[T25.06215] Bijlage 20 - Quickscan flora en fauna
Tekst van het document
Mocht dit onverhoopt toch het geval zijn, dan moet er rekening worden gehouden met de geldende zorgplicht. Kreeftachtigen De enige beschermde kreeftachtige, de Europese rivierkreeft, komt van oorsprong voor in zuurstofrijke beken en rivieren met voldoende dekking (Nederlands Soortenregister, n.d.). Tegenwoordig is de kreeft alleen nog terug te vinden in vijvers waar hij concurrentie van andere (invasieve) exoten vermijdt. Aangezien er binnen een straal van 2,5 kilometer van het projectgebied geen beschermde soorten zijn waargenomen volgens de NDFF en er binnen het projectgebied geen zuurstofrijke beken of rivieren met voldoende dekking aanwezig zijn, worden er geen (beschermde) kreeftachtigen verwacht in het projectgebied. Conclusie ongewervelden Samenvattend, tijdens de veldronde zijn geen beschermde ongewervelden waargenomen. Ook biedt de locatie geen potentie voor deze soorten. De aanwezigheid van beschermde ongewervelden kan worden uitgesloten. Nader onderzoek naar de aanwezigheid van beschermde ongewervelden is dan ook niet noodzakelijk. figuur 9: Geschiktheid ongewervelden (waargenomen gewone schijfhoren).
5.2.9
Planten en mossen
Beschermde planten en mossen kunnen op zeer diverse plaatsen groeien (Flora van Nederland, n.d.). Zo zijn er soorten die alleen voorkomen in natuurgebieden terwijl andere soorten juist voorkomen in een stadse omgeving (bijvoorbeeld muurplanten).
E UIPE | “s
blad 25 van 39
Een voorwaarde voor een groeiplaats is dat de bodem geschikt is voor een beschermde soort en dat het beheer/dynamiek van het gebied aansluit op de levenscyclus van de soort. Tijdens het veldonderzoek is de projectlocatie gecontroleerd op aanwezigheid van beschermde planten en mossen. Aanwezigheid kan niet het gehele jaar door worden vastgesteld in verband met de bloeitijd van soorten. Aan de hand van het habitat en de bodem is een inschatting gemaakt of de projectlocatie geschikt is voor beschermde planten en mossen. Tijdens het veldbezoek zijn er geen beschermde planten of mossen aangetroffen. Volgens de NDFF is de aanwezigheid van de kartuizeranjer binnen een straal van 2,5 kilometer te verwachten. Het gebied biedt echter geen geschikt habitat voor deze soort, aangezien de kartuizeranjer uitsluitend voorkomt op schrale kalkgraslanden en in bosschages langs bermen en dijken; dit habitat komt niet binnen het projectgebied voor. Conclusie planten en mossen Samenvattend, tijdens de veldronde zijn geen beschermde planten of mossen waargenomen. Ook biedt de locatie geen potentie voor deze soorten. De aanwezigheid van beschermde planten of mossen kan worden uitgesloten. Nader onderzoek naar de aanwezigheid van beschermde planten en mossen is dan ook niet noodzakelijk.
5.2.10
Rode lijstsoorten
Rode lijstsoorten kunnen op zeer diverse plaatsen voorkomen. Zo zijn er soorten die alleen voorkomen in natuurgebieden terwijl andere soorten juist voorkomen in een stadse omgeving. Tijdens het veldonderzoek is de projectlocatie gecontroleerd op aanwezigheid van Rode lijstsoorten. In paragraaf H5.2.4.2 is toegelicht dat het projectgebied geschikt is als foerageergebied voor vleermuissoorten. De laatvlieger valt hieronder. Binnen het projectgebied is echter geen pand aanwezig, waardoor het gebied niet geschikt is als verblijfplaats voor deze soort. Het foerageergebied en de vliegroutes zijn essentieel, maar worden tijdens de werkzaamheden niet aangetast. Wel zullen er maatregelen genomen worden met betrekking tot vliegroutes en/of foerageergebieden. In paragraaf H5.2.3 is toegelicht dat een kadaver van een haas is waargenomen. Uit de waarnemingen blijkt dat het kadaver vermoedelijk het gevolg is van predatie door een roofvogel. In dezelfde paragraaf wordt tevens toegelicht waarom vestiging van de haas in het gebied niet aannemelijk is, vanwege het ontbreken van geschikte habitattypes en het uitblijven van sporen die wijzen op regelmatige aanwezigheid. Door het enigszins stedelijke karakter van het gebied en het ontbreken van schuilmogelijkheden, openingen in panden en geschikt leefgebied, worden geen overige zoogdiersoorten verwacht.
