgesproken graag informatie en ervaringen uit te wisselen over energiebesparing, het ontzorgen van inwoners hierin en het verstrekken van heldere informatie over dit onderwerp.
competenties. Vooral voor kleinere gemeenten kan het een uitdaging zijn hier invulling aan te geven. De provincie Noord-Holland beheert het warmtebronnenregister en denkt na over een ‘expertpool’ van mensen die de gemeenten daarbij kunnen ondersteunen. Op specifieke onderwerpen biedt het provinciale Servicepunt Duurzame Energie een ondersteunende rol, en kan het publiek-private netwerk binnen het Warmte & Koude Programma MRA benut worden. Daarnaast kunnen grotere gemeenten wellicht een nader te verkennen rol spelen in de ondersteuning van kleinere gemeenten. In de aanloop naar de RSW 2.0 is het van belang te investeren in het zodanig toerusten van (met name) kleine gemeenten, dat zij hun regierol in de warmtetransitie waar kunnen maken. Daarbij wordt ook naar financiële ondersteuning vanuit het Rijk gekeken. Voor de eerstvolgende periode, in de aanloop naar de RSW 2.0 (2023) is de belangrijkste opgave om de dan vastgestelde TVW’s in alle gemeenten te vertalen naar de bovengemeentelijk relevante onderwerpen.
Als onderdeel van de RSW hebben de betrokken gemeenten, waterschappen en provincie met elkaar gespreksonderwerpen bepaald om afstemming te organiseren over de toekomstige inzet van een bovengemeentelijke warmtebron. Deze gespreksonderwerpen zijn een eerste aanzet om in een volgende fase te komen tot een afwegingskader over de meest optimale inzet van een warmtebron.
Een set van gespreksonderwerpen als aanzet tot een afwegingskader. De verwachting is dat voor bepaalde temperatuurniveaus lokaal schaarste zal optreden. Waar deze zal zijn en hoe dit ontwikkelt, is nog niet precies bekend. Wel is zeker dat dit vraagstuk gaat komen en dat daarbij een groot aantal belangen van verschillende partijen een rol spelen. Daarom willen betrokken gemeenten nu al met elkaar de kaders bepalen hoe het gesprek over de verdeling van mogelijk schaarse warmtebronnen gevoerd zal worden. Om dit goed te kunnen doen is inzicht in elkaars belangen, kansen en beperkingen een belangrijk uitgangspunt.
Gespreksleidraad
Door vroegtijdige afstemming op regionaal niveau kunnen partijen sturen op een zo optimaal mogelijke benutting van het potentieel bovengemeentelijke warmtebronnen. Dit is van belang om de maatschappelijke kosten van de warmtetransitie zo laag mogelijk te houden. Gedurende de gehele warmtetransitie kunnen inzichten steeds verder aangescherpt worden door het verder ontwikkelen van technieken, meer kennis en inzicht over warmtebronnen (onder andere in het warmtebronnenregister) en verdere vorming van de warmtetransitie en warmteprojecten binnen gemeenten. Vaak zijn het niet de gemeenten die warmteprojecten realiseren, maar wordt dit door marktpartijen gedaan, of wordt een samenwerkingsvorm gezocht.
Waarom een aanzet tot een afwegingskader? Alle benoemde belangen en aspecten zijn gecategoriseerd in een set van vier principes: betaalbaarheid, beschikbaarheid, duurzaamheid en uitvoerbaarheid. Het is een leidraad met gespreksonderwerpen die niet limitatief of voorschrijvend zijn. Ze dienen als toets voor het maken van een afweging bij het verdelingsvraagstuk. Gemeenten geven zelf en in onderling overleg invulling aan de gesprekken. Per bron kunnen gemeenten onderling verschillende belangen hechten aan bepaalde principes. De partijen bespreken samen welke van de onderwerpen uit de gespreksleidraad voor hen het belangrijkst zijn en waar zij bij benutting van een potentiële bovengemeentelijke warmtebron op willen sturen. Dat schept helderheid tussen de gemeenten onderling en tussen markt en overheid in de warmtetransitie. De volledige set van gespreksonderwerpen vindt u in het kader op de volgende pagina.
Inhoud van de gespreksleidraad
Gemeenten kiezen voor een kostene ectieve inzet van warmtebronnen en sturen op de laagst maatschappelijke kosten. Dat betekent dat elk marktinitiatief wordt afgewogen tegen mogelijke alternatieven, om vast te stellen of er (door de marktpartij) gestuurd wordt op de laagst maatschappelijke kosten. Voor alle partijen moet een overstap naar een duurzamere warmtebron financieel aantrekkelijk zijn en er is in ieder geval aandacht voor de kosten voor inwoners. Een grote factor hierin is de afstand tussen bron en afzet. Bij elke warmtebron horen warmteleidingen en deze zijn kostbaar. Een grotere afstand tussen warmtebron en afzet zal daarom alleen haalbaar zijn bij een grote potentie van de warmtebron en een grote geconcentreerde warmtevraag (schaal). Daarbij spelen ook de (on)mogelijkheden ten aanzien van netimpact op elektriciteit en de kosten die daarbij horen een rol. Ook de match in temperatuurniveau tussen de bron en afzet heeft een e ect op de betaalbaarheid. Het temperatuurniveau aan de kant van de warmtevraag is daarom leidend.
