CConstaterende datLansingerland
Koppel je AI →
Document · PDF

[T24.02153] Vast te stellen bestemmingsplan "Berkel Centrum Oost"

Gemeenteraad 11 juli 2024, gemeente LansingerlandBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan "Berkel Centrum Oost"34.070 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

De beleidsdoelen zijn vervolgens uitgewerkt in beleidskeuzes. Ruimtelijke hoofdstructuur De essentie en samenhang van de verschillende ruimtelijke keuzes uit de omgevingsvisie, is gevat in de ruimtelijke hoofdstructuur. Opgebouwd uit verschillende kaartbeelden, vormt de ruimtelijke hoofdstructuur een integraal kaartbeeld dat inzichtelijk maakt hoe de strategische be­ leidskeuzes van de provincie ruimtelijk samenkomen. Afbeelding 3.1 geeft de ruimtelijke hoofd­ structuur van Zuid-Holland weer.

Bestemmingsplan “Berkel Centrum Oost' Toelichting Vast te stellen - 23 april 2024

23

Afbeelding 3.1: Omgevingsvisie Zuid-Holland - ruimtelijke hoofdstructuur.

Uitgangspunten en kaders voor de fysieke leefomgeving Bij het vormgeven en uitvoeren van de ambities hanteert de provincie de volgende uitgangspun­ ten en kaders voor de fysieke leefomgeving: - Streven naar het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit; - Gebruik van een kwaliteitskaart met richtpunten en gebiedsprofielen, waarin is be­ schreven welke kwaliteiten in welke gebieden de provincie nastreeft; - Handvatten voor passende ruimtelijke ontwikkeling, om te beoordelen of bepaalde ruim­ telijke ontwikkelingen wenselijk zijn. Kwaliteitskaart, richtpunten en gebiedsprofielen De provincie Zuid-Holland geeft richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruim­ telijke ontwikkelingen en omgevingskwaliteit. Uitgangspunt van het kwaliteitsbeleid is een ‘ja, mits’-beleid: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid van Zuid-Holland bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengebracht in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten, gebiedsprofielen en enkele bepalingen in de omgevingsverordening. De kwaliteitskaart toont de kwaliteitsambities van de provincie.

De belangrijke gebiedskenmerken en kwaliteiten van Zuid-Holland zijn weergegeven in vier lagen: de laag van de ondergrond, laag van de cultuur- en natuurlandschappen, laag van de stedelijke occupatie en laag van de beleving. De integrale kwaliteitskaart vat de vier lagen in één kaartbeeld samen. Met behulp van de kwali­ teitskaart houden betrokken partijen bij ruimtelijke ingrepen rekening met de gebruikswaarde, toekomstwaarde en belevingswaarde van een gebied. De kwaliteitskaart biedt randvoorwaarden voor het maken van integrale afwegingen, die nader zijn geconcretiseerd in richtpunten. De richt­ punten beschrijven de bestaande kenmerken en waarden, en de wijze waarop ruimtelijke ontwik­ kelingen daarmee rekening kunnen houden. De kwaliteitskaart en bijbehorende richtpunten zijn regionaal vertaald in verschillende gebiedsprofielen. Deze gebiedsprofielen fungeren niet als toet­ singskader maar als handreiking voor het gebiedsspecifiek omgaan met ruimtelijke kwaliteit. Passende ruimtelijke ontwikkeling Om te bepalen of een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling passend is, is de ruimtelijke impact van belang. In de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen is het uitgangspunt dat de aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling in meer of mindere mate passend is.

Hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en schaal van een gebied, des te groter in beginsel de ruimtelijke impact en des te eerder deze raakt aan provinciale belangen. Ook de waarde en kwetsbaarheid van de kwaliteit van het gebied speelt daarbij een rol. De

Bestemmingsplan “Berkel Centrum Oost' Toelichting Vast te stellen - 23 april 2024

24

gebiedsprofielen bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact van een ont­ wikkeling in een bepaald gebied is. In dit kader maakt de provincie onderscheid in drie typen ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie. Daarbij spelen de schaalniveaus van de kavel, de structuur en de gebiedsidentiteit een rol. Wanneer een plan aansluit bij de gebiedsidentiteit en zich voegt in de bestaande struc­ tuur, is sprake van inpassing. Een ontwikkeling die aansluit bij de gebiedsidentiteit maar op structuurniveau wijzigingen voorziet, betekent een aanpassing. Bij transformatie zorgen de aard en omvang van een ontwikkeling voor een verandering van de gebiedsidentiteit. Deze indeling van ontwikkelingen is ook doorvertaald in de instructieregels met betrekking tot ruimtelijke kwaliteit in de omgevingsverordening. Doorwerking in het plangebied Het voorliggende plangebied valt niet binnen een specifiek gebiedsprofiel. Wel is het aangeduid in drie van de vier kwaliteitskaarten. In de laag van de ondergrond is het plangebied deels aan­ geduid als ‘Veencomplex - Veen’ en deels als ‘Veencomplex - Oude zeeklei’. Richtpunten hier zijn: ^ Ontwikkelingen in het veenlandschap dragen zorg voor behoud van het veen en zijn met name bij de diepe veenpakketten gericht op het beperken van de bodemdaling.

^ Ontwikkelingen in droogmakerijen leveren een bijdrage aan een duurzame waterhuishou­ ding. De gronden van het plangebied zijn in de huidige situatie al grotendeels bebouwd en verhard, en worden in de toekomstige situatie heringericht. Er is geen sprake van verstoring of negatieve effecten met betrekking tot veen, bodemdaling of grond- en oppervlaktewater. Op de verschil­ lende wateraspecten wordt afzonderlijk in hoofdstuk 5 nader ingegaan. In de laag van de cultuur- en natuurlandschappen is langs de westrand van het plangebied de aanduiding ‘Ringdijk I ringvaart’ opgenomen, ter hoogte van het Berkelsdijkje. Richtpunten hierbij zijn: ^ De droogmakerij blijft als eenheid herkenbaar door het beleefbaar houden van de randen (ringdijk of -vaart) en het hoogteverschil tussen laaggelegen droogmakerij en omringend land. ^ Behoud van de (ring)dijk en/of vaart als herkenbare landschappelijke structuurdrager en begrenzing van de droogmakerijpolders. Ter hoogte van het Berkelsdijkje wordt in de toekomstige situatie de Raadhuislaan doorgetrokken richting de Molenwerfstraat. Het fietspad wordt evenwijdig verlegd, en sluit tevens aan op een nieuwe oost-westverbinding richting het Annie M.G. Schimdtpark. Hierbij blijft de bestaande land­ schappelijke lijn behouden en herkenbaar, voorzien van een groene inrichting omlijst met bomen.

In de laag van de stedelijk occupatie is het plangebied aangeduid als ‘steden en dorpen’. Rele­ vante richtpunten voor ontwikkelingen hierbij zijn: ^ Ontwikkelingen dragen bij aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad, kern of dorp. ^ Hoogteaccenten (waaronder hoogbouw) vallen zoveel mogelijk samen met centra (zwaar­ tepunten) en interactiemilieus in de stedelijke structuur. ^ Ontwikkelingen dragen bij aan versterking van de stedelijke groen- en waterstructuur. ^ Het eigen karakter van het historisch centrum wordt versterkt. ^ Historische centra en kernen blijven ervaarbaar vanuit het omringende gebied. Met de voorgenomen herontwikkelingen wordt de ruimtelijke kwaliteit van het oostelijk centrum­ gebied van Berkel verbeterd. Zo wordt de parkeer- en verkeersdruk verminderd, maar ook een aantrekkelijkere verblijfsruimte gecreëerd met meer groen en ruimte voor langzaam verkeer. Er

Bestemmingsplan “Berkel Centrum Oost' Toelichting Vast te stellen - 23 april 2024

25

is aandacht besteed aan de inpassing in en verbindingen met de omgeving, zoals uitgebreider beschreven in paragraaf 2.2.2.

