[T24.03139] Was/Wordt-tabel Tweede Wijziging Verordening Sociaal Domein 2023**zie Tweede Wijzigingsbesluit T24.03137 en geconsolideerde versie T24.03141**
Tekst van het document
WAS/WORDT Tweede Wijziging van de Verordening Sociaal Domein 2023 (met toelichting)
Auteur: Shalini Sahtoe Domein: Samenleving Team: Maatschappelijke Opgaven Datum: 13 november 2024 T24.03139 1/29
Was-wordt-tabel Wijziging Hoofdstuk 3. Adviesraad Sociaal Domein Toelichting In de ‘nieuwe tekst’ zijn de woorden en zinnen waaraan iets verandert, cursief gezet en vetgedrukt. Weglatingen in de ‘oude tekst’ zijn doorgehaald. Een toelichting op de wijzigingen staat achter in dit document. Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 3.1.2
Artikel 3.1.2 Taken 1. De adviesraad is een onafhankelijk adviesorgaan voor het gemeentelijke sociaal domein dat de gemeente gevraagd en ongevraagd advies geeft op het gebied van de beleidsterreinen behorende bij de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, Jeugdwet, Participatiewet, IOAW, IOAZ en aanpalende wet- en regelgeving. 2. De adviesraad heeft als taak om: a. de gemeente vanuit de belangen en ervaringen van de verschillende doelgroepen te informeren en te adviseren over het gevoerde en nog te vormen beleid in het sociaal domein en de gemeente een onafhankelijke visie te bieden, gestoeld op de kennis en ervaring die vertegenwoordigd zijn in de adviesraad; en b. alert te zijn op ontwikkelingen en knelpunten in het sociaal domein en in dat kader een actieve relatie te onderhouden met de diverse organisaties en doelgroepen in het sociaal domein. 3. De adviesraad is niet bevoegd te adviseren over individuele klachten, bezwaarschriften en/of andere zaken die betrekking hebben op individuele burgers, tenzij deze een algemeen signaal representeren. 4. De adviesraad stelt een huishoudelijk reglement vast waarin het praktisch functioneren wordt geregeld.
Artikel 3.1.2 Taken 1. De adviesraad is een onafhankelijk adviesorgaan voor het gemeentelijke sociaal domein dat de gemeente gevraagd en ongevraagd advies geeft op het gebied van de beleidsterreinen behorende bij de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, Jeugdwet, Participatiewet, IOAW, IOAZ en het leerlingenvervoer. 2. De adviesraad heeft als taak om: a. de gemeente vanuit de belangen en ervaringen van de verschillende doelgroepen te informeren en te adviseren over het gevoerde en nog te vormen beleid in het sociaal domein en de gemeente een onafhankelijke visie te bieden, gestoeld op de kennis en ervaring die vertegenwoordigd zijn in de adviesraad; en b. alert te zijn op ontwikkelingen en knelpunten in het sociaal domein en in dat kader een actieve relatie te onderhouden met de diverse organisaties en doelgroepen in het sociaal domein. 3. De adviesraad is niet bevoegd te adviseren over individuele klachten, bezwaarschriften en/of andere zaken die betrekking hebben op individuele burgers, tenzij deze een algemeen signaal representeren. 4. De adviesraad stelt een huishoudelijk reglement vast waarin het praktisch functioneren wordt geregeld.
Artikel 3.2.2
Artikel 3.2.2 Benoeming 1. Werving van nieuwe leden vindt plaats door de adviesraad. 2. De leden van de adviesraad en de voorzitter worden na een openbare sollicitatieprocedure
Artikel 3.2.2 Benoeming 7. Werving van nieuwe leden vindt plaats door de adviesraad. 8. De leden van de adviesraad en de voorzitter worden na een openbare sollicitatieprocedure 2/29
3.
4.
5.
6.
en op voordracht van de adviesraad benoemd door de gemeente. Het dagelijks bestuur van de adviesraad motiveert de voordracht van kandidaat-leden aan de gemeente. Wanneer de gemeente besluit de benoeming van een voorgedragen lid van de adviesraad niet over te nemen, zal zij dit schriftelijk motiveren aan het dagelijks bestuur van de adviesraad. Leden kunnen op twee momenten per jaar benoemd worden, te weten op 1 januari en op 1 juli van elk kalenderjaar. De adviesraad draagt een kandidaat uiterlijk een maand voor de beoogde benoemingsdatum voor. De zittingsduur van de leden bedraagt 4 jaar. Een lid kan slechts keer worden herbenoemd voor een periode van 4 jaar.
en op voordracht van de adviesraad benoemd door de gemeente. Het dagelijks bestuur van de adviesraad motiveert de voordracht van kandidaat-leden aan de gemeente. 9. Wanneer de gemeente besluit de benoeming van een voorgedragen lid van de adviesraad niet over te nemen, zal zij dit schriftelijk motiveren aan het dagelijks bestuur van de adviesraad. 10. Leden kunnen op twee momenten per jaar benoemd worden, te weten op 1 januari en op 1 juli van elk kalenderjaar. 11. De adviesraad draagt een kandidaat uiterlijk een maand voor de beoogde benoemingsdatum voor. 12. De zittingsduur van de leden bedraagt 4 jaar. Een lid kan slechts 1 keer worden herbenoemd voor een periode van 4 jaar.
3/29
Was-wordt-tabel Wijziging Hoofdstuk 4. Maatschappelijke Ondersteuning Toelichting In de ‘nieuwe tekst’ zijn de woorden en zinnen waaraan iets verandert, cursief gezet en vetgedrukt. Weglatingen in de ‘oude tekst’ zijn doorgehaald. Een toelichting op de wijzigingen staat achter in dit document.
Artikel 4.1.4
Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 4.1.4 Beschikking 1. In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt aangegeven of deze als voorziening in natura of als persoonsgebonden budget wordt verstrekt. 2. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura vermeldt de beschikking in ieder geval: a. welke maatwerkvoorziening verstrekt wordt en wat het beoogde resultaat daarvan is; b. de ingangsdatum, de omvang en duur van de verstrekking; c. welke leverancier de ondersteuning zal leveren; d. hoe de voorziening verstrekt wordt en wat hierbij van de inwoner wordt verwacht; en e. of een bijdrage in de kosten verschuldigd is. 3. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van persoonsgebonden budget vermeldt de beschikking in ieder geval: a. het beoogde resultaat waarvoor het persoonsgebonden budget is toegekend; b. de ingangsdatum, de omvang en duur van de verstrekking; c. wat de hoogte van het persoonsgebonden budget is en hoe dit tot stand is gekomen; d. wie de ondersteuningsverlener is die de ondersteuning zal leveren; e. de termijn waarbinnen het pgb moet worden aangewend; f. de wijze van verantwoording van de besteding van het persoonsgebonden budget; en
Artikel 4.1.4 Beschikking 1. In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt aangegeven of deze als voorziening in natura of als persoonsgebonden budget wordt verstrekt. 2. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura vermeldt de beschikking in ieder geval: a. welke maatwerkvoorziening verstrekt wordt en wat het beoogde resultaat daarvan is; b. de ingangsdatum, de omvang en duur van de verstrekking; c. welke leverancier de ondersteuning zal leveren; d. hoe de voorziening verstrekt wordt en wat hierbij van de inwoner wordt verwacht; en e. dat een bijdrage in de kosten verschuldigd is. 3. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van persoonsgebonden budget vermeldt de beschikking in ieder geval: a. het beoogde resultaat waarvoor het persoonsgebonden budget is toegekend; b. de ingangsdatum, de omvang en duur van de verstrekking; c. wat de hoogte van het persoonsgebonden budget is en hoe dit tot stand is gekomen; d. wie de ondersteuningsverlener is die de ondersteuning zal leveren; e. de termijn waarbinnen het pgb moet worden aangewend; f. de wijze van verantwoording van de besteding van het persoonsgebonden budget; en
4/29
g.
