[T24.00954] BP Westersingel 82-94 Regels en Toelichting
Tekst van het document
welstandsvrij; vrij met excessenregeling; licht; bijzonder.
Relatie tot het plangebied Het plangebied aan de Westersingel is gelegen binnen het gebied gecategoriseerd als '47C3' en is gelegen binnen het gebied 'Woongebieden na 1985'. Op grond van de kaart met de geldende welstandniveaus binnen de gemeente Lansingerland, is de locatie gelegen binnen het gebied waar een 'licht' welstandsniveau van kracht is. Bij dit welstandsniveau is de preventieve welstandsbeoordeling primair gericht op het bewaren van de
Toelichting (vastgesteld)
27
bestemmingsplan Westersingel 82 - 94
stedenbouwkundige en architectonische samenhang. Dit welstandsniveau is toegekend aan veel woonwijken buiten de kernen. In deze gebieden worden de openbaarheid en de publieke ruimte vooral beleefd door de mensen die er wonen of werken. Het zijn 'rustige' gebieden waar de leefbaarheid van groot belang is omdat mensen er langdurig (moeten) verblijven. Figuur 3.1: Uitsnede welstandsnota gemeente.
I
I Welstands vrij
1
I
I
ì Ucht
VHi met eïcessenreţelŕrB Bijzonder
ti±di
Ontwikkennasgebied
Y//Ä Transformatieeebied I I Woonwijken vrij met excessenreGeLing
Bij de nadere planuitwerking wordt rekening gehouden met de geldende welstandscriteria.
28
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Westersingel 82 - 94
Hoofdstuk 4 4.1
Natuur en landschap
Kader
Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt drie oude wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming: Natura 2000), de Flora- en faunawet (soortenbescherming) en de Boswet (kapvergunningen).
4.1.1
Soorten
Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd. Voor een aantal soorten geldt daarenboven het beschermingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor werkzaamheden die uit een bestemmingsplan voortvloeien dient voor de start van die werkzaamheden ontheffing te worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Bij de vaststelling van het plan dient duidelijk te zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen. Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen. Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten. Voor de eerste twee regimes gelden aanvullende verbodsbepalingen. 1.
2.
3.
Het beschermingsregime Vogelrichtlijn (Vrl), dat van toepassing is op van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vrl. Met betrekking tot deze vogelsoorten geldt dat het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden is vogels opzettelijk te storen, behalve als de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en dwingende redenen van groot openbaar belang zijn geen reden om ontheffing te verlenen. Ontheffing is uitsluitend toegestaan op basis van de ontheffingsgronden die in de Vrl zijn genoemd. Overigens is het, indien geen ontheffing nodig is, volgens de huidige interpretatie van de wet wel verplicht rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Voor sommige vogelsoorten met vaste verblijfplaatsen geldt dat deze vaste verblijfplaatsen en het essentiële leefgebied jaarrond beschermd zijn. Het beschermingsregime Habitatrichtlijn (Hrl), dat van toepassing is op soorten van bijlage IV bij de Hrl, bijlage I en II bij het Verdrag van Bern en bijlage I bij het Verdrag van Bonn. Met betrekking tot deze soorten is het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden dieren opzettelijk te verstoren. Ontheffing wordt voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling alleen verleend indien: a.
er geen andere bevredigende oplossing is, en b. geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort, en c. sprake is van één van de volgende (bij ruimtelijke ontwikkeling relevante) belangen: » de bescherming van wilde flora en fauna of natuurlijke habitats, of » de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. Het beschermingsregime Andere Soorten, dat van toepassing is op soorten van de bijlage behorende bij artikel 3.10 van de Wnb. Ontheffing is alleen mogelijk indien: a. er geen andere bevredigende oplossing is, en b. indien geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort.