Binnen het projectgebied zijn waterelementen aanwezig, waardoor het gebied mogelijk geschikt is voor amfibieën, vissen, weekdieren en (water)vogels. Deze elementen worden echter niet aangetast tijdens de werkzaamheden en zullen daardoor niet worden geschaad. Vanwege het enigszins stedelijke karakter van het projectgebied en de omgeving en het ontbreken van schuilmogelijkheden, geschikt leefgebied en groeiplaatsen, kan de aanwezigheid van insecten, korst-, blad- en levermossen, reptielen, schimmels en vaatplanten die op de Rode Lijst staan, binnen het projectgebied worden uitgesloten. Conclusie Rode lijstsoorten Samenvattend, tijdens de veldronde zijn geen Rode lijstsoorten waargenomen. Ook biedt de locatie (behalve als foerageergebied en vliegroute voor de laatvlieger) geen potentie voor deze soorten. De aanwezigheid van beschermde Rode lijstsoorten kan worden uitgesloten. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Wel gelden er maatregelen voor het foerageergebied en vliegroute van de laatvlieger.
E UIPE | “s
blad 26 van 39
6.
Samenvatting en advies
6.1
Gebiedsbescherming
Op basis van de uitgevoerde bureaustudie naar de gebiedsbescherming, blijkt dat er geen negatieve effecten zijn te verwachten op Natura 2000-gebied, bijzonder nationaal natuurgebied of het NNN. Eventuele effecten van stikstofdepositie zijn daarbij buiten beschouwing gelaten.
6.2
Soortbescherming
Op basis van het uitgevoerde onderzoek blijk dat er mogelijk negatieve effecten te verwachten zijn op algemene broedvogels, grondgebonden zoogdieren, vleermuizen foerageergebied en vliegroute. In onderstaande tabel staan de effecten en conclusie met betrekking tot eventueel nader onderzoek en maatregelen opgenomen. tabel 9: samenvatting van de quickscan flora en fauna. Soortgroep
Niet uit te sluiten beschermde soorten
Effect van de werkzaamheden
Locatie van effect
Vervolg
Algemene broedvogels
Canadese gans, meerkoet en nijlgans
Negatief effect
Achter waterbassin (nest) en zuidzijde projectgebied
Maatregelen noodzakelijk
Vogels met jaarrond beschermde nesten (cat. 1 t/m 4)
Geen
Geen
Geen
Geen
Vogels met jaarrond beschermde nesten (cat. 5)
Geen
Geen
Geen
Geen
Grondgebonden zoogdieren
Bunzing, haas
Mogelijk negatief effect
Potentieel jacht/foerageergebied
Maatregelen noodzakelijk
Vleermuizen verblijfplaatsen
Geen
Geen
Geen
Geen
Vleermuizen foerageergebied, vliegroute en/of migratieroute
Vleermuizen foerageergebied en vliegroute
Mogelijk negatief effect
Bomen noord en zuid zijde projectgebied
Maatregelen noodzakelijk
Amfibieën
Geen
Geen
Geen
Geen
Reptielen
Geen
Geen
Geen
Geen
Vissen
Geen
Geen
Geen
Geen
Ongewervelden
Geen
Geen
Geen
Geen
Planten en mossen
Geen
Geen
Geen
Geen
Rode lijst
Laatvlieger
Mogelijk negatief effect
Bomen noord en zuidzijde projectgebied
Maatregelen noodzakelijk
6.3
Houtopstanden
Op basis van de uitgevoerde bureaustudie naar houtopstanden blijkt dat er geen negatieve effecten zijn te verwachten op houtopstanden.
6.4
Provinciaal en lokaal beleid
Op basis van de uitgevoerde bureaustudie naar aanvullend beleid blijkt dat er geen negatieve effecten zijn te verwachten op lokaal of provinciaal beleid.
E UIPE | “s
blad 27 van 39
6.5
Advies en vervolg
6.5.1
Nader onderzoek
Nader onderzoek is niet benodigd.
6.5.2
Maatregelen
De werkzaamheden van het initiatief kunnen leiden tot verstoring van alle aanwezige flora en fauna. De zorgplicht uit de Omgevingswet geldt voor alle voorkomende soorten. Dit betekent dat bij de werkzaamheden, zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, zorg wordt gedragen voor een zo min mogelijke verstoring of aantasting van de aanwezige flora en fauna. Om te voorkomen dat (beschermde en/of niet beschermde) aanwezige soorten worden verstoord of gedood, zijn maatregelen noodzakelijk. Tevens dient te allen tijde rekening te worden gehouden met de zorgplicht. In de onderstaande tabel zijn de minimale maatregelen opgenomen waar men zich aan dient te houden tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden. tabel 10: overzicht met maatregelen. Soort(groep)
Maatregel
Alle soorten
Algemene zorgplicht (naar Artikel 1.6 Ow). Degene die een activiteit verricht en weet dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben, neemt alle maatregelen om de nadelige gevolgen te voorkomen, maakt de gevolgen beperkt of ongedaan of laat de activiteit achterwege.