4.
5.
of een bijdrage in de kosten verschuldigd is. Als met de beschikking wordt besloten tot het (gedeeltelijk) afwijzen van de gevraagde maatwerkvoorziening of de gewenste verstrekkingsvorm van een pgb, dan bevat de beschikking de grond(en) waarop deze (gedeeltelijke) afwijzing is gebaseerd. In afwijking van lid 2, onder b, wordt in de beschikking voor inwoners met een chronische aandoening of chronische beperkingen de duur van de verstrekking niet vermeld.
g. 4.
5.
of een bijdrage in de kosten verschuldigd is. Als met de beschikking wordt besloten tot het (gedeeltelijk) afwijzen van de gevraagde maatwerkvoorziening of de gewenste verstrekkingsvorm van een pgb, dan bevat de beschikking de grond(en) waarop deze (gedeeltelijke) afwijzing is gebaseerd. In afwijking van lid 2, onder b, wordt in de beschikking voor inwoners met een chronische aandoening of chronische beperkingen de duur van de verstrekking niet vermeld.
Artikel 4.3.1
Artikel 4.3.1 Beschikbare maatwerkvoorzieningen De volgende maatwerkvoorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: a. Huishoudelijke hulp; b. Begeleiding individueel; c. Begeleiding groep; d. Vervoersvoorzieningen; e. Woonvoorzieningen; en f. Hulpmiddelen.
Artikel 4.3.1 Beschikbare maatwerkvoorzieningen De volgende maatwerkvoorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: a. Huishoudelijke hulp; b. Begeleiding; c. [Vervallen] d. Vervoersvoorzieningen; e. Woonvoorzieningen; en f. Hulpmiddelen.
Artikel 4.3.3
Artikel 4.3.3 Weigeringsgronden 1. Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt: a. als de hulpvrager geen inwoner is van de gemeente Lansingerland; b. voor zover de inwoner op eigen kracht, met gebruikelijke hulp van huisgenoten, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk de beperkingen kan wegnemen; c. voor zover voor de noodzaak tot ondersteuning een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat, waardoor sprake is van een voorliggende voorziening; d. voor zover voor de noodzaak tot ondersteuning in redelijkheid aanspraak kan worden gemaakt, of had kunnen worden gemaakt, op een uitkering door een letselschadeverzekeraar; e. voor zover de inwoner de beperking weg kan nemen met een voorziening die in de reguliere handel vrij verkrijgbaar is, niet
Artikel 4.3.3 Weigeringsgronden 1. Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt: a. als de hulpvrager geen inwoner is van de gemeente Lansingerland; b. voor zover de inwoner op eigen kracht, met gebruikelijke hulp van huisgenoten, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk de beperkingen kan wegnemen; c. voor zover voor de noodzaak tot ondersteuning een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat, waardoor sprake is van een voorliggende voorziening; d. voor zover voor de noodzaak tot ondersteuning in redelijkheid aanspraak kan worden gemaakt, of had kunnen worden gemaakt, op een uitkering door een letselschadeverzekeraar; e. voor zover de inwoner de beperking weg kan nemen met een dienst, hulpmiddel, woningaanpassing of 5/29
speciaal voor mensen met een beperking is ontworpen en niet aanzienlijk duurder is dan een vergelijkbaar product met hetzelfde doel (passend in een normaal aanschaffingspatroon bij een gelijke financiële positie) en daarmee voor de inwoner algemeen gebruikelijk is om over te (kunnen) beschikken; f. als het een voorziening betreft waarover de inwoner al beschikt vóór de melding tenzij er alsnog een melding is gedaan binnen 42 dagen nadat er over de voorziening wordt beschikt of kan worden beschikt en de noodzaak van de voorzieningen redelijkerwijs nog is vast te stellen; g. als er geen langdurige noodzaak voor het verstrekken van de voorziening aanwezig is, tenzij het gaat om hulp bij het huishouden of begeleiding; h. voor zover de inwoner met gebruikmaking van algemene voorzieningen de beperkingen kan wegnemen; i. als de gevraagde voorziening al eerder op grond van de Wmo 2015 of een andere wettelijke bepaling of regeling is verstrekt en de afschrijftermijn nog niet verstreken is, tenzij de inwoner hiervan geen verwijt kan worden gemaakt; j. als een inwoner zijn behoefte aan maatschappelijke ondersteuning redelijkerwijs van te voren had kunnen voorzien en met zijn beslissing had kunnen voorkomen; of k.
als de inwoner of een derde niet of onvoldoende meewerkt aan het onderzoek als bedoeld in artikel 4.1.2 terwijl deze medewerking noodzakelijk is voor de beoordeling van het recht op de voorziening. 2. In aanvulling op de in het eerste lid genoemde weigeringsgronden wordt geen maatwerkvoorziening in de vorm van een woonvoorziening verstrekt: a. voor zover de woning in slechte staat verkeert of de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte
andere maatregel onder de Wmo 2015 die niet specifiek bedoeld is voor mensen met een beperking, daadwerkelijk beschikbaar is, een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de inwoner tot zelfredzaamheid of participatie in staat is, deze financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau en die naar algemeen aanvaarde maatschappelijke opvattingen onder de gehele bevolking gangbaar is te achten; f. als het een voorziening betreft waarover de inwoner al beschikt vóór de melding tenzij er alsnog een melding is gedaan binnen 42 dagen nadat er over de voorziening wordt beschikt of kan worden beschikt en de noodzaak van de voorzieningen redelijkerwijs nog is vast te stellen; g. als er geen langdurige noodzaak voor het verstrekken van de voorziening aanwezig is, tenzij er maatwerkvoorziening nodig is door een acute aanleiding die de inzet van deze voorziening billijkt; h. voor zover de inwoner met gebruikmaking van algemene voorzieningen de beperkingen kan wegnemen; i. als de gevraagde voorziening al eerder op grond van de Wmo 2015 of een andere wettelijke bepaling of regeling is verstrekt en de afschrijftermijn nog niet verstreken is, tenzij de inwoner hiervan geen verwijt kan worden gemaakt; j.
als een inwoner zijn behoefte aan maatschappelijke ondersteuning redelijkerwijs van te voren had kunnen voorzien en met zijn beslissing had kunnen voorkomen; of k. als de inwoner of een derde niet of onvoldoende meewerkt aan het onderzoek als bedoeld in artikel 4.1.2 terwijl deze medewerking noodzakelijk is voor de beoordeling van het recht op de voorziening.
6/29
3.
materialen, de slechte staat van onderhoud of de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen; b. als de inwoner daar niet zijn (toekomstig) hoofdverblijf heeft, tenzij het gaat om het bezoekbaar maken van de echtelijke woning of het ouderlijk huis van een inwoner die in een Wlz instelling zijn hoofdverblijf heeft en de inwoner deze woning voor een lange periode frequent zal gaan bezoeken, de persoonlijke verzorging van de inwoner is geregeld en de aanpassing(en) bouwtechnisch eenvoudig zijn te realiseren; c. voor hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen, ADL-clusterwoningen en gehuurde kamers, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting voor een andere woning; d. voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft, anders dan voorzieningen ten behoeve van de toegankelijkheid van deze ruimte; e. als de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor verhuizing aanwezig is; of f. als de inwoner niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door de gemeente.
Als er meerdere adequate voorzieningen zijn waarmee inwoner in zijn vervoersbehoefte kan voorzien, dan ligt het primaat bij de collectieve vervoersvoorziening.
