CConstaterende datlaren
Koppel je AI →
Document · PDF

20210622Rvs28 Vaststelling bestemmingsplan met MER en beeldkwaliteitplan ‘Buurtschap Crailo’ BIJLAGE natuuronderzoeken deel 2

Commissie Ruimte en Infrastructuur 22 juni 2021, gemeente larenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan met MER en beeldkwaliteitplan ‘Buurtschap Crailo’24.362 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

2.1.1

Crailo Midden .............................................................................................................. 9

2.1.2

Crailo Zuid ................................................................................................................. 10

2.2

Werkzaamheden en werkwijze ........................................................................................ 11

2.3

Planning ........................................................................................................................... 12

Toetsing beschermde soorten en onderzoek .......................................................................... 13 3.1

Natuurtoets ....................................................................................................................... 13

3.2

Soortgericht onderzoek .................................................................................................... 13

3.3

Reptielen .......................................................................................................................... 13

3.4

Vaatplanten ...................................................................................................................... 13

3.5

Jaarrond beschermde vogelsoorten................................................................................. 13

3.6

Grondgebonden zoogdieren ............................................................................................ 14

3.7

Vleermuizen ..................................................................................................................... 15

3.7.1

Verblijfplaatsen.......................................................................................................... 15

3.7.2

Foerageergebieden, migratie- en vliegroutes ........................................................... 16

3.7.3

Functie verblijfplaatsen voor populatie vleermuizen ................................................. 16

Verbodsbepalingen.................................................................................................................. 17 4.1

Soorten en verbodsartikelen waarvoor de ontheffing wordt aangevraagd ....................... 17

4.1.1 5

Periode waarvoor de ontheffing wordt aangevraagd ................................................ 18

Maatregelen............................................................................................................................. 18 5.1

Tijdelijke alternatieve verblijfplaatsen............................................................................... 18

5.1.1

Gebouwen 20 en 21 .................................................................................................. 21

5.1.2

KMAR-gebouw .......................................................................................................... 22

5.1.3

Oefenloodsen 3 en 4 ................................................................................................. 23

5.1.4

Bolle boomkasten...................................................................................................... 24

5.2

Tijdelijk behoud verblijven door uitstellen sloop ............................................................... 25

3/43

Kenmerk

5.3

6

Badhuizen gebouw 18 en 26 .................................................................................... 26

5.3.2

Onderstation Liander................................................................................................. 27

5.3.3

Paalkasten ................................................................................................................ 28

5.3.4

Faunahuis ................................................................................................................. 28

5.3.5

Voorzieningen in permanente bebouwing ................................................................. 29

5.4

Gewenning tijdelijke verblijfplaatsen ................................................................................ 31

5.5

Sloop gebouwen .............................................................................................................. 31

5.6

Begeleiding ...................................................................................................................... 32

5.7

Afhankelijkheid van derden .............................................................................................. 33

5.8

Monitoring ........................................................................................................................ 33

Effecten op de staat van instandhouding ................................................................................ 34 Staat van instandhouding gewone dwergvleermuis ......................................................... 34

6.1.1

Ecologie van gewone dwergvleermuis ...................................................................... 34

6.1.2

Landelijke staat van instandhouding gewone dwergvleermuis ................................. 34

6.1.3

Netwerk en lokale staat van instandhouding gewone dwergvleermuis ..................... 34

6.2

8

Permanente alternatieven ................................................................................................ 25

5.3.1

6.1

7

R001-1272659MFO-V02-mwl-NL

Staat van instandhouding ruige dwergvleermuis ............................................................. 35

6.2.1

Ecologie van ruige dwergvleermuis .......................................................................... 35

6.2.2

Landelijke staat van instandhouding ruige dwergvleermuis ...................................... 35

6.2.3

Netwerk en lokale staat van instandhouding ruige dwergvleermuis ......................... 35

6.3

Effecten op verblijfplaatsen .............................................................................................. 36

6.4

Effecten op leefgebied populatie ...................................................................................... 36

6.5

Zorgvuldig handelen......................................................................................................... 37

6.6

Afbreuk gunstige staat van instandhouding ..................................................................... 37

Wettelijk belang ....................................................................................................................... 39 7.1

Woningbehoefte (openbaar belang van sociale aard) ..................................................... 39

7.2

Behoefte aan bedrijvigheid (openbaar belang van economische aard) ........................... 40

7.3

Sanering van asbest (volksgezondheid) .......................................................................... 40

7.4

Tegengaan verspilling van energie (voor het milieu gunstige effecten) ........................... 41

Alternatievenafweging ............................................................................................................. 41 8.1

Locatie.............................................................................................................................. 41

8.2

Inrichting........................................................................................................................... 41

4/43

Kenmerk

9

R001-1272659MFO-V02-mwl-NL

8.3

Werkwijze ......................................................................................................................... 41

8.4

Planning ........................................................................................................................... 41

Literatuur ................................................................................................................................. 43

Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3

Rapportage quickscan Crailo Midden en Zuid Rapportage soortgericht onderzoek Crailo Midden en Zuid Verslaglegging monitoring tijdelijke vleermuiscompensatie ronde 2020

Bijlage 4

Biodiversiteitsvisie Crailo

5/43

Kenmerk

R001-1272659MFO-V02-mwl-NL

1 Inleiding 1.1

Aanleiding

Dit activiteitenplan vormt de basis van de ontheffingsaanvraag die Tauw indient namens (initiatief en aanvrager ontheffing) GEM Crailo met projectnaam ‘Sloop gebouwen Crailo Midden en Zuid’. Het voornemen betreft de herontwikkeling van het voormalige defensieterrein Crailo tot een wijk met wonen, werken en natuur. Als basis hiervoor zijn de gemeenteraden van Gooise Meren, Hilversum en Laren op 4 maart 2020 akkoord gegaan met het stedenbouwkundig- en landschapsplan Crailo (Buurtschap Crailo, 2019). De ontwikkelzone Crailo is opgesplitst in drie delen (zie figuur 1.1): Noord (Kolonel Palmkazerne), Midden (oefenrampenterrein) en Zuid (asielzoekerscentrum-terrein). Voor de sloop en renovatie van gebouwen op het terreindeel Noord is reeds een ontheffing vergeven voor het aantasten van verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis (OD NHN, 2019). De ontheffingsaanvraag heeft betrekking op de terreindelen Midden en Zuid.

6/43

Kenmerk

R001-1272659MFO-V02-mwl-NL

Figuur 1.1 Overzicht van ontwikkelgebied Crailo. Het onderliggend activiteitenplan slaat alleen op de gebouwen van Crailo Midden (ORT) en Zuid (AZC)

7/43

Kenmerk

R001-1272659MFO-V02-mwl-NL

Om de nieuwe functie van het terrein te verwezenlijken, worden gebouwen gesloopt en (volledig) gerenoveerd. Voor het voornemen is in 2018 een quickscan uitgevoerd (bijlage 1), gevolgd door nader onderzoek in 2019 (bijlage 2). Uit het nader onderzoek volgt dat de voorgenomen sloop en renovatie van gebouwen negatieve effecten heeft op vaste verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis. Uit het nader onderzoek bleek ook essentieel leefgebied van eekhoorn en boommarter en een nest van buizerd aanwezig te zijn op de terreindelen Midden en Zuid (bijlage 2). Op terreindeel Crailo Noord wordt in 2020 nog nader onderzoek uitgevoerd naar onder andere eekhoorn, boommarter en buizerd. Dit naar aanleiding van een in 2020 uitgevoerde quickscan (Tauw, 2020). In het verleden zijn op Crailo Noord alleen de gebouwen onderzocht op beschermde functies, het groen wordt dit jaar onderzocht. Afronding van dit onderzoek is een vereiste om voor eekhoorn, boommarter en buizerd een volledige effectenbeoordeling van het voornemen te kunnen doen. Vandaar dat deze ontheffingsaanvraag uitsluitend betrekking heeft op de voorgenomen sloop en renovatie van gebouwen in de terreindelen Crailo Midden en Zuid en de negatieve effecten daarvan op vaste verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis.

