CConstaterende datLansingerland
Koppel je AI →
Document · PDF

[T25.06692] Omgevingsplanwijziging Lange Vaart

Gemeenteraad 27 november 2025, gemeente LansingerlandBij agendapunt: Vaststellen omgevingsplanwijziging "Lange Vaart" Bleiswijk ( motie L3B en amendement CDA)34.895 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Subparagraaf 5.1.2 Besluit activiteiten leefomgeving Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat algemene regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving, die gelden voor burgers, bedrijven en overheden. Deze regels gelden naast het omgevingsplan en moeten altijd in acht worden genomen op het moment dat bepaalde activiteiten in de fysieke leefomgeving worden uitgevoerd. 27

De regels van het Bal zijn afkomstig uit een tiental AMvB's en wetten (o.a. het voormalige Activiteitenbesluit). Het Rijk stelt deze regels vanwege de aan haar toebedeelde taken (bijvoorbeeld met betrekking tot watersystemen en bepaalde infrastructuur), met het oog op een gelijk speelveld en gelijk beschermingsniveau (bijvoorbeeld bij bepaalde milieubelastende activiteiten), of in verband met internationaalrechtelijke verplichtingen (bijvoorbeeld bij werelderfgoed en Natura-2000 activiteiten). Onder voorwaarden is het toegestaan om aanvullend op de regels uit het Bal, regels in het omgevingsplan op te nemen. Daarnaast is het toegestaan om in het omgevingsplan onder voorwaarden af te wijken van de regels uit het Bal. Hoofdregel daarbij is dat deze decentrale regels geen verruiming mogen inhouden ten opzichte van het beschermingsniveau dat het Bal biedt. Het Bal bepaalt niet dat zaken in het omgevingsplan geregeld moeten worden. Het Bal bevat regels waaraan (met name de zwaardere milieubelastende) activiteiten moeten voldoen, en bepaalt voor welke activiteiten een melding of een omgevingsvergunning (op grond van het Bal) nodig is. Afwijken van of aanvullen op het Bal is alleen mogelijk als dit uitdrukkelijk in het Bal is opgenomen (via maatwerkregels, maatwerkvoorschriften of een gelijkwaardige maatregel).

Subparagraaf 5.1.3 Besluit bouwwerken leefomgeving De regels uit het Bbl komen veelal overeen met regels uit het Bouwbesluit 2012. Het Bbl bevat rechtstreeks werkende regels, algemene rijksregels over activiteiten die betrekking hebben op bouwwerken, zoals gebruik, bouwen en slopen, en regels over aspecten als veiligheid, duurzaamheid en gezondheid. Het Bbl regelt met name de technische aspecten van een bouwwerk. Het ruimtelijke deel van het bouwen wordt met name in het omgevingsplan geregeld. De onderwerpen waarover rijksregels gesteld zijn, zijn uitputtend geregeld. Dit betekent dat indien over een onderwerp geen rijksregels gesteld zijn, de gemeente de bevoegdheid heeft om daar regels over te stellen. Met de Omgevingswet is de omgevingsvergunning voor bouwen in een 'technisch' en 'ruimtelijk' deel opgedeeld. Dit is de zogenoemde knip, wat maakt dat de activiteit voor bouwen feitelijk uit twee afzonderlijke activiteiten bestaat: de technische bouwactiviteit en de omgevingsplanactiviteit voor bouwwerken. De technische bouwactiviteit Deze activiteit gaat over de toets van een aanvraag aan de regels voor de technische bouwkwaliteit uit het Bbl, denk bijvoorbeeld aan de constructieve veiligheid van een bouwwerk. Het is niet mogelijk af te wijken van de regels over de technische bouwactiviteit uit het Bbl in het omgevingsplan.

De omgevingsplanactiviteit voor een bouwwerk Deze activiteit gaat over de toets van het bouwen van een bouwwerk voor het ruimtelijk bouwen, het in stand houden en het gebruiken van een bouwwerk aan het omgevingsplan. Deze omgevingsplanactiviteit bestaat dus uit het juridisch mogelijk maken van de feitelijke bouwactiviteit. Hierbij gaat het onder andere om regels over de omvang van het bouwwerk (hoogte, oppervlakte en dergelijke), alsmede om het uiterlijk van een bouwwerk (welstand). Deze regels zijn niet alleen opgenomen in het Bbl (zoals de van rechtswege vergunningvrije bouwwerken), maar staan ook in de Bruidsschat. In de Bruidsschat staan regels die door het Rijk zijn gedecentraliseerd richting gemeenten. Van de regels in de Bruidsschat kan worden afgeweken in het omgevingsplan. Door de knip bepaalt de gemeente nu zelf in het omgevingsplan voor welke omgevingsplanactiviteiten een vergunningplicht geldt en onder welke voorwaarden.

28

Vergunningvrij bouwen Zowel voor de technische bouwactiviteit als voor de omgevingsplanactiviteit voor een bouwwerk heeft het Rijk vergunningvrije gevallen aangewezen in het Bbl. Hier kan lokaal niet van worden afgeweken. Voor de omgevingsplanactiviteit voor een bouwwerk zijn ook vergunningvrije gevallen aangewezen in de Bruidsschat. De Bruidsschat werkt hierin aanvullend op het Bbl. Voor deze gevallen kan in het omgevingsplan worden bepaald welke daarvan in het (nieuwe) deel van het omgevingsplan worden opgenomen. Subparagraaf 5.1.4 Besluit kwaliteit leefomgeving Het Besluit kwaliteit leefomgeving richt zich op bestuursorganen en geeft inhoudelijke normen voor de uitoefening van hun taken en bevoegdheden. Het Bkl bevat onder andere instructieregels voor omgevingsplannen. Deze instructieregels zijn opdrachten aan de gemeente over hoe zij bepaalde onderwerpen in het omgevingsplan moet regelen. Ze kunnen worden opgevat als de minimale vereisten waaraan een omgevingsplan in het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet voldoen. De instructieregels hebben bijvoorbeeld betrekking op milieuaspecten zoals geluid, veiligheid en geur. De instructieregels voor omgevingsplannen zijn in hoofdstuk 5 van het Bkl opgenomen.

Daarbij is bepaald (artikel 8.0b) dat deze instructieregels ook van toepassing zijn op de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Er zijn drie typen instructieregels, die ieder iets zeggen over de mate waarin de gemeente afwegingsruimte heeft bij het opstellen van het omgevingsplan: ^ 'Betrekken bij': deze instructieregel geeft aan dat de gemeente een grote bestuurlijke afwegingsruimte heeft. Deze instructieregel geeft de opdracht aan de gemeente om bepaalde (verwachtingen van) feiten te betrekken bij de besluitvorming. ^ 'Rekening houden met': deze instructieregel geeft aan dat de gemeente een bestuurlijke afwegingsruimte binnen de bandbreedte van de instructieregel. Er geldt een standaardwaarde waarvan kan worden afgeweken. Die afwijking moet worden gemotiveerd. ^ 'In acht nemen': deze instructieregel geeft aan dat de gemeente geen afwegingsruimte heeft en dat de gemeente aan deze instructieregel moet voldoen. De instructieregels die in het Bkl voor omgevingsplannen (en buitenplanse omgevingsplanactiviteiten) zijn gesteld, hebben betrekking op verschillende onderwerpen. In het algemeen stelt het Bkl instructieregels over de volgende aspecten: Paragraaf 5.1.1 5.1.2 5.1.3 5.1.4

Inhoud Algemene bepalingen Waarborgen van de veiligheid Beschermen van de waterbelangen Beschermen van de gezondheid en van het milieu

5.1.5

Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed

29

Onderwerp Dienstenrichtlijn. (Omgevings)veiligheid. Waterkwaliteit en waterveiligheid. Luchtkwaliteit, geluid door activiteiten, geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen, trillingen, slagschaduw van windturbines, bodemkwaliteit, geur. Ladder voor duurzame verstedelijking, cultureel erfgoed en werelderfgoed.