Er is echter geen ontheffing nodig indien gewerkt wordt volgens een geldige gedragscode die van toepassing is op de betreffende soort(en). Vaak is daarnaast ecologische begeleiding en een ecologisch werkprotocol nodig bij de uitvoering van werkzaamheden. De provincies kunnen voor het beschermingsregime Andere Soorten een algemene vrijstelling verlenen voor onder meer ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. In Lansingerland is de provincie
Toelichting (vastgesteld)
29
bestemmingsplan Westersingel 82 - 94
Zuid-Holland het bevoegd gezag voor de Wnb. In dit geval is die bevoegdheid gemandateerd aan de Omgevingsdienst Haaglanden. Indien nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van soorten niet (kunnen) worden ontzien, is ontheffing noodzakelijk. Ontheffing is niet benodigd indien de functionaliteit van de nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen gegarandeerd wordt (het beschadigen en vernielen wordt voorkomen door maatregelen of er zijn voldoende alternatieven). Ten slotte is altijd de algemene zorgplicht van toepassing, die inhoudt dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor alle inheemse dieren en planten en hun directe leefomgeving (artikel 1.11 van de Wnb). Concreet betekent dit dat bij ruimtelijke ontwikkeling gezorgd moet worden dat dieren niet gedood worden en dat planten verplant worden. Ook dient gelet te worden op bijvoorbeeld de voortplantingsperiode van amfibieën en de zoogperiode van zoogdieren.
4.1.2
Natura 2000
De Wnb ziet op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vrl- en Hrl-gebieden). Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000-gebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door ‘externe werking’) op die beschermde natuurgebieden, gelden (strenge) restricties. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Middels een ‘habitattoets’ dient te worden onderzocht of een activiteit (significante) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden veroorzaakt. De uitkomsten van de habitattoets dienen te worden beoordeeld door het bevoegd gezag.
4.1.3
Natuurnetwerk Nederland en overige bos- en natuurgebieden
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden (de voormalige Ecologische Hoofdstructuur Z EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het doel van het NNN is de instandhouding en ontwikkeling van natuurgebieden om daarmee een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan. Sinds 2014 zijn de provincies het eerste verantwoordelijke bevoegde gezag voor het NNN (daarvoor was dat de rijksoverheid). De provincies hebben in een verordening regelgeving vastgelegd ten aanzien van het NNN.
4.2
Onderzoek
4.2.1
Soortenbescherming
Door ecologisch adviesbureau Van der Goes en Groot is ter plaatse van het plangebied een quickscan uitgevoerd. De rapportage is als bijlage 3 toegevoegd aan dit bestemmingsplan. De resultaten hiervan worden hieronder samenvattend weergegeven. Het onderzoeksgebied is in potentie geschikt voor beschermde soorten amfibieën, vogels, grondgebonden zoogdieren en vleermuizen. Gezien de uitgevoerde toetsing, kunnen van de amfibieën en grondgebonden zoogdieren alleen 'vrijgestelde' soorten verblijvend aanwezig zijn. Voor deze aangetroffen of verwachte 'vrijgestelde' soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd als werkzaamheden worden verricht in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zoals het besproken plan. In het plangebied kunnen broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een ontheffing is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen loopt ruwweg van half maart tot half juli.
Voor het mogelijk incidentele terreingebruik van het plangebied door vogels met jaarrond beschermde nesten (Sperwer), wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter leefgebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. Het plangebied biedt geen essentieel leefgebied voor deze soorten en ze kunnen gemakkelijk uitwijken. Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter
30
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Westersingel 82 - 94
foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken.
4.2.2
Gebiedsbescherming
Op 1 juli 2021 werd de wet Stikstofreductie en Natuurverbetering ingevoerd. Onderdeel van deze wet was de vrijstelling voor bouw, sloop en eenmalige aanlegactiviteiten, in het kort de bouwvrijstelling. In de Porthos-uitspraak van 2 november 2022 oordeelt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat de bouwvrijstelling in strijd is met het Europese recht. De gevolgen van het bouwen, slopen of aanleggen dienen weer beoordeeld te worden in het onderzoek naar stikstofdepositie. In de nabijheid vanhet plangebied zijn geen Natura 2000-gebieden gelegen. De volgende gebieden zijn in de directe omgeving van het planvoornemen gelegen: » » *
De Wilck, op circa 13,5 km; Meijendel & Berkheide, op circa 16 km; Boezems Kinderdijk, op circa 16,2 km.