2. In aanvulling op de in het eerste lid genoemde weigeringsgronden wordt geen maatwerkvoorziening in de vorm van een woonvoorziening verstrekt: a. voor zover de woning in slechte staat verkeert of de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen, de slechte staat van onderhoud of de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen; b. als de inwoner daar niet zijn (toekomstig) hoofdverblijf heeft, tenzij het gaat om het bezoekbaar of logeerbaar maken van de echtelijke woning of het ouderlijk huis van een inwoner die in een Wlz instelling zijn hoofdverblijf heeft en de inwoner deze woning voor een lange periode frequent zal gaan bezoeken, de persoonlijke verzorging van de inwoner is geregeld en de aanpassing(en) bouwtechnisch eenvoudig zijn te realiseren; c. voor hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen, ADL-clusterwoningen en gehuurde kamers, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting voor een andere woning; d. voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft, anders dan voorzieningen ten behoeve van de toegankelijkheid van deze ruimte; e.
als de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor verhuizing aanwezig is; of f. als de inwoner niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door de gemeente; of g. als de inwoner de gevraagde voorziening na de melding en vóór 7/29
3.
Artikel 4.4.3
Artikel 4.4.3 Beheer 1. Om in aanmerking te komen voor een Pgb dient de inwoner in staat te zijn de taken als budgethouder op zich te nemen. Dit betekent dat hij: a. In staat is aan te geven welke ondersteuning hij nodig heeft aan de ondersteunings-verlener/ leverancier; b. Geen problematische schulden heeft; c. Geen ernstige verslavingsproblematiek heeft; d. Geen verstandelijke beperking, een ernstig psychiatrisch ziektebeeld of een cognitieve stoornis heeft; e. Geen aangetoonde fraude heeft gepleegd in de afgelopen vier jaar; en f. De Nederlandse taal in woord en geschrift voldoende beheerst. 2. Indien de inwoner niet over de in het eerste lid genoemde vaardigheden beschikt dan kan iemand uit het netwerk van de inwoner het beheer van het pgb op zich nemen. Dit kan een wettelijk vertegen-woordiger of gemachtigde zijn. In aanvulling op de in het eerste lid genoemde voorwaarden dient deze persoon: a. Een recente VOG te overleggen; b. Regelmatig een bezoek aan de inwoner te brengen en zo de ondersteuning ter plekke te controleren (er moet sprake zijn van voldoende nabijheid in de vorm van fysieke aanwezigheid en tijd); c. In staat te zijn tot communicatie met de inwoner;
afgifte van de beschikking heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij de gemeente daarvoor schriftelijk toestemming heeft gegeven of de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen. Als er meerdere adequate voorzieningen zijn waarmee inwoner in zijn vervoersbehoefte kan voorzien, dan ligt het primaat bij de collectieve vervoersvoorziening.
Artikel 4.4.3 Beheer 1. Om in aanmerking te komen voor een Pgb dient de inwoner in staat te zijn de taken als budgethouder op zich te nemen. Dit betekent dat hij: a. In staat is aan te geven welke ondersteuning hij nodig heeft aan de ondersteunings-verlener/ leverancier; b. Geen problematische schulden heeft; c. Geen ernstige verslavingsproblematiek heeft; d. Geen verstandelijke beperking, een ernstig psychiatrisch ziektebeeld of een cognitieve stoornis heeft; e. Geen aangetoonde fraude heeft gepleegd in de afgelopen vier jaar; en f. De Nederlandse taal in woord en geschrift voldoende beheerst. 2. Indien de inwoner niet over de in het eerste lid genoemde vaardigheden beschikt dan kan iemand uit het netwerk van de inwoner het beheer van het pgb op zich nemen. Dit kan een wettelijk vertegen-woordiger of gemachtigde zijn. In aanvulling op de in het eerste lid genoemde voorwaarden dient deze persoon: a. Een recente VOG te overleggen; b. Regelmatig een bezoek aan de inwoner te brengen en zo de ondersteuning ter plekke te controleren (er moet sprake zijn van voldoende nabijheid in de vorm van fysieke aanwezigheid en tijd);
8/29
3.
d. Geen financiële vordering op de inwoner te hebben; en e. Niet dezelfde persoon te zijn als de beoogde ondersteuningsverlener en geen nauwe band hebben met de beoogd ondersteuningsverlener waardoor er een belangenconflict zou kunnen optreden. Een inwoner krijgt maximaal twee keer de mogelijkheid om iemand uit zijn netwerk als bedoeld in het tweede lid aan te dragen. Indien geen geschikte derde wordt aangedragen, zal de aanvraag voor ondersteuning in de vorm van een Pgb worden afgewezen.
c.
3.
In staat te zijn tot communicatie met de inwoner; d. Geen financiële vordering op de inwoner en beoogd zorgverlener te hebben. Een inwoner krijgt maximaal twee keer de mogelijkheid om iemand uit zijn netwerk als bedoeld in het tweede lid aan te dragen. Indien geen geschikte derde wordt aangedragen, zal de aanvraag voor ondersteuning in de vorm van een Pgb worden afgewezen.
Artikel 4.4.4
Artikel 4.4.4 Uitgangspunten vaststellen Pgb budget 1. Het tarief voor een pgb: a. Is voor een dienst gebaseerd op de frequentie van de in te zetten ondersteuning en/of het resultaat, en hangt af van de ondersteuningsverlener. Er wordt rekening gehouden met een verschil tussen formele inzet (gediplomeerd en beroepsmatig) en informele inzet (uit het netwerk van de inwoner); b. is toereikend om effectieve en kwalitatief goede ondersteuning in te kopen; en c. bedraagt ten hoogste de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst passende maatwerkvoorziening in natura. 2. In het geval de maatwerkvoorziening een hulpmiddel betreft wordt het bedrag aangevuld met een bedrag voor het onderhoud gedurende de duur van de verstrekking. 3. De hoogte van het pgb voor dienstverlening is opgebouwd uit verschillende kostencomponenten zoals salaris, vervanging tijdens vakantie, verzekeringen en reiskosten.
Artikel 4.4.4 Uitgangspunten vaststellen Pgb budget 1. Het tarief voor een pgb: a. Is voor een dienst gebaseerd op de frequentie van de in te zetten ondersteuning en/of het resultaat, en hangt af van de ondersteuningsverlener. Er wordt rekening gehouden met een verschil tussen formele inzet (gediplomeerd en beroepsmatig) en informele inzet (uit het netwerk van de inwoner); b. is toereikend om effectieve en kwalitatief goede ondersteuning in te kopen; en c. bedraagt ten hoogste de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst passende maatwerkvoorziening in natura. 2. In het geval de maatwerkvoorziening een hulpmiddel betreft wordt het bedrag aangevuld met een bedrag voor het onderhoud en de verzekering gedurende de duur van de verstrekking. 3. De hoogte van het pgb voor dienstverlening is opgebouwd uit verschillende kostencomponenten zoals salaris, vervanging tijdens vakantie, verzekeringen en reiskosten.
Artikel 4.4.5
Artikel 4.4.5 Hoogte Pgb budget 1. Hulpverleners die als niet-professioneel worden aangemerkt en mensen uit het sociaal
Artikel 4.4.5 Hoogte Pgb budget 1. Hulpverleners die als niet-professioneel worden aangemerkt en mensen uit het sociaal netwerk krijgen het volgende informele tarief: 9/29
2.
3.
4.
5.
6.
netwerk krijgen het volgende informele tarief: a. Individuele begeleiding: € 25,50 per uur; b. Kortdurend verblijf: maximaal € 32,00 per etmaal (tegemoetkoming in de kosten) c. Hulp bij het huishouden: € 22,00 per uur. De bedragen voor een pgb voor een hulpmiddel worden bepaald als tegenwaarde van het hulpmiddel dat de aanvrager op dat moment ontvangen zou hebben als het in natura zou zijn verstrekt. Was dat een niet nieuwe voorziening geweest, dan wordt de tegenwaarde daarop gebaseerd met een looptijd gelijk aan de verkorte afschrijvingstermijn, rekening houdend met onderhoud en verzekering. Was de naturaverstrekking een nieuwe voorziening geweest, dan wordt de tegenwaarde daarop gebaseerd, rekening houdend met een eventueel door de gemeente te ontvangen korting en rekening houdend met onderhoud en verzekering. Het pgb voor een sportrolstoel of andere sportvoorziening is mede bestemd als tegemoetkoming in aanschaf, het onderhoud, de reparaties en de aanpassingen van de voorziening voor een periode van 3 jaar en bedraagt maximaal € 3.289. Tenzij de aanvrager kan aantonen dat dit bedrag niet kostendekkend is, in dat geval is sprake van maatwerk. Het pgb voor een verhuizing bedraagt maximaal € 2.829. Tenzij de aanvrager kan aantonen dat dit bedrag niet kostendekkend is, in dat geval is sprake van maatwerk.