5.1.6

Behoud van ruimte voor toekomstige functies

5.1.7

Behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten Gebruik van bouwwerken

5.1.7a 5.1.8

Bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen

5.2

De uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving

5.3

Ontheffingsmogelijkheden van instructieregels omgevingsplan

Reserveringsgebieden voor autowegen, autosnelwegen, hoofdspoorwegen en buisleidingen. Landsverdediging en nationale veiligheid, radar, vliegroutes, elektriciteit, vaarwegen. Aanwijzing van woningbouwcategorieën. Bevorderen van de toegankelijkheid voor personen met een functiebeperking. Voorkomen van belemmeringen gebruik en beheer hoofdspoorweginfrastructuur, rijkswegen en lokale spoorwegen, Lozen industrieel afvalwater in openbaar vuilwaterriool onder voorwaarden, bebouwingscontouren jacht en houtkap.

Subparagraaf 5.1.5 Omgevingsbesluit In het Omgevingsbesluit (Ob) zijn procedurele bepalingen opgenomen ten aanzien van de besluitvorming rondom omgevingsvergunningen, bevoegdheden, adviseurs, etc. Omdat deze regels geen gevolgen hebben voor de inhoud van het omgevingsplan, wordt daarop in deze toelichting niet nader ingegaan. Subparagraaf 5.1.6 Rijks voorbeschermingsregels Het Rijk heeft voorbescherming geboden aan het oprichten van Hyperscala datacentra. Deze regels zijn inmiddels vertaald in het Bkl. Met de ontwikkeling Lange Vaart worden geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt die in strijd zijn met de voorbeschermingsregels van het Rijk.

Relatie tot de omgevingsplanwijziging In hoofdstuk 6 worden de verschillende omgevingsaspecten uiteengezet. In dat hoofdstuk is per omgevingsaspect te aangetoond hoe invulling is gegeven aan bovenstaande instructieregels en waar nodig de koppeling met de andere AMvB's. Voor dit plangebied zijn in het bijzonder de volgende instructieregels relevant: - Paragraaf 5.1.2 van het Bkl, waarin instructieregels zijn opgenomen inzake het waarborgen van de veiligheid. In paragraaf 6.5 wordt toegelicht dat wordt voldaan aan de instructieregels van het Bkl ten aanzien van (omgevings)veiligheid; - Paragraaf 5.1.3 van het Bkl, waarin instructieregels zijn opgenomen inzake het beschermen van waterbelangen. In paragraaf 6.20 wordt toegelicht dat wordt voldaan aan de instructieregels van het Bkl ten aanzien van de bescherming van waterbelangen; - Paragraaf 5.1.4 van het Bkl, waarin instructieregels zijn opgenomen inzake het beschermen van de gezondheid en het milieu. In hoofdstuk 6 wordt in verschillende paragrafen ingegaan op de afzonderlijke gezondheids- en milieuaspecten, zoals geluid, geur en luchtkwaliteit. Hierin wordt ook de relatie tot de instructieregels van het Bkl betrokken;

30

-

Paragraaf 5.1.5.4 van het Bkl, waarin instructieregels zijn opgenomen inzake het voldoen aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. In paragraaf 6.12 wordt toegelicht dat wordt voldaan aan de Ladder voor duurzame verstedelijking; - Paragraaf 5.1.5.5 van het Bkl, waarin instructieregels zijn opgenomen inzake het beschermen van cultureel erfgoed. In paragraaf 6.3 wordt toegelicht dat aan deze instructieregels wordt voldaan; - Paragraaf 5.1.7a van het Bkl, waarin instructieregels zijn opgenomen inzake het aanwijzen van woningbouwcategorieën. In paragraaf 6.21 wordt toegelicht dat aan deze instructieregels wordt voldaan; - Paragraaf 5.1.8 van het Bkl, waarin instructieregels zijn opgenomen voor het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen. In paragraaf 6.22 wordt toegelicht dat aan deze instructieregels wordt voldaan. Met de ontwikkeling Lange Vaart worden geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt die in strijd zijn met de voorbeschermingsregels van het Rijk.

Paragraaf 5.2 Juridische kaders provincie Subparagraaf 5.2.1 Zuid-Hollandse omgevingsverordening (ZHOV) Naast één omgevingsvisie moet de provincie onder de Ow ook één omgevingsverordening vaststellen voor haar grondgebied. De Herziening 2024 van het Omgevingsbeleid van de provincie Zuid-Holland is op 11 december 2024 vastgesteld en op 18 februari 2025 in werking getreden. De Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (ZHOV) vervangt de voorheen geldende 'Omgevingsverordening Zuid-Holland'. De omgevingsverordening bevat alle provinciale regels op het gebied van de fysieke leefomgeving. Dat zijn rechtstreeks werkende regels, maar ook instructieregels. De instructieregels voor gemeentelijke omgevingsplannen staan in afdelingen en richten zich op de volgende thema's: Paragraaf 7.3.1 7.3.2

Inhoud Algemeen Externe veiligheid (omgevingsveiligheid)

7.3.4

Waterkeringen

7.3.5

Grondwaterkwaliteit

7.3.6 7.3.6a

LiB-5 contour Schiphol Toekomstbestendig bouwen en ontwikkelen Ruimtelijke kwaliteit

7.3.7

Onderwerp Risicogebieden externe veiligheid, groepsrisicobenadering, veiligheidszonering Nieuwe Waterweg en Nieuwe Maas, Niet-basisnet transportroutes. Het beschermen van regionale waterkeringen en het veiligstellen van profiel van vrije ruimte ten behoeve van toekomstige versterking van een waterkering. Toelaten van bouwactiviteiten op een grondwatergevoelige locatie, saneren van de bodem, lozen op of in de bodem, activiteiten op een locatie met een historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar verspreidingsrisico, milieubelastende activiteiten met gevolgen voor watersystemen. Niet van toepassing op de gemeente Lansingerland. Het toekomstbestendig bouwen van woningen en risico's van klimaatverandering. Gebieden met beschermingscategorieën, soort ruimtelijke ontwikkeling, borgen ruimtelijke kwaliteit, 31

7.3.8

Stedelijke ontwikkelingen

7.3.8a

Wonen

7.3.9

Detailhandel

7.3.10 7.3.11

Kantoren Bedrijven

7.3.12

Glastuinbouwgebied

7.3.13

Boom- en sierteeltgebied Bollenteeltgebied Agrarische bedrijven

7.3.14 7.3.15

7.3.16

Natuurnetwerk Nederland

7.3.17 7.3.18 7.3.19

7.3.21

Werelderfgoed Archeologie Traditionele windmolens Landgoederen en kastelen Energie

7.3.22

Provinciale vaarwegen

7.3.23 7.3.23a

Recreatietoervaartnet Hoofdfietsnetwerk en lange afstandswandelpaden Beschermingszones drinkwatervoorziening (infrastructuur) Ontheffing en afwijken

7.3.20

7.3.24

7.3.25

aanvaardbaarheid soort ruimtelijke kwaliteit per beschermingscategorie en randvoorwaarden. Afgestemde regionale behoefte, ladder voor duurzame verstedelijking, dichtheid en verscheidenheid woningbouw, bereikbaarheid, kansen voor biodiversiteit, stationsomgevingen en parkeernormen, parkeernorm sociale huur, permanente bewoning recreatiewoningen, functiemening en meervoudig ruimtegebruik, huisvesting arbeidsmigranten en grote buitenstedelijke bouwlocaties. Voldoende sociale huurwoningen en voldoende betaalbare woningbouw. Detailhandel binnen bestaande winkelconcentratie en uitzonderingen. Kantoorgebieden (water)gebonden bedrijventerreinen en grote ruimtevragers en compensatie bij wijziging of afschaling. Aanwijzen van toegestane activiteiten in glastuinbouwgebied en aangewezen uitgezondere activiteiten, situaties en de daarbij behorende voorwaarden. Niet van toepassing op de gemeente Lansingerland. Niet van toepassing op de gemeente Lansingerland. Voorwaarden bij agrarische activiteiten in het agrarisch gebied, voorwaarden voor het toevoegen, uitbreiden, vestigen of verplaatsen van agrarische activiteiten. Wezenlijke kenmerken en waarden van het natuurnetwerk, activiteiten met mogelijk (significante) nadelige gevolgen en ontwikkelen van prioritaire nieuwe natuur. Bescherming van werelderfgoed. Bescherming van bekende archeologische waarden.