Algemene broedvogels
Werken buiten het reguliere broedseizoen (circa 15 maart - 15 juli). Indien dit niet mogelijk is, dient er voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelcontrole te worden uitgevoerd. Een gevestigd nest en in gebruik zijnde nest, ook buiten het reguliere broedseizoen, mag echter niet worden weggehaald.
Vleermuizen, foerageergebied/vliegroute
De werkzaamheden mogen niet 's avonds of 's nachts worden uitgevoerd. Eventuele verlichting dient naar beneden gericht te worden en niet op aanwezige vegetatie of waterlichamen schijnen.
Grondgebonden zoogdieren
De werkzaamheden mogen niet 's avonds of 's nachts worden uitgevoerd. Eventuele verlichting dient niet op aanwezige vegetatie gericht te worden.
Disclaimer In deze rapportage is alleen getoetst aan de opgenomen werkzaamheden, het afwijken van deze werkzaamheden kan leiden tot mogelijk (nieuwe) effecten en daardoor mogelijk leiden tot een overtreding van de Omgevingswet. Indien men afwijkt van de in de rapportage opgenomen werkzaamheden dient overlegd te worden met een ecoloog. Mogelijk is er bij het afwijken van de werkzaamheden aanvullende toetsing benodigd.
E UIPE | “s
blad 28 van 39
7.
Natuur kansen weiland gecombineerde functie
De resultaten van de bureau- en veldstudie bieden weinig houvast voor de keuze van biodiversiteitsmaatregelen op de Zonneweide van Munnikkenpark te Lansingerland. Het projectgebeid leent zich als foerageergebied voor de bunzing en vleermuis die zich aandienen als geschikte doelstellingen voor biodiversiteitsmaatregelen. Verder is er slechts zeer beperkte biodiversiteit aanwezig. Het positieve aan de lage biodiversiteit binnen het projectgebied is dat algemene maatregelen die bijdragen aan de basisbehoeften van de natuur mogelijk een aanzienlijke impact kunnen hebben. Een methode om de behoeften van de natuur te classificeren is de zogenoemde Vijf Vs. In het Nederlands is dit een handig geheugensteuntje, omdat de vijf termen - allemaal beginnend met de letter "V” - de basisbehoeften beschrijven ('voedsel', 'voortplanting', 'veiligheid', 'verbinding' en 'variatie'). Het versterken van deze aspecten op de locatie zal de potentie voor biodiversiteit vergroten. Alle maatregelen die in dit hoofdstuk worden genoemd, hebben een positief effect op een of meer van deze 'vijf V'-aspecten.
7.1
Ecologische inrichting met poelen en natuurlijke oevers
Een belangrijk onderdeel van het plan is de aanleg van meerdere poelen, verspreid over het natuurinclusieve deel van het gebied. Deze poelen krijgen een natuurlijk verloop van de oevers met een flauw talud volgens het 4:1 principe (vier meter horizontaal en één meter verticaal). Dit bevordert de biodiversiteit aanzienlijk doordat het ruimte biedt aan een brede variëteit aan planten en dieren, waaronder amfibieën, libellen en weidevogels. De poelen functioneren daarnaast als natuurlijke waterbuffers en dragen bij aan het vasthouden van regenwater tijdens piekbuien, wat de klimaatbestendigheid van het gebied vergroot. Bij de aanleg van een poel moet rekening worden gehouden met de volgende voorwaarden(bron: : ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^
Stilstaand of hooguit zwakstromen water. Voldoende zoninstraling (niet te sterk beschaduwd). Ondiep, zodat het water snel opwarmt, maar ook diep genoeg om in de zomer water vast te houden voor larvenontwikkeling. Aanwezigheid van voldoende watervegetatie voor ei-afzet en schuilmogelijkheden. Rustige ligging. Geleidelijke, flauw aflopende oevers. Geen te zure omstandigheden (pH > 4-6). Geen aanwezigheid van grote vissoorten.
figuur 10: voorbeeld poel (Ravon, 2025).
E UIPE | “s
blad 29 van 39
Het is ook belangrijk om dit principe toe te passen aan de randen van het projectgebied. De randen zijn nu zodanig ingericht dat houtschoten steile oevers creëren, wat het voor amfibieën moeilijk maakt om het land op te komen. Het aanpassen van deze oevers zal de toegankelijkheid voor amfibieën verbeteren en bijdragen aan een betere ecologische verbinding tussen de poelen en omliggende gebieden.