Omgevingsverordening Zuid-Holland De provincie Zuid-Holland heeft op 20 februari 2019 de Omgevingsverordening Zuid-Holland vastgesteld. Sindsdien zijn verschillende (partiële) herzieningen doorgevoerd. De meest recente herziening is door Provinciale Staten op 2 december 2022 vastgesteld. De instructieregels heb­ ben een directe doorwerking in bestemmingsplannen. Voor dit bestemmingsplan zijn de volgende regels van belang. Ruimtelijke kwaliteit Op grond van artikel 6.9 van de omgevingsverordening (Ruimtelijke kwaliteit) kan een bestem­ mingsplan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, mits is aangetoond dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft (lid 1). Om de ruimtelijke kwaliteit te waarborgen wordt in het bestemmingsplan rekening gehouden met de beschermingscategorie, het gebiedstype en de relevante richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit (lid 2). Bij het beoordelen van de ruimtelijke kwali­ teit bij een ontwikkeling wordt de schaalverdeling inpassen, aanpassen en transformeren gehan­ teerd (lid 3). Met de voorgenomen ontwikkeling is sprake van aanpassen: de ontwikkeling past binnen de be­ staande gebiedsidentiteit (herontwikkeling van het centrumgebied) maar veroorzaakt wijzigingen op structuurniveau (verwijderen en toevoegen van bebouwing, verkeers- en groenstructuren).

Een dergelijke ontwikkeling wordt alleen toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening hou­ dend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit (lid 5 sub b). Wanneer sprake is van aan­ passen of transformeren moet daarnaast een zorgvuldige afweging over de locatiekeuze worden gemaakt. De motivering gaat in op de beschreven kenmerken en waarden van het gebied en de effecten van de ontwikkeling daarop (lid 4). De voorgenomen ontwikkeling voorziet in een herontwikkeling van het oostelijk centrumgebied van Berkel. Daartoe zijn een NvU en variantenstudie opgesteld, op basis waarvan een Masterplan voor het gebied is uitgewerkt. Hierin is de gewenste verhoging van de belevings- en gebruiks­ waarde van het oostelijk centrumgebied verbeeld. Deze visie heeft vervolgens geleid tot een in­ tegraal stedenbouwkundig plan voor de opwaardering van de openbare ruimte in het gebied. Daarbinnen krijgt ook de herontwikkeling van de Hergerborchlocatie een plaats. Hier wordt de locatie van het voormalige woonzorgcentrum vervangen door een nieuwe invulling met 80 sociale huurappartementen. De nieuwe appartementengebouwen worden qua situering, maat en schaal afgestemd op de bestaande bebouwing in de omgeving.

Om met de herontwikkeling te komen tot een toekomstbestendig centrumgebied, is ook aandacht besteed aan de verbinding en sa­ menhang met de omgeving. Zo is speciale aandacht uitgegaan naar de zichtrelatie en ruimtelijke verbinding vanuit het plangebied met de Dorpskerk over de as van de Raadhuislaan. Hierdoor krijgt de openbare ruimte een kwaliteitsimpuls en wordt het gebied qua sfeer bij het dorpscentrum getrokken. Daarnaast ontstaat er een aantrekkelijke verbinding voor fietsers en voetgangers rich­ ting de historische dorpskern. Hetzelfde geldt voor de verbinding tussen het oostelijk en westelijk centrumgebied, via de Kerkstraat en de Terpstraat. Zo worden ook de verbindingen van het cen­ trum met groen in de omgeving verstevigd. Om de beoogde ontwikkelingen in het gebied in te passen en tegelijk de ruimtelijke kwaliteit van het - sterk versteende - openbaar gebied te ver­ beteren, wordt ook de groenstructuur versterkt. Paragraaf 2.2.2 geeft een uitgebreidere beschrijving van de ruimtelijke inpassing van de beoogde ontwikkelingen. Met betrekking tot de ruimtelijke en beeldkwaliteit wordt daarnaast nog een beeldkwaliteitsparagraaf opgesteld. Bouwplannen kunnen daaraan worden getoetst. Op de provinciale richtpunten ruimtelijke kwaliteit is onder het kopje ‘Omgevingsvisie’ nader ingegaan.

Bestemmingsplan “Berkel Centrum Oost' Toelichting Vast te stellen - 23 april 2024

26

Stedelijke ontwikkelingen Volgens artikel 6.10 van de omgevingsverordening (Stedelijke ontwikkelingen) gaat de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt in op de toe­ passing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6 Bro (lid 1 sub a). Indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 ha nodig is, wordt gebruik gemaakt van de in de omgevingsverordening aangewezen bouwlocaties en criteria (lid 1 sub b). Wanneer het gaat om de functie wonen moet worden voorzien in voldoende sociale huur­ woningen (lid 2). Gedeputeerde staten kunnen bij de vaststelling van een regionaal woningbouwprogramma aangeven in hoeverre de ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen. In het bestemmingsplan kan in dat geval worden verwezen naar de regionale visie en het regionale woningbouwprogramma bij de beschrijving van de be­ hoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling (lid 3). In de omgevingsverordening is zodoende bepaald dat toepassing moet worden gegeven aan de Ladder voor duurzame verstedelijking conform het Bro. Daaraan is het aspect van regionale af­ stemming toegevoegd.

Voor de voorgenomen ontwikkeling is op de Ladder als onderdeel van het rijksbeleid nader ingegaan in paragraaf 3.1. Daarnaast bestaat het programma geheel uit (80) sociale huurwoningen, waarmee het voldoet aan artikel 6.10 lid 2 van de omgevingsverordening. Klimaatverandering De omgevingsverordening bepaalt (artikel 6.27a) dat een bestemmingsplan rekening moet hou­ den met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van wateroverlast door overvloedige neerslag, overstroming, hitte, droogte en (de effecten hiervan op) bodemdaling. Paragraaf 7.9 gaat nader in op de klimaatadaptieve maatregelen die in de herontwikkeling van de Hergerborchlocatie en de openbare ruimte worden genomen.

Omgevingsprogramma Zuid-Holland Het Omgevingsprogramma Zuid-Holland is parallel aan de omgevingsvisie en omgevingsveror­ dening opgesteld. Het omgevingsprogramma bevat een nadere invulling en operationalisering van ruimtelijk relevante onderdelen van de omgevingsvisie. Het is enerzijds een beleidsdocu­ ment, namelijk uitwerking van de beleidsbeslissingen, en anderzijds gericht op uitvoering. Ten aanzien van het voorliggende plangebied worden geen specifieke uitspraken gedaan in het omgevingsprogramma.

3.3

Gemeentelijk beleid

Omgevingsvisie Lansingerland: verbonden, vindingrijk en gezond Vooruitlopend op de Omgevingswet, heeft de gemeente Lansingerland gewerkt aan een omge­ vingsvisie. De ‘Omgevingsvisie Lansingerland: verbonden, vindingrijk en gezond’ is op 24 februari 2022 door de gemeenteraad vastgesteld. Daarmee vervangt de omgevingsvisie de gemeentelijke structuurvisie uit 2010. De omgevingsvisie beschrijft wat voor gemeente Lansingerland in de toekomst wil zijn. De Om­ gevingsvisie schets de gewenste ontwikkelingen voor thema’s als wonen, werken, recreëren, na­ tuur, duurzaamheid, mobiliteit, cultuurhistorie, ruimtelijke kwaliteit en gezondheid. In 2040 is Lan­ singerland, nog meer dan nu, verbonden, vindingrijk en gezond. Om dat voor elkaar te krijgen moeten strategische keuzes gemaakt worden en het beleid voor de fysieke leefomgeving worden bepaald. Dit is, samen met de opbrengst uit een uitvoerig participatietraject waarin inwoners, ondernemers en partners hebben meegedacht, vertaald in een ‘omgevingsvisie 1.0’.

