[T24.06644] Totaal vast te stellen bestemmingsplan (A) BP0164/H01
Tekst van het document
4.9. Water De voorgenomen ontwikkeling kan effecten hebben op de waterhuishoudkundige situatie, zo wel kwantitatief als kwalitatief. In Nederland is daarom de watertoets een verplicht onderdeel van elke ruimtelijke ontwikkeling. De watertoets is een procesinstrument waarbij de waterbe heerders in een vroegtijdig stadium worden betrokken bij de voorgenomen ontwikkeling, zodat verschillende aspecten van ‘water’ een goede plaats krijgen in de planvorming. In de waterparagraaf worden de effecten van het ontwerp op deze verschillende aspecten omschreven, zoals waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkeringen, beheer en onderhoud en het effect op grondwaterpeilen. 4.9.1 .Toetsingskader Europees Beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is in 2000 ingevoerd en heeft als doelstelling het bereiken van een goede ecologische en chemische toestand voor alle oppervlaktewaterlichamen en het beschermen en herstellen van alle grondwaterlichamen (verbinding infiltratie- en kwelgebieden). Door de inrichting van watergangen af te stemmen op de ecologie kan de ecologische toestand verbeterd worden. De KRW heeft het streven om emissies naar opper vlakte- en grondwater terug te dringen. Daarnaast gaat het Europees beleid uit van het ‘standstill’ principe dat bij veranderingen de waterhuishoudkundige of ecologische situatie in een gebied enkel gelijk blijft of verbetert.
Deze mag dus niet verslechteren. Nationaal beleid Het nationaal beleid is uiteengezet in het Nationaal Waterprogramma 2022-2027. Dit beleid vindt een verdere meer gebiedsgerichte uitwerking in het Deltaprogramma en het Besluit lozen buiten inrichtingen (Blbi). Wet- en regelgeving op nationaal niveau ten behoeve van water is vastgelegd in de Waterwet. De Waterwet zal per 1 januari 2024 vallen onder de Omgevingswet en daarin worden opgenomen. Nationaal Waterprogramma Het nationaal beleid voor het beheer van Rijkswateren is uiteengezet in het Nationaal Water programma 2022-2027. Het Nationaal Waterprogramma beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater en waterverdeling, waterkwaliteit en natuur, scheepvaart, en de functies van de Rijkswateren. Het pro gramma geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw
35
ontwikkeld beleid vast. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere secto ren. Wet- en regelgeving op nationaal niveau ten behoeve van water zijn vastgelegd in de Waterwet. De Waterwet zou per 1 juli 2022 vallen onder de Omgevingswet en daarin worden opge nomen. De inwerkingtreding van de Omgevingswet is echter uitgesteld naar 1 januari 2024. De Waterwet beschrijft het functioneren van het watersysteem. Ook bepaalt de Waterwet wie verantwoordelijk is voor welk watersysteem en welke taken daarbij horen. In het kader van de Waterwet dient er een watertoets te worden uitgevoerd. Wanneer er aanpassingen worden gedaan aan het watersysteem moet er een vergunning worden aangevraagd waarin is aan getoond dat het toekomstige systeem geen negatieve effecten heeft. Naast de Waterwet is de Wet Milieubeheer van belang. De Wet milieubeheer is in het kader van de watertoets van toepassing op lozingen en de gemeentelijke inzameling van afvalwater. HHSK gebruikt deze wet om milieuvervuiling door bedrijven en instellingen te voorkomen. Ook deze wet zal per 1 januari 2024 worden opgenomen in de Omgevingswet. Deltaprogramma In het Deltaprogramma 2021 worden de onderwerpen waterveiligheid, zoetwater en klimaatadaptatie beschreven.
Klimaatverandering is ook een terugkerend thema in het Deltapro gramma 2021, waarbij in het nieuwe Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie in het bijzonder wordt benadrukt dat er aandacht is voor het vasthouden van zoet hemelwater in of nabij ste delijke omgeving en het kunnen bergen/verwerken van extreme regenval. Besluit lozen buiten inrichtingen Op nationaal niveau is daarnaast het Besluit Lozen Buiten Inrichtingen (Blbi) van belang. Het Blbi bevat regels voor het lozen van water buiten inrichtingen zoals bedoeld in de Wet mili eubeheer (Wm). Hierbij geldt dat de regels voor: - indirecte lozingen en lozingen op rioolstelsels gebaseerd zijn op de Wm; - directe lozingen op of in de bodem gebaseerd zijn op de Wet bodembescherming; - directe lozingen op het oppervlaktewater gebaseerd zijn op de Waterwet. Voor lozingen op de riolering en de bodem is de gemeente het bevoegd gezag. De waterbe heerder (HHSK) is verantwoordelijk voor de zorg voor watersystemen. Hieronder worden ook grondwaterlichamen verstaan. Het waterschap stelt daarom eveneens eisen aan lozingen op en onttrekkingen aan het grondwater. Het waterschap is ook het bevoegd gezag voor directe lozingen op het oppervlaktewater. De afstroming van hemelwater van wegen betreft eveneens een lozing.
Hierbij is met name de voorkeursvolgorde van lozen is van belang: 1 infiltratie in de bodem; 2 lozing in oppervlaktewaterlichamen die geen bijzondere bescherming behoeven; 3 lozing op regenwaterriolering; 4 lozing in oppervlaktewater die een bijzondere bescherming behoeven.
36
Regionaal beleid Regionaal beleid wordt opgesteld door hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (HHSK) en de provincie Zuid-Holland. Hierbij draagt de provincie de verantwoor delijkheid voor het grondwater en het Hoogheemraadschap is verantwoordelijk voor het wa tersysteem en het zuiveren van afvalwater.
Hoogheemraadschap Schieland en de Krimpenerwaard In de Keur van HHSK is de regelgeving met betrekking tot het watersysteem weergegeven. Hierna zijn de belangrijkste regels en verbodsbepalingen uit de Keur (2015) van Hoogheem raadschap Schieland en de Krimpenerwaard weergegeven. Verder is de belangrijkste regel geving van HHSK weergegeven in de Algemene regels. Keur De volgende punten betreft zaken die in de algemene regels met betrekking op een water staatswerk vergunningsplichtig zijn: - werken in of gebruik maken van een waterstaatwerk, de bijbehorende beschermingszone of het bijbehorende profiel van vrije ruimte is vergunningsplichtig; - het water te brengen in of te onttrekken aan oppervlaktewaterlichamen is vergunningsplichtig; - het onttrekken van grondwater of infiltreren van water is vergunningsplichtig; - het in met elkaar in verbinding brengen van oppervlaktewateren is vergunningsplichtig; - de keur bevat een zorgplicht. De zorgplicht gaat er vanuit dat men bij het verrichten van handelingen of het nalaten daarvan verplicht is om zorg te dragen voor deze handelingen. Hiermee wordt, indien dit redelijkerwijs verwacht kan worden, men verplicht gesteld om alle maatregelen te treffen om inbreuk op het watersysteem te voorkomen.