7.2
Integratie van zonne-energie en biodiversiteit
De panelen kan op verhoogde frames worden geplaatst, waardoor ondergroei mogelijk blijft. Hierdoor ontstaat een schaduwrijk microklimaat dat aantrekkelijk is voor flora en fauna. Het gebied rondom en onder de zonnepanelen zal ecologisch beheerd kunnen worden, onder andere door inzet van extensieve begrazing met schapen.
7.3
Natuurvriendelijk beheer van graslanden
Binnen het projectgebied wordt het beheer van de graslanden afgestemd op natuurdoelen. Door op delen van de percelen het gras hoger te laten groeien, ontstaat een geschikter leefgebied voor insecten, kleine zoogdieren en broedvogels. Daarnaast kan gekozen worden voor gefaseerd maaibeheer: hierbij wordt niet in strakke lijnen, maar in een organisch patroon gemaaid, waarbij delen ongemaaid blijven. Deze werkwijze biedt insecten de kans om zich te herstellen en zorgt ervoor dat bloeiende planten langer aanwezig blijven, wat de robuustheid van de voedselketen versterkt. Groene bloemen- en kruidenstroken dragen bij aan een grotere plantendiversiteit dan traditionele, ingezaaide graslanden. De variatie aan planten in deze aaneengesloten stroken trekt meer insecten aan, zoals bijen, hommels, wespen, sprinkhanen, krekels, vlinders en mieren. Door verspreid insectenhotels te plaatsen, bij voorkeur in dichte vegetatie en in de volle zon, kan ook in de wintermaanden een breed scala aan insecten worden ondersteund. Hogere kruiden bieden bovendien extra beschutting voor op de grond levende zoogdieren. Door het inzaaien van inheemse kruidenmengsels én het toepassen van ecologisch maaibeheer ontstaan er kansen voor beschermde soorten om zich binnen het projectgebied te vestigen en verder te ontwikkelen. figuur 11: combinatie grasland vegetatie en zonnepanelen (WUR, 2021)
E UIPE | “s
blad 30 van 39
7.4
Aanleg van houtrillen
Aan de randen of tussen de zonnepanelen kunnen in het gebied houtrillen worden aangelegd. Deze worden opgebouwd met lokaal snoeihout en vervullen meerdere functies: ze bieden nestgelegenheid en schuilplaatsen voor vogels, egels en kleine zoogdieren, fungeren als ecologische verbindingszones en werken als natuurlijke windbrekers. Hierdoor ontstaat een meer gelaagd landschap met een verhoogde ecologische waarde en een aantrekkelijker visueel beeld. Uitvoering en aandachtspunten: ^ De lengte van de houtril is afhankelijk van de locatie en de beschikbaarheid van snoeihout; streef naar een lengte van minimaal 2 tot maximaal 10 meter. ^ De ril moet minimaal 1,0 meter hoog zijn. Bij veel beschikbaar snoeihout is het beter om meerdere kleinere rillen te realiseren in plaats van één grote, aangezien dit de ecologische waarde verhoogt. ^ Al het snoeihout van struiken en bomen kan worden gebruikt, behalve takken dikker dan 15 cm; deze zijn beter geschikt als stookhout of voor bijvoorbeeld een bijenhotel. ^ Stapel de takken in de lengterichting, met de dikkere takken onderop en de dunnere takken bovenop. Zorg ervoor dat de takken stevig in elkaar worden gestoken om een compacte en stabiele ril te creëren. ^ Werk de houtril netjes af door de takken tussen palen te klemmen. Dit zorgt voor extra stevigheid en een langzame vertering van het hout.
Na een volgende snoeibeurt kan de ril eenvoudig worden aangevuld met vers snoeihout.
7.5
Extra ecologische maatregelen
Naast bovengenoemde ingrepen wordt aanvullend ingezet op bloemrijke perceelranden met inheemse kruidenmengsels om bijen en vlinders aan te trekken. Ook worden op strategische plaatsen nestkasten geplaatst voor vogels en vleermuizen en insectenhotels voor bestuivende soorten. Door open, zandige zones te creëren, wordt bovendien voorzien in geschikte nestplekken voor wilde bijen en graafwespen.
7.5.1
Kasten vogels:
Gezien de predatie van soorten kan worden aangenomen dat roofvogels regelmatig gebruik maken van het gebied. Er wordt daarom geadviseerd om nestkasten voor valken en uilen te plaatsen, omdat het gebied zich hier goed voor leent. Er kan specifiek gekozen worden voor de volgende soorten: Torenvalk Torenvalken komen voor in open en halfopen landschappen met veel woelmuizen. Ze broeden in nestkasten, solitaire bomen en aan de rand van bossen en bosjes en soms ook op de grond. Geschikte habitat zijn boerenland met veel (kort) grasland, heide, hoogvenen, open duinen en duinvalleien, akkers en soms stedelijke gebieden (bron: Vogelbescherming, 2025). Aanbevelingen voor het ophangen van de nestkast : ^ Hang de nestkast op minimaal 4 meter hoogte, langs een bosrand, in een boom, aan een paal, een rustige gevel of in een mast. ^ Richt de invliegopening niet naar het zuidwesten. ^ Voeg een kleine hoeveelheid nestmateriaal toe (bijvoorbeeld droge houtspaanders).