Bestemmingsplan “Berkel Centrum Oost' Toelichting Vast te stellen - 23 april 2024

27

In de Omgevingsvisie Lansingerland staan de volgende ambities centraal: ^ Verbonden in de metropool o Goed bereikbaar en moderne mobiliteitsvormen: inzetten op moderne, duur­ zame en schone vervoersmogelijkheden. o Toekomstbestendige omgeving: komen tot een omgeving die klimaatadaptief en natuurinclusief is ingericht. o Sterke ruimtelijke structuren en ruime groengebieden: beschermen van groengebieden, water en historische en landschappelijke structuren. ^ Vindingrijk en ondernemend o Home of Horti Science: mogelijk maken van kennisontwikkeling/innovatie en plek voor nieuwe mogelijkheden in de glastuinbouwsector. o Slimme verduurzaming: aanjagen van de energietransitie en circulaire econo­ mie via elektriciteitsopwekking, duurzame warmte en nieuwe materiaalstro­ men o Lokaal en regionaal werken en ondernemen: bevorderen van een goed vestigings- en ondernemersklimaat, werkgelegenheid en een gezonde midden­ stand. • Gezond samen leven o Sterke samenleving met oog voor mensen: realiseren van een gelukkige en samenleving waar iedereen mee doet. o Ontwikkelen met karakter: ontwikkelen van voldoende duurzame woningen die passen bij de woningbehoeften.

o Gezonde levensstijl in een passende omgeving: stimuleren van sociale en maatschappelijke veiligheid, positieve gezondheid en het beperken van ge­ zondheidsrisico’s Deze ambities zijn vervolgens nader toegespitst op verschillende deelgebieden binnen de ge­ meente. Dit plangebied ligt in het deelgebied Levendige kernen, linten en buurtschappen - Berkel en Rodenrijs & Bergschenhoek. De voor de voorgenomen ontwikkelingen relevante ambities voor dit deelgebied zijn: ^ Het Annie M.G. Schmidtpark wordt (nog meer) een groene ontmoetingszone tussen de kernen met sport- en recreatievoorzieningen voor alle leeftijden. Nieuwe ontwikkelingen dragen bij aan het groene karakter en de oversteekbaarheid van het park. ^ Het centrum van Berkel blijft het regionale voorzieningencentrum van Lansingerland. Het centrum van Bergschenhoek heeft een meer lokale functie. ^ Andere locaties waar we op termijn aan woningbouwontwikkelingen denken zijn: (^) Kan­ sen voor verdichting aan knooppunten en nabij voorzieningencentra. De beoogde herontwikkelingen dragen bij aan een toekomstbestendig (oostelijk) centrumgebied van Berkel. De verkeers- en parkeerdruk in het gebied nemen af en de bereikbaarheid wordt verbeterd, en er ontstaat een aantrekkelijker openbaar gebied.

De woningbouwontwikkeling, ter plaatse van een voormalig woonzorgcentrum dat niet langer in gebruik is, vindt plaats in de directe nabijheid van het dorpscentrum. Daarnaast wordt de verbinding van het centrum met het Annie M.G. Schmidtpark versterkt, door de nieuwe en groen ingerichte oost-westelijke langzaamverkeersverbinding.

Woonvisie 2021-2025: Een plek voor iedereen In juli 2021 heeft de gemeenteraad van Lansingerland de nieuwe Woonvisie 2021-2025, ‘Een plek voor iedereen’ vastgesteld. Het is de opvolger van de Woonvisie 2015-2020. De gemeente wil de komende twintig jaar meer betaalbare en gelijkvloerse woningen realiseren. Dat is de be­ langrijkste uitkomst van de nieuwe Woonvisie 2021-2025. Uit het document komt naar voren dat de woningmarkt meer dan ooit sturing vraagt. Zo maakt de vergrijzende bevolking meer gelijk­ vloerse woningen noodzakelijk. Verder zijn er ook meer betaalbare woningen voor bijvoorbeeld starters nodig. Naast deze behuizing blijft er nog steeds vraag naar eengezinswoningen.

Bestemmingsplan “Berkel Centrum Oost' Toelichting Vast te stellen - 23 april 2024

28

Lansingerland voorziet tot 2040 een bouwopgave van ongeveer 11.000 woningen, zowel voor de lokale als regionale woonbehoefte. Tegelijk maakt Lansingerland zich hard voor behoud van haar groene omgeving in de Metropoolregio Rotterdam Den Haag. De ontwikkeling van 80 nieuwe sociale huurappartementen levert een bijdrage aan de forse wo­ ningbouwopgave die de Woonvisie stelt. Ook wordt hiermee voorzien in extra betaalbare wonin­ gen, wat als belangrijke opgave in de Woonvisie is opgenomen.

Welstandsnota Het welstandsbeleid dat in de welstandsnota (vastgesteld d.d. 26 april 2012) wordt uiteengezet, is bedoeld om de ruimtelijke kwaliteit van de gemeente Lansingerland te behouden en te stimu­ leren. Elk bouwplan moet, zowel op zichzelf, als in relatie tot zijn omgeving voldoen aan de rede­ lijke eisen van welstand, volgens criteria die zijn vastgesteld in de gemeentelijke welstandsnota. Bovendien mogen bestaande bouwwerken niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, ook weer volgens de criteria in de welstandsnota. Alleen als de gemeenteraad een gebied of een object als ‘welstandsvrij’ aanwijst, vervalt de preventieve welstandsbepaling. In Lansingerland wil de gemeente echter bij een deel van de vrije gebieden een vangnet behouden in de vorm van een paar summiere criteria om excessen te voorkomen. Gesproken wordt daarom van ‘vrij met excessenregeling’. Het welstandsbeleid van Lansingerland is uitgewerkt op basis van vier welstandsniveaus: wel­ standsvrij, vrij met excessenregeling, licht en bijzonder. Het plangebied valt binnen het welstandsniveau ‘bijzonder’. Bij dit welstandsniveau is de welstandsbeoordeling gericht op het stimuleren van de beeldkwaliteit, in alle facetten. De gemeente wil hier duidelijke regie voeren op de ruimte­ lijke kwaliteit.

Dit welstandsniveau is toegekend aan de kernen met hun voorzieningen- en win­ kelgebieden, de infrastructuur en daarbij behorende civieltechnische objecten (kunstwerken), en de gebieden die de kwalificatie ‘bijzonder’ hebben gekregen zoals de linten Noordeindseweg en Rottekade. Het plangebied valt daarnaast binnen het gebiedstype ‘historische kernen’. Alle drie de kernen maar vooral Berkel - zijn vanwege de vele winkels en voorzieningen druk bezocht en daardoor in hoge mate openbaar. De dynamiek is hoog en de karakteristiek staat onder druk door functie­ verandering en schaalvergroting. Daarom geldt hier een bijzonder welstandsniveau met bijzon­ dere aandacht voor de kwaliteit van bebouwing en openbare ruimte. De oorspronkelijke dorps­ kernen houden de ontstaansgeschiedenis afleesbaar. Bovendien vormen zij de historische con­ text voor veel objecten van cultuurhistorische waarde. Daarom is het beleid er ook op gericht om zorgvuldig om te gaan met de weinige, nog bestaande historische panden in de gemeente. In Berkel is het beleid gericht op het versterken van de bestaande kwaliteit van het kernwinkelgebied met dorpse karakteristiek. Daarbij dienen de ruimtelijke en functionele structuur en het verblijfsklimaat verbeterd en versterkt te worden. Dit bestemmingsplan voorziet in een herontwikkeling van het oostelijk centrumgebied van Berkel.