Set van gespreksonderwerpen Betaalbaarheid
Met het oog op financiële aantrekkelijkheid moet de afstand tussen warmtevraag en warmtebron zo klein mogelijk zijn. Alleen indien er schaarste is en er geen lokale alternatieven zijn, wordt gebruikgemaakt van een bovengemeentelijke warmtebron. Warmtebronnen moeten zorgen voor een langetermijnleveringszekerheid. Vanwege de mogelijke ontwikkeltermijn (tijd/tempo en realisme) is daarbij aandacht voor transitiebronnen
Beschikbaarheid
Bij de inzet van warmtebronnen volgen we het hoofddoel van het Klimaatakkoord en streven we naar warmtebronnen met een zo hoog mogelijke CO2-reductie. Dit hangt mede samen met de schaal waarvoor een bron ingezet kan worden. Hierbij wordt naar de gehele keten gekeken. Dus waar aanvullende elektriciteit nodig is om een bron met een lage temperatuur naar een hogere temperatuur op te werken, wordt ook de duurzaamheid van de elektriciteit meegewogen. Daarbij wordt een match gezocht in temperatuurniveau tussen afzet en bron. Een ander belangrijk aspect zijn milieue ecten van warmtebronnen. Er wordt gekeken naar de duurzaamheid van de alternatieven die er zijn en de mogelijke transitiebronnen die ingezet moeten worden om tot de definitieve warmtemiddelenmix te komen, wat het doel is bij een project. De Wet collectieve warmtevoorziening die in ontwikkeling is, zal duurzaamheidseisen stellen aan warmtenetten.
Duurzaamheid
Kan een project ook echt uitgevoerd worden? De manier waarop partijen in de markt en overheid met elkaar omgaan, de governance, is bepalend voor het succes van de samenwerking. De rol van de gemeente moet helder zijn, maar de ambitie van de markt is misschien nog wel sturender. Als er geen ambitie van de markt is, komt er ook geen project. Concretere plannen en een verdere fase in besluitvorming verdienen voorrang indien een verdelingsvraagstuk rond de inzet van een bovengemeentelijke warmtebron speelt ten opzichte van nog onzekere plannen. Dan helpt het als er een bron met een eigenaar en ambitie en een bestaande infrastructuur of ruimte voor nieuwe warmte-infrastructuur zijn. Lagetemperatuurbronnen hebben een groter e ect op het elektriciteitsnet omdat de warmte nog naar het juiste temperatuurniveau gebracht moet worden.
Uitvoerbaarheid
die ingezet moeten worden tot de capaciteit van een bron (volledig) benut kan worden. Bij bestaande warmte-infrastructuur zal dit sneller kunnen gebeuren. Ook volume en schaalgrootte (dekking warmtevraag) die met een bovengemeentelijke bron gehaald kan worden, worden van belang geacht.
De belangrijkste bovengemeentelijke warmtebronnen voor de deelregio’s Amstelland (Aalsmeer, Amstelveen, Diemen, Ouder-Amstel en Uithoorn), Amsterdam en Haarlemmermeer komen uit industrie, datacenters en geothermie.
3.5 Amstelland, Amsterdam en Haarlemmermeer
Glastuinbouw Het combineren van de warmtevraag uit de glastuinbouw met de gebouwde omgeving is interessant, omdat het de mogelijkheid van grotere warmtevraagclusters creëert. Hierdoor wordt een bron als geothermie mogelijk ook
Warmtevraag per gemeente Voor de meeste gemeenten in de deelregio’s Amstelland, Amsterdam en Haarlemmermeer wordt een daling in de warmtevraag richting 2030 verwacht. In Diemen wordt verwacht dat de warmtevraag nagenoeg gelijk zal blijven. Voor Ouder-Amstel wordt door een forse nieuwbouwopgave een flinke stijging in de warmtevraag van 2030 voorzien.
Warmtevraag, warmtebronnen en warmte-infrastructuur
Deelregio’s Amstelland en Haarlemmermeer kenmerken zich door een aantal grote glastuinbouwarealen met een hoge energievraag. Amsterdam heeft een grootstedelijk karakter en havens met industrie. Haarlemmermeer vormt een belangrijke vestigingsplaats voor datacenters. In de regio zijn al bestaande grootschalige en bovengemeentelijke warmtenetten, en is er mede daarom een bestaande samenwerking tussen de deelregio’s.
een optie voor de gebouwde omgeving. De glastuinbouw in de gemeenten Aalsmeer, Amstelveen, Uithoorn en Haarlemmermeer heeft een huidige warmtevraag van respectievelijk: 324.530 GJ, 395.000 GJ, 1.584.470 GJ en 747.000 GJ. Greenport Aalsmeer verwacht voor alle gebieden een energiebesparing van de glastuinbouw van 21 procent in 2030 ten opzichte van 2015 uitgaande van het huidige oppervlakte kassen. In het glastuinbouwgebied De Kwakel-Kudelstaart, dat deels in de gemeente Uithoorn en deels in de gemeente Aalsmeer ligt, verwachten we ondanks de groei van 15 hectare dat de absolute warmtevraag zal dalen. Voor Aalsmeer geldt dat ondanks de groei van 15 ha de absolute warmtevraag in het gebied zal dalen. Ook in Amstelveen zal het absolute energieverbruik richting 2030 dalen doordat er geen groei van glastuinbouw voorzien is in de Noorder Legmeerpolder. Of het absolute energieverbruik in de gemeente Haarlemmermeer gaat dalen is de vraag, gezien de groeikansen van PrimA4a.
In de regio bestaat een grote verscheidenheid aan (potentiële) warmtebronnen zoals geothermie, restwarmte uit datacenters en thermische energie uit oppervlaktewater. Het beschikbare vermogen, de temperatuur en de locatie bepalen waar deze warmtebronnen ingezet kunnen worden. In de meeste gevallen zal dat in de gemeente zijn waar de bron ligt, om onnodig transport en hoge kosten te voorkomen. De TVW beschrijft hoe deze lokale bronnen ingezet kunnen worden. In sommige gevallen is er lokaal meer vermogen beschikbaar dan er lokaal nodig is en kan de warmte naar één of meerdere nabijgelegen gemeenten getransporteerd worden. Bijvoorbeeld wanneer de temperatuur van een bron niet geschikt is voor de vraag vanuit het nabijgelegen vastgoed, wanneer de bron dichter bij vastgoed in een andere gemeente ligt, of wanneer er een zodanig tekort aan lokale bronnen is dat er grotere afstanden overbrugd moeten worden.