Bescherming van traditionele windmolens. Bescherming van landgoed- en kasteelbiotopen. Aanwijzen van locaties voor windenergie en regels voor de aanleg van zonnevelden. Voorkomen van belemmeringen in de vrijwaringszone van provinciale vaarwegen Bescherming van het recreatietoervaartnet. Behoud en verbetering van het hoofdfietsnetwerk en lange afstandswandelpaden. Bescherming van de vitale drinkwatervoorziening.

Mogelijkheden en voorwaarden voor ontheffing en afwijken.

32

Relatie tot de omgevingsplanwijziging In hoofdstuk 6 worden de verschillende omgevingsaspecten uiteengezet. In dat hoofdstuk is per omgevingsaspect te aangetoond hoe invulling is gegeven aan bovenstaande instructieregels. Voor dit plangebied zijn in het bijzonder de volgende instructieregels relevant: - Paragraaf 7.3.2 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, waarin instructieregels zijn opgenomen inzake het waarborgen van de veiligheid. In paragraaf 6.5 wordt toegelicht dat wordt voldaan aan de instructieregels ten aanzien van (omgevings)veiligheid; - Paragraaf 7.3.4 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, waarin instructieregels zijn opgenomen inzake het beschermen van waterbelangen. In paragraaf 6.20 wordt toegelicht dat wordt voldaan aan de instructieregels ten aanzien van de bescherming van waterbelangen; - Paragraaf 7.3.5 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, waarin instructieregels zijn opgenomen inzake het beschermen van de grondwater- en bodemkwaliteit. In paragraaf 6.2 wordt toegelicht dat wordt voldaan aan deze instructieregels. - Paragraaf 7.3.6a van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, waarin instructieregels zijn opgenomen inzake het toekomstbestendig bouwen van woningen. Daarbij speelt in het bijzonder klimaatadaptatie een rol. In paragraaf 6.11 wordt hier uitgebreid op ingegaan en wordt de relatie tot deze instructieregels besproken.

- Paragraaf 7.3.8a van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening bevat instructieregels voor voldoende sociale huurwoningen en betaalbare woningen, en de gevolgen van de ruimtelijke ontwikkeling voor de bereikbaarheid. Paragraaf 5.3 Juridische kaders gemeente Subparagraaf 5.3.1 Verordeningen Voor voorgenomen ontwikkeling gelden geen specifieke regels uit de verordeningen die moeten worden opgenomen in deze wijziging van het omgevingsplan. De geldende verordeningen blijven onverkort van toepassing op het plangebied.

Paragraaf 5.4 Conclusie De voorgenomen wijziging van het omgevingsplan houdt rekening met de juridische kaders die op verschillende overheidsniveaus zijn gesteld. Voor verschillende onderdelen wordt in hoofdstuk 6 verder ingegaan op de verschillende omgevingsaspecten.

33

Hoofdstuk 6 Omgevingsaspecten Paragraaf 6.1 M.e.r.-beoordeling Subparagraaf 6.1.1 Kaders Juridische kaders Onder de Omgevingswet geldt een plan-m.e.r.-plicht voor plannen of programma's die kaderstellend zijn voor een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit of wanneer een plan of programma wordt voorbereid waarvoor een zogenaamde passende beoordeling is vereist. Het planMER brengt de milieugevolgen van een plan in beeld voordat er een besluit over is genomen en onderzoekt verschillende alternatieve oplossingen en maatregelen met het oog op het beperken van effecten op de leefomgeving. Hiermee draagt het planMER ook bij aan de onderbouwing en transparantie van de effecten van een besluit en kan het als hulpmiddel worden gebruikt bij de participatie. Een omgevingsplan kan een plan zijn waarvoor een plan-m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. Om te kunnen spreken van een plan dat kaderstellend is, is echter wel vereist dat het plan een groot pakket criteria en modaliteiten vaststelt voor de goedkeuring en de uitvoering van één of meerdere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Daarbij moet het gaan om voldoende gedetailleerde regels over de inhoud, voorbereiding en uitvoering van m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten. Bij kaderstellende normering gaat het met name om de ligging, aard, omvang en gebruiksvoorwaarden van projecten.

Onder de Omgevingswet geldt een project-m.e.r.-plicht wanneer sprake is van een project als bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, van de Omgevingswet. Kort samengevat, dient daarbij te worden beoordeeld of sprake is van een besluit genoemd in Kolom 4 van Bijlage V bij het Omgevingsbesluit dat een project genoemd in Kolom I van Bijlage V bij het Omgevingsbesluit mogelijk maakt, en dat als m.e.r.-(beoordelings)plichtig is aangewezen in Kolom 2 of 3 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Subparagraaf 6.1.2 Toetsing In het voorliggende omgevingsplan wordt een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld categorie J11 van Bijlage V bij het Omgevingsbesluit mogelijk gemaakt. In dit geval kan het omgevingsplan echter niet worden aangemerkt als een plan of programma dat kaderstellend is voor een m.e.r.beoordelingsplichtig project als bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, van de Omgevingswet. De voorliggende omgevingsplanwijziging maakt weliswaar de realisatie van het stedelijk ontwikkelingsproject niet zonder meer bij recht mogelijk, aangezien er verschillende omgevingsvergunningplichten zijn opgenomen in de regels van het plan, maar die vergunningplichten relateren in het bijzonder aan de bouw van de woningen. Die vergunningplicht relateert slechts zeer beperkt aan de milieugevolgen die in het kader van een m.e.r.-beoordeling dienen te worden onderzocht.

Het gebruik van gronden ten behoeve van woningen is in beginsel op grond van het omgevingsplan immers toegestaan. Van een groot pakket aan criteria en modaliteiten voor de goedkeuring en de uitvoering van één of meerdere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben, is daarom geen sprake. Wel is in dit geval sprake van een project-m.e.r.beoordelingsplicht. In dit geval is sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in Kolom l, categorie J11 van Bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarnaast is het (besluit tot wijziging van het) omgevingsplan een besluit genoemd in Kolom 4 van Bijlage V bij het Omgevingsbesluit waarvoor een m. e.r.-beoordelingsplicht geldt op grond van Kolom 3 van Bijlage V bij het Omgevingsbesluit. 34

In dit geval wordt daarom een project-m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. Bij deze beoordeling dient rekening te worden gehouden met de criteria van Bijlage III bij de mer-richtlijn. Deze mer-beoordeling is opgenomen in een zogenaamde aanmeldnotitie, welke is opgenomen als bijlage 22 bij deze onderbouwing. De mogelijke milieueffecten zijn hierin weloverwogen beoordeeld. Waar mogelijk worden maatregelen genomen om mogelijke aanzienlijke effecten te voorkomen of te beperken. Er kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van de ontwikkeling die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Voor de beoordeelde milieuaspecten geldt dat er geen aanzienlijke negatieve effecten verwacht worden. Op basis van de aanmeldnotitie dient het bevoegd gezag een mer-beoordelingsbesluit te nemen. De mer-beoordelingsbeslissing vormt uiteindelijk een bijlage bij het omgevingsplan. De inhoud van de aanmeldnotitie is hieronder beknopt toegelicht.

Kenmerken van het project De ontwikkeling ziet op de realisatie van maximaal 125 woningen in Bleiswijk , bestaande uit een mix van grondgebonden en gestapelde woningen. De openbare ruimte van het projectgebied wordt groenblauw ingericht. Voor de beoogde ontwikkeling zijn in het kader van het de in voorbereiding planologische procedure meerdere omgevingsaspecten beoordeeld en/of onderzocht. In dit hoofdstuk wordt beknopt ingegaan op de verschillende milieuaspecten en overige haalbaarheidsaspecten die van belang zijn. In hoofdstuk 6 komen deze onderwerpen uitgebreider aan bod. Hierin wordt ook ingegaan op de ligging van het plangebied ten opzichte van kwetsbare of gevoelige gebieden.