Figuur 4.0: Weergave Natura 2000-gebieden. Plangebied bij benadering met ster weergegeven.
Ten behoeve van het plan is door Equipe een stikstofdepositieberekening uitgevoerd, voor zowel de gebruiks- als aanlegfase. De rapportage is als bijlage 2 bij voorliggend bestemmingsplan opgenomen. Opgemerkt dient te worden dat uitgangspunt voor de stikstofdepositieberekening een ruimer programma is geweest dan het programma waar onderhavig bestemmingsplan ruimte aan biedt. Het betreft derhalve een worst-case benadering. Gebruiksfase Aangezien het project aardgasloos wordt uitgevoerd, kan gesteld worden er geen NOX uitstoot wordt veroorzaakt door CV-installatie's. Voor het bepalen van de rittenberekening is gebruik gemaakt van de CROW ASVV 2021 publicatie, hierin zijn kentallen opgenomen voor de verkeersgeneratie per activiteit. Onderstaand zijn deze kentallen vertaald naar daadwerkelijke ritten per dag. Figuur 4.1: Verkeersgeneratie ontwikkeling.
Toelichting (vastgesteld)
31
bestemmingsplan Westersingel 82 - 94
Type woningen
Aantal wooneenheden
Verkeersaantrekkende werking conform CROW ASW
Aantai bewegingen
Type voertuigen
Vrijstaand
1Ũ
fl.l ritten per woning
ei
Licht verkeer
Tussen^hoek woning
6
7,2 ritten per woning
43,2
Licht verkeer
Appartement - soc.
S
3,6 ritten per woning
iñ
Licht verkeer
TOTAAL
21
142,2
Bovenstaande is ingevoerd in de Aerius Calculator. Waarbij gekozen is om de verkeersontsluiting te modeleren tot de Klapwijkseweg. Het wegverkeer is gemodelleerd als 'verkeer binnen de bebouwde kom', zonder geluidschermen of tunnelfactor. Bovenstaande is opgenomen in de Aerius calculator, hieruit blijkt dat er in de gebruiksfase een NOx uitstoot optreedt van 12,6 kg per jaar. Aanlegfase Vanuit een worst-case benadering is de aanlegfase doorgerekend. De emissies van de mobiele werktuigen zijn gemodelleerd als een oppervlaktebron met de contouren van het projectgebied. Het totaal aan vrachtwagen- en personenbus bewegingen (gemiddeld 10 resp. 20 bewegingen per dag uitgaande van een bouwfase van 1 jaar) zijn in AERIUS als wegverkeer gemodelleerd totdat deze 'opgaan in het heersend verkeersbeeld'. Bovenstaande is opgenomen in de Aerius berekening, hieruit blijkt volgens Aerius calculator dat er een NOx uitstoot optreedt van 93,3 kg. Conclusie De berekening met de Aerius calculator laat zien dat in gebruiksfase geen sprake is van stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden. Ook voor de aanlegfase is er geen depositie berekend. Er zijn namelijk geen rekenresultaten, hoger dan 0,00 mol/ha/j.
4.3
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat het aspect natuur en landschap geen belemmering vormt voor het plan dat middels dit bestemmingsplan mogelijk gemaakt wordt.
32
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Westersingel 82 - 94
Hoofdstuk 5 5.1
Water
Kader
Er is een groot aantal beleidsstukken dat betrekking heeft op de waterhuishouding. Hieronder wordt één en ander uiteengezet.
5.1.1
Europees en Rijksbeleid
In 2009 is de Waterwet in werking getreden. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Nationaal Waterplan (2016-2021) bevat de hoofdlijnen van het nationaal waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het ruimtelijk beleid. Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast.
5.1.2
Provinciaal beleid
Provinciale Staten hebben het regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 vastgesteld. In dit programma beschrijft de provincie Zuid-Holland haar waterbeleid. Hierin staat hoe samen met de partners wordt gewerkt aan een regionaal watersysteem dat bijdraagt aan een gezond, veilig, aantrekkelijk, concurrerend en bereikbaar Zuid-Holland. Dit regionaal waterprogramma is onderdeel van het Zuid-Hollandse omgevingsprogramma.
