CConstaterende datlaren
Koppel je AI →
Document · PDF

20210630Rvs40 Regionale Energie Strategie Noord-Holland Zuid 1 0 (RES 1 0) BIJLAGE reg energie strategie tot blz 125

Commissie Ruimte en Infrastructuur 22 juni 2021, gemeente larenBij agendapunt: Regionale Energie Strategie Noord-Holland Zuid 1.0 (RES 1.0)24.893 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Beoogd wordt zandwinning optimaal te laten bijdragen aan de ruimtelijke

Het is een gezamenlijke verantwoordelijkheid om zorgvuldig met het IJsselmeer om te gaan. De opgave voor het IJsselmeergebied is om de energietransitie, klimaatverandering, ruimtelijke opgaven, economische ontwikkelingen en veranderende maatschappelijke wensen te verbinden. Het toekomstperspectief zoals geschetst in de Agenda IJsselmeergebied 2050 en de Energieverkenning IJsselmeergebied (2019) zijn hiervoor de leidraad. De RES’en gaan primair over het opwekken van duurzame energie, maar ook in RES-kader staat het belang centraal van de integrale afweging en het benutten van koppelkansen die in ecologisch, ruimtelijk en/of economisch opzicht meerwaarde kunnen opleveren.

Benutten koppelkansen

Deze belangen kunnen elkaar ook in de weg zitten. Dit geeft een spanningsveld. Alle functies en ontwikkelingen volledig faciliteren en tegelijkertijd het door de Agenda IJsselmeergebied neergezette toekomstperspectief realiseren, is in de praktijk niet mogelijk (niet alles kan overal).

kwaliteit van het gebied en de realisatie van diverse doelen in het IJsselmeergebied, zoals natuur en medegebruik. • Overige opgaven: verstedelijking (grootschalig Oostflank MRA/Amsterdam Bay Area, kleinschalig elders, krimp), scheepvaart (vaargeulen), recreatie en toerisme.

In Noord-Holland Zuid ligt een robuust netwerk van energieinfrastructuur, dat op dit moment echter niet meer in alle gebieden aan de huidige energievraag kan voldoen. Er is op de meeste stations wel netcapaciteit beschikbaar voor de opwekking van duurzame energie, maar het verbruik van elektriciteit stijgt de komende jaren fors in de sterk stedelijke regio die Noord-Holland Zuid is. Daardoor raakt de vraagkant steeds meer overbelast.

2.4 Energieinfrastructuur

Uit de netimpactanalyse (bijlage 4) blijkt dat op 5 van de 57 stations een knelpunt ontstaat door duurzame opwek. Daar zijn uitbreidingen nodig om duurzame opwek aan te sluiten. Verder verwacht de netbeheerder in de regio Noord-Holland Zuid een zeer sterke groei in de energievraag. Het gevolg van deze toekomstige groei aan de vraagkant heeft als resultaat dat op 41 stations de maximale

Een robuuste energie-infrastructuur is randvoorwaardelijk voor het realiseren van de ambities in de RES en het Klimaatakkoord. De netbeheerder bekijkt in hoeverre de ambitie voor duurzame opwek past bij de huidige energie-infrastructuur en doet aanbevelingen voor manieren waarop de ambitie van de regio voor 2030 daarop aangesloten kan worden. In deze paragraaf staan de belangrijkste uitgangspunten, stand van zaken en bevindingen van de netimpactanalyse van de netbeheerder voor Energieregio Noord-Holland Zuid (zie bijlage 4 Netimpactanalyse voor de hele analyse).

Wat is een netimpactanalyse?

capaciteit in 2030 zal worden bereikt. Dit betekent een grote opgave, met veel nieuwe stations en uitbreidingen de komende jaren. Afstemming en samenwerking met de netbeheerder zijn essentieel om dit te realiseren.

Ontwerpprincipes om het bestaande elektriciteitsnet zo slim en e ciënt mogelijk gebruiken De transitie van fossiele brandsto en naar duurzame energie betekent dat het elektriciteitsnetwerk moet worden verzwaard en uitgebreid. Dat is een gigantische operatie met een grote maatschappelijke impact. Een operatie die bovendien veel tijd, geld en mankracht kost. Het is onmogelijk om alle aanpassingen tegelijkertijd te doen. Om de doelstellingen voor 2030 te kunnen halen, is het belangrijk om zo e ciënt mogelijk te werk te gaan. Door het bestaande elektriciteitsnet slim te gebruiken, zijn er minder uitbreidingen en nieuwe transformatorstations nodig. Dit scheelt tijd, hectares aan schaarse ruimte en miljoenen aan (maatschappelijke) kosten die we anders terugzien op onze energierekening. Zo blijft de energietransitie haalbaar, betaalbaar en toekomstbestendig. Jocelyn Schaap, strategisch omgevingsmanager Liander (bron: website Energieregio NHZ)

1DDVW XLWEUHLGLQJ PRHW ZH NLMNHQ QDDU VOLPPH RSORVVLQJHQ ]RDOV ]RQQHYHOGHQ HQ ZLQGSDUNHQ FRPELQHUHQ $OV GH ]RQ KDUG VFKLMQW ZDDLW KHW PHHVWDO QLHW KDUG HQ DQGHUVRP

Om tot een e ciënte energietransitie te komen, gelden de volgende vijf ontwerpprincipes voor de energieinfrastructuur: 1. Benut de bestaande energie-infrastructuur optimaal. Sluit nieuwe projecten voor het opwekken van energie aan op plekken waar nu ruimte op het net is. 2. Combineer opwek en verbruik. Plaats projecten voor het opwekken van energie in de buurt van plekken waar veel energie nodig is. Zo minimaliseren we het energietransport over lange afstanden. 3. Zorg voor een constante productie van energie. Combineer zon en wind in een 50/50-vermogensverdeling, omdat zon en wind verschillende opwekpieken hebben. 4. Cluster projecten voor duurzame opwek. Zet in op grootschalige projecten. Het is makkelijker om eenmalig aanpassingen te doen in een groot gebied, dan meerdere aanpassingen in kleinere gebieden. 5. Gebruik slimme technische oplossingen: cable pooling (zon- en wind combineren op één aansluiting), curtailment (beperken van de opwekpiek), redundantie loslaten (door gebruik te maken van de reservecapaciteit op stations).

Vanuit het oogpunt van systeeme ciëntie is het slim om de vraag zo dicht mogelijk bij het aanbod te realiseren. Ook zorgt een goede verdeling van zon en wind voor een e ciëntie benutting van het elektriciteitsnetwerk. Wind en zon kennen beiden een ander profiel. Omdat het elektriciteitsnet op vermogenspieken wordt aangelegd, is het terugleverprofiel van belang. Opwek via zon en wind komt zelden tegelijkertijd voor (zeer geringe momenten per jaar). De opwek van zon en wind sluiten dus goed op elkaar aan. De combinatie leidt daarmee tot lagere maatschappelijke kosten dan wanneer er alleen ingezet wordt op wind of zon, want door de combinatie hoeft de netbeheerder het elektriciteitsnet op minder plekken te verzwaren.

Combineren van zon en wind

Dat geldt voor de vraag naar en op enkele locaties voor het terugleveren van elektriciteit. Wanneer er geen transportcapaciteit beschikbaar is voor het afnemen van stroom, betekent dit dat niet alle aanvragen hiervoor kunnen worden gerealiseerd. Hetzelfde geldt voor het terugleveren van stroom. De netbeheerders werken daarom hard aan het versterken van de energie-infrastructuur. Maar het tempo waarin nu zonneweides en zonnepanelen worden gerealiseerd, kan de netbeheerder niet bijhouden.

Op dit moment is er in Noord-Holland Zuid niet overal voldoende ruimte op het elektriciteitsnet (zie afbeelding Beschikbare capaciteit op de volgende pagina).

In Noord-Holland Zuid groeit de vraag naar energie sterk: vanuit datacenters, elektrisch vervoer, industrie en de gebouwde omgeving. Bovendien worden in een deel van NoordHolland Zuid veel nieuwe woningen gebouwd. Het elektriciteitsnet raakt hierdoor op steeds meer plekken vol. Ook wordt veel zonne-energie opgewekt, zowel groot- als kleinschalig, waardoor er soms knelpunten in dit elektriciteitsnet ontstaan.

Wat is de huidige situatie van het elektriciteitsnet?