Daarbij wordt de herontwikkeling van de Hergerborchlocatie in samenhang bezien met een her­ inrichting van de openbare ruimte. Met de beoogde herinrichtingen wordt de ruimtelijke kwaliteit van het centrumgebied verbeterd. Zo wordt de momenteel sterk versteende openbare ruimte vergroend, en komt er meer ruimte voor langzaam verkeer. Daarmee ontstaat een aantrekkelijkere verblijfsruimte in het gebied. De nieuwe appartementengebouwen worden qua maat en schaal afgestemd op de bebouwing in de omgeving. De te slopen bebouwing van de Hergerborchlocatie vormt geen (historische) waardevolle bebouwing, en ook andere bestaande bebouwing wordt met de ontwikkeling niet aangetast. Het definitieve bouwplan wordt in het kader van de omgevingsvergunningprocedure nog aan de criteria uit de gemeentelijke welstandsnota getoetst.

Bestemmingsplan “Berkel Centrum Oost' Toelichting Vast te stellen - 23 april 2024

29

3.4

Conclusie Gelet op het voorgaande wordt de ontwikkeling passend geacht binnen de kaders van het rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid.

Bestemmingsplan “Berkel Centrum Oost' Toelichting Vast te stellen - 23 april 2024

30

4

Natuur en landschap

4.1

Kader

Wet natuurbescherming Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt drie oude wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming: Natura 2000), de Flora- en faunawet (soortenbescherming) en de Boswet (kapvergunningen). Soorten Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd. Voor een aantal soorten geldt daarenboven het bescher­ mingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor werkzaamheden die uit een be­ stemmingsplan voortvloeien dient voor de start van die werkzaamheden ontheffing te worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Bij de vaststelling van het plan dient dui­ delijk te zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen. Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eie­ ren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen. Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het ver­ boden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzame­ len, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten. Voor de eerste twee regimes gelden aanvullende ver­ bodsbepalingen. Ten slotte is altijd de algemene zorgplicht van toepassing, die inhoudt dat eenieder voldoende zorg in acht neemt voor alle inheemse dieren en planten en hun directe leefomgeving (artikel 1.11 van de Wnb). Concreet betekent dit dat bij ruimtelijke ontwikkeling gezorgd moet worden dat dieren niet gedood worden en dat planten verplant worden. Ook dient gelet te worden op bijvoor­ beeld de voortplantingsperiode van amfibieën en de zoogperiode van zoogdieren. Natura 2000 De Wnb ziet ook op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vrl- en Hrl-gebieden). Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000-gebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door ‘externe werking’) op die be­ schermde natuurgebieden, gelden (strenge) restricties. Voor activiteiten of projecten die schade­ lijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Middels een ‘habitattoets’ dient te worden onderzocht of een activiteit (significante) negatieve effecten op de instandhoudingsdoel­ stellingen voor Natura 2000-gebieden veroorzaakt.

De uitkomsten van de habitattoets dienen te worden beoordeeld door het bevoegd gezag. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden (de voormalige Ecologische Hoofdstructuur / EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het doel van het NNN is de instandhouding en ontwikkeling van natuurgebieden om daarmee een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan. Sinds 2014 zijn de provincies het eerste verantwoordelijke bevoegde gezag voor het NNN (daarvoor was dat de rijksoverheid). De provin­ cies hebben in een verordening regelgeving vastgelegd ten aanzien van het NNN.

Bestemmingsplan “Berkel Centrum Oost' Toelichting Vast te stellen - 23 april 2024

31

4.2

Onderzoek

Soortenbescherming Quickscan flora en fauna (augustus 2020) De kans bestaat dat in het plangebied beschermde flora en/of fauna voorkomen. Door NWC is daarom een quickscan uitgevoerd, waarin het plangebied is onderzocht op het mogelijk voorko­ men van beschermde natuurwaarden. De rapportage is opgenomen in bijlage 2. Hieronder zijn de bevindingen samengevat in tabel 4.1, en beknopt per soortgroep toegelicht. Soortgroep

Effecten beschermde soorten

Vleermuizen

Mogeiijke vernietiging vaste

Verpiichtingen Aanvuilend

verbiijfpiaats.

functie(s) van vegetatie en bebouwing voor

onderzoek

vieermuizen

naar

d.m.v.

de

zeven

gerichte veidbezoeken voigens het vieermuisprotocoi (2017)*. Zorgpiicht. Vogels vaste

Mogeiijk vernieiing van Ek-

Geen maatregelen wanneer de lep

Verblijtplaats

sternest en daarbij een vaste

met het Eksternest onaangetast blijft.

verbiijfpiaats van de Buizerd

Indien de boom gekapt wordt, dient

of de Sperwer.

voorafgaand

door

een

ecologisch

deskundige bepaald te worden of er sprake is van broedgevallen van de Buizerd of Sperwer. Zorgplicht. Overige vogeis

Mogeiijke verstoring of vernie­

Zorgplicht; werken buiten broedsei-

iing broedseis.

zoen en/of check door ecologisch des­

Grondgebonden

Mogeiijke aanwezigheid van

Voor het slopen van Hergerborch en

Zoogdieren

de Steenmarter.

kundige. herontwikkeling vegetatie: Aanvullend onderzoek naar de Steenmarter m.b.v. wild came ra's. Zorgplicht. Aquatische fauna

Geen.

Zorgplicht.

Tabel 4.1: Overzicht resultaten quickscan flora en fauna (bron: NWC, juni 2020).

Vleermuizen In het plangebied zijn twee boomholten aangetroffen die potentieel geschikt zijn als verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen. Één van deze bomen valt binnen de invloedsfeer van de voorgenomen plannen en wordt mogelijk gekapt. Het kan niet met voldoende zekerheid worden uitgesloten dat er zich vaste verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen bevinden in de aangetroffen boomholten. In de gebouwen binnen het plangebied bevinden zich doorlopende openingen in de gevels, die toegang bieden tot mogelijke verblijfplaatsen voor gebouwbewonende vleermuizen. Ook voor gebouwbewonende vleermuizen kan daarom niet met voldoende zekerheid worden uitgesloten dat er zich vaste verblijfplaatsen van vleermuizen bevinden in de bebouwing. Om uit te kunnen slui­ ten, dan wel aan te kunnen tonen, dat er zich vaste verblijfplaatsen van vleermuizen bevinden binnen het plangebied is aanvullend onderzoek nodig. Middels een dergelijk vervolgonderzoek worden alle functies die de bebouwing en vegetatie voor vleermuizen kan hebben, in kaart ge­ bracht. Vogels met een vaste verblijfplaats Het vernielen van in gebruik zijnde nesten is verboden en ook verstoring van broedende vogels is verboden. Om overtreding van de Wnb te voorkomen, mag begroeiing met daarin eventuele broedgevallen, pas gekapt/verwijderd worden wanneer deze nesten verlaten zijn.

