CConstaterende datLansingerland
Koppel je AI →
Document · PDF

[T24.03350] Nota vooroverleg bouwsteen 1

Commissie Ruimte 24 juni 2025, gemeente LansingerlandBij agendapunt: Vaststellen wijziging omgevingsplan - bouwsteen 1 bestaande woonwijken9.621 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Nota vooroverleg bouwsteen 1 Bestaande woonwijken

Datum: 3 februari 2025 Corsanummer: T24.03350

Inhoud Hoofdstuk 1 Vooroverleg ..................................................................................................... 3 1.1 Inleiding ............................................................................................................. 3 Hoofstuk 2 Overlegreacties .................................................................................................. 4 2.1 Overlegreacties en gemeentelijke reactie en conclusie per overlegreactie ................................ 4 1.

Provincie Zuid-Holland (I24.16020)................................................................................ 4

2.

GGD Rotterdam-Rijnmond (T24.06655) ........................................................................... 8

3.

Luchtverkeersleiding NL/CNS-Radioapparatuur (T24.06653) ................................................. 9

4.

TenneT TSO B.V. (I24.16068) ..................................................................................... 10

5.

Rijkswaterstaat (T24.06654) ..................................................................................... 10

6.

Natuur- en Vogelwacht “ROTTA” (T24.06659) ................................................................ 10

7.

DCMR Milieudienst Rijnmond (T24.06660) ..................................................................... 11

8.

N.V. Nederlandse Gasunie (T24.06661) ......................................................................... 17

9.

Hoogheemraadschap van Delfland (I24.16019) ................................................................ 18

10.

Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (I24.16336) .............................. 20

11.

Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (T24.06658) ....................................................... 21

12.

Dunea Duin en Water (I24.16023) ............................................................................ 22

13.

Prorail (I24.16025) .............................................................................................. 23

14.

Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (T24.06656) ...................................................... 23

2.2 Eindconclusie ......................................................................................................... 24

2

Hoofdstuk 1 Vooroverleg 1.1 Inleiding Op 20 december 2023 is de kennisgeving van het voornemen voor de wijziging van het omgevingsplan gepubliceerd in het gemeenteblad. In deze kennisgeving is aangegeven hoe de ketenpartners betrokken worden bij deze wijziging. Op 18 april 2024 is het vooroverleg met de ketenpartners gestart. Vanwege het nieuwe karakter van het instrument ‘omgevingsplan’ en de bijbehorende juridische en technische complexiteit, zijn de ketenpartners ook uitgenodigd voor een gesprek. In dit gesprek is het omgevingsplan nader toegelicht en eventuele vragen zijn meteen besproken. De volgende instanties zijn benaderd met het verzoek om voor 30 mei 2024 te reageren (een reactie kon bestaan uit een inhoudelijke reactie of een verzoek voor een gesprek): - Provincie Zuid-Holland - Rijkswaterstaat - Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed - Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond - GGD Rotterdam-Rijnmond - Hoogheemraadschap van Delfland - Hoogheemraadschap van Schieland en Krimpenerwaard - Dunea Duin en Water - Natuur- en Vogelwacht “ROTTA” - DCMR Milieudienst Rijnmond - Stedin B.V. (Eneco Netbeheer) - N.V. Nederlandse Gasunie - VWS Pipeline Control - TenneT TSO B.V. - ProRail Regio Randstad Zuid - RET N.V.

- Rotterdam The Hague Airport - Luchtverkeersleiding NL/CNS-Radioapparatuur Van de volgende instanties hebben we een inhoudelijke reactie ontvangen: - Provincie Zuid-Holland - Rijkswaterstaat - Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed - Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond - GGD Rotterdam-Rijnmond - Hoogheemraadschap van Delfland - Hoogheemraadschap van Schieland en Krimpenerwaard - Dunea Duin en Water - Natuur- en Vogelwacht “ROTTA” - DCMR Milieudienst Rijnmond - N.V. Nederlandse Gasunie - TenneT TSO B.V. - ProRail Regio Randstad Zuid - Luchtverkeersleiding NL/CNS-Radioapparatuur 3

Hieronder vindt u een zakelijke samenvatting van de overlegreacties en gemeentelijke reactie op deze overlegreacties, waarbij gemotiveerd wordt aangegeven op welke punten al dan niet tot aanpassing van het omgevingsplan wordt overgegaan (paragraaf 2.1) en een eindconclusie (paragraaf 2.2). Hoofstuk 2 Overlegreacties 2.1 Overlegreacties en gemeentelijke reactie en conclusie per overlegreactie De ontvangen reacties zijn hieronder (ambtshalve) kort samengevat en voorzien van gemeentelijk commentaar en een conclusie. 1. Provincie Zuid-Holland (I24.16020) Samenvatting Met de provincie Zuid-Holland zijn twee ambtelijke overleggen op het gemeentehuis gevoerd. In deze overleggen is het omgevingsplan toegelicht. De provincie heeft op 6 september 2024 een officiële reactie gegeven op het vooroverleg. In deze reactie staat het volgende: Naar aanleiding van vragen licht de provincie het een en ander toe over de instructieregels die zien op het grondwater. In het kort komen de instructieregels erop neer dat de gemeente bij een bouwactiviteit moet zorgen dat de grondwaterkwaliteit wordt beoordeeld. Als het grondwater is verontreinigd, dan moet deze verontreiniging verwijderd worden. Als de gemeente aan kan tonen dat er geen verontreiniging te verwachten is dan hoeft de eis van (bodem)onderzoek op die locaties niet in de planregels te worden opgenomen.

Lansingerland heeft geen ‘verwachtingenkaart’ van de staat van het grondwater. Daarom geldt er een algemene onderzoekplicht. Het omgevingsplan bouwsteen 1 is beleidsarm. Het is een onderdeel van het toekomstig “gemeente dekkend” omgevingsplan. De provincie vindt het belangrijk dat er een integraal kader komt. De keuzes die voor bouwsteen 1 worden gemaakt, dienen goed onderbouwd te zijn, verder is van belang dat de keuzes in lijn zijn met provinciaal beleid. De onderstaande aandachtspunten zijn voor bouwsteen 1 en de daaropvolgende bouwstenen. Ook zijn deze onderwerpen voor de omgevingsvisie 2.0.: In het provinciaal beleid wordt gewerkt naar gezonde (woon)buurten waarbij minder automobiliteit is en meer fietsen, ov, etc. Dit is nog niet terug te zien in de gemeentelijke parkeernormen en in een visie op mobiliteit. Parkeernormen worden geregeld in de gemeentelijke parkeerverordening/beleid. Via een dynamische verwijzing naar deze beleidsregels is er een koppeling in het omgevingsplan opgenomen, maar de nieuwe parkeernormen uit ons Omgevingsbeleid gelden niet voor bestaande situaties. De provincie geeft aan dat de gemeente deze nieuwe parkeernormen in het gemeentelijke parkeerbeleid moeten verankeren.

De provincie stelt hierbij de volgende vragen aan de gemeente: - Is er in het omgevingsplan voldoende ruimte om dit vorm te geven? - Ruimte voor fiets en voetganger, maar ook voor deelmobiliteit of oplaadvoorzieningen voor elektrische auto’s? - Hoe zit het met OV en bijvoorbeeld parkeervoorzieningen voor de fiets?

4

Functiemenging kan als oplossing gezien worden voor het combineren van verschillende opgaven en het vergroten van mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik. Vaak wordt dan gekeken naar mogelijkheden om te wonen op bedrijventerreinen, maar wat ons betreft betekent dat ook dat er meer ruimte voor werken komt in bestaande woonwijken. De gemeente vraagt zich af wat hiervoor geregeld kan worden. Artikel 7.47b (voldoende betaalbare woningbouw) uit de omgevingsverordening van de provincie ZuidHolland stelt; Een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling voor wonen mogelijk maakt voorziet in voldoende betaalbare woningbouw. Onder voldoende wordt in ieder geval verstaan 2/3 betaalbare woningbouw. Bij het bekijken van de woningbouwprogramma’s in de provincie heeft de provincie naast de nieuwbouwprojecten steeds meer aandacht voor de bestaande voorraad. Het belang om juist in die bestaande voorraad sociale en betaalbare woningbouw te borgen wordt steeds groter. De vraag van de provincie is wat kan het nieuwe omgevingsplan hierin betekenen? Bij de energietransitie lopen we op dit moment aan tegen de grenzen van met name ons elektriciteitssysteem. Netcongestie, disbalans in vraag en aanbod.