Potentiële bovengemeentelijke warmtebronnen
Buiten deze deelregio, wordt in Haarlem gewerkt aan de mogelijke benutting van een geothermiebron. Dit is mogelijk ook interessant voor Haarlemmermeer.
Deze regio kenmerkt zich daarnaast door de potentie om restwarmte van datacenters te benutten als warmtebron. Het datacentercluster aan de oostkant van Haarlemmermeer is een potentiële bron voor Haarlemmermeer, Aalsmeer, Uithoorn en buiten de deelregio voor Haarlem. Het datacentercluster in Amsterdam is een potentiële warmtebron voor Amsterdam, Diemen en Ouder-Amstel.
Naast de generieke warmtebronnen zoals geothermie, thermische warmte uit oppervlaktewater en groen gas, is er ook een aantal specifieke warmtebronnen per gemeente te identificeren. De WRKleidingen zijn een potentiële warmtebron én kunnen dienen als warmtetransportleidingen voor Aalsmeer, Amstelveen, Uithoorn Haarlemmermeer en Ouder-Amstel. Ook buiten deze regio zijn er gemeenten die warmte (en koude) kunnen onttrekken uit de WRK-leidingen.
AEB Amsterdam/Warmtenet Amsterdam West Noord is in deze deelregio mogelijk interessant als potentiële bovengemeentelijke warmtebron voor Zaanstad.
Ook de Diemercentrale is een bovengemeentelijke warmtebron voor Amsterdam, Amstelveen, Diemen en Ouder-Amstel. Zo blijkt uit de TVW van Amstelveen dat de nu bekende warmtebronnen onvoldoende warmte kunnen leveren om de hele stad te voorzien van warmtenetten. Mede hierdoor – en het al aanwezige warmtenet in Amstelveen – is de uitbreiding van het huidige warmtenet vanuit de Diemercentrale voor Amstelveen wenselijk als bovengemeentelijke warmtebron.
Naast de bovengemeentelijke warmteinfrastructuur zijn er in de deelregio’s meerdere lokale warmtenetten aanwezig (in Amsterdam, Uithoorn, Aalsmeer, Haarlemmermeer en Amstelveen). Met de uitbreiding van deze lokale netten ontstaan naar de toekomst wellicht mogelijkheden voor koppelingen. Voorheen zijn er tussen
Momenteel is er een (samengesteld) bovenregionaal warmtenet aanwezig in de deelregio’s Amsterdam en Amstelland: het warmtenet Amsterdam Zuidoost/Almere levert warmte aan wijken in de gemeenten Amsterdam, Diemen, Amstelveen, OuderAmstel en Almere. Het warmtenet in Amstelveen is in eigendom van Eneco. Uitbreiding van dit bovenregionale warmtenet is mogelijk (TVW Amstelveen) en biedt kansen om lokale warmtebronnen zoals de rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) in Amstelveen hierop aan te sluiten. Het warmtenet in het westen en noorden van Amsterdam wordt gevoed door AEB Amsterdam en kent nog een behoorlijke overcapaciteit. De twee grote warmtenetten in Amsterdam zijn of worden op korte termijn aan elkaar verbonden ten behoeve van de robuustheid van beide netten.
Bovengemeentelijke warmteinfrastructuur
Werkagenda Voor deze regio is er een aantal specifieke punten die de komende jaren op de werkagenda staan: • Glastuinbouw In de regio bevinden zich meerdere glastuinbouwclusters die een hoge energievraag hebben. Dit zorgt voor extra druk op de beschikbaarheid van (bovengemeentelijke) duurzame warmtebronnen. Aan de andere kant biedt dit ook kansen om bronnen zoals geothermie sneller aan te sluiten, wat voor de gebouwde omgeving de uitrol kan versnellen. Mogelijk zijn in dit kader geothermieprojecten uit de RES-regio Holland Rijnland interessant voor glastuinbouw in Amstelland. De komende jaren zal besproken moeten worden hoe de glastuinbouw overstapt op duurzame warmte en hoe dit in verhouding staat met de duurzame verwarming van de gebouwde omgeving.
verschillende gemeenten verkenningen gedaan naar de benutting van warmtebronnen tussen gemeenten; er was sprake van een samenwerking op (bovengemeentelijke) warmtenetten. Deze samenwerking kent nog geen structurele vorm.
Om de glastuinbouw te voorzien van externe en duurzame warmte zullen ook andere randvoorwaarden gerealiseerd moet worden. Zo zal er externe CO2 en duurzame elektriciteit beschikbaar moeten komen voor de glastuinbouw. Het is dus belangrijk dat er CO2 beschikbaar komt, via bijvoorbeeld de OCAP-leidingen, en daarnaast voldoende netcapaciteit beschikbaar is om de komst van duurzame warmte mogelijk te maken. De aanleg van het OCAP-netwerk naar de Haarlemmermeer is sinds 2021 in uitvoering. Uitbreiding van het netwerk naar een aantal van de grote clusters in Uithoorn (en Nieuwkoop, buiten deze RES-regio) is in voorbereiding. De netcapaciteit zal moeten toenemen als tuinders overschakelen op externe warmte. De verduurzaming van de glastuinbouw in deze regio is hoofdzakelijk relevant voor de gemeenten Haarlemmermeer, Amstelveen, Aalsmeer en Uithoorn. In dit kader gaat Greenport Aalsmeer aan de slag met: - de gebiedsgerichte aanpak en gebiedsvisie voor de concentratiegebieden glastuinbouw (zoals Kudelstaart/De Kwakel); - ondernemerssupport (onder andere herstructurering, bedrijfsverplaatsing, modernisering en innovatie);
•
•
- het bij elkaar brengen van stakeholders (OCAP voor CO2-net, geothermie, netbeheerders en duurzame elektriciteitsopwekking). Warmtenet Amsterdam Zuidoost/Almere/ Diemercentrale Voor een aantal gemeenten is de aansluiting op de Diemercentrale of het warmtenet van Amsterdam Zuidoost/ Almere cruciaal voor de verduurzaming van de gebouwde omgeving. In paragraaf 3.1.1 is de werkagenda voor de Diemercentrale beschreven. Restwarmte uit datacenters In Amsterdam, Aalsmeer en Haarlemmermeer (Schiphol-Rijk) zijn diverse (kleinschaligere) warmtenetten op basis van de restwarmte uit een datacenter in voorbereiding of operationeel. Een goed voorbeeld daarvan is het Energy Hub Aalsmeer. In de regio staan nog veel meer datacenters met een leveringspotentieel. Via beleidsontwikkeling van gemeenten aan de ene kant en onderzoeken naar concrete projecten aan de andere kant , wordt steeds verder toegewerkt naar meer benutting van deze warmtebron. In paragraaf 3.1.1 is de werkagenda voor warmte van datacenters beschreven.