5.1.3
Beleid waterbeheerder
Het plangebied is gelegen binnen het beheergebied van Delfland. Het waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP6) van het Hoogheemraadschap van Delfland is op 10 maart 2022 vastgesteld en beschrijft op hoofdlijnen welke maatregelen Delfland neemt om met uitdagingen als klimaatverandering, verstedelijking, energietransitie, arbeidsmarkt en digitalisering om te gaan en zo het gebied veilig en leefbaar te houden. Deze uitdagingen zorgen ervoor dat ze flexibel moeten blijven, moeten innoveren, samenwerken en anticiperen op de veranderende omgeving. Delfland wil bijvoorbeeld wateroverlast als gevolg van extreem weer zoveel mogelijk voorkomen en de invloed van droogte op de hoeveelheid zoetwater verminderen. In het waterbeheerprogramma staat de missie van het Hoogheemraadschap van Delfland centraal, deze is: 'droge voeten, voldoende water, schoon water en gezuiverd afvalwater'. Hierbij zijn de aspecten duurzaam circulair, waterkwaliteit, samenwerken en financiën leidend. In het waterbeheerprogramma zijn 32 thema's opgesteld met de doelen, ambities en maatregelen. Daarnaast heeft het Hoogheemraadschap van Delfland de handreiking watertoets. De handreiking watertoets biedt gemeenten, adviesbureaus en projectontwikkelaars handvatten voor de watertoetsprocedure bij ruimtelijke plannen op gemeentelijk niveau.
De handreiking is gebaseerd op beleid van Delfland en sluit aan op de provinciale en landelijke regelgeving. In de legger van het Hoogheemraadschap zijn de watergangen, waterkeringen en zoneringen aangegeven. Standstill-beginsel (thema voorkomen wateroverlast) Conform het standstill-beginsel mag de kans op wateroverlast niet toenemen als gevolg van het ruimtelijk plan. De initiatiefnemer moet ervoor zorgen, dat de negatieve gevolgen van het ruimtelijke plan worden gecompenseerd. Compensatie moet worden gerealiseerd door middel van bergen óf in het onderdeel van de trits vasthouden-bergen-afvoeren, waarin de verslechtering optreedt. Ontwikkelingen waarbij het verhard oppervlak toeneemt, of de vasthoudcapaciteit van een gebied op andere manieren wordt verkleind, zorgen voor een snellere afstroming van hemelwater naar het oppervlaktewater, doordat water niet langer in de bodem kan infiltreren maar oppervlakkig of via (hemelwater) riolering wordt afgevoerd. Dit kan leiden tot wateroverlast, en past dus niet binnen het standstill-beginsel, tenzij ter compensatie extra waterberging wordt gerealiseerd. Wanneer bij sloop en nieuwbouw het verhard oppervlak afneemt, hoeft geen extra waterberging te worden gerealiseerd.
Toelichting (vastgesteld)
33
bestemmingsplan Westersingel 82 - 94
5.1.4
Gemeentelijk beleid
Strategische Samenwerkingsagenda Water In juli 2021 is de Strategische Samenwerkingsagenda Water vastgesteld door ons College, door het Hoogheemraadschap van Delfland en het Hoogheemraadschap Schieland en de Krimpenerwaard. De Strategische Samenwerkingsagenda Water vervangt het Waterplan uit 2010. Naast de reguliere taken in het waterbeheer zoals waterkwaliteit, kwantiteit en veiligheid, worden nu ook de nieuwe thema's zoals klimaatadaptatie, woningbouwopgave, duurzaamheid en de omgevingswet opgepakt. De samenwerking moet leiden tot een robuust, klimaatbestendig watersysteem en een hogere kwaliteit van de fysieke leefomgeving in Lansingerland.
Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2025 De gemeente is verantwoordelijk voor de inzameling en het transport van afval- en hemelwater en heeft ook een zorgplicht voor het grondwater. Met dit Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2025 legt de gemeente het rioleringsbeleid van Lansingerland voor de komende planperiode vast. Daarnaast wordt een doorkijk gemaakt naar de toekomst. Het areaal is in de afgelopen periode sterk toegenomen met de nieuwbouwlocatie Westpolder. Dit zal met de ontwikkeling van de nieuwbouwlocatie Wilderszijde verder uitbreiden. Het GRP geeft de visie en strategie van de gemeente weer voor de invulling van het rioolbeheer in de gemeente. Daarbij is ook gekeken naar de kosten die uitvoering van activiteiten met zich meebrengt en naar het effect hiervan op de rioolheffing.
5.2
Onderzoek
Bij een toename van het verhard oppervlak kan een watervergunning en compenserende maatregelen aan de orde zijn. Delfland maakt gebruik van de watersleutel. Dit is een rekentool die helpt te bepalen hoeveel waterberging moet worden gerealiseerd om bij een ruimtelijke ontwikkeling de effecten op het watersysteem te compenseren. Ontwikkelingen waarbij het verhard oppervlak toeneemt, zorgen immers voor een snellere afstroming van hemelwater naar het oppervlaktewater. Dit kan leiden tot wateroverlast en moet worden gecompenseerd door extra waterberging aan te leggen. Daarnaast vindt Delfland het belangrijk dat bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening wordt gehouden met hevigere neerslag door klimaatverandering. De watersleutel berekent daarom de benodigde waterberging, zowel voor het compenseren van verharding als om gevolgen van klimaatverandering op te vangen. Door ingenieursbureau BOOT is een watertoets opgesteld waarin de toe te passen maatregelen ten behoeve van de watercompensatie zijn beschreven. Deze rapportage is als bijlage 4 opgenomen bij voorliggende toelichting. De resultaten worden hieronder beschreven. In deze watertoets zijn ook de vooroverlegreacties van het hoogheemraadschap verwerkt. De resultaten van de watertoets worden hieronder samenvattend weergegeven.
Waterkwaliteit Bij de totstandkoming van het project worden uitloogbare materialen, zoals lood, koper en zink, niet toegepast, zodat schoon hemelwater hier niet mee in aanraking kan komen. Zo heeft de ontwikkeling geen negatief effect op de (grond)waterkwaliteit ter plaatse. Oppervlaktewatersysteem, veiligheid en waterkeringen Het plangebied ligt in het peilgebied GPG2018MEP 39 met een vastgesteld waterpeil NAP - 5,50 m. De primaire watergang ten zuidoosten van het plangebied ligt binnen het peilgebied GPG2018BIB 45 met een vast waterpeil van NAP -2,66 m. Aan de noordwestzijde van het plangebied is een secundaire watergang aanwezig en ook ten zuidwesten van het plangebied is een secundaire watergang aanwezig. De watergangen rondom het plangebied staan middels duikers met elkaar in verbinding. Verder ten zuidoosten van het plangebied ligt een primaire watergang met daarlangs een regionale waterkering. Het plangebied ligt volledig buiten de beschermingszones van waterkering. Een uitsnede van de Legger ter hoogte van het plangebied is weergegeven in onderstaand figuur. Figuur 5.0: Uitsnede legger Delfland.
34
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Westersingel 82 - 94
Seriindaír
water
'ťtimäii' watţr
RËgl[ļna|į wätŕrkŕñng beídiçrrTiLnÈSrůntS
Wateropgave Vanuit het Hoogheemraadschap van Delfland dient de benodigde waterberging bepaald te worden middels het invullen van de watersleutel. Deze is opgenomen als bijlage bij de rapportage van ingenieursbureau BOOT. Op aangeven van de gemeente Lansingerland wordt ook aangesloten op dit beleid. Dit betekent dat wanneer voldaan wordt aan de eisen vanuit het hoogheemraadschap, ook voldaan wordt aan de eisen van de gemeente. In de huidige situatie is binnen het plangebied 85 m2 oppervlaktewater aanwezig is. Samen met de compensatie over het verhard oppervlak, zie ingevulde watersleutel in bijlage 4, betekent dit dat 959 m2 wateroppervlak gerealiseerd dient te worden. Conform de watersleutel komt dit overeen met een waterbergingsopgave in een overige waterbergende voorziening van 224,5 m3. Waterbergende voorzieningen Gezien de kleiige ondergrond en de relatief hoge grondwaterstand, kan vanuit ondergrondse voorzieningen in de bodem niet geïnfiltreerd worden. Binnen het plangebied wordt de berging daarom gevonden in een waterbergende fundering onder de rijbaan en overige verhardingen. Met het aanbrengen van drainage ligt de voorziening boven het grondwater. Ten behoeve van 224,5 m^ berging, dient een waterbergende fundering van: 224,5 m^ I 0,4 m dikte * 40% porositeit = 1.403 m^ aangebracht te worden.
