[T24.06644] Totaal vast te stellen bestemmingsplan (A) BP0164/H01
Tekst van het document
Lansìngerland Bestemmingsplan “HoefWeg-Zuid 2016, 1e part.herz. Transformatorstation Bleiswijk (Stedin)”
augustus 2024
Vastgesteld
Gemeente Lansingerland Bestemmingsplan “Hoefweg-Zuid 2016, 1e part.herz. Transformatorstation Bleiswijk (Stedin)”
Ontwerp
INHOUD: -
TOELICHTING PLANREGELS VERBEELDING
T24.05626
Identificatiecode: NL. IMRO.1621 .BP0164H01 -ONTW Werknummer: Datum: augustus 2024
Witteveen+Bos
Gemeente Lansingerland
2
Procedureoverzicht datum Concept 20-9-2022 7-10-2022 Voorontwerp 14-12-2022 Ontwerp 5-12-2023 Vaststelling
document 1e concept 2e concept
Opmerkingen
3
TOELICHTING
4
Inhoudsopgave toelichting
1.
2.
3.
INLEIDING
8
1.1. 1.2. 1.3. 1.4.
8 8 9 10
BESCHRIJVING PLANGEBIED
11
2.1. 2.2.
11 11
Huidige situatie Toekomstige situatie
BELEIDSKADER
13
3.1.
13 13 13 14 14 15 15 17 17 17 17 18 19
3.2. 3.3. 3.4.
4.
Aanleiding Ligging plangebied Vigerende bestemmingsplannen Leeswijzer
Rijksbeleid en regelgeving 3.1.1. Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 3.1.2. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) 3.1.3. Besluit ruimtelijke ordening 3.1.4. Omgevingswet Provinciaal beleid en regelgeving 3.2.1. Omgevingsverordening Zuid-Holland Regionaal beleid 3.3.1. RES 1.0 (Regionale Energiestrategie Rotterdam Den Haag) Gemeentelijk beleid 3.4.1. Omgevingsvisie Lansingerland 3.4.2. Lansingerland duurzaam: Duurzaamheidsvisie 3.4.3. Ontwikkelperspectief Bleizo-West
MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN
20
4.1. 4.2.
20 20 21 21 22 22 23 23 25 25 25 25 25 25 26
4.3.
4.4.
4.5.
M.e.r-beoordelingsplicht Geluid 4.2.1. Toetsingskader 4.2.2. Resultaten 4.2.3. Conclusie Bedrijven en milieuzonering 4.3.1. Toetsingskader 4.3.2. Resultaten 4.3.3. Conclusie Trillingen 4.4.1. Toetsingskader 4.4.2. Resultaten 4.4.3. Conclusie Luchtkwaliteit 4.5.1. Toetsingskader
5
4.6.
4.7.
4.8.
4.9.
4.10.
4.11.
4.12.
4.13.
5.
26 27 27 27 28 28 28 28 29 30 30 31 33 35 35 40 41 44 47 49 50 50 50 51 51 51 52 53 53 53 53 53 54 54
JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING
55
5.1.
55 55 55 56 56 57 57 57 58 59
5.2. 5.3.
6.
4.5.2. Resultaten 4.5.3. Conclusie Externe veiligheid 4.6.1. Toetsingskader 4.6.2. Resultaten 4.6.3. Conclusie Magneetvelden 4.7.1. Toetsingskader 4.7.2. Conclusie Natuur 4.8.1. Toetsingskader 4.8.2. Resultaten 4.8.3. Conclusie Water 4.9.1. Toetsingskader 4.9.2. Maaiveldhoogte 4.9.3. Geohydrologie 4.9.4. Oppervlaktewater 4.9.5. Toekomstige Situatie 4.9.6. Conclusies Bodem 4.10.1. Toetsingskader 4.10.2. Resultaten 4.10.3. Conclusie Archeologie en cultuurhistorie 4.11.1. Archeologie 4.11.2. Cultuurhistorie kabels en leidingen 4.12.1. Toetsingskader 4.12.2. Conclusie Ontplofbare oorlogsresten 4.13.1. Toetsingskader 4.13.2. Resultaten 4.13.3. Conclusie
Algemeen 5.1.1. Wat is een bestemmingsplan? 5.1.2. Over bestemmen en aanduiden 5.1.3. Hoofdstukopbouw van de regels Dit bestemmingsplan Toelichting op de regels 5.3.1. Inleidende regels 5.3.2. Bestemmingsregels 5.3.3. Algemene regels 5.3.4. Overgangs- en slotregels
UITVOERBAARHEID
60
6
6.1. 6.2. 6.3.
7.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid Handhaafbaarheid
60 60 60
PROCEDURE
62
7.1. 7.2.
62 62 62 62 62 62
7.3. 7.4.
Inleiding Ontwerpfase 7.2.1. Vooroverleg 7.2.2. Zienswijzen op het ontwerpbestemmingsplan Vaststellingsfase Beroepsfase
Separate bijlagen bij de toelichting Bijlage 1: Bijlage 2: Bijlage 3: Bijlage 4: Bijlage 5: Bijlage 6: Bijlage 7: Bijlage 8: Bijlage 9:
Akoestisch onderzoek Quickscan flora en fauna Onderzoek platte schijfhoren Stikstofdepositieonderzoek Verkennend (asbest)bodemonderzoek Rapportage opsporing explosieven Besluit vormvrije m.e.r. Beïnvloedingsonderzoek Nota overleg en ambtshalve wijzigingen
7
1. INLEIDING
1.1. Aanleiding Stedin Netbeheer B.V. (Stedin) transporteert als netbeheerder elektriciteit en gas voor ruim 2,2 miljoen huishoudens en industriële klanten, voornamelijk in de Randstad. Stedin werkt iedere dag aan een energievoorziening die iedereen onder gelijke condities toegang geeft tot het gas- en elektriciteitsnet. Om dat voor elkaar te krijgen, is het belangrijk om de veiligheid, kwaliteit en capaciteit van de netten hoog op orde te houden. De netinfrastructuur moet nu en in de toekomst aan de capaciteitsbehoefte van de klanten kunnen voldoen. Stedin is voornemens om in de directe nabijheid van het TenneT Station Bleiswijk 380 (BWK380) een station te bouwen voor de regionale energie-infrastructuur. Dit station zal ge faseerd ontwikkeld en gebouwd gaan worden. Er zullen schakelinstallaties 23kV en tevens maximaal 3 vermogenstransformatoren van elk 100 MVA geplaatst worden. Eindsituatie be treft een hoogspanningsstation (HS/TS/MS). De beoogde locatie is gelegen in het ontwikkelingsgebied van Bleizo Business Park; een sa menwerking van de gemeentes Lansingerland en Zoetermeer en vormgegeven in de Ge meenschappelijke Regeling Bleizo. De locatie is gelegen direct ten noorden van genoemd TenneT Station in de hoek met de A12 en de Hogesnelheidslijn (HSL). De locatie bevindt zich op het grondgebied van de gemeente Lansingerland.
1.2. Ligging plangebied Het project waarvoor voorliggend bestemmingsplan is opgesteld ligt in de gemeente Lansingerland in het midden van de provincie Zuid-Holland tussen Den Haag en Rotterdam. Afbeelding 1.1 laat de ligging zien van het project, in het rood, in het noorden van de gemeente Lansingerland. Op het ontwikkelingsgebied Bleizo Business Park zijn diverse bedrijven ge vestigd. Er loopt één belangrijke verkeersas langs de noordzijde van het plangebied: de A12. Ten westen van het plangebied is de hogesnelheidslijn (HSL) gesitueerd en ten oosten de N209.