•
WRK-leidingen Een aantal gemeenten in deze regio ziet kansen voor het benutten van de WRKleidingen voor het onttrekken van zowel warmte als koude. De WRK-leidingen zijn relevant voor meerdere gemeenten in de gehele regio Noord-Holland Zuid (en daarbuiten). Daarom is de werkagenda of het handelingsperspectief beschreven in paragraaf 3.1.1.
Uit het bronnenregister blijkt dat er op dit moment niet veel zicht is op bestaande specifieke bovengemeentelijke warmtebronnen in de regio. De gemeenten zullen voornamelijk lokale warmtebronnen benutten. Dit komt mede door de verspreide clusters van woningbouw. Uit de TVW’s zal blijken welke bronnen een bovengemeentelijke potentie hebben en regionale afstemming behoeven. Mogelijk komen er in de toekomst bovengemeentelijke bronnen bij die op dit moment nog niet in beeld zijn.
De deelregio Gooi en Vechtstreek bestaat uit de gemeenten Blaricum, Gooise Meren, Hilversum, Huizen, Laren, Weesp en Wijdemeren.
3.6 Gooi en Vechtstreek
Momenteel is er geen bovenregionaal warmtenet aanwezig. In de gemeente
Bovengemeentelijke warmteinfrastructuur
Bovengemeentelijke warmtebronnen Alle gemeenten in deelregio Gooi en Vechtstreek hebben groen gas, geothermie en aquathermie in beeld als potentiële generieke bovengemeentelijke warmtebronnen voor de toekomst. De mate van zekerheid van de potentiële warmtebronnen varieert. Zo is het nog onbekend hoeveel groen gas beschikbaar komt in de regio en wordt momenteel onderzoek gedaan naar de haalbaarheid van geothermie. De resultaten van de potentie van geothermie worden aan het einde van 2021 verwacht. De verwachting is dat over drie jaar duidelijk is of deze bron haalbaar is. Er is ook door een initiatief een onderzoek gestart naar de potentie van geothermie in de regio.
Warmtevraag per gemeente De gemeente Weesp ziet een grote opgave in de uitbreiding van woningbouw tegemoet en om die reden wordt een toename in de warmtevraag naar 2030 voorzien. In alle andere gemeenten zal de warmtevraag afnemen. Meer informatie hierover vindt u in bijlage 3..
Warmtevraag, warmtebronnen en warmte-infrastructuur
Werkagenda Momenteel kan er nog niet veel worden vastgelegd over de inzet van aquathermie, groen gas en geothermie in deze regio. De werkagenda voor Noord-Holland Zuid beschrijft wat er de komende jaren besproken moet worden over deze bovengemeentelijke warmtebronnen. Naast de algemene werkagenda die voor de gehele regio is opgesteld, is er voor deze regio een specifiek punt dat de komende jaren besproken moet worden, namelijk: • Impact op het elektriciteitsnet. Het gebrek aan zicht op de inzet van bovengemeentelijke warmtebronnen vraagt lokale oplossingen. Met uitzondering van geothermie en groen gas – waarvan de potentie en beschikbaarheid nog onbekend zijn – zijn de lokale en bovengemeentelijke warmtebronnen veelal van lage temperatuur. Om de warmte op te waarderen en/of de gebouwde omgeving all electric te kunnen verwarmen is er verzwaring van het elektriciteitsnet nodig. De komende jaren moet er een strategie gemaakt worden met de netbeheerders over welke verzwaring nodig is en hoe deze gerealiseerd kan worden.
Hilversum zijn wel drie kleine lokale warmtenetten aanwezig.
De deelregio IJmond & ZuidKennemerland bestaat uit de gemeenten Beverwijk, Bloemendaal, Haarlem, Heemskerk, Heemstede, Velsen en Zandvoort. De belangrijkste bovengemeentelijke warmtebronnen zijn naar verwachting industrie en geothermie. Het geothermische potentieel wordt momenteel onderzocht door SCAN.
3.7 IJmond & ZuidKennemerland
Voor Heemskerk, Velsen en Beverwijk is, naast geothermie, restwarmte uit industrie een potentiële bron. De industrie in dit gebied kijkt nog vooral naar interne verduurzaming en naar de milieue ecten op de omgeving.
In de gemeente Haarlem wordt ingezet op geothermie als bron voor een nieuw te ontwikkelen warmtenet in Meerwijk. Geothermie vraagt om een gerealiseerde afzetmarkt voordat de hoge investeringen voor geothermie gedaan worden. De eerste uitdagingen bij geothermie liggen bij het organiseren van de warmtevraag en de inzet van een tijdelijke warmtebron.
Alle gemeenten in de deelregio IJmond & Zuid-Kennemerland hebben geothermie en aquathermie in beeld als potentiële bovengemeentelijke warmtebron. Restwarmte uit lokale industrie is voor een aantal gemeenten ook een potentiële warmtebron.
Bovengemeentelijke warmtebronnen
Warmtevraag per gemeente Richting 2030 wordt er een afname in de warmtevraag in de deelregio IJmond & ZuidKennemerland voorzien .