Dit komt overeen met het oppervlak van de rijbaan en parkeervakken welke samen een oppervlak van 1.541 m2 bedragen. Ten behoeve van het plan is reeds een watervergunning aangevraagd waarin de waterbergende fundering nader is uitgewerkt. De waterbergende fundering wordt gevuld middels kolken langs de rijbaan, die middels een geperforeerde kolkenleiding in het pakket met elkaar in verbinding staan. Hierdoor komt het water in het pakket terecht, waar het geborgen wordt. Middels een drain onder het pakket wordt vertraagd afgevoerd naar het oppervlaktewater. Ten behoeve van de kwaliteit van het afstromende oppervlaktewater dient in de kolken een zandvang aanwezig te zijn, zodat dit niet in het pakket terechtkomt. Daarnaast zorgt de waterbergende fundering ervoor dat geen verontreinigingen terecht komen in het oppervlaktewater. Aangezien voorzien wordt in de compensatieopgave die geldt op grond van watersleutel van het hoogheemraadschap, kan geconcludeerd worden dat dit aspect geen belemmering vormt voor onderhavig bestemmingsplan. In de regels van het bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen ten aanzien van de waterbergingsopgave die geldt als gevolg van de ontwikkeling waar het
Toelichting (vastgesteld)
35
bestemmingsplan Westersingel 82 - 94
bestemmingsplan ruimte aan biedt. Vuilwater Het vuilwater dient aangesloten te worden op de gemeentelijke riolering. De diepteligging van de huidige vuilwaterriolering in de Westersingel is voldoende om vanuit het plangebied onder vrijverval af te kunnen wateren. Met de toename van 21 woningen met een gemiddelde woningbezetting van 2,5 inwoners per woning die gedurende 10 uur per dag 12 l water per persoon per uur afvoeren is de extra vuilwaterbelasting: »
5.3
21 woningen x 2,5 inwoners x 12 l/inw.uur = 630 l/uur = 0,63 m^/uur.
Conclusie
Als gevolg van het initiatief waar onderhavig bestemmingsplan ruimte aan biedt, neemt het verhard oppervlak toe. De gronden zijn in de huidige situatie nagenoeg volledig onverhard. Door ingenieursbureau BOOT is onderzocht hoe invulling gegeven kan worden aan de watercompensatieopgave die geldt als gevolg van het beoogd bouwplan. Door het treffen van maatregelen bij de nadere uitwerking van het bouwplan kan geconcludeerd worden dat voldaan wordt aan de compensatieopgave op grond van de watersleutel van het hoogheemraadschap. Hiertoe is reeds een watervergunning ingediend. In de regels van het bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen ten aanzien van de waterbergingsopgave. Om binnen het plangebied klimaatadaptieve kansen te benutten op het gebied van verkoeling en biodiversiteit worden bij de verdere planvorming de volgende meekoppelkansen onderzocht: biodiverse beplanting toepassen rond de watergang, realiseren van flora- en faunavoorzieningen, realiseren van schaduw door het aanplanten van bomen centraal in het plangebied en hiermee verblijfsplaatsen creëren voor verkoeling. Het aspect water staat niet aan vaststelling van het bestemmingsplan in de weg.