Het pgb dat maximaal verstrekt wordt voor het toegankelijk maken van een woning (bezoekbaar maken) bedraagt € 3.102. Tenzij de aanvrager kan aantonen dat dit bedrag niet kostendekkend is, in dat geval is sprake van maatwerk. Het pgb bedraagt voor een vervoersvoorziening maximaal: a. Taxikostenvergoeding € 2.108 per jaar b. Rolstoeltaxikostenvergoeding € 2.599 per jaar
2.
3.
4.
5.
6.
a. Individuele begeleiding: € 25,50 per uur; b. Kortdurend verblijf: maximaal € 32,00 per etmaal (tegemoetkoming in de kosten) c. Hulp bij het huishouden: € 22,00 per uur. De bedragen voor een pgb voor een hulpmiddel worden bepaald als tegenwaarde van het hulpmiddel dat de aanvrager op dat moment ontvangen zou hebben als het in natura zou zijn verstrekt. Was dat een niet nieuwe voorziening geweest, dan wordt de tegenwaarde daarop gebaseerd met een looptijd gelijk aan de verkorte afschrijvingstermijn, rekening houdend met onderhoud en verzekering. Was de naturaverstrekking een nieuwe voorziening geweest, dan wordt de tegenwaarde daarop gebaseerd, rekening houdend met een eventueel door de gemeente te ontvangen korting en rekening houdend met onderhoud en verzekering. Het pgb voor een sportrolstoel of andere sportvoorziening is mede bestemd als tegemoetkoming in aanschaf, het onderhoud, de reparaties en de aanpassingen van de voorziening voor een periode van 3 jaar en bedraagt maximaal € 3.289. Tenzij de aanvrager kan aantonen dat dit bedrag niet kostendekkend is, in dat geval is sprake van maatwerk. Het pgb voor een verhuizing bedraagt maximaal € 2.829. Tenzij de aanvrager kan aantonen dat dit bedrag niet kostendekkend is, in dat geval is sprake van maatwerk. Het pgb dat maximaal verstrekt wordt voor het toegankelijk maken van een woning (bezoekbaar maken) bedraagt € 3.102.
Tenzij de aanvrager kan aantonen dat dit bedrag niet kostendekkend is, in dat geval is sprake van maatwerk. Het pgb bedraagt voor een vervoersvoorziening maximaal: a. Taxikostenvergoeding € 3.900 per jaar b. Rolstoeltaxikostenvergoeding € 2.599 per jaar Tenzij de aanvrager aantoont dat dit niet kostendekkend is. 10/29
Artikel 4.5.2
Tenzij de aanvrager aantoont dat dit niet kostendekkend is. 7. Het pgb voor noodzakelijke aanpassingen en in aanmerking komende kosten voor een eigen auto, of wanneer het een minderjarige betreft de auto van zijn ouder, bedraagt 100% van de noodzakelijke kosten op basis van de goedkoopste compenserende voorziening. 8. Het Pgb voor een woonvoorziening in de vorm van een woningsanering welke blijkens een medisch advies noodzakelijk is wegens huisstof- of huismijtallergie, astma of chronische bronchitis, bedraagt maximaal de goedkoopst adequaatste optie uit de Nibud prijzenlijst.
7.
Artikel 4.5.2 Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen 1. Een inwoner is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening of pgb, zolang de inwoner van de maatwerkvoorziening gebruik kan maken of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt. 2. De bijdragen voor maatwerkvoorzieningen of pgb zijn gelijk aan de kostprijs, tot aan ten hoogste €19,00 per maand per huishouden, tenzij overeenkomstig artikel 2.1.4a, vijfde lid, van de Wmo 2015 of hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 geen of lagere eigen bijdrage is verschuldigd. 3. Een inwoner is een bijdrage verschuldigd in de kosten voor het gebruik van collectief vraagafhankelijk vervoer, bestaande uit een opstaptarief van € 1,08 (per enkele reis) en een bedrag van € 0,17 per kilometer. Indexering van de tarieven vindt vanaf 2024 plaats en is gebaseerd op de MRDH-tarieven van het voorgaande jaar. 4. In afwijking van het eerste lid is geen bijdrage in de kosten verschuldigd in de volgende situaties: a. Als de inwoner of zijn echtgeno(o)t(e) al een bijdrage in de kosten is verschuldigd voor beschermd wonen of op grond van het Besluit langdurige zorg;
Artikel 4.5.2 Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen 1. Een inwoner is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening of pgb, zolang de inwoner van de maatwerkvoorziening gebruik kan maken of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt. 2. De bijdragen voor maatwerkvoorzieningen of pgb zijn gelijk aan de kostprijs, tot aan ten hoogste €19,00 per maand per huishouden, tenzij overeenkomstig artikel 2.1.4a, vijfde lid, van de Wmo 2015 of hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 geen of lagere eigen bijdrage is verschuldigd. 3. Een inwoner is een bijdrage verschuldigd in de kosten voor het gebruik van collectief vraagafhankelijk vervoer, bestaande uit een opstaptarief van € 1,08 (per enkele reis) en een bedrag van € 0,17 per kilometer. Indexering van de tarieven vindt vanaf 2024 plaats en is gebaseerd op de MRDH-tarieven van het voorgaande jaar. 4. In afwijking van het eerste lid is geen bijdrage in de kosten verschuldigd in de volgende situaties: a. Als de inwoner of zijn echtgeno(o)t(e) al een bijdrage in de kosten is verschuldigd voor beschermd wonen of op grond van de Wet langdurige zorg;
8.
Het pgb voor noodzakelijke aanpassingen en in aanmerking komende kosten voor een eigen auto, of wanneer het een minderjarige betreft de auto van zijn ouder, bedraagt 100% van de noodzakelijke kosten op basis van de goedkoopste compenserende voorziening. Het Pgb voor een woonvoorziening in de vorm van een woningsanering welke blijkens een medisch advies noodzakelijk is wegens huisstof- of huismijtallergie, astma of chronische bronchitis, bedraagt maximaal de goedkoopst adequaatste optie uit de Nibud prijzenlijst.
11/29
b. Als de inwoner of zijn echtgeno(o)t(e) gedurende twee of meer nachten aaneengesloten in de maand in een instelling voor opvang verblijft; c. Als de inwoner gehuwd is en hij of zijn echtgeno(o)t(e) de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt; d. Als het een maatwerkvoorziening voor een minderjarige inwoner betreft tot het achttiende levensjaar; e. Als het een maatwerkvoorziening rolstoel betreft; f. Als het een maatwerkvoorziening verhuiskostenvergoeding betreft; g. Als het een maatwerkvoorziening onderhoud en reparatie van een voorziening betreft; h. Als het een maatwerkvoorziening arbeidsmatige dagbesteding betreft voor inwoners met een indicatie beschut werk die op de wachtlijst staan voor een beschutte werkplek; of i. Als de inwoner langer dan één kalendermaand is opgenomen in een tijdelijke instelling; j. Als de aanbieder de maatwerkvoorziening langer dan één kalendermaand niet kan leveren. De kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura is bepaald door de contractuele afspraken tussen de gemeente en de aanbieder. De kostprijs van een Pgb is gelijk aan het budget dat beschikbaar is gesteld.