Warmtevraag, warmtebronnen en warmte-infrastructuur
De WRK-leidingen zijn een potentiële bovengemeentelijke warmtebron voor Zandvoort, Bloemendaal, Heemstede en Velsen. Gemeenten zien gesprekspartners
Aquathermie heeft, gezien de ligging aan de kust, theoretisch een hoge potentie in deelregio IJmond & Zuid-Kennemerland. Maar om de reële potentie te bepalen is nader onderzoek nodig.
In het verleden is veel onderzoek gedaan naar de potentie voor warmtelevering door Tata Steel aan de omliggende gemeenten. Dat project is stilgevallen omdat warmtelevering volgens het huidige ontwerp zou leiden tot meer stikstofdepositie naar natuurgebieden in de omgeving. Nieuwe inzichten over restwarmtelevering door Tata Steel worden verwacht in het kader van de CES.
Er is nog weinig informatie beschikbaar over de beschikbare restwarmte voor de gebouwde omgeving. De provincie NoordHolland heeft daarom opdracht gegeven aan Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (OD NZKG) om dit potentieel nader te onderzoeken. Daarnaast inventariseert Omgevingsdienst IJmond waar bedrijven energie besparen en waar potentieel restwarmte uit zou kunnen ontstaan.
Er bestaat op dit moment geen bovengemeentelijke warmte-infrastructuur in deelregio IJmond & Zuid-Kennemerland. Wel is er op een aantal plaatsen sprake van een lokaal warmtenet. Zandvoort heeft een klein warmtenet, met een WKK op aardgas. Ook in Zeewijk (IJmuiden) is een lokaal warmtenet aanwezig. In de gemeente Haarlem wordt gewerkt aan de voorbereidingen van een warmtenet in Meerwijk, waarvoor geothermie als bron wordt voorzien. In de IJmond-gemeenten wordt onderzocht welke mogelijkheden er zijn voor collectieve warmte uit de bestaande geothermiebron en een mogelijke tweede geothermiebron.
Bovengemeentelijke warmteinfrastructuur
Daarnaast kan restwarmte van datacenters in Haarlemmermeer ingezet worden als potentiële warmtebron in Haarlem. Er is in Haarlem één datacenter gevestigd. De restwarmte hiervan is momenteel te gering om ook naar andere gemeenten te transporteren.
in: Waternet, PWN, gemeenten langs WRKleidingen, warmtebronnen langs WRKleidingen en vragers van koude.
•
•
•
Restwarmte uit industrie In deze regio is de industrie aan het onderzoeken hoe energie zo optimaal mogelijk benut wordt (en restwarmte in de eigen processen kan worden hergebruikt). Hierdoor is op dit moment weinig zicht op het beschikbare vermogen voor de gebouwde omgeving. Een ander belangrijk punt van aandacht is de duurzameenergie-input van de industrie om de vrij te komen restwarmte verder te verduurzamen. Aquathermie Gemeenten willen in gesprek met alle kustgemeenten en Rijkswaterstaat om reële potentie uit zeewater nader te (laten) onderzoeken. WRK-leidingen Gemeenten hechten belang aan het benutten van de potentie van de WRKleidingen en vragen de directie van WRK randvoorwaarden mee te geven voor het gebruik van de leidingen.
Werkagenda Voor deze regio zijn er een paar specifieke punten die de komende jaren besproken moeten worden:
De deelregio Zaanstreek/ Waterland bestaat uit de gemeenten Beemster, EdamVolendam, Landsmeer, Oostzaan, Purmerend, Waterland, Wormerland en Zaanstad.
3.8 Zaanstreek/ Waterland
Alle gemeenten in de deelregio Zaanstreek/ Waterland hebben geothermie, aquathermie en groen gas in beeld als potentiële bovengemeentelijke warmtebronnen voor de toekomst. Voor de gemeenten Zaanstad, Oostzaan en Landsmeer kan op termijn aansluiten op het warmtenet van Amsterdam mogelijk nieuwe oplossingen in beeld brengen. Ten slotte kan de restwarmte uit industrie in
Bovengemeentelijke warmtebronnen
Warmtevraag per gemeente Naar verwachting wordt alleen in de gemeente Zaanstad een stijging in de warmtevraag naar 2030 voorzien. In de andere gemeenten zal de warmtevraag gaan dalen .
Warmtevraag, warmtebronnen en warmte-infrastructuur
Het zuiden van de deelregio kenmerkt zich hoofdzakelijk door de aanwezigheid van industrie nabij Amsterdam en woonkernen op korte afstand. In het noorden daarentegen zijn de woonkernen meer verspreid, zonder de aanwezigheid van industrie. Hier is de openheid van het landschap kenmerkend en vinden vele weidevogels een thuis in de veeweidegebieden of in de polders.
Biowarmtecentrale De Purmer gaat ook warmte leveren aan bebouwing in de gemeente Beemster die nabij het bestaande warmtenet van Purmerend ligt. Het warmtenet van Purmerend kan mogelijk nog uitgebreid worden om meer warmte te leveren. In de toekomst zou het ook mogelijk zijn om het warmtenet uit te breiden naar Neck in Wormerland. Hier is een kleinschalig warmtenet gerealiseerd, welke momenteel een individuele warmtebron heeft.
In de fase waar de gemeentelijke TVW’s nu naar kijken is er echter geen duidelijk beeld over de inzet van deze bronnen en wordt er vooral gekeken naar lokale warmtebronnen.
Zaanstad mogelijk ingezet gaan worden als een bovengemeentelijke warmtebron.
Werkagenda Voor de regio Zaanstreek/Waterland is er een aantal specifieke punten dat de komende jaren besproken moet worden: • Verduurzaming warmtenet Purmerend Stadsverwarming Purmerend zoekt, samen met de gemeente naar (aanvullende) duurzame warmtebronnen. Het zoeken naar deze warmtebronnen zal, indien aan de orde, in samenwerking zijn met buurgemeenten waar mogelijk (ook) alternatieve warmtebronnen ingezet kunnen worden (zoals geothermie). • AEB/Warmtenet Amsterdam Voor een aantal gemeenten (Zaanstad, Oostzaan en Landsmeer) is de aansluiting op het warmtenet van Amsterdam een optie om te overwegen voor de toekomstige verduurzaming van de gebouwde omgeving.
