CConstaterende datLansingerland
Koppel je AI →
Document · PDF

[T25.06210] Bijlage 15 - Toets PGS 37-1

Gemeenteraad 25 september 2025, gemeente LansingerlandBij agendapunt: Bindend adviesrecht aanvraag omgevingsvergunning Munnikenweg (Zonnepark) (mogelijk motie of amendement VOOR Lansingerland)10.948 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Maatregelen PGS 37-1, versie definitief Project: co-located EOS Zonnepark Munnikenpark 2 x 2 EOS opstellingen

Totaal 4 containers

(oost en west)

met totaal 2 inverters.

Systeem

4-uurs

Leverancier

Hithium

Type LFP314- Configuratei 12P416S 2P52S

Van toepassing op

Van toepassing

Typical

op project Typical 3

alle

x

Paragraaf

Thema

Omschrijving

Toelichting

MW1

Zorgplicht basisveiligheid

Er is een basisveiligheidsniveau aanwezig dat bestaat uit:

De scenario's in deze PGS zijn gebaseerd op deze basisveiligheid. Zie de aangeleverde documentatie

beschermende maatregelen die volgens wet- en regelgeving standaard bij de

Deze maatregelen zijn een eerste ‘line of defense' om te

activiteiten nodig zijn;

voorkomen dat relatief kleine incidenten zich ontwikkelen tot

heeft middels aanleveren van deze GAP

maatregelen die volgens bewezen en geaccepteerde goede praktijken niet weg te

grote incidenten.

analyse op basis van de PGS 37-1

Project

GAP analyse

Voldoet

(datasheets van het EOS). Aanvrager

denken zijn. Dit zijn maatregelen voor ontwerp, constructie, in bedrijf nemen,

richtlijn onderbouwd om te voldoende

gebruik, onderhoud of modificatie, inspectie en uit bedrijf nemen;

aan de gestelde wet- en regelgeving.

good housekeeping. Dit is een begrip dat staat voor de algemene zorg bij, netheid en orde van een activiteit of een bedrijfsonderdeel. Good housekeeping is een belangrijke factor bij het voorkomen van gevaarlijke situaties. Er wordt van uitgegaan dat een bedrijf deze zaken op orde heeft, zoals ook is beschreven in de zorgplichtartikelen van de Omgevingswet en de Arbeidsomstandighedenwet; maatregelen goed vakmanschap. Dit staat voor vaardigheden van werknemers om kwalitatief goed werk te leveren, en daarbij veilig en gezond te werken.

alle

x

7.3.1

Constructie en installatie

M2

Minimale veiligheidseisen

Het EOS, inclusief de energiedragers, moet ten minste voldoen aan de minimale

Energiedragers hebben hoge kortsluitstromen. Bij het parallel

Op dit moment is er nog keuze gemaakt Voldoet.

EOS en energiedrager

veiligheidseisen zoals:

aansluiten van energiedragers zal de maximale kortsluitstroom

voor het definitieve systeem. In het

overstroombeveiliging;

verhoogd worden. De gebruikte beveiligingen moeten geschikt

ontwerp voor de omgevingsvergunning

kortsluitbeveiliging;

is gebruik gemaakt van het systeem

overtemperatuurbeveiliging;

zijn voor kortsluitstromen die maximaal op kunnen treden. Dit moet goed onderbouwd worden met berekeningen en/of

overspanningsbeveiliging;

simulaties.

zoals is aangegeven.

drukontlasting. EOS'en die voldoen aan IEC 62933-5-2 (EOS als geheel) en NEN-EN-IEC 62619 (energiedragers) voldoen aan deze minimale veiligheidseisen. Het EOS moet, waar van toepassing, tevens ontworpen worden conform NEN 1010 of gelijkwaardig. Hierbij moet extra aandacht besteed worden aan de kortsluitstroomberekeningen en beveiligingen van de batterijspanningsrail .

alle

x

M3

Traceerbaarheid

De energiedrager die ingebouwd wordt in het EOS moet zodanig geïdentificeerd zijn (bijvoorbeeld voorzien zijn van een serienummer, productienummer of productiedatum) dat in geval van het terugroepen van een defecte energiedrager een terugroepactie (recall) ondernomen kan worden.

Doel is dat van een EOS geregistreerd is welke energiedrager in welk EOS is ingebouwd, en waar het EOS geplaatst is.

EOS heeft serienummer, productienummer en/of datum beschikbaar wanneer deze wordt ingekocht, documentatie is beschikbaar na levering van het EOS. Verder wordt het opgenomen in het technisch dossier en zullen digitaal beschikbaar zijn.

Voldoet.

alle

x

M4

Procedure omgang met

De installatieverantwoordelijke van het EOS moet beschikken over een

Hithium heeft een serviceteam die bij

mogelijke beschadigde

procedure, beschikbaar gesteld door de leverancier, voor de omgang met

dit soort calamiteiten direct inspringt.

energiedragers

mogelijk beschadigde energiedragers. In de procedure worden zaken behandeld

Bescherming tegen

enz. Het EOS moet bestemd zijn voor de gebruiksomstandigheden. De kritische

omgevingsinvloeden

onderdelen in het EOS moeten beschermd zijn tegen binnendringen van water,

Voldoet

zoals melden, isoleren, identificeren, opslag (conform PGS 37-2), veilig afvoeren 1 tm 4

x

M5

stof, enz. Dit kan bijvoorbeeld bereikt worden door een passende IP-classificatie.

IP-classificatie (ingress protection) geeft de beschermingsgraad

Whitepaper Hitium geeft an dat deze

Voldoet

van behuizingen of andere objecten aan tegen binnendringen van EOS een Ip 55 protection level heeft. water, stof enz. Zodat de kritische onderdelen van de energiedrager niet in aanraking kunnen komen met water/vocht.

alle

x

M6

Plaatsing Eos

Een nieuw EOS is zo geplaatst dat het beschermd is tegen externe invloeden,

Bij bijvoorbeeld plaatsing van een stationair EOS buitendijks is

Elektrische apparatuur staat boven de

rekening houdend met de plaatselijke omstandigheden. Externe invloeden zijn bijvoorbeeld optrekkend vocht, instromend water, enz. Het EOS moet op een

het EOS beschermd tegen mogelijk instromend water. Hierbij

grond. De plaatsing van het EOS gebeurt

gaat het om plaatsing in de uiterwaarden van een rivier of in een

op een fundering. Er zal mogelijk een

stabiele ondergrond geplaatst zijn. Hierbij moet rekening gehouden worden met

zeehaven waarbij de kades kunnen overstromen in geval van

lokale sondering worden gedaan om het

het maximale totaalgewicht inclusief eventueel het vullen met water bij

springtij. Deze bescherming kan bijvoorbeeld worden bereikt

draagvermogen van de grond te

door plaatsing van het EOS op een terp of een bouwkundige

bepalen.

calamiteiten wanneer van toepassing.

Voldoet

verhoging. Daarbij wordt rekening gehouden met de hoogste waterstand zoals deze in de afgelopen 20 jaar is gemeten. De bescherming kan ook worden bereikt door de bouw van een EOS in een waterdichte behuizing waarbij toegang van bovenaf plaatsvindt. Het EOS is dan tegen de zijwaartse druk van het water bestand. Een EOS kan ook onder water komen te staan als gevolg van een calamiteit (dijkdoorbraak). Dit geldt niet alleen ter plaatse van de zeewering maar ook langs de rivieren. De noodzaak om hiermee rekening te houden is sterk afhankelijk van de kans op een dergelijke calamiteit en de noodzakelijke dan wel gewenste bedrijfszekerheid. Een EOS in een kelder of op de begane grond van een gebouw is zo ontworpen dat bij een hevige regenbui de bouwkundige ruimte niet vol of gedeeltelijk vol kan lopen.