De provincie stelt de volgende vraag: Biedt het omgevingsplan voldoende ruimte om dit systeem ook in de bestaande woonwijken aan te passen voor de toekomst? Denk daarbij bijvoorbeeld aan buurtbatterijen, maar wellicht ook voorzieningen als wijkstations. Reactie Deze wijziging van het omgevingsplan ziet op bestaand woongebied, waarin traditioneel geen of weinig nieuwe ontwikkelingen te verwachten zijn. In zekere zin is het gebied ‘af’. Hieronder wordt gereageerd op het punt mobiliteit: De openbare ruimte van dit plangebied is structureel ingericht en het is niet de verwachting dat daar veel verandering in zal plaatsvinden in de toekomst. De regels van het omgevingsplan zullen volgens ons daarom twee doelen moeten dienen: 1. dat ingrepen in de vorm van bouwen, verharding aanbrengen of verharding verwijderen in de bestaande openbare ruimte geen belemmering opleveren voor ontwikkeling van deelmobiliteit, oplaadvoorzieningen, OV en fietsparkeren in de toekomst; en 2. dat nieuwe gebruiksfuncties alleen worden toegelaten als er wordt voldaan aan parkeernormen. Tot op heden is het parkeerbeleid uit 2014 nog van kracht. De gemeente is bezig met nieuw parkeerbeleid. De opmerkingen wat betreft het parkeerbeleid worden meegenomen in dit proces. Daarnaast bevat de provinciale omgevingsverordening alleen regels over parkeernomen voor sociale huurwoningen en stationsomgevingen.

De eerste wijziging van het omgevingsplan bevat een vergunningplicht om woningen qua gebruik toe te voegen. In de beoordelingsregels bij deze vergunningplicht staat dat voldaan moet worden aan de instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening. Als er een nieuw initiatief zich aandient voor het toevoegen van woningen (sociale huur of in een stationsgebied) zal voldaan moeten worden aan de parkeernomen uit de provinciale omgevingsverordening. Om dit nog meer tot uitdrukking te brengen hebben wij een extra toevoeging gedaan aan de beoordelingsregels. Hierin worden de parkeernormen uit de provinciale omgevingsverordening nog explicieter genoemd. Het eerste punt lichten we hier nader toe. De systematiek die we hebben gekozen gaat uit van werkingsgebieden voor wegen (daarbij maken we onderscheid in gemeentelijke wegen, provinciale wegen en 5

rijkswegen) en voor water/groen. De reikwijdte van deze werkingsgebieden is niet helemaal gelijk aan de voormalige bestemmingen verkeer, groen en water. Wij gaan bijvoorbeeld uit van ruimere en wat globalere werkingsgebieden voor de infrastructuur ten opzichte van de voormalige verkeersbestemmingen. Dat betekent dat de hoofdwegenstructuur wordt verwerkt in werkingsgebied en dat de bermen, stoepen en fietspaden die daar naast liggen ook deel uitmaken van dat werkingsgebied. Voor water en groen gaan we uit van één werkingsgebied. Daarin worden de water- en groenbestemmingen samen opgenomen. Binnen deze ruime werkingsgebieden gelden regels die op het volgende neerkomen: - Bouwen is niet toegestaan zonder vergunning. Dat geldt zowel binnen het werkingsgebied water/groen als binnen de werkingsgebieden voor de wegen. Ingrepen die onevenredig negatieve gevolgen hebben voor de oogmerken ten behoeve waarvan de regels zijn gesteld worden niet vergund. De oogmerken zijn: o het behoeden van de staat en werking van infrastructuur; o het voorkomen of beperken van hinder; o het beschermen van de gezondheid; o het waarborgen van de veiligheid; o het bevorderen en beschermen van biodiversiteit; en o de ruimtelijke kwaliteit. - Voor activiteiten op of in de bodem zijn de regels voor de werkingsgebieden water/groen anders dan die voor de werkingsgebieden van de wegen.

Dat hangt samen met het gegeven dat wijzigingen aan wegen ook gevolgen kunnen hebben voor – bijvoorbeeld – geluidbelasting, zodat daarvoor een specifiek kader nodig is. Binnen werkingsgebieden voor water/groen zijn de activiteiten verboden zonder vergunning. Ook hier geldt dat de vergunning alleen kan worden verleend als de oogmerken niet worden aangetast. De oogmerken zijn: o het beschermen van waterstaatkundige belangen; o het beschermen van het woon- en leefmilieu; o het beschermen van de ruimtelijke kwaliteit; o het beschermen en bevorderen van biodiversiteit. In de werkingsgebieden van de wegen zijn alleen activiteiten toegestaan die zien op de bestaande infrastructuur: o het in stand houden van een weg; o het plaatsen van opstallen van algemeen nut, zoals straatmeubilair en afvalverzamelvoorzieningen; o het aanleggen en in stand houden van parkeer-, en groenvoorzieningen; o het aanbrengen en in stand houden van geluidwerende voorzieningen; o het aanbrengen en in stand houden van water, wateropvang- en infiltratievoorzieningen; o het aanbrengen en in stand houden van leidingen en openbare nutsvoorzieningen; o het aanbrengen en in stand houden van bijbehorende kunstwerken en overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde; en o bijbehorende reguliere onderhoudswerkzaamheden.

Dit samenstel van regels zorgt ervoor dat ingrepen die een belemmering kunnen vormen voor de genoemde oogmerken worden voorkomen. De belangen van ontwikkeling van deelmobiliteit, oplaadvoorzieningen, OV en fietsparkeren in de toekomst worden impliciet gedekt door de oogmerken waaraan wordt getoetst. Om te voorkomen dat hierover discussie ontstaat, maken we dit nog expliciet. We voegen 6

de specifieke oogmerken aan het plan toe, zodat deze belangen expliciet naar voren komen in het toetsingskader. We willen deze oogmerken toevoegen: het bevorderen en ontwikkelen van deelmobiliteit; het bevorderen en ontwikkelen van elektrisch vervoer; het bevorderen en ontwikkelen van fietsverbindingen; het bieden van ruimte aan openbaar vervoer. Hieronder volgt een reactie op de ruimte voor werken in woonwijken. In lijn met de ambities uit de omgevingsvisie is daarvoor opgenomen dat in het gebiedstype ‘linten binnen de woonwijken’ en binnen het gebiedstype ‘wijkcentra’ kleinschalige bedrijvigheid (ambachtsbedrijven) met een binnenplanse vergunning kunnen worden mogelijk gemaakt. Dezelfde aanpak geldt voor nieuwe locaties voor binnensport zoals een yogastudio. Verder geldt een binnenplanse mogelijkheid om bedrijvigheid aan huis toe te staan binnen het gehele werkingsgebied van bouwsteen 1. In aanvulling daarop hebben we er voor gekozen om op de percelen waar op dit moment al bedrijvigheid (legaal) is toegelaten, dit voor de toekomst ook toe te staan, waarbij er niet langer meer per perceel wordt voorgeschreven welke bedrijvigheid er is toegestaan (zoals dat bij de bestemmingsplannen wel gebruikelijk was), we werken niet meer met de sbi-codes. In plaats daarvan sturen we op gebruiksruimte (geluid en geur vooral).

Dat betekent dat de bedrijfspercelen die er zijn, voor meer soorten bedrijvigheid kunnen worden gebruikt dan voorheen, zolang er maar wordt voldaan aan de milieugebruiksruimte. Verder hebben we voor de maatschappelijke activiteiten in de vorm van overheids-, medische, sociaalculturele en vergelijkbare voorzieningen gekozen om deze overal toe te staan (zonder vergunningplicht), tenzij dit ten koste gaat van bestaande woningen. Het op peil houden van de woningvoorraad heeft dus voorrang. De reactie op betaalbare woningen is als volgt: Het toevoegen van nieuwe woningen in dit gebied zal – als het al gebeurt – niet vaak voorkomen. Mocht er toch behoefte zijn om nieuwe woningen toe te voegen, wat betreft het wijziging van het gebruik, dan kan dat in de woonwijken binnenplans. Overigens hoeft het niet te gaan om nieuwbouw, maar het kan ook gaan om het splitsen van een grote woning in twee kleinere woningen. Of om het transformeren van bedrijfspercelen. Bij de afweging of de vergunning wordt verleend zal worden beoordeeld of de toevoeging wenselijk is, gelet op de ambities van de gemeente. In het toetsingskader voor die vergunning is tevens opgenomen dat er geen strijd mag zijn met de provinciale verordening. Expliciet is opgenomen dat er voldaan moet worden aan de parkeernormen uit de omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland voor zover er sprake is van sociale huur.