Kenmerken van de effecten en relevante gebieden Cumulatie met andere projecten Voorgenomen ontwikkeling staat planologisch en beleidsmatig los van werkzaamheden, plannen en ontwikkelingen in de omgeving van het projectgebied. Ook is de financiering van de woningbouwontwikkeling niet afhankelijk van andere projecten. Er wordt hierom dan ook geen cumulatie verwacht met andere ontwikkelingen in de directe nabijheid. Effecten op gebieden De effecten die optreden zijn lokaal en beperkt van aard. De ontwikkeling heeft geen significant negatieve invloed op de natuurlijke kenmerken en kwetsbaarheid van het gebied of omliggend gebieden. Het projectgebied grenst aan bestaand bebouwd gebied van Bleiswijk. Zogenaamde gevoelige gebieden, zoals benoemd in bijlage lll van de mer--Richtlijn, komen niet in de directe nabijheid van de projectlocatie voor. Gelet op de aard en omvang van het project zijn er daarnaast geen bijzondere effecten te verwachten voor wat betreft het risico op zware ongevallen en/of rampen (waaronder rampen door klimaatverandering) of risico's voor de menselijke gezondheid.

35

Voor de beoogde ontwikkeling zijn in het kader van het de in voorbereiding planologische procedure meerdere omgevingsaspecten beoordeeld en/of onderzocht. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de verschillende milieuaspecten en overige haalbaarheidsaspecten die van belang zijn. Hieronder worden de belangrijkste resultaten met betrekking tot de milieuaspecten samengevat. Bodem Op perceel 1774 zijn asbesthoudend materiaal en koper aangetroffen. De oppervlakte van de gronden die verontreinigd zijn, is beperkt. Na ontgraving en afvoer zijn er geen belemmeringen voor woningbouw. Geluid door activiteiten De bedrijfspercelen in de nabijheid van het plangebied zijn onderzocht en beoordeeld. Op basis van de milieucategorieën van de bedrijven, aangehouden richtafstanden en ligging van de toekomstige woningen leveren deze bedrijven geen significantie milieubelasting aan de woningen in het plangebied Lange Vaart. Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen De realisatie van woningen zorgt voor een toename van het verkeer op bestaande wegen, waardoor de geluidbelasting bij bestaande woningen verandert. Deze verandering is onderzocht en geconcludeerd is dat te toename beperkt blijft tot 1,5 dB of lager, waardoor er geen hoorbare verandering van de geluidsbelasting is.

De gemeente treft voorbereidingen om de Heulslootweg binnen de grens van de bebouwde kom te leggen en de rijsnelheid te verlagen van 80 km/u naar 50 km/u. Hiermee blijft de geluidsbelasting onder de standaardwaarde. Geur Er vinden in de nabijheid van het plangebied geen geur veroorzakende activiteiten plaats die invloed hebben op het milieu of woon- en leefklimaat van mensen. Luchtkwaliteit De ontwikkeling Lange Vaart voorziet in de realisatie van maximaal 125 woningen. Deze ontwikkeling behoort door zijn aard en omvang tot een standaard geval dat niet in betekende mate leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. Het project leidt hierom niet tot significante milieueffecten. Natuur en ecologie Om te beoordelen of de realisatie van de ontwikkeling Lange Vaart leidt tot significante milieueffecten op Natura 2000 gebieden is een stikstofberekening (AERIUS) uitgevoerd. Op basis van deze berekeningen is geconcludeerd dat er geen sprake is van een toename van stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Deze berekeningen dienen opnieuw uitgevoerd te worden wanneer de nieuwe versie AERIUS beschikbaar is. Uit de resultaten van het bureau- en veldonderzoek naar de aanwezigheid van beschermde (dier)soorten kan geconcludeerd worden dat er geen vaste rust- en/of verblijfsplaatsen aanwezig zijn in het projectgebied van beschermde (dier)soorten.

Tijdens de werkzaamheden van de 36

projectontwikkeling dient echter wel rekening gehouden te worden met verlichting op de nabijgelegen bomenrij vanwege de mogelijke aanwezigheid van vleermuizen. Indien dit niet mogelijk is, is onderzoek naar vleermuizen noodzakelijk. Ten slotte geldt de algehele specifieke zorgplicht. Water Omdat de ontwikkeling Lange Vaart leidt tot een toename aan verharding is watercompensatie benodigd. Het Hoogheemraadschap hanteert een percentage van 10% watercompensatie. In het plangebied wordt dit met de verbreding van de bestaande watergang langs de Korenmolenweg gerealiseerd. Het aspect water leidt daarmee niet tot significante effecten op het milieu. Adviezen van bestuursorganen en instanties In december 2024 en januari 2025 heeft het vooroverleg plaatsgevonden. Hierbij is het voorontwerp van de omgevingsplanwijziging voorgelegd aan verschillende instanties. Het vooroverleg heeft hoofdzakelijk geleid tot wijzigingen van het omgevingsplan voor wat betreft de omgang met regenwater, de parkeernorm voor sociale huurwoningen en de onderbouwing van de woningdichtheid die op de locatie wordt beoogd. Ook wordt op verzoek van de provincie ZuidHolland bij de vaststelling van de omgevingsplanwijziging een nieuw verkeersonderzoek toegevoegd. Een uitgebreide samenvatting van de adviezen en doorgevoerde wijzigingen is te lezen in de Nota vooroverleg Lange Vaart (bijlage 18).

Subparagraaf 6.1.3 Conclusie Gelet op de onderzoeksresultaten geldt dat, gelet op de kenmerken, plaats van de activiteiten en de kenmerken van de potentiële effecten, het project dat met dit omgevingsplan mogelijk wordt gemaakt niet zodanig van invloed is op het milieu dat een milieueffectrapportage doorlopen dient te worden.

Paragraaf 6.2 Bodem Subparagraaf 6.2.1 Kaders Besluit kwaliteit leefomgeving Het Bkl (paragraaf 5.1.4.5) geeft instructieregels over het toelaten van bodemgevoelige gebouwen (bijvoorbeeld woningen) op bodemgevoelige locaties (bijvoorbeeld een plaats waar een woning is toegelaten). Het Bkl bepaalt dat het omgevingsplan de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem moet bevatten. Daarnaast bepaalt het Bkl dat het omgevingsplan geen bodemgevoelige gebouwen (op bodemgevoelige locaties) toelaat waar de kwaliteit van de bodem ongeschikt is. In het omgevingsplan kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillende waarden voor de toelaatbare kwaliteit van bodemgevoelige locaties bevatten. Bij het vaststellen van de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van bodemgevoelige locaties wordt rekening gehouden met de interventiewaarden bodemkwaliteit, die op zijn genomen in het bijlage IIA bij het Bal. Door het overnemen van deze interventiewaarden wordt in ieder geval voorzien in een aanvaardbare situatie. Besluit activiteiten leefomgeving In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn rechtstreeks werkende rijksregels gesteld over bodemhandelingen. Het gaat onder meer om graven in de bodem en het toepassen van grond of baggerspecie. Voor deze activiteiten bevat het Bal rechtstreeks geldende rijksregels (hoofdstuk 4 van het Bal).

De gemeente kan afwijken van deze regels door maatwerkregels op te nemen in het

37

omgevingsplan. Buiten het omgevingsplan kunnen maatwerkvoorschriften gesteld worden op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving. Dit heeft dan het karakter van een beschikking. Provinciale omgevingsverordening Paragraaf 7.3.5 van de provinciale omgevingsverordening van Zuid-Holland bevat instructieregels die gericht zijn op het waarborgen van de grondwaterkwaliteit en het voorkomen van verdere verspreiding van verontreinigingen in het watersysteem. Allereerst, bij het toelaten van bouwactiviteiten op grondwatergevoelige locaties moeten grondige voorzorgsmaatregelen worden genomen. Dit omvat het uitvoeren van onderzoek om te controleren op verontreiniging van grondwater, tenzij het omgevingsplan anders bepaalt. Als er sprake is van verontreiniging, is een risicobeoordeling vereist en moeten er sanerende maatregelen worden getroffen om verdere vervuiling te voorkomen. Een omgevingsvergunning is vereist voor bouwactiviteiten op dergelijke locaties, waarbij maatregelen voor sanering moeten worden aangetoond. Daarnaast regelt de verordening ook het saneren van bodemverontreiniging als onderdeel van een bronaanpak. Afdekken als saneringsaanpak is over het algemeen niet toegestaan, tenzij het omgevingsplan anders bepaalt. Maatwerkvoorschriften voor alternatieve saneringsmethoden zijn alleen toegestaan als deze de verontreiniging van het grondwater beperken.