Het reeds aanvragen van deze ontheffing is bedoeld om gefaseerd werken mogelijk te maken. Indien sloop en renovatie kan plaatsvinden en werkzaamheden in deze delen van het terrein al gerealiseerd kunnen worden, dan komen deze terreindelen tevens beschikbaar als tijdelijke of permanente functie voor beschermde soorten.

1.2

Leeswijzer

In het volgende hoofdstuk wordt ingegaan op de aard, omvang en planning van de beoogde ontwikkeling. Hoofdstuk drie beschrijft de uitgevoerde ecologische onderzoeken de aangetroffen beschermde soorten. In hoofdstuk vier wordt ingegaan op de verbodsbepalingen waarvoor een ontheffing van de Wet natuurbescherming wordt aangevraagd. Hoofdstuk vijf beschrijft alle mitigerende en compenserende maatregen die genomen worden om negatieve effecten op beschermde natuurwaarden tot een minimum te beperken. Vervolgens volgt in hoofdstuk zes de beschrijving van de staat van instandhouding. Ten slotte geeft hoofdstuk zeven een onderbouwing van het wettelijk belang van het voornemen en hoofdstuk acht een afweging van de mogelijke alternatieven.

8/43

Kenmerk

R001-1272659MFO-V02-mwl-NL

2 Beschrijving initiatief 2.1

Locatiebeschrijving

Het plangebied bevindt zich in de gemeenten Gooise Meren (kern Bussum), Hilversum en Laren in de Provincie Noord-Holland (figuur 2.1). Het gebied ligt ten zuidoosten van Bussum. Aan de zuidwestzijde wordt het plangebied begrensd door de Bussumer- en Westerheide. Crailo Midden en Zuid beslaan een oppervlak van circa 28 hectare. In figuur 2.2 en figuur 2.3 wordt een overzicht gegeven van de gebouwen binnen het plangebied.

Figuur 2.1 Ligging van ontwikkelgebied Crailo in de omgeving. Links: Crailo ten opzichte van Natura 2000-gebieden. Rechts: ontwikkelgebied Crailo ten opzichte van NNN-gebieden

2.1.1 Crailo Midden Crailo Midden (het voormalig oefenrampenterrein) bestaat uit meerdere oefengebouwen die ontworpen zijn voor het trainen van rampen, branden en andere gevaarlijke situaties. Het terreindeel heeft verder een natuurlijk karakter met bosrijke randen en begroeide braakliggende delen. Naast de oefengebouwen is er een kantoorgebouw met loods en zijn er twee stormbanen en twee schietbanen op het terrein aanwezig. Enkele gebouwen hebben een spouwmuur en/of een kelder. Een deel van de gebouwen is in (zeer) slechte bouwkundige staat. Vrijwel alle gebouwen bevatten in meer of mindere mate asbest.

9/43

Kenmerk

R001-1272659MFO-V02-mwl-NL

De omgeving van de gebouwen heeft een groene inrichting en wordt extensief gebruikt. Tussen de gebouwen zijn zandpaden en verharde wegen aangelegd. In de bermen van de wegen heeft zich een schrale vegetatie ontwikkeld met verschillende algemene soorten als klein tasjeskruid en schapengras. Verder bestaat de vegetatie op het terrein uit voedselrijkere graslanden met soorten als pinksterbloem en paardenbloem en bosschages met robinia, grove den, zomereik en berk als belangrijkste boomsoorten. Open water ontbreekt binnen het gebied. 2.1.2 Crailo Zuid Crailo Zuid (het voormalige asielzoekerscentrum-terrein) bestaat net als Crailo Midden uit een verzameling van verschillende typen gebouwen. Dit deel van het plangebied heeft echter een veel minder natuurlijk karakter dan Crailo Midden. Hier zijn, in tegenstelling tot het middenterrein, de meeste gebouwen bewoond of in gebruik als kantoorpand. Hierdoor is er veel menselijke activiteit in dit deel van het plangebied. De gebouwen zijn in een matige bouwkundige staat en enkelen zijn in zeer slechte staat. Tussen de gebouwen zijn bosschages met fijnspar, berk en beuk aanwezig. Op enkele plaatsen is een schrale vegetatie aanwezig minder algemene plantensoorten als kaal breukkruid. In dit deel van het plangebied zijn geen watergangen aanwezig. Er is één betonnen waterbak in het zuidwesten van het terrein met steile, stenen oevers.

Figuur 2.2 De deelgebieden Crailo Midden en Zuid met de te slopen en te renoveren panden

10/43

Kenmerk

R001-1272659MFO-V02-mwl-NL

Figuur 2.3 Impressie van enkele gebouwen in terreindelen Crailo Midden en Zuid

2.2

Werkzaamheden en werkwijze

GEM Crailo is van plan het terrein te ontwikkelen voor wonen, werken en natuur. Als basis hiervoor geld het Stedenbouwkundig- en landschapsplan Crailo (Buurtschap Crailo, 2019). Op het moment van schrijven is een specifiekere beoogde ontwikkeling dan het Stedenbouwkundig- en landschapsplan nog niet aanwezig. Wel is duidelijk dat vrijwel alle gebouwen op de terreindelen Midden en Zuid worden gesloopt. Overige panden worden grondig gerenoveerd.

11/43

Kenmerk

R001-1272659MFO-V02-mwl-NL

Na de sloop van de gebouwen wordt er een nieuwe wijk gerealiseerd. Deze wijk wordt getypeerd door duurzame woningen en ‘wonen in het groen’. Een deel van terreindeel Zuid wordt, na de sloop van de gebouwen, overhandigd aan het Goois Natuur Reservaat (GNR) om natuur te ontwikkelen. In totaal is 50 % van het gehele oppervlak van het ontwikkelgebied Crailo gereserveerd voor natuur. In het ontwikkelgebied is dertien hectare beschikbaar voor circa vijfhonderd woningen en vijf hectare voor bedrijven.

Figuur 2.4r 2.4 Ruimtelijke verbeeldingskaart Crailo zoals voorgelegd aan de raadsvergadering van gemeente Gooise Meren op 15 januari 2020.

2.3

Planning

Een gedetailleerde planning is nog niet opgesteld. Na de verkregen ontheffing voor de gebouwen van Crailo Noord (OD NHN, 2019), wordt in 2020 begonnen met de sloop en renovatie van gebouwen op dat terreindeel. Met de sloop en renovatie van de gebouwen op Crailo Midden en Zuid met vleermuisverblijven wordt pas begonnen nadat een ontheffing voor de Wet natuurbescherming is ontvangen.

12/43

Kenmerk

R001-1272659MFO-V02-mwl-NL

Bij de sloop wordt rekening gehouden met de vleermuisverblijfplaatsen (zie hoofdstuk 5). Verwacht wordt dat de sloop van gebouwen met vleermuisverblijfplaatsen aanvangt in de tweede helft van 2021.

3 Toetsing beschermde soorten en onderzoek 3.1

Natuurtoets

Voor het voornemen is in 2018 een quickscan uitgevoerd (bijlage 1). Geconcludeerd is dat negatieve effecten niet op voorhand uitgesloten konden worden op beschermde soorten van de soortgroepen reptielen, vaatplanten, vogels met jaarrond beschermde nesten, grondgebonden zoogdieren en vleermuizen.

3.2

Soortgericht onderzoek

In 2019 is soortgericht onderzoek uitgevoerd naar het gebruik van plangebied door reptielen, vaatplanten, vogels met jaarrond beschermde nesten, grondgebonden zoogdieren en vleermuizen. Een gedetailleerde beschrijving van de toegepaste methoden en resultaten is te vinden in bijlage 2.

3.3

Reptielen

In de loop van 2019 is nader onderzoek uitgevoerd naar levendbarende hagedis en hazelworm door middel van tapijttegels. Er zijn tijdens het onderzoek geen beschermde reptielen aangetroffen.

3.4

Vaatplanten

In 2019 is onderzoek verricht naar de aanwezigheid van schubvaren, akkerdoornzaad, korensla, stijve wolfsmelk en dennenorchis op het terrein. Tijdens geen van deze drie bezoeken zijn beschermde florasoorten aangetroffen.