Voorts is, zoals hierboven aangegeven, er voor gekozen om nieuwvestiging van gebruiksactiviteiten niet toe te laten in bestaande woningen. Zo wordt de bestaande woningvoorraad behouden. Gelet op de aard van het gebied en de relatief geringe ruimte voor nieuwe ontwikkelingen is het niet mogelijk om een eis van 2/3de betaalbare woningbouw in het plan op te nemen. Nieuwbouw zal in dit gebied sporadisch voorkomen, met slechts een of twee woningen tegelijk, door particuliere eigenaren. Op de reactie van de provincie over de energietransitie wordt als volgt gereageerd: Wij zien de benadering hiervoor min of meer zoals de aanpak omtrent OV vervoer, fietsroutes, laadpunten etc. Het plan moet geen belemmering opleveren. Om dit expliciet te maken zullen wij de energietransitie en de belasting van het elektriciteitssysteem ook opnemen als een van de oogmerken waaraan getoetst wordt. Binnen de grenzen van het plangebied zien wij op dit moment geen mogelijkheden voor recht-

7

streeks opnemen van ruimtereserveringen voor buurtbatterijen of soortgelijke voorzieningen. Er zijn beleidsmatig daarin nog keuzes te maken die via de band van omgevingsvisie 2.0 zullen uitkristalliseren. Het binnenplans toestaan van dergelijke voorzieningen vergt voorts nader onderzoek als het gaat om veiligheid, blusmiddelen, etc. Overleg met veiligheidsregio’s en brandweer wijst uit dat dit geen sinecure is, waardoor maatwerk noodzakelijk is. Nieuwe initiatieven die passend zijn kunnen daarom met een BOPA worden gerealiseerd. Wel biedt bouwsteen 1 meer ruimte om aan de voorgevel van een woning makkelijker vergunningvrij een warmtepomp te plaatsen. Zo wordt in bestaand bebouwd gebied toch door een simpele verruiming van regels meegewerkt aan de doelstellingen van de warmtetransitie. Conclusie Naar aanleiding van de reactie van de provincie wordt aan de regels de parkeernormen uit de provinciale omgevingsverordening toegevoegd.

2. GGD Rotterdam-Rijnmond (T24.06655) Samenvatting GGD Rotterdam-Rijnmond geeft aan belang te hebben bij het beschermen van de gezondheid en daarover basisadviezen te geven. De GGD Rotterdam-Rijnmond raadt de gemeente aan om verschillende gezondheidsaspecten mee te nemen in het omgevingsplan bouwsteen 1. Over het gezondheidsaspect geluid adviseert de GGD om zo dicht mogelijk bij de gezondheidskundige waarden te komen door maatregelen te treffen. De maatregelen kunnen bronmaatregelen, maatregelen in de overdracht of maatregelen bij de ontvanger zijn. De GGD adviseert daarnaast om regels op te nemen om gevoelige bestemmingen op afstand van drukke wegen te beschermen. Dit vanwege de luchtkwaliteit. De GGD geeft hiervoor gewenste afstanden voor nieuwe scholen en kinderopvanglocaties. Voor magneetvelden en het elektriciteitsnetwerk geeft de GGD het volgende aan: probeer zoveel als redelijkerwijs mogelijk situaties te voorkomen van woningen, scholen en kindercentra binnen magneetvelden sterker dan jaargemiddeld 0,4 microtesla. Voor geur- en lichthinder adviseert de GGD de relevante en benodigde inzet te bepalen. Hetzelfde geldt voor levensloopgeschikte woningen. Daarnaast noemt de GGD de volgende onderwerpen; watertappunten, schaduw richtlijn, koelsystemen vastgoed, pollen, waterkwaliteitscheck, bodemloodkwaliteit en windturbines.

Reactie Bouwsteen 1 ziet op bestaand bebouwd gebied, de bestaande woonwijken. In dit gebied worden geen grote nieuwe ontwikkelingen verwacht. Deze eerste wijziging van het omgevingsplan voldoet aan de instructieregels van het rijk, deze staan in het Bkl. Deze instructieregels zien voor een deel op de borging van het leefklimaat en de gezondheid. Als een gemeente strengere regels wil opnemen dan het Bkl, moet dit goed gemotiveerd worden vanuit de omgevingsvisie en de eventuele omgevingsprogramma’s. De omgevingsvisie 1.0 geeft hier onvoldoende kaders voor. 8

In een eerder stadium hebben gesprekken plaatsgevonden met de GDD en de gemeente over de hierboven staande onderwerpen. Daarin is ook een eerste gezamenlijke verkenning gedaan over de mogelijkheden om de onderwerpen in juridische regels vast te leggen. Ook uit deze gesprekken kwam naar voren dat de onderwerpen eerst integraal afgewogen moeten worden in de omgevingsvisie. Vanwege de hiervoor genoemde reden nemen wij de door de GGD genoemde punten niet mee in bouwsteen 1. Deze punten dienen eerst afgewogen te worden op omgevingsvisie niveau voordat ze juridisch vertaald kunnen worden in het omgevingsplan. Conclusie Deze reactie wijzigt de eerste wijziging van het omgevingsplan bouwsteen 1 niet. 3. Luchtverkeersleiding NL/CNS-Radioapparatuur (T24.06653) Samenvatting Luchtverkeersleiding NL/CNS-Radioapparatuur geeft aan dat er geen beperkingen gelden vanwege communicatie-, navigatie- en surveillance-apparatuur van Luchtverkeersleiding Nederland. Er wordt aangegeven dat de gebieden vallen in het toetsingskader, maar dat deze niet worden doorsneden. Voor de zekerheid heeft de luchtverkeersleiding de toetsingsvlakken meegestuurd. Hierover geven ze aan dat doorsnijding van de toetsingsvlakken niet automatisch betekent dat een bouwplan niet mogelijk is.

Wel wil de luchtverkeersleiding bij deze gevallen de eventuele gevolgen van het plan voor de goede werking van de apparatuur beoordelen en hierover advies uitbrengen. Reactie Het document dat is toegestuurd tijdens het vooroverleg laat een toets zien aan de gebieden die op grond van artikel 5.161a Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna Bkl) zijn aangewezen. De toets aan de regels in hoofdstuk 5 van het Bkl voor wat dit betreft is correct gedaan. Wel wordt opgemerkt dat voor Rotterdam The Hague Airport een luchthavenbesluit geldt. Een luchthavenbesluit is juridisch een voorbereidingsbesluit (artikel 4.16 Omgevingswet). Het omgevingsplan zal dus het luchthavenbesluit in acht moeten nemen, wil het kunnen worden vastgesteld, zoals staat in artikel 4.104, tweede lid, Invoeringswet Ow. Dit artikel bepaalt dat de werking van het voorbereidingsbesluit pas eindigt als er een omgevingsplan in werking treedt (of is vernietigd) dat het voorbereidingsbesluit verwerkt. Daarnaast is er binnen dit werkingsgebied sprake van een beperkingengebied activiteit als bedoeld in hoofdstuk 10 van het Besluit activiteiten leefomgeving (hierna Bal). Dat betekent dat bouwen daar niet is toegestaan zonder vergunning, tenzij er wordt voldaan aan de bepalingen van het omgevingsplan. Deze bepalingen moeten dus in overeenstemming zijn met het luchthavenbesluit.

