CConstaterende datLansingerland
Koppel je AI →
Document · PDF

[T24.05486] Reglement van orde gemeenteraad en raadscommissies Lansingerland 2025

Gemeenteraad 19 december 2024, gemeente LansingerlandBij agendapunt: Vaststellen Reglement van orde van de gemeenteraad van Lansingerland 202515.491 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

De presentielijst is ook van belang om de vergoedingen van de duo-raadsleden die lid zijn van de raadscommissie vast te kunnen stellen. Artikel 21. Opening vergaderingen en quorum Een vergadering kan pas beginnen als meer dan de helft van de fracties vertegenwoordigd zijn (quorum). Dit artikel legt uit wat er gebeurt als niet genoeg fracties aanwezig zijn en hoe een nieuwe vergadering wordt belegd. 24/37

Artikel 22. Verslag Van de vergaderingen van de raadscommissies wordt een verslag gemaakt. Dit verslag bestaat uit een schriftelijk verslag en digitale video-opnames. Het verslag wordt openbaar gemaakt. Dit artikel zorgt voor een goede vastlegging van de commissievergaderingen. Artikel 23. Advies en geen stemmingen Een raadscommissie neemt geen beslissingen maar bereidt de besluitvorming in de raad voor en overlegt met het college en de burgemeester. Alleen in raadsvergaderingen kunnen besluiten worden genomen. Als de bespreking van een raadsvoorstel is afgesloten, beslist de commissie of dit raadsvoorstel als bespreekpunt of hamerstuk naar de raadsvergadering gaat. In commissievergaderingen wordt niet gestemd, behalve over geheimhouding en de orde van de vergadering. Bij een stemming heeft iedere fractie één stem. Staken de stemmen, dan wordt er opnieuw gestemd. Deze tweede stemming is een hoofdelijke stemming waarbij ieder aanwezig commissielid één stem heeft. Staken de stemmen bij de hoofdelijke stemming, dan is het voorstel afgewezen. Artikel 24. Aantal spreekrondes Commissieleden mogen maximaal twee keer het woord voeren over hetzelfde onderwerp, tenzij de raadscommissie anders beslist. Het presidium stelt de spreektijden vast. Dit artikel zorgt ervoor dat de bespreking gestructureerd verloopt en niet onnodig lang duurt. Artikel 25.

Spreekregels Dit artikel legt vast hoe commissieleden en andere sprekers zich moeten gedragen tijdens de vergadering. Ze moeten zich tot de voorzitter richten en mogen alleen spreken nadat ze van de voorzitter het woord hebben gekregen. Tijdens de vergadering spreken de commissieleden, de voorzitter, de collegeleden en de griffier vanaf hun plek. Insprekers maken gebruik van het spreekgestoelte in de raadszaal. Bij speciale gelegenheden kan de voorzitter bepalen dat er vanaf een andere plek wordt gesproken. Interrupties zijn toegestaan, maar de voorzitter kan het aantal interrupties beperken als hij dit nodig vindt. Artikel 26. Deelname aan beraadslagingen door anderen De raadscommissie kan besluiten dat ook andere mensen mogen deelnemen aan de discussie. Deze bepaling is noodzakelijk in verband met de in artikel 22 van de wet geregelde immuniteit, dat in artikel 82, vijfde lid, van de wet van overeenkomstige toepassing wordt verklaard op leden van raadscommissies en andere personen die aan de beraadslagingen deelnemen. Uiteraard hebben deze andere sprekers niet dezelfde rechten als de leden. Een andere spreker heeft onder meer geen recht om een voorstel over de spreektijd of over de orde van de vergadering te doen. Artikel 27. Spreekrecht (inspreken) Het geven van spreekrecht aan burgers is een manier om hen meer te betrekken bij de besluitvorming van de raad.

Inwoners of andere belanghebbenden kunnen zich aanmelden om te spreken tijdens commissievergaderingen. Ze krijgen maximaal 5 minuten spreektijd. De insprekers krijgen éénmaal het woord er is geen ruimte voor discussie over de inspraak. Wel mogen commissieleden aan de inspreker een korte verhelderende vraag stellen. Het artikel regelt verder hoe de inspreker zich kan aanmelden en in welke gevallen het recht op inspreken kan worden geweigerd. Artikel 28. Rondvraag De rondvraag biedt commissieleden de gelegenheid om actuele en dringende vragen te stellen die niet op de 25/37

reguliere agenda van de vergadering staan. Het artikel voorziet in duidelijke regels om te waarborgen dat de rondvraag ordelijk en doelgericht verloopt. Elke commissievergadering bevat standaard een rondvraag, tenzij er geen vragen zijn ingediend. Het onderwerp van de rondvraag wordt aangekondigd in de agenda. De vragen moeten betrekking hebben op onderwerpen die spoedeisend of dringend zijn, wat voorkomt dat de rondvraag wordt gebruikt voor zaken die niet direct behandeld hoeven te worden. De voorzitter, in overleg met de (commissie)griffier, beoordeelt of een vraag aan deze criteria voldoet. Voorafgaand aan de indiening van de vraag overlegt de indiener met de (commissie)griffier over het nut en de noodzaak van het behandelen van de vraag tijdens de vergadering. Ook wordt besproken of andere instrumenten tot hetzelfde of meer effect kunnen leiden. Als de vraag omgezet kan worden naar een technische vraag, dan volgen we deze weg. Afspraak is dat er dan binnen 5 dagen antwoord volgt. De rondvraag bestaat uit één of enkele korte vragen die eenvoudig en kort te beantwoorden zijn door de wethouder/burgemeester. Anders zijn raadsvragen meer geschikt. Om de vergaderingen efficiënt te laten verlopen, moeten rondvragen op de vergaderdag vóór 10.00 uur bij de griffie (via griffie@lansingerland.nl) worden aangeleverd.