Het rechtstreeks lozen van verontreinigende stoffen in het grondwater is verboden, tenzij specifieke voorwaarden zijn vastgesteld in het omgevingsplan. Maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld voor het lozen, maar alleen als dit geen gevaar oplevert voor de kwaliteit van het grondwater. Ten slotte is er aandacht voor activiteiten op locaties met een historische bodemverontreiniging. Maatregelen moeten worden genomen om verdere verontreiniging van het grondwater te voorkomen of te beperken. Omgevingsvergunningen voor milieubelastende activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor watersystemen worden alleen verleend als deze verenigbaar zijn met het belang van waterbeheer en bescherming van de kwaliteit van watersystemen. Deze samenhangende regels zorgen voor een geïntegreerde aanpak van grondwaterkwaliteit en bescherming van watersystemen binnen de provincie Zuid-Holland. Subparagraaf 6.2.2 Toetsing Om de bodemkwaliteit van het projectgebied vast te stellen is onderzoek uitgevoerd. In juli 2020 zijn de gemeentegronden onderzocht door BK Ingenieurs B.V. In 2024 is op een aantal locaties door ABO Milieuconsult B.V. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Deze onderzoeken zijn uitgevoerd conform NEN 5725 en NEN 5740. Onderstaand worden de resultaten van de onderzoeken per locatie binnen het projectgebied toegelicht. De onderzoeken zijn te raadplegen in bijlage 6, 7 en 8.

Bodemonderzoek BK Ingenieurs B.V. (2020) Op basis van de onderzoekshypothese zijn een aantal locaties verdacht op verontreinigingen. Er is specifiek per locatie beoordeeld welk onderzoek benodigd is. Hierom zijn deellocaties opgenomen. De deellocaties zijn in bijlage 1.2 van het onderzoek (bijlage 6) te raadplegen. Op de onderzoekslocaties is de huidige milieuhygiënische (water)bodemkwaliteit vastgelegd en zijn de hergebruikingsmogelijkheden op indicatieve wijze bepaald. Ook is de dikte, constructieopbouw en de teerhoudendheid van het asfalt vastgesteld. Op de onderzoekslocaties is geen sprake van een 'geval

38

van ernstige bodemverontreiniging' vastgesteld. Het uitvoeren van vervolg onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht en er zijn geen saneringswerkzaamheden noodzakelijk. Verkennend bodemonderzoek ABO Milieuconsult B.V. (2024) In bijlage 7 zijn de resultaten van het verkennend bodemonderzoek opgenomen. Lange Vaart 1b In de bovengrond van de onderzoekslocatie zijn lichte verontreinigingen (koper, zink, molybdeen, cadium, kwik, lood, hexachloorbenzeen en drins) gevonden. Vastgesteld is dat de grond voldoet aan de kwaliteitsklasse Industrie. In de ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetroffen, deze grond voldoet aan de kwaliteitsklasse Landbouw/natuur. Zowel op het maaiveld als het opgeboorde materiaal is zintuigelijk en analytisch geen asbest vastgesteld. De licht verhoogde gehalten zijn dermate gering dat het vastgestelde bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor het realiseren van de voorgenomen woningbouwontwikkeling. Er wordt aanbevolen om bij graafwerkzaamheden vrijkomende grond zo veel mogelijk op de locatie te verwerken. Indien in het kader van nieuwbouw grond moet worden afgevoerd dient er rekening te worden gehouden met de beleidsregels van de gemeente Lansingerland, benodigde bewijsmiddelen en/of milieuhygiënische verklaringen (zoals een partijkeuring met AP04 onderzoek). Er dient te worden voldaan aan het Besluit bodemkwaliteit.

Lange Vaart perceel 1774 In de bovengrond van de onderzoekslocatie zijn sterke verontreinigingen aangetroffen met nikkel, koper, zink en lood. Ook zijn er lichte verontreinigingen aangetroffen. De grond overschrijdt de interventiewaarden en voldoet aan de kwaliteitsklasse Industrie. Daarmee is de bodem niet geschikt voor de voorgenomen woningbouwontwikkeling. Naar aanleiding van het aantreffen van de sterke verontreinigingen zijn de mengmonsters separaat geanalyseerd. In een van deze monsters is een sterke verontreiniging met koper aangetroffen. Zonder toestemming van het bevoegd gezag is het niet toegestaan om in de sterk verontreinigde grond te graven. Saneringswerkzaamheden onder begeleiding van een gecertificeerde milieukundige begeleider zijn noodzakelijk. Daarnaast is op het maaiveld en in de grond asbest(verdacht) materiaal aangetroffen. Het uitvoeren van nader bodemonderzoek en asbestonderzoek is op deze locatie benodigd. Nader onderzoek Asbest perceel 1774 (bijlage 8) Op het betreffende perceel is op 23 oktober 2024 een nader asbestonderzoek uitgevoerd door ABOMilieuconsult B.V. Ter plaatse van het onderzoeksgebied is in de laag onder het grasdek, bestaande uit restverharding en puin, asbesthoudend plaatmateriaal aangetroffen. Ook in de toplaag is asbesthoudend materiaal aangetroffen.

Het asbesthoudend materiaal is met name waargenomen in de vorm van een laag gebroken asbestplaten op de betonverharding, die vervolgens is afgedekt met een grondlaag. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd dat het asbesthoudend plaatmateriaal ter plaatse van de betonverharding de restconcentratienorm van 100 mg/ k ds. overschrijdt. Gezien de overschrijding van de restconcentratienorm en het beoogde bodemgevoelige gebruik (Wonen met tuin) wordt geadviseerd om de asbesthoudende laag en onderliggende puinlaag te ontgraven en af te laten voeren naar een erkend verwerker. Bij de afvoer van het asbesthoudend materiaal en het puin dient rekening gehouden te worden met de verplichtingen uit de CROW-400. 39

Nader onderzoek Koper perceel 1774 (bijlage 8) Op het betreffende perceel is op 23 oktober 2024 ook een nader onderzoek naar de aanwezigheid van koper uitgevoerd door ABO-Milieuconsult B.V. Dit onderzoek is uitgevoerd naar aanleiding van het verkennend onderzoek, waarbij er ter plaatse van het voormalige ketelhuis een sterk verhoogd gehalte aan koper is aangetoond. Uit het onderzoek blijkt dat er een verontreinigingsspot in een mate boven de interventiewaarde aanwezig is. De verontreiniging met koper is zowel in horizontaal als verticaal vlak afgeperkt. De verontreinigde omvang wordt geraamd op circa 12,5 m3. Bij ontgraving van de sterk met koper verontreinigde grond wordt volstaan met een melding van de werkzaamheden indien er niet meer dan 25 m3 grond wordt afgegraven (Ş 22.3.7.2 Omgevingsplan bruidsschat). Lange Vaart perceel 1160 en 1773 In de grondmengmonsters van bovenstaande percelen zijn lichte verontreinigingen aangetroffen. De gronden vallen in de kwaliteitsklassen Industrie en Landbouw/natuur. Op de percelen is ter plaatse van de onderzoekslocaties zintuigelijk en analytisch geen asbest aangetoond. De lichtverhoogde gehalten in de bovengrond zijn dermate gering en vormen geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De vastgestelde bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor het realiseren van de voorgenomen woningbouwontwikkeling.