8
Afbeelding 1.1 Plangebied ten opzichte van de omgeving
1.3. Vigerende bestemmingsplannen In de huidige situatie zijn de volgende bestemmingsplannen en inpassingsplannen (zie tabel 1.1) vigerend in het plangebied.
Tabel 1.1 Vigerende bestemmingsplannen ter plaatse van het plangebied Naam plan
IMRO-code
Datum vaststelling
Vastgesteld door
Bestemmingen/ gebiedsaanduidingen
HoefWeg-Zuid 2016
NL.IMRO.1621.BP01 64-VAST
31-05-2018
Gemeente Lansingerland
-
bedrijf -
-
groen - Parkeren;
Nutsvoorziening; -
bedrijventerrein;
-
verkeer Railverkeer
Parapluherziening parkeernormering Lansingerland
NL.IMRO.1621.BP01 73-VAST
30-03-2017
Gemeente Lansingerland
n.v.t.
Paraplubestemmingsplan "Biomassa"
NL.IMRO.1621.PH00 06-VAST
23-02-2023
Gemeente Lansingerland
n.v.t.
Inpassingsplan randstad 380 kv verbinding bever wijk - zoetermeer (bleiswijk)
NL.IMRO.000ELIip 10RS380Noord-3000
03-09-2012
Ministerie van Economi sche Zaken, Landbouw en Innovatie
Leiding - Hoogspanningsverbinding I
9
Afbeelding 1.2 Vigerend bestemmingsplan planlocatie
Hoefweg-Zuid 2016
ļ
Gemeente Lansingerland bestemmingsplan onherroepelijk (vastgesteld 2018-05-31) PLEKINFO
DOCUMENTEN
KENMERKEN
96107.5,450261.7 Enkelbestemming Groen - Parkeren
Op de locatie van het te realiseren hoogspanningsstation zijn in het vigerende bestemmings plan ‘Hoefweg-Zuid 2016’ grotendeels reeds nutsvoorzieningen en bedrijven met een milieucategorie tot en met 4.2 toegestaan. Voor het nieuwe hoogspanningsstation gelden in dit be stemmingsplan echter de bestemmingen ‘Groen - Parkeren’ en ‘Bedrijventerrein’. Binnen deze groenbestemming is alleen plaats voor groen- en parkeervoorzieningen, en niet voor een hoogspanningsstation. Binnen de enkelbestemming ‘Bedrijventerrein’ past het hoogspan ningsstation ook niet en vormt de bouwhoogte een belemmering. Derhalve is het noodzakelijk om een bestemmingsplan op te stellen waarin een hoogspanningsstation mogelijk wordt ge maakt. Dit nieuwe bestemmingsplan voorziet in het omzetten van de bestemming ‘Groen Parkeren’ in de bestemming ‘Bedrijf - Nutsvoorziening’, en het behouden van de enkelbestem ming ‘Bedrijventerrein’ met een functieaanduiding Nutsvoorziening waarmee de realisatie van het transformatorstation planologisch mogelijk wordt gemaakt. In het inpassingsplan randstad 380 kv verbinding beverwijk - zoetermeer (bleiswijk) is een landschapsplan opgenomen, dat invulling geeft aan de landschappelijke inpassing van de 380 kV verbinding. Deze landschappelijke inpassing is geborgd in de algemene gebruiksregels van het inpassingsplan.
1.4. Leeswijzer De toelichting bij voorliggend bestemmingsplan bestaat uit 7 hoofdstukken. Na dit eerste in leidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving gegeven van het plangebied. In hoofdstuk 3 wordt het beleidskader beschreven dat van toepassing is op de planlocatie.
10
Hoofdstuk 4 onderbouwt de effecten van de voorgenomen ontwikkeling op de omgevingsas pecten. In hoofdstuk 5 worden de planregels nader toegelicht. Vervolgens worden in hoofdstuk 6 en 7 de uitvoerbaarheid respectievelijk de bestemmingsplanprocedure beschreven.
2. BESCHRIJVING PLANGEBIED
In dit hoofdstuk wordt het plangebied beschreven. Allereerst wordt ingegaan op de huidige situatie en vervolgens wordt ingegaan op de planbeschrijving.
2.1. Huidige situatie De voorgenomen ontwikkeling ziet op het realiseren van een hoogspanningsstation in de ge meente Lansingerland. Afbeelding 2.1 geeft het ruimtegebruik in het plangebied weer in de huidige situatie. Ter plaatste van het hoogspanningsstation is het ruimtegebruik in de huidige situatie groen. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich een hoogspanningsstation van TenneT, de HSL en de Rijksweg A12. Afbeelding 2.1 Impressie huidige situatie (bron: google maps)
2.2. Toekomstige situatie Op afbeelding 2.2 is de toekomstige situatie in het plangebied te zien. In de toekomstige situ atie is sprake van een hoogspanningsstation met schakelinstallaties 23 kV en maximaal 3 vermogenstransformatoren van elk 100 MVA. Rondom het station zal verharding worden aan gebracht. Het totale kavel is 3.436 m2 groot. De eindsituatie betreft een hoogspanningsstation (HS/TS/MS) hoogspanning/tussenspanning/middenspanning).
11
Het trafostation valt in categorie 20.1, onder b van bijlage I, onderdeel C, van het Besluit omgevingsrecht en is daarom aangewezen als inrichting die in belangrijke mate geluidhinder kun nen veroorzaken als bedoeld in artikel 41 van de Wet geluidhinder. Dit betekent dat de in richting zich alleen kan vestigen op een gezoneerd industrieterrein, waardoor in het bestem mingsplan een geluidzone wordt opgenomen. Afbeelding 2.2 Situatieschets toekomstige situatie
cmtEfuit
vorhafdmg i^mu
IrafcbaK 1 iaTm2
12
3. BELEIDSKADER In dit hoofdstuk wordt het voor onderhavig plan relevante wet- en regelgeving en ruimtelijk beleid beschreven. Aangegeven wordt wat de relatie is tussen het plan en het beleid en ge toetst wordt of het plan in overeenstemming is met geldende wet- en regelgeving en het beleid.
3.1. Rijksbeleid en regelgeving 3.1.1.Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met ambities. Daarnaast beschrijft de NOVI nati onale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven. Die opga ven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikke lingen. Waar de opgaven vragen om een geïntegreerde benadering, komen deze samen in vier prioriteiten: 1 ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2 een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel; 3 sterke en gezonde steden en regio’s; 4 een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Relatie met dit bestemmingsplan Dit bestemmingsplan belemmert de NOVI niet in het uitvoeren van zijn vier opgaves. De ont wikkeling van het transformatorstation zorgt voor ontlasten van het overspannen energienet en zorgt dat het energienetwerk bereikbaar, veilig en robuust blijft. Tevens zorgt een ver hoogde netcapaciteit dat de regio het groeipotentieel kan blijven behouden en maakt het de regio beter voorbereid op de komende energietransitie.
De ontwikkeling van het nieuwe trans formatorstation sluit daarmee aan op de NOVI. Conclusie De realisatie van het hoogspanningsstation belemmert de uitvoer van de NOVI niet.
3.1.2.
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening bevestigt in juridische zin de kaderstellende uitspraken uit de NOVI ten aanzien van de daarin genoemde nationale belangen. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan de versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte.
13
Relatie met dit bestemmingsplan Dit plan raakt geen Rijksbelangen zoals deze zijn genoemd in het Barro.