2,3

x

M7

Koppelen EOS'en met energiedragers van

Bij het koppelen van EOS'en met energiedragers van verschillende soort moet een Verschillende soorten' betreft niet alleen de chemie, maar ook

Het betreffende systeem wordt alleen

passende omvormer gebruikt worden tussen gemeenschappelijke bus (AC of DC) andere typen binnen een chemie of energiedragers met een

gebruikt.

verschilende soort

en de verschillende soorten energiedragers. De combinatie van BMS en

Voldoet

verschillende conditie (state of health).

omvormers moet aantoonbaar overbelasting voorkomen (vermogensreductie en indien nodig afschakelen). alle

x

M8

Klimaatbeheersing

Er moet voor gezorgd worden dat in het EOS: overmatige condensvorming voorkomen wordt en dat vrijkomend vocht op doelmatige wijze afgevoerd wordt; de temperatuur in het energiedragercompartiment binnen de specificaties blijft van de fabrikant; hierbij wordt bedoeld voorkomen van een temperatuur waarbij

unit moet gezorgd worden voor een functionele ontvochtiging. Condensatie op plekken waar het een veiligheidsrisico kan geven

EOS'en voldoen aan brandklasse A1 of A2 conform NEN-EN 13501-1 of

Overige maatregelen over

combinatie daarvan. Naast de koeling en de verwarming van de

Het EMS moet het klimaat in het EOS tijdens gebruik monitoren (directe link met klimaatbeheersing of met eigen sensoren). Wanneer isolatie van het EOS wordt

gelijkwaardig.

ontwerp en constructie

waarbij lucht- of vloeistofkoeling toegepast mag worden, of een

een thermal runaway kan ontstaan.

toegepast als onderdeel van de temperatuurbeheersing, moet deze voor nieuwe

7.3.2

Klimaatbeheersing binnen het EOS is noodzakelijk. Dit kan bijvoorbeeld bereikt worden met een klimaatbeheerssysteem,

(bijvoorbeeld BMS-printplaten) moet voorkomen worden.

Nader in te vullen

Voldoet

1,2,3,5,6

x

M9

Brandwerendheid

De brandwerendheid, bepaald volgens NEN 6069, tussen het EOS en de

Brandwerendheid gaat over wanden of deuren of andere delen

Hithium voldoet aan de UL9540A wat

begrenzing van de locatie, een ander bouwwerk, niet zijnde een EOS, dat tot de

van een constructie. Het geeft aan hoelang een deel van een

betekent dat de veiligheidsafstanden

locatie behoort, of andere brandbare objecten moet ten minste 60 min bedragen, constructie een brand kan tegenhouden. De brandwerendheid tenzij anders bepaald. Voor de brandwerendheid moeten de volgende criteria van wordt uitgedrukt in aantal minuten. NEN 6069 beschrijft hoe de NEN 6069 worden aangehouden: ‘R' voor draagconstructies zowel onder, boven

Niet van toepassing

niet van toepassing zijn.

brandwerendheid wordt bepaald.

als ten behoeve van de opslag zelf; ‘REI' voor dragende wanden en vloeren; ‘RE' voor daken ‘EI' voor niet-dragende wanden; ‘EI1' voor deuren. Brandwerendheid kan, met uitzondering van inpandige EOS'en, ook gerealiseerd worden door afstanden, zie M50. De behuizing van het EOS moet bestaan uit brandklasse A bouwmaterialen. Een EOS van typical 1 t/m 3 die een brandpropagatietest, bijvoorbeeld op basis van NEN-EN-IEC 62933-5-2 of UL9540A, succesvol heeft doorstaan hoeft niet te voldoen aan deze maatregel.

1,2,3,5,6

x

M10

Brandwerendheid-

Doorvoeringen van kabels, leidingen en kanalen door een brandwerende

Bij een scheidingsconstructie met een brandwerendheid moeten Hithium voldoet aan de UL9540A wat

doorvoeringen

scheidingsconstructie mogen geen afbreuk doen aan de brandwerendheid van

de doorvoeringen aan beide zijden van de scheidingsconstructie

betekent dat de veiligheidsafstanden

die constructie. Afdichtingen voor doorvoeringen moeten voldoen aan NEN-EN

zo zijn afgewerkt dat de vereiste brandwerendheid is

niet van toepassing zijn.

1366-3.

gewaarborgd. In het ventilatiekanaal bestemd voor de afvoer van

Niet van toepassing

giftige gassen vanuit het EOS mag geen brandklep zijn Een ventilatiekanaal door een brandwerende scheidingsconstructie is voorzien van een brandklep. Indien dit niet mogelijk is, moet het ventilatiekanaal voldoen

aangebracht. Bij een gemeten CO-concentratie boven de

aan NEN-EN 1366-1:20^A1:2020.

in deze richtlijn gestelde eisen. Het betreft een specifiek voor dit

alarmeringsdrempel moet de afzuiginstallatie werken conform de doel aangebracht ventilatiesysteem (gescheiden van de overige

Afdichtingen voor doorvoeringen worden ten minste jaarlijks gecontroleerd en zo nodig hersteld. Een EOS van typical 1 t/m 3 die een brandpropagatietest,

mechanische ventilatiesystemen). Aan de verticale

bijvoorbeeld op basis van NEN-EN-IEC 62933-5-2 of UL 9540A, succesvol heeft

nodig wordt het kanaal 60 min brandwerend uitgevoerd.

brandwerendheid mag echter geen afbreuk worden gedaan. Zo

doorstaan, hoeft niet te voldoen aan deze maatregel.

2, 3

x

M11

Gestapelde EOS'en

Bij een EOS-park (containers) is direct op elkaar stapelen (koud stapelen) niet

Toelichting 1: De beperking ten aanzien van containers van een

Niet van toepassing omdat er niet

toegestaan.

EOS-park (koud stapelen) geldt ook voor containers waarin

gestapeld gaat worden.

Voor een typical 3-EOS is direct op elkaar stapelen mogelijk tot een maximale

tenzij deze als niet-betreedbaar zijn uitgevoerd. In de praktijk zal

uitsluitend lithium-houdende energiedragers zijn aangebracht, hoogte van 4,5 m, gerekend vanaf de opstelvloer tot de bovenzijde van het

stapeling veelal niet mogelijk zijn gelet op de (standaard)

bovenste EOS. Bij direct stapelen moet de behuizing van het onderste EOS

afmetingen van containers. Indien op eenzelfde locatie zowel

bestand zijn tegen de mechanische belasting en moeten de behuizingen

betreedbare als niet-betreedbare containers zijn geplaatst, gelden de stapelbeperkingen voor alle containers. Toelichting 2:

onderling zijn gezekerd.

Bij het bepalen van de maximale hoogtemaat bij direct stapelen Een meerlaagse opstelling hoger dan 4,5 m is mogelijk indien de EOS'en door een worden uitmondingen van bijvoorbeeld een mechanisch bouwkundige scheidingsconstructie van elkaar zijn gescheiden. Hierbij geldt een

ventilatiesysteem niet meegerekend. Hiervan zou sprake kunnen

maximum van twee lagen, inclusief het EOS op het maaiveld. De verticale afstand

zijn wanneer het afvoerkanaal aan de zijwand is gemonteerd. De

tussen de bovenzijde van het EOS en de onderzijde van de horizontale balken van

tussenruimte van 30 cm is noodzakelijk om een EOS te kunnen

de scheidingsconstructie bedraagt ten minste 30 cm.

koelen door hulpdiensten in geval van een (dreigende) calamiteit.

De scheidingsconstructie alsmede de ondersteunende draagconstructie hebben

De maatvoering tot de onderzijde van de horizontale draagelementen voorkomt barrièrewerking. De nettoruimte tot de

een brandwerendheid van ten minste 60 min. De draagconstructie is tegen

scheidingsconstructie (onderzijde vloer) zal daardoor over een

aanrijding beschermd.

groot deel van het oppervlak veel ruimer zijn. Bij een betonnen constructie moet de betondekking ten minste 35 mm bedragen

Alle EOS'en moeten een brandpropagatietest, bijvoorbeeld op basis van NEN-EN-

om de effecten van hittestraling te beperken. De uiteindelijke

IEC 62933-5-2 of UL 9540A, succesvol hebben doorstaan. Voor gestapelde EOS'en moeten de horizontale afstanden uit M50, M51 en M52 vermenigvuldigd

dimensionering en betonkwaliteit is de verantwoordelijkheid van de constructeur. Toelichting 3: Voor afwijkende

worden met een factor 1,5.

draagconstructies zonder balken (bijvoorbeeld paddenstoel kolommen) geldt maatvoering in overleg met het bevoegd gezag. Bij paddenstoelkolommen geldt in ieder geval de maatvoering ter plaatse van de verdikking van de bovenliggende betonvloer. Toelichting 4: De opstellingseisen bij typical 3 (clustering) gelden

Niet van toepassing

2, 3

x

M12

Overkapping EOS

Een overkapping over een EOS moet aan alle zijden open zijn en bestaan uit onbrandbaar materiaal. Tussen de onderzijde van de overkapping en de bovenzijde van het EOS (behuizing) moet er een tussenruimte van ten minste 3 m