De hoogtebeperkingen vanuit het luchthavenbesluit voor Rotterdam The Hague Airport worden in acht genomen. De systematiek is daarbij als volgt: de bouwregels voor hoofdgebouwen regelen dat hoofdgebouwen nooit hoger kunnen zijn dan 12 meter (vaak is de bouwhoogte lager). Voor bijbehorende bouwwerken geldt een nog lagere bouwhoogte van maximaal 4 meter. De overige bouwwerken zijn nog lager dan 4 meter. Dit betekent dat de hoogtebeperkingen in het gehele plangebied in acht wordt genomen. Conclusie De regels afkomstig uit het luchtvaartbesluit van Rotterdam The Hague Airport worden verwerkt in het omgevingsplan. 9

4. TenneT TSO B.V. (I24.16068) Samenvatting Binnen de grenzen van bouwsteen 1 heeft TenneT geen bovengrondse- en ondergrondse hoogspanningsverbindingen in beheer. Daarom zijn er geen opmerkingen. Conclusie Deze reactie wijzigt de eerste wijziging van het omgevingsplan bouwsteen 1 niet.

5. Rijkswaterstaat (T24.06654) Samenvatting Rijkswaterstaat geeft aan dat zij kijkend naar de belangen van Rijkswaterstaat West-Nederland Zuid geen aanleiding zien om te reageren op het plan. Conclusie Deze reactie wijzigt de eerste wijziging van het omgevingsplan bouwsteen 1 niet. 6. Natuur- en Vogelwacht “ROTTA” (T24.06659) Samenvatting Natuur- en Vogelwacht “ROTTA” geeft aan de volgende doelstelling te hebben: natuurbehoud, natuurontwikkeling en versterking van de biodiversiteit. Er wordt aangegeven dat het plangebied van bouwsteen 1 niet direct de omgeving is waar zij zich in eerste aanzet op richten. Zij geven wel een aantal punten aan, namelijk het belang van luchtkwaliteit in de bestaande woonwijken. Ook wordt aangegeven dat natuurinclusief bouwen uit de provinciale verordening moet worden meegenomen in nieuwe bouwactiviteiten van de gemeente. Reactie Bij het opstellen van de regels is er gekeken naar mogelijkheden om regels te vereenvoudigen of om procedures eenvoudiger te maken. Dat heeft erin geresulteerd dat in gebieden die zijn aangeduid als ‘wijkcentra’ en ‘woonwijken’ nieuwe hoofdgebouwen niet zondermeer zijn toegelaten. Hiervoor geldt een vergunningplicht. Nieuwe hoofdgebouwen binnen de ‘linten’ worden met dit plan niet mogelijk gemaakt, ook niet met een vergunning. Al met al zijn de bouwmogelijkheden die bouwsteen 1 biedt zeer beperkt.

Van belang is dat aansluiting op (structurele) groen- en waterelementen onderdeel zijn van de beoordeling van nieuwe initiatieven. Natuurbehoud en natuurontwikkeling spelen bij de afweging om wel of niet een vergunning te verlenen als zodanig een rol. Onderwerpen die belangrijk zijn, maar waarvoor op dit moment nog geen of onvoldoende beleidsmatige keuzes zijn gemaakt, zijn nog niet in de regels verwerkt. De reden daarvoor is dat de beleidsmatige keuzes eerst integraal in de omgevingsvisie of in omgevingsprogramma’s moeten worden afgewogen. Daarna kunnen de keuzes worden verwerkt in de regels van het omgevingsplan. Daarom vindt u op dit

10

moment voor het gebied van bouwsteen 1 nog geen regels over natuurinclusief bouwen, biodiversiteit, etc. Wanneer de beleidsmatige kaders daarvoor gereed zijn, worden deze bij gelegenheid verwerkt in het omgevingsplan. De instructieregels van de provincie die betrekking hebben op biodiversiteit en klimaatadaptatie zijn van toepassing op stedelijke ontwikkelingen. Daaronder wordt begrepen ontwikkelingen die 12 of meer woningen mogelijk maken. In bouwsteen 1 zijn dergelijke ontwikkelingen niet voorzien. Ten aanzien de opmerking over de kwaliteit van de buitenlucht, het volgende. Bouwsteen 1 maakt geen van de nieuwe ontwikkelingen uit de verwezen artikelen uit het Bkl mogelijk, als gevolg waarvan deze regel niet in het geding is. Daarom is dat ook niet terug te zien in het omgevingsplan. De geplaatste opmerking heeft vooral betrekking op de huidige luchtkwaliteit en of en hoe die kan worden verbeterd. Die vraag valt buiten de reikwijdte van dit omgevingsplan. Ook daarvoor zal een integrale afweging gemaakt moeten worden in de omgevingsvisie (en eventueel verder uitgewerkt in een omgevingsprogramma). In het concept voor bouwsteen 1 is overigens wel een regel opgenomen die ertoe strekt dat bepaalde activiteiten niet zijn toegelaten in de buurt van drukke wegen. De aanpak is vergelijkbaar met die uit het – inmiddels vervallen – Besluit gevoelige bestemmingen.

Conclusie Deze reactie wijzigt de eerste wijziging van het omgevingsplan bouwsteen 1 niet.

7. DCMR Milieudienst Rijnmond (T24.06660) Samenvatting Met de DCMR zijn verschillende ambtelijke overleggen gevoerd per milieuaspect. De DCMR heeft ook geadviseerd op deze verschillende milieuaspecten. Dit wordt hieronder kort toegelicht. Lucht Wat betreft lucht is de DCMR akkoord met hoe de gemeente Lansingerland dit aspect heeft verwerkt in de regels. De regels uit de bruidsschat over dit onderwerp zijn correct verwerkt. Geur De meeste onderwerpen uit de bruidsschat zijn op een logische manier in het plan overgenomen. De DCMR heeft daar geen opmerkingen over. Bij de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan enkele vraagpunten open voor de DCMR. In de eerste plaats gaat dat over het aanwijzen van geurgevoelige gebouwen en dan ook speciaal over gebouwen die slechts tijdelijk zijn (minder dan 10 jaar). Een tweede vraag gaat over hoe omgegaan moet worden met industriële geuren. Er komen geen afvalwaterzuiveringsinstallaties of rioolwaterzuiveringsinstallaties voor op het grondgebied van de gemeente; regels hieromtrent zijn daarom niet nodig. DCMR heeft een overzicht gemaakt van de (potentieel) geurrelevante bedrijven in de gemeente. Daarbij is in eerste instantie alleen gekeken naar bedrijven in de veehouderij.

Op basis van een aantal SBI-sectoren is een selectie gemaakt van de postadressen waar deze bedrijven volgens de Kamer van Koophandel gevestigd zijn. Deze bedrijvenlijst is echter nog niet geheel compleet.

11

Verder heeft de DCMR in eerste instantie geadviseerd om een bebouwingscontour geur vast te laten stellen. Deze bebouwingscontour moet aangeven waar de aaneengesloten woonbebouwing begint. Het wordt de “bebouwingscontour geur” genoemd, maar is dus een contour voor geurgevoelige gebouwen. Op een later moment is samen met de DCMR een aanpak afgesproken over de manier waarop met geur wordt omgegaan in de wijziging van het omgevingsplan voor bouwsteen 1. De aanpak staat uitgeschreven in de reactie onder het kopje geur. Omgevingsveiligheid Het advies over omgevingsveiligheid is een puntsgewijs advies: De DCMR adviseert geen nieuwe LPG tankstations toe te staan in de woonwijken. De DCMR adviseert om Seveso inrichtingen uit te sluiten in het omgevingsplan. Artikel 22.39 in de bruidsschat is een nuttig artikel om over te nemen. Hierin staat een beperking voor het vergunningvrij bouwen vanwege externe veiligheidsrisico’s. Daarnaast is het advies om voor de zekerheid de bescherming van 22.39 toe te passen, zodat geen vergunningvrije dakkapellen en serres binnen de veiligheidsafstand van een risicovolle activiteit gebouwd kunnen worden. Het artikel uit het Bkl over plaatsgebonden risico: tijdelijke afwijking kwetsbare gebouwen en locaties is voor tijdelijke situaties, gebouwen die nu al binnen de plaats gebonden afstand liggen kunnen in 3 jaar zorgen dat ze voldoen.