Conclusie Voor de realisatie van het hoogspanningsstation is het Barro niet van toepassing. 3.1.3.Besluit ruimtelijke ordening Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bevat regels waar ruimtelijke projecten aan moeten vol doen. Hierin is ook de ladder voor duurzame verstedelijking, een instrument voor efficiënt ruimtegebruik, opgenomen. Op 1 juli 2017 is het Bro gewijzigd, waarbij een nieuwe laddersystematiek geldt. Deze regeling staat beschreven in artikel 3.1.6 Bro. Het bevoegd gezag moet voldoen aan een motiveringsvereiste als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mo gelijk worden gemaakt via een bestemmingsplan, uitwerkings- of wijzigingsplan, of een omgevingsvergunning. Zo bevat een dergelijk plan een beschrijving van de behoefte aan die ont wikkeling, en, indien het plan een ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien. De laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwik keling. Een stedelijke ontwikkeling is in het Bro (artikel 1.1.1, eerste lid, sub i) gedefinieerd als een ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, de tailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’.
Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Mede aan de hand van jurisprudentie is duidelijk welke ontwikkelingen al dan niet worden aangemerkt als (nieuwe) stedelijke ontwikkeling. Relatie met dit bestemmingsplan De in het plan voorziene ontwikkeling wordt niet aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling. Nutsvoorzieningen, waaronder transformatorstations zijn niet met naam genoemd in de defi nitiebepaling en worden blijkens de ministeriële handreiking niet onder de restcategorie van 'andere stedelijke voorzieningen' geschaard. Conclusie De ladder voor duurzame verstedelijking staat uitvoer van het bestemmingsplan niet in de weg.
3.1.4.Omgevingswet De Omgevingswet (Ow) is op 1 januari 2024 in werking getreden. De Omgevingswet betreft een wet die een verregaande vereenvoudiging van het stelsel van wetgeving voor de ontwik keling en het beheer van de leefomgeving (omgevingsrecht) beoogt, door tientallen op dit mo ment vigerende wetten en honderden regels te bundelen in één nieuwe wet. De wet betekent een aanzienlijke reductie van regels op het terrein van water, lucht, bodem, natuur, infrastruc tuur, gebouwen en cultureel erfgoed. Paragraaf 11.2 van de IOw bevat het overgangsrecht
14
voor de kerninstrumenten van de Ow, waar onder het omgevingsplan, algemene rijksregels, de omgevingsvergunning en instructieregels. Dit bestemmingsplan in relatie tot de Omgevingswet Op het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet gaat dit bestemmingsplan op in het omgevingsplan van de gemeente. Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft name lijk iedere gemeente van rechtswege één omgevingsplan (artikel 22.1 Ow). Het overgangs recht, beschreven in de Invoeringswet Omgevingswet (IOw), regelt dat de gemeente in 2024 in ieder geval een omgevingsplan heeft dat gevuld is met (1) de regels die van rijksniveau naar gemeenteniveau gaan en (2) de bestaande ruimtelijke plannen en een aantal verorde ningen (artikel 1.1, onderdeel JI IOw). Deze twee onderdelen vormen samen het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Procedure Het oude recht is van toepassing op procedures die voor de inwerkingtreding van de Omge vingswet zijn Gestart (1 januari 2024). Ook is het overgangsrecht nu zo ingestoken dat alles wat in bestemmingsplannen is geregeld in feite gewoon geldig blijft na 1 januari 2024 als on derdeel van het omgevingsplan. Daarbij dient opgemerkt te worden dat deze ‘oude situatie’ vanaf 1 januari 2024 wordt bevroren. Het is na 1 januari 2024 bijvoorbeeld niet meer mogelijk om het bestemmingsplan te wijzigen, ook niet op ondergeschikte punten.
Daarvoor zal voor de gehele locatie een nieuw omgevingsplan moeten worden vastgesteld waarin het 'oude' bestemmingsplan in zijn geheel wordt vervangen (artikel 2.26 Ow). Hiervoor hoeft niet het hele omgevingsplan al te zijn opgesteld, het kan ook een deelvaststelling zijn van het omgevings plan. Op grond van het bepaalde in de Wet geluidhinder moet het terrein worden gezoneerd. (zie ook paragraaf 4.2.1). Tegelijk met het bestemmingsplan besluit de gemeenteraad tot vaststel ling van de geluidszone, zijnde de 50dB(A) contour conform art 40 Wet geluidhinder. Op grond de Aanvullingswet geluid Omgevingswet, artikel 3.6, blijft de Wet geluidhinder van toepassing nu het bestemmingsplan voor inwerkingtreding van de Omgevingswet in ontwerp ter inzage lag.
3.2. Provinciaal beleid en regelgeving Het plangebied ligt in de provincie Zuid-Holland. In deze paragraaf wordt daarom het relevante provinciale beleid besproken.
3.2.1 .Omgevingsverordening Zuid-Holland De doelstellingen uit de Omgevingsvisie zijn juridisch vertaald in de Omgevingsverordening Zuid-Holland (geconsolideerd 15 maart 2022). De Omgevingsverordening richt zich, net zo breed als de Omgevingsvisie, op de fysieke leefomgeving in de provincie Zuid-Holland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening.
15
Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke im pact van belang. Hoe groot die ruimtelijke impact is wordt in specifieke gevallen bepaald aan de hand van gebiedsprofielen en door onderscheid te maken in drie soorten ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie. Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: - zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en - het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid; als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: - een integraal ontwerp, waarin behalve
aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en - het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid. Relatie met dit bestemmingsplan De realisatie van het hoogspanningsstation is aan te merken als een ontwikkeling die valt in de categorie inpassen. De ontwikkeling past namelijk binnen de bestaande gebiedsidentiteit en voorziet geen wijzigingen op structuurniveau. De nieuwe locatie krijgt een bestemming ‘Be drijf - nutsvoorziening’. Volgens artikel 6.12 uit de omgevingsverordening is planologische compensatie nodig bij transformatie naar een andere bestemming dan bedrijven. Aangezien deze bestemmingswijziging een bestemming ‘Bedrijf - nutsvoorziening’ krijgt is deze compen satie niet van toepassing. Daarnaast is het hoogspanningsstation gelegen binnen een gebied dat door de provincie is aangewezen als locatie voor windenergie. De provincie verwacht van betrokken gemeenten dat het plaatsen van windturbines binnen deze locaties mogelijk wordt gemaakt. De realisatie van het hoogspanningsstation vormt geen belemmering voor de eventuele ontwikkeling van windturbines.
Conclusie De Omgevingsverordening Zuid Holland staat uitvoer van het bestemmingsplan niet in de weg. De ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit en sluit aan bij het al aanwezige station van TenneT. Ook is geen planologische compensatie, genoemd in artikel 6.12 lid 4, benodigd. Tot slot gelden er ook geen belemmeringen voor eventuele ontwikkelingen met be trekking tot windenergie.
16
3.3. Regionaal beleid 3.3.1.RES 1.0 (Regionale Energiestrategie Rotterdam Den Haag) Provincie Zuid-Holland heeft 7 energieregio’s, gemeente Lansingerland valt binnen de regio Rotterdam Den Haag. In de Regionale Energiestrategie (RES) Rotterdam Den Haag (juli 2021) is de gezamenlijke energiestrategie van alle overheden in de regio Rotterdam Den Haag vastgelegd. In de RES worden de volgende zaken behandeld: een besparing van 20 % of meer in de gebouwde omgeving en 30 % of meer in de glastuinbouw; opwek van 2,8-3,2 TWh duurzame elektriciteit; produceren en transporteren van duurzame brandstof zoals groengras en waterstof; - transparante communicatie en bevorderen van participatie; betaalbare, betrouwbare, veilige en schone energievoorziening voor iedereen in 2050. Met betrekking tot het transporteren en het behalen van een betrouwbare energievoorziening voor iedereen in 2050. Relatie met dit bestemmingsplan De realisatie van het hoogspanningsstation faciliteert in de ambities voor duurzame energie met aansluiting op het regionaal elektriciteitsnet. Conclusie De RES 1.0 vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. De ontwikkeling voorziet in het uitbreiden van de elektriciteitsnetwerken van Stedin en vervult daarmee een essentiële rol in het behalen van de doelstelling voor duurzame elektriciteitsopwekking in de provincie Zuid-Holland.