3.5

Jaarrond beschermde vogelsoorten

Gierzwaluw Het nader onderzoek naar gierzwaluwen in 2019 is conform het Kennisdocument Gierzwaluw en de soorteninventarisatieprotocollen van het Netwerk Groene Bureaus uitgevoerd. Tijdens dit soortgericht onderzoek zijn geen gierzwaluwen aangetroffen. Huismus Het onderzoek naar huismus is volgens de geldende protocollen uitgevoerd. Tijdens het onderzoek zijn geen huismussen waargenomen binnen het plangebied. Wel zijn er huismussen aangetroffen bij de manege aan de westzijde van het plangebied. Mogelijke nesten van huismus in de manege bevinden zich echter op meer dan 50 meter van de te slopen gebouwen. De werkzaamheden begeven zich daarmee buiten de verstoringsvrije afstand van huismus.

13/43

Kenmerk

R001-1272659MFO-V02-mwl-NL

Uilen In de loop van 2019 zijn onderzoeken verricht naar kerkuil, steenuil en ransuil. Tijdens de nader onderzoeken zijn geen beschermde functies van uilen aangetroffen. Boombroedende dagroofvogels Soortgericht onderzoek naar buizerd, havik, sperwer en wespendief is uitgevoerd volgende de BMP-methode van SOVON. Met het onderzoek is één nestlocatie van buizerd vastgesteld binnen het plangebied. De te slopen en te renoveren gebouwen bevinden zich op minstens 125 meter van het buizerdnest. Volgens het Kennisdocument Buizerd (BIJ12, 2017a) dient tijdens het broedseizoen een verstoringsvrije afstand van ten minste 75 meter aangehouden te worden. De te slopen gebouwen bevinden zich buiten deze verstoringsvrije afstand. Daarbij bevindt het nest zich midden in een dichte bosschage. Er is daardoor geen sprake van een broedgeval ten tijde van de sloop- en bouwwerkzaamheden. Mogelijk heeft de volledige herontwikkeling van het terrein wel een verstorend effect op het leefgebied van de buizerd waardoor het nest (deels) aan functionaliteit verliest. Er wordt in 2020 soortgericht onderzoek uitgevoerd naar buizerd op het terreindeel Noord. Om die reden is een volledige effectbeoordeling van het voornemen nog niet mogelijk. Wanneer uit de volledige effectbeoordeling volg dat het nest (deels) aan functionaliteit verliest, wordt een ontheffing van de Wnb aangevraagd.

3.6

Grondgebonden zoogdieren

Het soortgericht onderzoek naar das, boommarter, steenmarter, eekhoorn, bunzing, hermelijn en wezel is uitgevoerd middels cameraval- en sporenonderzoek volgens de handreiking kleine marters van de provincie Noord-Brabant. Op de camera’s is eenmaal een das waargenomen. Dit betreft een incidentele waarneming. Verder is essentieel leefgebied van eekhoorn en boommarter vastgesteld. De gebouwen op het terrein dragen geen functies voor eekhoorn of boommarter. Voor de sloopwerkzaamheden worden geen bomen gekapt. Met de sloop van de gebouwen is daarom geen sprake van aantasting van verblijfplaatsen en/of essentieel leefgebied van eekhoorn en boommarter. Bij de verdere ontwikkeling van het buitengebied om de gebouwen heen, worden wel bomen gekapt. Hiermee wordt mogelijk leefgebied van de boommarter en eekhoorn geschaad. Er wordt in 2020 soortgericht onderzoek uitgevoerd naar onder andere boommarter en eekhoorn op het terreindeel Noord. Om die reden is een volledige effectbeoordeling van het voornemen nog niet mogelijk. Wanneer uit de volledige effectbeoordeling volgt dat de voorgenomen herinrichting van het terrein negatieve effecten heeft op, wordt een ontheffing van de Wnb aangevraagd.

14/43

Kenmerk

3.7

R001-1272659MFO-V02-mwl-NL

Vleermuizen

De aanwezigheid van verblijfplaatsen in bomen en gebouwen, van essentiële vliegroutes en van foerageergebieden is nader onderzocht volgens het Vleermuisprotocol 2017 van Netwerk Groene Bureaus gevolgd. Op basis van het protocol zijn vijf gerichte veldbezoeken per deelgebied uitgevoerd door drie tot vijf ter zake kundige ecologen. Daarnaast is er eenmalig een zolderinspectie uitgevoerd in de kraamperiode. In bijlage 2 is een uitgebreide beschrijving van de toegepaste methode te vinden. In de terreindelen Crailo Midden en Zuid zijn in totaal 27 vleermuisverblijven aangetroffen. Figuur 3.1 geven een overzicht van de verdeling van de aangetroffen verblijven. Zie voor een exacte beschrijving van de locaties van de verblijven het rapport van het nader onderzoek in bijlage 2.

Figuur 3.1 Locaties van de aangetroffen vleermuisverblijven in terreindelen Crailo Midden en Zuid

3.7.1 Verblijfplaatsen In de terreindelen Zuid zijn twee kraamverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis vastgesteld voor respectievelijk rond de twintig en dertig individuen. Eén van de kraamverblijven is tevens ook in gebruik als zomer-/paarverblijf van gewone dwergvleermuis. Daarnaast is bij één gebouw in terreindeel Zuid zwermgedrag door vier individuen waargenomen wat een kleine winterverblijfplaats doet vermoeden.

15/43

Kenmerk

R001-1272659MFO-V02-mwl-NL

Er zijn in de terreindelen Midden en Zuid in totaal 22 zomer-/paarverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis vastgesteld. Twee van de aangetroffen zomer-/paarverblijven vallen buiten de grenzen van het projectgebied en worden daarom verder buiten beschouwing van dit activiteitenplan gelaten. Daarnaast bevindt één zomer-/paarverblijf van ruige dwergvleermuis zich in een boom. Het nader onderzoek naar mogelijke vleermuisverblijven in bomen in het terreindeel Noord wordt in 2020 uitgevoerd. Na afronding van dat onderzoek wordt bepaald welke bomen gekapt worden en kan een effecteninschatting worden gemaakt van het voornemen buiten de sloop en renovatie van gebouwen. Dit activiteitenplan is daarom niet van toepassing op de verblijfplaats van de ruige dwergvleermuis in de boom. Door de sloop en renovatie van de gebouwen in de terreindelen Midden en Zuid worden daarom zestien zomer-/paarverblijven van gewone dwergvleermuis en drie zomer-/paarverblijfplaatsen van ruige dwergvleermuizen aangetast. Er wordt aangenomen dat paar- en zomerverblijfplaatsen in de winter ook als solitaire winterverblijfplaatsen worden gebruikt. Het totaal aantal vleermuisverblijven op de deelterreinen Midden en Zuid waar in dit activiteitenplan een ontheffing voor wordt aangevraagd staan in Tabel 3.1.

Tabel 3.1 De aangetroffen vleermuisverblijven op de deelterreinen Midden en Zuid waar in dit activiteitenplan een ontheffing voor wordt aangevraagd Type verblijfplaats

Soort

Aantal

Zomer-/paarverblijfplaats

Gewone dwergvleermuis

15

Zomer-/paarverblijfplaats

Ruige dwergvleermuis

4

Kraamverblijfplaats

Gewone dwergvleermuis

1

Zomer-/paar-/kraamverblijfplaats

Gewone dwergvleermuis

1

Winterverblijfplaats

Gewone dwergvleermuis

1

3.7.2 Foerageergebieden, migratie- en vliegroutes Tijdens de nader onderzoeken zijn geen essentiële foerageergebieden, migratie en/of vliegroutes aangetroffen. De beoogde sloop van de bebouwing heeft daardoor geen negatieve effecten tot gevolg op andere beschermde functies van vleermuizen dan de hierboven beschreven verblijfplaatsen. 3.7.3 Functie verblijfplaatsen voor populatie vleermuizen De vleermuizen in de kraamkolonie maken in de kraamperiode gebruik van een netwerk aan kraamverblijven (BIJ12, 2017b; Dietz et al, 2011). Binnen dit netwerk bevinden zich meerdere kraamverblijfplaatsen waartussen verhuisd wordt. Verblijfplaatsen die zeer geschikt zijn, zijn de hele kraamperiode in gebruik. Kraamverblijfplaatsen bevatten doorgaans 20 tot 120 (tot wel 300) exemplaren (BIJ12b, 2017). De kraamverblijfplaatsen in het plangebied worden door 20 tot 30 exemplaren gebruikt, en worden daarom gezien worden als relatief kleine kraamverblijven.