b. Als de inwoner of zijn echtgeno(o)t(e) gedurende twee of meer nachten aaneengesloten in de maand in een instelling voor opvang verblijft; c. Als de inwoner gehuwd is en hij of zijn echtgeno(o)t(e) de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt; d. Als het een maatwerkvoorziening voor een minderjarige inwoner betreft tot het achttiende levensjaar; e. Als het een maatwerkvoorziening rolstoel betreft; f. Als het een maatwerkvoorziening verhuiskostenvergoeding betreft; g. Als het een maatwerkvoorziening onderhoud en reparatie van een voorziening betreft; h. Als het een maatwerkvoorziening arbeidsmatige dagbesteding betreft voor inwoners met een indicatie beschut werk die op de wachtlijst staan voor een beschutte werkplek; of i. Als de inwoner langer dan één kalendermaand is opgenomen in een tijdelijke instelling; j. Als de aanbieder de maatwerkvoorziening langer dan één kalendermaand niet kan leveren; k. Als de inwoner de Wmo-hulpmiddelen, zoals benoemd in artikel 4.3.3, lid 2, sub b, thuis laat staan om te kunnen blijven logeren thuis terwijl het hoofdverblijf is in een Wlz-instelling; l. Als de inwoner bemoeizorg ontvangt. 5. De kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura is bepaald door de contractuele afspraken tussen de gemeente en de aanbieder. 6. Pgb wordt gelijkgesteld aan de kostprijs van de maatwerkvoorziening zorg in natura.
Artikel 4.7.1 Klachtregeling 1. Aanbieders dienen te beschikken over een regeling voor de afhandeling van klachten van inwoners ten aanzien van maatwerkvoorzieningen.
Artikel 4.7.1 Klachtregeling 1. Aanbieders dienen te beschikken over een regeling voor de afhandeling van klachten van inwoners ten aanzien van maatwerkvoorzieningen.
5.
6.
Artikel 4.7.1
12/29
2.
Artikel 4.7.1
Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet de gemeente toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.
Artikel 4.7.2 Medezeggenschap 1. Aanbieders dienen te beschikken over een regeling voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van maatwerkvoorzieningen. 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet de gemeente toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks clientervaringsonderzoek.
2.
Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet de gemeente toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks klanttevredenheidstoets die de aanbieder uitvoert.
Artikel 4.7.2 Medezeggenschap 1. Aanbieders dienen te beschikken over een regeling voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van maatwerkvoorzieningen. 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet de gemeente toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks klanttevredenheidstoets die de aanbieder uitvoert.
13/29
Was-wordt-tabel Wijziging Hoofdstuk 5. Jeugd Toelichting In de ‘nieuwe tekst’ zijn de woorden en zinnen waaraan iets verandert, cursief gezet en vetgedrukt. Weglatingen in de ‘oude tekst’ zijn doorgehaald. Een toelichting op de wijzigingen staat achter in dit document.
Artikel 5.1.3
Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5.1.3 Beschikking 1. In de beschikking tot verstrekking van een jeugdhulpvoorziening wordt aangegeven of deze als voorziening in natura of als persoonsgebonden budget wordt verstrekt. 2. Bij het verstrekken van een jeugdhulpvoorziening in natura vermeldt de beschikking in ieder geval: a. welke jeugdhulpvoorziening verstrekt wordt en wat het beoogde resultaat daarvan is; b. de ingangsdatum, de omvang en duur van de verstrekking; c. welke leverancier de hulp zal leveren; en d. hoe de hulp verstrekt wordt en wat hierbij van de inwoner wordt verwacht. 3. Bij het verstrekken van een jeugdhulpvoorziening in de vorm van persoonsgebonden budget vermeldt de beschikking in ieder geval: a. het beoogde resultaat waarvoor het persoonsgebonden budget is toegekend; b. de ingangsdatum, de omvang en duur van de verstrekking; c. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het persoonsgebonden budget; d. wat de hoogte van het persoonsgebonden budget is en hoe dit tot stand is gekomen; e. wie de jeugdhulpverlener is die de ondersteuning zal leveren; f. de termijn waarbinnen het pgb moet worden aangewend; en g. de wijze van verantwoording van de besteding van het persoonsgebonden budget. 4. Als met de beschikking wordt besloten tot het (gedeeltelijk) afwijzen van de gevraagde
Artikel 5.1.3 Beschikking 1. In de beschikking tot verstrekking van een jeugdhulpvoorziening wordt aangegeven of deze als voorziening in natura of als persoonsgebonden budget wordt verstrekt. 2. Bij het verstrekken van een jeugdhulpvoorziening in natura vermeldt de beschikking in ieder geval: a. welke jeugdhulpvoorziening verstrekt wordt en wat het beoogde resultaat daarvan is; b. de ingangsdatum, de omvang en duur van de verstrekking; c. welke jeugdhulpaanbieder de hulp zal leveren; en d. hoe de hulp verstrekt wordt en wat hierbij van de jeugdige en het gezin wordt verwacht. 3. Bij het verstrekken van een jeugdhulpvoorziening in de vorm van persoonsgebonden budget vermeldt de beschikking in ieder geval: a. het beoogde resultaat waarvoor het persoonsgebonden budget is toegekend; b. de ingangsdatum, de omvang en duur van de verstrekking; c. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het persoonsgebonden budget; d. wat de hoogte van het persoonsgebonden budget is en hoe dit tot stand is gekomen; e. wie de jeugdhulpverlener is die de ondersteuning zal leveren; f. de termijn waarbinnen het pgb moet worden aangewend; en g. de wijze van verantwoording van de besteding van het persoonsgebonden budget. 14/29
jeugdhulp-voorziening of de gewenste verstrekkingsvorm van een pgb, dan bevat de beschikking de grond(en) waarop deze (gedeeltelijke) afwijzing is gebaseerd.
4.
Als met de beschikking wordt besloten tot het (gedeeltelijk) afwijzen van de gevraagde jeugdhulp-voorziening of de gewenste verstrekkingsvorm van een Pgb, dan bevat de beschikking de grond(en) waarop deze (gedeeltelijke) afwijzing is gebaseerd.
Artikel 5.1.4
Artikel 5.1.4 Alternatieve route 1. De gemeente zorgt voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover genoemde jeugdhulp-aanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. 2. De gemeente zorgt voor inzet van de jeugdhulp die de rechter of de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel, die de rechter, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële inrichting nodig achten bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing, of die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van jeugdreclassering. 3. De gemeente informeert huisartsen, medisch specialisten en jeugdartsen welke jeugdhulp bij welke aanbieder gecontracteerd is dan wel waar deze informatie beschikbaar is. 4. Als de inwoner of zijn ouders na een verwijzing door huisarts, medisch specialist of jeugdarts kiezen voor een aanbieder van jeugdhulp die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft en de gemeente soortgelijke jeugdhulp wel kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee de gemeente een contract of subsidierelatie heeft, vergoedt de gemeente deze andere keuze niet. De inwoner kan wel een Pgb aanvragen. 5.
De verwijzing van een huisarts, medisch specialist of jeugdarts is maximaal 1 jaar geldig.
Artikel 5.1.4 Alternatieve route 1. De gemeente zorgt voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover genoemde jeugdhulp-aanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. 2. De gemeente zorgt voor inzet van de jeugdhulp die de rechter of de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel, die de rechter, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële inrichting nodig achten bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing, of die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van jeugdreclassering. 3. De gemeente informeert huisartsen, medisch specialisten en jeugdartsen welke jeugdhulp bij welke aanbieder gecontracteerd is dan wel waar deze informatie beschikbaar is. 4. Als de inwoner of zijn ouders na een verwijzing door huisarts, medisch specialist of jeugdarts kiezen voor een aanbieder van jeugdhulp die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft en de gemeente soortgelijke jeugdhulp wel kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee de gemeente een contract of subsidierelatie heeft, vergoedt de gemeente deze andere keuze niet. De inwoner kan wel een Pgb aanvragen. 5.