Van eenrichtingsverkeer (van grote elektriciteitscentrales naar gebruikers) naar tweerichtingsverkeer, waarbij op verschillende netvlakken duurzame energie wordt ingevoed. Het elektriciteitsnet is hier nog onvoldoende op aangepast, waardoor knelpunten ontstaan. Zo kan het voorkomen dat de kabel in de straat onvoldoende capaciteit heeft voor teruglevering door zon op dak terwijl een windpark in dezelfde gemeente wel kan worden aangesloten omdat er beschikbare capaciteit op het station is.

Een veranderend energiesysteem

Daarnaast zijn in 2019 door Liander verdiepende scenariostudies uitgevoerd om een beeld te krijgen van de belasting van de elektra-infrastructuur. De studies zijn gemaakt in samenwerking met de meeste gemeenten uit de regio Noord-Holland Zuid. De belangrijkste conclusie van deze studies is dat binnen tien jaar het grootste gedeelte van de 57 stations in het elektriciteitsnet in de regio overbelast raken. Het gaat vooral om knelpunten in de afname van elektriciteit vanwege de snel toenemende vraag naar meer energie in de regio. De RES 1.0 heeft vooral impact op de teruglevering van energie op het net.

In 2019 is in opdracht van onder andere de provincie Noord-Holland en Liander een systeemstudie uitgevoerd. Deze studie had als doel een beeld te geven van de (energie) ontwikkelingen in de toekomst (voor 2020, 2030 en 2050) en de impact hiervan op de noodzakelijke infrastructuur. Een van de voornaamste conclusies is dat er twee tot vier keer zoveel capaciteit nodig is op het elektriciteitsnetwerk. En dat er naast elektriciteit ook duurzame gassen en warmte als energiedragers nodig zijn. Dit betekent dat er voor de netwerkbeheerders de komende jaren een grote opgave ligt voor de uitbreiding van het elektriciteitsnetwerk. Liander heeft, in samenwerking met Stedin en TenneT, een analyse gemaakt van de impact van de RES 1.0 van Noord-Holland Zuid op het elektriciteitsnet. In onderstaande figuur is de netimpact gevisualiseerd voor de regio NoordHolland Zuid voor het jaar 2030 op de huidige bestaande elektriciteitsinfrastructuur. Het totale vermogen zon en wind uit het RES-bod bedraagt 2070 MW en de totale capaciteit van de onderstations bedraagt 2830 MW. Hieruit blijkt dat wanneer de duurzame projecten goed worden verdeeld, dit op stationsniveau past. Niet alles is evenredig verdeeld waardoor op vijf stations een knelpunt ontstaat door duurzame opwek (Uithoorn, Beverwijk, Uitgeest, Velsen en Edam).

Wat is de impact van de Regionale Energiestrategie 1.0?

Om de energietransitie te faciliteren en aan de toenemende vraag naar capaciteit te kunnen voldoen, is het noodzakelijk om het elektriciteitsnet uit te breiden. De komende jaren moeten enkele nieuwe onderstations worden gebouwd, onder andere in Haarlem, Oostzaan, Weesp en nabij Schiphol.

De belangrijkste bevindingen uit de netimpactanalyse zijn: • Op 52 van de 57 stations in Noord-Holland Zuid is netcapaciteit beschikbaar voor het opwekken van duurzame energie. Bij vijf stations zijn extra uitbreidingen nodig om de duurzame opwek aan te kunnen sluiten. • In een aantal gebieden, zoals bijvoorbeeld rondom het Noordzeekanaal-gebied en rondom Amstelveen (zonneweides) kan nog systeeme ciëntie worden toegepast, zodat er minder ruimte en kosten nodig zijn om de projecten te realiseren. • Bij 41 stations zal de maximale capaciteit in 2030 worden bereikt door een sterke groei in de energievraag. • Ontwikkelingen in de vraag naar energie bepalen op de lange termijn grotendeels het toekomstige ontwerp van het netwerk. In de jaren tot en met 2030 zijn er 27 nieuwe stations en 29 verzwaringen van bestaande stations nodig.

Verder wordt in de regio Noord-Holland Zuid een zeer sterke groei in energievraag verwacht. Deze is weergegeven in de rechter figuur. Het gevolg van deze toekomstige groei is dat op 41 stations in 2030 de maximale capaciteit zal worden bereikt (zie bijlage 4 Netimpactanalyse voor de hele analyse).

Deelnemer lokale bijeenkomst Amstelveen

:LQG HQ ]RQ ]LMQ ]R FRPSOH PHQWDLU LGHDOLWHU YRHJ MH GDW VDPHQ De omvangrijke investeringen in de infrastructuur van het elektriciteitsnet worden uiteindelijk door de inwoners en bedrijven betaald. Bovendien heeft infrastructuur zowel boven- als ondergronds een aanzienlijke ruimtelijke impact en kent de aanleg ervan lange doorlooptijden. Daarom zet de regio, naast de noodzakelijke uitbreidingen in het energienet, in op slim gebruik van het elektriciteitsnet. Op deze wijze zijn er minder kabels, uitbreidingen en nieuwe transformatorstations nodig, en draagt systeeme ciëntie bij aan een haalbare,

Wat gaat de energieregio doen?

De netwerkbeheerders voorzien de meeste benodigde uitbreidingen al in hun netplannen; de uitbreidingen en nieuwe transformatorstations die nodig zijn tot 2030 staan hierin en worden verkend of voorbereid. Nauwe samenwerking met de gemeenten en provincie bij het bouwen of uitbreiden van stations is cruciaal om de doelstellingen te halen. Het is belangrijk dat de gemeente meedenkt bij nieuwe locaties, bestemmingsplannen hierop aanpast, en de grond beschikbaar stelt. Ook het ontwerpen van de stations vereist gezamenlijke inspanning. Dit zijn de eerste stappen die met elkaar gezet moeten worden.

betaalbare en toekomstbestendige RES. Dit betekent: 1. Er worden systeeme ciënte keuzes gemaakt. Dat scheelt tijd, geld en ruimte, zonder dat concessies in de ambitie nodig zijn. Bijvoorbeeld door het opwekpotentieel minimaal te verlagen in een aantal zoekgebieden, waardoor deze zoekgebieden wel binnen de huidig beschikbare transportcapaciteit vallen. Of door zon en wind te combineren op één aansluiting. Zo kan er meer opwek worden aangesloten op hetzelfde station dan met alleen zon. Op deze manier kan de ambitie gehaald worden zonder een groot aantal stations uit te breiden of nieuw te bouwen. De tijd- en ruimtewinst die hiermee worden behaald, helpen te versnellen op andere (opwek)locaties. 2. Het zon-op-dakpotentieel wordt gecoördineerd. Voor zon op dak is veel draagvlak, maar dit potentieel brengt enorme uitdagingen voor het elektriciteitsnet met zich mee. Begin eerst op daken die geclusterd liggen of waar een hoog constant verbruik van energie is. Dit zorgt voor minder kabels en minder transport van energie, doordat de opgewekte energie tegelijkertijd verbruikt wordt op deze locaties. Bedrijventerreinen zijn hiervoor, vanuit slim gebruik van het

elektriciteitsnet, in de regel een goed startpunt. 3. De energievraag rond mobiliteit, industrie en de gebouwde omgeving wordt scherper in kaart gebracht. Door dit te doen, kunnen er met meer zekerheid en concreetheid investeringen gedaan worden in het toekomstige netontwerp. 4. Zoekgebieden worden gezamenlijk verder geconcretiseerd in een regionaal uitvoeringsprogramma. Zo kan per zoekgebied worden vastgesteld wanneer de grootschalige opwek in het gebied kan worden aangesloten en wat de tijdslijnen daaraan vooraf zijn. Dit vergroot de haalbaarheid van de RES-doelstellingen.

In het traject tot de RES 1.0 heeft NoordHolland Zuid al op verschillende manieren aandacht besteed aan de e ecten. Er is een onderzoek gedaan naar de e ecten en de beoordeling van de e ecten (directe economische e ecten, indirecte economische

E ectbepaling tot de RES 1.0

Door de verschillende maatschappelijke en financiële e ecten van energieprojecten in beeld te brengen, wordt het makkelijker om alternatieven of varianten te vergelijken. Het in beeld brengen van de e ecten is geen doel op zich, maar kan helpen bij de verdere besluitvorming over de zoekgebieden.