16/43

Kenmerk

R001-1272659MFO-V02-mwl-NL

Gezien dit geringe aantal wordt aangenomen dat de verblijven in het plangebied geen ‘zeer geschikte verblijfplaats’ betreffen zoals gedefinieerd in het kennisdocument gewone dwergvleermuis (BIJ12, 2017b). Daarom worden nabij het plangebied, maar buiten de invloedsfeer van de geplande sloop, ook nog andere kraamverblijfplaatsen verwacht. Deze andere kraamverblijfplaatsen zijn niet tijdens het onderzoek aangetroffen, omdat niet de hele avond hierop geïnventariseerd kon worden: de focus van het onderzoek lag immers op dit plangebied. De zomer- en paarverblijfplaatsen worden allen gebruikt door maximaal één gewone dwergvleermuis of één ruige dwergvleermuis. Deze typen verblijfplaatsen worden gebruikt door solitaire mannetjes, die hun verblijfplaats en de omgeving daaromheen als hun territorium gebruiken en verdedigen (Dietz et al, 2011). De winterverblijfplaats is vastgesteld door zwermgedrag van vier individuen. Deze waargenomen lage aantallen zwermende vleermuizen corresponderen niet met de aantallen (tien- tot honderdtallen) vleermuizen die kenmerkend zijn voor een massawinterverblijfplaats van gewone dwergvleermuis (Dietz et al., 2011; BIJ12, 2017b). Aangenomen wordt dat de populatie, waar de dieren in het plangebied onderdeel van uitmaken, elders in de regio overwinteren in een massawinterverblijf.

Om die reden wordt voor deze locatie uitgegaan van een kleine, incidentele winterverblijfplaats van vier gewone dwergvleermuizen. De vleermuizen binnen het plangebied maken deel uit van dezelfde populatie vleermuizen. De grootte van de populatie is sterk afhankelijk van het voedselaanbod en beschikbare verblijfplaatsen. Aangenomen wordt dat deze populatie veel groter is dan alleen het plangebied, gezien de relatief kleine omvang van de kraamverblijfplaatsen.

4 Verbodsbepalingen 4.1

Soorten en verbodsartikelen waarvoor de ontheffing wordt aangevraagd

Door de sloop en renovatie van de panden in het projectgebied gaan twee kraamverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus), vijftien zomer-/paarverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis (P. pipistrellus), vier zomer-/paarverblijfplaatsen van ruige dwergvleermuizen (Pipistrellus nathusii) en één winterverblijfplaats van gewone dwergvleermuis (P. pipistrellus) verloren. De ontheffing van de Wnb wordt uitsluitend aangevraagd voor deze twee soorten betreffende de volgende verbodsartikelen: • •

Wnb, Art. 3.5, lid 2: het opzettelijk verstoren Wnb, Art. 3.5, lid 4: het beschadigen en/of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen

17/43

Kenmerk

R001-1272659MFO-V02-mwl-NL

Deze ontheffingsaanvraag heeft geen betrekking op het aantasten van leefgebied en/of verblijfplaatsen van boommarter, eekhoorn en/of buizerd. Er lopen nog onderzoeken naar onder andere deze soorten in deelgebied Crailo Noord. Zolang deze onderzoeken niet zijn afgerond, kan geen inschatting worden gedaan van de effecten van de ontwikkeling op deze soorten. Met het slopen van de gebouwen worden geen bomen of groenstructuren gekapt. Effecten op verblijfplaatsen en leefgebied van boommarter, eekhoorn en buizerd zijn daarmee uitgesloten waardoor voor de sloop van de gebouwen geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd voor deze soorten. Ook wordt nog geen ontheffing aangevraagd voor het aantasten van de verblijfplaats van ruige dwergvleermuis in de boom. De aangevraagde ontheffing richt zich uitsluitend op de sloop van gebouwen. De aangetroffen verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis buiten het projectgebied vallen ook niet binnen de scope van de ontheffingsaanvraag. 4.1.1 Periode waarvoor de ontheffing wordt aangevraagd De ontheffing wordt aangevraagd voor een periode van tien jaar. De ontheffing moet ingaan op het moment eerste moment dat er werkzaamheden aan gebouwen met verblijfplaatsen plaats kan vinden, namelijk 1 september 2020 tot en met 31 augustus 2029.

5 Maatregelen De maatregelen in dit hoofdstuk beschrijven concreet welke stappen in plaats, tijd en wijze van uitvoering worden gemaakt om negatieve effecten op gewone en ruige dwergvleermuizen te minimaliseren. Dit hoofdstuk dient tevens als mitigatieplan en uitvoeringsplan.

5.1

Tijdelijke alternatieve verblijfplaatsen

Een deel van de gebouwen met verblijfplaatsen van vleermuizen wordt gesloopt voordat er nieuwbouw met permanente alternatieven zijn gerealiseerd. Er worden daarom tijdelijke alternatieve verblijfplaatsen gerealiseerd om te garanderen dat er altijd genoeg verblijven voor de populatie vleermuizen beschikbaar is binnen het plangebied. De te realiseren tijdelijke alternatieve verblijfplaatsen volgen de geldende voorwaarden voor zomer-, paar-, kraam-, en winterverblijfplaatsen zoals beschreven in de kennisdocumenten gewone dwergvleermuis (BIJ12, 2017b) en ruige dwergvleermuis (BIJ12, 2017c). De tijdelijke zomer-/paarverblijfplaatsen worden binnen 200 meter en zo dicht mogelijk bij de oorspronkelijke verblijven gerealiseerd. De tijdelijke kraamverblijven worden zoveel als mogelijk binnen 50 meter van de oorspronkelijke verblijfplaatsen gerealiseerd. De te realiseren tijdelijke verblijven bestaan uit aanpassingen aan bestaande bebouwing en het plaatsen van kasten aan bomen. Er is bewust gekozen om niet alleen gebruik te maken van standaardoplossingen zoals het plaatsen van vleermuiskasten aan gevels.

18/43

Kenmerk

R001-1272659MFO-V02-mwl-NL

Juist door zoveel mogelijk gebruik te maken van reeds aanwezig spouwmuren en het aanbrengen van boeiboorden die grote delen van gevels bekleden, worden tijdelijke inpassingen aangeboden die overeenkomen met de oorspronkelijke verblijfplaatsen. Daarnaast bieden dit type maatregelen meer ruimte aan vleermuizen dan kleine kasten. In dit hoofdstuk wordt per maatregel beschreven wat deze inhoudt, wat de ingeschatte compensatiefactor van de maatregel is en wanneer de realisatie en demontage gepland is. Figuur 5.1 geeft de locaties van de voorgenomen compenserende maatregelen. De compensatiefactor is voor de maatregelen aan gebouwen conservatief geschat zodat gegarandeerd is dat er voldoende maatregelen getroffen worden. Op die manier is nooit sprake van ondercompensatie, eerder van overcompensatie. Tabel 5.1 vat de te nemen maatregelen en compensatiewaarde samen. De technische ontwerpen van de aan te brengen inpassingen zijn op het moment van schrijven nog niet volledig. De technische ontwerpen van tijdelijke maatregelen worden opgesteld met een ter zake kundig ecoloog om de functionaliteit voor vleermuizen te waarborgen. Hetzelfde geldt voor de exacte planning van de bouw- en sloopwerkzaamheden.

19/43

Kenmerk

R001-1272659MFO-V02-mwl-NL

Figuur 5.1 De permanente en tijdelijke maatregelen die worden genomen als compensatie van de verloren verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis in Crailo Midden en Zuid. De locatie van de bolle kasten, paalkasten en het faunahuis zijn nog niet volledige vastgesteld. De weergegeven locatie betreft een indicatie.