De verwijzing van een huisarts, medisch specialist of jeugdarts is 1 jaar geldig. Verlenging van de toewijzing is onder voorwaarden eenmaal mogelijk.
Artikel 5.3.1
Artikel 5.3.1 Vormen van jeugdhulp
Artikel 5.3.1 Vormen van jeugdhulp 15/29
1.
2.
Artikel 5.3.5
De volgende algemene voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: a. preventieve diensten ten behoeve van opgroeien en opvoeden, zoals: 1) informatie, advies en training 2) jeugdgezondheidszorg 3) opvoedondersteuning b. lichte ambulante jeugd- en opvoedhulp De volgende individuele voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: a. GGZ Basis b. Diagnose en behandeling ernstig enkelvoudige dyslexie c. Begeleiding Ambulant d. Behandeling Groep e. Behandeling Individueel f. Dagbesteding g. Kortdurend Verblijf h. Vervoer i. Pleegzorg j. Opname k. Gesloten Jeugdhulp l. Opname met behandeling m. Gedwongen opname n. Langdurig verblijf Gezinshuis o. Langdurig Verblijf Training Zelfstandig Wonen p. Langdurig verblijf Open Residentieel q. Steun, hulp of behandeling r. Ambulante hulpverlening in thuissituatie s. Crisishulp t. Laag frequente medicatie controle u. Onderwijszorgarrangement
Artikel 5.3.5 Aanvullende uitgangspunten voor het resultaatgebied herstel, vermindering, stabilisatiestoornis jeugdige Een inwoner kan in aanmerking komen voor een individuele voorziening binnen het resultaatgebied herstel, vermindering, stabilisatie stoornis inwoner, als er bij hem in relatie tot één of meerdere van de volgende aspecten aanwijzingen zijn voor een tijdelijke of blijvende stoornis of beperking, of delict gedrag als gevolg van een stoornis of beperking waarvoor behandeling noodzakelijk is:
1.
2.
De volgende algemene voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: a. preventieve diensten ten behoeve van opgroeien en opvoeden, zoals: 1) informatie, advies en training 2) jeugdgezondheidszorg 3) opvoedondersteuning b. lichte ambulante jeugd- en opvoedhulp De volgende individuele voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: a. GGZ Basis b. Diagnose en behandeling ernstig dyslexie c. Begeleiding Ambulant d. Behandeling Groep e. Behandeling Individueel f. Dagbesteding g. Kortdurend Verblijf h. Vervoer i. Pleegzorg j. Opname k. Gesloten Jeugdhulp l. Opname met behandeling m. Gedwongen opname n. Langdurig verblijf Gezinshuis o. Langdurig Verblijf Training Zelfstandig Wonen p. Langdurig verblijf Open Residentieel q. Steun, hulp of behandeling r. Ambulante hulpverlening in thuissituatie s. Crisishulp t. Laag frequente medicatie controle u. Onderwijszorgarrangement
Artikel 5.3.5 Aanvullende uitgangspunten voor het resultaatgebied herstel, vermindering en/of stabilisatie van de stoornis van de jeugdige Een inwoner kan in aanmerking komen voor een individuele voorziening binnen het resultaatgebied herstel, vermindering, stabilisatie van de stoornis van de inwoner, als er bij hem in relatie tot één of meerdere van de volgende aspecten aanwijzingen zijn voor een tijdelijke of blijvende stoornis of beperking, of delict gedrag als gevolg van een stoornis of beperking waarvoor behandeling noodzakelijk is:
16/29
a.
het nodig hebben van diagnostiek als onderdeel van behandeling; b. het blijk geven van een behoefte aan stabilisering, vermindering, behandeling en opheffing van de stoornis of beperking en het leren omgaan hiermee; c. het verbeteren of stabiliseren van het functioneren van de inwoner in één of meerdere domeinen zoals gezin en vrije tijd; en/of d. het verlagen van recidiverisico.
a.
het nodig hebben van diagnostiek als onderdeel van behandeling; b. het blijk geven van een behoefte aan stabilisering, vermindering, behandeling en opheffing van de stoornis of beperking en het leren omgaan hiermee; c. het verbeteren of stabiliseren van het functioneren van de inwoner in één of meerdere domeinen zoals gezin en vrije tijd; en/of d. het verlagen van recidiverisico.
Artikel 5.3.6
Artikel 5.3.6 Aanvullende uitgangspunten voor het resultaatgebied opvoeding en versterking mogelijkheden ouders Een inwoner kan in aanmerking komen voor een individuele voorziening binnen het resultaatgebied opvoeding en versterking mogelijkheden ouders, als zijn ouders, afgemeten aan één of meerdere van de volgende aspecten, ondersteuning bij hun opvoedingsvaardigheden nodig hebben bij: a. het te allen tijde kunnen waarborgen van de veiligheid van de inwoner; b. het stimuleren van de sociale en emotionele ontwikkeling van de jeugdige in de zin van het voorkomen van emotionele verwaarlozing; c. het kunnen omgaan met de specifieke kenmerken die horen bij de stoornis, ontwikkelingsstoornis of gedragsproblemen van de inwoner; d. het kunnen aanpassen van het opvoedersgedrag bij de ontwikkelingsleeftijd van de inwoner; e. het aandacht kunnen hebben en kunnen zorgdragen voor de gezondheid van de inwoner; f. het kunnen zorgdragen voor deelname van de inwoner aan onderwijs of vormen van daghulp; en/of g. het kunnen ontwikkelen van een voor de inwoner steunend netwerk.
Artikel 5.3.6 Aanvullende uitgangspunten voor het resultaatgebied opvoeding en versterking mogelijkheden ouders Een jeugdige kan in aanmerking komen voor een individuele voorziening binnen het resultaatgebied opvoeding en versterking mogelijkheden ouders, als zijn ouders, afgemeten aan één of meerdere van de volgende aspecten, ondersteuning bij hun opvoedingsvaardigheden nodig hebben bij: a. het te allen tijde kunnen waarborgen van de veiligheid van de jeugdige; b. het stimuleren van de sociale en emotionele ontwikkeling van de jeugdige in de zin van het voorkomen van emotionele verwaarlozing; c. het kunnen omgaan met de specifieke kenmerken die horen bij de stoornis, ontwikkelingsstoornis of gedragsproblemen van de jeugdige; d. het kunnen aanpassen van het opvoedersgedrag bij de ontwikkelingsleeftijd van de jeugdige; e. het aandacht kunnen hebben en kunnen zorgdragen voor de gezondheid van de jeugdige; f. het kunnen zorgdragen voor deelname van de jeugdige aan onderwijs of vormen van daghulp; en/of g. het kunnen ontwikkelen van een voor de jeugdige steunend netwerk.
Artikel 5.3.7
Artikel 5.3.7 Algemene criteria voor het toekennen van individuele voorzieningen 1. Geen individuele voorziening wordt verstrekt:
Artikel 5.3.7 Algemene criteria voor het toekennen van individuele voorzieningen
17/29
a.
2.
als de hulpvrager volgens het woonplaatsbeginsel uit de Jeugdwet geen recht heeft op jeugdhulp van de gemeente Lansingerland; b. voor zover de inwoner en/of zijn ouders op eigen kracht, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk de hulpvraag kan wegnemen; c. voor zover voor de hulpvraag een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat en/of afgesloten aanvullende verzekering, waardoor sprake is van een voorliggende voorziening; d. als het een jeugdhulpvoorziening betreft waarover de inwoner al beschikt vóór de aanvraag, tenzij er alsnog een aanvraag is gedaan binnen 30 dagen nadat er over de voorziening wordt beschikt of kan worden beschikt en de noodzaak van de voorzieningen redelijkerwijs nog is vast te stellen; e. voor zover de inwoner met gebruikmaking van algemene voorzieningen de beperkingen kan wegnemen; en/of f. als de inwoner of een derde niet of onvoldoende meewerkt aan het onderzoek als bedoeld in artikel 4.1.2 terwijl deze medewerking noodzakelijk is voor de beoordeling van het recht op de voorziening. Bij de beoordeling van de eigen kracht als bedoeld in het eerste lid onder b neemt de gemeente de primaire verantwoordelijkheid van ouders om hun kind de noodzakelijke jeugdhulp te bieden tot uitgangspunt.