De voorzitter heeft het recht een rondvraag te weigeren als de vraag niet duidelijk is, het onderwerp al tijdens dezelfde vergadering besproken wordt of de vraag niet voldoet aan de urgentiecriteria. Als er meerdere rondvragen zijn, bepaalt de voorzitter de volgorde waarin deze aan bod komen. De vragensteller mag zijn vraag kort toelichten, waarna het college of de burgemeester de vraag beantwoordt. Na het antwoord kunnen door de vragensteller aanvullende vragen worden gesteld, en ook andere commissieleden krijgen de mogelijkheid om aanvullende vragen te stellen over hetzelfde onderwerp. Een discussie tussen het college, de burgemeester en de commissieleden is echter niet toegestaan tijdens de rondvraag. Het is een moment van vragen stellen en antwoorden ontvangen, zonder interrupties of verder debat. Deze regels zorgen ervoor dat de rondvraag functioneel blijft en geen aanleiding geeft tot langdurige discussies die het proces van de vergadering vertragen. Artikel 29. Handhaving orde en schorsing Artikel 26 van de wet geeft aan dat de voorzitter bij de raadsvergadering bevoegd is om de orde in de vergadering te handhaven. Voor de commissievergaderingen ontbreekt een dergelijke wettelijke bepaling, deze is daarom in dit artikel opgenomen. Ingevolge het eerste lid is de commissievoorzitter belast met de handhaving van de orde in de commissievergaderingen.

Op basis van het tweede lid kunnen alle sprekers in bepaalde gevallen door de voorzitter tot de orde worden geroepen en kan hen zo nodig over het aanhangige onderwerp het woord ontzegd worden. Ook kan de voorzitter de vergadering schorsen en bij herhaling van de verstoring van de orde, de vergadering sluiten (lid 3). In het uiterste geval kan hij een lid het verdere verblijf ontzeggen en hem uit de vergadering laten verwijderen. Als een commissielid blijft volharden in zijn gedrag kan hem de toegang tot de vergadering voor ten hoogste drie maanden worden ontzegd (lid 4). Om te bevorderen dat leden van raadscommissies zich niet belemmerd voelen om hun mening te uiten bepaalt artikel 82, vijfde lid, van de wet bovendien dat artikel 22 van de wet van overeenkomstige toepassing is op leden van raadscommissies. Hierdoor zijn leden van raadscommissies niet in rechte te

26/37

vervolgen, aan te spreken of verplicht getuigenis af te leggen over hetgeen zij in de vergadering zeggen of schriftelijk overleggen. Dit geldt voor zowel raadsleden als niet-raadsleden. Artikel 30. Voorstellen van orde Ieder commissielid heeft te allen tijde het recht een voorstel van orde te doen. De beslissing of er inderdaad sprake is van een voorstel van orde is aan de raadscommissie. Over een voorstel van orde wordt direct, zonder bespreking, besloten door de raadscommissie. Een voorstel van orde betreft bijvoorbeeld het schorsen van de vergadering voor een (overleg) pauze of een voorstel over de (beperking van de) spreektijden van de leden en overige deelnemers aan de commissievergadering. Paragraaf 4. Besloten vergadering Artikel 31. Toepassing verordening op besloten vergaderingen Bij bepalingen die van overeenkomstige toepassing zijn kan onder meer gedacht worden aan de bepalingen omtrent het tijdig verzenden van stukken, het vergaderquorum en voorstellen van orde. De bepalingen van dit reglement zijn echter niet van toepassing, voor zover de toepassing van die bepalingen strijdig is met het besloten karakter van de vergadering. Zo zullen er bijvoorbeeld geen beeld- en geluidsregistraties voor openbaar gebruik gemaakt worden.

Ten aanzien van de stukken die betrekking hebben op een besloten vergadering en het behandelde zal een raadscommissie moeten besluiten of geheimhouding als bedoeld in artikel 86 van de wet wordt opgelegd dan wel opgeheven. Artikel 32. Verslag besloten vergadering Er wordt een verslag gemaakt van besloten vergaderingen, dat alleen toegankelijk is voor bevoegden. Het waarborgt de vertrouwelijkheid van de besproken onderwerpen. Artikel 33. Opheffing geheimhouding Een raadscommissie kan geheimhouding op informatie leggen en die informatie tevens aan de raad verstrekken. De raad kan de geheimhouding opheffen van aan de raad verstrekte informatie (artikel 89, vierde lid, van de wet). Wel bestaat er een overlegverplichting, waarmee recht wordt gedaan aan het principe van hoor en wederhoor. Paragraaf 5. Toehoorders en pers Artikel 34. Toehoorders en pers Toehoorders en pers zijn welkom bij openbare vergaderingen, maar moeten zich aan de orde van de vergadering houden. Dit artikel regelt waar ze mogen zitten en wat wel en niet is toegestaan, zoals het uiten van goedkeuring of afkeuring. Het helpt de vergaderingen ordelijk te laten verlopen, ook met publiek aanwezig. Artikel 26, eerste en tweede lid, van de wet regelen dat de voorzitter van de raad toehoorders die de orde verstoren, kan doen vertrekken en bij volharding in hun gedrag de toezegging kan ontzeggen.