Ook wordt men hiermee verplicht gesteld het mogelijke te doen om gevolgen van handelingen die inbreuk hebben op het watersysteem zoveel mogelijk ongedaan te maken. De volgende punten betreffen de relevante overige bepalingen die vergunningsplichtig zijn: - het aanbrengen van verharde oppervlakken met een totale oppervlakte van meer dan 500 m2 waarvan de neerslag geheel of gedeeltelijk, direct of indirect, wordt gebracht op het oppervlaktewaterlichaam; - werkzaamheden te verrichten als gevolg waarvan een toename van de kwel of wegzijging van het grondwater is te verwachten; - het is verboden zonder watervergunning van het bestuur water te brengen in of te onttrekken aan oppervlaktewaterlichamen.
Geen watervergunning volgens artikel 3.1 eerste lid onder a en c van de Keur is vereist voor het dempen van oppervlaktewaterlichamen met de functie overige watergang, als wordt vol daan aan de volgende voorwaarden: - het verlies aan waterberging wordt evenredig, gemeten in vierkante meters wateroppervlak, gecompenseerd door het graven van een nieuwe overige watergang en/ of het verbreden of verlengen van een overige watergang in hetzelfde peilgebied; - de compensatie wordt voorafgaand of minimaal gelijktijdig aan de demping uitgevoerd; - bij het aanleggen van een nieuw oppervlaktewaterlichaam of bij het verbreden of verlengen van een bestaand oppervlaktewaterlichaam worden de bepalingen van Algemene regel 1 in acht genomen;
37
-
de functie van eventueel aanwezige afvoeren van aanliggende percelen die (hemel)water lozen op het te dempen oppervlaktewaterlichaam dient in stand te blijven; het te gebruiken materiaal voor de demping mag geen negatieve gevolgen hebben voor de waterkwaliteit. Daarom moet voordat tot demping wordt overgegaan een deugdelijke afdamming worden gemaakt.
De volgende bepalingen hebben betrekking op het brengen, onttrekken of infiltreren van grondwater: - het is verboden zonder watervergunning van het bestuur grondwater te onttrekken of water in de bodem te infiltreren. Algemene regels Voor algemene regels geldt: bij de aanvraag van een vergunning voor het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water dienen vanuit de Waterregeling artikel 6.27 en 6.28 de volgende gegevens verstrekt te worden: - ten aanzien van een grondwateronttrekking: - het doel waarvoor het te onttrekken grondwater wordt gebruikt; - het aantal bestaande en nieuw in te richten putten; - een nadere plaatsaanduiding van de putten ten opzichte van het Rijksdriehoeksnet; - de diepte van de onderkant en de bovenkant van de filters van iedere put ten opzichte van het maaiveld en het N.A.P.; - de diameter en de lengte van de filters in iedere put; - de pompcapaciteit in m3 per uur en het te installeren vermogen in m3 per uur per put; - de maximaal te onttrekken hoeveelheden water per uur, per dag, per maand, per kwartaal en per jaar, en; - een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die zijn of worden getroffen om de negatieve gevolgen van de onttrekking te voorkomen of te beperken; - ten aanzien van een het infiltreren van water: - het aantal bestaande en nieuw in te richten putten; - een nadere plaatsaanduiding van de putten ten opzichte van het
Rijksdriehoeksnet; - de diepte van de onderkant en de bovenkant van de filters van iedere put ten opzichte van het maaiveld en het N.A.P.; - de diameter en de lengte van de filters in iedere put; - de pompcapaciteit in m3 per uur; - de maximaal te infiltreren hoeveelheden water per uur, per dag, per maand, per kwartaal en per jaar; - de wijze waarop water wordt geïnfiltreerd; - de herkomst en de samenstelling van het te infiltreren water, en; - een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die zijn of worden getroffen om de negatieve gevolgen van de infiltratie te voorkomen of te beperken. -
Beleid waterberging bij ruimtelijke ontwikkelingen Er wordt onderscheid gemaakt in drie typen plannen: kleine, middelgrote en grote ruimtelijke ontwikkelingen. Onderstaand is per type toegelicht hoe HHSK omgaat met de typen ruimte lijke ontwikkelingen: - kleine plannen: plannen met een verhardingstoename tot 500 m2;
38
-
middelgrote plannen: plannen met een verhardingstoename groter dan 500 m2 én een bruto planoppervlak kleiner dan 10 ha; grote plannen: plannen met een bruto planoppervlak van meer dan 10 ha. Waterbeheerprogramma 2022-2027
Het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard is verantwoordelijk voor het waterbeheer in het gebied tussen Zoetermeer, Gouda, Schoonhoven en Rotterdam. Op 26 januari 2022 heeft het algemeen bestuur van het hoogheemraadschap het Waterbeheerpro gramma 2022-2027 vastgesteld. In het Waterbeheerprogramma worden de ambities van het hoogheemraadschap voor de komende jaren weergegeven. Het hoogheemraadschap gaat voor droge voeten en schoon water. Dit doen ze door te werken aan een klimaatbestendig en duurzaam waterbeheer. Ze werken hiervoor samen met inwoners, bedrijven en overheden. Ze zorgen voor veilige dijken, voldoende en schoon water en zuiveren het afvalwater. De ko mende jaren willen ze extra aandacht schenken aan de volgende thema’s: » Een veilige en aantrekkelijke leef- en werkomgeving voorbereid op de verandering van het klimaat; » Een duurzaam waterschap voor de wereld van morgen; » Water en waterschap als onderdeel van de samenleving. Provincie Zuid-Hoiiand De provincie heeft geen goedkeuringsbevoegdheid meer voor de watertoets en bestemmings plannen. Wel is het provinciaal waterbeleid van belang voor het watertoetsproces. Het water beleid van de Provincie Zuid-Holland is opgenomen in het Regionaal Waterprogramma 2022 2027. Het Regionaal Waterprogramma sorteert voor op de komst van de Omgevingswet.
Met de komst van de Omgevingswet komen andere wetten te vervallen, met name het wegvallen van de Wet bodembescherming leidt tot andere verantwoordelijkheden in het grondwaterbeheer, waar samen met andere overheden een weg in gevonden moet worden. De Omgevingswet schrijft voor dat overheden beter moeten samenwerken en meer op moeten treden als één overheid. Het Regionaal Waterplan is om deze reden in participatie met andere overheden opgesteld, met name met de waterschappen heeft intensieve afstemming plaats gevonden over het plan. De provincie zet zich in voor een gezonde leefomgeving met mooi en schoon water. Vol doende en schoon grondwater is daar een onderdeel van, het gebruik van de ondergrond kan conflicteren met doelen uit de KRW en de grondwaterrichtlijnen. De toename van verhard oppervlak en de landbouw hebben daar invloed op. Door toename van verhard oppervlak kan er minder water infiltreren en vanuit de landbouw komen meststoffen en andere stoffen in het grondwater terecht. Dit heeft effect op de grondwaterkwantiteit en -kwaliteit. Lokaal beleid Gemeente Lansingeriand De gemeente Lansingerland heeft het waterbeleid beschreven in het GRP (gemeentelijk rioleringsplan) Lansingerland 2021-2025. Het wensbeeld wat hierin als visie wordt omschreven is een klimaatbestendige en duurzame gemeente met integraal beheer. Klimaatbestendig
39
wordt in het plan als volgt omschreven: “Tijdens extreme neerslag of periodes van droogte leveren overschotten en tekorten van hemel- en grondwater, tot op zekere hoogte, geen over last op. De openbare ruimte en private ruimte wordt benut voor het voorkomen van waterover last bij (hevige) neerslag. Soms blijft er water op straat staan, maar dit geeft geen schade (extreme situaties daar gelaten). Naast klimaatadaptatie heeft de gemeente Lansingerland ook bodemdaling en de grondwa terstand opgenomen in de visie van het GRP. Deze stelt dat bodemdaling beperkt zal worden door de grondwaterstand alleen te verlagen als het niet anders kan. Een hoge grondwater stand is een natuurlijk verschijnsel wat hoort bij de diepe polders en de ondoorlatende bodem van Lansingerland. Inwoners worden zich ervan bewust dat natte tuinen en water in kruipruim tes niet altijd voorkomen kan worden. De gemeente heeft een afvalwaterzorgplicht, een grondwaterzorgplicht en een hemelwaterzorgplicht. Dit betekent dat de gemeente stedelijk afvalwater in moet zamelen en transporte ren naar een overnamepunt van Hoogheemraadschap Schieland en de Krimpenerwaard, welke het afvalwater zuivert. De grondwaterzorgplicht verplicht de gemeente om maatregelen te treffen om zo grondwateroverlast in openbaar gebied te voorkomen. Het wel of niet nemen van maatregelen is afhankelijk van de drooglegging.