Toelichting 1: Een overkapping mag een brandweeroptreden niet

Niet van toepassing. Er is geen negatief beïnvloeden en voldoet constructief aan de eisen van het overkapping. Besluit bouwwerken leefomgeving. De draagconstructie is

zijn. De afstand tussen de bovenzijde van het EOS en de overkapping moet zo zijn

berekend op optredende wind-, hemelwater- en

gekozen dat de worplengte van een waterstraal die bedoeld is om te koelen, de

sneeuwbelastingen. Toelichting 2: Bij het ontwerpen van een overkapping moet

betrokken EOS ook daadwerkelijk kan bereiken. De draagconstructie van de

Niet van toepassing

overkapping heeft een brandwerendheid van 60 min. De draagconstructie is tegen rekening worden gehouden met het kunnen vervangen van een aanrijding beschermd. Een overkapping met een oppervlak van meer dan 1 000 batterijbehuizing nadat de overkapping is geplaatst. Indien een m2 is gecompartimenteerd. Elk compartiment beslaat maximaal een oppervlak

energiedragerbehuizing, vanwege omvang en/of gewicht, niet met

van 1 000 m2. De overkappingen (buitenranden) liggen, met het oog op het

een vorkheftruck verwijderd en geplaatst kan worden, moet de

voorkomen van brandoverslag en bereikbaarheid in geval van brandbestrijding,

vrije hoogte zo zijn bemeten dat deze handelingen met een kraan

ten minste 5 m uit elkaar. De stroken tussen de overkappingen (verticale

kunnen worden uitgevoerd. Toelichting 3: Een niet-betreedbaar EOS in de openlucht kan een

projectie) zijn vrij van energiedragerbehuizingen en andere obstakels.

groot areaal beslaan. Dit geldt ook voor een groot energieopslagpark. In het kader van grondschaarste en de energietransitie ligt meervoudig ruimtegebruik voor de hand. Het overkappen van het terrein biedt ruimte voor het grootschalig toepassen van PV-panelen. De overkapping en de aangebrachte PV-panelen kunnen ook in brand raken en daarmee risicoverhogend voor het EOS zijn. De maatregel is erop gericht om de kans op een thermal runaway als gevolg van externe factoren niet te doen toenemen. Voor de PV-installatie moet een Programma van Eisen zonnestroominstallaties (PvE z) opgesteld worden. Dit PvE z moet voor aanleg worden beoordeeld en jaarlijks worden geïnspecteerd door een SCIOS Scope 12-gecertificeerde inspectie-instelling. 5, 6

M13

Brandwerendheid-

Wanneer een inpandig EOS geplaatst wordt op een hoogte groter dan 12 m, geldt

aanvullende eis inpandig

een brandwerendheid van 120 min tussen de ruimte waar het EOS staat opgesteld 3 m). en de rest van het gebouw, waarbij aanvullende eisen van de veiligheidsregio in

EOS

Deze 12 m is gebaseerd op ca. 5 woonlagen (4 verdiepingen = 4x

Niet voor typical 3

Niet van toepassing

Niet voor typical 3

Niet van toepassing

Geen hybride EOS

Niet van toepassing

Niet voor typical 3

Niet van toepassing

acht genomen moeten worden. 5

M14

Compartimentering inpandig EOS

De capaciteit van een inpandig EOS bedraagt maximaal 4,8 MWh. Het EOS is opgedeeld in energiedragercompartimenten van maximaal 600 kWh. Tussen de

Deze maatregel is gebaseerd op NFPA 855 en UL 9540A.

energiedragercompartimenten wordt een afstand van minimaal 1 m aangehouden. Zie ook Afbeelding 13. Een kleinere afstand is toegestaan indien het betreffende energiedragercompartiment, aan de zijde waar aan de genoemde afstandseis niet is voldaan, ten minste 30 min brandwerend is afgeschermd, bepaald volgens NEN 6069 of berekend volgens NEN 6068. De brandwerendheid geldt voor elk van de tegenover elkaar gelegen zijden. Elk van de energiedragercompartimenten is goed bereikbaar voor het verrichten van inspecties en het noodzakelijk onderhoud.

alle

x

M15

Bij een nieuwe hybride EOS moet het compartiment binnen het hybride EOS waar Brandwerendheid energiedragercompartiment- de energiedragers zijn geplaatst, ten minste 60 min brandwerend zijn hybride EOS

afgeschermd van het compartiment waar eventuele brandstof/elektrolyt voor het hybride systeem is opgeslagen. Leidingen mogen niet door het energiedragercompartiment lopen. Daarnaast moet de brandwerende scheiding voorkomen dat bij een eventuele lekkage van brandstof deze zich naar het compartiment kan verplaatsen waar de elektrische

1,2,4,6

M16

Compartimentering EOS

energiedragers zijn geplaatst. Wanneer een betreedbaar EOS gecompartimenteerd is, dan moet de scheiding tussen het energiedragercompartiment en de rest van het EOS bestaan uit onbrandbaar materiaal, klasse A1, A2 of B uit NEN-EN 13501-1 of gelijkwaardig. Deze maatregel is niet van toepassing op bestaande EOS'en.

5

M17

Verbod op leidingen door EOS-ruimte

Hemelwater-, drinkwater- en rioolleidingen zijn in de ruimte waarin het EOS is geplaatst, niet toegestaan. Droge blus- en sprinklerleidingen zijn hiervan

Toelichting 1: Doel van deze maatregel is het voorkomen van een

uitgezonderd. Procesleidingen, zoals leidingen voor het transport van gevaarlijke

of vloeistoffen als gevolg van een lekkage of leidingbreuk.

stoffen of stoom, zijn in de ruimte waarin het EOS is geplaatst, niet toegestaan.

Schrobputten zijn wel toegestaan mits voorzien van een zwanenhals en een afsluitbare afvoer. Toelichting 2: Deze

Deze maatregel is niet van toepassing op bestaande installaties.

Niet voor typical 3

Niet van toepassing

Niet voor typical 3

Niet van toepassing

Niet voor typical 3

Niet van toepassing

Niet voor typical 3

Niet van toepassing

thermal runaway als gevolg van kortsluiting door intredend vocht

maatregel is niet van toepassing op de leidingen die onderdeel zijn van de vloeistofkoeling ('liquid cooling') van het EOS zelf. 1,2,4, 5,6

M18

Integriteit EOS

Wanneer het EOS niet een brandpropagatietest succesvol heeft doorstaan, bijvoorbeeld op basis van NEN-EN-IEC 62933-5-2 of UL 9540A, moet de constructieve integriteit van het EOS na een explosie gewaarborgd blijven. In de buitenwand of het dak van de EOS-ruimte is een drukontlastingsvoorziening aangebracht, die bij een daadwerkelijk optredende explosie aan de constructie

Toelichting 1: NEN-EN-IEC 62933-5-2 en UL 9540A zijn (op dit moment) de strengste normen voor brandpropagatie. Deze richtlijn sluit hierbij aan, waarbij aanvullende eisen worden gesteld wanneer hier niet aan voldaan wordt. Toelichting 2: Doel van deze maatregel is dat de voorzieningen die

verankerd blijft en niet wordt gelanceerd. De drukontlastingsvoorziening heeft

noodzakelijk zijn voor de beheersing van thermal runaway, zoals dusdanige afmetingen dat een optredende drukgolf, als gevolg van een explosie in het vol zetten van het EOS met water middels de storzkoppeling (M56), beschikbaar blijven en dat wegschietende objecten als de opstellingsruimte van het EOS, naar buiten kan treden zonder dat daarbij

schade aan de constructie optreedt.

gevolg van een explosie beperkt blijven. Toelichting 3: In die situaties waarbij een storzkoppeling is vereist, mag de drukontlastingsvoorziening niet in de buitenwand zijn aangebracht (alleen explosieluik in het dak). Indien dit niet mogelijk is, moet het EOS zo zijn uitgerust dat een storzkoppeling niet noodzakelijk is. Toelichting 4: Met het oog op het adequaat kunnen afvoeren van een optredende drukgolf in geval van een calamiteit alsmede ten behoeve van een doelmatige ventilatie van de opstellingsruimte en koeling van de energiedragers moet er voldoende vrije ruimte rond het EOS beschikbaar zijn. Bij het berekenen van de nettoruimte moeten naast het EOS ook andere installaties (omvormer, regelkasten) beschouwd worden.

1,2,4, 5,6

M19

Ventilatiesysteem

Om een EOS veilig te kunnen betreden moet het CO-niveau onder de 20 ppm zijn. Toelichting 1: Het EOS is voorzien van een luchttoevoerrooster. Om dit te realiseren is het betreedbare deel van het EOS voorzien van een mechanisch ventilatiesysteem dat is berekend op een ventilatievoud van

Het continu in werking hebben van het mechanisch

minimaal 6 keer de bruto-EOS-inhoud per uur in combinatie met een interlock.

ventilatiesysteem heeft tot gevolg dat ook luchtverontreinigende deeltjes van buiten en zeezout (kuststreek) naar binnen treden.