3.4. Gemeentelijk beleid
3.4.1 .Omgevingsvisie Lansingerland In de Omgevingsvisie Lansingerland (februari 2022) staat wat de gemeente in de toekomst wil zijn. Lansingerland zet in op een ‘verbonden, vindingrijk en gezond Lansingerland in 2040’. Om dit re realiseren heeft de gemeente drie pijlers opgesteld: verbonden in de Metropool; vindingrijk en ondernemend; gezond samen leven. Onderdeel van de pijler ‘Vindingrijk en ondernemend’ is het energiesysteem en de daarbij behorende slimme verduurzaming. De energietransitie gaat gepaard met een verzwaring van het elektriciteitsnet en dat betekent dat in bestaande en nieuw te bouwen wijken er waarschijn lijk onder andere meer middenspanningstransformatoren (transformatorhuisjes) gerealiseerd moeten worden.
17
Afbeelding 3.1 Pijlers met ambities Omgevingsvisie Lansingerland
De beoogde locatie van het transformatorstation ligt in een gebied dat in de Omgevingsvisie Lansingerland is aangemerkt voor ‘hoogwaardige bedrijvigheid’. Relatie met dit bestemmingsplan De realisatie van het hoogspanningsstation valt binnen een van de pijlers van de omgevings visie van Lansingerland. In de omgevingsvisie wordt expliciet vermeld dat Lansingerland inzet op energieneutraal in 2050. De komst van het transformatorstation draagt bij aan de duurzaamheidsambities van de gemeente Lansingerland. Daarnaast vraagt hoogwaardige bedrij vigheid zoals benoemd in de omgevingsvisie om een duurzame en betrouwbare energie-infrastructuur, waar de realisatie van het hoogspanningsstation in faciliteert. Conclusie De Omgevingsvisie Lansingerland sluit aan op de beoogde ontwikkelingen.
3.4.2.Lansingerland duurzaam: Duurzaamheidsvisie In de duurzaamheidsvisie stelt gemeente Lansingerland dat zij in 2050 een groene gemeente wil zijn waarbij het innovatieve karakter optimaal is ingezet en de transitie is gemaakt naar een
18
toekomstbestendige leefomgeving en het versterken van de unieke Lansingerlandse identiteit. In deze visie focust de gemeente op drie thema’s: energietransitie, circulaire economie en klimaatadaptatie. Gemeente Lansingerland stapt over op duurzame energiebronnen zoals zon, wind, geothermie, thermische energie uit oppervlaktewater, waterstof en restwarmte vanuit de industrie. Ook zijn de grondstofkringlopen optimaal gesloten met een zo hoog mogelijk behoud van waarde. Klimaatadaptatie gaat over de aanpassing aan klimaatverandering, met als doel de negatieve effecten hiervan op te vangen. Door de inzet van deze drie thema’s: energietransitie, circulaire economie en klimaatadaptatie heeft gemeente Lansingerland in de toekomst de kwaliteit van wonen en de aantrekkelijke leefomgeving weten te behouden en daarbij de impact op het milieu en klimaat weten te mini maliseren. Relatie met dit bestemmingsplan Lansingerland wil in 2050 een groene gemeente zijn. Met de komst van het transformatorstation wordt ook ingezet op deze transitie. Een uitbreiding van het net is nodig om nieuwe ont wikkelingen binnen de regio mogelijk te maken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om nieuwe be drijven of over de opwek van energie met zonnepanelen. Conclusie De beoogde ontwikkeling sluit aan bij de duurzaamheidsvisie van gemeente Lansingerland.
3.4.3.Ontwikkelperspectief Bleizo-West Op 28 oktober 2021 heeft de gemeenteraad van Lansingerland het ontwikkelperspectief ‘PROEFtuin Bleizo’ vastgesteld als richtinggevend kader voor de ontwikkeling van de locatie Bleizo-West naar een gemengd woon-werkgebied met bandbreedtes van 4.000 tot 6.000 wo ningen en 100.000 tot 150.000 m^ aan bedrijven en voorzieningen. Relatie met dit bestemmingsplan De locatie Bleizo-West ligt ten opzichte van het transformatorstation aan de andere zijde van de hogesnelheidslijn (HSL). De tussenliggende afstand bedraagt meer dan 100 meter. Conclusie De beoogde ontwikkeling van het transformatorstation vormt geen belemmering voor de in het ontwikkelperspectief ‘PROEFtuin Bleizo’ gestelde kaders.
19
4. MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN In het kader van gemeentelijke besluitvorming dient bij een bestemmingsplan door middel van een integrale ruimtelijke benadering nadrukkelijk rekening te worden gehouden met de con sequenties van het plan voor de omgeving en omwonenden. Het bevoegd gezag is namelijk verantwoordelijk voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit gebeurt in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’. Het beginsel van een goede ruimtelijke ordening is van toe passing op alle ruimtelijke ontwikkelingen. De effecten op de leefomgeving worden in dit hoofdstuk door middel van de bespreking van diverse omgevingsaspecten in beeld gebracht en afgewogen en hiermee wordt de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan aangetoond.
4.1. M.e.r-beoordelingsplicht Het voorkómen van aantasting van het milieu is van groot maatschappelijk belang. Voor be paalde (milieu)belastende activiteiten is het van belang om het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten. Om hier in de praktijk vorm aan te geven is het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) ontwikkeld. De basis hiervan ligt in de EU-richtlijn betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde open bare en particuliere projecten (Richtlijn m.e.r.). De Richtlijn m.e.r. is in de Nederlandse wetge ving geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In de bijlage bij het Besluit m.e.r. zijn m.e.r.-plichtige activiteiten (de C-lijst) en de m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten (de D-lijst) beschreven. Ten aanzien van m.e.r.- beoordelingsplichtige activiteiten moet het bevoegd gezag beoordelen of een milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld. In kolom twee van de D-lijst zijn (indicatieve) drempelwaarden genoemd. Indien de activiteit genoemd staat in kolom 1 ‘activiteiten’ en er wordt voldaan aan de drempelwaarden van kolom 2 ‘gevallen’, geldt voor het te nemen besluit een ‘formele’ m.e.r.-beoordelingsplicht.
Voor activiteiten waarbij geen sprake is van overschrijding van drempelwaarden geldt (alsnog) een ‘vormvrije’ m.e.r.-beoordeling. Door de realisatie van het transformatorstation inclusief vaststelling van een geluidgezoneerd industrieterrein is sprake van een activiteit uit de volgende categorieën van bijlage I van het Besluit milieueffectrapportage: » D 11.2: De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen; » D 11.3: De aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein. De drempelwaarden uit kolom 2 worden niet overschreden, waardoor een vormvrije m.e.r.beoordeling van toepassing is.