Bijvoorbeeld doordat de afstand voor het plaatsgebonden risico niet bekend was of gewijzigd is, of de functie van het gebouw. Er is dan 3 jaar om de situatie te veranderen. Of voor nieuwe situaties waarbij afwijken tijdelijk wenselijk is. Het is niet nodig dit artikel aan te houden, maar het geeft wel ruimte als het echt nodig is in bepaalde situaties. De DCMR is het eens met de beslissing over het basisnet. Deze situatie komt inderdaad niet voor in het plangebied. Veiligheidsafstanden van het Basisnet bereiken de gemeente Lansingerland niet. Over risicovolle activiteiten benoemd als bijlage VII in A en VII B & D geeft de DCMR aan dat deze zijn toegestaan in bepaalde gebieden. In woonwijken dienen deze te worden uitgesloten. Dan kom je op de volgende punten: o De DCMR adviseert een uitzondering te maken voor Bkl Bijlage VII A1 (Behandelen, regelen en meten van aardgas). Gasmeetregelstations komen in alle woonwijken voor en zijn voorlopig nog nodig. Die kan je niet uitsluiten in de bebouwde kom, maar moet je toelaten. o Bkl bijlage VII E zijn de meest risicovolle activiteiten en kunnen beter ook worden uitgesloten, zie voorstel in bouwsteen 1. Mogelijk is dit op een andere manier gedaan (zoals IPPC-bedrijven specifiek uitsluiten. o Als men geen nieuwe LPG- en CNG-tankstations in de bebouwde kom wenst, dan wordt dat hiermee inderdaad geregeld. Die vallen onder bijlage VII A.

De DCMR geeft daarnaast aan dat het niet verplicht is om voor een gifwolkaandachtsgebied regels op te nemen in het omgevingsplan. In het belemmeringen gebied buisleiding gevaarlijke stoffen mogen alleen beperkt kwetsbare gebouwen en kwetsbare gebouwen met een functionele binding toegelaten worden. Hier mogen geen zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare gebouwen zonder functionele binding worden toegelaten. Bodem Eerder is een advies van de DCMR ontvangen om het thema bodem gemeentebreed te regelen, dus met een thematische wijziging voor het grondgebied van de hele gemeente. Over opnemen van de provinciale instructieregels voor grondwatergevoelige gebouwen en locaties adviseert de DCMR het volgende: - Voor het opnemen van de begripsbepalingen behorend bij deze artikelen wordt geadviseerd hier één lijn in te trekken. 12

-

Geadviseerd wordt alle instructieregels met betrekking tot de grondwaterkwaliteit en bouwen te verwerken in het omgevingsplan. In de wijziging van het omgevingsplan is een meldplicht voor grondwatergevoelige gebouwen opgenomen. Deze komt voort uit artikel 7.34 (Melding bouwactiviteit) in de ZHOV. Dit artikel is echter alleen van toepassing als geen omgevingsvergunning is vereist. Deze instructieregel uit de ZHOV is niet juist verwerkt. Deze instructieregel is bedoeld voor bouwwerken die zonder vergunning mogen worden gebouwd, groter zijn dan 50 m2 én voldoen aan de definitie van een grondwatergevoelig gebouw.

Geluid Infrastructuur en industrie De DCMR adviseert het volgende: - ten hoogste 68 dB Lden op te nemen als grenswaarde voor gemeentelijke wegen. Op basis van artikel 5.78o Bkl is afwijking van de grenswaarde mogelijk. Vanwege het aandachtspunt bij de zaak wat betreft het ‘democratische gat’ zou de waarde zeker niet hoger gesteld moeten worden dan de Wet geluidhinder toestond. - artikel 5.78 m lid 2 sub b Bkl bepaald dat bijvoorbeeld voor woningen waarvoor in het verleden een hogere waarde is vastgesteld, deze waarde geldt i.p.v. de standaardwaarde. Het bestaande beleid wordt voorgezet en voorkomt dat bij wijziging aan een weg met woningen met hogere waarden voor wegverkeer er direct een saneringssituatie ontstaat. Het advies is om dit te verwerken. - artikel 5.78k Bkl wel te verwerken. De Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH) bepaalt het verkeer over de Randstadrail, de snelheid etc. De gemeente is verantwoordelijk als door de wijzigingen van de MRDH (snelheid, intensiteit etc.) de gpp-waarden worden overschreden. - met een grenswaarde van 70 dB (Omgevingsplan subparagraaf 5.2.1.5.1) kom je voor gecumuleerd en gezamenlijk geluid uit op waarden die volgens Miedema leiden tot een zeer slecht geluidklimaat. Voor gecumuleerd geluid is het advies een bovengrens van 65 dB en voor het gezamenlijke geluid is dit ook 65 dB.

Hiermee behoud je de mogelijkheid om in de buurt van woningen of spoorlijnen te bouwen. De huidige eerstelijnsbebouwing langs de drukke wegen en spoorwegen kan hier in principe aan voldoen. Activiteiten De DCMR adviseert het volgende: - Regels voor evenementen op een evenementenlocatie en aparte regels voor evenementen niet op een evenementenlocatie opnemen. Dit is nu opgenomen in de bruidsschat. - Wat betreft artikel 5.66 en artikel 5.67 uit het Bkl: een omgevingsplan kan, gelet op de aard of locatie van de activiteit of cumulatie, andere waarden bevatten dan de standaardwaarden. De DCMR adviseert deze flexibiliteit toe te passen. - Wat betreft artikel 5.68 uit het Bkl: Grote evenementen die plaatsvinden in de gehele gemeente (koningsdag, Sinterklaas, braderieën) al opnemen in het omgevingsplan. Een maximum aantal (grote) evenementen op het evenemententerrein waarbij men zou moeten voldoen aan een grenswaarde (dB(A) en dB(C). In het omgevingsplan benoemen hoeveel (grote) evenementen er plaatsvinden. - De DCMR adviseert als afwijking van de bruidsschat de artikelen voor het akoestische onderzoek uit te breiden. - De DCMR geeft aan dat milieuzonering nieuwe stijl een mooi middel is voor nieuwe (grote) situaties maar niet geschikt is voor bestaande situaties en het daarom navolgbaar is dat dit niet wordt toegepast voor bouwsteen 1. 13

-

De DCMR adviseert voor de woongebieden grenswaarden op te nemen voor LAmax.

Trillingen Met betrekking tot het onderdeel trillingen heeft de DCMR de volgende opmerkingen: - De gemeente heeft geen uitzondering gemaakt van tijdelijke bouwwerken (<10 jaar). - De DCMR heeft eerder geadviseerd standaard eisen uit de Stichting Bouwresearch (SBR)-richtlijn over te nemen. Later is de DCMR hierop teruggekomen, omdat deze eigen al onderdeel uitmaken van een onderliggend besluit van de Omgevingswet. - De DCMR adviseert de definities over te nemen voor trillingen uit het Bkl. - Ook adviseert de DCMR regels voor bedrijventerreinen over te nemen in deze wijziging van het omgevingsplan. - Als laatste adviseert de DCMR dat afwijken van de standaardwaarde en de grenswaarde waarschijnlijk niet relevant is voor de gemeente Lansingerland. Licht De DCMR adviseert om de volgende keuzes te maken wat betreft lichthinder: - Wil de gemeente Lansingerland lichthinder in het omgevingsplan ophangen aan de Richtlijn lichthinder van de NSVV. Zo ja, dan moet hier in het omgevingsplan een regel over opgenomen worden; - Wil de gemeente in het omgevingsplan regels opnemen ten aanzien van lichthinder.

Zo ja, wat moet hierbij het uitgangspunt zijn?; - Hoe wenst de gemeente het gebied in te delen in zones die gekoppeld zijn aan de Richtlijn lichthinder? Belangrijk is om hierbij ook in het achterhoofd te houden welke consequenties de gekozen zones hebben in de praktijk voor bestaande activiteiten; - Wil de gemeente per zone op de lichtkaart beleid vaststellen? Te denken valt bijvoorbeeld aan: alle reclame- en showroomverlichting in woongebieden (zone E3) moet uitgeschakeld worden na sluitingstijd. Of bijvoorbeeld: In de zones E1 en E2 is lichtreclame niet toegestaan. Energie Wat betreft het aspect energie adviseert de DCMR als volgt: - De bruidsschatartikelen 22.52 en daarmee ook artikel 22.51 kunnen vervallen, gezien: o Artikel 22.52: omdat dit artikel na 1 december 2023 niet meer geldt, energiebesparing is dan volledig via het Bal en het Bbl is geregeld; en o Artikel 22.51: dit artikel ziet alleen over het toepassingsbereik van artikel 22.52. - Er is ook aangegeven wat er met artikel 22.8 tot en met 22.10 over aansluitplicht op distributienetten uit de Bruidsschat is gedaan. Deze artikelen schrijven voor in welke gevallen de elektriciteitsvoorziening van een bouwwerk moet zijn aangesloten op het distributienet voor elektriciteit, gas en warmte. Geadviseerd is de artikelen voorlopig te schrappen totdat duidelijk is hoe de wetgeving wordt uitgewerkt.