Voor raadscommissies ontbreekt een dergelijke bepaling in de wet, het derde lid voorziet hierin. Artikel 35. Geluid- en beeldregistratie Van openbare raadsvergaderingen worden geluid- en beeldopnames gemaakt, die beschikbaar zijn op internet. Aangezien de vergaderingen van een raadscommissie in principe openbaar zijn, kunnen radio- en tv-stations geluid- en beeldregistraties maken. Dit is uiteraard niet het geval als het een besloten 27/37

vergadering betreft. Wel dient rekening gehouden te worden met de privacy van insprekers of publiek. Raadsleden daarentegen hebben een publieke functie. Het is mogelijk om een aanwijzing te geven dat publiek slechts vanaf een bepaalde afstand in beeld mag worden gebracht. Ook kan een aanwijzing zijn dat personen die inspreken niet gefilmd mogen worden, uiteraard in overleg met de insprekers. Mogelijk hebben zij geen probleem met beeldregistraties.

Hoofdstuk 5. Raadsvergaderingen Paragraaf 1. Voorbereiding Artikel 36. Dag, tijdstip en plaats vergaderingen Dit artikel bepaalt dat raadsvergaderingen in de regel op donderdag in het gemeentehuis plaatsvinden. In bijzondere gevallen kan de voorzitter een ander tijdstip of locatie kiezen. Dit biedt flexibiliteit bij het plannen van vergaderingen, terwijl de standaardlocatie en -tijd vastliggen. Artikel 37. Oproep en voorlopige agenda In artikel 19 van de wet is bepaald dat de burgemeester de leden van de raad schriftelijk uitnodigt voor de vergadering. Dit gebeurt digitaal. Het presidium stelt de voorlopige agenda vast. De voorzitter stuurt minimaal zeven dagen voor de vergadering een oproep en voorlopige agenda naar de raadsleden. Zo hebben de raadsleden voldoende tijd om zich voor te bereiden op de vergadering. In spoedeisende gevallen kan de voorzitter, na het versturen van de oproep, een aanvullende voorlopige agenda opstellen. Dit biedt de mogelijkheid om snel in te spelen op nieuwe ontwikkelingen. De aangepaste voorlopige agenda wordt zo snel mogelijk, maar uiterlijk 48 uur voor de start van de vergadering, aan de raadsleden gestuurd. Bij aanvang van de vergadering stelt de raad de agenda definitief vast. Dit heeft tot doel om de raad een actievere rol te geven in de opstelling van de raadsagenda.

Enerzijds kunnen individuele raadsleden via hun fractievoorzitter in het presidium onderwerpen voor de agenda voordragen. Anderzijds kunnen zij ook bij aanvang van de raadsvergadering een voorstel doen om onderwerpen aan de agenda toe te voegen of van de agenda af te voeren. Daarmee kan het individuele raadslid in ieder geval op twee momenten invloed uitoefenen op de vaststelling van de agenda. Artikel 38. Ter inzage leggen van stukken Geïnteresseerden moeten de mogelijkheid hebben om de vergaderstukken in te zien. Daarom worden deze gelijktijdig met het versturen van de schriftelijke oproep digitaal beschikbaar gesteld via de website/het raadsinformatiesysteem van de gemeente. Geheime stukken worden digitaal beschikbaar gesteld voor raadsleden en andere bevoegden. Dit zorgt ervoor dat de vertrouwelijkheid van deze stukken wordt gewaarborgd, terwijl raadsleden wel toegang hebben tot de benodigde informatie. Artikel 39. Openbare kennisgeving Raadsvergaderingen worden aangekondigd op de website/het raadsinformatiesysteem van de gemeente,

28/37

zodat het publiek weet wanneer de vergaderingen plaatsvinden. Dit draagt bij aan de transparantie en toegankelijkheid van de raadsvergaderingen. Paragraaf 2. Ter vergadering Artikel 40. Presentielijst De verplichting tot het hebben van een presentielijst vloeit voort uit artikel 20 van de wet. In dit artikel wordt de procedure vastgelegd. De handtekeningen op de presentielijst zijn bedoeld om formeel vast te stellen dat het vergaderquorum bereikt is. De lijst kan niet dienen om het stemquorum vast te stellen. Daarvoor geldt artikel 29 van de wet. De griffier zorgt voor het bijhouden van de presentielijst. De presentielijst wordt ondertekend door de voorzitter. Deze ondertekening waarborgt dat de lijst volledig is en het quorum aanwezig was. Artikel 41. Zitplaatsen Dit artikel regelt de toewijzing van zitplaatsen voor raadsleden, de voorzitter en de griffier. De voorzitter bepaalt in overleg met het presidium wie waar zit. Dit zorgt voor een ordelijke indeling in de vergaderzaal. Artikel 42. Spreekregels Interrupties zijn een belangrijk onderdeel van het debat in de raad, waarbij raadsleden korte, bondige vragen kunnen stellen aan andere sprekers. Dit artikel regelt dat er in principe geen beperkingen zijn op het aantal interrupties, zolang deze het debat bevorderen.