20/43

Kenmerk

5.1.1

R001-1272659MFO-V02-mwl-NL

Gebouwen 20 en 21

Maatregel De gebouwen 20 en 21 op het terreindeel Noord beschikken ieder over één paarverblijfplaats aan de oostzijde van het gebouw van respectievelijke ruige dwergvleermuis en gewone dwergvleermuis. Voor deze vleermuisverblijven is reeds tijdelijke compensatie gerealiseerd en een ontheffing verleend (OD NHN, 2019). De gebouwen worden extra geschikt gemaakt om als compensatie voor verblijven op terreindeel Midden te dienen. Om dit te bewerkstelligen wordt de spouw in de kopgevels beter bereikbaar gemaakt door stootvoegen toe te voegen. Verder worden boeiboorden op de kopgevels gemonteerd met ruimten voor verblijfplaatsen van vleermuizen. Via de boeiboorden is ook de spouw toegankelijk. Daarnaast worden kantpannen toegankelijk gemaakt. Compensatiefactor De compensatiefactor voor het beter beschikbaar maken van de spouw en het plaatsen van boeiboorden op één gevel wordt ingeschat op een waarde van drie. Dit houdt in dat de maatregel overeenkomt met het plaatsen van drie tijdelijke vleermuiskasten op de gevel. Beide gebouwen beschikken over twee grote gevels, gericht op het oosten en op het westen. De beschreven maatregel komt daarom in totaal overeen met het plaatsen van twaalf vleermuiskasten en het tijdelijk compenseren van drie zomer-/paarverblijven.

Gezien de ligging van de gebouwen 20 en 21, geldt de aangebrachte compensatie alleen voor de meest noordwestelijke verblijfplaatsen. Planning Wanneer de maatregelen aan de gebouwen afgerond zijn en de gewenningsperiode voor de verblijven verstreken is, kan begonnen worden met het ongeschikt maken van drie zomer/paarverblijven op terreindeel Midden. De twee gebouwen blijven, na het treffen van de maatregelen, gedurende de ontwikkeling van het project ongemoeid totdat op terreindeel Midden bebouwing gereed is met permanente alternatieve vleermuisverblijven en de gewenningsperiode verstreken is.

Figuur 5.2 Gebouwen 20 en 21 op terreindeel Noord

21/43

Kenmerk

5.1.2

R001-1272659MFO-V02-mwl-NL

KMAR-gebouw

Maatregel Het voormalige gebouw van de Koninklijke Marechaussee (KMAR) wordt door het ontwikkelbureau Crailo gebruikt als kantoorpand. Onder andere om die reden blijft het gebouw gespaard tot het einde van de ontwikkelingen in Crailo. Er zijn bij nader onderzoek geen vleermuisverblijven in dit gebouw aangetroffen. Het gebouw wordt geschikt gemaakt als tijdelijke compensatie voor verblijven op de terreindelen Midden en Zuid. Hiervoor worden onder andere de relatief smalle stootvoegen van het gebouw verbreedt om toegang tot de spouw te vergemakkelijken. Daarnaast worden de gevels van het gebouw bekleed met boeiboorden met ruimten die dienen als verblijfplaatsen voor vleermuizen. Via de boeiboorden zijn ook de stootvoegen bereikbaar. Compensatiefactor Het KMAR-gebouw betreft een groot gebouw van verschillende hoogten en gevels op verschillende windrichtingen (figuur 5.3). Het gebouw beschikt over grote, kale gevels met een groot bufferend vermogen. De beschreven maatregel heeft voor zomer-/paarverblijven een compensatiefactor van acht. Door de grote kale gevels op verschillende windrichtingen, hebben de maatregelen aan het gebouw ook een compensatiefactor van vier voor kraamverblijven. Met de maatregelen worden daarom twee zomer-/paarverblijven en één kraamverblijf tijdelijk gecompenseerd.

Planning Wanneer de maatregelen aan het gebouw afgerond zijn en de gewenningsperiode voor de verblijven verstreken is, kan begonnen worden met het ongeschikt maken van twee zomer/paarverblijven op terreindeel Midden of Zuid en het ongeschikt maken van één kraamverblijf. De tijdelijke maatregelen blijven tot richting het einde van de werkzaamheden beschikbaar. Pas wanneer nabij de oorspronkelijke kraamverblijven gebouwen zijn gebouwd met permanente kraamverblijfplaatsen én gebouwen opgeleverd zijn met permanente voorzieningen voor zomer-/ paarverblijven, wordt na de gewenningsperiode het KMAR-gebouw gesloopt.

Figuur 5.3 Het KMAR-gebouw ten hoogte van terreindeel Midden

22/43

Kenmerk

5.1.3

R001-1272659MFO-V02-mwl-NL

Oefenloodsen 3 en 4

Maatregel Op het terreindeel Midden staan enkele oefenloodsen van de brandweer. Rond de oefenloodsen zijn tijdens het nader onderzoek twee paarterritoria aangetroffen. De loodsen beschikken over spleten en kieren waar paarverblijven van vleermuizen mogelijk zijn. De gebouwen beschikken echter ook over spouwmuren die in de huidige situatie nog niet beschikbaar zijn. De gebouwen worden geschikter gemaakt voor vleermuizen door stootvoegen aan te brengen die de spouwmuur bereikbaar maken. Daarnaast worden ook aan deze gebouwen boeiboorden gemonteerd die als verblijfplaats voor vleermuizen dienen. Via de boeiboorden zijn ook de spouwmuren bereikbaar. Compensatiefactor De compensatiefactor van het treffen van de maatregelen wordt voor zomer-/paarverblijven ingeschat op vier en voor kraamverblijven op één. De beschreven maatregel komt daarom in totaal overeen met het plaatsen van acht kleine vleermuiskasten en twee kraamkasten en compenseert zo twee zomer-/paarverblijven en een half kraamverblijf. Planning Wanneer de maatregelen aan de gebouwen afgerond zijn en de gewenningsperiode voor de verblijven verstreken is, kan begonnen worden met het ongeschikt maken van twee zomer/paarverblijven op terreindeel Midden of Zuid.

Daarnaast moeten de maatregelen voor kraamverblijven aan deze én andere panden gerealiseerd zijn en de gewenningsperiode verstreken zijn voordat één van de oorspronkelijke kraamverblijven ongeschikt kan worden gemaakt. Op de locatie van de oefenloodsen 3 en 4 staat infrastructuur ingepland. De aanleg van de beoogde weg wordt op deze locatie uitgesteld tot de permanente verblijven in de uiteindelijke bebouwing gereed is. Na een gewenningsperiode worden de oefenloodsen gesloopt om ruimte te maken voor de projectontwikkeling.

Figuur 5.4 De oefenloodsen op het terreindeel Midden

23/43

Kenmerk

5.1.4

R001-1272659MFO-V02-mwl-NL

Bolle boomkasten

Maatregel Er zijn enkele zomer-/paarverblijven van ruige dwergvleermuis aangetroffen op de terreindelen Midden en Zuid. De tijdelijke alternatieve verblijfplaatsen voor de ruige dwergvleermuizen worden gerealiseerd in de vorm van bolle vleermuiskasten aan bomen. In totaal zullen 20 kasten geplaatst worden binnen een straal van 200 meter van de verblijfplaatsen van de ruige dwergvleermuizen. Een deel van deze kasten wordt geplaatst aan bomen op het terrein van het Goois Natuurreservaat (GNR). Compensatiefactor Voor de kasten aan bomen geldt een compensatiefactor van één. Met de zestien geplaatste kasten wordt tijdelijk alternatief geboden voor vier zomer-/paarverblijfplaatsen van ruige dwergvleermuis. Hiermee wordt ook compensatie vervuld voor de verblijfplaats in een boom die is aangetroffen op terreindeel Midden. Het is nog niet zeker of deze verblijfplaats verloren raakt door de geplande werkzaamheden aan het terrein. Wanneer dit het geval blijkt, wordt daar een ontheffing voor aangevraagd. Planning Wanneer de bolle kasten geplaatst zijn en de gewenningsperiode voor de verblijven verstreken is, kan begonnen worden met het ongeschikt maken van de drie verblijfplaatsen van ruige dwergvleermuizen. De kasten blijven minstens hangen totdat de bouwwerkzaamheden op het projectgebied zijn afgerond en de gewenningsperioden van de gerealiseerde permanente maatregelen verstreken is.