Driekwart van de gebouwde omgeving in Purmerend is aangesloten op het warmtenet van Stadsverwarming Purmerend. Er wordt gewerkt aan uitbreiding van dit warmtenet, onder andere naar enkele nieuwbouwprojecten in de gemeente Beemster. In de gemeente Zaanstad zijn meerdere lokale warmtenetten aanwezig.
Bovengemeentelijke warmteinfrastructuur
4
De RES is een continu proces. Bekijk de tijdlijn van de RES tot aan 2030 en 2050 op de website van NP RES. Elke twee jaar doorlopen de betrokken overheden in de regio de RES opnieuw. Verloopt de uitvoering volgens planning, moet er worden bijgestuurd of moeten er nieuwe projecten worden opgenomen? Ook kunnen op deze manier nieuwe (technologische) ontwikkelingen worden meegenomen. Op basis van dit gezamenlijke proces wordt een nieuwe RES gemaakt (RES 2.0 en verder). In dit proces is opnieuw ruimte voor inwoners en belanghebbenden om hun stem te laten horen.
Na vaststelling van de RES 1.0 werken gemeenten door om de zoekgebieden verder uit te werken, worden de uitkomsten van de RES 1.0 verwerkt in de uitvoeringsinstrumenten van het omgevingsbeleid en wordt een regionaal uitvoeringsprogramma opgesteld.
Aernoud Olde, lid van VEINH en van de stuurgroep RES Noord-Holland Zuid (bron: website Energieregio NHZ)
'UDDJYODN FUHHU MH QLHW KHW RQWVWDDW DOV MH PHQVHQ HLJHQGRP HQ ]HJJHQVFKDS JHHIW (Q GDDULQ LV QRJ YHHO ZHUN WH GRHQ Rijkswaterstaat, Rijksvastgoedbedrijf en Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) werken sinds eind 2018 in opdracht van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat samen met de regio in het pilotprogramma Hernieuwbare energie op rijksgrond. In dit programma onderzoekt en leert het Rijk hoe rijksgrond zo optimaal mogelijk en met maatschappelijk draagvlak kan worden ingezet voor het opwekken van hernieuwbare energie. Als onderdeel van het programma worden
Programma OER
De RES 1.0 is tot stand gekomen na een intensief samenwerkingstraject van overheden, netwerkbeheerders en maatschappelijke organisaties. Deze samenwerking wordt door alle partijen gewaardeerd en als waardevol beschouwd. Om de opgenomen ambities en afspraken in de RES verder te brengen is het van belang deze samenwerking te continueren. Naast samenwerking met lokale en regionale partijen, wordt ook de samenwerking met het Rijk verder gebracht. Dit gebeurt zowel via het Nationaal Programma RES als via het programma Opwekking van Energie op Rijksvastgoed (OER).
Voortzetten van samenwerking
De concretisering van de zoekgebieden loopt door na de vaststelling van de RES 1.0. Het is aan gemeenten om hier uitvoering aan te geven en dit samen met initiatiefnemers en belanghebbenden op te pakken. Ook na de RES 1.0 blijft er ruimte voor nieuwe initiatieven. Als een gemeente besluit om een zoekgebied toe te voegen, te wijzigen of te schrappen, wordt dat zichtbaar in de RES-viewer. Deze viewer bevat de meest actuele situatie van de zoekgebieden. Voor het borgen van de ruimtelijke samenhang in de regio heeft de provincie, gezamenlijk met het Rijk, een regierol.
Concretisering zoekgebieden
door Rijkswaterstaat de in de RES opgenomen zoekgebieden langs de hoofd- en vaarwegen waar hernieuwbare energieopwekking realistisch en kansrijk worden geacht, in kaart gebracht. Hierbij wordt rekening gehouden met de uitgangspunten van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Deze locaties worden binnen de kaders van de RES afgestemd met gemeenten en/of provincie. Als er gezamenlijk met de partijen binnen de RES voor wordt gekozen om deze locaties te ontwikkelen, worden deze met gebruikmaking van een tendersystematiek opengesteld voor geïnteresseerde marktpartijen.
De programmaorganisatie RES NoordHolland Zuid heeft het proces tot aan de vaststelling van de RES 1.0 gefaciliteerd en ondersteund, in de periode 2019, 2020 en de eerste helft van 2021. Door de betrokken overheden en stakeholders is de wens geuit om na de vaststelling van de RES 1.0, de regionale ondersteuning vanuit een programmaorganisatie te continueren.
Regionaal uitvoeringsprogramma
De in de RES 1.0 gemaakte afspraken krijgen juridische status als deze worden uitgewerkt en vastgesteld in omgevingsrechtelijke instrumenten. Het Klimaatakkoord wijst in dit verband op de gemeentelijke omgevingsvisies, programma’s en omgevingsplannen. Ook de provinciale omgevingsvisie, omgevingsverordening en projectbesluiten zijn instrumenten om de RES juridisch te borgen. Het bevoegd gezag bepaalt hoe de RES vertaald wordt naar het omgevingsbeleid. Het gaat daarbij zowel om de inpassing van grootschalige energieopwek, als om benodigde ruimte voor de aanpassing van energie-infrastructuur. Doelstelling is om in 2021 de keuzes in de RES geborgd te hebben in het omgevingsbeleid van gemeenten en provincie.