De hemelwaterzorgplicht schrijft voor dat de gemeente het hemelwater in openbaar gebied moet inzamelen en afvoeren. Voor private percelen zijn perceeleigenaren verantwoordelijk voor de verwerking van het hemelwater. Pas als perceeleigenaren redelijkerwijs het hemelwater niet zelf kunnen verwerken geldt ook voor private terreinen een zorgplicht voor de gemeente om het hemelwater in te zamelen en af te voeren of te verwerken. 4.9.2.Maaiveldhoogte De maaiveldhoogten van de projectlocatie en de omgeving zijn te zien in afbeelding 4.5. De maaiveldhoogte van het projectgebied varieert tussen NAP -5,4 m en -4,9 m. Het gebied loopt af in noordwestelijke richting. Ten noorden van het projectgebied ligt de hoger gelegen A12 en ten westen ligt de hoger gelegen spoorbaan van de HSL.
40
Afbeelding 4.5 Maaiveldhoogte middels AHN4
4.9.3.Geohydrologie Bodemopbouw Op Dinoloket zijn enkele boormonsterprofielen beschikbaar op enkele honderden meters van het projectgebied. De locaties van de profielen zijn te zien in afbeelding 4.6. Afbeelding 4.7 toont de boorprofielen. Afbeelding 4.6 Locaties van boringen Dinoloket in de omgeving van het projectgebied
41
Afbeelding 4.7 Boorprofielen van Dinoloket in de omgeving van het projectgebied
Uit de profielen blijkt dat de ondergrond in het plangebied met name uit klei bestaat. Op een diepte van 5 m -mv liggen één of twee veenlagen die - afhankelijk van de locatie - een ver schillende dikte hebben. De ondergrond van klei is slecht doorlatend en daardoor niet geschikt om water te infiltreren. Grondwater In het DINO-loket zijn geen gegevens van peilbuizen beschikbaar in de omgeving van het plangebied. Daardoor is er beperkt informatie over de grondwaterstanden in de omgeving. Wel is de Klimaateffectatlas gebruikt om een indicatie te verkrijgen van de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) in het gebied. Afbeelding 4.8 bevat een uitsnede van de Klimaateffectatlas (KEA).
42
Afbeelding 4.8 Kaart met gemiddeld hoogste grondwaterstand, bron: Klimaateffectatlas
Afbeelding 4.8 laat zien dat de GHG tussen 0,2 en 0,4 m -mv ligt volgens de KEA. De ontwateringsdiepte (afstand tussen het maaiveld en het grondwater) is daardoor klein. Er wordt be nadrukt dat de KEA gebaseerd is op landelijke en regionale modellen, waardoor het beeld van de GHG grof van aard is. Afbeelding 4.9 toont het verschil tussen ontwateringsdiepte en drooglegging.
Afbeelding 4.9 Verschil tussen ontwateringsdiepte en drooglegging
Het planvoornemen ligt in peilvak GPG-1010 van Polder Bleiswijk. Peilvak GPG-1010 kent een bovenpeil van NAP -6,20 m en een onderpeil van NAP -6,30 m. In paragraaf 3.2 is be schreven dat de maaiveldhoogte in het plangebied varieert tussen NAP -5,4 m en -4,9 m. De drooglegging is daardoor beperkt: 0,8 tot 1,4 m. Rekening houdend met een opbolling van de grondwaterstand is het daarom plausibel dat ook de ontwateringsdiepte klein is.
43
4.9.4.Oppervlaktewater Watersysteem Een uitsnede van de Legger van HHSK is weergegeven in afbeelding 4.10. Afbeelding 4.10 Legger oppervlaktewateren HHSK
De Legger laat zien dat er in het projectgebied geen oppervlaktewater, geen beschermings zones en geen kunstwerken aanwezig zijn. Rondom het bestaande 380 kV-station ligt een watergang die in de Legger getypeerd is als ‘overig water’. Daarnaast bevindt zich parallel aan de A12 een hoofdwatergang. Het plangebied ligt volledig in peilvak GPG-1010 van de Polder Bleiswijk. Peilvak GPG-1010 kent een bovenpeil van NAP -6,20 m en een onderpeil van NAP -6,30 m. Aan de noordwestzijde van het gebied loopt een waterscheiding. Deze waterscheiding ligt parallel aan de A12. Ter plaatse van het projectgebied is wel oppervlaktewater aanwezig geweest. Het gaat om oppervlaktewater dat gecompenseerd wordt door de Gemeenschappelijke Regeling Bleizo. Deze compensatie zal ergens anders binnen het gebied van Bleizo Business Park gereali seerd worden. De compensatie voor de regeling Bleizo is geregeld in de vergunning met dos siernummer B2020-1399 en documentnummer: D2020-08-003260. Het dempen van opper vlaktewater hoeft in deze watertoets dus niet te worden meegenomen. Waterkwaliteit Als waterbeheerder zorgt HHSK niet alleen voor voldoende water, maar ook voor schoon wa ter. De waterkwaliteit wordt op verschillende plaatsen bemeten.
44
In afbeelding 4.11 is de Vaart Bleiswijk weergegeven. De Vaart Bleiswijk is aangemerkt als KRW-waterlichaam en wordt gebruikt voor de aanvoer van water naar de aanliggende polders. De Vaart Bleiswijk ligt onder andere door een aantal aangrenzende druk bereden wegen tus sen damwanden en kades. Er is mede daardoor geen ruimte voor natuurlijke oevers. Afbeelding 4.11 KRW watergang Vaart Bleiswijk, bron: Waterkwaliteitsportaal
Ī7Ĩ7] KRW Oppefvlaktewaterlictiaam
A
hfaturaīdCO gcbitd Schclpdìarwatar Zwernv^at^rlocatie-
Vi i nninge n voo r rren^ e ľij ke co n sum pti e:
O
O
Publieke grondMat«rwlnrtlng Industriële grondwatert^lnnlog Overige grond water winning Inname opper vlakte water
De waterkwaliteit van de Vaart Bleiswijk is beoordeeld volgens de KRW-methodiek. De resul taten hiervan zijn weergegeven in afbeelding 4.12.