Figuur 5.5 Voorbeeld van een bolle vleermuiskast voor ruige dwergvleermuis (Bron: VivaraPro)

24/43

Kenmerk

5.2

R001-1272659MFO-V02-mwl-NL

Tijdelijk behoud verblijven door uitstellen sloop

Maatregel In gebouw A is tijdens het nader onderzoek één zomer-/paarverblijf van gewone dwergvleermuis aangetroffen en één verblijf van gewone dwergvleermuis die dienstdoet als zowel zomer- als kraamverblijf. Het gebouw doet op het moment dienst als sociale en duurzame werk- en ontmoetingsplaats. Het gebouw blijf behouden totdat er binnen vijftig meter een gebouw is gerealiseerd met permanente compenserende inpassingen. Door deze werkwijze hoeven vleermuizen minder vaak van verblijfplaats te wisselen en blijft het kraamverblijf behouden totdat er geschikte permanente mogelijkheden gerealiseerd zijn waar de kraamkolonie kan intrekken. Compensatiefactor Door de sloop van het gebouw A uit te stellen, vervalt de noodzaak van tijdelijke compensatie voor één paarverblijfplaats en één zomer-/kraamverblijfplaats. De kraamkolonie blijft op die wijze gebruik maken van het oorspronkelijke verblijf in het gebouw. Daarnaast heeft het gebouw dezelfde vorm als het gebouw B, waar ook een kraamverblijf in is aangetroffen. In de periode tussen de sloop van gebouw B en de realisatie van permanente voorzieningen, kan de kraamkolonie, naast andere getroffen tijdelijke alternatieven, ook uitwijken naar het gebouw A.

Planning Gebouw A blijft behouden totdat de gewenningsperiode verstreken is van de inpassingen in permanente bebouwing ten minste vijftig meter van de oorspronkelijke kraamverblijfplaats.

Figuur 5.6 Gebouw B op terreindeel Zuid. Dit gebouw heeft dezelfde vorm als gebouw A

5.3

Permanente alternatieven

De te realiseren permanente alternatieve verblijfplaatsen volgen de geldende voorwaarden voor zomer-, paar-, kraam-, en winterverblijfplaatsen zoals beschreven in de kennisdocumenten gewone dwergvleermuis (BIJ12, 2017b) en ruige dwergvleermuis (BIJ12, 2017c). De nieuwe zomer-/paarverblijfplaatsen worden binnen 250 meter en zo dicht mogelijk bij de oorspronkelijke verblijven gerealiseerd. De nieuwe kraamverblijven worden zoveel als mogelijk binnen 50 meter van de oorspronkelijke verblijfplaatsen worden gerealiseerd.

25/43

Kenmerk

R001-1272659MFO-V02-mwl-NL

De permanente compenserende maatregelen binnen het project bestaan onder andere uit paalkasten, een faunahuis en het treffen van inpassingen aan gevels van te renoveren en te bouwen panden. Er is bewust gekozen om niet alleen gebruik te maken van standaardoplossingen zoals het inbouwen van vleermuiskasten aan gevels. Juist door zoveel mogelijk gebruik te maken van (reeds aanwezig) spouwmuren worden permanente inpassingen aangeboden die overeenkomen met de oorspronkelijke verblijfplaatsen. Een aantal van de permanente verblijven worden opgeleverd voordat er gebouwen gesloopt zullen worden. Hiermee wordt het aantal tijdelijke alternatieven verkleint en hoeven vleermuizen minder vaak van verblijfplaats te wisselen. Op deze wijze wordt ook de compensatie van de winterverblijfplaats gewaarborgd. Tijdelijke compensatie van een winterverblijf is namelijk niet mogelijk (BIJ12, 2017b). Er wordt vanuit gegaan dat inpassingen die geschikte compensatie van kraamverblijven bieden, ook geschikte compensatie van de kleine winterverblijfplaats bieden. In dit hoofdstuk wordt per maatregel beschreven wat deze inhoudt, wat de geschatte compensatiefactor van de maatregel is en wanneer de realisatie gepland is. Figuur 5.1 geeft de locaties van de voorgenomen compenserende maatregelen.

De compensatiefactor is voor de maatregelen aan gebouwen conservatief geschat zodat gegarandeerd is dat er voldoende maatregelen getroffen worden. Op die manier is nooit sprake van ondercompensatie, hooguit van overcompensatie. Tabel 5.1 vat de te nemen maatregelen en de compensatiewaarde van de maatregelen samen. De technische ontwerpen van de aan te brengen inpassingen zijn op het moment van schrijven nog niet volledig. De technische ontwerpen van tijdelijke maatregelen worden opgesteld met een ter zake kundig ecoloog om de functionaliteit voor vleermuizen te waarborgen. Hetzelfde geldt voor de exacte planning van de bouw- en sloopwerkzaamheden. 5.3.1

Badhuizen gebouw 18 en 26

Maatregel De gebouwen 18 en 26 betreffen voormalige badhuizen. De gebouwen worden gerenoveerd en blijven behouden in het uiteindelijke ontwerp van het gebied. Tijdens de nader onderzoeken zijn geen verblijven van vleermuizen aangetroffen in de gebouwen. De dakoverstekken worden bereikbaar gemaakt voor vleermuizen. Via de dakoverstekken kunnen de vleermuizen ook de spouwmuur en ruimte onder de dakpannen betreden. De exacte invulling van de gebouwen is nog onbekend. Wanneer er geen gebruik gemaakt gaat worden van de schoorstenen op de gebouwen, worden deze ingericht voor vleermuizen door schotten te plaatsen en de schoorsteen via stootvoegen bereikbaar te maken. Compensatiefactor De beschreven maatregelen hebben per gebouw een compensatieactor van vier voor zomer/paarverblijven en, vanwege de nabije ligging bij de oorspronkelijke kraamkolonies, een compensatiefactor van twee voor kraamverblijven. De beschreven maatregelen compenseren daarmee tezamen twee zomer-/paarverblijven en één kraamverblijf.

26/43

Kenmerk

R001-1272659MFO-V02-mwl-NL

Planning De renovatie van de buitenzijde van de gebouwen is in de planning naar voren geschoven. Daardoor is het mogelijk om permanente maatregelen aan de gebouwen te treffen voordat er op het terreindeel Zuid andere gebouwen gesloopt worden. Wanneer de maatregelen zijn afgerond en de gewenningsperiode verstreken, kan begonnen worden met het ongeschikt maken van twee zomer-/paarverblijven en één kraamverblijf en/of het winterverblijf.

Figuur 5.7 Het badhuis, gebouw 18 op terreindeel Zuid. Gebouw 26 heeft dezelfde vorm en maten

5.3.2

Onderstation Liander

Maatregel Netbeheerder Liander bouwt op het terreindeel Zuid een onderstation. Aan de gevel van dit gebouw worden voorzetwanden geplaatst waardoor spouwmuren ontstaan. Door het aanbrengen van stootvoegen is de spouwmuur toegankelijk voor vleermuizen. Compensatiefactor Gezien het formaat van het gebouw en de ligging nabij de oorspronkelijke verblijven wordt voor het onderstation uitgegaan van een compensatiefactor van vier voor zomer-/paarverblijven en een factor van twee voor kraamverblijven. Dit houdt in dat met de realisatie van het gebouw één zomer-/paarverblijf en een half kraamverblijf permanent is gecompenseerd. Planning Omdat het gebouw onderdeel uitmaakt van de energievoorziening voor de nieuwe woon- en werkwijk, is deze al in een vroeg stadium van de ontwikkeling gereed (naar verwachting in 2021). Het gebouw blijft vervolgens staan als permanente bebouwing van de wijk. Wanneer de maatregelen zijn afgerond en de gewenningsperiode verstreken, kan begonnen worden met het ongeschikt maken van één zomer-/paarverblijven. en één kraamverblijf en/of het winterverblijf. Daarnaast moeten de maatregelen voor kraamverblijven aan dit én andere panden gerealiseerd zijn en de gewenningsperiode verstreken zijn voordat één van de oorspronkelijke kraamverblijven of het winterverblijf ongeschikt kan worden gemaakt.