2.5 E ecten

Deze e ectbeoordelingen sluiten aan bij het abstractieniveau van de conceptRES en de RES 1.0. Detailonderzoeken naar leefbaarheidse ecten zoals geluid, zicht, slagschaduw en ecologische veldonderzoeken, zijn nog geen onderdeel van de RES 1.0. Dergelijke onderzoeken zijn pas zinvol op lokale schaal, omdat deze afhangen van de precieze locatie en van de concrete scope van het project (zoals omvang, type windturbine, wijze van aanleg enz.). Deze onderzoeken zullen dan ook pas plaatsvinden in het kader van bijvoorbeeld het nader uitwerken van het zoekgebied, het opstellen

e ecten, kosten en exploitatie, e ecten op natuur, landschap, ruimtegebruik en hinder en energieopwekking en -gebruik). Dit was een algemeen onderzoek, niet gericht op specifieke locaties. Vervolgens zijn de e ecten op natuur, landschap, ruimtegebruik, kosten en opbrengsten van verschillende scenario’s in beeld gebracht. Dit hielp bij het vergelijken van de scenario’s en het komen tot de zoekgebieden. Daarnaast is in de conceptRES een beoordeling op hoofdlijnen van de e ecten op natuur en landschap gemaakt op de schaal van de RES-regio. Voor de kosten en opbrengsten zijn in de concept-RES de aandachtspunten in beeld gebracht op het niveau van de RES-regio.

MER en milieueffecten.

Zie katern

van de expertsessies vindt u op de website van de energieregio.

Het document

Olof van der Gaag, directeur van de Nederlandse Vereniging Duurzame Energie (NVDE) en lid van de stuurgroep RES Noord-Holland Zuid (bron: website Energieregio NHZ)

%HGULMYHQ PRHWHQ JHKRRUG HQ JHVWHXQG ZRUGHQ LQ GH SDUWLFLSDWLH YRRU FRQFUHWH SURMHFWHQ $OOHHQ GDQ NXQQHQ ZH GH HFRQRPLVFKH NDQVHQ GLH GH HQHUJLHWUDQVLWLH ELHGW EHQXWWHQ In aanloop naar de RES 1.0 is een aantal zoekgebieden verder onderzocht. Daarbij zijn voor enkele zoekgebieden ‘nulmetingen natuur en landschap’ gedaan, ‘e ectenmatrices’ en ‘ruimtelijke impactstudies’ natuur en landschap uitgevoerd. Waar relevant zijn de uitkomsten verwerkt in de gebiedspaspoorten, zie hiervoor de RES-viewer. In het kader op de volgende pagina staat wat de wijzigingen ten opzichte van de concept-RES betekenen voor de e ecten op het gebied van natuur, landschap, kosten en opbrengsten.

Ook naar de e ecten op de netinfrastructuur zijn al onderzoeken gedaan. Liander heeft zowel voor de concept-RES als voor de RES 1.0 een netimpactanalyse uitgevoerd (bijlage 4). Daarnaast hebben de provincies Noord-Holland en Flevoland onderzoek laten uitvoeren naar de werkgelegenheidse ecten in Noord-Holland.

van het omgevingsplan of in het kader van de omgevingsvergunning.

Met de verdere concretisering van de zoekgebieden in de komende jaren richting de RES 2.0 en verder en de borging in omgevingsbeleid, zullen de maatschappelijk en financiële e ecten en de e ecten op de energie-infrastructuur, voor zover mogelijk en nodig, verder in beeld worden gebracht. Gemeenten kunnen voor deze beleidsafwegingen gebruikmaken van verschillende afwegingsmethoden. Belangrijke vragen daarbij zijn hoe en wanneer belanghebbenden worden betrokken en welke e ecten van belang zijn. Zo zet de e ectenmatrix de e ecten alleen op een rij, worden in een multicriteria-analyse e ecten ten opzichte van elkaar gewogen (gescoord), geeft een businesscase inzicht in de financiële gegevens en leidt een maatschappelijke kosten-batenanalyse tot inzicht in maatschappelijk rendement. Om de besluitvorming zo zorgvuldig mogelijk te laten plaatsvinden, zullen gemeenten moeten bepalen of en zo ja, welke afwegingsmethode ze het best kunnen toepassen tijdens de verschillende momenten van besluitvorming.

E ectbepaling na de RES 1.0

Op het schaalniveau van de regio is iets te zeggen over de gewijzigde e ecten op natuur en landschap. Ten opzichte van de concept-RES zijn in Noord-Holland Zuid enkele zoeklocaties voor wind- en zonne-energie afgevallen, zoals de Aetsveldsepolder, de Bloemendalerpolder, de Diemer Vijfhoek en het Gooimeer. Het afvallen van de zoeklocatie Gooimeer voorkomt negatieve e ecten van windturbines op natuur, zoals voor de hierdoorheen lopende migratieroutes van vogels en vleermuizen. Het afvallen van de zoeklocatie voor windenergie Aetsveldsepolder is om het open zicht te handhaven. Het afvallen van de windlocaties Bloemendalerpolder behoudt open zicht op polders en zichtlijnen.

Natuur en landschap

Verschil tussen de concept-RES en de RES 1.0: wat valt op voor de e ecten natuur en landschap, en kosten en opbrengsten?

Kosten en opbrengsten

In het algemeen zullen voor de zoekgebieden de kosten en opbrengsten richting de RES 2.0 en verder nog in beeld gebracht moeten worden. Zoekgebieden met relatief hoge kosten worden niet op voorhand uitgesloten, hoewel dit de uitvoerbaarheid zal verkleinen. De keuzes hierin moeten op basis van een brede belangenafweging worden gemaakt. De netbeheerder heeft in de netimpactanalyse aanbevelingen gedaan om kosten en tijd te besparen.

De kosten en opbrengsten zijn sterk afhankelijk van de locatie en exacte uitwerking. Op het schaalniveau van de regio is het nog niet mogelijk iets te zeggen over de gewijzigde e ecten op de kosten. Uit de netimpactanalyse is af te leiden dat de combinatie van opwek van wind- en zonneenergie een gunstig e ect heeft op de kosten voor energie-infrastructuur. Dit komt met name door het e ciënt gebruik van de beschikbare ruimte in het elektriciteitsnetwerk.

Dit geldt in het bijzonder voor de hinder en geluidsoverlast van windturbines. De hoeveelheid geluid die een windturbine produceert is afhankelijk van de windsnelheid, het bouwjaar en de hoogte van de turbine. Nieuwe windturbines produceren minder

Het middel mag niet erger zijn dan de kwaal. Het opwekken van duurzame energie met zonneweides en windturbines, het verwarmen en koelen van gebouwen door het gebruik van warmte en koude uit oppervlaktewater, afvalwater of drinkwater, mogen ons niet voor nieuwe gezondheidsrisico’s stellen. Daarom is hier bij het opstellen van de RES rekening mee gehouden (zie ook het katern thematafels).

De RES is de uitwerking van een deel van de in het nationaal Klimaatakkoord gemaakte afspraken met als doelstelling de uitstoot van broeikasgassen substantieel te verlagen. De energietransitie, het stap voor stap overgaan van fossiele brandsto en naar duurzame opwek van energie, zorgt hiermee ook voor een schonere en duurzamere leefomgeving. Zo wordt met het vervangen van bijvoorbeeld kolencentrales niet alleen CO2-uitstoot gereduceerd, maar ook de hoeveelheid stikstofdioxine, zwaveloxide en kwik.

Gezondheidsaspecten en de RES

geluid. Hogere turbines draaien langzamer en maken daardoor minder geluid. In de wet staat dat het geluid van een windturbine gemiddeld per jaar niet meer dan 47 decibel mag zijn, gemeten op de gevel van een woonhuis. ’s Nachts mag dit niet meer dan gemiddeld 41 decibel zijn. Ter vergelijking: het geluidsniveau van een gesprek is 60 decibel, dat van een drukke verkeersweg op 100 meter afstand is 80 decibel en van een opstijgend vliegtuig op 200 meter hoogte 100 decibel (zie informatieblad van Rijksdienst voor Ondernemend Nederland). Voordat een vergunning voor een windturbine kan worden afgegeven, is het verplicht een onderzoek uit te voeren naar de geluidscontouren. In een vergunning kunnen voorwaarden worden gesteld aan de mate van hinder en kunnen maatregelen opgenomen worden om de hinder binnen bepaalde normen te houden. Hierbij mag het bevoegd gezag zoals de gemeente of provincie strengere normen hanteren dan wettelijk vastgesteld. In Nederland leven we met relatief veel inwoners op een beperkte oppervlakte en accepteren we een bepaalde mate van hinder. Dat geldt voor bijna alles wat in de openbare ruimte wordt gedaan. Denk bijvoorbeeld aan de bouw van wegen en het bijkomende lawaai van wegverkeer. Via milieuwetgeving zijn normen gesteld aan de hoeveelheid geluid die windturbines mogen veroorzaken.