45
Afbeelding 4.12 Toetstand van de waterkwaliteit per groep stoffen voor de Vaart Bleiswijk Bron: waterkwaliteitsportaal
Toestand Toestand 2009 2015
Totaaloordeel Chemie totaai
Chemie
a
CU 1 1
X
X
Ubiquitaire sloffen Niet-Ubiquitaire stoffen Ecologie totaal
Ecologie
Biologie totaal Fysische chemie Specifieke verontreinigende stoffen Biologie er Aigemee-n
Chemie en Specifieke
fySijCbe chemie
verontreíniiendc stoffer
Zeergoíţi l|
voldoet
GfOën
ŭoéń
-
Geel
Matig
Oranje
OriToerelkend
Rood
Slecht
m 1
Toestand 2021
1 rn 1 X
X
1
1
1
Voldoet niet
Afbeelding 4.12 laat het volgende zien: - de chemische toestand is in 2021 achteruit gegaan ten opzichte van 2015. Dit geldt alleen voor de ubiquitaire stoffen; - de ecologische waterkwaliteit wordt beoordeeld als matig. Dit betreft eveneens een achteruitgang ten opzichte van 2015. Met name op het onderdeel specifiek verontreinigende stoffen scoort de Vaart Bleiswijk slecht. Afwatering In de bestaande situatie is het plangebied onverhard en is er geen oppervlaktewater aanwezig. Hemelwater dat op het plangebied valt, infiltreert deels in de bodem. De bodemopbouw en hoge grondwaterstanden belemmeren echter een goede infiltratie van hemelwater. Daardoor stroomt ook een deel van het hemelwater af naar omliggende watergangen. Keringen Ten oosten van het plangebied is een waterkering aanwezig. Dit is weergegeven in afbeelding 4.13. Zowel de kernzone als de beschermingszone van de kering liggen echter ruim buiten het plangebied. Afbeelding 4.13 Legger waterkeringen HHSK
46
Inlaat
Referentie ®
Fysiek aanwezig
©
Virtueel
Dijkvakken
Kernzone
4.9.5.Toekomstige Situatie Voor het trafo station is een inrichtingsplan gemaakt. In dit hoofdstuk wordt beschreven wat dit betekent voor het watersysteem. Een tekening van de toekomstige situatie is toegevoegd in bijlage I. Planvoornemen Op de plaats van de inrichtingslocatie is Stedin voornemens een trafostation te ontwikkelen. Het inrichtingsplan is zichtbaar in afbeelding 4.14. Afbeelding 4.14 Inrichtingsplan Stedin
47
Afbeelding 4.14 laat zien dat het hoogspanningsstation zal bestaan uit een transportstation en drie trafoboxen. Deze zullen verbonden worden met de kabels van een aantal hoogspanning en middenspanningstracés. Ook zal er rondom het transportstation en de trafoboxen verhar ding worden aangebracht. Het totale kavel is 3.436 m2 groot. Effecten op geohydrologie Door het aanleggen van verharding kan er minder regenwater infiltreren in de bodem. Hierdoor zal er iets minder hemelwater in het grondwater terecht komen. Het effect hiervan is verwaar loosbaar, doordat de verhardingstoename beperkt is en de huidige situatie ook geen goede infiltratie van hemelwater mogelijk is. De geringe ontwateringsdiepte op de locatie betreft wel een aandachtspunt. Er bestaan richt lijnen voor de ontwateringsdiepte onder verhardingen. Mogelijk is er voor de realisatie van het planvoornemen bemaling noodzakelijk. In een latere fase dient te worden nagegaan of er een vergunning benodigd is voor het tijdelijk onttrekken van grondwater ten behoeve van bouwputbemaling. Naast de onttrekking zelf is mogelijk een vergunning benodigd voor het lozen van bemalingswater. Effecten op oppervlaktewater Effecten op het watersysteem Voor deze ontwikkeling en specifiek deze waterparagraaf vinden er geen veranderingen aan het watersysteem plaats.
Er wordt door Stedin geen oppervlaktewater gedempt en de wer king van het watersysteem wordt niet aangetast. Wel wordt door Bleizo een bestaande wa terpartij gedempt, dit maakt geen onderdeel uit van deze waterparagraaf. Effecten op de waterkwaliteit Als gevolg van de aanleg van verharding zal er meer water afstromen naar de watergangen. Op de aangelegde verharding kunnen zich verontreinigingen ophopen. Regenbuien kunnen ervoor zorgen dat de verontreinigingen worden meegevoerd richting het oppervlaktewater. Dit effect treedt vooral op na een periode van droogte (first flush). De effecten op de waterkwaliteit zijn echter zeer klein. Dit komt doordat er weinig verkeer en aanwezigheid van personen is voorzien in het plangebied. De kans op verontreiniging van de verharding is dus klein. Bovendien is de verhardingstoename beperkt. Effecten op de afwatering van hemelwater Het is onbekend hoe in het plan wordt omgegaan met de afwatering van hemelwater. Er is oppervlaktewater aanwezig in de omgeving waarop een eventueel HWA kan lozen. Door HHSK is een maatwerkberekening uitgevoerd waaruit blijkt dat de watercompensatie eis op 5% uitkomt. Dit betekent dat de benodigde compensatie voor verhard oppervlak wordt be rekend met de volgende formule: Aanleg water t.b.v. compensatie [m2] = (toename verharding [m2] - 500 m2) * 5%
48
In de toekomstige situatie wordt er op het kavel een transportstation aangelegd van 600 m2. Daarnaast worden er drie trafoboxen aangelegd van 187 m2 per stuk. Daaromheen komen kabeltracés te liggen voor hoogspanning en middenspanning. Op het kavel wordt ook nog eens 1.508 m2 verharding aangebracht. In totaal zorgt dit voor een toename van de verharding van 2.669 m2.Tabel 4.2 toont een overzicht van de verharding in de huidige en toekomstige situatie. Tabel 4.2 Oppervlakken huidige situatie en toekomstige situatie in m2 Type oppervlak
Huidige situatie
Toekomstige situatie
Toename
3.436
767
-2.669
verhard
0
2.669
2.669
water
0
0
0
totaal
3.436
3.436
-
onverhard
De toename van verharding heeft effect op de waterhuishouding op de ontwikkellocatie en in de directe omgeving daarvan, doordat hemelwater versneld wordt afgevoerd als gevolg van de verhardingstoename. Het is nodig om de toename van verharding te compenseren. Het invullen van de formule geeft de benodigde oppervlakte van watercompensatie: (2.669-500)*5% = 109 m2. Het is nodig om ter compensatie voor de toename van de verharding 109 m2 oppervlaktewater aan te leggen. Op het kavel zijn geen mogelijkheden voor de aanleg van oppervlaktewater, omdat de ruimte op het kavel al aan andere functies is toebedeeld. Echter in de Gemeen schappelijke Regeling Bleizo is voor alle ontwikkelingen binnen het Bleizo Business Park al in watercompensatie t.b.v. de toename van verharding voorzien (watervergunning met dossier nummer: B2020-1399 en documentnummer: D2020-08-003260). Daar wordt ook de 109 m2 compensatie voor het trafostation van Stedin opgenomen. Effecten op keringen Er zijn geen keringen aanwezig op de ontwikkellocatie of in de buurt daarvan. Er zijn dus geen effecten voor waterkeringen. 4.9.6.Conclusies Op basis van de voorgaande hoofdstukken wordt het volgende geconcludeerd: - Stedin heeft het planvoornemen om een trafostation te bouwen in Bleiswijk. Het plangebied ligt in de ontwikkelzone Bleizo Business Park.