36
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Westersingel 82 - 94
Hoofdstuk 6 6.1
Archeologie en cultuurhistorie
Kader
In 1992 heeft Nederland het Europese Verdrag van Malta ondertekend en in 1998 geratificeerd. Doel van dit verdrag is een betere bescherming van het Europese archeologische erfgoed door een structurele inpassing van de archeologie in ruimtelijke ordeningstrajecten. Eén van de belangrijkste uitgangspunten van het Verdrag van Malta is dat archeologische waarden zoveel mogelijk in situ in de bodem bewaard dienen te blijven. Alleen als behoud in situ niet mogelijk is, wordt overgegaan tot behoud van de archeologische informatie ex situ, door middel van opgraven en bewaren in depot. Een ander uitgangspunt is dat het onderzoek naar de aanwezigheid van eventuele archeologische waarden in een zo vroeg mogelijk stadium dient plaats te vinden, zodat hiermee bij de planontwikkeling rekening gehouden kan worden. Een derde uitgangspunt is het 'de verstoorder betaalt principe'. Alle kosten die samenhangen met archeologisch onderzoek dienen worden betaald door de initiatiefnemer van de geplande bodemingrepen. Ten slotte richt het Verdrag van Malta zich tevens op een toename van kennis, herkenbaarheid en beleefbaarheid van het archeologische erfgoed. Het Verdrag van Valletta was geïmplementeerd in de Monumentenwet 1988 en de Wet op de archeologische monumentenzorg, tot de inwerkingtreding van de Erfgoedwet op 1 juli 2016.
De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. De wet regelt tevens de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem. De uitvoering van de Erfgoedwet en de integratie van archeologie en ruimtelijke ordening is een primair gemeentelijke opgave. De gemeente is verplicht om in nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Dit volgt uit een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening en maakt onderdeel uit van de modernisering van de monumentenzorg. De Erfgoedwet is een voorloper op de Omgevingswet.
Gemeentelijk beleid De gemeente Lansingerland beschikt over eigen archeologiebeleid. De gemeente Lansingerland hecht belang aan de bescherming van haar archeologisch erfgoed. Ze onderschrijft de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta waarop de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is gebaseerd. De gemeente neemt de verantwoordelijkheid voor het eigen bodemarchief op zich. Verder streeft Lansingerland ernaar om het verdrag en de wet op een goede manier tot uitdrukking te laten komen in het gemeentelijke archeologiebeleid en het ruimtelijk beleid. Om deze belangenafweging op een verantwoorde wijze te kunnen maken is gemeentelijk archeologiebeleid en kennis over het lokale archeologische bodemarchief onontbeerlijk. De uitgangspunten voor het gemeentelijk archeologiebeleid sluiten uiteraard aan op de principes uit het Verdrag van Malta. Op basis van dit archeologiebeleid kan worden bepaald wat de verwachtingswaarde van een bepaald gebied is.
6.2
Onderzoek
Archeologie Op grond van de archeologische waardenkaart van de gemeente is te zien dat het oostelijk deel van de projectlocatie gelegen is in 'zone III, hoge verwachting, maximale verstoring: 100 m2 en 0,50 meter maaiveld'. Op grond van het vigerende bestemmingsplan kent een deel van de projectlocatie de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'. Op grond van de geldende regels zijn deze gronden behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor behoud van de (potentieel) aanwezige archeologische waarden. Figuur 6.0: Uitsnede vigerende bestemmingsplan.
Toelichting (vastgesteld)
37
bestemmingsplan Westersingel 82 - 94
In 2016 is geactualiseerd archeologisch beleid gemaakt. Hierop is het plangebied niet aangewezen als archeologisch gebied. De archeologische dubbelbestemming is derhalve niet overgenomen. Op basis van paragraaf 5.4 van de Erfgoedwet moet iedereen die, anders dan bij het doen van archeologisch onderzoek, iets vindt waarvan hij/zij weet of kan vermoeden dat het een (roerend of onroerend) monument betreft, dit melden bij de minister van OCW (of in deze, bij de gemeente Lansingerland of direct bij diens archeologisch adviseur Archeologie Delft). Indien het bevoegd gezag van mening is dat dit noodzakelijk is, moet er tijd en ruimte geboden worden de resten te onderzoeken, documenteren en eventueel veiligstellen. Het niet melden van het aantreffen van oudheden is een overtreding van de Erfgoedwet en daarmee een strafbaar feit.