Hiervoor wordt voor windturbines gebruikgemaakt van de in de Activiteitenregeling milieubeheer beschreven reken- en meetvoorschriften.

Veel mensen maken zich hierbij zorgen over het zogeheten laagfrequent geluid (lage tonen) van windturbines. Bij het opstellen van de RES wordt steeds weer gebruikgemaakt van de meest actuele inzichten. Op dit moment zijn dit vooral de studies uitgevoerd door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM).

De energietransitie moet zichtbaarder zijn: “We moeten er bij wijze van spreken constant tegenaan lopen.” Wil de RES enige kans van slagen hebben, dan is het van groot belang dat de kosten en baten van de energietransitie duidelijk zijn voor burgers, bedrijven en andere stakeholders. Bovendien moet het lonen om nu in te stappen. De overheid moet burgers subsidiëren naar financiële draagkracht om te voorkomen dat burgers met meer financiële middelen ook meer profiteren van de energietransitie.

De wortel en de stok

Advies jongeren:

3

Eerst wordt de RSW geïntroduceerd. Vervolgens komen de bovengemeentelijke warmtebronnen, de warmtevraag en mogelijke warmte-infrastructuur aan de orde (3.1 tot en met 3.3). Daarbij wordt aandacht besteed aan de onderwerpen die samen de werkagenda vormen. Ook wordt ingegaan op de regionale samenwerking, de werkagenda en de wijze waarop gemeenten afstemmen over een mogelijke verdeling van bovengemeentelijke warmtebronnen (3.4). Tot slot worden de specifieke situaties in de deelregio’s toegelicht (3.5 tot en met 3.8).

Dit hoofdstuk bevat de Regionale Structuur Warmte (RSW) van Noord-Holland Zuid.

Een warmtebron kan als bovengemeentelijk worden aangemerkt als de warmte over afstand getransporteerd kan worden. Over het algemeen wordt gesteld dat dit het geval is bij warmtebronnen met temperaturen boven de 70 ⁰C. Dit is bijvoorbeeld het geval bij geothermie en restwarmte uit de industrie.

Wanneer is een warmtebron een potentiële bovengemeentelijke warmtebron?

In het Nationaal Klimaatakkoord is afgesproken dat in de RES ook aandacht wordt besteed aan warmte voor de gebouwde omgeving. Het deel van de RES dat over warmte gaat, heet de Regionale Structuur Warmte (RSW). De RSW beschrijft hoe de warmtevraag in de gebouwde omgeving en het potentiële aanbod van warmtebronnen die relevant zijn voor meerdere gemeenten in de regio, mogelijk aan elkaar gekoppeld kunnen worden. Dit zijn de zogenoemde bovengemeentelijke warmtebronnen. Meer specifiek gaat de RSW over bovengemeentelijke samenwerking en kennisuitwisseling op het gebied van warmtebronnen, warmtevraag en warmteinfrastructuur met als doel te voorkomen dat een warmtebron dubbel wordt geclaimd of juist onbenut blijft.

Wat is de RSW?

Arie-Willem Bijl, warmteregisseur MRA Warmte- & Koudeprogramma (bron: website Energieregio NHZ)

:DUPWH WUDQVLWLH LV GH PHHVW FRPSOH[H RSJDYH ZH PRHWHQ ]R VQHO PRJHOLMN EHJLQQHQ

Gespreksleidraad De gespreksleidraad geeft een overzicht van onderwerpen waarop gemeenten, waterschappen en provincie afstemming kunnen organiseren bij bovengemeentelijke

Naast het in kaart brengen van de warmtevraag, warmtebronnen en warmteinfrastructuur, gaat de RSW 1.0 in op de volgende twee onderdelen:

De afstanden tussen bron en afnemer kunnen niet te groot zijn vanwege de warmteverliezen die optreden tijdens het transport. Daarnaast is mogelijk sprake van bovengemeentelijke potentie bij een bron met temperaturen tussen 40-70 ⁰C met overcapaciteit die lokaal niet benut kan worden. Bronnen met temperaturen onder de 40 ⁰C (zoals aquathermie en de buitenlucht), of bronnen die lokaal aanwezig zijn of lokaal kunnen worden gerealiseerd (zoals zonthermie of biowarmte), zijn minder geschikt voor regionaal transport. Toch wordt een aantal van deze bronnen (zoals aquathermie en restwarmte van datacenters) in de RSW 1.0 behandeld, omdat ze met de tijd wel bovengemeentelijk relevant kunnen worden. Werkagenda Er is behoefte in de regio om op concrete onderwerpen stappen te zetten. Daarom hebben de deelregio’s gezamenlijk een werkagenda opgesteld om de regionale samenwerking te zoeken. De gemeenten hebben de regie, maar samenwerking tussen veel verschillende partijen is nodig om de complexe warmtetransitie te realiseren. De stappen in de werkagenda gaan in op samenwerking, kennisdeling, onderzoeken en studies op specifieke thema’s en op het gesprek met marktpartijen. Dit biedt een handelingsperspectief voor de gemeenten in de energieregio Noord-Holland Zuid op weg naar de RSW 2.0. De werkagenda wordt in paragraaf 3.4 verder toegelicht.

verdelingsvraagstukken in de warmtetransitie. Het doel hiervan is om gemeenten, waterschappen en provincie te helpen bij het maken van toekomstige afspraken over warmtebronnen. Door vroegtijdige afstemming op regionaal niveau kunnen partijen sturen op optimale benutting van een bovengemeentelijke warmtebron. De gespreksleidraad wordt in paragraaf 3.4 behandeld. RSW 1.0 is een tussenstap De RSW geeft een eerste inzicht in de warmte-vraag per gemeente, het warmteaanbod in de regio van bovengemeentelijke warmtebronnen en de (regionale) warmte-infrastructuur. Op het moment van schrijven (maart 2021) zijn onderzoeken naar beschikbaarheid en potentie van duurzame bronnen zoals geothermie of aquathermie, of de bijdrage van restwarmte vanuit de industrie, nog niet afgerond. Ook zitten veel gemeenten nog midden in het proces om tot een Transitievisie Warmte (TVW) te komen; in vier gemeenten is de TVW vastgesteld door de gemeenteraad emeenteraad: Amstelveen, Amsterdam, Edam-Volendam en Wormerland. (De status van, en de gemeentelijke visie op de TVW’s is opgenomen in bijlage 3.)

De RSW, TVW en WUP beïnvloeden elkaar, dit is de interactie die plaatsvindt tussen de lokale en regionale schaalniveaus. Hiernaast staat een schematische weergave van de interactie die plaatsvindt tussen de diverse schaalniveaus. Het katern RES-proces bevat een overzicht van de stakeholders die zijn betrokken in het proces om te komen tot de RSW 1.0.

De RSW maakt geen keuze in welk type warmtevoorziening waar wordt toegepast, dat doen gemeenten in hun transitievisies warmte (TVW’s). De gemeenten stellen de TVW volgens planning uiterlijk eind 2021 vast. Daarna gaan gemeenten aan de slag met het opstellen van (wijk)uitvoeringsplannen (WUP’s). In de WUP ontwikkelen gemeenten, samen met de partijen en inwoners die een rol spelen in de warmteketen in die wijk, een aanpak voor de transitie naar een aardgasvrije gebouwde omgeving op wijkniveau.

Relatie RES en wisselwerking met de TVW en WUP

Besluitvorming RSW in de RES 1.0 De RSW wordt als onderdeel van de RES 1.0 vastgesteld door alle gemeenteraden, algemeen besturen van de waterschappen en Provinciale Staten. Met deze vaststelling leggen de betrokkenen voor het thema warmte vast over welke onderwerpen zij onderling het gesprek aangaan bij de verdeling van warmtebronnen met bovengemeentelijke potentie om gezamenlijk tot de meest optimale inzet te komen. Het inzicht dat daarmee ontstaat, helpt om zo optimaal mogelijk gebruik te maken van de warmtebronnen in de regio. Gedurende de gehele warmtetransitie kunnen inzichten steeds verder aangescherpt worden door het verder ontwikkelen van technieken, meer kennis en inzicht over warmtebronnen en verdere vorming van de warmtetransitie binnen gemeenten.