De totale oppervlakte van het planvoornemen is 3.436 m2; - het plan behelst een verhardingstoename van 2.669 m2. Hierdoor kan er in de toekomstige situatie iets minder hemelwater infiltreren. Doordat infiltratie in de huidige situatie belemmerd wordt door de kleiige bodem, is het effect hiervan op de grondwaterstand verwaarloosbaar; - de ontwateringsdiepte op het terrein vormt een aandachtspunt. Op basis van de grove data van de Klimaateffectatlas is de ontwateringsdiepte beperkt. In een volgende fase dient te worden nagegaan of bouwputbemaling noodzakelijk is. Mogelijk is er een watervergunning benodigd voor het tijdelijk onttrekken van grondwater en voor het lozen van bemalingswater;
49
-
-
-
de effecten van het planvoornemen op de waterkwaliteit zijn zeer gering. Door de verhardingstoename is het theoretisch mogelijk dat verontreinigingen van het wegdek tijdens neerslag via de hemelwaterafvoer worden meegevoerd naar het oppervlaktewater. De kans op verontreinigingen is echter minimaal, doordat vrijwel geen verkeer en aanwezigheid van personen wordt verwacht; op grond van de regels van HHSK dient de verhardingstoename binnen het plangebied gecompenseerd te worden. Het betreft een compensatie-eis van 109 m2. De invulling van de watercompensatie dient besproken te worden met HHSK; Er zijn geen keringen in het plangebied. Het plan heeft daardoor geen effect op keringen.
4.10.
Bodem
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Met andere woorden: is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geschikt voor de beoogde bestemming(en)/functie(s)? Is er bodemverontreiniging is die de functiedoelen kan frustreren, levert dit gezondheidsrisico’s, ecologische risico’s of verspreidingsrisico’s op en kan er tijdig iets aan gedaan worden? Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Dit is het zogenaamde stand still-beginsel. 4.10.1.
Toetsingskader
In de Wet bodembescherming (Wbb) is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesa neerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mo gelijk maken, zoals stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingssituaties op basis van een bodemonderzoek. In beginsel dient een bestemmingsplan minimaal vergezeld te worden van een verkennend bodemonderzoek, conform de NEN 5740, dat niet ouder is dan vijf jaar. 4.10.2.
Resultaten
Ten behoeve van de bouw van het transformatorstation is op 29 juni 2021 een verkennend (asbest)bodemonderzoek uitgevoerd op het terrein nabij Craenenborgpad te Bleiswijk, bijlage III. De bovengrond bestaat uit voornamelijk kleiige grond op een ondergrond van zand. Bij een aantal boringen is lichte bijmenging aangetroffen. De hypothese ‘verdacht’ is bevestigd in dit onderzoek gezien de aangetroffen lichte verontreinigingen. De verhogingen zijn van die mate dat de resultaten van het onderzoek geen aanleiding vormen voor nader onderzoek. De kwa liteit van de grond is dusdanig dat het transformatorstation gerealiseerd kan worden.
50
4.10.3.
Conclusie
De bodemkwaliteit staat de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkelingen op grond van dit bestemmingsplan niet in de weg.
4.11.
Archeologie en cultuurhistorie
4.11.1.
Archeologie
Voorafgaand aan het vaststellen van het bestemmingsplan dient inzicht te zijn verkregen in bekende en te verwachten archeologische waarden in het plangebied en omgeving, en wat de aard en omvang van de voorgenomen werkzaamheden zijn en of deze een bedreiging vormen voor het bodemarchief. Indien dit het geval is, wordt geadviseerd op welke wijze hier mee in het vervolgtraject van de plannen rekening dient te worden gehouden. Toetsingskader De bescherming van archeologisch en cultureel erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Erfgoedwet, die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet, die in 2024 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016-2023 een overgangsregeling opgenomen. De Erfgoedwet regelt onder andere de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de even tueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Archeologisch onderzoek zal moeten worden uitgevoerd als er sprake is van een hoge trefkans of als het plangebied niet is gekarteerd.
Resultaten Op 28 maart 2013 heeft de gemeenteraad de beleidsnota archeologie vastgesteld. Onderdeel van deze nota is een archeologische beleidskaart. Deze beleidskaart is in 2016 geüpdatet. De voorgenomen locatie van het nieuwe transformatorstation ligt niet binnen een van de verwachtingszones.
51
Afbeelding 4.15 Archeologische beleidskaart gemeente Lansingerland 2016 (rood omcirkeld het plangebied)
Legenda Archeologische beleidskaart gemeente Lansingerland 2016 Zone Zone I: vrijstelling > 0 m2 â 0,3 m -Mv Zone II: vrijstelling > 50 m2 8; 0,3 m -Mv Zone III: vrijstelling > 100 m2 Â 0,3 m -Mv Zone IV: vrijstelling > 500 m2
A
0,3 m -Mv
Zone V: vrijstelling » 500 m2 8 1.0 m -Mv
na !
Zone VI: vrijstelling 1000 m2 8 2,5 m -Mv Lansingerland
I Onderzoeksgebieden
Conclusie Negatieve effecten met betrekking tot archeologie worden op basis van de archeologische beleidskaart van gemeente Lansingerland niet verwacht. 4.11.2.
Cultuurhistorie
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening is het verplicht om in een bestemmingsplan een beschrijving op te nemen van de manier waarop er rekening is gehouden met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden (gebouwd erfgoed, cultuurlandschap en archeologie). Hierbij gaat het om zowel beschermde objecten en structuren, als niet beschermde objecten als structuren. Daarnaast dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening in de planvor ming rekening te worden gehouden met het aspect landschap. Hierbij gaat het om kenmer kende ruimtelijke patronen/structuren, karakteristieke beplantingsvormen en gebruikte soor ten, de ruimtelijke opbouw van bebouwing in een gebied en natuurwaarden in de omgeving. Op 26 april 2012 heeft de gemeenteraad van Lansingerland de Nota Cultuurhistorie Plus vast gesteld. Hierin worden monumenten en cultuurhistorisch waardevolle objecten benoemd. Conclusie In het plangebied liggen geen Rijks-, provinciale of gemeentelijke monumenten of cultuurhis torisch waardevolle objecten, is geen sprake van beschermde stads- of dorpsgezichten en komen geen gebieden van aardkundige waarde voor. Ook gelden er in het plangebied geen dubbelbestemmingen voor cultuurhistorische of landschappelijke waarden.
52
4.12.
kabels en leidingen
De ongestoorde ligging van planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dient te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen en verbindingen reke ning te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. 4.12.1.
Toetsingskader
De leidingen en verbindingen zijn te verdelen in drie typen: 1 buisleidingen met een externe veiligheidszone; 2 bovengrondse hoogspanningslijnen; 3 overige leidingen. De eerste twee type leidingen zijn in ieder geval planologisch relevant. Voor de overige leidin gen bepalen bevoegd gezag en leidingbeheerders of deze planologisch relevant zijn. Voorbeelden van planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende pro ducten worden vervoerd: - gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen en goederen; - aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch; - defensiebrandstoffen; - warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch. 4.12.2.
Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling kruist meerdere kabels en leidingen. Een aantal hoogspanningsverbindingen zijn planologisch vastgelegd. Stedin draagt zorg voor tijdige afstemming met relevante kabel- en leidingbeheerders. Stedin neemt daarnaast passende tijdelijke maat regelen ten behoeve van het functioneren van de eigen verbindingen tijdens de aanlegfase. Het aspect kabels en leidingen vormt daarmee geen belemmering voor de realisatie van het plan.
4.13.
Ontplofbare oorlogsresten
In de volgende paragraaf wordt ingegaan op de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten (voorheen: niet-gesprongen explosieven) in het plangebied en de gevolgen hiervan op voorgenomen ontwikkeling. 4.13.1.
Toetsingskader
Na de Tweede Wereldoorlog zijn op diverse plekken in Nederland ontplofbare oorlogsresten (verder OO genoemd) achtergebleven. Deze OO vormen een risico op het moment dat in de nabijheid van deze explosieven activiteiten in de bodem worden uitgevoerd, zoals graven. Voorafgaand aan deze bodemroerende werkzaamheden dient de aanwezigheid van deze OO uitgesloten te worden of dienen eventuele OO verwijderd te worden.
53
4.13.2.
Resultaten
Voor het plangebied is in 2015 een veldonderzoek ontplofbare oorlogsresten (OO) uitgevoerd door T&A Survey (bijlage IV). Afbeelding 4.16 Uitsnede bodembelastingkaart
De rode stippen op bovenstaande afbeelding weergeven een verdacht object (mogelijk ex plosief). Het lichtgroene gebied is het vrijgegeven gebied waarbij geldt dat dit gebied vrij is tot onderzoeksdiepte. Het oranje gebied is een verstoord gebied waarvoor geldt dat het ge bied tot een beperkte diepte vrijgegeven kon worden. 4.13.3.
Conclusie
Op basis van het veldonderzoek, de beoordeling en evaluatie van de indicaties is vastgesteld dat het plangebied niet verdacht is op OO. Wel hebben er in de directe omgeving diverse oorlogshandelingen plaatsgevonden. Er zijn echter geen aanwijzingen dat deze oorlogshan delingen hebben geleid tot achtergebleven OO in het gebied.
54
5. JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de juridische planbeschrijving. Achtereenvolgens wordt ingegaan op de algemene opzet van de planregels en een toelichting op de regels (o.a. bestemmingsregels).
5.1. Algemeen 5.1.1.Wat is een bestemmingsplan? Het gemeentelijke bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Het wordt de grond gebruiker (eigenaar, huurder, et cetera) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft uit te oefenen. Dit houdt in dat: 1 de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren; 2 de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsbepalingen zijn hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning tot bouwen) en regels voor het verrichten van ‘werken’ (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden). Een bestemmingsplan regelt: 1 het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen). En een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor: 2 het bebouwen van de gronden; 3 het verrichten van werken (aanleggen). Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is zeker niet het enige instrument.
Andere ruimtelijke wetten en regels zoals de Woningwet, de Erfgoedwet, de Algemene Plaatselijke Verordening, de Wet milieubeheer en de Wet alge mene bepalingen omgevingsrecht zijn ook erg belangrijk voor het uitoefenen van ruimtelijk beleid. 5.1.2.Over bestemmen en aanduiden Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de ge bruiksmogelijkheden zoals die in de regels zijn opgenomen. De toegekende gebruiksmoge lijkheden kunnen met behulp van een aanduiding nader worden ingevuld. Een aanduiding is een teken op de verbeelding. Dat teken kan bestaan uit een lijn, een figuur of een lettercode et cetera. Via een aanduiding wordt in de regels ‘iets’ geregeld. Dat ‘iets’ kan betrekking heb ben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen regel hebben.
55
5.1.3.Hoofdstukopbouw van de regels De regels zijn verdeeld in vier hoofdstukken: 1 inleidende regels. In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2); 2 bestemmingsregels. In dit tweede hoofdstuk zijn de bepalingen van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en gebruiksregels opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn, dan worden deze ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsbepalingen. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels en gebruiksregels opgenomen die specifieker ingaan op bijvoorbeeld de bouwhoogte, situering van gebouwen en de toegestane functies. Aansluitend worden afwijkingsbevoegdheden met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels opgenomen. In een enkel geval worden ruimere mogelijkheden geboden door het toepassen van een wijzigingsbevoegdheid.
Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsplanbepalingen ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden. Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld; 3 algemene regels. In de laatste twee hoofdstukken zijn bepalingen opgenomen met een algemeen karakter. Deze bepalingen hebben betrekking op het gehele plan. Het betreffen achtereenvolgens algemene regels, zoals een anti-dubbeltelregel, algemene gebruiksregels, algemene aanduidingsregels, algemene afwijkingsregels en algemene wijzigingsregels; 4 overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.
5.2. Dit bestemmingsplan Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de ver beelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. Een toelichting op de bestemmingen is hierna op genomen. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grond slag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toe passing van het bestemmingsplan. De regels in dit bestemmingsplan zijn opgezet aan de hand van hetgeen hierboven is beschre ven. Tevens is aangesloten bij de meest actuele landelijke standaarden voor de regels en de ver beelding, te weten de SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012) en
56
IMRO2012 (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening 2012). Qua inhoud en opzet is aangesloten bij recente en vergelijkbare bestemmingsplannen van de gemeente.
5.3. Toelichting op de regels 5.3.1.Inleidende regels Begrippen die in de regels worden gebruikt en die uitleg behoeven, worden in het eerste artikel van het bestemmingsplan uitgelegd. Vervolgens bevat het tweede artikel technische regelin gen om onder andere oppervlaktes, hoogtes, dieptes en breedtes te kunnen bepalen. 5.3.2.Bestemmingsregels De regels hebben voor elke bestemming dezelfde opbouw met achtereenvolgens, voor zo ver aanwezig, de volgende leden: - bestemmingsomschrijving; - bouwregels; - nadere eisen (indien aanwezig); - afwijken van de bouwregels (indien aanwezig); - specifieke gebruiksregels (indien aanwezig); - afwijken van de gebruiksregels (indien aanwezig); - omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (indien aanwezig); - wijzigingsbevoegdheid (indien aanwezig). Centraal staat de bestemmingsomschrijving. Daarin worden limitatief de functies en waarden genoemd, die binnen de bestemming zijn toegestaan respectievelijk worden beschermd. In een aantal gevallen geeft de bestemmingsomschrijving daarbij nog een nadere beperking in de vorm van een bestemmingscategorie of bijvoorbeeld een gebiedsbegrenzing, een maxi male oppervlakte- of inhoudsmaat dan wel een beperking tot de bestaande bebouwing. De bouwregels zijn direct aan de bestemmingsomschrijving gerelateerd.