- Het advies is ook om de artikelen over Energieprestatie en Milieuprestatie uit de bruidsschat te schrappen. In de toekomst zullen er meer mogelijkheden zijn voor gemeenten om te sturen op warmtetransitie maar die wetgeving is nog niet definitief.

14

Afvalwater Ten tijde van het eerste advies dat is gevraagd voor het aspect afvalwater was de oude versie van de bruidsschat verwerkt in de wijziging van het omgevingsplan. Aangegeven werd toen om dit aan te passen. Over dit thema is verder geen ander advies gegeven. Reactie Hieronder is de gemeentelijke reactie terug te vinden voor de milieuaspecten waarbij een reactie van de gemeente is vereist. Geur In het omgevingsplan wordt gedefinieerd wat geurrelevant bedrijven is. Dit is bedoeld voor de geurrelevante bedrijven die niet in het Bkl een waarde toegekend hebben gekregen. Dit deel van de aanpak ziet op de activiteiten bedoeld in artikel 5.92 van het Bkl. We definiëren de geurrelevante bedrijven doormiddel van het opnemen van bijlage bij het omgevingsplan. In die bijlage zijn alle bedrijven opgenomen (anders dan die waar het Bkl geurregels over stelt) die in de voormalige VNG Brochure voor geur een afstand hadden van 30 meter of meer. De gedachte daarbij is dat de bedrijven die een afstand hebben van 0 tot 10 meter in principe passend zijn in het gebied, daarvoor hoeven geen extra regels te worden opgenomen voor geur. Bij de nieuwvestiging van deze geurrelevante bedrijven of bij het toevoegen van geurgevoelige gebouwen/locaties wordt geregeld dat daarvoor een vergunning is vereist.

In het beoordelingskader voor deze vergunning (dus wanneer kan de vergunning worden verleend) nemen we op dat geur aanvaardbaar moet zijn. Dat geven we vervolgens ‘handen en voeten’ door middel van het verwerken van het afwegingskader uit de nieuwe handreiking. Doormiddel van dit afwegingskader kan beoordeeld worden of de geur aanvaardbaar is. Voor agrarische bedrijven blijven de regels voor geur uit de bruidsschat gelden. In het plangebied van bouwsteen 1 zijn hoogstwaarschijnlijk geen veehouderijen aanwezig. Voor de veehouderijen die in de buurt liggen van bouwsteen 1 gelden de bruidsschatregels nu ook al. Er wordt geen bebouwingscontour geur op dit moment opgenomen, omdat dit verder strekt dan de grenzen van bouwsteen 1. Het eindresultaat van deze aanpak voor agrarische bedrijven is dat de bruidsschatregels gewoon blijven gelden voor zover het geur door deze bedrijven betreft. Omgevingsveiligheid In hoofdstuk 4, specifiek afdeling 4.2, worden de volgende gebieden aangewezen:  belemmeringengebied buisleiding gevaarlijke stoffen gas;  belemmeringengebied buisleiding gevaarlijke stoffen brandstof;  brandaandachtsgebied;  explosieaandachtsgebied.

In deze afdeling zijn de aandachts- en belemmeringengebieden aangewezen zoals die ook worden genoemd in het Bkl. Het gaat om wettelijk bepaalde gebieden die zijn ingegeven door een specifiek onderwerp, namelijk omgevingsveiligheid. Op advies van de DCMR wordt het gifwolkaandachtsgebied inderdaad niet geregeld in het omgevingsplan.

15

In de twee belemmeringgebieden buisleiding gevaarlijke stoffen zijn geen zeer kwetsbare en kwetsbare gebouwen toegestaan. Voor kwetsbare gebouwen geldt er een uitzondering voor gebouwen die functionele binding hebben met de buisleiding. Dit blijkt uit Paragraaf 4.2.1 Belemmeringengebied buisleiding gevaarlijke stoffen gas en Paragraaf 4.2.2 Belemmeringengebied buisleiding gevaarlijke stoffen brandstof. Door het opnemen van deze regels wordt aangesloten bij de artikelen 5.18 en 19 van het Bkl. In hoofdstuk 5 zijn regels aan activiteiten verbonden die te maken hebben met externe veiligheid. In Subparagraaf 5.2.1.3.1 Plaatsgebonden risico is geregeld dat in het werkingsgebied 'plaatsgebonden risico 10-6/jaar’ het verboden is om beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen te bouwen, uit te breiden of het gebruik van gebouwen te wijzigen zodat een beperkt kwetsbaar, kwetsbaar en/of zeer kwetsbaar gebouw ontstaat. Daarnaast is het verboden om gronden te gebruiken als beperkt kwetsbare of kwetsbare locatie of het gebruik te wijzigen zodat een beperkt kwetsbare of kwetsbare locatie ontstaat. In Titel 5.3 Gebruiksactiviteiten is een vergunningplicht opgenomen in Afdeling 5.3.10 Kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen en locaties, voor het toestaan van kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen en locaties in de werkingsgebieden brand- en explosieaandachtsgebied.

Hierbij wordt direct aangesloten bij de instructieregel artikel 5.15 uit het Bkl. In afdeling 5.3 zijn de risicovolle activiteiten uit bijlage VII van het Bkl aangewezen. Nieuwvestiging is niet mogelijk op grond van het omgevingsplan. In hoofdstuk 4 van het omgevingsplan worden deze activiteiten namelijk voor ieder gebiedstype uitgesloten. In bouwsteen 1 worden geen nieuwe LPG tankstations toegestaan, daarnaast worden Seveso inrichtingen uitgesloten. Bodem

Het onderwerp bodem is nog niet verwerkt in het nieuwe deel van het omgevingsplan voor bouwsteen 1. Op basis van advies van de omgevingsdienst is besloten dat dit onderwerp zich beter leent om gemeentebreed (thematisch) om te zetten. Dit zal gebeuren wanneer de bouwsteen voor het omzetten van de gemeentelijke verordeningen wordt opgepakt. Tot dan blijven de regels voor bodem uit hoofdstuk 22 uit het omgevingsplan (de bruidsschat) gelden. Hierdoor zal er juridisch gezien geen vacuüm in regelgeving ontstaan. Wat betreft het advies over de grondwatergevoelige gebouwen en locaties is het advies van de DCMR geheel gevolgd. Zo zijn alle begrippen opgenomen in hoofdstuk 1 van het omgevingsplan. Daarnaast zijn de regels over de melding aangepast, zodat deze alleen zien op niet vergunningplichtige bouwwerken. Ook zijn alle instructieregels opgenomen in deze wijziging. Geluid Infrastructuur en industrie:

Het advies van de DCMR wat betreft de gewenste waardes die opgenomen moeten worden voor deze wijziging in het omgevingsplan, is geheel verwerkt in het omgevingsplan. Activiteiten De reactie op het advies over geluid door activiteiten van de DCMR is als volgt: - Regels over evenementen nemen we niet op. Het plangebied heeft namelijk geen evenementenlocatie. 16

-

-

Wat betreft artikel 5.66 en artikel 5.67 uit het Bkl: dit nemen we niet over in bouwsteen 1, deze wijziging ziet namelijk op de bestaande woonwijken. Dergelijke flexibiliteit hierin is onwenselijk. De regels over grote evenementen die plaatsvinden in de gehele gemeente gaan we niet opnemen. Koningsdag en andere dergelijke evenementen zijn incidenteel en een collectieve festiviteit. Daarom blijven de regels uit de bruidsschat hiervoor nog gelden. De regels over het akoestisch onderzoek gaan we niet uitbreiden, hier is geen huidig beleid voor om dit te doen. Daarnaast is dit niet verplicht in de instructieregels van het Bkl.