Dit betekent dat er alleen een individuele voorziening wordt verstrekt als ouders niet over de noodzakelijke competenties beschikken om de inwoner de benodigde jeugdhulp te kunnen bieden of hier vanwege overbelasting (tijdelijk) niet toe in staat zijn.
1.
2.
Een individuele voorziening wordt alleen verstrekt: a. als de hulpvrager volgens het woonplaatsbeginsel uit de Jeugdwet recht heeft op jeugdhulp van de gemeente Lansingerland; b. voor hetgeen dat het gezin en het sociaal netwerk van de hulpvrager niet met eigen kracht kunnen dragen, stabiliseren of oplossen; c. voor de hulpvraag geen voorziening bestaat op grond van een andere wettelijke bepaling en/of afgesloten aanvullende verzekering, waardoor sprake is van een voorliggende voorziening; d. de inwoner niet vóór de aanvraag al beschikt over de jeugdhulpvoorziening, tenzij er alsnog een aanvraag is gedaan binnen 30 dagen nadat er over de voorziening wordt beschikt of kan worden beschikt en de noodzaak van de voorziening redelijkerwijs nog is vast te stellen; e. de inwoner met gebruikmaking van algemene voorzieningen de eigen kracht niet voldoende kan vergroten om met het hulpvraag om te gaan; f. als de inwoner of een derde voldoende meewerkt aan het onderzoek als bedoeld in artikel 5.1.2 omdat deze medewerking noodzakelijk is voor de beoordeling van het recht op de voorziening. Bij de beoordeling van de eigen kracht als bedoeld in het eerste lid beoordeelt de gemeente alles wat gezinnen kunnen dragen met eigen mogelijkheden, hun probleemoplossend vermogen, in gezamenlijkheid met hun sociale netwerk en door gebruik te maken van algemene, vrij toegankelijke voorzieningen.
Bij de beoordeling als bedoeld in het eerste lid onder b neemt de gemeente de primaire verantwoordelijkheid van ouders om hun kind de noodzakelijke jeugdhulp te bieden tot uitgangspunt. Ouder(s)/verzorger(s) 18/29
moeten de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen verzorgen, opvoeden en toezicht op hen houden. Ook al is er sprake van een jeugdige met een ziekte, aandoening of beperking. Dit betekent dat er alleen een individuele voorziening wordt verstrekt als ouders niet over de noodzakelijke eigen kracht beschikken om de jeugdige de benodigde jeugdhulp te kunnen bieden en die eigen kracht ook niet zelf kan vergroten met hulp van het netwerk of algemene voorzieningen of als de ouders hier vanwege overbelasting tijdelijk niet toe in staat zijn. Artikel 5.3.10
Artikel 5.3.10 Aanvullende criteria individuele voorziening vaktherapie 1. In aanvulling op de criteria in artikel 5.3.7 wordt een individuele voorziening in de vorm van vaktherapie alleen verstrekt als: a. De vaktherapie onderdeel uitmaakt van een concreet behandeltraject voor complexe of meervoudige problematiek; b. De vaktherapeut is geregistreerd bij de Stichting Register Vaktherapeutische Beroepen (SRVB); c. Er maximaal 12 sessies van maximaal 1 uur worden ingezet. 2. De gemeente kan in individuele situaties gemotiveerd afwijken van het in het eerste lid onder c genoemde aantal sessies en/of de duur daarvan, indien dit noodzakelijk is om het gewenste resultaat te bereiken en eerdere behandeling/diagnose geen (voldoende) resultaat heeft gerealiseerd en er geen alternatieve mogelijkheden zijn om te komen tot effectieve jeugdhulp. 3. De gemeente hanteert voor vaktherapie een maximumtarief van € 84,00 per uur, waarbij maximaal 25% aan indirect cliëntgebonden tijd mag worden gedeclareerd.
Artikel 5.3.10 Aanvullende criteria individuele voorziening vaktherapie 1. In aanvulling op de criteria in artikel 5.3.7 wordt een individuele voorziening in de vorm van vaktherapie alleen verstrekt als: a. De vaktherapie onderdeel uitmaakt van een concreet behandeltraject voor complexe of meervoudige problematiek; b. De vaktherapeut is geregistreerd bij de Stichting Register Vaktherapeutische Beroepen (SRVB); c. Er maximaal 18 sessies van maximaal 1 uur directe tijd worden ingezet. 2. De gemeente kan in individuele situaties gemotiveerd afwijken van het in het eerste lid onder c genoemde aantal sessies en/of de duur daarvan, indien dit noodzakelijk is om het gewenste resultaat te bereiken en eerdere behandeling/diagnose geen (voldoende) resultaat heeft gerealiseerd en er geen alternatieve mogelijkheden zijn om te komen tot effectieve jeugdhulp.
Artikel 5.3.11
Artikel 5.3.11 Aanvullende criteria individuele voorziening dierentherapie
Artikel 5.3.11 Aanvullende criteria individuele voorziening dierentherapie
19/29
1.
2.
Artikel 5.4.1
In aanvulling op de criteria in artikel 5.3.7 wordt geen individuele voorziening in de vorm van dierentherapie verstrekt als: a. De dierentherapie niet wordt uitgevoerd in combinatie met een behandeling of begeleiding; b. De uitvoerende hulpverlener niet BIG- of SKJ-geregistreerd is; c. De aanbieder niet beschikt over een keurmerk; of d. De inzet van dieren niet is onderbouwd in een resultaatgericht hulpverleningsplan. De gemeente hanteert voor dierentherapie hetzelfde tarief als het tarief dat voor de passende behandeling of begeleiding zonder de ondersteunende inzet van een dier zou gelden.
Artikel 5.4.1 Verzoek 1. Om in aanmerking te kunnen komen voor een pgb dient de inwoner of zijn ouders bij de aanvraag om een jeugdhulpvoorziening tevens een pgb plan en een recente VOG van de directe hulpverlener(s), in te dienen. 2. Om in aanmerking te kunnen komen voor een Pgb voor dyslexiezorg dient het protocol voor dyslexie op correcte wijze te zijn gevolgd. 3. Op het moment dat de aanvraag gaat over het verlengen van een bestaande indicatie dan dient bij het verzoek ook het bijgehouden zorgplan te worden ingediend, inclusief een overzicht van welke doelen wel en niet behaald zijn en een toelichting daarop.
1.
2.
In aanvulling op de criteria in artikel 5.3.7 wordt individuele voorziening in de vorm van dierentherapie alleen verstrekt als: a. De dierentherapie niet wordt uitgevoerd in combinatie met een behandeling of begeleiding; en b. De uitvoerende hulpverlener niet BIG- of SKJ-geregistreerd is; en c. De aanbieder niet beschikt over een keurmerk; en d. De inzet van dieren niet is onderbouwd in een resultaatgericht hulpverleningsplan. De gemeente hanteert voor dierentherapie hetzelfde tarief als het tarief dat voor de passende begeleiding zonder de ondersteunende inzet van een dier zou gelden.