Voorwaarde voor een succesvolle warmtetransitie zijn maatschappelijk en bestuurlijk draagvlak en lokale participatie. Elke gemeente vult dit participatieproces op haar eigen manier in, om zo het draagvlak naar een aardgasvrije samenleving te kunnen vergroten en het gebruik van aardgas naar 2050 toe te kunnen uitfaseren.

Draagvlak en participatie zijn een aandachtspunt

In deze paragraaf worden de beschikbare bovengemeentelijke warmtebronnen beschreven. Onder elke (potentiële) bovengemeentelijke warmtebron wordt aangegeven hoe gemeenten in NoordHolland Zuid de samenwerking rond deze warmtebron de komende periode vormgeven. Dit zijn de onderdelen van de werkagenda.

Om te bepalen of er mogelijkheden liggen voor regionaal warmtetransport is inzicht nodig in de aanwezige warmtebronnen, het mogelijke overschot aan warmte in een gebied en de warmtevraag die bediend kan worden door het aanwezige warmteaanbod.

3.1 Warmtebronnen

Warmtebronnen

Bij de beschrijving van de bovengemeentelijke warmtebronnen in de regio Noord-Holland Zuid, maakt de RSW onderscheid tussen potentieel generieke warmtebronnen en specifieke warmtebronnen. Generieke warmtebronnen zijn relevant voor grote delen van de regio Noord-Holland Zuid. Dit zijn de volgende – potentiële – bronnen: geothermie, restwarmte uit industrie, verbranding van vaste biogrondsto en, restwarmte uit datacenters, aquathermie en hernieuwbaar gas (groen gas, waterstofgas).

De concept-RSW, opgenomen in de conceptRES, heeft laten zien dat er in de regio NoordHolland Zuid een grote verscheidenheid aan warmtebronnen aanwezig is. In de meeste gevallen zullen warmtebronnen zo lokaal mogelijk worden ingezet om – vanwege de afstand tot de bron – onnodig transport en hoge kosten te voorkomen. In sommige gevallen is echter meer vermogen beschikbaar dan nodig is in de gemeente, is de temperatuur niet geschikt voor de lokale warmtevraag, of ligt de bron nabij vastgoed in een andere gemeente. In deze gevallen kan het de meest optimale keuze zijn om de warmte naar één of meerdere nabijgelegen gemeenten te transporteren.

Wat is geothermie en is het beschikbaar? Geothermie (aardwarmte) maakt gebruik van warmte uit de (diepe) ondergrond. Of warmte uit de diepe ondergrond winbaar is, is afhankelijk van de lokale eigenschappen van de aardlagen. Het is op dit moment in grote delen van de regio nog niet bekend of en zo ja, hoeveel warmte uit geothermie beschikbaar is in de regio Noord-Holland Zuid (zie ook het figuur hiernaast). Om dit vast te stellen wordt momenteel onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van geschikte aardlagen. De resultaten hiervan zijn naar verwachting eind 2021/begin 2022 bekend. Meer technische informatie over geothermie staat in bijlage 3.

Geothermie

Specifieke bovengemeentelijke warmtebronnen zijn bronnen die voor een aantal gemeenten of zelfs deelregio’s relevant zijn. Dit betre en: Afval Energie Bedrijf (AEB), de Diemercentrale en de leidingen van de Watertransportmaatschappij RijnKennemerland (WRK-leidingen). De specifieke bovengemeentelijke warmtebronnen worden in tekstkaders nader toegelicht.

De technische potentie van geothermie in de regio Noord-Holland Zuid In de regio zijn nog weinig data over de ondergrond beschikbaar. Met onderzoeken als SCAN wordt de potentie verder in kaart gebracht.

Adviezen Commissie MER, 17 september 2020

Om de geschiktheid van de ondergrond definitief vast te stellen zijn naast aanvullend onderzoek ook kostbare proefboringen vereist. Aan de hand van die onderzoeken is definitief vast te stellen welke bovengrondse locaties ook ondergronds geschikt zijn voor aardwarmte. Dit is van belang omdat een geothermiebron aan de oppervlakte relatief weinig ruimte vraagt, maar in de ondergrond wel een groot gebied beslaat dat zich kan uitstrekken over (onder) gemeentegrenzen. Daarnaast is niet ieder gebied geschikt of wettelijk toegankelijk voor proefboringen en winning van aardwarmte. Er moet aan zeer strenge eisen worden voldaan. Zo zijn bijvoorbeeld natuurgebieden of drinkwaterbeschermingsgebieden uitgesloten. Geothermie vraagt daarom al snel om bovengemeentelijke samenwerking. Daarnaast hechten de gemeenten in de regio aan veiligheid en zorgvuldig omgevingsmanagement. De provincies Noord-Holland en Flevoland zijn samen met de gemeenten Amsterdam en Haarlem, Energiebeheer Nederland (EBN) en zes marktpartijen (Vattenfall, Eneco, Engie, HVC, Shell en Eavor) een samenwerkingsovereenkomst aangegaan voor het benutten van geothermie in de regio. Ook andere gemeenten en warmtebedrijven kunnen zich bij deze lopende overeenkomst

Geothermie in Noord-Holland Zuid De regio kent een gerealiseerd geothermieproject bij Floricultura in Heemskerk dat al enige tijd warmte produceert. Deze warmte wordt ingezet in de glastuinbouw. In sommige gebieden is geothermie zelfs de enige mogelijke grootschalige, duurzame bron, bijvoorbeeld bij Greenport Aalsmeer.

De businesscase van een geothermieproject heeft zo’n 4.000 tot soms wel 8.000 woningequivalenten op een warmtenet nodig voordat het financieel haalbaar is. De financiële haalbaarheid van een geothermiebron is daardoor afhankelijk van een georganiseerde warmtevraag en de ontwikkeling en groeistrategie van het warmtenet. Een concentreerde warmtevraag in de nabijheid van een geschikte productielocatie biedt de beste uitgangspunten.

In de regio Noord-Holland Zuid lopen aanvragen voor opsporingsvergunningen bij het ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Een opsporingsvergunning dient als een soort marktordening voor een bepaald gebied voor een bepaalde tijd. Zolang een (rechts)persoon een opsporingsvergunning is toegekend en zolang deze geldig is, kan alleen iemand anders opsporingsactiviteiten uitvoeren in het gebied waar de opsporingsvergunning voor geldt. D4 en Shell hebben een aanvraag ingediend voor een project in Zuid-Holland-Noord, waar ook een deel van de gemeente Haarlemmermeer binnen het opsporingsgebied valt. Ook is door HVC, Vattenfall en de gemeente Almere een opsporingsvergunning aangevraagd om een deel van het warmtenet Amsterdam Zuidoost/ Almere mee te verduurzamen. HVC heeft een opsporingsvergunning toegekend gekregen om de potentie in de IJmond-gemeenten in kaart te brengen. Voordat tot winning overgegaan kan worden zal onder andere ook een winningsvergunning toegekend moeten zijn.

aansluiten. Met deze overeenkomst willen de partijen bijdragen aan de ontwikkeling van transparantie, vertrouwen en draagvlak voor aardwarmte in de MRA.

Wat is restwarmte en is het beschikbaar? Restwarmte is warmte uit bedrijfs- en industrieprocessen die nu als afval naar de lucht of in het water wordt geloosd. Hoewel de oorsprong van die warmte op dit moment nog vaak uit fossiele verbranding komt, blijft het een restproduct dat nuttig kan worden ingezet. Een (gedeeltelijke) overstap naar het gebruik van duurzame bronnen zoals groene waterstof, (ultradiepe) geothermie, duurzame biomassa en elektrificatie, maakt de oorsprong van restwarmte steeds duurzamer. Naarmate de bron van de restwarmte verduurzaamt, wordt ook het gebruik van de restwarmte wenselijker.

Restwarmte uit industrie

Werkagenda • Actie: mogelijkheid tot aansluiten bij bestaande samenwerkingsovereenkomst. • Toelichting: gemeenten met een ambitie op het gebied van geothermie kunnen zich aansluiten bij de samenwerkingsovereenkomst. De provincie Noord-Holland faciliteert deze samenwerking en faciliteert kennisuitwisseling.

In de regio Noord-Holland Zuid zijn twee bronnen aanwezig die mogelijk een rol gaan spelen bij het vraagstuk over bovenregionale warmte. Dit zijn Afval Energie Bedrijf Amsterdam (AEB) en de Diemercentrale.