Ook de gebruiksre gels zijn gerelateerd aan de bestemmingsomschrijving, zij het dat deze regels zijn opgenomen in de algemene gebruiksregels in hoofdstuk 3. Hierin is bepaald dat het verboden is de onbe bouwde grond en/of de daarop aanwezige bouwwerken te gebruiken op een wijze of tot een doel in strijd met het in het plan bepaalde. Bedoeld wordt een gebruik in strijd met de bestem mingsomschrijving. De afwijkings- en wijzigingsregels geven het bevoegd gezag bevoegdheden om onder voor waarden af te wijken van een regel of onder voorwaarden het plan te wijzigen. Enkelbestemmingen Bedrijf - Nutsvoorziening De gronden waarop (de uitbreiding van) het transformatorstation zich bevindt zijn gedeeltelijk bestemd met de enkelbestemming ‘Bedrijf - Nutsvoorziening’. Op gronden met deze bestem
57
ming is een transformatorstation toegestaan. Binnen de bestemming is een bouwvlak opge nomen waarbinnen de gebouwen en bouwwerken mogen worden gerealiseerd. Er zijn speci fieke bouwaanduidingen voorzien voor de verschillende delen van het transformatorstation, waaraan de verschillende maximale bouwhoogten zijn gekoppeld. Bedrijventerrein De gronden waarop (de uitbreiding van) het transformatorstation zich bevindt zijn gedeeltelijk bestemd met de enkelbestemming ‘Bedrijventerrein’. Op gronden met deze bestemming is een transformatorstation toegestaan. Binnen deze bestemming is een bouwvlak opgenomen waarbinnen de gebouwen en bouwwerken mogen worden gerealiseerd. Functieaanduiding Nutsvoorziening De gronden waarop (de uitbreiding van) het transformatorstation zich bevindt zijn bestemd voor een elektriciteitsdistributiebedrijf in de milieucategorie 2 tot en met 4.2 van de als bijlage 1 van de regels opgenomen Staat van Bedrijfsactiviteiten. 5.3.3.Algemene regels Hoofdstuk 3 van het bestemmingsplan bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied van het bestemmingsplan. Hieronder worden de algemene regels van dit bestemmingsplan toegelicht. Anti-dubbeiteiregei Deze regel bepaalt dat er niet twee keer voor eenzelfde locatie een bouwplan kan worden ingediend. Algemene gebruiksregels In dit artikel zijn de algemene gebruiksregels opgenomen.
Hierin is aangegeven welke func ties in ieder geval in strijd zijn met het bestemmingsplan. Aigemene aanduidingsregeis In dit artikel worden de regels gesteld over gebiedsaanduidingen. Dit is een aanduiding die verwijst naar een gebied waarvoor naast de bestemmingen specifieke regels gelden of waar nadere afwegingen moeten worden gemaakt. In dit bestemmingsplan komt de gebiedsaanduiding ‘geluidzone - industrie’ voor. Ter plaatse van deze aanduiding zijn de gronden bestemd voor de bescherming en instandhouding van de geluidsruimte van het transformatorstation. Binnen deze zone mogen in principe geen nieuwe woningen of andere geluidsgevoelige func ties worden gebouwd of in gebruik worden genomen. De bestemmingsregeling behorende bij gebiedsaanduiding “geluidzone- industrie” is zo inge richt het vigerende bestemmingsplan Hoefweg-Zuid 2016, vastgesteld 31 mei 2018, van toe passing blijft. Dit bestemmingsplan staat ook geen gevoelige objecten in de zin van de Wet geluidhinder toe. De aanduiding wordt aan dit bestemmingsplan uit 2018 “toegevoegd” door vaststelling van het onderhavige bestemmingsplan.
58
Overige regels In de overige regels is de verhouding geregeld tussen dit bestemmingsplan en de onderlig gende vigerende bestemmingsplannen. Ter plaatse van de enkelbestemmingen in dit bestem mingsplan komen de enkelbestemmingen uit de vigerende bestemmingsplannen te vervallen. Ter plaatse van de dubbelbestemmingen in dit bestemmingsplan prevaleren de dubbelbestemmingen en blijven de onderliggende bestemmingen op basis van de vigerende bestem mingsplannen van kracht voor zover zij niet strijdig zijn met de dubbelbestemmingen. 5.3.4.Overgangs- en slotregels Conform het Bro (artikel 3.2.1 en 3.2.2) zijn standaardregels opgenomen met betrekking tot het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik. Hierin is aangegeven wat de juridische con sequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slot regel wordt aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.
59
6. UITVOERBAARHEID In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de maatschappelijke uitvoerbaarheid en economische uit voerbaarheid van het plan.
6.1. Maatschappelijke uitvoerbaarheid Een bestemmingsplan dient maatschappelijk uitvoerbaar te zijn. Dat wil zeggen dat de voor genomen ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt in het bestemmingsplan zijn bespro ken met belanghebbenden. De voorgenomen ontwikkelingen zijn niet in lijn met het landschapsplan dat ten behoeve van het inpassingsplan randstad 380 kV-verbinding Beverwijk - Zoetermeer (Bleiswijk) is opge steld. Om deze reden wordt een alternatieve landschappelijke inpassing uitgewerkt en wordt een omgevingsvergunning voor afwijken van het inpassingsplan volgens artikel 13.2 onder a van het inpassingsplan aangevraagd. Deze werkwijze is met de volgende belanghebbende partijen afgestemd en akkoord bevonden: » Ministerie van Economische Zaken en Klimaat; » TenneT; » Gemeenschappelijke Regeling Bleizo; » Gemeente Lansingerland; » Stedin. Voor vaststelling van het bestemmingsplan dient deze vergunning te zijn verleend.
6.2. Economische uitvoerbaarheid Het hoofddoel van dit bestemmingsplan is de gewenste toekomstige situatie planologischjuridisch vast te leggen, namelijk de wijziging van groen naar transformatorstation. De ontwik keling is een particulier initiatief waarbij de financiële risico's voor de initiatiefnemer zijn. Het plan wordt daarom economisch uitvoerbaar geacht te zijn. Daarnaast wordt een planschadeovereenkomst gesloten tussen Stedin en de gemeente Lansingerland. De economische uitvoerbaarheid van het project is hiermee gewaarborgd.
6.3. Handhaafbaarheid Het bestemmingsplan is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verant woordelijkheid voor controle en handhaving van de regels in het bestemmingsplan ligt bij de gemeente. Het handhavingsbeleid van de gemeente Lansingerland vormt de basis van de handhaving binnen de gemeentelijke grenzen. Handhaving kan worden omschreven als elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen. Het doel van handhaving is om de bescherming van mens en omgeving te waar borgen tegen ongewenste activiteiten en overlast. In het kader van het bestemmingsplan heeft
60
regelgeving met name betrekking op de Wet ruimtelijke ordening en de Wet algemene bepa lingen omgevingsrecht. Bij overtreding van deze regels kan gedacht worden aan bouwen zonder vergunning, bouwen in afwijking van een verleende vergunning en het gebruik van gronden en opstallen in strijd met de gebruiksregels van het bestemmingsplan of een omgevingsvergunning. Uitvoering van bestemmingsplannen dient strikt te worden toegepast en gehandhaafd, omdat met het bestemmingsplan het waarborgen en verbeteren van het leefmilieu kan worden aan gestuurd. Een recent bestemmingsplan met duidelijke en hanteerbare regels maakt handha ving eenvoudiger. Wat hierbij wel noodzakelijk is zijn eenduidige en eenvoudige bestemmingsplanbepalingen die goed werkbaar zijn. De doeleindenomschrijving is daarbij belangrijk. Een duidelijke uitleg in de toelichting van het bestemmingsplan van de voorkomende bestemmin gen kan verwarring en interpretatieverschillen voorkomen.
61
7. PROCEDURE
7.1. Inleiding In dit hoofdstuk wordt de procedure van het plan beschreven. Achtereenvolgens wordt inge gaan op de ontwerpfase en de vaststellingsfase van het plan.