Trillingen In het omgevingsplan zijn regels toegevoegd voor de uitzondering voor tijdelijke bouwwerken (<10 jaar), zoals de DCMR adviseerde. De definities van het Bkl hoeven niet verwerkt te worden in het omgevingsplan. Dit komt doordat het omgevingsplan een bepaling bevat waardoor de begrippen van het Bkl of andere besluiten van toepassing zijn op het omgevingsplan. De regels uit het Bkl over bedrijventerreinen worden in deze bouwsteen nog niet overgenomen. Deze bouwsteen ziet op de bestaande woonwijken, daarom zijn regels over trillingen op bedrijventerreinen nog niet nodig. Als de bouwsteen voor de bedrijventerreinen wordt opgesteld zal hier uitvoerig naar gekeken worden. Licht Het advies van de DCMR over licht geeft veel aanknopingspunten om over na te denken. Echter, tot op heden is hier nog geen vastgesteld beleid over van de gemeente Lansingerland. Het advies zal meegewogen moeten worden in eventueel op te stellen beleid. Energie Wat betreft het advies over de artikelen van de bruidsschat over energie, wordt hierbij in het omgevingsplan volledig bij aangesloten. Deze artikelen zullen niet van het tijdelijke deel naar het nieuwe deel van het omgevingsplan worden omgezet met deze wijziging van het omgevingsplan. Afvalwater De wijziging van het omgevingsplan is al voordat het vooroverleg startte aangepast naar de nieuwste versie van de bruidsschat.

Conclusie Op verschillende punten heeft het advies van de DCMR geleid tot aanpassing van deze wijziging van het omgevingsplan. 8. N.V. Nederlandse Gasunie (T24.06661) Samenvatting Tijdens een ambtelijk overleg is uitleg gegeven aan de Gasunie over het omgevingsplan. De Gasunie heeft naar aanleiding van het gesprek een kaart opgestuurd, met daarop aangegeven de leidingen en gasontvangstations (Gasdrukmeet- en regelstation). De Gasunie heeft aangegeven dat binnen de gemeente Lansingerland meerdere gasontvangstations staan, waar de druk van aardgas vanuit het landelijke gasnet wordt verlaagd naar de gewenste druk voor het regionale gasnet.

17

Reactie Het aangeleverde kaartmateriaal is nagekeken en geconcludeerd is dat het kaartmateriaal overeenkomt met de werkingsgebieden verbonden aan de gasleidingen in bouwsteen 1. Conclusie Deze reactie wijzigt de eerste wijziging van het omgevingsplan bouwsteen 1 niet. 9. Hoogheemraadschap van Delfland (I24.16019) Samenvatting Op 10 juli 2024 heeft er een ambtelijk overleg plaats gevonden tussen de gemeente en het Hoogheemraadschap Delfland. Middels een schriftelijke reactie vraagt het Hoogheemraadschap nog aandacht voor de volgende punten: 1. Aangegeven is de bestemming water en het groen in één werkingsgebied op te willen nemen. In de situatie vóór de Omgevingswet was het vaak zo, dat ook groen onder de bestemming water kon vallen en daarmee niet voldoende beschermd was. Ook nu kunnen wij niet beoordelen, of het water voldoende beschermd wordt. 2. In het plangebied voor dit omgevingsplan is een regionale waterkering aanwezig. Voor deze waterkering verzoekt het Hoogheemraadschap een werkingsgebied of beperkingengebied in het omgevingsplan op te nemen. De vraag is om het waterstaatswerk en de beschermingszone in verschillende werkingsgebieden of beperkingengebieden op te nemen, zodat hier verschillende regels aan gekoppeld kunnen worden. 3.

Hoogheemraadschap vraagt de gemeente in de regels van het omgevingsplan twee voorwaarden op te nemen, die een belangrijke relatie met het waterbeheer hebben: a. waterberging als compensatie van verharding; Deze voorwaarde sluit aan bij de mogelijke tegeltax, waar de gemeente zich over beraadt. Het beleid van Delfland is erop gericht, dat erbij bouwen en aanleg van verhardingen een vorm van compensatie voor de opvang van het oppervlaktewater plaatsvindt. b. het realiseren van een voldoende hoog vloerpeil van bouwwerken ten opzichte van het oppervlaktewaterpeil (drooglegging). Hiermee wordt het risico beperkt, dat er (grond)wateroverlast ter plaatse van de woning optreedt. Wij zien deze aspecten ook graag terug in de regels. 4. In Afdeling 4.2 van de Waterschapsverordening Delfland staan regels voor vergunningvrije activiteiten voor steigers en vlonders, bruggen en hekwerken. De regeling in het omgevingsplan sluit hier deels wel op aan en deels niet. Voor Delfland is bijvoorbeeld de afstand ten opzichte van een ecologische zone of duiker relevant. Dit punt is niet terug te vinden in het omgevingsplan. Het Hoogheemraadschap verzoekt de gemeente om of een verwijzing naar onze regels op te nemen of om hier meer bij aan te sluiten. 5. Voor deze bouwsteen zijn de onderwerpen inzake grondwater en milieubelastende activiteiten nog niet relevant.

Het Hoogheemraadschap verzoekt deze regels wel op te nemen in de andere bouwstenen van het omgevingsplan. 18

Reactie Het Hoogheemraadschap gaf aan twijfels te hebben over bescherming van het waterbelang vanwege de wijze waarop het werkingsgebied is vormgegeven. De regels die gekoppeld zijn aan deze werkingsgebieden zijn de volgende: - Bouwen in een aanwijzing groen, water, wegen; - Activiteiten op of in de bodem: water en groen. De regels komen op het volgende neer: - Al het bouwen is vergunningplichtig. Een vergunning wordt alleen verleend als het bouwen geen nadelige gevolgen heeft voor de oogmerken die zijn gesteld. Dat zijn: o het behoeden van de staat en werking van infrastructuur; o het voorkomen of beperken van hinder; o het beschermen van de gezondheid; o het waarborgen van de veiligheid; o het bevorderen en beschermen van biodiversiteit; en o de ruimtelijke kwaliteit. - Bij de aanvraag om een vergunning voor bouwen gelden naast de gebruikelijke aanvraagvereisten ook de volgende aanvraagvereisten: o een beschrijving van de voorgenomen activiteit; o een aanduiding van de locatie van de voorgenomen activiteit. - Activiteiten op of in de bodem zijn alleen toegestaan als deze worden verricht door de beheerder van het water of het college van B&W; - Alle andere activiteiten op of in de bodem zijn vergunningplichtig.

De vergunning wordt beoordeeld aan de hand van verschillende criteria: o geen onevenredige afbreuk tot gevolg heeft van waterstaatkundige belangen; en o geen onevenredige afbreuk doet aan het woon- en leefmilieu en de natuurlijke, cultuurhistorische en landschappelijke waarden in de omgeving. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met: o de ruimtelijke kwaliteit van het openbaar gebied, waaronder een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld; o de functionele en ruimtelijke structuur; o aansluiting op groenelementen en waterelementen; o de verkeersveiligheid; o de sociale veiligheid; o het beschermen en bevorderen van biodiversiteit; en o een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. o Bij de beoordeling bedoeld in het eerste lid wordt vooraf schriftelijk advies ingewonnen bij de waterbeheerder. Naar aanleiding van de reactie van het Hoogheemraadschap om waterkeringen en waterstaatswerken te beschermen en de instructieregels uit Zuid-Hollandse Omgevingsverordening zijn de volgende gebieden toegevoegd aan de wijziging van het omgevingsplan: - Regionale waterkering; - Beperkingengebied met betrekking tot een waterkering.

19

De werkingsgebieden die gekoppeld zijn aan deze gebieden komen overeen met de aangewezen waterkeringen en beperkingengebieden van de Hoogheemraadschappen. De volgende regels zijn verbonden aan deze twee werkingsgebieden: Paragraaf 5.4.1.8 Bouwen nabij een waterkering: o Hierin staat dat het in deze twee gebieden verboden is om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen of in stand te houden; o De beoordeling van deze vergunningplicht vindt plaats volgens de volgende regels:  De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als de activiteit geen onevenredig negatieve gevolgen heeft gelet op de oogmerken. Bij de beoordeling wordt het advies van de waterbeheerder betrokken. Paragraaf 5.6.1.5 Activiteiten op of in de bodem - nabij waterkering: o Hierin staat dat het verboden is om verschillende aangewezen werk of werkzaamheden in of op de bodem uit te voeren zonder omgevingsvergunning; o Dit geldt echter niet voor het normaal onderhoud of beheer; o De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als wordt voldaan aan de volgende regels;  de activiteit heeft geen onevenredig negatieve gevolgen gelet op de oogmerken in deze paragraaf. Bij de beoordeling wordt het advies van de waterbeheerder betrokken. In de Waterschapsverordening Delfland is verharding en compensatie van verharding geregeld.