4.2. Geluid Bij het opstellen van een bestemmingsplan dient het aspect geluid beoordeeld te worden. Bij het aspect geluid gaat het om het ruimtelijk mogelijk maken van geluidsbron (zoals wijzigingen
20
aan een weg, spoorweg of industrie) enerzijds, en aan bestemmingen die een zekere mate van rust nodig hebben (zoals woningen, scholen en ziekenhuizen) anderzijds. Ruimtelijke plannen moeten voldoen aan de wet- en regelgeving die is opgenomen in de Wet geluidhinder (Wgh), de Wet milieubeheer (Wm) en onderliggende besluiten en regelingen. 4.2.1 .Toetsingskader Wet geluidhinder Vanwege het maximaal gelijktijdig in te schakelen vermogen van meer dan 200 MVA en de open opstelling moet een geluidzone rondom het transformatorstation vastgesteld worden in het bestemmingsplan. Hoofdstuk V van de Wet geluidhinder beschrijft de regels hieromtrent. Bij het vaststellen van het bestemmingsplan wordt rondom het industrieterrein een geluidzone opgenomen waarbuiten de geluidbelasting vanwege dat terrein de waarde van 50 dB(A) niet te boven mag gaan (artikel 40 Wgh). Bij het voorbereiden van de vaststelling van een zone wordt een akoestisch onderzoek inge steld naar de geluidbelasting op de omgeving, in het bijzonder naar de geluidgevoelige be stemmingen binnen de beoogde zonegrens. Op grond van artikel 40 Wet geluidhinder moet een zone worden vastgesteld indien bij een bestemmingsplan een zodanige bestemming aan gronden wordt toegekend, dat hierop de vestiging van een als zodanig aangewezen, inrichting (grote lawaaimaker) is toegestaan.
Dit bestemmingsplan voorziet in de bouw van een transformatorstation, een dergelijk station is in die zin aangeduid in de Wet geluidhinder. Tegelijkertijd met het bestemmingsplan wordt de geluidszone vastgesteld. Uitgangspunten Ten behoeve van de bouw van het transformatorstation is een akoestisch onderzoek uitge voerd. Onderstaand is deze kort toegelicht, het volledige rapport is bijgevoegd in bijlage I. Op de projectlocatie zijn de volgende installaties voorzien: drie 100 MVA transformatoren (niet inpandig opgesteld), met een bronvermogen van maximaal 89 dB(A); een airco unit, met een bronvermogen van 75 dB(A). Het station is in principe onbemand, maar wordt wekelijks bezocht voor inspectie en onder houd. Hiervoor zijn twee bewegingen opgenomen met een bronvermogen van 87 dB(A). Naast het beoogde station van Stedin is een 380 kV station van TenneT gesitueerd. 4.2.2.Resultaten De afbeelding hieronder bevat de 50 dB(A) etmaalwaarde, welke wordt opgenomen als ge luidzone in het bestemmingsplan conform het bepaalde in de Wet geluidhinder. Deze geldt daarna als toetsingskader voor het bedrijf/de bedrijven die op het terrein zijn gevestigd. Uit de afbeelding blijkt dat er geen woningen of andere geluidgevoelige bestemmingen zijn gelegen binnen de voorgestelde zone.
21
De bestemmingsregeling behorende bij gebiedsaanduiding “geluidzone- industrie” is zo inge richt het vigerende bestemmingsplan Hoefweg-Zuid 2016, vastgesteld 31 mei 2018, van toe passing blijft. Dit bestemmingsplan staat ook geen gevoelige objecten in de zin van de Wet geluidhinder toe.
Afbeelding 4.1 Relevante geluidcontour
4.2.3.Conclusie Binnen de in afbeelding 4.1 getoonde contour zijn geen woningen of andere geluidgevoelige bestemmingen gelegen. Er is akoestisch gezien geen belemmering, vanuit milieuhygiënisch oogpunt is het aanvaardbaar.
4.3. Bedrijven en milieuzonering Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Milieuzonering betekent het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen mili eubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies (zoals wonen en recreëren) anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. De onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:
22
-
het zoveel mogelijk beperken of voorkomen van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven, zodat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen verrichten.
4.3.1 .Toetsingskader De toelaatbaarheid van bedrijvigheid kan globaal worden beoordeeld met behulp van de VNGpublicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In de publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. De publicatie geeft voor vele bedrijfstakken en installaties aan: - welke milieuonderwerpen een rol kunnen spelen; - welke gemiddelde afstanden tot de woonbebouwing ‘passend’ zijn. In de handreiking is een lijst opgenomen die inzichtelijk maakt welke milieuaspecten van be lang zijn en in welke milieucategorie een bedrijf ingedeeld zou kunnen worden. Het instrument heeft een integrale benadering. Per bedrijf is in beeld gebracht welke richtafstand aan de orde is voor de aspecten geluid, geur, stof en externe veiligheid. De milieucategorie wordt bepaald op de maatgevende (grootste) afstand. De VNG-publicatie is daarmee een onmisbaar hulp middel in de bestemmingsplanpraktijk. De richtafstanden zijn afhankelijk van het omgevings- en gebiedstype. Het project dat mogelijk wordt gemaakt met deze bestemmingsplanwijziging ligt in een ‘gemengd gebied’.
Gemengde gebieden betreffen onder andere gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen, gebieden met matige tot sterke functiemenging en gebieden met lintbebouwing in het buitengebied, met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningenhoreca en kleine bedrijven. Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden met een stap worden verminderd. De afstand wordt gemeten vanaf het op de verbeelding aangeduide deel voor de bedrijfsmatige activiteit, tot aan de gevel van nieuwe of bestaande gevoelige functies, gelegen buiten betreffend perceel.
4.3.2.Resultaten Brandscenario Er is sprake van een onbemand trafostation alwaar hoogspanningsapparatuur is opgesteld. Er wordt vanuit gegaan dat sprake is van een goed functionerend en goed onderhouden tra fostation met voldoende maatregelen die zijn getroffen om brand te voorkomen (brandpreven tie) en te bestrijden (brandbestrijding). Het bouwen van een trafostation binnen afstand van woningen kan een mogelijk gevaarlijke situatie met betrekking tot brandrisico optreden. Dit brandrisico ontstaat met name door de aanwezigheid van olie in de transformatoren. Door een intern incident kan bijvoorbeeld brand
23
uitbreken, of kan er zelfs een explosie ontstaan. Transformatorcellen zijn ontworpen op het binnen de cel houden van de gevolgen van een eventuele explosie. Er is onderzoek gedaan naar de uitstraling van trafostations. In deze benadering wordt uitgegaan dat de gehele gevel van het trafostation aan de zijde van de geprojecteerde woningbouw met 67,5kW/m2 uitstraalt. Vervolgens is berekend op welke afstand er geen sprake meer is van brandoverslag. Dit is het geval op het moment dat de stralingsintensiteit minder dan 15 kW/m2 bedraagt. Deze af stand bedraagt maximaal circa 12,5 m. Hieruit volgt dat wanneer de geprojecteerde woningen zich op een afstand van 12,5 meter van het transformatorstation bevinden deze zich op een veilige afstand bevinden ingeval van brand. Op deze afstand vindt immers geen brandoverslag meer plaats. Indien er woningen op kortere afstand gerealiseerd worden, dan dienen deze brandwerend (60 minuten) uitgevoerd te zijn. De wanden om de transformatorcellen hebben als doel om diens omgeving te bescher men. Deze wanden bestaan uit zware platen of gegoten muren van gewapend beton die een eventuele brand lang genoeg binnen te kunnen houden om het transformatorstation geheel af te schakelen zodat geblust kan worden. Op deze wijze worden de risico's voor de omgeving zo veel mogelijk beperkt.