E UIPE | “s
blad 31 van 39
figuur 12: Voorbeeld van een torenvalk kast (Vivara pro, 2025).
Te kopen via: https://vivarapro.nl/product/rk-to-01-torenvalknestkast^gk1*xli7o1^up*MQ..^gs*MQ.^gdid^j0KCQjwzrzABhD8ARIsANlSWNNazYxyrRIA4ecFMa5uqEEWcW1Xe8H6IbmQnk1y_enC8ga0eBqaDgaAruZEALw_wcB&gbraid=0AAAAA9mmEJwtYIejT_6zryK hi9dEvGe_Q Bosuil De bosuil bewoont open loofbossen of gemengde bossen, boerenerven, (stads)parken, groene woonwijken met oude bomen en grote binnentuincomplexen. Aanbevelingen voor het ophangen van de nestkast: ^ Hang de nestkast op minimaal 4 meter hoogte langs de bosrand, in het bos, een park of een (grote) tuin. ^ Richt de invliegopening niet naar het zuidwesten. ^ Plaats de kast niet op een locatie die de hele dag in de volle zon staat. ^ Voeg een kleine hoeveelheid nestmateriaal (droge houtspaanders) toe. figuur 13: voorbeeld Bosuil nestkast (Vivara pro, 2025).
Te kopen via: https://vivarapro.nl/product/uk-bo-01-bosuilnestkast^gk1*1uo38yb^up*MQ..^gs*MQ.^gdid^j0KCQjwzrzABhD8ARIsANlSWNNazYxyrRIA4ecFMa5uqEEWcW1Xe8H6IbmQnk1y_enC8ga0eBqaDgaAruZEALw_wcB&gbraid=0AAAAA9mmEJwtYIej'T_6zryK hi9dEvGe_Q Zitplaatsen voor roofvogels Zitpalen voor roofvogels, zoals buizerds, arenden en uilen, bieden een veilige en verhoogde uitkijkplek. Ze bootsen natuurlijke uitkijkpunten na, waardoor roofvogels hun omgeving kunnen afspeuren op zoek naar prooi of gevaar.
E UIPE | “s
blad 32 van 39
De paal moet 3 tot 5 meter hoog zijn, hoger dan de omliggende vegetatie en geplaatst worden in een open, rustige omgeving met weinig verstoring. Ideale locaties liggen bij jachtgebieden zoals weides, velden of moerassen. De zitpalen moeten weerbestendig zijn en zoveel mogelijk opgaan in de natuurlijke omgeving. figuur 14: voorbeeld roofvogelzitpaal (Vlvara pro, 2025).
Te kopen via: https://vivarapro.nl/product/rv-zp-01roofvogelzitpaal^gk1*m3zsm2^up*MQ..^gs*MQ.^gclid^j0KCQjwzrzABhD8ARIsANlSWNNazYxyrRIA 4ecFMa5uqEEWcW1Xe8H6IbmQnk1y_enC8ga0eBqaDgaAruZEALw_wcB&gbraid=0AAAAA9mmEJwtYIejT_6zryK hi9dEvGe_Q
7.5.2
Kasten vleermuizen
Vleermuizen zijn belangrijke natuurlijke bestrijders van insecten zoals muggen en motten en dragen bij aan een gezond ecosysteem. In open weilanden ontbreken vaak natuurlijke verblijfplaatsen zoals holle bomen of oude gebouwen. Door vleermuiskasten op palen te plaatsen, bieden wij vleermuizen veilige plekken om te rusten, te broeden en te schuilen. Voor een succesvolle plaatsing is een open, rustige locatie zonder obstakels zoals bomen of gebouwen essentieel. De paal moet een hoogte van 4 tot 6 meter hebben en bij voorkeur staan in de buurt van insectenrijke gebieden, zoals waterpartijen, bloemrijke weides of bosranden. Kies een plek met ochtendzon voor warmte, maar vermijd felle middagzon en harde wind. Vermijd ook directe kunstmatige verlichting, omdat vleermuizen verlichte gebieden mijden. Zorg voor vrije vliegwegen zonder obstakels. Met een zorgvuldig gekozen locatie vergroot je de kans op succesvol gebruik door vleermuizen en lever je een belangrijke bijdrage aan hun bescherming en aan de versterking van de biodiversiteit. figuur 15: voorbeeld vleermuispaalkast (Vivara Pro, 2025)