Een (beperkt) aantal soorten bewoont het nest permanent of keert elk jaar terug naar hetzelfde nest. Verblijf­ plaatsen van deze vogelsoorten zijn niet alleen beschermd wanneer ze in gebruik zijn, maar het

Bestemmingsplan “Berkel Centrum Oost' Toelichting Vast te stellen - 23 april 2024

32

hele jaar. Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen zijn de boomvalk, buizerd, sperwer en ransuil. In het plangebied is een eksternest aangetroffen die mogelijk geschikt is als verblijfplaats voor de buizerd en/of de sperwer. Op het moment dat de quickscan werd uitgevoerd was het eksternest onbewoond. Indien de Iep met het eksternest niet gekapt/verwijderd wordt, hoeven er geen maat­ regelen getroffen te worden. Wanneer de betreffende boom echter gekapt/verwijderd zal worden, dient voorafgaand door een ecologisch deskundige bepaald te worden of er sprake is van broedgevallen. Het plangebied maakt deel uit van het functionele leefgebied van de Huismus. Het gebied is echter niet essentieel, omdat voldoende foerageermogelijkheden aanwezig blijven in de directe omgeving. Het Annie M.G. Schmidtpark, de groene bermen langs het Berkelsdijkje en een groot deel van de begroeiing in het plangebied blijft ongemoeid. Op de lange termijn kan de nieuwe inrichting van het plangebied zo mogelijk wederom functioneren als onderdeel van foerageergebied én, afhankelijk van de bouwwijze, ook een functie krijgen voor vaste nest- en verblijfplaatsen van de huismus. Aanvullend onderzoek is niet benodigd.

De vegetatie in het plangebied is geschikt als verblijfplaats en biedt voedsel voor algemene stru­ weel- en stadsvogels. Zolang de bomen en of bosschages worden gekapt in de periode oktoberfebruari hebben de werkzaamheden geen negatief effect op broedende vogels. Grondgebonden zoogdieren De aanwezigheid van de strikt beschermde steenmarter in het plangebied kan niet met zekerheid worden uitgesloten. Voor de sloop en herontwikkeling van de Hergerborchlocatie is aanvullend onderzoek nodig naar de mogelijke aanwezigheid van de steenmarter in het plangebied en de functie van het gebied voor deze soort. Aquatische fauna De aanwezigheid van strikt beschermde vissoorten en andere aquatische fauna binnen het plan­ gebied kan met voldoende zekerheid uitgesloten worden. Hierdoor zijn er vanuit de Wnb geen verdere verplichtingen ten aanzien van aquatische fauna. Zorgplicht Tenslotte geldt voor alle plant- en diersoorten (ook de onbeschermde) de zorgplicht. Deze houdt in dat mogelijke nadelige gevolgen voor planten en dieren, voor zover redelijk, zoveel mogelijk vermeden moeten worden. Aanvullende quickscan Terpstraat (2022) Na het uitvoeren van de quickscan uit 2020 is nagedacht over het verleggen van de plangrens, en het meenemen van extra gronden rondom de Terpstraat.

Naar aanleiding daarvan heeft NWC in 2022 de hier aanwezige bebouwing (Terpstraat 16, buiten het plangebied) en vegetatie gecon­ troleerd op geschiktheid voor verblijfplaatsen en/of functionele leefomgeving van soorten als vleermuizen, vogels met een vaste verblijfplaats en grondgebonden zoogdieren. De resultaten zijn gecombineerd met aanvullend onderzoek naar vleermuizen en steenmarters gepresenteerd in de rapportage in bijlage 3. Aanvullend onderzoek vleermuis en steenmarter (2022) Uit de uitgevoerde quickscan (NWC, 2020) blijkt dat bebouwing en vegetatie binnen het plange­ bied mogelijk gebruikt worden als vaste verblijfplaats en/of functionele leefomgeving van vleer­ muizen en de steenmarter. Deze soorten, hun functionele leefomgeving en hun verblijfplaatsen vallen onder de bescherming van de Wnb. Als gevolg van de voorgenomen plannen bestaat de kans dat verblijfplaatsen van deze soorten vernield worden en worden mogelijk individuen van deze soorten verstoord, verwond of gedood, hetgeen leidt tot overtreding van verbodsbepalingen uit de Wnb. Om deze reden heeft NWC aanvullend onderzoek uitgevoerd om de aanwezigheid

Bestemmingsplan “Berkel Centrum Oost' Toelichting Vast te stellen - 23 april 2024

33

van vleermuizen en/of de steenmarter vast te kunnen stellen dan wel uit te kunnen sluiten. De rapportage is opgenomen in bijlage 3. Vleermuizen In het aanvullend onderzoek is vastgesteld dat de gewone dwergvleermuis gebouwen binnen het onderzoeksgebied benut als verblijfplaats. In totaal zijn 8 zomerverblijfplaatsen in het onder­ zoeksgebied aangetroffen. Daarnaast zijn er tenminste 4 baltsterritoria in/nabij het plangebied aangetroffen waarvan twee in het westen en twee in het oosten van het plangebied. De waarne­ mingen van vleermuizen rondom het plangebied zijn weergegeven in afbeelding 4.1.

Legenda ^

GDV verbll|fplaatsen

O

Gewone dwergvleermuis

#

Laatvieger

#

Rosse vleermuis

O

Ruige dwergvleermuis

-

/' :

' .

-

.

''

'

''

! '

' 0

o/

Į

Vleermuiswaarnemir^gen binnen het plangebied.

‘ie

AO Raadhuishof Berkel 6 Rodenrijs

\ 50

100

ISOm

Project; P21-139 Schaaľ 1:1700

j Plangebied

Afbeelding 4.1: waarnemingen en verblijfplaatsen van vleermuizen rondom het plangebied (bron: NWC, november 2022).

De verblijfplaatsen van alle soorten vleermuizen zijn strikt beschermd. Wanneer deze verblijf­ plaatsen verstoord of vernietigd worden als gevolg van de geplande werkzaamheden, leidt dit tot overtreding van de Wnb (artikel 3.5, lid 2 & 4). Binnen de voorgenomen plannen wordt het wes­ telijke deel van het gebouw aan de Raadhuislaan gesloopt, inclusief de overdekte loper richting het Raadhuishof. De aangetroffen zomerverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis zal daarbij verloren gaan. Ontheffing van deze verbodsbepalingen is benodigd en er dienen compenserende maatregelen te worden voor het ongeschikt raken van deze verblijfslocaties. Er dient een activiteitenplan te worden opgesteld waarin zowel compenseerde als mitigerende maatregelen staan beschreven waaronder het aanbieden van vervangende zomer- en paarverblijfplaatsen. Dergelijke voorzie­ ningen moeten onder begeleiding van een deskundige worden gerealiseerd. De voor de ontwik­ keling benodigde ontheffingsaanvraag en het activiteitenplan worden opgesteld en ingediend. Bij de inventarisaties zijn ook foeragerende vleermuizen binnen het plangebied vastgesteld. Met name de vegetatie rondom het gebouw aan de Raadhuislaan en de watergang in het oosten van het plangebied werden intensief benut door de gewone- en de ruige dwergvleermuis.

Dergelijke beplanting is beschermd als deze van essentieel belang is voor de in het gebied voorkomende vleermuizen. Beplanting is van essentieel belang voor vleermuizen wanneer geen andere

Bestemmingsplan “Berkel Centrum Oost' Toelichting Vast te stellen - 23 april 2024

34

geschikte alternatieve vliegroutes tussen foerageergebied en verblijfplaats(en) aanwezig zijn, geen andere elementen in de omgeving aanwezig zijn die tijdens slecht weer beschutting kunnen bieden, deze een gunstig microklimaat creëren rondom verblijfplaatsen of wanneer (gedurende bepaalde seizoenen) geen ander foerageergebied in de omgeving aanwezig is. Van alle bovengenoemde scenario’s blijkt geen sprake en vandaar wordt niet gesproken van essentieel foerageergebied. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich voldoende alternatieve foerageergebieden voor vleermuizen, zoals de watergang inclusief vegetatie in het oosten van het plangebied, de bomen langs het Hondenpark Berkel en het Urban sportpark. Grondgebonden zoogdieren Binnen het aanvullend onderzoek met wildcamera’s zijn geen (strikt) beschermde soorten in het plangebied aangetroffen. Op basis van de resultaten van het veldonderzoek kan de aanwezigheid van strikt beschermde grondgebonden zoogdieren redelijkerwijs worden uitgesloten. Ten aanzien van deze soortengroep bestaan geen verdere verplichtingen behalve de zorgplicht. Overige broedvogels In/op de bebouwing en de vegetatie in het plangebied zijn verschillende nestplaatsen van (alge­ mene) broedvogels vastgesteld. Broedsels van alle broedvogels zijn beschermd wanneer deze in gebruik zijn (van nestbouw tot het uitvliegen van de jongen).