Restwarmte uit industrie in Noord-Holland Zuid De industriële sector in Noord-Holland Zuid onderzoekt met zijn Cluster Energie Strategie (CES) of (op lokale schaal) restwarmte beschikbaar gemaakt kan worden voor de gebouwde omgeving . De industrie stuurt volgens het principe van de trias energetica eerst op het besparen van energieverbruik, daarna op de e ciëntie van het eigen energieverbruik en ten slotte op intern hergebruik van de eigen restwarmte. Enkel de warmte die hierna nog over is, kan eventueel ingezet worden voor de gebouwde omgeving. Hierdoor kan niet bij voorbaat gerekend worden op een grote regionale impact op de warmtevoorziening.

Voordelen van restwarmte uit de industrie zijn dat de ruimtelijke impact ervan klein is en dat bij temperaturen boven de 70⁰C een negatieve impact op het elektriciteitsnetwerk wordt vermeden (omdat noodzaak tot elektrificatie van verwarming vermeden wordt).

Werkagenda • Actie: gemeenten willen met bestuursplatform Noordzeekanaalgebied (NZKG) in gesprek. • Toelichting: met het bestuursplatform NZKG wordt het gesprek aangegaan om een concreet bod en de voorwaarden (zoals leveringszekerheid) voor het benutten van restwarmte op te nemen in de CES en de gemeenten daarover gedurende de totstandkoming van de CES te informeren. Zo kunnen gemeenten in de vaststelling en uitwerking van de TVW’s en de voorbereiding van de RSW 2.0 anticiperen op de reële potentie van het benutten van de restwarmte uit de industrie.

Het leidende principe voor gemeenten ten aanzien van het benutten van restwarmte uit industrie is ‘beter benut dan onbenut’. Een onderliggende veronderstelling (te toetsen in de tijd) is dat de energie-intensieve industrie in de regio altijd zal blijven zorgen voor benutbare restwarmte.

Deze bronnen worden onder de werkagenda bij dit onderdeel nader toegelicht.

Potentiële (rest) warmtebronnen in de regio Noord-Holland Zuid Het merendeel van deze bronnen heeft vooral lokale potentie. De (rest) warmtebronnen zijn gecategoriseerd naar drie temperatuurniveaus, te weten: hoge temperatuur, middentemperatuur en lage temperatuur. Bij de grote industrie en biowarmteinstallaties zullen hoge temperaturen vrijkomen, datacenters leveren juist een lage temperatuur aan restwarmte.

Het streven is om de emissies van CO2 sterk te reduceren met de beoogde start van CO2-afvang in 2026. Gemeenten vinden het verduurzamingsperspectief van deze bron op lange termijn langs twee lijnen belangrijk: steeds betere benutting van herbruikbare afvalfracties en ontwikkeling van nieuwe duurzame warmtebronnen.

Vanwege de hoge temperatuur is deze bron bij uitstek geschikt voor bestaande bouw. Realisatie van de bovengemeentelijke potentie krijgt vorm via de uitbreiding van het bestaande warmtenet.

Specifieke bovengemeentelijke warmtebron: AEB Amsterdam/Warmtenet Amsterdam West Noord Bij Afval Energie Bedrijf Amsterdam (AEB) ontstaat restwarmte als bijproduct van de verbranding van afval. Het AEB is een van de bronnen die de basislast van het warmtenet Amsterdam West Noord levert. De capaciteit voor het leveren van warmte van het AEB wordt nog niet volledig benut en de onbenutte capaciteit kan van betekenis zijn voor de deelregio’s Amsterdam, Haarlemmermeer en Zaanstreek/Waterland. Het AEB is daarom een specifieke bovengemeentelijke warmtebron.

Specifieke bovengemeentelijke warmtebron: Diemercentrale/Warmtenet Amsterdam Zuidoost/Almere De gasgestookte elektriciteitscentrale van de Diemercentrale produceert ook warmte. De capaciteit van de Diemercentrale wordt nog niet volledig benut en de nog onbenutte warmte kan van betekenis zijn voor de

Werkagenda • Actie: warmtenet Amsterdam West Noord biedt mogelijk potentie voor TVW Haarlemmermeer en Zaanstad. • Toelichting: mocht uit de TVW’s van Haarlemmermeer en Zaanstad blijken dat er, naast lokale warmtebronnen, ook gekeken moet worden naar bovengemeentelijke warmtebronnen, dan zou het warmtenet Amsterdam West Noord hiervoor een optie kunnen zijn. Met name voor de gemeenten Amsterdam, Haarlemmermeer en Zaanstad kan het om die reden nuttig zijn om met het AEB in gesprek te gaan over de verduurzamingsstrategie en de gevolgen daarvan voor de warmteleveringspotentie. Bij het gesprek over het gebruik van de warmte is de betaalbaarheid van de businesscase en de snelheid waarmee een warmteproject uitgevoerd kan worden belangrijker dan de gemeentegrens.

Kijk hier voor alle datacenterlocaties

Werkagenda • Actie: de Diemercentrale biedt mogelijk potentie voor Amsterdam, Almere, Diemen en Ouder-Amstel. • Toelichting: de gemeenten Amsterdam, Almere, Diemen, Ouder-Amstel en Amstelveen gaan met Eneco en Vattenfall in gesprek over de warmteleveringspotentie en de transitiestrategie naar duurzame bronnen. Bij het gesprek over het gebruik

Vanwege de hoge temperatuur is deze bron bij uitstek geschikt voor bestaande bouw. Realisatie van de bovengemeentelijke potentie krijgt vorm via de uitbreiding van het bestaande warmtenet.

deelregio’s Amsterdam, Amstelland en Gooi en Vechtstreek (en buiten deze RES-regio ook Almere). De Diemercentrale is daarom een specifieke bovengemeentelijke warmtebron. De restwarmte van de Diemercentrale wordt niet door iedereen als duurzaam gezien vanwege de fossiele bron die de centrale voedt, maar ook voor deze restwarmtebron geldt: ‘beter benut dan onbenut’. De Diemercentrale kan worden gezien als een transitiebron die de aanleg van warmtenetten mogelijk maakt en waarbij in de toekomst duurzame bronnen aangesloten kunnen worden.

Op lagere temperatuur (rond de 40°C) kunnen datacenters (op lokale schaal) nieuwbouw uitstekend verwarmen. Bij lagere temperaturen restwarmte is opwaardering middels industriële warmtepompen nodig. Deze opwaardering vraagt om elektriciteit en wordt daarom idealiter gerealiseerd nabij een onderstation met beschikbare capaciteit. De ontwikkeling van een datacenter als warmtebron vraagt om een goede samenwerking tussen ontwikkelaar, warmtebedrijf en het datacenter.

Wat is restwarmte en is het beschikbaar? Restwarmte uit datacenters is warmte die overblijft bij (industriële) processen. In met name de deelregio’s Amsterdam, Haarlemmermeer en Amstelland zijn datacenters een kansrijke en mogelijke bovengemeentelijke warmtebron. De locaties van datacenters voor restwarmte staan in de afbeelding op pagina 45.

Restwarmte uit datacenters

van die warmte is de haalbaarheid van de businesscase en de snelheid waarmee een warmteproject uitgevoerd kan worden belangrijker dan de gemeentegrens.

Werkagenda • Actie: de betre ende overheden gaan gezamenlijk beleid uitwerken voor gebruik van restwarmte van datacenters. • Toelichting: de gemeenten Amsterdam, Amstelveen, Aalsmeer, Almere, Haarlem en Haarlemmermeer werken aan een (gemeenschappelijk) beleid ten aanzien van de vestiging en het gebruik van restwarmte uit datacenters. Dit beleid is in Haarlemmermeer vastgesteld. Ook in de brede context van de MRA wordt gewerkt aan een MRA-strategie voor datacenters. Dat kan een opmaat zijn voor een gelijk speelveld in de regio voor de benutting

Restwarmte uit datacenters in Noord-Holland Zuid De realistische en economische potentie van deze bronnen is in de praktijk kleiner dan de theoretische potentie, maar in de regio Noord-Holland Zuid zijn praktijkvoorbeelden te vinden. Zo wordt gewerkt aan de warmtelevering van een datacenter in de Haarlemmermeer aan een woonwijk in Haarlem, en is er in Aalsmeer een datacenter aangesloten op een Integraal Kind Centrum (brede school), bedrijven, een zwembad en sportcentrum. Meer technische informatie over restwarmte uit datacenters vindt u in bijlage 3.