De voorzitter houdt in de gaten dat de interrupties het debat niet onnodig verstoren en kan besluiten om interrupties te beperken. Artikel 43. Aantal spreekrondes De bespreking in de raad vindt in maximaal twee rondes plaats, tenzij de raad anders beslist. Dit artikel voorkomt dat de discussie onnodig lang doorgaat en zorgt ervoor dat iedereen voldoende aan bod komt. Artikel 44. Spreekrecht (inspreken) Het geven van spreekrecht aan insprekers is een manier om hen meer te betrekken bij de besluitvorming van de raad. Inwoners of andere belanghebbenden kunnen zich aanmelden om te spreken tijdens raadsvergaderingen. Ze krijgen maximaal 5 minuten spreektijd. De insprekers krijgen éénmaal het woord er is geen ruimte voor discussie over de inspraak. Wel mogen raadsleden aan de inspreker een korte verhelderende vraag stellen. Het artikel regelt verder hoe de inspreker zich kan aanmelden en in welke gevallen het recht op inspreken kan worden geweigerd. Artikel 45. Deelname aan beraadslagingen door anderen De raad kan besluiten dat ook andere mensen mogen deelnemen aan de discussie. Deze bepaling is noodzakelijk in verband met de in artikel 22 van de wet geregelde immuniteit, dat in artikel 82, vijfde lid, van de wet van overeenkomstige toepassing wordt verklaard op leden van raadscommissies en andere personen die aan de beraadslagingen deelnemen.

Uiteraard hebben deze andere sprekers niet dezelfde rechten als de leden. Een andere spreker heeft onder meer geen recht om een voorstel over de spreektijd of over de orde van de vergadering te doen. Artikel 46. Voorstellen van orde De voorzitter legt aan de raad ter beslissing voor of er inderdaad sprake is van een voorstel van orde. Over een voorstel van orde wordt direct, zonder beraadslaging, besloten door de raad. Bij staken van stemmen is 29/37

het voorstel niet aangenomen (omdat het ordevoorstel betrekking heeft op de lopende vergadering is artikel 32, vierde lid, van de wet hierop logischerwijs niet van toepassing). Een voorstel van orde betreft bijvoorbeeld het schorsen van de vergadering voor een pauze. Indien het gaat om een niet geagendeerd voorstel, dient de procedure van een initiatiefvoorstel gevolgd te worden (artikel 30 van de wet). Paragraaf 3. Stemmingen Artikel 47. Stemverklaring Voorafgaand aan de stemming mogen raadsleden kort uitleggen waarom zij of hun fractie voor of tegen een voorstel stemmen. Stemverklaringen zijn kort en mogen niet het karakter krijgen van een derde termijn. De stemverklaringen worden gegeven vóór de hoofdelijke oproep van de leden dat de stemming begint. Artikel 48. Beslissing De voorzitter sluit de discussie als hij vindt dat een onderwerp voldoende is besproken, tenzij de raad anders beslist. De voorzitter formuleert daarna het te nemen besluit. Als er niet om stemming wordt gevraagd, is het voorstel aangenomen op grond van artikel 32, lid 3, van de wet. Artikel 49. Stemming en procedure hoofdelijke stemming Dit artikel beschrijft hoe de stemming in de raad verloopt, inclusief de procedure voor hoofdelijke stemming. Indien een raadslid te kennen geeft een hoofdelijke stemming te wensen, moet de stemming plaatsvinden (eerste lid).

De raad heeft niet de bevoegdheid om van deze bepaling van artikel 32 van de wet af te wijken. Vraagt niemand stemming, dan wordt het voorstel geacht te zijn aangenomen (tweede lid). Wellicht ten overvloede wordt hierbij nog gewezen op artikel 209, tweede lid, van de wet, dat tot hoofdelijke stemming verplicht bij het aangaan van een verplichting voordat de begroting is goedgekeurd. De regeling in het eerste deel van het tweede lid kan toepassing krijgen, indien de uitkomst van de stemming tevoren duidelijk is en slechts enkele raadsleden zouden tegenstemmen. Een raadslid kan zich alleen onthouden van deelname aan stemming op grond van artikel 28 van de wet. In alle andere gevallen is een raadslid verplicht stelling in te nemen en te stemmen. Stemmingen zijn in principe ook openbaar. Een volksvertegenwoordiger dient duidelijk te zijn in zijn of haar rol. Door de openbaarheid is het voor de achterban (kiezers) duidelijk hoe ze vertegenwoordigd worden. Bij staking van stemmen is het bepaalde in artikel 32 van de wet van toepassing. Indien de vergadering voltallig is, wordt het voorstel geacht te zijn verworpen. Is de vergadering niet voltallig, dan wordt het nemen van het besluit tot een volgende vergadering uitgesteld. Als ook dan de stemmen staken, wordt het voorstel geacht te zijn verworpen. Artikel 50.

Volgorde stemming over amendementen en moties Voor alle duidelijkheid wordt hier een verschil in procedure aangegeven tussen een motie en een amendement. Een amendement strekt tot wijziging van een voorstel en komt daarom in stemming voorafgaand aan de stemming over dat voorstel. Een motie strekt niet tot wijziging van een voorgesteld besluit; over een motie wordt een apart besluit genomen, nadat de besluitvorming over het aanhangige voorstel is afgerond. Bij een motie over een afzonderlijk onderwerp geldt dit uiteraard niet en is het vierde lid niet van toepassing. Artikel 51. Stemming over personen Artikel 31, eerste lid, van de wet geeft aan dat de stemming over personen geheim moet te zijn. Dit geldt 30/37