Toetsing richtafstanden VNG-publicatie Volgens de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ is de richtafstand vanwege geluid 300 meter en vanwege gevaar 50 meter voor een transformatorstation van 200 tot 1000 MVA. De richtafstand vanwege geluid mag in verband met de ligging in gemengd gebied met een stap worden verminderd, waarmee deze op 200 meter uitkomt. Voor gevaar geldt deze ver mindering niet. De dichtstbijzijnde woning is circa 1 kilometer, waarmee aan deze richtafstand wordt voldaan. Door het toevoegen van een functieaanduiding aan de enkelbestemming ‘Be drijventerrein’ is het mogelijk dat een kantoor zich vestigt in de nabijheid van het transforma torstation. Het transformatorstation heeft voor geluid een richtafstand van 300 meter. Een kan toor kan binnen deze 300 meter gebouwd worden omdat er geen sprake is van een geluidge voelige bestemming. Voor gevaar geldt een richtafstand van 50 meter. Omdat kantoren binnen de enkelbestemming ‘Bedrijventerrein’ zijn toegestaan is het mogelijk dat deze binnen deze 50 meter richtafstand worden gebouwd. In bovenstaande toelichting over het brandscenario wordt aangegeven dat indien woningen op een kortere afstand dan 12,5 m gerealiseerd worden, deze brandwerend uitgevoerd moeten worden. Indien kantoren binnen deze 12,5 m gerealiseerd worden, dan dienen deze brandwerend uitgevoerd te worden.
De wanden om de transformatorcellen heb ben als doel om diens omgeving te beschermen. Eventueel in de omgeving aanwezig zijnde milieuhinder veroorzakende bedrijven of functies vormen enerzijds geen belemmering voor de realisatie van de benodigde verbindingen en de ontwikkeling van deze bedrijven of functies wordt anderzijds niet belemmerd door de beno digde verbindingen. Het gebied Bleizo-West ligt op circa 100 meter afstand, waardoor eventuele toekomstige ont wikkelingen in dit gebied binnen de geluidsafstand van 200 meter zouden kunnen vallen. In dien niet aan de richtafstand voldaan kan worden, verwijst de VNG publicatie naar het doen
24
van onderzoek naar de geluidbelasting, met als grenswaarde een landtijdgemiddeld geluidni veau van 50 dB(A) op geluidgevoelige bestemmingen in geval van gemengd gebied. In het uitgevoerde geluidonderzoek is deze contour voor dit geluidniveau vastgesteld, zie hiervoor de paragraaf geluid.
4.3.3.Conclusie Vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering zijn er geen belemmeringen ten aanzien van de voorgenomen ontwikkelingen in het plangebied.
4.4. Trillingen 4.4.1 .Toetsingskader Bij het opstellen van ruimtelijke plannen dient het aspect trillingen beoordeeld te worden. Tril lingen bewegen zich door de bodem en in gebouwconstructies. De effecten als gevolg van trillingen kunnen zijn: schade aan gebouwen en hinderbeleving. Naast hinder voor mensen kunnen de effecten van trillingen ook zijn schade of verstoring van trillingsgevoelige appara tuur. In Nederland bestaat nog geen wettelijk kader voor trillingen. De beoordeling van trillin gen vindt daarom zijn grondslag in artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening. Hierin is de zorg voor een goede ruimtelijke ordening voorgeschreven. Daarvoor is het nodig om mogelijke trillinghinder in kaart te brengen en deze te betrekken in de beoordeling. De Stichting Bouw Re search (hierna: SBR) meet- en beoordelingsrichtlijn is in Nederland de meest gebruikte richtlijn voor het meten en beoordelen van trillingen. 4.4.2.Resultaten De voorgenomen ontwikkeling produceert tijdens de gebruiksfase vrijwel geen noemenswaar dige trillingen. Tijdens de aanlegfase vinden echter aanlegwerkzaamheden plaats (onder an dere tijdelijke heiwerkzaamheden) die trillingen in de bodem kunnen veroorzaken. De bodem in en rondom het projectgebied bestaat voornamelijk uit kleigronden.
Gezien de beperkte om vang van de aanlegwerkzaamheden en de afstand van de werkterreinen en bouwwegen tot de dichtstbijzijnde woning (circa 1 km) en overige bebouwing (circa 200 m) is de verwachting dat trillingen op deze afstand geen negatief effect hebben. 4.4.3.Conclusie Het aspect trillingen vormt geen belemmering voor de uitvoering van de voorgenomen ontwik kelingen in het plangebied.
4.5. Luchtkwaliteit In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met
25
de luchtkwaliteit. In de Wet milieubeheer (verder: Wm) zijn eisen opgenomen waaraan de luchtkwaliteit in de buitenlucht moet voldoen. Hierbij is onderscheid gemaakt in grenswaarden waaraan nu moet worden voldaan en grenswaarden waaraan in de toekomst moet worden voldaan. De meest kritieke stoffen zijn stikstofdioxide en fijnstof. Voor andere in de Wm ge noemde stoffen, wordt in Nederland, behoudens bijzondere situaties, overal voldaan aan de vereisten. 4.5.1 .Toetsingskader Titel 5.2 van de Wet milieubeheer geeft aan wanneer een (luchtvervuilend) project toelaatbaar is. Het bevoegde bestuursorgaan moet dan aannemelijk maken, dat het project aan één of een combinatie van de volgende voorwaarden voldoet: - een project is opgenomen in, of past binnen, het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen; - een project draagt alleen ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; - een project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; - er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde. De Wet milieubeheer (Wm) geeft grenswaarden voor de concentraties van onder andere stik stofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient getoetst te worden of de ontwikkeling ervoor zorgt dat grenswaarden worden overschreden.
Deze grens waarden liggen voor zowel NO2 als PM10 op een jaargemiddelde van 40 microgram/m3. Om te kunnen beoordelen of de grenswaarden gesteld in de Wm worden overschreden, moe ten de achtergrondconcentraties (wat zijn de concentraties zonder de ontwikkeling) en de ver wachte bijdrage van het project (hoeveel komt er qua concentraties bij) worden onderzocht. 4.5.2.Resultaten Het transformatorstation is elektrisch aangedreven. Er is geen sprake van verbrandingsmoto ren of frequent aanvoer van stoffen per vrachtwagen. Wel kan sprake zijn van sporadisch bezoek door personeel ten behoeve van inspectie en onderhoud. Dit zal gelijk zijn aan circa 2 busjes per week. De NIBM-toets, afbeelding 4.2, toont aan dat er geen negatief effect is op de luchtkwaliteit.
26
Afbeelding 4.2 NIBM-toets
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2022 Jaar van planrealisatie
2024
Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)
0,5
Aandeel vrachtverkeer
10,0“Zo
NO2 in pg/m^
0,00
PMk) in pg/m^
0,00
Extra verkeer als gevolg van het plan
Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in pg/m^
1,2
Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig
4.5.3.Conclusie Uit de berekening kan geconcludeerd worden dat er geen negatief effect optreedt de lucht kwaliteit.
4.6. Externe veiligheid Het transport, de opslag en productie van gevaarlijke stoffen brengen risico’s met zich mee door de mogelijkheid dat bij een ongeval gevaarlijke lading vrij kan komen. De discipline ex terne veiligheid houdt zich bezig met het beheersen van de hieraan verbonden risico’s voor mensen die zich in de nabijheid van gevaarlijke stoffen bevinden. Het Nederlandse externe veiligheidsbeleid is gericht op de bescherming van individuen die zich bevinden in beperkt kwetsbare en kwetsbare objecten1. Deze twee soorten (kwetsbare) objecten worden ook wel de risico-ontvangers genoemd. In het kader van het vaststellen van nieuwe ruimtelijke plannen zoals een bestemmingsplan moet worden getoetst of het realiseren van het plan een onacceptabel extern veiligheidsrisico oplevert. Bij de toetsing moet gekeken worden naar twee soorten risico’s, plaatsgebonden risico en groepsrisico. 4.6.1 .Toetsingskader Externe veiligheid betreft de beheersing van de risico's en gaat om het gebruik, de opslag, de productie en het transport van gevaarlijke stoffen. De gevaarlijke stoffen kennen twee verschil lende bronnen: - stationaire bronnen, zoals een fabriek of een LPG-vulpunt; - mobiele bronnen, zoals transport van gevaarlijke stoffen over wegen en door leidingen. 1
In artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen is de definitie opgenomen van kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten.