E UIPE | “s
blad 33 van 39
Te koop via: https://vivarapro.nl/product/vk-sk-08-vleermuis-paalkastsetZ?-gk1*al5hvj*-up*MQ..*-gs*MQ..Sgclid^j0KCQjwzrzABhD8ARIsANlSWNNazYxyrRIA4ecFMa5uqEEWcW1Xe8H6IbmQnk1y-enC8ga0eBqaDgaAruZEALw-wcBSgbraid^AAAAA9mmEJwtYIejT-6zryK hi9dEvGe.Q
7.5.3
Insectenhotels
Binnen het projectgebied kan ervoor gekozen worden om insectenhotels te plaatsen als aanvullende maatregel naast de aanleg van zonnevelden. Insectenhotels bieden nest- en schuilgelegenheid aan nuttige insectensoorten zoals wilde bijen, vlinders, lieveheersbeestjes en gaasvliegen, die belangrijk zijn voor de bestuiving van planten en het natuurlijk in stand houden van het ecosysteem. De hotels worden bij voorkeur geplaatst op zonnige, beschutte locaties, gericht op het zuiden of zuidoosten en op een hoogte van circa 30 tot 50 centimeter boven de grond. Door de directe omgeving in te richten met bloemrijke vegetatie, wordt een aantrekkelijk leefgebied gecreëerd voor diverse insectensoorten. Het plaatsen van insectenhotels draagt bij aan de versterking van de biodiversiteit binnen zonneparken en verhoogt de ecologische waarde van het projectgebied. Daarmee wordt niet alleen duurzame energie opgewekt, maar ook actief bijgedragen aan natuurbehoud en ecologische verbindingen. figuur 16: voorbeeld insectenhotel (Vivara Pro, 2025).
Te kopen via: https://vivarapro.nl/product/ip-wa-01insectenwandZ?-gk1*1esdj9r*-up*MQ..*-gs*MQ..Sgclid^j0KCQjwzrzABhD8ARIsANlSWNNazYxyrRIA4ec FMa5uqEEWcW1Xe8H6IbmQnk1y-enC8ga0eBqaDgaAruZEALw-wcBSgbraid^AAAAA9mmEJwtYIejT-6zryK hi9dEvGe.Q
7.6
Realisatie van faunapassages en ecologische verbindingen
Om de ecologische waarde van het projectgebied te versterken, wordt voorgesteld om op strategische plaatsen faunapassages te realiseren. Deze passages maken het voor kleine zoogdieren, amfibieën en andere grondgebonden soorten mogelijk om zich veilig te verplaatsen tussen het projectgebied en aangrenzende natuurzones, zoals het noordelijk gelegen parklandschap en de zuidelijke agrarische omgeving. Een effectieve toepassing hiervan is de aanleg van kleinschalige faunatunnels of -duikers onder bestaande en nieuwe bruggetjes over de aanwezige watergangen. Deze voorzieningen zorgen ervoor dat dieren zich vrij kunnen bewegen zonder barrières zoals wegen of diepe sloten te hoeven oversteken. Bij voorkeur worden de passages aangelegd met natuurlijke materialen en voorzien van geleidingselementen, zoals heggen of takkenrillen, die de dieren naar de doorgangen leiden.
E UIPE | “s
blad 34 van 39
Het realiseren van deze verbindingen draagt bij aan de ecologische samenhang (verbinding) van het landschap en verhoogt de overlevingskansen van soorten die afhankelijk zijn van kleinschalige, doorlopende habitatstructuren. Door de faunapassages te koppelen aan bestaande landschapselementen zoals houtwallen of poelen, ontstaat een netwerk van groene infrastructuur dat zich ook op langere termijn duurzaam kan ontwikkelen.
E UIPE | “s
blad 35 van 39
8.