ook voor de stemming over de benoeming en het ontslag van een wethouder (artikel 35, lid 1, en artikel 49 van de wet). Een blanco stembriefje wordt niet aangemerkt als een behoorlijk ingevuld stembriefje (Kamerstukken II 1985/86, 19 403, nr. 3, blz. 86). In geval van een schriftelijke stemming wordt dan ook geen rekening gehouden met blanco stembriefjes. Een blanco of verkeerd ingevuld stembriefje telt wel mee bij de bepaling van het quorum. De raad oordeelt of een stembriefje behoorlijk is ingevuld. Want wat onder een (niet) behoorlijk ingevuld stembriefje moet worden verstaan, is in de wet niet geregeld. Bij de benoeming van wethouders is er sprake van een vrije stemming. Dat is dus anders dan bij een voordracht, waarbij de keus beperkt is tot twee of meer kandidaten. Bij een vrije stemming is artikel 28, eerste lid, onder a, en derde lid, van de wet niet van toepassing. Daarin is bepaald dat een raadslid zich van stemming onthoudt wanneer hij “behoort tot de personen tot wie de keuze door een voordracht of bij een herstemming is beperkt". Zoals vermeld is dat bij de benoeming van wethouders niet aan de orde. Een raadslid kan op het stembriefje de naam van elke kandidaat die zijn voorkeur heeft invullen: die van de voorgestelde persoon/personen, of die van een ander.

Dat geldt dus ook voor raadsleden die zelf genomineerd zijn; die kunnen op zichzelf stemmen als ze dat willen. Paragraaf 4. Verslaglegging en ingekomen stukken Artikel 52. Verslag en besluitenlijst De griffier zorgt voor een schriftelijk verslag en een besluitenlijst van elke raadsvergadering. Dit artikel zorgt voor een goede vastlegging van wat er is besproken en besloten, en maakt dit toegankelijk voor raadsleden en inwoners. Artikel 53. Ingekomen stukken Over aan de raad gerichte inkomende stukken worden alleen voorstellen gedaan en besluiten genomen van procedurele aard, bijvoorbeeld ter informatie, ter afdoening door het college, etc. Inhoudelijke discussie over de stukken kan de voorzitter buiten de orde verklaren. Wanneer een ingekomen stuk leidt tot inhoudelijke discussie en besluitvorming, dient dit op de gebruikelijke wijze te worden voorbereid. Paragraaf 5. Besloten raadsvergaderingen Artikel 54. Toepassing reglement op besloten vergaderingen Dit artikel bepaalt dat de bepalingen van dit reglement van orde van overeenkomstige toepassing zijn op een raadsvergadering achter gesloten deuren. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan de bepalingen omtrent het tijdig verzenden van stukken, het recht van amendement, het recht van motie en het maken van het verslag.

De bepalingen van dit reglement van orde zijn echter niet van toepassing, voor zover het toepassen van die bepalingen strijdig is met het besloten karakter van de vergadering. Zo zullen er bijvoorbeeld geen beelden geluidsregistraties voor openbaar gebruik gemaakt worden. Ten aanzien van de stukken die betrekking hebben op een besloten vergadering en het behandelde zal de raad moeten besluiten of geheimhouding als bedoeld in de artikelen 23, vierde lid van de wet wordt opgeheven. In artikel 23 van de wet zijn procedurevoorschriften opgenomen voor 'het sluiten van de deuren', de wijze waarop een vergadering een besloten vergadering wordt. 31/37

Artikel 55. Verslag besloten vergadering In artikel 55 wordt uitwerking gegeven aan artikel 23, derde vierde lid, van de wet. In overeenstemming met de bepaling over het verslag van de raadsvergadering is de griffier ook verantwoordelijk voor het verslag van een besloten vergadering. Conceptverslagen en -besluitenlijsten van besloten raadsvergaderingen zijn voor bevoegden beschikbaar via het digitale vergadersysteem. Artikel 56. Opheffing geheimhouding Op grond van artikel 87 van de wet, kan geheimhouding op informatie worden opgelegd door de raad, het college, de burgemeester en een raadscommissie. De opgelegde geheimhouding met betrekking tot aan de raad verstrekte informatie vervalt, als de raad de verplichting tot geheimhouding opheft (artikel 89, vierde lid, van de wet). Wel bestaat er een overlegverplichting, waarmee recht wordt gedaan aan het principe van hoor en wederhoor. Als de raad een opgelegde geheimhouding opheft, wil dat niet zeggen dat de desbetreffende informatie dan actief openbaar gemaakt moet worden. De Wet open overheid (Woo) is nog steeds op deze informatie van toepassing. Wanneer om openbaarmaking wordt verzocht moet dat verzoek dus aan de uitzonderingsgronden in de Woo worden getoetst om tot een besluit te komen over het al dan niet openbaar maken van de betreffende informatie.

Dan kan uiteraard blijken dat er inmiddels geen grond meer is om openbaarmaking te weigeren. Paragraaf 6. Toehoorders en pers Artikel 57. Toehoorders en pers Toehoorders en pers mogen openbare vergaderingen bijwonen, maar moeten zich aan de orde houden. Dit artikel regelt waar zij mogen zitten en wat wel en niet is toegestaan tijdens de vergadering. Wat betreft de handhaving van de orde wordt deze bepaling aangevuld door artikel 26 van de wet. De voorzitter heeft de bevoegdheid om toehoorders die de orde verstoren de raadzaal uit te sturen en bij volharding in hun gedrag de toegang te ontzeggen. Artikel 58. Geluid- en beeldregistratie Van openbare vergaderingen worden geluids- en beeldopnames gemaakt die op internet worden geplaatst. Aangezien raadsvergaderingen in principe openbaar zijn, kunnen radio- en tv-stations geluid- en beeldregistraties maken. Dit is uiteraard niet het geval als het een besloten vergadering betreft. Wel dient rekening gehouden te worden met de privacy van insprekers of publiek. Raadsleden daarentegen hebben een publieke functie. Het is mogelijk om een aanwijzing te geven dat publiek slechts vanaf een bepaalde afstand in beeld mag worden gebracht. Ook kan een aanwijzing zijn dat burgers die inspreken niet gefilmd mogen worden, uiteraard in overleg met de insprekers. Mogelijk hebben zij geen probleem met beeldregistraties.