Werkzaamheden die een versto­ rende aard kunnen hebben op aanwezige broedgevallen in de vegetatie of bebouwing dienen uitgevoerd te worden buiten de broedperiode (globaal: maart tot en met augustus). Indien dit niet mogelijk is dient vooraf aan de werkzaamheden een broedvogelcheck uitgevoerd te worden door een ecologisch deskundige.

Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden, De Wilck en Boezems Kinderdijk, liggen op circa 14 en 15 km afstand. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden waarbinnen stikstofgevoelige habitats aanwezig zijn, zijn Meijendel & Berkheide, Westduinpark & Wapendal en Solleveld & Kapittelduinen. Daarnaast maakt het plangebied geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Ook is het plangebied geen onderdeel van een ander beschermd natuurgebied, zoals een belangrijk weidevogelgebied of strategische reservering natuur. Stikstofdepositie KuiperCompagnons heeft voor de beoogde ontwikkeling een stikstofdepositie-onderzoek uitge­ voerd. De bijbehorende notitie is opgenomen in bijlage 4. In het onderzoek is beoordeeld of de aanleg- en gebruiksfase van de nieuwe woningen een toename veroorzaakt van de stikstofdepo­ sitie ter plaatse van stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden. Uit dit onderzoek wordt geconcludeerd dat met zekerheid kan worden gesteld dat geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden gedu­ rende de aanleg- en gebruiksfase van de nieuwe woningen in dit bestemmingsplan.

Dit betekent dat significant negatieve effecten op de instandhouding van de Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten en dat het aspect stikstofdepositie uit de Wet natuurbescherming niet leidt tot belemmeringen voor de ontwikkelingen in dit plan.

4.3

Conclusie Uit een quickscan flora en fauna blijkt dat het plangebied mogelijk gebruikt wordt als vaste ver­ blijfplaats en/of functionele leefomgeving van vleermuizen en de steenmarter. In aanvullend on­ derzoek zijn verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen. Daar waar deze verstoord of vernie­ tigd worden als gevolg van de geplande werkzaamheden is ontheffing van de verbodsbepalingen uit de Wnb benodigd. Er dient een activiteitenplan te worden opgesteld met zowel compenseerde

Bestemmingsplan “Berkel Centrum Oost' Toelichting Vast te stellen - 23 april 2024

35

als mitigerende maatregelen. Voor wat betreft de aangetroffen foeragerende vleermuizen wordt geconcludeerd dat in het plangebied geen sprake is van essentieel foerageergebied. Voor de strikt beschermde grondgebonden zoogdieren kan de aanwezigheid redelijkerwijs worden uitge­ sloten, en bestaan geen verdere verplichtingen behalve de zorgplicht. Ook ten aanzien van an­ dere beschermde soorten gelden - behalve de zorgplicht - geen verplichtingen vanuit de Wnb. Voor wat betreft gebiedsbescherming, blijkt dat significant negatieve effecten op de instandhou­ ding van Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten en dat het aspect stikstofdepositie uit de Wnb niet leidt tot belemmeringen voor het plan.

Bestemmingsplan “Berkel Centrum Oost" Toelichting Vast te stellen - 23 april 2024

36

5

Water

5.1

Kader Er is een groot aantal beleidsstukken dat betrekking heeft op de waterhuishouding. Hieronder wordt één en ander uiteengezet.

5.1.1 Europees en rijksbeleid

Het Nationaal Water Programma 2022-2027 Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is vastgesteld op 18 maart 2022. In het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. De ministeries van Infra­ structuur en Waterstaat, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit hadden de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het opstellen van het NWP. Zij ontwikkelden dit samen met medeoverheden, drinkwaterbedrijven, maatschappelijke organi­ saties en branche- en sectorpartijen. Om de uitdagingen rondom water het hoofd te bieden is samenwerking cruciaal. Op grond van Europese regelgeving en de nationale Waterwet zijn iedere 6 jaar nationale plan­ nen voor water nodig. In het NWP komen het oude Nationaal Waterplan (voor beleid) en het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren (voor beheer) samen. Zo wordt al in de geest van de Omgevingswet gewerkt. Daarnaast zijn het Programma Noordzee, de stroomgebiedbeheerplannen en de overstromingsrisicobeheerplannen onderdeel van het NWP. Hiermee geeft het programma invulling aan de Europese richtlijnen voor water.

Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater en waterverdeling, waterkwaliteit en natuur scheepvaart en de functies van de rijkswateren. Denk aan het omgaan met droogte, onze dijken, en het borgen van de drink­ watervoorziening en de bevaarbaarheid van onze rivieren en kanalen. Hierbij wordt gekeken naar de raakvlakken binnen en tussen de verschillende waterthema’s, ook in de verschillende ‘water’ gebieden (dit zijn: Noordzee, Zuidwestelijke Delta, Waddengebied, IJsselmeergebied, Rivieren, Kanalen en Rijnmond-Drechtsteden). Dat brengt samenhang in het waterbeleid aan. Daarnaast worden de raakvlakken laten zien tussen water en andere thema’s als landbouw, landschap, bo­ dem en het energie- en klimaatbeleid. Het programma biedt daarmee overzicht en inzicht van wat Nederland nu en in de toekomst te wachten staat.

Waterwet In de Waterwet zijn acht oude waterwetten samengebracht: de Wet op de waterhuishouding, de Wet op de waterkering, de Grondwaterwet, de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, de Wet verontreiniging zeewater, de Wet droogmakerijen en indijkingen (Wet van 14 juli 1904), de Wet beheer rijkswaterstaatswerken (het zogenaamde 'natte gedeelte'), de Waterstaatswet 1900 en de Waterbodemparagraaf uit de Wet bodembescherming. De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor imple­ mentatie van toekomstige Europese richtlijnen.

Bestemmingsplan “Berkel Centrum Oost' Toelichting Vast te stellen - 23 april 2024

37

De waterschappen krijgen een nieuwe bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkingen, bemalingen en infiltraties, met uitzondering van onttrekkingen voor drinkwater, koude en warmteopslag en grote industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3/jaar. Gemeenten krijgen verdergaande taken en bevoegdheden in het kader van de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater in de riolering en voor hemelwater en grondwater.

Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruim­ telijke plannen en besluiten. Het doel van dit nieuwe instrument is waarborgen dat de waterhuis­ houdkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om water­ huishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets bete­ kent in feite dat de gemeente en de waterbeheerder samenwerken bij het uitwerken van ruimte­ lijke plannen, zodat problemen in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De water­ toets is verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten.

Kaderrichtlijn water De Kaderrichtlijn Water (KRW) is opgesteld om de waterkwaliteit in Europa te verbeteren. De richtlijn is sinds 2000 van kracht. In de richtlijn staan afspraken die ervoor moeten zorgen dat uiterlijk in 2027 het water in alle Europese landen voldoende schoon en gezond is.

Waterbeheer 21e eeuw (WB21) In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw advies uitgebracht over het toe­ komstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatsvinden. Berging moet binnen het stroomgebied plaatsvinden. Dit betekent onder andere het aanwijzen en in stand houden van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd.