27/43

Kenmerk

5.3.3

R001-1272659MFO-V02-mwl-NL

Paalkasten

Maatregel Er worden zes paalkasten geplaatst nabij de twee kraamverblijven op het terreindeel Zuid. Door paalkasten rond het tijdelijk behouden gebouw A, de badhuisgebouwen 18 en 26 en het KMAR te plaatsen, wordt gezorgd voor voldoende baltslocaties rond de gerealiseerde kraamverblijven. Daardoor blijft de functionaliteit van de kraamkolonie ook gewaarborgd. De paalkasten worden gemaakt door de sociale AltijdWerkplaats, waardoor met het voornemen met de realisatie een sociaal en duurzaam initiatief gemoeid is. Uit de monitoring van tijdelijke verblijven in deelgebied Noord blijkt dat deze paalkasten voor deze kolonie vleermuizen reeds als zomerverblijf worden gebruikt, in het najaar is nog geen bezoek gebracht aan de kasten. Compensatiefactor Er wordt voor de paalkasten uitgegaan van een compensatiefactor van vier. Dit houdt in dat één paalkast één zomer-/paarverblijf compenseert. Planning De paalkasten hebben een permanent karakter en blijven in de nieuwe woon- en werkwijk behouden als duurzame inrichting in het projectgebied. Na het plaatsen van de paalkasten en het verstrijken van de gewenningsperiode kan begonnen worden met het ongeschikt maken van zes zomer-/paarverblijven.

Figuur 5.8 Voorbeeld van een paalkast (Bron: Faunusnature)

5.3.4

Faunahuis

Maatregel Op het terrein wordt één faunahuis geplaatst. Deze robuuste bouwwerken, met een begaanbare spouw, en een vulling met schotten biedt legio aan mogelijkheden voor vleermuizen. De faunatoren bevat niet alleen inpassingen voor vleermuizen, maar biedt ook nestgelegenheid voor vogels.

28/43

Kenmerk

R001-1272659MFO-V02-mwl-NL

Compensatiefactor Voor het faunahuis wordt een compensatiefactor van vier aangenomen voor zowel zomer/paarverblijven als voor kraamverblijven. Dit houdt in dat het te plaatsen faunahuis één kraamverblijf en één zomer-/paarverblijf permanent compenseert. Planning Het betreft een permanente voorziening die in de nieuwe wijk wordt geïntegreerd. Wanneer het faunahuis is gerealiseerd en de gewenningsperiode verstreken, kan begonnen worden met het ongeschikt maken van één zomer-/paarverblijf en één kraamverblijf en/of het winterverblijf.

Figuur 5.9 Twee voorbeelden van faunahuizen (bron foto links: Faunusnature, bron foto rechts: Ranox)

5.3.5 Voorzieningen in permanente bebouwing Op het moment van schrijven zijn de bouwplannen voor het gebied nog niet concreet uitgewerkt. Wel is een concept vlekkenplan (zie verbeelding in paragraaf 2.7, Buurtschap Crailo, 2019) van het ontwikkelgebied beschikbaar, welke nog kan wijzigen richting de uiteindelijke invulling. De te realiseren wijk bestaat uit duurzame en natuurinclusieve bebouwing. De gebouwen op het terreindeel Midden en Zuid zullen gebouwd worden met vleermuisvoorzieningen die overeenkomen met ten minste 84 zomer-/paarkasten, 8 kraamkasten en 4 grote kasten die ook als klein winterverblijf kunnen fungeren. De inpassingen zullen echter niet alleen maar uit inbouwkasten bestaan. Zo worden er ook spouwmuren van bebouwing toegankelijk gemaakt, worden extra voorzetwanden geplaatst en boeiboorden gemonteerd. Verder worden er daken en dakoverstekken toegankelijk gemaakt. Op die manier wordt voor een integrale aanpak gekozen en wordt een grotere diversiteit aan type permanente alternatieve verblijven aangeboden. De compenserende verblijven sluiten beter aan op de oorspronkelijke, verloren verblijfplaatsen, dan wanneer alleen standaardmatige inbouwkasten worden gebruikt. Door voor de compensatie van de zomer-/paarverblijven gebruik te maken van grotere inpassingen, zijn de gerealiseerde verblijven multifunctioneel voor vleermuizen.

29/43

Kenmerk

R001-1272659MFO-V02-mwl-NL

Tabel 5.1 Maatregelen die genomen worden om de verloren verblijfplaatsen te compenseren. De genoemde maatregelen moeten garanderen dat er voldoende verblijven beschikbaar zijn totdat in de uiteindelijke bebouwing voldoende permanente alternatieven beschikbaar zijn Locatie

Maatregelen

Compensatiefactor*

Compensatiefactor*

Tijdelijk/

zomer-/paarverblijf

kraamverblijf **

permanent

Bolle kasten

20 kasten aan bomen

20

Tijdelijk

Gebouw 20

Spouwmuur bereikbaar

6

Tijdelijk

6

Tijdelijk

maken dmv stootvoegen, boeiboorden aanbrengen

Gebouw 21

Spouwmuur bereikbaar maken dmv stootvoegen, boeiboorden aanbrengen

KMAR-gebouw

Spouwmuur beter

8

4

Tijdelijk

4

1

Tijdelijk

4

1

Tijdelijk

4

4

Tijdelijk

bereikbaar maken dmv stootvoegen, boeiboorden aanbrengen

Oefenloods 3

Spouwmuur bereikbaar maken dmv stootvoegen, boeiboorden aanbrengen

Oefenloods 4

Spouwmuur bereikbaar maken dmv stootvoegen, boeiboorden aanbrengen

Gebouw A

Behouden gebouw met één zomer-/paarverblijf en

behouden

één zomer-/kraamverblijf

Gebouw 18

Spouwmuur bereikbaar

4

2

Permanent

4

2

Permanent

maken via dakoverstekken, stootvoegen aanbrengen

Gebouw 26

Spouwmuur bereikbaar maken via dakoverstekken, stootvoegen aanbrengen

30/43

Kenmerk

R001-1272659MFO-V02-mwl-NL

Locatie

Maatregelen

Onderstation Liander

Voorzetwand in

Compensatiefactor*

Compensatiefactor*

Tijdelijk/

zomer-/paarverblijf

kraamverblijf **

permanent

4

2

Permanent

nieuwbouw

Paalkasten

6 paalkasten rond

24

(alternatieve) kraamverblijven

Faunatoren

1 faunahuis ontworpen

4

4

voor vleermuizen

* Een compensatiefactor van één komt overeen met het plaatsen van één tijdelijke, of inbouwvleermuizenkast. Dit houdt in dat met een compensatiefactor van vier, er één oorspronkelijk verblijf is gecompenseerd. ** Er wordt vanuit gegaan dat maatregelen die geschikt zijn als compensatie van een kraamverblijf, ook geschikt zijn om te dienen als kleine winterverblijfplaats.

5.4

Gewenning tijdelijke verblijfplaatsen

De compenserende verblijfplaatsen dienen geruime tijd voor de start van sloopwerkzaamheden van gebouwen met vleermuisverblijven gereed te zijn, zodat voldoende gewenning plaats kan vinden aan deze nieuwe verblijfplaatsen (BIJ12, 2017b; BIJ12, 2017c). Voor kraamverblijfplaatsen geldt dat compenserende verblijven ten minste één volledig kraamseizoen voorafgaand aan de sloopwerkzaamheden beschikbaar zijn. Voor de zomer- en paarverblijven wordt een gewenningsperiode van minimaal zes maanden aangehouden binnen de actieve periode van vleermuizen (1 april t/m 1 november). De oorspronkelijke verblijven worden pas ongeschikt gemaakt na het volledig verstrijken van de genoemde gewenningsperiode. De tijdelijke verblijfplaatsen blijven aanwezig tot permanente alternatieven zijn gerealiseerd en de benoemde gewenningsperiode van de permanente verblijven is verstreken.

5.5

Sloop gebouwen

Met de sloop van de gebouwen wordt rekening gehouden met kwetsbare perioden van de betreffende functies voor vleermuizen die in de gebouwen aanwezig zijn. Met het ongeschikt maken van de kraamverblijven wordt rekening gehouden met de kraamperiode van gewone dwergvleermuizen. Binnen de kraamperiode kunnen geen werkzaamheden aan de panden worden verricht. Dit houdt in dat de sloopwerkzaamheden aan deze panden niet plaats vinden in de periode tussen 15 mei en 15 juli (BIJ12, 2017b). Er wordt aangenomen dat de gebouwen met zomer-/paarverblijven mogelijk voorzien in een jaarrond gebruik door vleermuizen als zomer-, paar- en solitair winterverblijf. Werkzaamheden om de verblijven ongeschikt te maken worden uitgevoerd in de minst kwetsbare perioden.