Energy hub Aalsmeer

Wat is aquathermie en is het beschikbaar? Aquathermie gaat over het gebruik van warmte uit water. Dat kan oppervlaktewater zijn, zoals kanalen, rivieren en meren, maar ook warmte uit drinkwater of afvalwater uit het riool. Aquathermiebronnen hebben een lage brontemperatuur, ongeveer 20⁰C in de zomer. Deze bronnen worden veelal gecombineerd met seizoensopslag van warmte en koude (WKO) in de bodem. Hierdoor kan de zomerse warmte in de winter benut worden. Het voordeel van aquathermie is dat er ook koude geleverd wordt. Voor warmtelevering verhogen warmtepompen de brontemperatuur naar gebruikstemperatuur. Om onnodig warmteverlies te voorkomen kan dat het best zo dicht mogelijk bij de woning gebeuren. Afhankelijk van de mate van isolatie van de afnemer, dient de bronwarmte opgewaardeerd te worden naar 45⁰C (voor goed geïsoleerde woningen) of naar 70⁰C

Aquathermie

van restwarmte uit datacenters. Omdat deze warmtebron relatief nieuw is en de reële potentie nog onvoldoende in beeld, kan veel geleerd worden uit de lokale beleidsontwikkeling en de dialoog die nu plaatsvindt met de markt in bijvoorbeeld Amsterdam en Haarlemmermeer.

Het is mogelijk om de lage temperaturen van aquathermie met een industriële warmtepomp naar een hogere temperatuur op te waarderen. Dit kan het best zo dicht mogelijk bij de eindgebruiker plaatsvinden om warmteverlies zo veel mogelijk te voorkomen. De impact van deze opwaardering op het elektranet zal groot zijn en vraagt dus om tijdige afstemming en samenwerking met de netbeheerder. Gemeenten willen hiervoor in gesprek met waterbeheerders, zeker op die plekken waar schaarste wordt voorzien.

Het onttrekken van warmte verlaagt de watertemperatuur. Eerste resultaten van onderzoek van Waternet laten zien dat deze e ecten bij thermische energie uit oppervlaktewater (TEO) op grotere wateren (bijvoorbeeld de Amstel) verwaarloosbaar zijn indien de in- en uitlaatpunten meer dan enkele honderden meters uit elkaar liggen. In het geval dat warmte onttrokken wordt uit leidingen, zoals de WRK-leidingen, is meer interferentie te verwachten. Ook hier wordt door Waternet onderzoek naar gedaan.

(voor matig geïsoleerde woningen). Meer technische informatie over aquathermie vindt u in bijlage 3.

Thea Fierens, bestuurder Hoogheemraadschap Rijnland (bron: website Energieregio NHZ)

'H ZDWHUVFKDS SHQ ]LWWHQ ]HOI RRN LQ WUDQVLWLH 9URHJHU JLQJ KHW DOOHHQ RP GURJH YRHWHQ HQ VFKRRQ ZDWHU ,QWXVVHQ ]LWWHQ ZH ERYHQRS GH RQWZLNNHOLQJ YDQ DTXDWKHUPLH

 Adviezen Commissie MER, 17 september 2020

Werkagenda • Actie: overheden willen gezamenlijk de potentie van aquathermie (laten) onderzoeken. • Toelichting: waterschappen, provincie en gemeenten nemen gezamenlijk het initiatief om het reële en economische potentieel van (bovengemeentelijke) aquathermie te onderzoeken, met name TEO. De waterschappen hebben samen met Stowa, het kenniscentrum voor de waterschappen, inzicht gegeven in het technisch potentieel van het watersysteem. Het economisch potentieel is sterk afhankelijk van lokale factoren en zal per project verschillen.

Aquathermie in Noord-Holland Zuid Aquathermie heeft theoretisch een hoge potentie in waterrijk Noord-Holland Zuid . Maar om de reële potentie te bepalen is nader onderzoek nodig. Daarbij is ook aandacht nodig voor de ecologische impact (positief en negatief) van het onttrekken van warmte uit water. Waterschappen en gemeenten hechten veel waarde aan het voorkomen van negatieve ecologische e ecten en de CO2emissiereductie bij de inzet van aquathermie.

Over de benutbaarheid van deze mogelijkheid is nog veel onduidelijk. De benutbaarheid van de leidingen wordt bepaald door de ecologische impact van het gebruik van de warmte (de injectietemperatuur in de waterwingebieden mag geen negatieve ecologische e ecten hebben) en de fysieke beperkingen van de leidingen. Ook kan de afstand tussen vastgoed en de WRK-leiding een knelpunt opleveren voor de businesscase indien deze te groot is. Net als bij andere vormen van aquathermie zal de impact op het elektriciteitsnet bij gebruik van warmte uit de WRK-leidingen groot zijn door de benodigde inzet van warmtepompen om de warmte naar het juiste temperatuurniveau te brengen.

De grootschalige Watertransportmaatschappij Rijn-Kennemerland-leidingen (WRK-leidingen) zijn proces- en drinkwaterleidingen. Deze vorm van aquathermie is alleen beschikbaar in de deelregio’s waar de leidingen lopen en is daarom een specifieke bovengemeentelijke warmtebron. De WRK-leidingen zijn in beperkte mate warmtebronnen, maar vooral interessant als mogelijke transporteurs van warmte: warmte kan via deze leidingen worden getransporteerd.

Specifieke bovengemeentelijke warmtebron: WRK-leidingen

Werkagenda • Actie: gemeenten vragen WRK-directie werkconferentie voor te bereiden. • Toelichting: gemeenten vragen de WRKdirectie, met als deelnemers Waternet en PWN Waterleidingbedrijf Noord-Holland (PWN), als de beheerders van de WRKleidingen in de regio Noord-Holland Zuid, om een werkconferentie voor te bereiden. Hierbij worden alle gemeenten langs de WRK-leidingen uitgenodigd. In die conferentie worden de randvoorwaarden voor het gebruik van de WRK-leidingen aangegeven en worden gemeenten uitgenodigd om initiatieven in te brengen. Bij het gesprek over het gebruik van de benutbare ruimte in de WRK-leidingen zullen ook spelregels opgesteld moeten worden over het gelijke speelveld, de betaalbaarheid van de businesscase en de snelheid van de uitvoering.

De gemeente Heemstede, Waternet en de WRK hebben een intentieverklaring getekend voor het benutten van de WRK-leidingen.

De omgevingswarmtebronnen zoals aquathermie en geothermie in de regio Noord-Holland Zuid

Wat is groen gas en is het beschikbaar? Groen gas is biogas dat is opgewaardeerd naar aardgaskwaliteit en daarom in het landelijk aardgasnet kan worden ingezet. Van groen gas wordt niet voldoende volume verwacht om in de verwachte warmtevraag te kunnen voorzien. De schaarste zal in de toekomst naar verwachting de inzet van groen gas steeds meer gaan sturen en beperken. De verwachting is dat groen gas voor de gebouwde omgeving alleen daar ingezet zal worden waar geen alternatieven mogelijk zijn (bijvoorbeeld in historische binnensteden met

Groen gas

Wat is hernieuwbaar gas en is het beschikbaar? Hernieuwbaar gas wordt onderverdeeld in de categorieën groen gas en waterstofgas. Waterstofgas kan op verschillende manieren worden geproduceerd. Deze gassen hebben een belangrijke rol in het energiesysteem omdat ze goed opgeslagen en over een lange afstand getransporteerd kunnen worden en een hoge energiedichtheid hebben. Deze gassen zijn echter schaars. Het is dan ook belangrijk om deze gassen daar in te zetten waar zij de meeste (toegevoegde) waarde hebben.

Hernieuwbaar gas

Werkagenda • Actie: gemeenten willen de potentie van groen gas binnen de regio gezamenlijk (laten) onderzoeken. • Toelichting: naast de kansrijke startgebieden waar gemeenten willen beginnen met de warmtetransitie, wordt in de TVW’s ook duidelijk welke wijken (voorlopig) niet anders dan door (duurzaam) gas verwarmd kunnen worden. Gemeenten willen gezamenlijk onderzoeken wat verwacht kan worden van de productie van groen gas in de regio. Dit geeft inzicht in mogelijkheden voor het vergroten van de productie

Gemeenten hechten aan een zo duurzaam mogelijke verwerking van biogrondsto en. Groen gas uit vergisting van GFT, mest en slib is op dit moment een wenselijke warmtebron voor afnemers die geen alternatief hebben voor verwarming. Groen gas wordt verhandeld middels certificaten in een landelijke markt en de beschikbaarheid van certificaten is klein.

weinig ruimte in de ondergrond en lastig te isoleren vastgoed). Om die reden is het aan te bevelen om in te zetten op alternatieve warmtebron(nen) ten opzichte van groen gas. Meer informatie over de productie van groen gas vindt u in bijlage 3.