Er wordt aanbevolen om bij graafwerkzaamheden vrijkomende grond zo veel mogelijk op de locatie te verwerken. Indien in het kader van nieuwbouw grond moet worden afgevoerd dient er rekening te worden gehouden met de beleidsregels van de gemeente Lansingerland, benodigde bewijsmiddelen en/of milieuhygiënische verklaringen (zoals een partijkeuring met AP04 onderzoek). Er dient te worden voldaan aan het Besluit bodemkwaliteit. Subparagraaf 6.2.3 Conclusie Op het perceel Lange Vaart 1774 is in nader (asbest)onderzoek in de laag onder het grasdek, bestaande uit restverharding en puin, asbesthoudend plaatmateriaal aangetroffen. Ook in de toplaag is asbesthoudend materiaal aangetroffen. Uit ander nader onderzoek blijkt dat er ook een koperverontreiniging in een mate boven de interventiewaarde aanwezig is. Zonder toestemming van het bevoegd gezag is het niet toegestaan om in deze sterk verontreinigde grond te graven. Saneringswerkzaamheden onder begeleiding van een gecertificeerde milieukundige begeleider zijn noodzakelijk. Voor de overige percelen blijkt uit het voorgaande dat de bodemkwaliteit geen negatieve invloed heeft op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Op deze locaties is er vanuit dit aspect daarom sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

40

Paragraaf 6.3 Cultuurhistorie en archeologie Subparagraaf 6.3.1 Kaders Gemeentelijk archeologiebeleid Op 7 maart 2017 is de geactualiseerde Beleidsnota Archeologie Lansingerland in werking getreden. De gemeente beschikt al sinds maart 2013 over eigen archeologisch beleid. Daarmee heeft de gemeente Lansingerland invulling gegeven aan haar archeologische taak en de daarbij horende verantwoordelijkheden. Dit beleid is bij de actualisatie op enkele punten herzien. Vooral wat betreft de archeologische beleidskaart was deregulering mogelijk. Te veel gebieden hadden een hoge archeologische verwachting, terwijl uit archeologisch onderzoek bleek dat deze verwachting naar laag of afwezig kon worden bijgesteld. Op basis van deze geactualiseerde nota en beleidskaart kan worden bepaald wat de verwachtingswaarde van een bepaald gebied is. Nota Cultuurhistorie Plus De gemeente Lansingerland heeft de ambitie om uit te groeien tot een aantrekkelijke parkstad waarin het goed wonen, werken en recreëren is. Om die ambitie te verwezenlijken voert de gemeente een uitgesproken ruimtelijk kwaliteitsbeleid. Als onderdeel van het ruimtelijk kwaliteitsbeleid is de Nota Cultuurhistorie Plus (vastgesteld d.d. 26 april 2012) opgesteld. Omgevingswet Het beschermen en beheren van cultureel erfgoed is een van de belangen van de Ow (art. 1.2).

De Erfgoedwet is deels opgegaan in de Ow: in de Ow zijn de regels voor de omgang met de fysieke leefomgeving geïntegreerd, waaronder onderdelen uit de Monumentenwet 1988 die voorheen in het overgangsrecht van de Erfgoedwet waren opgenomen. Daarbij blijven de bevoegdheden en beschermingsniveaus in grote lijnen gehandhaafd. De vuistregel voor de verdeling tussen Erfgoedwet en Ow is als volgt: de duiding van cultureel erfgoed en de zorg voor cultuurgoederen in overheidsbezit staat in de Erfgoedwet, de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving is geregeld in de Ow. Voor gebouwde of aangelegde monumenten betekent dit dat de vergunningverlening voor het wijzigen van rijksmonumenten is geregeld in de Ow. Ook aanwijzing en omgang met beschermde stads- en dorpsgezichten gebeurt op grond van de Ow. Datzelfde geldt voor de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving (vergunningverlening en integratie in de planvorming). In het Bal staan regels voor de bescherming van rijksmonumenten en archeologische monumenten. In het Bbl zijn regels over het bouwen, verbouwen, gebruiken en slopen van bouwwerken opgenomen. Besluit kwaliteit leefomgeving Paragraaf 5.1.5 van het Bkl bevat instructieregels die gaan over het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed.

De regels dragen de gemeente op om in het omgevingsplan rekening te houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Provinciale omgevingsverordening In Ş 7.3.18 over archeologie worden gebieden met bekende archeologische waarde aangewezen en beschermd. Omgevingsplannen moeten regels bevatten om deze waardevolle gebieden te beschermen, zoals een verbod op grondbewerking van meer dan 100 m2 en dieper dan 30 cm onder het maaiveld, tenzij archeologisch onderzoek aantoont dat de waarden niet worden aangetast. Als behoud ter plaatse niet mogelijk is, kan het omgevingsplan het behoud van archeologische waarden elders toestaan, mits andere belangen zwaarder wegen.

41

In Ş 7.3.19 over traditionele windmolens gaat het om de aanwijzing en bescherming van molenbiotopen. Omgevingsplannen moeten vrije windvang en zicht op de molen garanderen. Er gelden hoogtebeperkingen voor bebouwing en beplanting binnen verschillende stralen rondom de molen. Afwijkingen zijn mogelijk voor ontwikkelingen die de windvang en het zicht op de molen niet verder beperken, of voor ontwikkelingen binnen bijzondere molenbiotopen, mits deze goed worden ingepast. Subparagraaf 6.3.2 Toetsing Cultuurhistorie De locatie Lange Vaart ligt aan het afwateringskanaal de Lange Vaart, dat uit 1100 stamt. De vaart ligt hoog ten opzichte van het omliggende landschap en de ontwikkellocatie. Het landschap ten noorden van de Lange Vaart is nog één van de laatste open gebieden dat de Rottemeren verbindt met de omgeving en zorgt voor afstand tussen het dorp en de kassen en andere bedrijvigheid. De ambitie is om dit gebied open te houden en de gronden als open en transparant landschap onderdeel te laten uitmaken van het recreatiegebied. Aan de noordzijde wordt de Lange Vaart begeleid door een dubbele bomenlaan. Deze bomenlaan in het talud vormt de rand van de open ruimte en markeert de locatie, die ligt aan de zuidzijde van de vaart. Als noordelijke entree is de locatie het visitekaartje van Bleiswijk. Vanaf de N209 is dit de eerste kennismaking met het dorp.

De historische structuur is nog herkenbaar in het grondreliëf op de locatie: de vaart en de daaraan gelegen weg (Lange Vaart) liggen hoger dan het aangrenzende gebied aan de zuidzijde ervan. Dit uit zich ook in de bebouwing aan de Lange Vaart: de kassen liggen hier lager dan de weg. Aan de Lange Vaart staan enkele 'dijkwoningen' met een extra bouwlaag aan de zuidzijde. In de 19e eeuw nam de bevolking van Bleiswijk toe van ongeveer 1100 naar 1567 inwoners. Deze vonden hoofdzakelijk hun bestaan in de agrarische beroepen. Vanaf 1910 ontwikkelde zich de eerste tuinbouw onder glas. De middelhoge kassen werden gestookt met kolen- en olie-installaties. De laatste bewaard gebleven tuindersschoorsteen van Bleiswijk staat in het gebied, ten westen van de planlocatie (afbeelding 6.1). Het betreft een dubbelwandige schoorsteen van de toenmalige tuindersfirma H. Moerman en P. Breugem. De schoorsteen is opgebouwd uit rode radiaalsteen en is niet versierd met andere kleuren steen. De schacht loopt strak naar boven tot de standaard uitgevoerde kop. De oorspronkelijk hoogte was 27 meter. In 1972 is het tuindersbedrijf overgegaan van kolen naar gasgestookte ketels. Het bovenste enkelwandige gedeelte van de schoorsteen is toen verwijderd omdat de vier vuren van de twee gebruikte scheepsketels minder trek nodig hadden. De hoogte van het geheel is op dit moment 'slechts' 18 meter.