Het interlock voorkomt dat het EOS te openen is voordat het CO-niveau onder de

Deze deeltjes hebben een negatieve invloed op de prestaties van

20 ppm is. Met uitzondering van typical 5 mag de interlock vervangen worden door het EOS en kunnen zelfs schade hieraan toebrengen. Het een CO-alarm aan de buitenkant van het EOS. Na vrijgave van de toegang tot het toepassen van filters vraagt om een veel grotere brutodoorsnede EOS blijft het mechanisch ventilatiesysteem in werking. De lucht in de hele ruimte van het luchttoevoerrooster. Dit is niet altijd gewenst. Toelichting wordt op dat moment minimaal 2 keer per uur ververst. Het mechanisch

2: Als een gasblusinstallatie wordt toegepast, kan deze gekoppeld

ventilatiesysteem mag pas worden uitgeschakeld nadat het personeel de ruimte

worden aan het ventilatiesysteem, waarbij de werking van het gasblussysteem niet negatief wordt beïnvloed. Toelichting 3: Ter

heeft verlaten en de toegang wederom is vergrendeld. Als alternatief mag er gebruikgemaakt worden van een ventilatiesysteem dat zodanig is uitgevoerd dat onder normale bedrijfsomstandigheden in de hele ruimte continu, minimaal 2

5

M20

voorkoming van ongewenst opsluiten van mensen in het EOS

keer de bruto-inhoud van de lucht per uur wordt ververst. De afvoer van de

moet de toegang altijd van binnenuit te openen zijn. Toelichting 4: Voor mobiele EOS'en (typical 4) met een kleine betreedbare

ventilatie moet zo hoog mogelijk in het EOS zijn aangebracht. De uitmonding van

ruimte van maximaal 1 m diep vanaf de toegang tot het EOS kan

het mechanisch ventilatiesysteem moet zich op ten minste 5 m van raam- en

natuurlijke ventilatie door openen van de deur in combinatie met

aanzuigopeningen bevinden van omliggende objecten niet zijnde andere EOS'en.

betreding met een persoonlijke CO-detectie toegepast worden.

Ventilatiesysteem -

In aanvulling op M19 gelden voor een inpandig EOS de volgende eisen: Het

inpandige EOS

ventilatiesysteem moet zo zijn uitgevoerd dat dampen en gassen niet in andere ruimten kunnen toetreden; Afvoer moet geschieden naar de buitenlucht op minimaal 2 m boven de hoogste daklijn van het betreffende gebouw; Het ventilatiesysteem moet gescheiden zijn aangelegd van het reguliere ventilatiesysteem van het gebouw. Voor inpandige kleinschalige systemen ^00 kWh kan afvoer van rook plaatsvinden via de zijgevel met behulp van een 'gevelkachelconstructie'.

1,2,4,5,6

M21

Noodventilatie

Bij CO- of rookdetectie in het energiedragercompartiment moet de ventilatie

In geval van afschakelen van het EOS in geval van een calamiteit,

Niet voor typical 3

Niet van toepassing

Niet voor typical 3

Niet van toepassing

Niet voor typical 3

Niet van toepassing

Niet voor typical 3

Niet van toepassing

zoals bedoeld in M19 op maximaal vermogen het energiedragercompartiment van zie M35, moet de noodventilatie beschikbaar blijven. verse lucht voorzien, om te voorkomen dat er een explosief mengsel ontstaat. Indien een brandbeheerssysteem aanwezig is in het EOS, moet de regeling van de noodventilatie hierop afgestemd worden. Indien een brandbeheerssysteem in werking treedt, moet de ventilatie uitgeschakeld zijn. Bij de toegang tot het EOS moet een voorziening aanwezig zijn voor de brandweer om de regeling van de noodventilatie te overbruggen. In bestaande situaties kan hiervan afgeweken worden na overleg met het bevoegd gezag. Dit kan bijvoorbeeld acceptabel zijn wanneer er geen kwetsbare objecten in de buurt zijn of indien het explosierisico door het type toegepaste energiedrager beperkt is.

1

M22

Locatiekeuze en aanrijdbeveiliging

Een buiten opgesteld EOS is zo geplaatst dat er geen gevaar bestaat voor aanrijding. Toegelaten snelheden van voertuigen en verkeersintensiteit nabij de

De mate van bescherming is afhankelijk van plaatselijke omstandigheden. De bescherming tegen aanrijding is

locatie zijn hierbij medebepalend. Indien een dergelijke plaats niet aanwezig is, is medeafhankelijk van de opstelplaats van het EOS. Indien de een voldoende afschermende constructie aangebracht. Aan deze eis is in ieder

opstelplaats niet op korte afstand van interne transportroutes ligt

geval voldaan indien de constructie bestaat uit een beveiliging tegen aanrijding in

(personenvoertuigen, vrachtwagens en transportmiddelen), kan

de vorm van een doelmatige geleiderailconstructie.

een aanvullende fysieke bescherming tegen mechanische impact achterwege blijven. Wanneer dit niet het geval is, moet het EOS in de aanrijdingsrichting zijn afgeschermd, bijvoorbeeld met een deugdelijke vangrail of met beton gevulde stalen buizen. Deze voorzieningen moeten zodanig met de bodem zijn verankerd dat bij een mechanische impact de beschermende voorziening niet losraakt. Bij plaatsing van een mobiel EOS in de openbare ruimte (plein, stoep) nabij een doorgaande weg, kan gekozen worden voor een locatie voorbij een verkeersdrempel of achter bestaande paaltjes of opstaande randen (bijvoorbeeld bestemd om parkeren op de stoep tegen te gaan).

4

M23

Locatiekeuze en aanrijdbeveiliging - mobiel EOS

Op het moment dat een mobiel EOS wordt geplaatst op een locatie waarbij voertuigen in de buurt kunnen komen van een EOS, moeten doeltreffende maatregelen genomen worden met betrekking tot aanrijdgevaar. Bij voertuigen die met een maximumsnelheid van 15 km/h op locatie kunnen en mogen rijden zonder scherpe uitstekende delen die een wand van een EOS kunnen doorboren als bijvoorbeeld vorkheftrucklepels,zijn geen extra maatregelen noodzakelijk. In het geval van hogere snelheden en/of uitstekende delen zullen aanrijdbeveiligingen, die ervoor zorgen dat het EOS niet beschadigd kan raken, verplicht zijn.

6

M24

Locatiekeuze en aanrijdbeveiliging -inpandig EOS

Een inpandig EOS in een open ruimte mag niet grenzen aan een zone die is

De mate van bescherming is afhankelijk van plaatselijke

bestemd voor (interne) transportmiddelen. Indien een dergelijke plaats niet

omstandigheden. De bescherming tegen aanrijding is

aanwezig is, is een inpandig EOS in een open ruimte tegen aanrijden beveiligd. De medeafhankelijk van de opstelplaats van het EOS. Buiten de fysieke aanrijdbeveiliging is doelmatig en voorzien van een veiligheid skleur.

aangewezen interne transportroutes kan sprake zijn van intern transport waarbij gebruik wordt gemaakt van mechanisch aangedreven werktuigen. Dit is bijvoorbeeld het geval als het EOS onderdeel is van een oplaadsysteem voor elektrisch aangedreven werktuigen. In dat geval zou het interne transportmiddel mogelijk in de directe nabijheid van het EOS moeten worden gestald en moet het EOS tegen aanrijding zijn beschermd. Een aanrijdbeveiliging door middel van een drempel op de vloer is veelal het meest doelmatig. Beschermpalen bieden onvoldoende bescherming tegen lepels van vorkheftrucks.

5

M25

Locatiekeuze - vluchtweg

Een op maaiveldniveau gelegen EOS ten dienste van een gebouw Niet voor typical 3

verblijfsgebouw

kan in, tegen of nabij het gebouw zijn gesitueerd. In geval van een brand in een EOS komen giftige stoffen vrij. Het is dan van belang

Niet van toepassing

dat mensen die in het gebouw verblijven, veilig naar buiten kunnen vluchten zonder door een (nagenoeg) onverdunde rookwolk te moeten treden. De capaciteit van verticale vluchtwegen in hoogbouw is afgestemd op het aantal personen op de verdiepingen. Vanwege de grotere toestroom van personen bij brand is een grotere afstand tot de vluchtdeuren naar de buitenlucht gewenst. Dit geldt overigens alleen voor een groot EOS. Een EOS dat voor noodstroom kan worden ingezet, heeft zelden een capaciteit groter dan 600 kWh. Omwille van behoud van flexibiliteit in de indeling van het gebouw is deze verscherpte eis niet van toepassing. Deze eisen gelden dus niet voor een EOS op een hoger gelegen verdieping ten opzichte van het trappenhuis. Aan een inpandig EOS zijn strenge bouwkundige eisen gesteld, met inbegrip van de afvoer van rookgassen in geval van brand. Een verticale vluchtweg bevindt zich in een eigen De toegang en eventuele gevelopening van de EOS-ruimte bevindt zich op ten minste 3 m van vluchtmogelijkheden vanuit het gebouw naar de openlucht. Deze

brandcompartiment. De afstand van 3 m is ontleend aan de International Fire Code (IFC).

afstand bedraagt 10 m wanneer de vloer van de bovenste verdieping van het gebouw op meer dan 12 m vanaf maaiveld is gelegen en de capaciteit van het EOS meer dan 600 kWh bedraagt. 1,4,6

M26

Locatiekeuze bedrijfsterrein Een buiten opgesteld EOS op een bedrijfsterrein is buiten de reikwijdte van (mobiele) kranen en andere hijswerktuigen geplaatst.