27
Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon, die zich gedurende een jaar onafge broken en onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een con tour waarbinnen die kans 10-5 (één op 100.000) en een contour waarbinnen deze kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt. Binnen deze contour mogen in ieder geval geen kwetsbare objecten (onder andere scholen, gebouwen waar zich veel mensen bevinden en gebouwen waar zich minder zelfredzame per sonen kunnen bevinden) aanwezig zijn of geprojecteerd worden. Het groepsrisico is de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Voor de contour van het groepsrisico geldt in ieder geval dat het niet wenselijk is om hier kwetsbare bestemmingen toe te staan. Het streven moet zijn om het aantal personen binnen het invloed gebied onder de oriëntatiewaarde en waar mogelijk zo laag mogelijk te houden. 4.6.2.Resultaten Het transformatorstation valt niet onder de werkingssfeer van wet- en regelgeving ten aanzien van externe veiligheid. Het betreft geen risicovolle inrichting en is geen (beperkt) kwetsbaar object.
De ontwikkeling zorgt verder niet voor een toename van de kans op een incident bij risicobronnen (plaatsgebonden risico en groepsrisico) of een toename van de effecten van een mogelijk incident. Nader onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. 4.6.3.Conclusie Gezien het feit dat het bestemmingsplan geen externe veiligheidsrisico’s met zich meebrengt voor gevoelige functies in de nabijheid van het plangebied vormt het thema externe veiligheid geen belemmering voor de realisatie van de voorgenomen ontwikkelingen in het plangebied.
4.7. Magneetvelden 4.7.1 .Toetsingskader Overal waar stroom doorheen loopt ontstaat een magnetisch veld. Zo ook rond hoogspannings-verbindingen. Er is geen sprake van wettelijke limieten voor blootstelling aan deze magnetische velden. Onlangs heeft een herijking van het voorzorgbeleid met betrekking tot de mogelijke gezondheidsrisico’s van magneetvelden van netcomponenten in het elektrici teitsnet plaatsgevonden, waarbij eveneens is geadviseerd aan het bevoegd gezag voor de ruimtelijke ordening en netbeheerders voor elektriciteit over de vraag hoe om te gaan met de
28
mogelijke gezondheidsrisico’s van magneetvelden van netcomponenten2. Hierbij is, voor an dere netcomponenten dan bovengrondse hoogspanningslijnen, besloten om geen ruimtelijke maatregelen te treffen c.q. geen standaard afstanden aan te houden en wordt voor nieuwe situaties uitgegaan van het treffen van bronmaatregelen. Voor de realisatie van het transformatorstation zullen, in lijn met het nieuwe voorzorgbeleid, de volgende bronmaatregelen worden getroffen: » Fase-optimalisatie bij bovengrondse hoogspanningslijnen of ondergrondse kabels (dat wil zeggen: het anders positioneren van de elektriciteitsdraden ten opzichte van el kaar); » Het in driehoek leggen van kabels of toepassen van drie-fasenkabels; » Het zo veel mogelijk vermijden van geleiders langs muren en plafonds van stations en transformatorhuisjes. In het voorzorgbeleid geldt de laatste maatregel in geval van directe ligging naast woningen, scholen, kinderdagverblijven of crèches. Daarvan is in de onderhavige situatie geen sprake. Naast gezondheidsrisico’s kunnen magneetvelden ook van invloed zijn op de hoofdspoorweg infrastructuur. De richtlijn RLN00398 beschrijft het beleid van ProRail met betrekking tot de toegestane elektromagnetische invloed van hoogspanningsverbindingen op de hoofdspoor weginfrastructuur. Hierin zijn hoogspanningslijnen en hoogspanningskabels opgenomen.
Een station wordt niet apart benoemd, maar dit bestaat met name uit verbindingen (een rail van een schakelinstallatie is ook een verbinding). Alleen een transformator is een significant ander object, maar hiervan is bekend dat deze slechts minimale elektromagnetische velden produ ceren. Voor het station zijn de volgende beleidseisen uit de RLN00398 relevant: » Niet kruisende enkelfasige hoogspanningskabels in driehoek ligging met een nominale spanning van < 35 kV mogen niet aanwezig zijn in het gebied binnen een afstand van 11 m vanaf het hart buitenste spoor. » Hoogspanningskabels mogen niet aanwezig zijn binnen een afstand van 20 m geme ten vanaf de dichtst bij zijnde gevel van een technische ruimte. De afstand van het stationsterrein tot het hart buitenste spoor en een technische ruimte be draagt meer dan de hierboven genoemde afstanden. Beïnvloeding van het station op de hoofdspoorweginfrastructuur valt daarom niet te verwachten. 4.7.2.Conclusie Door de bovengenoemde afstanden en door de te treffen bovenstaande maatregelen vormt het aspect magneetvelden geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de in dit bestem mingsplan voorgenomen ontwikkelingen.
2 Voorzorgbeleid voor magneetvelden bij elektriciteitsvoorzieningen, DGKE-DRE 7 26746813, 21 april 2023
29
4.8. Natuur In de volgende paragraaf wordt ingegaan op de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het ontwerp vanuit het oogpunt van natuur. Ten behoeve van de bouw van het transformatorstation is een quickscan flora en fauna, en een nader soortgericht onderzoek naar de platte schijfhoren uit gevoerd. Deze zijn bijgevoegd in respectievelijk bijlage II en bijlage III. Onderstaand zijn kort de conclusies uit de onderzoeken toegelicht. 4.8.1 .Toetsingskader De Wet natuurbescherming regelt op hoofdlijnen drie zaken: 1 bescherming van planten- en diersoorten; 2 bescherming van de in het kader van Europees natuurbeleid aangewezen Natura 2000gebieden; 3 bescherming van bos en houtopstanden. Soortenbescherming Ten aanzien van soortenbescherming maakt de Wet natuurbescherming onderscheid in drie categorieën: - vogels: dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn; - habitatrichtlijnsoorten: dit zijn soorten uit Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn; - andere soorten: dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om een aantal zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten.
Voortplantingsplaatsen en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving zoals foerageergebieden of vliegroutes) van beschermde soorten uit de eerste en tweede categorie mogen niet (opzettelijk) verstoord of vernietigd worden. Daarnaast mag geen enkele beschermde soort (opzettelijk) worden gedood of verwond. Bij vogels zijn daarnaast de nesten van belang. Er zijn vijf categorieën broedvogels waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn (categorie 1 - 4) of waarvan de nesten beschermd zijn als er onvoldoende alternatieven zijn (categorie 5). De categorie ‘andere soorten’ gaat om soorten die niet onder de Habitatrichtlijn of Vogelrichtlijn vallen. Deze soorten worden beschermd vanwege de breed in de maatschappij levende over tuiging dat deze dieren beschermd moeten worden. De overige soorten uit deze bijlage worden om ecologische redenen beschermd. Hiermee wordt door Nederland uitvoering gegeven aan het Biodiversiteitsverdrag om de staat van in standhouding van dier- en plantsoorten te garanderen. Gebiedsbescherming Natura 2000 De Minister van Economische Zaken en Klimaat (EZK) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de
30
instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Ten aanzien van gebiedsbescherming geldt dat de Wet natuurbescherming de bescherming van Natura 2000-gebieden regelt. Momenteel geldt het volgende kader voor de vergunningverlening voor projecten: - op basis van de Wet natuurbescherming is een vergunning vereist voor projecten die een significant gevolg kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied3. Dit is dus niet het geval indien significante gevolgen op voorhand zijn uit te sluiten; - indien niet op voorhand kan worden uitgesloten dat mogelijke significante gevolgen optreden, dient een Passende Beoordeling te worden opgesteld om in beeld te brengen of er daadwerkelijk significante gevolgen aan de orde zijn. In een Passende Beoordeling mogen ook mitigerende maatregelen (zoals externe saldering) betrokken worden.