De gemeente heeft geen verder aanvullend beleidskader over het opnemen van dit soort regels. Wel maakt het omgevingsplan het niet mogelijk om zonder omgevingsvergunning in het gebied ‘water en groen’ water te dempen, te verontdiepen en verharding aan te brengen. Tot op heden is er vanuit gemeentelijk beleid geen reden om meer regels op te nemen voor verharding aanvullend op de regels van de waterschapsverordening. Voor het toevoegen van vergunningplichtige gebouwen is in de beoordelingsregels het aspect watercompensatie of verharding meegenomen voor het toetsingskader. Na extra overleg met de waterschappen hebben we aan de beoordelingsregels voor nieuwe hoofdgebouwen toegevoegd dat het begane grondvloer tenminste 1,2 m boven het waterpeil moet liggen. Bouwsteen 1 bevat de ruimtelijke regels voor het vergunningvrij bouwen van een steiger of een vlonder. De regels uit de waterschapsverordening zijn opgenomen met het doel om het belang van het water te beschermen. We hebben overwogen om steigers en vlonders vergunningplichtig te maken voor zover ze liggen in of nabij het water. Het ruimtelijk belang wat de gemeente daarmee beoogt te beschermen is daarmee echter niet gediend. Daarom zullen wij in de artikelgewijze toelichting en eventueel de toepasbare regels de verwijzing opnemen naar de regels over steigers en vlonder in de waterschapsverordening.

Op deze wijze wordt voldoende rekening gehouden het waterbelang in bouwsteen 1. Conclusie De regels van bouwsteen 1 worden aangepast en aangevuld naar aanleiding van de reactie van het Hoogheemraadschap Delfland. 10. Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (I24.16336) Samenvatting Het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard geeft aan, aan te sluiten bij de reactie van het Hoogheemraadschap Delfland. Wat betreft de regels over de steigers en vlonder geeft het

20

Hoogheemraadschap aan dat regels van de waterschapverordening afwijken van de regels de gemeente. Echter, deze regels wijken ook af van de regels van het Hoogheemraadschap van Delfland. Reactie Gezien de reactie van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard hetzelfde is als de reactie van het Hoogheemraadschap Delfland, verwijzen wij naar deze reactie op het vooroverleg van het Hoogheemraadschap Delfland. De reactie is onder punt 9 terug te vinden. Conclusie De regels van bouwsteen 1 worden aangepast en aangevuld naar aanleiding van de reactie van het Hoogheemraadschap Delfland en gezien het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard deze reactie volgt ook naar aanleiding van onderhavige reactie.

11. Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (T24.06658) Samenvatting De Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (hierna VRR) heeft enkele opmerkingen over specifieke onderwerpen uit het omgevingsplan. Hieronder worden de punten verder toegelicht: - Bij het gifwolkaandachtsgebied moet worden opgenomen dat de regels uit artikel 4.124 Bbl gelden; - De VRR vraagt de gemeente of in het omgevingsplan regels over externe veiligheid of locatieprofielen van evenementen worden opgenomen. De VRR zou hier eventueel bij kunnen adviseren; - Bij het opwekken van elektriciteit met een windturbine moeten de punten uit de Handreiking Risicozonering Windturbines (HRW 2020) worden meegenomen; - De VRR vraagt zich af of de gemeente iets wil opnemen over het wijzigen van weg en spoor; - Daarnaast vraagt de VRR zich af of de gemeente regels wil opnemen over een buurtbatterij, vervoer van ammoniak of klimaatadaptieve maatregelen. Reactie Hieronder volgt per aangedragen punt een reactie: - De constatering is dat het artikel 4.124 Bbl generiek voor iedere nieuwbouw geldt en daarom niet opgenomen hoeft te worden in het omgevingsplan. Dit is ook afgestemd met de milieudienst. - In het plangebied van bouwsteen 1 liggen geen evenemententerreinen. Daarvoor nemen we ook geen regels op. In een volgende bouwsteen kan dit wel aan de orde zijn. In dit geval vragen we de VRR om advies.

- De voorgelegde wijziging van het omgevingsplan bevat geen mogelijkheid om windturbines te realiseren in het plangebied. Het plangebied ligt daarnaast ook buiten enige invloedsfeer van bestaande om mogelijke toekomstige windturbines. Daarom is het onnodig om hier regels over op te nemen. Bij een volgende wijziging die wel zulke regels zal bevatten zal de genoemde handreiking worden meegenomen. - Binnen het plangebied worden werkingsgebieden aangewezen waar een weg of spoor mag zijn en in stand gehouden mag worden. Daarnaast zijn normale onderhoudswerkzaamheden door het aangewezen bevoegde gezag toegestaan. De regels bevatten een binnenplanse vergunningplicht voor de volgende werkzaamheden:

21

-

Spoor:  het verplaatsen van een of meer sporen met meer dan 2 m;  het verhogen of verlagen van een of meer sporen met meer dan 1 m;  een toename van het aantal sporen;  het vervangen van een spoorconstructie door een minder stille spoorconstructie; of  het verwijderen van geluidbeperkende maatregelen bestaande uit werken of bouwwerken langs de spoorweg. Weg:  het verplaatsen van een of meer rijstroken met meer dan 2 m;  het verhogen of verlagen van de rijstroken met meer dan 1 m;  verhogen van het aantal rijstroken, niet zijnde voorsorteerstroken en in- en uitvoegstroken;  het vervangen van een wegdek door een minder stil wegdek; of  het verwijderen van geluidbeperkende maatregelen bestaande uit werken of bouwwerken langs de weg. Voor het toevoegen van een weg of een spoorweg, het aanleggen van een nieuwe weg of spoorweg of verder gaande veranderingen die hierboven zijn genoemd, moet een buitenplanse omgevingsvergunning worden aangevraagd, zodat op dit moment getoetst kan worden aan het criterium een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Bij die beoordeling wordt de VRR betrokken. Voor de aspecten: buurtbatterij, vervoer van ammoniak of klimaatadaptieve maatregelen moet eerst op omgevingsvisie niveau een integrale afweging worden gemaakt in hoeverre het wenselijk is om deze aspecten juridisch te regelen in het omgevingsplan.

De huidige omgevingsvisie 1.0 biedt hiervoor te weinig kaders. Daarom worden deze aspecten niet meegenomen in de wijziging van het omgevingsplan voor bouwsteen 1.

Conclusie In deze reactie hebben we geen aanleiding gevonden om de conceptwijziging van omgevingsplan aan te passen. 12. Dunea Duin en Water (I24.16023) Samenvatting Dunea geeft aan dat het van belang is dat de transportleidingen drinkwater en transportleidingen rivierwater worden opgenomen in de omgevingsplannen. Deze zijn nu opgenomen als dubbelbestemming leiding - water. Deze ruimtelijke bescherming wil Dunea terugzien in het omgevingsplan. Reactie Deze wijziging van het omgevingsplan is een beleidsneutrale wijziging. Dit betekent dat de huidige rechten en beperkingen uit de geldende bestemmingsplannen een op een worden overgezet naar het omgevingsplan. Voor de dubbelstemmingen betekent dit dat deze worden verwerkt in een restrictiegebied. De plekken waarop de dubbelbestemming van toepassing is worden aangewezen in hoofdstuk vier als restrictiegebied om zo de leidingen te beschermen. In hoofdstuk vijf zijn de inhoudelijke beperkende regels terug te vinden over bouwwerken en werk en werkzaamheden. In het restrictiegebied leiding – Water mag namelijk niet zomaar worden gebouwd of werk of werkzaamheden in de bodem worden uitgevoerd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lansingerland&id=bb251b99-6137-4146-8e33-1bef3b58a999