Op een open terrein van een bedrijf kunnen activiteiten

Niet voor typical 3

Niet van toepassing

Locatie niet bij windmolen

Niet van toepassing

Niet voor typical 3

Niet van toepassing

Voldoet

plaatsvinden die een risico vormen voor het EOS, anders dan

Indien dit niet mogelijk is, moet het EOS zijn voorzien van een fysieke afscherming aanrijding. Er is niet gekozen voor valbeveiliging zoals bij een tegen vallende objecten.

propaantank op een bouwplaats maar voor een intrinsiek veilige oplossing omdat sprake is van een vaste opstelplaats. Met een bedrijfsterrein wordt mede de kade in een haven bedoeld. Hijskranen op een bouwlocatie vallen buiten de reikwijdte van deze richtlijn.

1,2,3,4

x

M27

Locatiekeuze-windturbine

Een buiten opgesteld EOS binnen de 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontour

Wanneer dit risico niet aanwezig is, bijvoorbeeld doordat de

van een windturbine is voldoende bestand tegen ijsval en ijsafslag.

windturbines zijn voorzien van preventieve maatregelen tegen ijsvorming (o.a. warmtelint in turbinebladen), zijn maatregelen aan het EOS zelf mogelijk niet noodzakelijk.

1, 4

M28

Beveiliging tegen

Een EOS is afdoende afgeschermd voor onbevoegden. De afscherming kan

Deze maatregel geldt ook voor een mobiel EOS. In de openbare

onbevoegden

bestaan uit de constructie van het EOS zelf (EOS in een container), een fysieke afscherming en/of permanent (camera)toezicht.

ruimte kan, indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven

De fysieke afscherming kan bestaan uit muren (gebouwen), hekken of sloten van

mindervaliden bij plaatsing mobiel EOS onvoldoende gewaarborgd), een externe fysieke afscherming van een mobiel

voldoende breedte. Als afscherming voldoet in ieder geval een vast en ten minste

(bijvoorbeeld toegankelijkheid stoep voor kinderwagens en

1,8 m hoog hekwerk van onbrandbaar materiaal met ten minste twee, tegenover

EOS achterwege blijven. Dit moet in overleg met het bevoegd

elkaar gelegen, toegangsdeuren.

gezag plaatsvinden. Daarbij wordt eerst een alternatieve locatie verkend.

2, 3

x

M29

Fysieke afscherming -

Wanneer sprake is van de opstelling van meer dan twee buiten opgestelde

Het betreffen twee EOS 'en in elkaars

meerdere EOS'en

EOS'en, in de directe nabijheid van elkaar, is een fysieke afscheiding, zoals bedoeld in M28, rondom het energiepark altijd vereist. Aanvullend kan sprake zijn

nabijheid. Beide EOS locaties zijn niet

van cameratoezicht.

met een hekwerk van minimaal 1.80

betreedbaar en beide zijn afgesloten meter hoog. Er zal cameratoezicht zijn.

1,2,3,4

x

M30

Eisen aan camerasysteem

Wanneer een camerasysteem wordt toegepast, zie M29 en M63, dan moet het

De layout van de camera installatie zal

camerasysteem buiten normaal bereik van derden blijven. In geval van

t.z.t. worden overlegd. De camera's

vandalisme of storingen moet de camera binnen 48 h zijn hersteld of vervangen.

worden gemonteerd op plekken die buiten het bereik van derden zijn. In het geval van vanalisme of storingen zullen de camera's binnen 48 uur weer werkzaam zijn. Reserveonderdelen worden ter plaatse bewaard.

Voldoet

Alle

x

7.4.1

Algemeen

M31

Ingebruiknamekeuring

Een nieuw EOS mag pas in gebruik worden genomen nadat een Toelichting 1: Uitgangspunt is dat voor het EOS in gebruik wordt Deze norm zal worden gehandhaafd en ingebruiknamekeuring heeft plaatsgevonden waarbij het correct functioneren van genomen het aantoonbaar voldoet aan de eisen. Eventuele nageleefd door gebruik te maken van alle systemen en beveiligingen zoals beschreven in deze PGS is gecontroleerd. In restpunten mogen geen invloed hebben op het veilig functioneren goedgekeurde documenten voor de geval van een EOS-park (typical 2 en 3) moet ook het samenstel van de EOS'en gecontroleerd worden voor ingebruikname. Bovenstaande moet worden geborgd

van het EOS. Toelichting 2: Voor een mobiel EOS betreft dit de initiële keuring

invoeringsprocedure. De leverancier

door een kwaliteitsmanagementsysteem dat voldoet aan de eisen van NEN-EN-

voor de eerste ingebruikname.

'ingebruiknameprocedure' . Alle cruciale

ISO 9001 of hieraan gelijkwaardig.

Voldoet

levert het protocol componenten worden getest voor ingebruikname.

1,2,5,6

7.4.2

Bewaken en monitoren

M32

Gasdetectie

Een betreedbaar EOS of een EOS in een ruimte is voorzien van een permanent

Toelichting 1: Detectie op zowel koolstofmonoxide als waterstof

stationair detectiesysteem aangelegd conform NEN-EN 45544-4 met

zorgt voor een betrouwbare vroegtijdige ontdekking van een

bijbehorende acties voor opvolging zoals beschreven inTabel 2, zie ook Bijlage G.

eventuele thermal-runawayreactie. Bij een thermal runaway komt

Niet voor typical 3

Niet van toepassing

Het EOS is voorzien van een 'thermal

Voldoet

Dit is bij voorkeur een systeem voor detectie van koolstofmonoxide met

in een vroeg stadium waterstof vrij en komen altijd aanzienlijke kruisgevoeligheid voor waterstof met, voor systemen ^00 kWh, een doormelding hoeveelheden koolstofmonoxide vrij. Er zijn CO-detectoren op de

zoals bedoeld in M33.De detectie moet representatief zijn voor het

markt beschikbaar die kruisgevoelig zijn voor waterstof.

energiedragercompartiment (container) of de opstellingsruimte (EOS in een

Op basis van het meetbereik van de CO-sensor en de geringe

aparte ruimte). Voor het bepalen van het daartoe benodigd aantal detectoren en

afmetingen van een energiedragercompartiment dan wel de

de locatie van de detectoren zijn de richtlijnen van de fabrikant van de detectieapparatuur leidend. Het meetbereik van het detectiesysteem moet

opstellingsruimte van het EOS zal veelal één CO-sensor volstaan. Omwille van bedrijfszekerheid moeten echter minimaal twee CO-

passend zijn voor detectie van de in Tabel 2 genoemde niveaus en een meetbereik sensoren zijn aangebracht waarbij de vervolgacties geactiveerd hebben van 0 tot 200 ppm CO. Het toegepaste detectieprincipe is geschikt voor worden indien één sensor de genoemde waarden detecteert. de omstandigheden waaraan de detector wordt blootgesteld (temperaturen,

Toelichting 2: Indien het EOS niet voorzien is van het genoemde

vochtigheid en dergelijke). Het systeem moet worden beoordeeld op

koolstofmonoxidedetectiesysteem, dan moet worden

bedrijfszekerheid, waaruit kan volgen dat de sensoren dubbel uitgevoerd moeten

aangetoond dat met het gebruikte detectiesysteem afblazen op

worden.

celniveau veroorzaakt door overdruk ('venting') en thermalrunawaysituaties vroegtijdig worden gedetecteerd.

alle

x

M33

Monitoring EOS

Een EOS moet beschikken over een systeem voor het continu monitoren op (indien vereist):

Wijze van monitoren en opvolging is afhankelijk van de specifieke

functioneren (systeemalarmen, signalen van overladen of diepontladen);

situatie en kan bijvoorbeeld door de eigenaar (gebruiker), door de management system', een fire leverancier of middels een particuliere alarmcentrale (PAC) protection systemen en een Battery

ongewenste temperatuurstijgingen;

gedaan worden.

temperatuurniveaus;

Monitoring System (BMS). In een latere fase wanneer de keuze voor de

vrijkomen van gassen bij brand (M32).

leverancier gemaakt wordt zullen

Tijdige opvolging, zoals bedoeld in M34 en M35, van signalen van een (mogelijke)

afspraken gemaakt worden over de

thermal runaway of een brand of explosie moet gewaarborgd worden.

alarmcentrale. Dit zal een PAC zijn.