De vergunning kan worden verleend indien (eventueel met toepassing van deze mitigerende maatregelen) de voorgenomen activiteit de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000gebied niet zal aantasten4; - als uit de Passende Beoordeling blijkt dat significante gevolgen niet kunnen worden uitgesloten, kan een vergunning enkel worden verleend indien de ADC-toets succesvol wordt doorlopen: - A: er zijn geen alternatieve oplossingen; - D: het project is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang; - C: door middel van compenserende maatregelen wordt gewaarborgd dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft5. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland, de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS), zorgt voor een aaneengesloten netwerk van natuurgebieden en natuurontwikkelingsgebieden die met elkaar verbonden worden door ecologische verbindingszones. 4.8.2.Resultaten Soortenbescherming Om de consequenties van de Wet natuurbescherming, onderdeel beschermde soorten, voor de voorgenomen ontwikkeling in beeld te brengen is een quickscan flora fauna uitgevoerd (zie bijlage II) en een nader soortgericht onderzoek uitgevoerd (zie bijlage III). Hierin wordt gesteld dat het voorkomen van enkele soorten aan de hand van de terreinkenmerken en het voorko men van beschermde soorten in de omgeving niet op voorhand is uit te sluiten.
Het gaat hierbij om de volgende soorten en functies: groeiplaats grote leeuwenklauw; foerageergebied en vliegroutes vleermuizen; algemeen voorkomende broedvogels; amfibiesoorten (bruine kikker, kleine watersalamander en meerkikker).
Artikel 2.7 lid 2 Wet natuurbescherming. Artikel 2.7 lid 3 jo. Artikel 2.8 lid 3 Wet natuurbescherming. Artikel 2.8 lid 2 Wet natuurbescherming.
31
Gebiedsbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is De Wilck, op circa 8 km ten noorden van het plan gebied (afbeelding 4.3). Dit gebied heeft de status van Vogelrichtlijngebied. Overige Natura 2000-gebieden (zoals Mijendel & Berkelheide; Nieuwkoopse plassen & De Haeck; Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein) bevinden zich op grotere afstand (> 15 km) van het plange bied. Afbeelding 4.3 Ligging Natura 2000-gebieden rond het plangebied
Meijendel B. Berttelhŵje
DeļVil*^
15 Km
BroekveWerių Vettínbroeţ''*S Pc^cler Btein
ŭs 15 km ļ Ls^endĵ I Rânţļetíed I rJatura îom-gäUeden
In de omgeving van het plangebied bevinden zich verschillende gebieden behorende tot het NNN-netwerk van de provincie Zuid-Holland. De dichtstbijzijnde percelen van het NNN-netwerk zijn gelegen op een afstand van circa 3 km ten zuidoosten van het plangebied (afbeelding 4.4).
32
Afbeelding 4.4 Ligging NNN rond het plangebied
4.8.3.Conclusie Gebiedsbescherming Nature 2000 Het optreden van effecten door onder andere oppervlakteverlies of verstoring door geluid, licht, trilling of optische verstoring kan als gevolg van de afstand (>8 km) tussen het plangebied en de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden én de afwezigheid van geschikt leefgebied voor de Natura 2000 populaties binnen de verstoringscontour van de werkzaamheden, worden uit gesloten. Ook het optreden van indirecte effecten zoals vernatting, verdroging, verontreini ging, verzoeting of verzilting kan worden uitgesloten als gevolg van de afstand en aard van het voornemen. Voor het onderdeel stikstofdepositie zijn voor de aanlegfase en gebruiksfase AERIUS-berekeningen uitgevoerd (zie bijlage IV van deze toelichting). Uit deze berekening volgt dat geen sprake is van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen. Natuurnetwerk Nederland Gezien het plangebied buiten de grenzen van het NNN ligt en de Provinciale Ruimtelijke Ver ordening van de provincie Zuid-Holland geen bepalingen ten aanzien van externe werking bevat, zijn er geen belemmeringen vanuit het provinciaal beleid. Vervolgstappen zijn daardoor niet nodig. Soortenbescherming In onderstaande tabel zijn de bevindingen en conclusies ten aanzien van de beschermde soorten samengevat.
Hierin wordt benoemd of er een kans is op overtreding van de Wet na tuurbescherming en wat de bijbehorende mitigerende maatregelen zijn.
33
Tabel 4.1 Samenvatting beschermde soorten
Soortgroep
Kans Wnb?
op
overtreding
Vervolgstappen nodig?
Ontheffing aanvragen?
Mitigerende maatregelen
Vervolgonderzoek (indien mitigatie niet mogelijk of niet voldoende)
flora
nee
geen, wel zorgplicht
nee
nee
grondgebonden zoogdieren
nee
geen, wel zorgplicht
nee
nee
vleermuizen
ja, indien foeragerende/overvliegende vleermuizen worden ver stoord
ja, door: werkzaamheden overdag uitvoeren en gebruik maken van vleermuisvriendelijk lichtbeheer
nee
nee, mits mitigerende maatregelen in acht wor den genomen
vogels
ja, indien broedparen worden verstoord
ja 3 mogelijkheden: buiten het broedseizoen werken; werkzaamheden voor het broedseizoen inzetten en continu doorwerken; of plangebied ongeschikt maken voor broedvogels
nee
nee, mits mitigerende maatregelen in acht wor den genomen
amfibieën
ja, indien rugstreeppad tijdens werkzaamheden in het plangebied komt
ja, door: voorkomen dat tijdens de werkzaamheden rugstreeppad het werkterrein gaat bevolken (bijvoorbeeld afrasteren of voorkomen plassen/schuilplaatsen/ et cetera)
nee
nee, mits mitigerende maatregelen in acht wor den genomen
reptielen
nee
geen, wel zorgplicht
nee
nee
vissen
nee
geen, wel zorgplicht
nee
nee
vlinder, libellen en ongewervelden
ja
mogelijk, volgt uit nader soortgericht onderzoek
ja, nader soortgericht onderzoek middels bemon steren van de waterlichamen
mogelijk, indien uit het na der soortgericht onder zoek volgt dat de soort aanwezig is in de te dem pen watergang
Tijdens en na de bouw van het transformatorstation moet worden voldaan aan de mitigerende maatregelen zoals gesteld in bovenstaande tabel.
34
Uit de quickscan volgde de noodzaak tot nader soortgericht onderzoek naar de aanwezigheid van een soort uit de categorie vlinder, libellen en ongewervelden. Dit heeft betrekking op de soort platte schijfhoren en komt voort uit de demping van een watergang. Daarom is nader soortgericht onderzoek naar aanwezigheid van de platte schijfhoren uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage III. Uit dit onderzoek blijkt dat de platte schijfhoren niet is aangetroffen.