31/43

Kenmerk

R001-1272659MFO-V02-mwl-NL

Dit houdt in dat het ongeschikt maken van zomer-/paarverblijven van gewone dwergvleermuizen gebeurt in de periode tussen 15 april en 15 mei en tussen 1 september en 15 oktober (BIJ12, 2017b). Zomer-/paarverblijven van ruige dwergvleermuizen worden ongeschikt gemaakt in de periode tussen 15 april en 15 augustus (BIJ12, 2017c). Met het ongeschikt maken van het kleine winterverblijf wordt rekening gehouden met de winterrust van gewone dwergvleermuizen. Binnen de winterperiode kunnen geen werkzaamheden aan de panden worden verricht. dit houdt in dat de sloopwerkzaamheden aan dit pand niet plaats kan vinden in de periode tussen 1 november en 31 maart (BIJ12, 2017b).

5.6

Begeleiding

Voor de sloop wordt voor ieder gebouw bepaald welke maatregelen genomen moeten worden om de aanwezigheid van vleermuizen tijdens de werkzaamheden uit te sluiten. Alle gebouwen hebben een andere bouwstijl waardoor de verblijfplaatsen in de gebouwen op andere wijzen betreden kunnen worden door vleermuizen. Daardoor is niet van tevoren één methode aan te wijzen waarmee vleermuizen uit de gebouwen geweerd kunnen worden. Het bepalen van de beste methode en planning wordt bepaald door een ter zake kundig ecoloog in overleg met een aannemer en de opdrachtgever GEM Crailo. Het weren van vleermuizen uit de gebouwen kan volbracht worden volgens één van de volgende methoden, deze opsomming van methoden is niet limitatief: • Het plaatsen van exclusion flaps • Een ochtendbezoek waarbij het gebouw gemonitord wordt op invliegers •

Na een ochtendbezoek het afsluiten van niet-gebruikte openingen waarna na het uitvliegen de laatste opening afgesloten wordt

Een ter zake kundige op het gebied van vleermuizen monitort voorafgaand en tijdens de werkzaamheden en ziet erop toe dat de werkzaamheden op correcte wijze worden uitgevoerd. Ook begeleidt een ter zake kundige de plaatsing van de permanente nestvoorzieningen. Ten tijde van het schrijven van dit activiteitenplan is nog onduidelijk welke persoon als ter zake kundige zal worden ingezet. Deze persoon dient ten minste aan één van de volgende eisen te voldoen om op te kunnen treden als ter zake kundige (conform de omschrijving van het bevoegd gezag): • Op HBO, dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt • •

(Nederlandse) ecologie en/of Als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau dat is aangesloten bij het netwerk Groene Bureaus en/of Zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenbescherming en is aangesloten bij de daarvoor in Nederland bestaande organisaties (zoals Das en Boom, VZZ, RAVON, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch genootschap, KNNV, NJN, EIS Nederland, FLORON, VOFF, SOVON, et cetera)

De ecologische adviseurs van Tauw voldoen aan bovenstaande criteria.

32/43

Kenmerk

5.7

R001-1272659MFO-V02-mwl-NL

Afhankelijkheid van derden

Bij de uitvoering van de maatregelen is GEM Crailo afhankelijk van het Goois Natuurreservaat (GNR) voor het plaatsen van een deel van de kasten aan de bomen buiten het projectgebied. Daarnaast is het GEM Crailo afhankelijk van omwonenden die de compensatiekasten voor vleermuizen van het terreindeel Noord aan hun gevel hebben opgenomen voor de ontheffing van de verblijfplaatsen daar (OD NHN, 2019). De periodisering van de werkzaamheden wordt in het bestek opgenomen, en het ophangen van de tijdelijke kasten wordt door de GEM Crailo zelf gedaan en/of uitbesteed, onder begeleiding van een ter zake kundig ecoloog. Het onderliggende projectplan wordt opgenomen in het bestemmingsplan voor Crailo. Zodoende stelt de gemeente de uitvoerende partij verplicht om zich te conformeren aan de maatregelen die in dit projectplan genoemd zijn.

5.8

Monitoring

Voor herontwikkeling van het projectgebied Crailo worden meerdere vleermuisverblijven aangetast. Voor terreindeel Noord is hier reeds een ontheffing voor verkregen (OD NHN, 2019). Gezien de grootte van de ontwikkeling en het aantal verblijfplaatsen dat is aangetroffen binnen het projectgebied, is het noodzakelijk dat de populatie vleermuizen die van het projectgebied gebruik maakt, te aller tijden voldoende geschikte (alternatieve) verblijven ter beschikking heeft. Met de in dit hoofdstuk beschreven maatregelen zijn altijd ruim voldoende verblijfplaatsen aanwezig. Echter, om zeker te zijn dat de populatie vleermuizen gebruik maakt van de aangeboden alternatieven, en daarmee daadwerkelijk voldoende verblijfplaatsen beschikbaar heeft, is monitoring van de verblijven vereist. Daarnaast wordt door het gebruiken van paalkasten en een faunahuis gebruik gemaakt van maatregelen waarvan de effectiviteit nog niet volledig is aangetoond (BIJ12, 2017b). Monitoring draagt bij aan het verkrijgen van een beter inzicht in de functionaliteit van deze inpassingen. Om die reden is voor de reeds gerealiseerde compensatie van het deelgebied Crailo Noord ook een monitoringsplan opgezet. Jaarlijks worden de kasten gecontroleerd op bezetting en eventueel opgelopen schade. Het verslag van de eerste monitoringsronde, uitgevoerd in juni 2020 is te vinden in bijlage 3.

Het huidige monitoringsplan wordt als onderdeel van onderliggende ontheffingsaanvraag uitgebreid met de tijdelijke en permanente compensatieverblijven voor deelgebieden Midden en Zuid. De jaarlijkse monitoring zal duren tot twee jaar na de afronding van de ontwikkeling. Wanneer uit de monitoring blijkt dat de gerealiseerde alternatieve verblijven niet bezet worden door vleermuizen, zullen de alternatieve verblijven aangepast worden of zullen meer alternatieven geplaatst worden. Daarnaast wordt tijdens de monitoring gecontroleerd of de verblijven beschikbaar en bereikbaar zijn en worden eventuele beschadigingen hersteld. De rapportage van de monitoring wordt gedeeld met het GEM Crailo en de OD NHN.

33/43

Kenmerk

R001-1272659MFO-V02-mwl-NL

6 Effecten op de staat van instandhouding 6.1

Staat van instandhouding gewone dwergvleermuis

6.1.1 Ecologie van gewone dwergvleermuis Gewone dwergvleermuizen maken door het jaar heen gebruik van een netwerk van zomer-, paar, winter-, en kraamverblijfplaatsen (Sachteleben, 2006, Dietz et al., 2011, Broekhuizen, 2016, BIJ12, 2017b). De eisen die gewone dwergvleermuizen aan hun verblijfplaats stellen wisselen sterk per type verblijfplaats. Aan kraamverblijfplaatsen worden hoge eisen gesteld. Voor hun paarverblijfplaatsen zijn gewone dwergvleermuizen weinig kritisch. Verblijfplaatsen bevinden zich, afhankelijk van de functie, in spouwmuren, achter gevelbekleding, achter boeiboorden en onder smetplanken achter de goot. De grootte van de populatie en het netwerk is sterk afhankelijk van het voedselaanbod en beschikbare verblijfplaatsen. Incidenteel worden in zachte winters de paarverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis ook als winterverblijfplaats door één of enkele individuen gebruikt. Bij erg koude omstandigheden worden deze winterverblijfplaatsen echter wel verlaten en ingeruild voor grote massawinterverblijfplaatsen. Uit onderzoek blijkt dat de gewone dwergvleermuis maximaal 5 kilometer van zijn verblijfplaats foerageert (Broekhuizen, 2016). De gemiddelde omvang van een foerageergebied beslaat 92 Ha (Dietz et al. 2011).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10309237/1