Verwerken in omgevingsbeleid
Ook zal in het uitvoeringsprogramma aandacht besteed worden aan: • De rollen van en afspraken met samenwerkingspartners (Participatie Coalitie Noord-Holland, Coalitie Duurzame Energie, agrariërs, PWN, Rijksvastgoed enz.). • Welke mogelijkheden er zijn om lokale initiatieven te ondersteunen en te financieren. • Hoe en in welke mate gemeenten
Daarnaast is het voorstelbaar dat regionale samenwerkingsafspraken nodig zijn voor de uitwerking en uitvoering van de RES. Ook is het wenselijk om afspraken, kaders en een aanpak vast te leggen voor het proces naar de RES 2.0. Hiervoor wordt een regionaal uitvoeringsprogramma opgesteld, waarin worden uitgewerkt: • Regionale samenwerkingsafspraken met betrekking tot de uitwerking van de zoekgebieden voor zon en wind en de Regionale Structuur Warmte. • Afspraken, kaders en aanpak voor het proces naar de RES 2.0. • Afspraken met betrekking tot data en monitoring van de voortgang van de uitvoering. • Afspraken over inzet en verdeling van capaciteit en uitvoeringsbudget.
Om de energietransitie vorm te kunnen geven en uit te kunnen voeren, is het noodzakelijk om het monitoren, leren en bijsturen consequent onderdeel te maken van de RES. De toegang tot actuele, betrouwbare data speelt hierin een belangrijke rol, bijvoorbeeld
Monitoring en data
Voor en na de zomer van 2021 wordt input opgehaald voor dit regionaal uitvoeringsprogramma bij de betrokken overheden, bestuurders, volksvertegenwoordigers en samenwerkingspartners. De invulling van het regionaal uitvoeringsprogramma is mede afhankelijk van een rijksbijdrage voor het vervolgproces. Het nieuwe kabinet zal hierover besluiten. Besluitvorming over het regionaal uitvoeringsprogramma volgt om deze reden naar verwachting eind 2021.
•
•
ondersteund kunnen worden bij de procesparticipatie en verdere uitwerking van de zoekgebieden. Hoe en in welke mate betrokken overheden ondersteund kunnen worden om het streven naar minimaal 50 procent lokaal eigendom te borgen; Aanpak voor transparante informatievoorziening.
Jongeren moeten blijvend bij het RESproces betrokken zijn. Zij krijgen de rest van hun leven te maken met de gevolgen van klimaatverandering. Neem daarom lokale influencers mee in de communicatie, betrek scholen, installeer een jongerenraad, en zet gericht sociale media in. Jongeren willen zich gehoord voelen. Hun input moet serieus worden gewogen bij besluitvorming. En biedt jongeren ook perspectief en verantwoordelijkheid om zelf bij te dragen aan de energietransitie en verbetering van de biodiversiteit. Laat jongeren niet alleen meedenken, maar ook meedoen.
Geen vervan-hunbedshow
Advies jongeren:
Participatie is een doorlopend proces en stopt niet bij de RES 1.0. Participatie vindt plaats richting de RES 2.0 én op projectniveau (tot aan de omgevingsvergunning). Voor participatie in de concretisering van de zoekgebieden en op projectniveau is de gemeente, samen met de eventuele initiatiefnemer, aan zet. Voor het proces naar de RES 2.0 wordt een regionaal uitvoeringsprogramma opgesteld. De afspraken met betrekking tot participatie, voor
Participatie
De provincie draagt in nauwe samenwerking met de gemeenten en de netbeheerders zorg voor eenduidigheid, toegankelijkheid, vergelijkbaarheid en optelbaarheid van cijfers op de verschillende (bestuurlijke) niveaus. Daarbij wordt aangesloten op de landelijke monitoringssystematiek. De provincie ondersteunt hiermee de implementatie en actualisatie van de RES’en en neemt hierin een regierol. Samenwerkingsafspraken met betrekking tot data en monitoring worden vastgelegd in het regionaal uitvoeringsprogramma.
bij de elektriciteitsproductie met behulp van wind en zon en de ontwikkeling van vraag en aanbod van warmte.
informatie over participatie van de lokale omgeving bij duurzame energie vindt u op de website van het Klimaatakkoord.
Meer
Wat wordt van het Rijk gevraagd? Om te komen tot een e ectieve en tijdige uitvoering van de RES is meer nodig dan alleen de inzet vanuit de energieregio’s. Tijdens het RES-proces is aandacht gevraagd voor het ontwikkelen van rijksbeleid voor:
In het Klimaatakkoord is afgesproken in te zetten op een grote mate van participatie van de lokale omgeving bij duurzame energie. Daarbij is onderscheid te maken in participatie gedurende de beleidsfase, in aanloop naar een energieproject, en projectparticipatie zodra het project vorm begint te krijgen.
regionale samenwerking, ondersteuning aan gemeenten en aanpak richting de RES 2.0 worden hierin uitgewerkt. De Participatiecoalitie Noord-Holland en de energiecoöperaties in de regio kunnen helpen in participatietrajecten.