Het monitoringsysteem is beschikbaar zolang het EOS operationeel is. Als de dataverbinding met het EOS en daarmee de monitoring op afstand wegvalt: krijgt de installatieverantwoordelijke binnen 5 min een alarm; wordt bij eerste gelegenheid een controle ter plaatse uitgevoerd op het correct functioneren van het EOS. Het EOS moet voorzien zijn van een statusindicatie aan de buitenkant van het EOS volgens Tabel 3. Voor bestaande EOS'en kan de statusindicatie beperkt blijven tot een rode lamp bij een noodstop.

alle

x

M34

Preventief afschakelen op basis van alarmeringen

De installatieverantwoordelijke van het EOS moet van afstand kunnen ingrijpen bij Toelichting 1: Doel van deze maatregelen is dat een EOS

De beheersystemen zullen ingrijpen.

signalen van systeemalarmeringen die kunnen leiden tot het falen van het EOS.

Het EOS heeft de UL9540A test

De afschakeling moet zo dicht mogelijk bij de energiedrager plaatsvinden. De installatieverantwoordelijke moet op basis van de signalen (foutmeldingen,

afgeschakeld wordt voordat een thermal-runawayreactie optreedt. Hiermee wordt een zogenoemde 'process shutdown'

temperatuursensoren, rook- en brandmelding, enz.) de melding verifiëren. Indien

bedoeld. Toelichting 2: Voor het kunnen blijven monitoren van het EOS zal

een brand of explosie bevestigd wordt, moeten direct de hulpdiensten

dus over het algemeen een secundaire voeding noodzakelijk zijn.

Voldoet

doorstaan. Er is een automatisch blussysteem.

gealarmeerd worden. De installatieverantwoordelijke moet op afstand het EOS kunnen afschakelen. De monitoring, zoals vereist in M33, van het EOS moet na het afschakelen blijven werken totdat de installatieverantwoordelijke ter plaatse is. Het BMS en/of het EMS van het EOS mag, op het moment dat de installatieverantwoordelijke heeft ingegrepen, de afschakeling niet buiten werking stellen of anderszins regelen. Een door de installatieverantwoordelijke afgeschakeld EOS mag pas weer in werking gesteld worden wanneer ter plekke vastgesteld is dat het EOS veilig is. Wanneer de installatieverantwoordelijk niet tijdig reageert, moet het EOS in staat zijn om autonoom te kunnen afschakelen door een beslissing vanuit het BMS en/of het EMS. De installatieverantwoordelijke van het EOS mag het BMS en/of het EMS, op het moment dat deze hebben ingegrepen, niet buiten werking stellen of de elektronische aansturing anderszins regelen. Zowel het BMS als het EMS moet bij signalering van te hoge temperatuur de energiedragers elektrisch kunnen ontkoppelen, om in ieder geval elektriciteit als mogelijke energiebron van de brand/temperatuurverhoging zo veel mogelijk weg te halen. Ter plaatse moet zichtbaar zijn dat het systeem daadwerkelijk is afgeschakeld. Hiertoe moet het EOS voorzien zijn van een statusindicatie aan de buitenkant van

alle

x

M35

Afschakelen op basis van detectie

het EOS conform NEN-EN-IEC 60204-1. VEeon ornbiets-tbaeatnrededEbOaaSr'eEnOkSanmdoeztebm esacahtirkekgeenl ionvgeerveueldn mgeidscdh eilksteen

Doel van deze maatregel is dat in geval van een thermal runaway

branddetectiesysteem aanwezig met een doormelding naar een 24-uurs particuliere alarmcentrale (PAC) of 24-uurs bezette bedrijfsmeldkamer. Dit

gealarmeerd. Hiermee wordt een zogenoemde noodstop

detectiesysteem moet volgens NEN 2535 worden geprojecteerd. Het beheer en

bedoeld.

Het EOS heeft op cel niveau een

het EOS wordt afgeschakeld en zo nodig de nooddiensten worden moinitoring systeem. In geval van overheating zal het systeem zichzelf uitschakelen. Daarnaast wordt de site

onderhoud van de brandmeldinstallatie vindt plaats volgens NEN 2654-1+C1. De

24/7 door personeel op afstand in de

detectiesystemen zoals bedoeld in M32 en M35 kunnen gecombineerd worden. Het EOS moet autonoom afschakelen bij rook-, brand- of explosiedetectie door

gaten gehouden.

een beslissing vanuit het batterijmanagementsysteem (BMS) en/of het energiemanagementsysteem (EMS). De afschakeling moet zo dicht mogelijk bij de energiedrager plaatsvinden. Het ingrijpen vaneen van deze systemen mag niet herroepen worden door het andere systeem. Beide systemen moeten gegarandeerd de stroomkringen, AC en DC, onderbreken. De externe monitoring moet na het activeren van de noodstop blijven functioneren totdat de installatieverantwoordelijke ter plaatse is. Bij het afschakelen moet de installatieverantwoordelijke een signaal ontvangen. De installatieverantwoordelijke van het systeem mag het BMS en/of het EMS, op het moment dat deze hebben ingegrepen, niet buiten werking stellen of de elektronische aansturing anderszins regelen. Zeker gesteld moet zijn dat bij gebruik van de bluswateraansluiting zoals bedoeld in M56 de werking van deze maatregel niet teniet wordt gedaan.

Voldoet

alle

x

M36

Noodstopvoorziening

Het EOS moet beschikken over een noodstopvoorziening voor het handmatig

In het geval van typical 3 kan uit de risicoanalyse blijken dat ook

uitschakelen van het EOS met dezelfde functionaliteit als de automatische

op een andere plek op het EOS-park dan direct op het EOS

hele EOS maar de containers zelf zijn

afschakeling zoals bedoeld in M35 indien dit volgt uit de risicoanalyse. De

afgeschakeld kan worden.

ook apart handmatig uit te zetten.

Er is een handmatige noodstop voor het Voldoet

noodstopvoorziening mag niet voor onbevoegden toegankelijk zijn. Het opheffen van de noodstop mag niet op afstand geschieden maar kan uitsluitend ter plaatse gebeuren nadat de installatieverantwoordelijke de installatie weer vrijgegeven heeft. In geval van een EOS-park is het toegestaan dat dit op subniveau is. Het uitschakelbereik van de noodstop is in deze situatie het gedeelte van het totale systeem dat qua veiligheid en elektrische beveiligingen van elkaar afhankelijk is. In de praktijk is dit het samenstel van energiedragers, omvormers, trafo en besturingssystemen of een substation met onderliggende systemen. Zeker gesteld moet zijn dat bij gebruik van de bluswateraansluiting zoals bedoeld in M56 de werking van deze maatregel niet teniet wordt gedaan.

alle

x

M37

Verwijderen energiedrager

Zodra er een thermal runaway of brand heeft plaatsgevonden in een module (die

Hithium (fabrikant) heeft hiervoor een

na thermal runaway of brand niet tot propagatie heeft geleid) moet deze module zo snel mogelijk, maar uiterlijk

Voldoet

team en draagt hiervoor zorg.

binnen 24 h nadat de betreffende energiedrager(s) veilig en stabiel is (zijn) bevonden, verwijderd worden en veilig worden opgeslagen totdat deze wordt afgevoerd naar een eindverwerker. De verwijderde module moet conform de bijzondere bepaling 376 uit het ADR/VLG afgevoerd worden. Voor inschakeling van het EOS moet deze getest worden conform de voorschriften van de fabrikant zodat gewaarborgd is dat hete weer veilig is voor gebruik. 7.4.3

Overige aspecten voor het gebruik van het EOS

alle

x

M38

Toegang tot het EOS

Zeker is gesteld dat alleen bevoegden toegang hebben tot een EOS of EOS-park.