5.1.2 Provinciaal beleid

Regionaal Waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 Provinciale Staten hebben het regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 vastgesteld. In dit programma beschrijft de provincie Zuid-Holland haar waterbeleid. Hierin staat hoe de pro­ vincie samen met haar partners werken aan een regionaal watersysteem dat bijdraagt aan een gezond, veilig, aantrekkelijk, concurrerend en bereikbaar Zuid-Holland. Er zijn diverse Europese richtlijnen rondom water, zoals de Kaderrichtlijn Water, de Grondwaterrichtlijn, de Richtlijn Overstromingsrisico's en de Zwemwaterrichtlijn. In de Waterwet is bepaald wat de provincie moet doen om uitvoering te geven aan deze richtlijnen. Dit staat dus in het regi­ onaal waterprogramma van de provincie. De provincie Zuid-Holland gaat in het regionaal waterprogramma - naast deze verplichte onder­ werpen - ook in op onderwerpen zoals zoetwatervoorziening, waterrecreatie, vaarwegen en wa­ teroverlast. Op deze manier komt al provinciaal beleid dat te maken heeft met water samen in 1 document. Dit geeft een helder beeld van de aanpak van de provincie en laat de samenhang

Bestemmingsplan “Berkel Centrum Oost' Toelichting Vast te stellen - 23 april 2024

38

tussen de verschillende onderwerpen duidelijk zien. Provinciale Staten waren onder de indruk hiervan en hebben het regionaal waterprogramma unaniem vastgesteld. Bij de uitwerking van het regionaal waterprogramma is intensief samengewerkt met een groot aantal belanghebbende partijen, waaronder de 7 Zuid-Hollandse waterschappen, drinkwaterbe­ drijven, omgevingsdiensten en gemeenten. Daarnaast hebben 23 partijen een zienswijze inge­ diend op het ontwerp-regionaal waterprogramma. Het regionaal waterprogramma wordt iedere 6 jaar geactualiseerd en als het nodig is vaker.

5.1.3 Regionaal beleid

Hoogheemraadschap van Delfland Waterbeheerprogramma 2022 - 2027 Op 10 maart 2022 heeft het bestuur van het Hoogheemraadschap van Delfland het Waterbeheer­ programma 2022-2027 (WBP6) vastgesteld. Dit is de opvolger van het Waterbeheerplan 2016­ 2021. Hiermee geeft Delfland invulling aan de verplichting voor waterschappen onder de Omgevingswet om een waterbeheerprogramma op te stellen. In het Waterbeheerprogramma beschrijft het Hoogheemraadschap van Delfland haar strategie voor de uitvoering van kerntaken voor de aankomende jaren. Het is de leidraad voor het handelen van het hoogheemraadschap in de pe­ riode 2022-2027. Daarbij vormt het een uitnodiging aan private, particuliere en publieke partijen om binnen de uitgezette koers met initiatieven te komen. Bij de uitvoering staan de kerntaken vanzelfsprekend voorop: waterveiligheid, waterbeheer en waterzuivering. Naast een aantal ver­ plichte onderdelen (de Kaderrichtlijn Water, de richtlijn overstromingsrisico’s, de richtlijn zwem­ water en Natura 2000), zijn er voor het waterbeheerprogramma geen vormvereisten. Delfland heeft voor het WBP6 gekozen voor een opzet met drie verschillende niveaus: WBP6 op hoofdlij­ nen, een thematisch overzicht van maatregelen en activiteiten, en een kennisbank. Handreiking watertoets Delfland heeft een Handreiking watertoets voor gemeenten.

De handreiking biedt gemeenten, adviesbureaus en projectontwikkelaars handvatten voor de invulling van proces en inhoud van de watertoets voor ruimtelijke plannen op gemeentelijk niveau. De handreiking is gebaseerd op bestaand beleid van Delfland en sluit aan op de Wet ruimtelijke ordening, de Wet algemene be­ palingen omgevingsrecht, de Crisis- en herstelwet en de Waterwet. De handreiking bestaat uit een procesdeel en een inhoudelijk deel. In het procesdeel wordt ingegaan op het watertoetsproces voor elk van de volgende ruimtelijke planvormen: stedenbouwkundige plan; structuurvisie; bestemmingsplan; beheersverordening; omgevingsvergunning met ruimtelijke onderbouwing; en tot slot de nieuwe planfiguren van de Crisis- en herstelwet, zoals het projectuitvoeringsbesluit. Het inhoudelijk deel bevat de vertaling van het actuele beleid van Delfland in ruimtelijke zin. De watertoets is gebaseerd op twee uitgangspunten: 1. Standstill-beginsel: dit houdt in dat de waterhuishouding door ruimtelijke veranderingen in elk geval niet mag verslechteren. Negatieve effecten van ruimtelijke ontwikkelingen op het watersysteem moeten worden voorkomen; 2. Verbetering: veranderingen in de inrichting van een gebied bieden ook mogelijkheden om het watersysteem te verbeteren.

Kansen die zich voordoen in ruimtelijke ontwikkelingen om bestaande knelpunten in het watersysteem te helpen oplossen worden benut. Standstill-beginsel Conform het standstill-beginsel mag de kans op wateroverlast niet toenemen als gevolg van het ruimtelijk plan. De initiatiefnemer moet ervoor zorgen, dat de negatieve gevolgen van het ruimte­ lijk plan worden gecompenseerd. Compensatie moet worden gerealiseerd door middel van ber­ gen óf in het onderdeel van de trits vasthouden-bergen-afvoeren, waarin de verslechtering op­ treedt. Ontwikkelingen waarbij het verhard oppervlak toeneemt, of de vasthoudcapaciteit van een gebied op andere manieren wordt verkleind, zorgen voor een snellere afstroming van hemelwater

Bestemmingsplan “Berkel Centrum Oost' Toelichting Vast te stellen - 23 april 2024

39

naar het oppervlaktewater, doordat water niet langer in de bodem kan infiltreren maar oppervlak­ kig of via (hemelwater)riolering wordt afgevoerd. Dit kan leiden tot wateroverlast, en past dus niet binnen het standstill-beginsel, tenzij ter compensatie extra waterberging wordt gerealiseerd. Keur en Legger Alle handelingen of werkzaamheden in de nabijheid van watergangen en waterkeringen vallen onder de regels van de Keur en Algemene regels van het Hoogheemraadschap van Delfland. In deze verordening van het waterschap zijn gebods- en verbodsbepalingen opgenomen om de waterstaatsbelangen veilig te stellen. In de meeste gevallen zal een vergunning moeten worden verleend door het waterschap. De Legger van het waterschap is een register waarin functie, afmetingen en onderhoudsplichtigen van wateren (zoals sloten en vaarten), waterbergingen en natuurvriendelijke oevers vastgelegd zijn. Ook geeft de Legger de ligging van wateren, waterbergingen en natuurvriendelijke oevers aan, zodat duidelijk is waarop de Keur van toepassing is. Beleidsregel Medegebruik Regionale waterkeringen Delfland geeft met de Beleidsregel Medegebruik Regionale waterkeringen invulling aan zijn be­ voegdheid om voorwaarden te stellen voor het medegebruik van de ruimte in, op, boven, over en onder regionale waterkeringen.

De beleidsregel vormt het toetsingskader voor vergunningverle­ ning op basis van de Waterwet en de Keur Delfland, vanaf het moment van inwerkingtreding. Met de Beleidsregel Medegebruik Regionale waterkeringen maakt Delfland voor alle betrokkenen in­ tern en extern transparant op welke manier het medegebruik van de ruimte in, op, boven, over en onder de regionale waterkeringen wordt beoordeeld. Voor Delfland staat de veiligheid van de waterkering voorop. Een voorwaarde voor het toestaan van medegebruik is dat Delfland in het beheer van de waterkering niet wordt belemmerd door het medegebruik. Met beheer wordt be­ doeld alle activiteiten die nodig zijn om de waterkeringen op het vereiste veiligheidsniveau te houden, nu en in de toekomst.

Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard Waterbeheerprogramma 2022-2027 Het algemeen bestuur van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard heeft op 26 januari 2022 het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vastgesteld. In dit programma be­ schrijft het hoogheemraadschap zijn visie en ambities voor het waterbeheer. Naast de wettelijke taken heeft het hoogheemraadschap voor de periode 2022-2027 ook specifieke ambities en doe­ len. Deze worden in aan de hand van de volgende drie thema’s uiteengezet: 1.Een veilige en aantrekkelijke leef- en werkomgeving voorbereid op de verandering van het klimaat. Door de omgeving aan te passen aan het veranderende klimaat blijft het mogelijk om de taken in de toekomst goed uit te voeren. Het vasthouden van regenwater kan helpen verdroging te bestrijden, de waterkwaliteit te verbeteren en wateroverlast te voorkomen. Waar nodig zullen ook dijken versterkt moeten worden. 2.Een duurzaam waterschap voor de wereld van morgen. Het hoogheemraadschap wil de eigen bijdrage aan klimaatverandering verkleinen en het hergebruik van grondstoffen ver­ groten. In samenwerking met andere partijen wil het hoogheemraadschap ook een bijdrage leveren aan de verbetering van de waterkwaliteit en de vergroting van de biodiversiteit. 3.Water en waterschap als onderdeel van de samenleving.

Het hoogheemraadschap staat in dienst van de gebruikers en wil vanuit die verbondenheid samen aan de wateruitdagingen werken. Tevens wil zij graag het waterbewustzijn vergroten en het versterken van partici­ patie. Digitalisering en innovatie speelt daarbij een steeds belangrijkere rol. Keur en beleidsregels Op grond van de Waterwet is het hoogheemraadschap bevoegd via een eigen verordening (de Keur) regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Denk hierbij aan han­ delingen in, nabij of met betrekking tot:

Bestemmingsplan “Berkel Centrum Oost' Toelichting Vast te stellen - 23 april 2024

40

-

waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden); watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken); andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen); de bodem van kwelgevoelige gebieden; onttrekken en lozen van grondwater; aanbrengen van verhard oppervlak.

De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. Zo moet bijvoorbeeld voor het bouwen op een wa­ terkering een watervergunning worden aangevraagd bij het hoogheemraadschap (naast de omgevingsvergunning bij de gemeente). Ook is een watervergunning benodigd voor het aanbrengen van verharde oppervlakten met een oppervlakte van meer dan 500 m^ (waarvan de neerslag geheel of gedeeltelijk, direct of indirect, wordt gebracht op het oppervlaktewaterlichaam). In de uitvoeringsregels die bij de Keur horen is dit nader uitgewerkt. Beleid waterberging bij ruimtelijke ontwikkelingen Op 27 juni 2012 heeft het algemeen bestuur van het hoogheemraadschap het Beleid waterber­ ging bij ruimtelijke ontwikkelingen 2012 vastgesteld. Dit beleid heeft tot doel om ongewenste ef­ fecten van verhardingstoename op het watersysteem te voorkomen. Een belangrijk ongewenst effect van verhardingstoenamen is de versnelde afvoer van neerslag. Voor verschillende ruimte­ lijke ontwikkelingen zijn voorwaarden beschreven om de te verwachten effecten op het watersys­ teem te compenseren.

Er wordt onderscheid gemaakt in drie typen plannen: - Kleine plannen: Plannen met een verhardingstoename tot 500 m^ - Middelgrote plannen: Plannen met een verhardingstoename groter dan 500 m^ en kleiner dan 10 hectare bruto planoppervlak - Grote plannen: Een plan groter dan 10 hectare bruto planoppervlak Voor kleine ruimtelijke ontwikkelingen verhardingstoename is geen compensatie noodzakelijk. Kleine plannen hebben een gering effect op de waterhuishouding. Daarnaast bestaat er een ze­ kere onzekerheid in berekening door de invoergegevens, berekeningsmethode en gevolgen van de klimaatsverandering. Door rekening te houden met de onzekerheid en om onevenredige be­ lasting van de organisatie door dergelijke plannen te voorkomen, wordt compensatie voor een geringe verhardingstoename kwijtgescholden. Deze kwijtschelding, namelijk de aftrek van 500 m2 verhardingstoename, geldt in verband met gelijkheid voor alle ruimtelijke ontwikkelingen bin­ nen het beheergebied van HHSK. Voor middelgrote plannen past HHSK een gestandaardiseerde berekeningsmethode toe op basis van de normen voor waterkwantiteit. De gestandaardiseerde berekeningsmethode levert een compensatie-eis op uitgedrukt in kubieke meter (m3), een te realiseren wateroppervlak (m2) of als percentage van de verhardingstoename (%).

Als gevolg van de omgevingsfactoren (mogelijke waterpeilstijging, bodemtype, bestaande gebiedsfuncties, etc.) en de planeigenschappen (ver­ hardingstoename) verschilt de compensatie-eis van (peil)gebied tot (peil)gebied. Bij grote plannen wordt maatwerk toegepast. Daarbij worden de waterhuishouding en de verschil­ lende aspecten van het watersysteem in het gebied apart beschouwd.

Bestemmingsplan “Berkel Centrum Oost' Toelichting Vast te stellen - 23 april 2024

41

5.1.4 Gemeentelijk beleid

Strategische Samenwerkingsagenda Water In juli 2021 is de Strategische Samenwerkingsagenda Water vastgesteld door ons College, door het Hoogheemraadschap van Delfland en het Hoogheemraadschap Schieland en de Krimpenerwaard. De Strategische Samenwerkingsagenda Water vervangt het Waterplan uit 2010. Naast de reguliere taken in het waterbeheer zoals waterkwaliteit, kwantiteit en veiligheid, worden nu ook de nieuwe thema’s zoals klimaatadaptatie, woningbouwopgave, duurzaamheid en de omgevingswet opgepakt. De samenwerking moet leiden tot een robuust, klimaatbestendig watersysteem en een hogere kwaliteit van de fysieke leefomgeving in Lansingerland.

Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2025 De gemeente is verantwoordelijk voor de inzameling en het transport van afval- en hemelwater en heeft ook een zorgplicht voor het grondwater. Met dit Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2025 legt de gemeente het rioleringsbeleid van Lansingerland voor de komende planperiode vast. Daarnaast wordt een doorkijk gemaakt naar de toekomst. Het areaal is in de afgelopen periode sterk toegenomen met de nieuwbouwlocatie Westpolder. Dit zal met de ontwikkeling van de nieuwbouwlocatie Wilderszijde verder uitbreiden. Het GRP geeft de visie en strategie van de gemeente weer voor de invulling van het rioolbeheer in de gemeente. Daarbij is ook gekeken naar de kosten die uitvoering van activiteiten met zich mee­ brengt en naar het effect hiervan op de rioolheffing. Het GRP is een beleidsplan dat op hoofdlijnen de invulling van de gemeentelijke watertaken weergeeft. Door middel van het GRP leggen we vast wat wij willen bereiken ten aanzien van stedelijk afval-, hemel-, en grondwater en wat de rol van burgers en bedrijven hierin is. Het GRP vervult hiermee vier hoofdfuncties: ^ Kader gemeentelijke zorgplichten; ^ Interne afstemming; ^ Externe afstemming; ^ Continuïteit en voortgangsbewaking.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lansingerland&id=3277f630-4a98-4f0f-bbb2-26dfe93d86f1