Wat is groene waterstof en is het beschikbaar? Groene waterstof is schaars omdat nog onvoldoende groene stroom beschikbaar is om groene waterstof te produceren en het elektrolyseproces (het productieproces van groene waterstof) is nog bijzonder kostbaar. Pas na 2030, wanneer er veel groene stroom beschikbaar is, kan deze in voldoende mate worden ingezet voor de productie van groene waterstof. Het toepassen van waterstof ten behoeve van het verwarmen of elektrificeren van woningen is ine ciënt. Het toepassen van groene waterstof in de gebouwde omgeving kan in de toekomst dan ook alleen een reële optie zijn in die gevallen waarbij er geen alternatief is of waar huizen alleen tegen zeer hoge kosten van het aardgas

Groene waterstof

en of dit aansluit bij de regionale vraag naar hernieuwbaar gas die resteert. Een onderzoeksvraag daarbij kan zijn of groengascertificaten uit de landelijke markt regionaal gereserveerd en ingezet mogen worden. In het bijzonder onderzoeken gemeenten of zij de groengascertificaten van slibvergisting door waterschappen zouden willen verwerven ten behoeve van verwarming van de gebouwde omgeving.

Ook voor de periode na 2030 zal de schaarste sturend zijn voor de inzet van groene waterstof, met name in sectoren waar geen alternatief bestaat voor deze inzet. In de RSW wordt waterstof daarom verder niet behandeld. Meer informatie over waterstof is te vinden in bijlage 3 en het katern energieinfrastructuur.

af kunnen. Te denken valt aan historische binnensteden zonder warmtenetten en zonder warmtebronnen. Om deze beperkte toepassing wel te kunnen realiseren zijn er pilots nodig om waterstof hier in de toekomst veilig te kunnen inzetten. Om deze reden vinden er tot 2030 enkele pilotprojecten plaats. In Graft-De Rijp vindt momenteel een haalbaarheidsanalyse plaats en op Texel worden de mogelijkheden voor de inzet van waterstof onderzocht.

In Purmerend en Amsterdam draaien installaties die gevoed worden met houtige reststromen en in Zaanstad staat de biomassacentrale van Bioforte, die 3,4 MWth warmte levert uit gecertificeerd snoeihout en twee gasgestookte hulpwarmtecentrales voor ongeveer 2200 woningen.

Houtige biogrondsto en zijn bijvoorbeeld houtpellets of afvalhout. Deze houtige biogrondsto en kunnen worden verbrand voor de productie van warmte. Een belangrijke eigenschap van verbranding van houtige biogrondsto en is dat er hoge temperaturen mee bereikt kunnen worden. Bovendien kan de grondstof goed opgeslagen worden. Hierdoor kan de bron het gehele jaar door beschikbaar zijn. Houtige reststromen voor verbranding zijn echter schaars, ook in de regio Noord-Holland Zuid. Daarnaast bestaan er landelijk en binnen de regio twijfels over de duurzaamheid van met name (buitenlandse) import van vaste houtige biogrondsto en voor verbranding en werkt het kabinet aan het afbouwen van het gebruik hiervan. Conform het medio 2020 uitgebrachte SER-advies en de daarin opgenomen afwegingskaders

Wat is verbranding van vaste biogrondsto en en is het beschikbaar?

Omdat het vraagstuk rond biogrondsto en wel leeft in de maatschappij, bevat onderstaand tekstkader een beknopte toelichting over verbranding van vaste biogrondsto en.

Over aanvullende installaties voor de verbranding van met name geïmporteerde houtige biobrandsto en is een overgrote meerderheid van de gemeenten van mening dat hier geen draagvlak voor is. Voor het gebruik van lokaal snoei- en resthout in bestaande installaties is daarentegen wel draagvlak. Er wordt geen potentieel gezien voor een grote biomassa-installatie met bovengemeentelijke capaciteit. Gemeenten maken uiteindelijk op lokaal niveau de beleidskeuzes. Door de lokale beleidskeuzes en het waarschijnlijk beperkte bovenregionale potentieel van deze warmtebron, worden voor vaste biogrondsto en geen bovengemeentelijke afspraken gemaakt in de werkagenda.

Warmte uit verbranding van vaste biogrondsto en

Voor de warmtevraag van de gebouwde omgeving (woningen en utiliteit) in de regio Noord-Holland Zuid wordt door de inzet van energiebesparende maatregelen tot 2030 een daling verwacht. Deze verwachting is gebaseerd op data van het Nationaal Programma RES (NP RES), en inschattingen vanuit de TVW’s.

Warmtevraag gebouwde omgeving

Naast warmtebronnen is inzicht nodig in het mogelijke overschot aan warmte in een gebied en de warmtevraag die bediend kan worden door het aanwezige warmteaanbod. In deze paragraaf wordt de warmtevraag beschreven.

3.2 Warmtevraag

Veel gemeenten in de regio bevinden zich nog midden in het proces om te komen tot een TVW waarin wordt beschreven welke voorkeursoplossing (all electric, hernieuwbaar gas, collectieve warmte) voor welke wijk wordt voorzien. Daarom is een inschatting gemaakt van de lokale warmtevraag die mogelijk geschikt is voor collectieve oplossingen door warmtevraagclusters in beeld te brengen. Dit zijn gebieden waar voldoende warmtevraag en dichtheid van vastgoed aanwezig zijn (zie ook onderstaand kader). Inzicht in de concentratie van de warmtevraag is van belang omdat investeringen in collectieve warmteoplossingen hoog zijn en de terugverdientijd relatief lang. Collectieve warmteoplossingen zullen daarom meestal daar gerealiseerd worden waar een geconcentreerde warmtevraag bestaat, om het risico van de investeringen af te kunnen dekken. Daarbij kan ook een combinatie tussen warmtevraag uit gebouwde omgeving en glastuinbouw ontstaan (bijvoorbeeld bij Greenport Aalsmeer). Warmtevraagclusters Warmtevraagclusters zijn gebieden waar mogelijk voldoende warmtevraag en dichtheid van vastgoed aanwezig zijn om een collectieve warmtevoorziening haalbaar te maken. Deze gebieden kenmerken zich door een geconcentreerde bebouwing.

De hoogte en concentratie van de warmtevraag helpen om een voorlopig inzicht te krijgen in warmtevraagclusters waar met name kansen liggen voor de inzet van lokale warmtebronnen of waar ook naar inzet van een bovengemeentelijke warmtebron gekeken kan worden. Dit beeld zal steeds verder aangescherpt en aangepast worden met de inzichten vanuit de TVW's, eventuele lokale haalbaarheidsstudies en de wijkuitvoeringsplannen wanneer deze worden opgesteld.

De concentratie van de warmtevraag in de regio Noord-Holland Zuid

Het is van belang dat de omvang van een warmtebron en de benodigde investering passen bij het aantal afnemers voor de betre ende warmtebron. Zo zal een geothermiebron meer afnemers nodig hebben dan een lokale warmtebron als aquathermie. In gebieden waar de warmtevraag lager ligt, zoals in de buitengebieden in de regio, zal gekeken moeten worden naar andere duurzame warmteoplossingen. Op deze plekken liggen individuele elektrische warmteoplossingen of warmteoplossingen die gebruikmaken van hernieuwbaar gas meer voor de hand. Kansen voor warmtenetten die gevoed kunnen worden door bovengemeentelijke warmtebronnen, zullen daarom vooral in de stedelijke gebieden liggen, of waar een hoge warmtevraagconcentratie mogelijk is door koppeling met een andere grote vrager, zoals de glastuinbouw. Naast de gebouwde omgeving spelen de volgende warmtevraagclusters ook een (beperkte) rol in Noord-Holland Zuid: • Landbouw: de warmtevraag van de landbouw is in de regio zeer beperkt. Voor zover relevant zal de benodigde warmte met lokale bronnen worden opgewekt. Er is daarom vooralsnog geen regionale afstemming nodig om de landbouw te voorzien van (duurzame) bovengemeentelijke warmte. • Industrie: de industriële sector in de regio werkt aan zijn eigen energiestrategie (CES, Cluster Energie Strategie).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10309294/1