Artikel 5.4.1 Verzoek 1. Om in aanmerking te kunnen komen voor een pgb dient de inwoner of zijn ouders bij de aanvraag om een jeugdhulpvoorziening tevens een pgb plan en een recente VOG (niet ouder dan 3 maanden) van de directe hulpverlener(s), in te dienen. 2. Bij een verzoek tot formeel Pgb moet aanvullend op lid 1 een offerte van de jeugdhulpaanbieder, een kopie van het (zorg) diploma, bewijs van verzekering tegen beroeps- en/of bedrijfsaansprakelijkheid van de zorgverlener, een uitdraai uit het handelsregister van de zorgverlener en een SKJ- of BIG-registratie worden ingediend. 3. Op het moment dat de aanvraag gaat over het verlengen van een bestaande indicatie dan dient bij het verzoek ook het bijgehouden zorgplan te worden ingediend, inclusief een overzicht van welke doelen wel en niet behaald zijn en een toelichting daarop. 4. Op het moment dat de aanvraag gaat over het verlengen van een bestaande indicatie dan dient bij het verzoek ook het bijgehouden zorgplan te worden ingediend, inclusief een overzicht van welke doelen wel en niet behaald zijn en een toelichting daarop. 20/29
Artikel 5.4.7
Artikel 5.4.7 Zorgplan 1. Een inwoner of zijn ouders die er voor kiest om een jeugdhulpvoorziening in de vorm van een dienst door middel van een Pgb te verzilveren moet binnen drie maanden na toekenning een zorgplan inleveren dat hij samen met de ondersteuningsverlener heeft opgesteld. De inwoner of zijn ouders en zijn hulpverlener tonen hiermee aan dat de ondersteuning veilig en cliëntgericht wordt verstrekt. 2. Het zorgplan bevat in elk geval de volgende punten: a. welke leverancier de hulp gaat verlenen; b. wie de directe hulpverlener(s) is; c. wat de deskundigheid is van de directe hulpverlener(s); d. indien van toepassing het SKJ of BIG registratienummer van de hulpverlener(s); e. wie de directe hulpverlener(s) kan vervangen bij afwezigheid; f. welke doelen behaald moeten worden; g. welke concrete acties ingezet worden om de gestelde doelen te bereiken; h. de prognose; i. waar en wanneer de ondersteuning gaat plaatsvinden. 3. De inwoner en de ondersteuningsverlener zorgen voor een periodieke evaluatie van het zorgplan en zorgen dat het plan, door het bijhouden en vastleggen van wijzigingen, actueel blijft.
Artikel 5.4.7 Zorgplan 1. Een inwoner of zijn ouders die er voor kiest om een jeugdhulpvoorziening in de vorm van een dienst door middel van een Pgb te verzilveren moet binnen drie maanden na toekenning een zorgplan inleveren dat hij samen met de ondersteuningsverlener heeft opgesteld. De inwoner of zijn ouders en zijn hulpverlener tonen hiermee aan dat de ondersteuning veilig en cliëntgericht wordt verstrekt. 2. Het zorgplan bevat in elk geval de volgende punten: a. welke leverancier de hulp gaat verlenen; b. wie de directe hulpverlener(s) is; c. wat de deskundigheid is van de directe hulpverlener(s); d. [Vervallen] e. [Vervallen] f. welke doelen behaald moeten worden; g. welke concrete acties ingezet worden om de gestelde doelen te bereiken; h. de prognose; i. waar en wanneer de ondersteuning gaat plaatsvinden. 4. De inwoner en de ondersteuningsverlener zorgen voor een periodieke evaluatie van het zorgplan en zorgen dat het plan, door het bijhouden en vastleggen van wijzigingen, actueel blijft.
Artikel 5.4.8
Artikel 5.4.8 Weigering pgb 1. De gemeente wijst het verzoek om een pgb af als: a. De hulp die de inwoner of zijn ouders met het Pgb wenst in te kopen naar het oordeel van de gemeente niet van voldoende kwaliteit is en dus veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht is. De kwaliteit van de ondersteuning wordt getoetst door middel van het
Artikel 5.4.8 Weigering pgb 1. De gemeente wijst het verzoek om een pgb af als: a. De hulp die de inwoner of zijn ouders met het Pgb wenst in te kopen naar het oordeel van de gemeente niet van voldoende kwaliteit is en dus veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht is. De kwaliteit van de ondersteuning wordt getoetst door middel van het 21/29
2.
3.
zorgplan. Daarnaast dient de uitvoerder van de hulp te beschikken over een recente VOG en om in aanmerking te komen voor het professionele tarief ook over een adequate zorgopleiding en een SKJ of BIG registratie; b. Niet in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het in het ondersteuningsplan opgenomen beoogde resultaat; c. Het om GGZ-behandeling gaat en de inwoner of zijn ouders een hulpverlener uit het eigen sociale netwerk in willen zetten; d. Het beheer niet voldoende is geborgd; of e. Er druk is uitgeoefend om de dienstverlening, in welke vorm dan ook, van deze persoon of organisatie te betrekken. Een Pgb is alleen mogelijk indien naar het oordeel van de gemeente wordt voldaan aan alle voor-waarden om in aanmerking te komen voor een Pgb. Het niet voldoen aan de voorwaarden heeft tot gevolg dat de gemeente de aanvraag van de cliënt voor ondersteuning in de vorm van een Pgb afwijst. In afwijking van het tweede lid kan de gemeente in een individuele situatie gemotiveerd afwijken van de eis dat de professionele hulpverlener over SKJ of BIG registratie moet beschikken.
2.
3.
zorgplan. Daarnaast dient de uitvoerder van de hulp te beschikken over een recente VOG en om in aanmerking te komen voor het professionele tarief ook over een adequate zorgopleiding en een SKJ of BIG registratie; b. Niet in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het in het ondersteuningsplan opgenomen beoogde resultaat; c. Het om behandeling gaat en de inwoner of zijn ouders een hulpverlener uit het eigen sociale netwerk in willen zetten; d. Het beheer niet voldoende is geborgd; e. Er druk is uitgeoefend om de dienstverlening, in welke vorm dan ook, van deze persoon of organisatie te betrekken. Een Pgb is alleen mogelijk indien naar het oordeel van de gemeente wordt voldaan aan alle voor-waarden om in aanmerking te komen voor een Pgb. Het niet voldoen aan de voorwaarden heeft tot gevolg dat de gemeente de aanvraag van de cliënt voor ondersteuning in de vorm van een Pgb afwijst. In afwijking van het tweede lid kan de gemeente in een individuele situatie gemotiveerd afwijken van de eis dat de professionele hulpverlener over SKJ of BIG registratie moet beschikken.
22/29
Was-wordt-tabel Wijziging Hoofdstuk 6. Werk en re-integratie Toelichting In de ‘nieuwe tekst’ zijn de woorden en zinnen waaraan iets verandert, cursief gezet en vetgedrukt. Weglatingen in de ‘oude tekst’ zijn doorgehaald. Een toelichting op de wijzigingen staat achter in dit document.
Artikel 6.2.8a
Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 6.2.8a Persoonlijke ondersteuning bij werk (jobcoach) 1. De gemeente kan persoonlijke ondersteuning bij werk in de vorm van jobcoaching in natura als volgt verstrekken: a. in natura, door middel van inzet van een jobcoach die werkzaam is in een dienstverband of in opdracht van de gemeente; b. in natura, door middel van inzet van een jobcoach die werkzaam is in een dienstverband of in opdracht van een overheidsorgaan waarbij de voorziening is ingekocht; c. als subsidie in de vorm van een jobcoachcheque aan de werkgever of jobcoachorganisatie. 2. De in het vorige lid genoemde ondersteuning kan ook worden aangeboden bij andere voorzieningen, anders dan in dienstverband, gericht op arbeidsinschakeling. 3. Een jobcoach die de persoonlijke ondersteuning bij werk verzorgt moet: a. in het bezit zijn van het keurmerk Register Jobcoach van de beroepsvereniging Noloc; b. een Noloc geaccrediteerde opleiding volgen; of c. binnen een redelijke termijn starten met een Noloc geaccrediteerde opleiding. 4. Indien de persoonlijke ondersteuning wordt verstrekt als subsidie, als bedoeld in het tweede lid onder c, is in afwijking van het eerste lid geen keurmerk Register Jobcoach van de beroepsvereniging Noloc nodig. Bij deze vorm van jobcoaching geeft de gemeente voorkeur aan een jobcoach in dienst bij een werkgever of