•
•
•
•
Mogelijkheden voor het combineren van agrarische activiteiten met opwekking van hernieuwbare energie. Hiervoor kent met name het huidige belastingstelsel belemmeringen. Het Rijk wordt gevraagd deze belemmeringen in kaart te brengen en waar mogelijk aanpassingen te doen. De wet- en regelgeving rond het Bouwbesluit. Deze kent nog geen verplichtend karakter om initiatiefnemers duurzaamheidsmaatregelen op te leggen, zoals het toepassen van zonnepanelen op grote bedrijfsdaken en isolerende maatregelen bij nieuwbouw. Ook het energieneutraal bouwen is hierin nog onvoldoende geïntegreerd. Het Rijk wordt gevraagd te onderzoeken welke wet- en regelgeving, naast de huidige aanpassingsagenda, aangepast kan worden om de energietransitie aan te jagen en gemeenten en provincies hierin meer mogelijkheden te bieden. Het oplossen van knelpunten in de SDEsystematiek om de RES-doelstellingen te bereiken (o.a. zon op dak stimuleren, opgaven combineren, maatschappelijke kosten, slimme energieoplossingen) Ook is er vanuit de regio behoefte aan een standpunt van het Rijk over de inzet van kernenergie. Sijas Akkerman,directeur Natuur- en Milieufederatie Noord-Holland (bron: website Energieregio NHZ)
:H ZLOOHQ ]RYHHO PRJHOLMN GXXU]DPH HQHUJLHRSZHN PDDU ZH KHEEHQ RRN GH URO YDQ EHZDNHU YDQ GH NZDOLWHLW YDQ QDWXXU HQ ODQGVFKDS 7RFK VWDDQ GH EHODQJHQ QLHW KDDNV RS HONDDU
Daarnaast is door netbeheerder aandacht gevraagd voor het aanbieden van de juiste landelijke gereedschappen voor de ontwikkeling van de benodigde netinfrastructuur. Het gaat daarbij om: • Nieuwe spelregels om het bestaande elektriciteitsnet slimmer en beter uit te nutten, denk aan: - aanpassing van wet- en regelgeving om snellere en e ciëntere aansluiting van duurzame energieprojecten en transport van duurzame energie mogelijk te maken. - financiële prikkels om opgewekte energie zoveel als mogelijk lokaal in balans te brengen en te zorgen dat het tarief voor kleinverbruikers en grootverbruikers het gebruik van energie op het moment dat er veel aanbod is, stimuleert. Maatregelen, om een betere afstemming van vraag en aanbod mogelijk te maken, zoals smart charging maken hier ook onderdeel van uit. • Meer regie via een Nationaal Programma Energiesysteem (NPES) voor regie en integraliteit: Willen we de klimaatdoelen halen dan vraagt dit om echte regie, via een langjarige programmatische samenwerking tussen overheden en netbeheerders, gericht op uitvoering. Dit vraagt op landelijk en regionaal niveau integrale afstemming •
•
over de sectoren heen, zodat met behulp van heldere prioritering én een duidelijke (ruimtelijke en systeemtechnische) meerjarenplanning de transitie e ciënt gerealiseerd kan worden. Hierbinnen is er aandacht voor ruimte voor infrastructuur en snellere besluitvormingsprocedures inclusief escalatiemechanismen. Maatregelen die ertoe leiden dat er meer technici worden opgeleid voor de energietransitie. Gemeenten realiseren de warmtetransitie lokaal en moeten voldoende flexibiliteit hebben om tot maatwerkoplossingen te komen. Zij moeten de mogelijkheid hebben om bedrijven in publiek eigendom, waaronder de netwerkbedrijven, aan te kunnen wijzen als warmtebedrijf. Wetgeving moet niet gericht zijn op het reguleren van één type voorziening, maar de diversiteit aan netten ondersteunen, ruimte bieden voor toekomstige innovaties en een gelijk speelveld creëren voor alle partijen die actief kunnen zijn in warmte, zowel privaat als publiek. Open, onafhankelijke warmtenetten moeten daarbij blijven worden toegestaan.
5
De zoekgebieden zijn gebaseerd op een technische analyse van de mogelijkheden en randvoorwaarden in de regio, de uitkomst van meerdere (lokale) ateliers met stakeholders en belanghebbenden, en uiteindelijk een politieke keuze. In de RES 1.0 zijn gemeenten en stakeholders gestart met het verder verkennen van de haalbaarheid, wenselijkheid en invulling van zoekgebieden. De RES 1.0 is een momentopname en geeft de inspanning weer waar de deelnemers zich in de komende jaren voor zullen inzetten. Nieuwe initiatieven buiten
De theoretische potentie voor de opwekking van duurzame energie in de zoekgebieden van regio Amstelland is 404 GWh (0,40 TWh). Deze potentie bestaat uit de huidige opwek (60 GWh) en de potentie uit zoekgebieden (344 GWh). In de kaart op de volgende pagina zijn de zoekgebieden globaal ingetekend.
Potentie van Amstelland
5.1 Samenvatting In aanvulling op de zoekgebieden (zie kader hierna), ziet men kansen voor duurzame opwek op de volgende plekken in de deelregio: • De regio wil de potentie voor zon op daken, parkeerplaatsen, geluidsweringen en infrastructuur langs spoorlijnen en snelwegen, zo veel mogelijk benutten. • Reserveringen voor bedrijven en glastuinbouw: gekeken kan worden hoe gebieden die gereserveerd zijn voor bedrijven en transformatie- en/of maatwerkbieden glastuinbouw, tijdelijk gebruikt kunnen worden voor de opwek van zonne-energie tussen bedrijven. Bedrijventerrein Greenport Aalsmeer of transformatiegebieden glastuinbouw lenen zich hiervoor. Er zijn geen mogelijkheden voor grondgebonden opwek in het kernglastuinbouwgebied in Kudelstaart (in alle gevallen rekening houdend met ‘Kaders Zonne-Energie Aalsmeer). Ook in het kernglastuinbouwgebied in de Kwakel zijn geen mogelijkheden. Alle beschikbare gronden daar zijn bedoeld voor glastuinbouw.
de zoekgebieden worden niet uitgesloten en worden ook onderzocht op haalbaarheid. Ook de huidige zoekgebieden kunnen nog veranderen of afvallen. Amstelland kenmerkt zich als een stedelijke regio met daartussen waardevolle natuurlandschappen. De regio kent een grote druk op de ruimte. Dit vraagt om een goede ruimtelijke afstemming en afweging van verschillende functies. Het gebrek aan vrije ruimte gecombineerd met de grote woningbouwopgave, maakt het realiseren van hernieuwbare energie in Amstelland een uitdaging. Dit geldt temeer door de ruimtelijke (hoogte)beperkingen die voor een groot deel van de regio gelden door de aanwezigheid van Schiphol, waardoor de mogelijkheden voor windenergie beperkt zijn. Duurzaamheidsambities en -doelstellingen zijn lokaal bepaald in Amstelland. Wel wordt er vanuit de regio incidenteel en op specifieke onderwerpen samengewerkt op het gebied van duurzaamheid en energie.