7.2. Ontwerpfase 7.2.1.Vooroverleg Artikel 3.1.1, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat het gemeentebestuur bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg moet plegen met de besturen van be trokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk, die betrok ken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. 7.2.2.Zienswijzen op het ontwerpbestemmingsplan Na vaststelling wordt het ontwerpbestemmingsplan gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode kan eenieder zienswijzen indienen op het ontwerpbestemmingsplan.
7.3. Vaststellingsfase Deze fase gaat over de vaststelling van het bestemmingsplan. Indien de commentaren uit de ontwerpfase van het bestemmingsplan daar aanleiding toe geven, passen burgemeester en wethouders het bestemmingsplan aan. Dat kunnen zij overigens ook uit eigen beweging doen. Bij voorliggend bestemmingsplan is de enkelbestemming ‘Bedrijventerrein’ met bijbehorende regels toegevoegd in overeenstemming met de betrokken partijen. Na afloop van de termijn van de terinzagelegging stellen burgemeester en wethouders het raadsvoorstel op. Daarin gaan zij onder meer in op de eventuele zienswijzen. Uiteindelijk beslist de raad over de vast stelling van het bestemmingsplan. De raad kan op dat moment ook besluiten om het bestem mingsplan niet, dan wel gewijzigd vast te stellen. De indieners van de zienswijzen hoeven niet te worden gehoord. Desgewenst kunnen zij gebruik maken van het spreekrecht.
7.4. Beroepsfase Het vaststellingsbesluit wordt samen met het vastgestelde bestemmingsplan gedurende zes weken ter inzage gelegd. In deze periode kan beroep worden ingediend bij de Afdeling Be stuursrechtspraak van de Raad van State tegen het definitieve bestemmingsplan. Wanneer
62
geen beroep wordt ingesteld, is het bestemmingsplan na afloop van de beroepstermijn (zes weken) onherroepelijk. Het bestemmingsplan treedt in werking op de dag dat de beroepstermijn is afgelopen en er geen schorsingsverzoek (voorlopige voorziening) is ingediend. Het bestemmingsplan is on herroepelijk als er door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State een uitspraak is gedaan over het ingestelde beroep.
63
BIJLAGE(N) BIJ DE TOELICHTING
64
BIJLAGE 1 Akoestisch onderzoek
65
BIJLAGE 2 Quickscan flora en fauna
66
BIJLAGE 3 Onderzoek platte schijfhoren
67
BIJLAGE 4 Quickscan flora en fauna
68
BIJLAGE 5 Verkennend (asbest)bodemonderzoek
69
BIJLAGE 6 Rapportage opsporing explosieven
70
BIJLAGE 7 Besluit vormvrije m.e.r.
71
BIJLAGE 8 Beïnvloedingsonderzoek
72
BIJLAGE 9 Nota overleg en ambtshalve wijzigingen
73
PLANREGELS
74
VERBEELDING
75
Inhoudsopgave planreqels 1 INLEIDENDE REGELS........................................................................................... 2 Artikel 1
Begrippen......................................................................................................................... 2
Artikel 2
Wijze van meten............................................................................................................... 4
2 BESTEMMINGSREGELS....................................................................................... 5 Artikel 3
Bedrijf - Nutsvoorziening.................................................................................................. 5
Artikel 4
Bedrijventerrein................................................................................................................. 6
Artikel 5
Leiding - Hoogspanningsverbinding................................................................................. 8
3 ALGEMENE REGELS.......................................................................................... 11 Artikel 6
Anti-dubbeltelregel.......................................................................................................... 11
Artikel 7
Algemene bouwregels.................................................................................................... 11
Artikel 8
Algemene gebruiksregels............................................................................................... 11
Artikel 9
Algemene aanduidingsregels......................................................................................... 13
Artikel 10
Algemene afwijkingsregels............................................................................................. 13
Artikel 11
Algemene wijzigingsregels............................................................................................. 14
4 OVERGANGS- EN SLOTREGELS.......................................................................17 Artikel 12
Overgangsrecht.............................................................................................................. 17
Artikel 13
Slotregel.......................................................................................................................... 17
Separate bijlagen bij de regels Bijlage 1:
Staat van Bedrijfsactiviteiten
1
1
INLEIDENDE REGELS
Artikel 1
Begrippen
In deze regels wordt verstaan onder: 1.1
Plan
Het bestemmingsplan HoefWeg-Zuid 2016, 1e part.herz. Transformatorstation Bleiswijk (Stedin) met identificatienummer NL.IMRO.1621.BP0164H01-ONTW van de gemeente Lansingerland. 1.2
Bestemmingsplan
De geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1621.BP0164H01ONTW met de bijbehorende regels en bijlagen. 1.3
Aanduiding
Een geometrisch bepaald vlak of een figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4
Bestaand
a. het bestaand gebruik dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig is en/of bebouwing die op dat tijdstip aanwezig of in uitvoering is, dan wel kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning; b. het onder a bedoelde geldt niet voor zover sprake was van strijd met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder mede begrepen het overgangsrecht van het bestemmingsplan of een andere planologische toestemming. 1.5
Bouwen
Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk. 1.6
Bouwwerk
Een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. 1.7
Dag-, avond- en nachtperiode
Periodes die lopen voor de dag van 07.00 uur tot 19.00 uur, voor de avond van 19.00 uur tot 23.00 uur en voor de nacht van 23.00 uur tot 07.00 uur. 1.8
Etmaalwaarde Letmaal
De etmaalwaarde Letmaal van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT in dB(A) met betrekking tot een inrichting of een industrieterrein is het hoogste van de volgende drie niveaus: -
Ldag (= Lar,LT); dag: 07.00-19.00 uur;
-
Lavond (= Lar,LT) + 5 dB; avond: 19.00-23.00 uur;
-
Lnacht (= Lar,LT) + 10 dB; nacht: 23.00-07.00 uur.
1.9
Equivalent geluidsniveau
Het energetisch gemiddelde van de fluctuerende niveaus van het ter plaatse in de loop van een bepaalde periode optredende geluid. Het energetisch gemiddelde wordt berekend volgens de methode zoals omschreven in de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai (1999). 2
1.10 Gebouw Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.11
Geluidsruimte
De verdeling van de geluidproductie per bouwperceel passend binnen de zonegrens geluid. 1.12 Geluidbelasting in dB(A) De etmaalwaarde van het equivalente geluidsniveau in dB(A) op een bepaalde plaats. 1.13 Geluidzone Een op grond van de artikelen 40 en 52 van de Wet geluidhinder in het bestemmingsplan vastgelegd gebied rond een industrieterrein waarbuiten de geluidbelasting ten gevolge van dat industrieterrein niet meer mag bedragen dan 50 dB(A). 1.14 Geluidzoneringsplichtige inrichting Een inrichting, bij welke ingevolge de Wet geluidhinder rondom het terrein van vestiging in een bestemmingsplan een geluidzone moet worden vastgesteld. 1.15 Hoofdgebouw Een gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is. 1.16 Hoogspanningsstation Een bouwwerk waar hoogspanningsverbindingen op elkaar worden aangesloten, waar een middenspanningsnet wordt gekoppeld aan hoogspanningsverbindingen en waar elektrische energie wordt getransporteerd, verdeeld en getransformeerd. In dit bestemmingsplan wordt onder hoogspanningsstation tevens een transformatorstation verstaan.