Een hangslot is leverbaar met het veiligheidskeurmerk SKG** of Alleen geautoriseerd personeel heeft De toegang tot het EOS (bijvoorbeeld een toegangsdeur of een luik in de zijkant) of hoger. Wanneer het EOS bij een bedrijf is geplaatst, kan de sleutel toegang tot het EOS. De sleutels EOS-park kan alleen worden geopend door een daartoe bevoegd persoon bij de technische dienst of de bewaking in beheer worden voldoen aan het gestelde. Tijdens de

(bijvoorbeeld de installatieverantwoordelijke of onderhoudsmonteur). Buiten de reguliere controle-, onderhouds- en reparatiewerkzaamheden is elke toegang tot een betreedbaar EOS of EOS-park gesloten en vergrendeld. De vergrendeling bestaat uit een cilinderslot voorzien van het veiligheidskeurmerk SKG** of hoger. Een containerslot is voorzien van het SCM-keurmerk met een

gegeven. De installatieverantwoordelijke is ervoor

Voldoet

fase van het in gebruiknemen van de

verantwoordelijk dat de hulpverleners toegang kunnen krijgen tot installatie wordt een verantwoordelijke het EOS en dat dit, waar nodig, afgestemd is met de voor de installatie aangewezen. De hulpdiensten.

hulpdiensten krijgen dan toegang.

hangslot CEN-klasse 4 of hoger. Een alternatieve vergrendeling is toegestaan mits aantoonbaar gelijkwaardig. Bij het gebruik van een sleutel wordt deze op een voor onbevoegden onbereikbare plaats bewaard. Ten behoeve van vluchtveiligheid is een betreedbaar EOS altijd van binnenuit zonder gebruik van sleutel te openen.

alle

x

7.5.1

Onderhoud en repareren

M39

Vervangen energiedrager

Voorafgaand aan vervanging moet een nieuw te plaatsen energiedrager in het EOS De vereiste handelingen zijn vergelijkbaar met de ingangscontrole Hieraan wordt voldaan. De leverancier op uitwendige beschadigingen en defecten zijn gecontroleerd. Een afgekeurde energiedrager wordt beschouwd als defect en wordt

bij de opslag van lithiumhoudende energiedragers zoals beschreven in PGS 37-2. Indien de energiedrager is afgekeurd,

dienovereenkomstig opgeslagen.

wordt deze als zijnde defect opgeslagen in een daarvoor bestemde opslagvoorziening.

levert vervangende onderdelen. Hiervoor is een speciaal team.

Voldoet

alle

x

M40

Actuele handleiding

In of bij het EOS is een actuele handleiding aanwezig waarin de technische

Gelet op de verscheidenheid van de installaties in het EOS

De juiste gegevens worden hier

installatie is beschreven. Het voorblad van de handleiding vermeldt de

(energiedragers, beveiligingen, stroomkabels en

aangevuld. Deze stukken zullen na

klimaatinstallatie) zullen monteurs van verschillende bedrijven

oplevering op de locatie aanwezig zijn.

het onderhoud en de noodzakelijke reparaties verrichten. Het is

Daarnaast zijn ze digitaal beschikbaar.

contactgegevens van de leverancier.

Voldoet

daarom van belang dat ter plaatse op eenvoudige wijze contact met de leverancier van het EOS kan worden gemaakt. M41

1,2,4,5,6

Ventilatiesysteem-controle en onderhoud

Niet voor typical 3

Niet van toepassing

Een EOS moet periodiek, minimaal jaarlijks, gecontroleerd worden. Tijdens deze

Minstens 1 keer per jaar wordt een

Voldoet

periodieke controle moeten ten minste de volgende onderwerpen, mits van toepassing, aan bod komen:

controle uitgevoerd. Dit wordt conform

De installatieverantwoordelijke van het EOS laat, indien aanwezig, periodiek het mechanisch (nood)ventilatiesysteem op de goede werking controleren en onderhouden door een ter zake deskundige. De registratie van de controle en het onderhoud worden opgenomen in het logboek. De controles vinden plaats overeenkomstig de termijn voorgeschreven door de fabrikant.

7.5.2 alle

x

M42

Keuren en inspecteren Periodieke controle

het gestelde gedaan.

inspectie aan de energiedragers en elektrische installatie (visueel + werking controleren); visuele inspectie van de container (filters, uitwendige beschadigingen, drukontlastvoorziening, enz.); inspectie en service van de klimaatinstallatie en verwarming; inspectie en service van de brandblusinstallatie; inspectie en service van de omvormers en transformatoren. De periodieke controle moet uitgevoerd worden door een persoon met kennis van 4

x

M43

Controle mobiel EOS na plaatsing

het betreffende EOS. Na plaatsing van een mobiel EOS moet deze gecontroleerd worden op minimaal

Niet voor typical 3

Niet van toepassing

Voldoet

de volgende punten: (mechanische) schade door transport; aanwezigheid juiste elektrische aansluiting(en) t.b.v. het doel waarvoor het EOS is geplaatst. Het EOS mag pas in gebruik worden genomen wanneer eventuele tekortkomingen zijn opgelost.

7.5.3

Registratie en documentatie

alle

x

M44

Algemene documentatie-

Van elk EOS moet een registratiesysteem worden bijgehouden dat moet voldoen

Het registratiesysteem wordt conform

eisen - registratiesysteem

aan artikel 3.4 van het Arbobesluit. Bij elke installatie moet een reparatie- en onderhoudslogboek aanwezig zijn

het gestelde gedaan. Dit wordt voor de operationele fase gedaan.

waarin ook aanpassingen worden bijgehouden. Een kopie van dit reparatie- en onderhoudslogboek moet, buiten het terrein, door de installatieverantwoordelijke of beheerder bijgehouden worden. Van alle onderstaande documenten moet de laatste revisie beschikbaar zijn: ontwerptekeningen/schema's; gebruikershandleiding; informatieblad systeem; logboek; onderhoudsprotocol; ingebruiknamekeuring ; periodieke controles . De documentatie moet altijd actueel zijn en minimaal 2 jaar historie bevatten. Het registratiesysteem kan in hardcopy of in een elektronische vorm worden opgeslagen.

alle

x

M45

Algemene documentatieeisen-bezwaartermijn

Het registratiesysteem van het EOS blijft ten minste bewaard:

De documentatie wordt bewaard ten

zolang het EOS niet definitief is ontmanteld;

minste tot de definitieve ontmanteling.

zolang de gevolgen van een eventueel incident tijdens de gebruiks- of verwijderingsfase van het EOS niet volledig zijn afgehandeld. 7.5.4

Opleiden en trainen

Voldoet

alle

x

M46

Competentie-eisen conform Personeel dat werkzaamheden verricht aan de installatie, moet voldoende deskundig zijn en ten minste gekwalificeerd zijn als Vakbekwaam Persoon (VP). NEN 3140 Een VP beschikt over een voltooide elektrotechnische opleiding op WEB-niveau 3

Toelichting 1: In geval van hoogspanning is tevens NEN 3840 van

(Wet educatie en beroepsonderwijs). Door middel van een aanwijzingsbeleid

bekend zijn met gevaren en voorzorgsmaatregelen, en op de

moet gewaarborgd/ervoor gezorgd worden dat medewerkers alleen taken

juiste manier kunnen omgaan met de apparatuur, inclusief uitleg

uitvoeren waarvoor zij gekwalificeerd zijn.

van waarschuwingsmarkeringen, instructies gebruik persoonlijke beschermingsmiddelen. Training vindt plaats voor het werk aan

Voor de veilige bedrijfsvoering van een EOS wordt sterk aanbevolen om tevens NEN 4288 toe te passen.

Personeel zal voldoende gekwalificeerd Voldoet

zijn. Ook onderaannemers zullen toepassing. Toelichting 2: Training en kwalificatie is zodanig dat medewerkers gecertificeerd moeten zijn.

het EOS start, wanneer apparatuur voor het eerst wordt gebruikt of wordt veranderd en wanneer nieuwe technologie wordt geïntroduceerd. Aanvullend kan er gewerkt worden met een aanwijzingsbeleid zodat gewaarborgd kan worden dat de betreffende medewerker capabel is om bepaalde werkzaamheden uit te voeren.

alle

x

M47

Instructie personeel

Alle personen die werkzaamheden verrichten in een EOS, moeten aantoonbaar op De instructie mag ook gegeven worden door een interne

Alle personen die op het terrein van de

de hoogte zijn van de gevaarsaspecten van lithiumhoudende energiedragers en de deskundige die hiervoor is opgeleid en kennis heeft van de

EOS komen zullen voldoende en actueel

te nemen maatregelen bij onregelmatigheden.

getraind zijn. Ze zullen kennis moeten

gevaren en risico's van lithiumhoudende energiedragers.

Deze personen moeten tevens op de hoogte zijn van het interne noodplan.

Voldoet

hebben van het interne noodplan dat aanwezig is op de locatie.

alle

x

7.6.1

Algemeen

M48

Bliksembeveilging en beveiliging elektrotechnische installaties

De vereiste bliksembeveiliging en bescherming van elektrotechnische installaties in het EOS volgt uit de beveiligingsklasse bepaald op basis van NEN-EN-IEC 62305­

De bli ksem bevei liging zal in een latere

Voldoet

fase worden bekeken. Hetgeen er komt

2. Indien bliksembeveiliging en de bescherming van de elektrotechnische

zal voldoen aan het gestelde.

installaties in het EOS is vereist, dan moeten deze voldoen aan respectievelijk NEN-EN-IEC 62305-3 en NEN-EN-IEC 62305-4. Het ontwerpen, vervangen en installeren vindt plaats door een deskundige die een verklaring afgeeft waaruit blijkt dat de installatie voldoet aan voornoemde alle

x

M49

normen. De onderdelen van een bliksembeveiligingssysteem voldoen aan de NEN-EN-IEC Onderdelen bliksembeveiligingssysteem 62561-reeks voor zover het betreffende deel van toepassing is.