Verwijzingen
BIJ12. (2017). Kennisdocument Das, Meles meles. Opgehaald van https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017003-Kennisdocument-Das-1.0.pdf BIJ12. (2023). Kennisdocument Gierzwaluw, Apus apus. Opgehaald van https://www.bij12.nl/assets/BIJ122017-006-Kennisdocument-Gierzwaluw-1.0.pdf BIJ12. (2017). Kennisdocument Roek, Corvus frugilegus. Opgehaald van Vogelbescherming. BIJ12. (2022). Kennisdocument Huismus, Passer domesticus. (Versie 2.0), 63p. Opgehaald van https://www.bij12.nl/ BIJ12. (2024). Kennisdocument Gewone Dwergvleermuis, Pipistrellus pipistrellus. Bijlsma, R. G. (2015). Handleiding veldonderzoek Roofvogels. Bouwens, S. (2017). Handreiking Kleine Marters in relatie tot soortbescherming. Opgehaald van https://www.zoogdiervereniging.nl/sites/default/files/imce/nieuwesite/0verigen/downloads/15908%20Han dreiking%20kleine%20Marters%20DIGITAAL.pdf Flora van Nederland. (n.d.). Plantensoorten. Opgehaald van Flora van Nederland: https://www.floravannederland.nl/ Nationale Databank Flora en Fauna. (n.d.). NDFF Verspreidingsatlas. Opgehaald van Verspreidingsatlas: https://www.verspreidingsatlas.nl/ Natura2000. (2008). Platte schijfhoren (Anisus vorticulus) H4056. Opgehaald van https://www.natura2000.nl/sites/default/files/profielen/Profielen_HRSoorten_Actueel/Profiel_soort_H4056. pdf Nederlands Soortenregister. (n.d.). Europese rivierkreegt Astacus astacus.
Opgehaald van Nederlandsesoorten.nl: https://www.nederlandsesoorten.nl/linnaeus_ng/app/views/species/nsr_taxon.php?id=143789&cat=156 Netwerk Groene Bureaus en Zoogdiervereniging. (2021). Vleermuisprotocol 2021. Omgevingswet. (2024). Opgehaald van https://wetten.overheid.nl/BWBR0037885/2024-01-01Z0 QGIS. (2009). QGIS Geographic Information System. Open Source Geospatial Foundation. Opgehaald van http://qgis.org Ravon. (n.d.). Amfibieën. Opgehaald van Ravon: https://www.ravon.nl/Soorten/Soortinformatie/category/amfibie%C3%ABn Ravon. (n.d.). Reptielen. Opgehaald van Ravon: https://ravon.nl/reptielen Ravon. (n.d.). Vissen. Opgehaald van Ravon: https://www.ravon.nl/vissen Ravon. (n.d.). Wintersterfte. Opgehaald van Ravon Helpdesk: https://www.ravon.nl/Helpdesk/wintersterfte Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. (2021). Indicatieve lijst jaarrond beschermde vogelnesten. Opgehaald van https://www.rvo.nl/sites/default/files/2021/04/Lijst-jaarrond-beschermde-vogelnesten.pdf Stichting EIS Nederland. (n.d.). Kevers. Opgehaald van Stichting EIS Nederland, Kenniscentrum insecten en andere ongewervelden: https://www.eis-nederland.nl/soortenbeleid/habitatrichtlijn/kevers Stichting NDFF. (2009). Uitvoerportaal Nationale Databank Flora en Fauna. Opgehaald van Nationale Databank Flora en Fauna: https://ndff-ecogrid.nl/uitvoerportaal/login.zul Verspreidingsatlas. (n.d.). Bataafse stroommossel.
Opgehaald van Anemoon Verspreidingsatlas Weekdieren: https://www.verspreidingsatlas.nl/S8410 Vlinderstichting. (n.d.). Libellen. Opgehaald van Vlinderstichting: https://www.vlinderstichting.nl/libellen Vlinderstichting. (n.d.). Vlinders. Opgehaald van Vlinderstichting: https://www.vlinderstichting.nl/vlinders Vogelbescherming. (n.d.). Grote gele kwikstaart. Opgehaald van Vogelbescherming: https://www.vogelbescherming.nl/ontdek-vogels/kennis-over-vogels/vogelgids/vogel/grote-gelekwikstaart?ss360SearchTerm=grote%20gele%20kwikstaart Vogelbescherming. (n.d.). Ooievaar. Opgehaald van Vogelbescherming: https://www.vogelbescherming.nl/ontdek-vogels/kennis-over-vogels/vogelgids/vogel/ooievaar Vogelbescherming. (n.d.). Veelgstelde vragen wet- en regelgeving. Opgehaald van Vogelbescherming: https://www.vogelbescherming.nl/bescherming/juridische-bescherming/veelgestelde-vragen-vogels-ende-wet Zoogdiervereniging. (n.d). Steenmarter. Opgehaald van Zoogdiervereniging: https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten/steenmarter Zoogdiervereniging. (n.d.). Boommarter. Opgehaald van Zoogdiervereniging: https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten/boommarter Zoogdiervereniging. (n.d.). Hoe gebruken vleermuizen een landschap? Opgehaald van Vleermuizen in de stad.
E UIPE | “s
blad 36 van 39
Bijlage 1:
Stappenplan ecologisch onderzoek
Hieronder wordt beschreven welke stappen genomen moeten worden indien de quickscan flora en fauna geen uitsluitsel kan geven over eventuele strijdigheden met de Ow. Deze paragraaf is opgesplitst in soortenbescherming en gebiedsbescherming.
Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Indien negatieve effecten van de werkzaamheden op beschermde Natura 2000-gebieden (figuur 1) niet kunnen worden uitgesloten met een quickscan, zal een voortoets worden opgesteld. In een voortoets wordt door middel van een bureaustudie bekeken of de werkzaamheden significant negatief effecten hebben op de kwaliteit en instandhoudingsdoelstellingen van beschermde gebieden. Als dit op basis van de voortoets niet uitgesloten kan worden, zal een passende beoordeling moeten worden opgesteld. In de passende beoordeling zal verder gedetailleerd onderzoek worden gedaan, waarbij de kwaliteit van de habitattypen wordt beoordeeld. Indien schadelijke effecten van de werkzaamheden alsnog niet kunnen worden uitgesloten, zal de ADC Toets de enige manier zijn om een vergunning voor het project te ontvangen.
Gebiedsbescherming NNN gebieden Voor de NNN-gebieden geeft de Ow geen mogelijkheid tot een Omgevingsvergunning. In de Omgevingsverordening worden per provincie de NNN-gebieden aangewezen. Ook de wezenlijke kenmerken en waarden worden vastgelegd, alsmede ook de regels in het belang van het instandhouding, verbetering en ontwikkeling van deze waarden. Per NNN-gebied kunnen deze regels verschillen. Als uit de quickscan blijkt dat niet aan de specifieke regels voor het betreffende NNN kan worden voldaan zal overleg met het bevoegd gezag plaats moeten vinden. Voor de meeste NNN-gebieden is het bevoegd gezag de provincie waar het NNN gebied ligt. Voor de grotere wateren en rivieren, waar het Rijk (Rijkswaterstaat) beheerder is zal overlegd moeten worden met het Rijk.
Soortbescherming Wanneer tijdens de quickscan beschermde soorten worden aangetroffen of wanneer aanwezigheid van beschermde soorten niet uitgesloten kunnen worden op basis van de potentie van de projectlocatie, is soort specifiek onderzoek benodigd (figuur 1). Soort specifiek onderzoek heeft als doel het vaststellen van de aanwezigheid van een beschermde soort en het vaststellen van de functie van het projectgebied voor de soort. Tevens wordt onderzocht of de werkzaamheden een negatief effect hebben op een beschermde soort of op het functioneren van de soort. Wanneer een negatief effect op een beschermde soort wordt vastgesteld is het aanvragen van een vergunning noodzakelijk. De doorlooptijd van het onderzoek verschilt per soort en is afhankelijk van het onderzoeksprotocol voor een soort.
Omgevingsvergunning Flora-en fauna-activiteit Voor het verstoren/doden van beschermde soorten en/of verwijderen van verblijfplaatsen van beschermde soorten is het aanvragen van een vergunning noodzakelijk, omdat door werkzaamheden verbodsartikelen uit de Ow overtreden worden. Allereerst zal onderzocht moeten worden of wordt voldaan aan de voorwaarden om een vergunning te verkrijgen: Een vergunning kan alleen worden verkregen wanneer er een wettelijk belang is genoemd in de Ow; Een vergunning kan alleen worden verkregen wanneer er geen andere bevredigende oplossing voorhanden is; Een vergunning kan alleen worden verkregen wanneer de staat van instandhouding van een soort niet in het geding komt.
E UIPE | “s
blad 37 van 39
Wanneer aan deze voorwaarden voldaan kan worden, kan het traject van vergunning aanvragen ingezet worden. Voor het aanvragen van een vergunning dient een activiteitenplan opgesteld te worden waarin wordt beschreven wat de te verwachten effecten van de werkzaamheden zijn op beschermde soorten. Tevens wordt in dit document een pakket aan randvoorwaarden (compensatie en mitigatie) beschreven om de effecten van de werkzaamheden zo veel als mogelijk te verzachten (mitigeren) en compenseren. figuur 1: overzicht stappenplan ecologisch onderzoek gebieds- en soortbescherming.
E UIPE | “s
blad 38 van 39
Bijlage 2:
Fotobijlage
Foto 1 Meest oostelijk deel proejctgebied
Foto 2 Te midden van het projectgebied (met waterbasin)
Foto 3 Ten westen van het projectgebied
E UIPE | “s
Dit rapport is opgesteld in opdracht van: Recurrent Energy B.V. Muiderstraat 7G 1011 PZ Amsterdam Projectnummer: 25Q0405 Opsteller: Controleur:
Equipe Adviseurs B.V. Daltonstraat 30D 3316 GD Dordrecht 088 078 1100 info@equipe-adviseurs.nl www.equipe-adviseurs.nl BANK NL45ABNA0586840729 KVK 24459961 BTW NL820721141B01