Over de gehele hoogte bevinden zich klimijzers tegen de schacht, die (zoals gebruikelijk) met zeven smeedijzeren banden is verstevigd. De tuindersschoorsteen is in 2012 aangewezen als gemeentelijk monument (GM 76.00 De schoorsteen van toenmalige tuindersfirma H. Moerman en P. Breugem). In bijlage 19 is deze aanwijzing, inclusief beschrijving van de geschiedenis en architectonische, stedenbouwkundige en cultuurhistorische waardering, opgenomen. De gemeente Lansingerland moet op basis van artikel 5.130 van het Bkl rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed en regels opnemen ter bescherming van deze monumenten in het omgevingsplan. De gemeentelijke monumenten met een (voor)beschermde 42

status op grond van de gemeentelijke verordening worden gelijkgesteld aan het omgevingsplan aangewezen gemeentelijke monumenten. Dit regelt artikel 22.2 van de bruidsschat. In het omgevingsplan hiervoor het werkingsgebied 'bestaande schoorsteen' opgenomen. Historisch landschappelijke lijnen —. ’- Moge waaroe :e:Tİ

Historisch landschappelijke vlakken

ap basis van enquete - beeldbepalend îrfgoed * Gemeente

Niet beschermd

Afbeelding 6.1: Uitsnede kaart Beeldbepalend Erfgoed, cultuurhistorische atlas provincie Zuid-Holland.

De Lange Vaart (weg) is hoofdzakelijk een langzaam verkeersverbinding. De Lange Vaart met bomenrij en toekomstige bebouwing markeren de noordelijke entree van Bleiswijk. De bomenrij aan de noordzijde van de Lange Vaart blijft behouden en het groene dijkprofiel met hoogteverschil blijft herkenbaar, zichtbaar en beleefbaar. De relatie van de Korenmolenweg met de dijk blijft behouden door in het stedenbouwkundig plan groene doorzichten te maken naar het noorden. Ook sluit de toekomstige bebouwing aan de Korenmolenweg in maat en schaal aan op de bestaande bebouwing. Hiermee wordt rekening gehouden met de landschappelijke karakteristiek in en rond het plangebied. Op de hoek van de Hoefweg en de Lange Vaart staan enkele bedrijfspanden. De monumentale tuindersschoorsteen die op de locatie staat is nog een herinnering van halverwege de 20e eeuw. In die tijd werden de kassen gestookt met kolen- en olie-installaties. De schoorsteen is bewaard gebleven en is aangemerkt als gemeentelijk monument. In de toekomstige situatie krijgt de schoorsteen een markante plek in een open groene, parkachtige zone. Om de cultuurhistorische waarde van de schoorsteen te beschermen, is een werkingsgebied 'bestaande schoorsteen' opgenomen.

Binnen dat werkingsgebied moet op basis van de regels van het omgevingsplan de bestaande schoorsteen in stand worden gehouden en geldt een sloopverbod voor bouwwerken die bestonden op het tijdstip van inwerkingtreding van deze omgevingsplanwijziging. De wijziging van het omgevingsplan leidt dan ook niet tot aantasting van dit gemeentelijk monument. Ook de overige beschreven elementen blijven behouden en herkenbaar, zichtbaar en beleefbaar na de voorgenomen wijziging van het omgevingsplan voor de Lange Vaart. 43

Afbeelding 6.2: Uitsnede Archeologische waarden- en beleidskaart provincie Zuid-Holland (het globale plangebied is rood omkaderd).

Afbeelding 6.3: Uitsnede Archeologische beleidskaart Lansingerland 2016 (het globale plangebied is rood omkaderd).

Archeologie Op de archeologische waarden- en beleidskaart van de provincie Zuid-Holland is het plangebied aangeduid met een 'redelijk tot hoge trefkans op archeologische sporen' op de kaartlaag archeologisch waardevolle zones. Ten noordoosten van het plangebied is een molenbiotoop aanwezig (zie afbeelding 6.2). Volgens de archeologische beleidskaart van Lansingerland 2016 geldt voor ontwikkelingen met een maximale oppervlakte van 1000 m2 en tot 2,5 meter beneden het maaiveld een vrijstelling (zie afbeelding 6.3). Aan de randen van het plangebied geldt een vrijstelling voor ontwikkelingen met een maximale oppervlakte van 100 m2 en tot 0,3 meter beneden het maaiveld. Vestigia Archeologie en cultuurhistorie heeft in 2020 een archeologisch vooronderzoek in het kader van nieuwbouw uitgevoerd. Dit onderzoek is toegevoegd als bijlage 9. Doel van het onderzoek is om vast te stellen of er sprake is (of kan zijn) van archeologische resten die door de ingrepen ten behoeve van de ontwikkeling verstoord dreigen te worden en, indien mogelijk uitspraken te doen over de waarde hiervan in termen van fysieke kwaliteit zoals zeldzaamheid en gaafheid. Op basis van de 44

resultaten van het bureauonderzoek wordt de kans dat bij de voorgenomen ontwikkeling een intacte archeologische vindplaats wordt geschaad, middelgroot tot groot geacht. Dit is afhankelijk van de aard en diepte van de graafwerkzaamheden. Vestigia adviseert bij de definitieve geplande werkzaamheden een inventariserend veldonderzoek door middel van karterende boringen uit te voeren. Daarnaast is gebleken dat de projectlocatie zich bevindt ter plaatse van twee voormalige molens. Indien er binnen het plangebied ontgravingen plaatsvinden dieper dan 3,85 m-mv adviseert Vestigia het archeologisch verwachtingsmodel te toetsen door middel van een verkennend booronderzoek. Door middel van dit booronderzoek worden de fysisch-geografische en bodemkundige gegevens getoetst (verkennend booronderzoek). Tevens heeft het booronderzoek tot doel vast te stellen in hoeverre de natuurlijke bodemopbouw verstoord is. Ten behoeve van de geplande herontwikkeling en het advies van Vestigia is een vervolgonderzoek door middel van verkennende boringen/karterende boringen uitgevoerd. Dit onderzoek is ook uitgevoerd door Vestigia en te raadplegen in bijlage 10. Na het uitvoeren van dit onderzoek is geconcludeerd dat de archeologische verwachting voor het aantreffen van een historische molenplaats kan worden bijgesteld naar laag.

Deze molens zijn dusdanig licht gebouwd of gefundeerd en hebben geen duidelijke sporen nagelaten. Er zijn geen vervolgstappen in het kader van de Archeologische Monumentenzorg noodzakelijk. Daarnaast is tijdens het uitvoeren van het Inventariserend Veldonderzoek door Vestigia gesproken met een omwonende buurtbewoner die kon bevestigen dat de locatie van de westelijke molen lag waar nu het huis aan de Hoefweg 157 staat. Hierdoor kunnen zich geen resten van de molen in het plangebied bevinden. Op basis van de nieuwe informatie van een lokale bewoner, in combinatie met het geogerefereerde kaartmateriaal, wordt de kans op het aantreffen van een molenplaats in het westelijke plangebied eveneens als laag ingeschat. Op basis van de uitkomsten van het veldonderzoek, in combinatie met de getuigenverklaring van de buurtbewoner en het kaartmateriaal adviseert Vestigia geen vervolgstappen in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Het is aan het bevoegd gezag, de gemeente Lansingerland, om een besluit te nemen ten aanzien van het al dan niet doorgaan of beëindigen van het onderzoeksproces (selectiebesluit). Op 17 juni 2021 heeft de adviseur van het bevoegd gezag aangegeven in te stemmen met het advies dat wil zeggen dat geen vervolgonderzoek benodigd is.