De NEN-EN-IEC 62561-reeks bestaat uit 7 delen.

De bliksembeveiliging zal in een latere

Voldoet

fase worden bekeken. Hetgeen er komt zal voldoen aan het gestelde.

7.6.2 1,2 ,3, 5,6

x

M50

Interne veiligheidsafstanden Veiligheidsafstanden In afwijking op M9 kan brandwerendheid ook worden behaald door middel van afstand: Indien de afstand van het EOS tot de begrenzing van de locatie, een ander bouwwerk dat tot de locatie behoort, of andere brandbare objecten, ten minste 5 m en minder dan 10 m bedraagt, moet de brandwerendheid van het EOS ten minste 30 min bedragen. Indien de afstand van het EOS tot de begrenzing van de locatie, een ander bouwwerk dat tot de locatie behoort, of andere brandbare objecten, ten minste 10 m bedraagt, is ten aanzien van de brandwerendheid geen eis van toepassing. Binnen deze afstanden vinden geen opslag van brandbare stoffen dan wel brandgevaarlijke activiteiten (m.u.v. onderhoudswerkzaamheden) plaats die een brand kunnen veroorzaken of waarlangs een brand zich kan voortplanten naar het EOS.

Niet van toepassing omdat het systeem voldoet aan M9 en M10.

Voldoet

2,3

x

M51

Onderlinge

Voor het opstellen van maximaal 6 EOS'en gelden de volgende eisen:

Toelichting 1: De minimale zijdelingse afstand tussen containers

Het EOS voldoet aan UL9540A. Hiervoor Voldoet

veiligheidsafstanden-

De kortste onderlinge afstand tussen zijdelings opgestelde EOS'en is ten minste

stelt de hulpdiensten in staat om een waterscherm aan te

gelden de afstanden van afbeelding 14.

maximaal 6 EOS'en

1,0 m. Indien een niet-brandwerende (ventilatie)opening in de zijwand(en) van de

brengen wanneer in een EOS brand is ontstaan. Vanwege de

De afstande tot de kavelgrenzen zijn

aanwezigheid van deuren aan de kopse kant van de containers is

minimaal 2,5 meter. De opstelling

het wenselijk om een grotere afstand in lengterichting aan te

bestaat uit niet meer dan 2 rijen en de

containers is aangebracht, is deze afstand ten minste 2,5 m voor zover aan beide zijden van de ruimte tussen deze containers openingen aanwezig zijn.

houden. Een uitwendig gemonteerde koelinstallatie aan de kopse maximale grootte is niet groter dan 35

De kortste onderlinge afstand tussen EOS'en die in elkaars verlengde zijn

zijde van een container telt bij de afstandsbepaling niet mee. De

opgesteld, is ten minste 2,5 m.

afstand van 2,5 m geldt vanaf de buitenwand van de container tot

Voor niet-betreedbare EOS'en die aantoonbaar voldoen aan IEC 62933-5-2 of UL 9540A, IEC 62619 en NFPA 68, bestaande uit maximaal één cluster, gelden de

de buitenwand van de eerstvolgende container. Toelichting 2: In verband met bereikbaarheid moet de ruimte

afstanden uit Afbeelding 14.

tussen het EOS vlak en geheel vrij zijn van begroeiing, obstakels

meter.

en andere materialen

2,3

x

M52

Onderlinge veiligheidsafstanden-groot EOS-park

Voor een groot EOS-park, meer dan 6 EOS'en, geldt dat de afstand tussen de

In verband met bereikbaarheid moet de ruimte tussen de EOS'en

Het betreft geen groot EOS park

Niet van toepassing

Er is geen EOS-park in de buurt.

Voldoet

Niet voor typical 3

Niet van toepassing

Conform UL9540A

Voldoet

EOS'en ten minste 2,5 m is, waarbij aan één zijde de afstand ten minste 4,5 m is in vlak en geheel vrij zijn van begroeiing, obstakels en andere verband met bereikbaarheid voor hulpdiensten.

materialen.

Voor niet-betreedbare EOS'en (typical 3) die aantoonbaar voldoen aan IEC629335-2 of UL 9540A, IEC 62619 en NFPA 68, geldt dat deze kunnen worden geclusterd, waarbij de afstanden uit Afbeelding 15 aangehouden moeten worden. Waarbij voor de afstand tussen clusters geldt (afstanden aangeduid met een *): Afstand tussen clusters = hoogte van de energiedragerbehuizingen t.o.v. het maaiveld x 1 met een minimale afstand van 1,5 m Afstand tussen clusters bij gestapelde EOS'en van typical 3 = hoogte van de energiedragerbehuizingen t.o.v. het maaiveld x 1,5 met een minimale afstand van 1,5 m 2,3

x

M53

Veiligheidsafstanden-tussen De kortste afstand tussen EOS-parken bedraagt ten minste 5 m.

Deze maatregel heeft tot doel het opknippen van grote EOS-

EOS-parken

parken in kleinere tegen elkaar geplaatste parken te voorkomen. De afstand wordt gemeten vanaf de buitenste begrenzing van het EOS-park.

6

M54

Onderlinge

Bij plaatsing van meerdere EOS'en in dezelfde open ruimte moeten deze op

Inpandige EOS'en mogen in elkaars directe nabijheid zijn

veiligheidsafstanden-

afstand van minimaal 1 m van elkaar staan, zie ook Afbeelding 13, zodat bij een

geplaatst indien de omkasting van elk van de

inpandige Eos'en

inwendige brand in een van de energieopslagsystemen er geen brandoverslag kan energieopslagsystemen, rekening houdend met aanwezige plaatsvinden (zie ook M14). ventilatieopeningen, voldoende brandwerend is uitgevoerd om brandoverslag te voorkomen, zie M14.

7.6.3 alle

x

M55

Brandveiligheid Voorkomen van

Het EOS is bij voorkeur aantoonbaar beveiligd tegen brandpropagatie (fire

Afhankelijk van de plaatsing van een EOS of EOS-subsysteem

brandpropagatie

propagation) op basis van NEN-EN-IEC 62933-5-2 of UL9540A. Wanneer het EOS

kunnen nadere eisen worden gesteld. Dit heeft met name te

hier niet aan voldoet, zijn aanvullende maatregelen vereist zoals beschreven in

maken met effecten op de omgeving die een brandscenario

M56 en M57.

kunnen veroorzaken, ook al blijft deze binnen een systeem conform NEN-EN-IEC 62933-5-2 of UL 9540A. Bijvoorbeeld het

Voor inpandige EOS'en in een eigen ruimte (typical 5) is het voldoen aan bovengenoemde normen altijd vereist. Voor inpandige EOS'en in een zeer

plaatsen van een EOS of EOS-subsysteem nabij zeer kwetsbare

kwetsbaar gebouw moet de beveiliging tegen brandpropagatie op moduleniveau

gebouwen (school, kinderdagverblijf, ziekenhuis, enz.) of

zijn.

dichtbevolkte gebieden. In dat geval kunnen eisen gesteld worden aan de brandpropagatie op cel- of moduleniveau.

1,2,4

M56

Bluswateraansluiting

Wanneer het EOS niet aantoonbaar beveiligd is tegen brandpropagatie (M55), moet het EOS voorzien zijn van een bluswateraansluiting met een capaciteit van

Niet voor typical 3 Doel is dat er in geval van een thermal runaway snel een beheersbare situatie ontstaat. Uitgangspunt hierbij is dat het EOS

Niet van toepassing

minimaal 1 000 l/min. De bluswateraansluiting moet voldoen aan de eisen van de beveiligd is tegen propagatie tussen modules of binnen een brandweer (storzkoppeling nok81 of een andere vorm van bluswatertoevoer zoals module. De bluswateraansluiting is bedoeld om de brandweer overeengekomen met de veiligheidsregio). Bij aanwezigheid van een handelingsperspectief te geven indien dit niet het geval is. bluswateraansluiting moet het energiedragercompartiment of het EOS als geheel: Bij toepassing van de bluswateraansluiting kan deze worden bestand zijn tegen de hydrostatische druk van de maximaal te kunnen bereiken

ingezet om een vergelijkbare werking als een sprinklerkop te

waterhoogte;

verkrijgen om op die manier het energiedragercompartiment

zodanig waterdicht zijn dat er voldoende water voor beheersing van een thermal

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lansingerland&id=f3712537-4114-4eef-a633-1b4a23f452ba