Hoofdstuk 6. Bevoegdheden, instrumenten raadsleden Artikel 59. Amendementen en subamendementen Elk raadslid kan wijzigingen op het voorgestelde raadsbesluit van het college of op initiatiefvoorstellen indienen ter behandeling in de raad, de zogenaamde amendementen. Wanneer een amendement is ingediend, kan dit voor een ander raadslid aanleiding zijn, op dit amendement nog weer een wijziging voor 32/37

te stellen, het subamendement. Een (sub)amendement kan ingediend worden op een voorgesteld besluit, dat aanhangig is. De beraadslaging over het (sub)amendement vindt in principe tegelijkertijd plaats met de bespreking van het voorstel. Indien (in uitzonderlijke situaties) een ingediend amendement verdere beraadslaging noodzakelijk maakt, kan de raad besluiten tot een derde termijn. Voor het indienen van een amendement wordt gebruik gemaakt van een format. Amendement worden in principe om 15.00 uur op woensdag, de dag voor de raadsvergadering, bij de griffie aangeleverd. De griffie verstuurd daarna een overzicht van de aangekondigde amendementen en moties aan de raad. Dit overzicht wordt ook in het raadsinformatiesysteem gezet. In de vergadering noemt het raadslid de titel van het amendement dat hij wil indienen. Ondertussen wordt het dictum van het amendement op de beeldscherm getoond. Het raadslid verwijst naar de tekst op het beeldscherm (dat is het officiële moment van indienen) en vertelt kort en krachtig wat hij met het amendement wil bereiken. Het is praktisch dat een raadslid aanwezig is voor de behandeling van zijn (sub)amendement. Dit omdat doorgaans een (sub)amendement toegelicht wordt door de indiener. Daarom is bepaald dat alleen amendementen en subamendementen die ingediend zijn door raadsleden die aanwezig zijn, worden besproken. Artikel 60.

Moties In artikel 1 is de definitie van het begrip ‘motie’ gegeven. Een ‘motie’ is een voorstel tot het doen van een uitspraak. Het kan gaan om het uitspreken van een wens (van inhoudelijke, politieke of procedurele aard), het uitspreken van instemming dan wel afkeuring over bepaalde ontwikkelingen of om het doen van een verzoek. Een motie betreft dus niet een concreet besluit dat op rechtsgevolg is gericht; een motie heeft geen juridische, maar een politieke betekenis. Daarom is het college formeel niet aan een motie gebonden of tot uitvoering ervan verplicht. Wel kan het naast zich neerleggen van een motie door het college leiden tot een vertrouwensbreuk tussen raad en college. Voor wat betreft de besluitvormingsprocedure omtrent een motie wordt opgemerkt dat over een motie een apart besluit wordt genomen. Voor de beraadslaging over een motie over een aanhangig onderwerp geldt dat deze niet plaatsvindt in afzonderlijke spreekrondes, maar gelijktijdig met de beraadslaging over het onderwerp waarop de motie betrekking heeft. Een besluit over een motie over een niet op de agenda opgenomen onderwerp vindt aan het einde van de vergadering plaats. Dergelijke moties benaderen de in artikel 61 geregelde initiatiefvoorstellen. Dualisering veronderstelt versterking van de vertegenwoordigende en controlerende functie van de raadsleden.

Hiervoor dienen ook individuele raadsleden en kleine fracties te beschikken over adequate instrumenten. Dat wil zeggen dat het voor een effectief gebruik van deze instrumenten wenselijk is dat ook het individuele raadslid zonder belemmeringen toegang tot het gebruik daarvan heeft. De mogelijkheid om zonder drempelsteun een motie in te dienen staat dan ook ten dienste van een effectieve uitoefening van de inkadering en controle door de raad. Voor het indienen van een motie wordt gebruik gemaakt van een format. Moties worden in principe om 15.00 uur op woensdag, de dag voor de raadsvergadering, bij de griffie aangeleverd. De griffie verstuurd daarna een overzicht van de aangekondigde amendementen en moties aan de raad. Dit overzicht wordt ook in het raadsinformatiesysteem gezet. 33/37

In de vergadering noemt het raadslid de titel van de motie die hij wil indienen. Ondertussen wordt het dictum van de motie op de beeldscherm getoond. Het raadslid verwijst naar de tekst op het beeldscherm (dat is het officiële moment van indienen) en vertelt kort en krachtig wat hij met de motie wil bereiken of waar hij het college toe oproept. Het is praktisch dat een raadslid aanwezig is voor de behandeling van zijn motie. Dit omdat doorgaans een motie toegelicht wordt door de indiener. Daarom is bepaald dat alleen moties die ingediend zijn door raadsleden die aanwezig zijn, worden besproken. Artikel 61. Initiatiefvoorstel Het is de taak van het college aan de raad de nodige voorstellen te doen, maar de raadsleden kunnen ook zelf een voorstel voor een verordening of beslissing ter behandeling bij de raad indienen. Hiervoor is het recht van initiatief toegekend. In artikel 147a, eerste lid, van de wet is dit uitgewerkt. Hier is bepaald dat een lid van de raad een initiatiefvoorstel kan indienen; met deze formulering wordt tot uitdrukking gebracht dat dit recht aan elk individueel raadslid toekomt, drempelsteun is dus niet vereist (MvT, Kamerstukken II 2000/01, 27751, 3, p. 109). Het tweede en derde lid van artikel 147a van de wet bepalen dat de raad regelt op welke wijze een initiatiefvoorstel voor een verordening of beslissing wordt ingediend en behandeld.