De meldingsplicht archeologische toevalsvondst of waarneming blijft van kracht conform de Erfgoedwet, artikel 5.10 Archeologische toevalsvondst. Subparagraaf 6.3.3 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling heeft voor wat betreft het aspect 'landschap, cultuurhistorie en archeologie' geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving mits er geen ontgravingen dieper dan 3,85 m-mv plaatsvinden. Indien dit wel aan de orde is, dient aanvullend onderzoek plaats te vinden. In het omgevingsplan is een restrictiegebied 'overige zone restrictiegebied archeologie 7' opgenomen. Binnen dit restrictiegebied is het verboden om zonder omgevingsvergunning werken of werkzaamheden uit te voeren als die activiteit dieper reikt dan 3,85 meter beneden het maaiveld en een grondoppervlakte bestrijkt die groter is dan 1.000 mz. De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als de activiteit geen directe of indirecte gevolgen zal 45

hebben die leiden tot onevenredige aantasting van de archeologische waarden. Bij de beoordeling houdt het college van burgemeester en wethouders rekening met het schriftelijk advies van een archeologisch deskundige. Tevens dient bij de aanvraag om een dergelijke omgevingsvergunning een archeologisch rapport te worden bijgevoegd waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld. Dit aspect vormt daarom geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Paragraaf 6.4 Duurzaamheid Subparagraaf 6.4.1 Kaders Energieprestatie - BENG Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, dat de vergunningaanvragen vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). Die eisen vloeien voort uit het Energieakkoord voor duurzame groei en uit de Europese Energy Performance of Buildings Directive (EPBD). Duurzaam bouwen Duurzaam bouwen staat voor het ontwikkelen en beheren van de gebouwde omgeving met respect voor mens en milieu zodat kan worden voorzien in de behoefte van de huidige generatie zonder dat voor toekomstige generaties de mogelijkheid wordt ontnomen om ook in hun behoeften te kunnen voorzien. Duurzaam bouwen is daarmee onderdeel van de kwaliteit van de gebouwde omgeving.

Gemeentelijk beleid De gemeente Lansingerland heeft de ambitie vastgesteld om in 2050 een CO2-neutrale gemeente te zijn. Hiertoe is de duurzaamheidsvisie 'Lansingerland duurzaam' opgesteld, die op 18 juli 2019 door de gemeenteraad is vastgesteld. Door een inzet op de thema's energietransitie, circulaire economie en klimaatadaptatie wil de gemeente ook voor de toekomst de kwaliteit van wonen en onze aantrekkelijke leefomgeving behouden en de impact op het milieu en het klimaat te minimaliseren. Dat betekent de overgang van fossiele bronnen naar energie uit hernieuwbare bronnen, gesloten grondstofkringlopen met een zo hoog mogelijk behoud van waarde en de aanpassing aan klimaatverandering om de negatieve effecten hiervan op te vangen, zodat een zekere mate van klimaatbestendigheid ontstaat. Daarbij geeft de gemeente zelf het goede voorbeeld, maar vraagt de gemeente ook iets van andere partijen. Begin 2020 is de 'Uitvoeringsagenda Lansingerland Duurzaam 2019-2022' vastgesteld. Hierin zijn de ambities uit het visiedocument 'Lansingerland Duurzaam' door­ vertaald naar concrete uitvoeringsafspraken voor de korte en lange termijn. Natuurinclusief bouwen De gemeente Lansingerland heeft de ambitie een groene, aantrekkelijke gemeente te zijn om in te wonen, werken en recreëren.

Natuurinclusief bouwen is het oprichten van bouwwerken en inrichten van de omgeving van de gebouwen zodanig dat de natuurwaarden er baat bij hebben bovenop wettelijk vastgestelde mitigatie en/of compensatiemaatregelen. Door natuur te benaderen in natuurlijke symbiose met de gebouwde omgeving ontstaan nieuwe kansen voor een nieuwe inrichting waarin ecologische kringlopen worden gevormd. Op 19 november 2024 heeft de gemeente Lansingerland hiervoor het Toetsingssysteem Natuurinclusief Bouwen en Inrichten vastgesteld.

46

Subparagraaf 6.4.2 Toetsing Voor de woningbouwontwikkeling aan de Lange Vaart is een Duurzaam programma van eisen openbare ruimte en gebouwen opgesteld. De ambities uit het gemeentelijk beleid en het convenant klimaatadaptief bouwen zijn hierin verankerd. Het PvE wordt als bijlage bij het contract met de ontwikkelaars gevoegd en dient als kader voor de verdere uitwerking van het gebied. Het woongebied aan de Lange Vaart krijgt een groene en dorpse uitstraling passend bij de identiteit van het bestaande dorp. Een duurzaam woon- en leefgebied waar de Bleiswijker zich in herkent en thuisvoelt. De ambitie is een gezond leefklimaat waarin wordt gebouwd met duurzame materialen, met respect voor kringlopen en zoveel mogelijk hergebruik. De woningen zijn energiezuinig, de inrichting van de wijk stimuleert een bewuste levensstijl en oplossingen voor klimaat worden hiermee zichtbaar. Energie De ambitie voor de Lange Vaart is 'de woningen zijn energiezuinig, de inrichting van de wijk stimuleert een bewuste levensstijl en oplossingen voor klimaat worden hiermee zichtbaar'.

Er wordt invulling gegeven aan energie door middel van de volgende uitgangspunten: ^ energiebesparing: stimuleer energiebesparing door energiezuinig ontwerp, balanceren van vraag en aanbod en maatregelen op gebouw en gebruikersniveau; ^ duurzame warmte en koude: opwekken van warmte en koude door middel van lokale collectieve of individuele systemen; ^ zonne-energie: voor beide locaties zijn er daarnaast goede maatregelen mogelijk om maximaal gebruik te maken van zonne-energie. Voor de Lange Vaart geldt energieneutraliteit op gebouwniveau. Ontwikkelende partijen bouwen Nulop-de-Meter woningen. Als dit aangetoond niet mogelijk is, dan wordt gebouwd met een vastgestelde gemiddelde GPR-score van minimaal 8,0. Woningen krijgen een koelbehoefte. Afhankelijk van de schaal is een energiesysteem dat zowel (collectieve) warmte als koude kan leveren nader te onderzoeken op haalbaarheid.

Klimaatadaptatie en biodiversiteit Er wordt invulling gegeven aan klimaatadaptatie en biodiversiteit door middel van de volgende uitgangspunten: ^ toekomstbestendig groen-blauwsysteem: minstens 20 % beleefbaar groen, 10 % water, bomen in de openbare ruimte tegen hittestress en water vasthouden en vertraagd afvoeren tegen wateroverlast en droogte; ^ anticiperen op klimaatverandering: hitte, droogte, wateroverlast en overstroming; ^ biodiversiteit vergroten: klimaatrobuuste, inheemse, biodiverse beplanting als onderdeel van de ecologische structuur met minimaal 50 % natuurvriendelijke oevers; ^ klimaatrobuuste en natuurinclusieve gebouwen en tuinen: passieve en actieve koeling, groene daken, nestgelegenheid, groene tuinen en erfafscheiding. Bij de ontwikkeling van Lange Vaart worden bij de aanleg inheemse plantsoorten gekozen die meer resistent zijn tegen droogte en passend bij de habitat voor (inheemse) dieren die onder druk staan.

47

Groen en biodiversiteit zijn essentieel voor het dorpsleven, de toekomstbestendigheid van het dorp en voor onze gezondheid. Streekeigen gezonde flora zorgt voor meer fauna. Circulariteit De ambitie voor de Lange Vaart is 'een gezond leefklimaat waarin wordt gebouwd met duurzame materialen, met respect voor kringlopen en zoveel mogelijk hergebruik'. Er wordt invulling gegeven aan circulariteit door middel van de volgende uitgangspunten: ^ waardebehoud: onderzoek de mogelijkheid voor levensduurverlening of hergebruik van bestaande bebouwing, gebouwonderdelen, materialen in de openbare ruimte, kunstwerken en straatmeubilair; ^ toekomstig hergebruik: ontwerp 'losmaakbaar' of 'aanpasbaar' en stel een materialenpaspoort op, zodat materialen aan het eind van de levensduur eenvoudig her te gebruiken zijn; ^ duurzame materialen: gebruik secundaire of hernieuwbare materialen of materialen met een lage milieu-impact; ^ gebruiksfase: stimuleer bewoners om secundaire en biobased materialen te gebruiken en wijs op de mogelijkheden voor een deeleconomie. Door het toepassen van circulaire en natuurlijke materialen in het ontwerp en de aanleg van infrastructuur van wegen, paden en inrichting worden zo min mogelijk grondstoffen uit de aarde gehaald en door natuurlijke materialen te gebruiken wordt er minder druk uitgeoefend op de biosfeer.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lansingerland&id=e52e4f2c-6030-4864-bd17-ae4b8fb7155e