Algemeen uitgangspunt is dat dualisering de versterking van de vertegenwoordigende en controlerende functie van de raadsleden inhoudt. Hiervoor dienen ook individuele raadsleden en kleine fracties te beschikken over adequate instrumenten. Voor een effectief gebruik van deze instrumenten is het wenselijk dat ook het individuele raadslid zonder belemmeringen toegang tot het gebruik daarvan heeft. Het ontbreken van de eis van drempelsteun bij het recht van initiatief staat ten dienste van een effectieve uitoefening van de inkadering en controle door de raad. Ook kleine fracties en individuele raadsleden worden zo in staat gesteld actief deel te nemen aan de controlerende, vertegenwoordigende en budgettaire functie. De wet maakt onderscheid tussen initiatiefvoorstellen voor verordeningen en overige initiatiefvoorstellen. Ieder raadslid kan een initiatiefvoorstel voor een verordening indienen. Een dergelijk voorstel moet aanhangig worden gemaakt door het aan de voorzitter te sturen (eerste lid). De verdere wijze van behandeling moet de raad zelf regelen. De raad moet ook regelen op welke wijze en onder welke voorwaarden overige initiatiefvoorstellen (voorstellen die betrekking hebben op iets anders dan een verordening) in behandeling worden genomen. Ook dit initiatiefrecht komt toe aan individuele raadsleden, hetgeen inhoudt dat geen drempels mogen worden opgeworpen.

In het derde lid is een termijn gesteld van 30 dagen om het college in de gelegenheid te stellen zijn wensen en bedenkingen ter kennis van de raad te brengen. In de wet (artikel 147a lid 4) is sinds 1 februari 2016 bepaald dat het college de gelegenheid moet krijgen om wensen en bedenkingen naar voren te brengen. Het college moet immers de besluiten van de raad uitvoeren (artikel 160, eerste lid, onder b, van de wet). Deze zogenaamde voorhangregeling is uitgewerkt in het tweede lid van dit artikel. Het is in eerste instantie aan de indiener om te beslissen wat hij met die inbreng doet en uiteindelijk beslist de raad over het al dan niet gewijzigde voorstel (MvT, Kamerstukken II 2012/13, 33691, 3, p. 2-3).

34/37

Het vierde lid houdt in dat de voorzitter het initiatiefvoorstel zo spoedig mogelijk op de agenda plaatst nadat het college in de gelegenheid is gesteld om zijn wensen en bedenkingen ter kennis van de raad te brengen. Als de oproep voor die vergadering echter al verzonden is, dan plaatst de voorzitter het niet op de agenda van eerstvolgende, maar daaropvolgende raadsvergadering. Dit laat de mogelijkheid onverlet voor het individuele raadslid om op grond van artikel 8, tweede lid, voor te stellen het initiatiefvoorstel toch aan de agenda toe te voegen. Voor zover de in het tweede lid gestelde termijn dan nog niet verlopen is zal er echter niet over het voorstel besloten kunnen worden (artikel 147a, van de Gemeentewet, juncto tweede lid van artikel 30). Dit staat er weliswaar niet aan in de weg dat er al over wordt beraadslaagd in de raadsvergadering, maar de voorzitter van de raad zal dan vervolgens de stemming over het voorstel aan moeten houden totdat het college in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van de raad te brengen. Ook kan nadere beraadslaging op dat moment wenselijk worden geacht. Voor het overige is het aan de raad om vervolgens te bepalen hoe het initiatiefvoorstel verder wordt behandeld als het op de agenda staat.

Indien de wensen of bedenkingen van het college daar aanleiding toe geven kan de indiener van het voorstel eventuele wijzigingen doorvoeren. Hij is daartoe echter niet verplicht, omdat de wet alleen aangeeft dat het college de mogelijkheid moet hebben om een visie op het initiatiefvoorstel te hebben. Er is geen verplichting om de wensen of bedenkingen ook daadwerkelijk in het voorstel te verwerken. Artikel 62. Collegevoorstel Artikel 62 heeft betrekking op het agenderingsrecht van de raad. De raad is de enige die een voorstel voor een verordening of een ander voorstel dat het college heeft voorbereid kan agenderen. Als het college het voorstel heeft voorbereid, betekent dit niet dat het college het door hen voorbereide voorstel kan intrekken indien het college van oordeel is dat verdere behandeling van het voorstel niet wenselijk is (bijvoorbeeld omdat zij een voorstel willen wijzigen). De raad moet hier toestemming voor geven (eerste lid). Artikel 63. Interpellatie Artikel 64 stelt nadere regels bij artikel 155, tweede lid, van de wet. Het interpellatierecht ligt in het verlengde van het mondelinge vragenrecht en is een zwaarder instrument. Interpellaties bieden raadsleden de mogelijkheid om het college snel om verantwoording te vragen over spoedeisende kwesties.

Het houden van een interpellatie, ook wel bekend als verantwoordingsdebat, is één van de mogelijkheden van de raad om het college en de burgemeester te vragen verantwoording af te leggen over het gevoerde bestuur. Het recht van interpellatie heeft betrekking op onderwerpen van een meer bestuurlijk (politiek) gewicht. De interpellatie kan uitmonden in een motie van wantrouwen waarin het vertrouwen in één of meer leden van het college wordt opgezegd of een motie van afkeuring of treurnis waarin de handelwijze van een of meer leden van het college wordt afgekeurd of betreurd. Artikel 64. Vragenhalfuur Het vragenhalfuur biedt raadsleden de gelegenheid om actuele en dringende vragen met een politiek karakter te stellen die niet op de reguliere agenda van de vergadering staan. Het artikel voorziet in duidelijke regels om te waarborgen dat de rondvraag ordelijk en doelgericht verloopt. Elke raadsvergadering bevat standaard een vragenhalfuur, tenzij er geen vragen zijn ingediend. Het onderwerp van de rondvraag wordt aangekondigd in de agenda. De vragen moeten betrekking hebben op onderwerpen die actueel en dringend zijn, wat voorkomt dat de rondvraag wordt gebruikt voor zaken die niet direct behandeld hoeven te worden. De voorzitter, in overleg met de griffier, beoordeelt of een vraag 35/37

aan deze criteria voldoet. Voorafgaand aan de indiening van de vraag overlegt de indiener met de griffier over het nut en de noodzaak van het behandelen van de vraag tijdens de vergadering. Ook wordt besproken of andere instrumenten tot hetzelfde of meer effect kunnen leiden. Als de vraag omgezet kan worden naar een technische vraag, dan volgen we deze weg. Afspraak is dat er dan binnen 5 dagen antwoord volgt. De vraag bestaat uit één of enkele korte vragen die eenvoudig en kort te beantwoorden zijn door de wethouder/burgemeester. Anders zijn raadsvragen meer geschikt. Om de vergaderingen efficiënt te laten verlopen, moeten rondvragen op de vergaderdag vóór 10.00 uur bij de griffie (via griffie@lansingerland.nl) worden aangeleverd. De voorzitter heeft het recht een vraag te weigeren als de vraag niet duidelijk is, het onderwerp al tijdens dezelfde vergadering besproken wordt, of de vraag niet voldoet aan de urgentiecriteria. Als er meerdere rondvragen zijn, bepaalt de voorzitter de volgorde waarin deze aan bod komen. De vragensteller mag zijn vraag kort toelichten, waarna het college of de burgemeester de vraag beantwoordt. Na het antwoord kunnen door de vragensteller aanvullende vragen worden gesteld, en ook andere raadsleden krijgen de mogelijkheid om aanvullende vragen te stellen over hetzelfde onderwerp.

Een discussie tussen het college, de burgemeester en de raad is echter niet toegestaan tijdens het vragenhalfuur. Het is een moment van vragen stellen en antwoorden ontvangen, zonder interrupties of verder debat. Deze regels zorgen ervoor dat de rondvraag functioneel blijft en geen aanleiding geeft tot langdurige discussies die het proces van de vergadering vertragen. Artikel 65. Raadsvragen (politieke vragen) Het vragenrecht stelt de leden van de raad in staat informatie te vragen over aangelegenheden die tot de bevoegdheid van het college of de burgemeester behoren. Het karakter van deze vragen is primair van informatieve strekking. Op grond van deze bepaling kan een raadslid schriftelijke vragen stellen aan het college of de burgemeester, al naar gelang wie verantwoordelijk is. Deze dient de vragensteller gemotiveerd in kennis te stellen indien de beantwoording niet binnen de gestelde termijnen kan plaatsvinden. Schriftelijke vragen zijn een belangrijk instrument voor raadsleden om informatie te verkrijgen buiten de vergaderingen om. Artikel 66. Inlichtingen In artikel 66 wordt een procedurele uitwerking gegeven van de inlichtingenplicht die het college en de burgemeester hebben ten opzichte van de raad.

De passieve inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 169, derde lid, van de wet is de klassieke informatieplicht die het college opdraagt de door de raad gevraagde inlichtingen te verstrekken, tenzij het openbare belang zich daartegen verzet. Dit recht om inlichtingen te vragen komt eveneens toe aan individuele raadsleden. Daarmee wordt voorkomen dat een raadsmeerderheid om (partij)politieke redenen belemmeringen opwerpt tegen het vragen van inlichtingen door een raadslid of raadsminderheid. De weigeringsgrond ‘strijd met het openbaar belang’ is, zo blijkt uit de bewoordingen van artikel 169 van de wet, wettelijk objectief en algemeen omschreven. Het moet dan gaan om zwaarwegende belangen. Zie ook het ‘Handvest actieve informatieplicht gemeente Lansingerland’ (BV07.0035).

36/37

Hoofdstuk 7. Slotbepalingen Artikel 68. Uitleg reglement In gevallen waarin dit reglement niet voorziet, of als er onduidelijkheid is over de toepassing, beslist de raad/raadscommissie op voorstel van de voorzitter. Dit artikel biedt een oplossing voor situaties waarin de regels niet duidelijk zijn of niet van toepassing lijken te zijn. Artikel 69. Intrekking oude reglementen Dit artikel zorgt ervoor dat de oude reglementen worden ingetrokken en vervangen door het nieuwe reglement. Artikel 70. Inwerkingtreding en citeertitel Dit artikel regelt wanneer het nieuwe reglement in werking treedt en onder welke naam het wordt aangehaald. Dit is belangrijk voor de juridische geldigheid en zorgt ervoor dat iedereen weet welk reglement van toepassing is.

37/37

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lansingerland&id=22e4e90b-bcab-4ccd-a8f6-56158c5f6f00