Cultuurhistorie Binnen het plangebied is geen bebouwing aanwezig. Er is op grond van het vigerende bestemmingsplan geen sprake van een cultuurhistorische dubbelbestemming.
6.3
Conclusie
Het aspect archeologie en cultuurhistorie vormt gezien het bovenstaande geen belemmering voor het uitvoeren van het plan.
38
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Westersingel 82 - 94
Hoofdstuk 7 7.1
Milieu
Algemeen
In dit hoofdstuk worden de ruimtelijke (on)mogelijkheden vanuit diverse milieuaspecten inzichtelijk gemaakt. Waar nodig moet een vertaling plaatsvinden naar de juridische regeling. Het uitgangspunt hierbij is dat de juridische regeling zowel de ruimtelijke kwaliteit als de milieukwaliteit voldoende dient te borgen.
7.2
Akoestische aspecten
7.2.1
Kader
In het kader van de Wet geluidhinder moeten geluidsgevoelige objecten voldoen aan de wettelijk bepaalde normering als het gaat om de maximale geluidsbelasting op de gevels. De limitatieve lijst geluidsgevoelige gebouwen bestaat uit: » woningen » onderwijsgebouwen » ziekenhuizen » verpleeghuizen » verzorgingstehuizen » psychiatrische inrichtingen » kinderdagverblijven. Op het moment dat een van bovenstaande functies ontwikkeld wordt, zal middels een geluidsonderzoek aangetoond moeten worden of er voldaan wordt aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde. Daarnaast kan als het gaat om bijvoorbeeld logiesruimtes (hotelkamers, recreatieve verblijven) wenselijk zijn om een goed en aangenaam binnenklimaat te kunnen waarborgen. Ook dan zal eerst de gevelbelasting bepaald dienen te worden. Langs een (toekomstige) spoor- en verkeersweg en industriegebieden ligt een planologisch aandachtsgebied (de zone). Binnen deze zone biedt de Wet geluidhinder in een aantal situaties bescherming aan geluidsgevoelige bestemmingen. Het basisbeschermingsniveau of de voorkeursgrenswaarde voor woningen bedraagt 48 dB ten aanzien van wegen, 55 dB ten aanzien van spoorwegen en 50 dB ten aanzien van industriegebieden. Door middel van een hogere waarde kan door het bevoegd gezag een hogere geluidsbelasting (hogere waarde) worden toegestaan. Deze verhoging is mogelijk tot een maximaal toelaatbare waarde.
De hoogte van deze maximaal toelaatbare waarde is afhankelijk van verschillende factoren, zoals de ligging van de geluidsgevoelige bestemming in binnenstedelijk of buitenstedelijk gebied. Voor woningen in stedelijk gebied bedraagt de maximale ontheffingswaarde 63 dB ten aanzien van wegen en 68 dB ten aanzien van spoorwegen. Voor industriegebieden bedraagt de maximale ontheffingswaarde 55 dB voor geprojecteerde woningen en 60 dB voor aanwezige of in aanbouw zijnde woningen. Indien gevelbelastingen boven deze ontheffingswaarde optreden is een geluidsgevoelige bestemming alleen mogelijk indien deze gevels doof worden uitgevoerd. Een blinde gevel, een dove gevel, een geluidsscherm dat bouwkundig is verbonden met het gebouw en de geluidswalzijde van geluidswalwoningen worden in de Wet geluidhinder namelijk specifiek benoemd als zijnde geen gevel. Op een gevel waarin geen te openen delen, zoals ramen, deuren en ventilatievoorzieningen zitten hoeft vanuit de Wet geluidhinder niet getoetst te worden.
7.2.2
Onderzoek
In het kader van de Wet geluidhinder is een woning een geluidgevoelige bestemming en dient de geluidbelasting ten gevolge van zoneringsplichtige bronnen ter plaatse van de woning inzichtelijk te worden gemaakt en te worden getoetst aan de van toepassing zijnde eisen. De woningen zijn niet gelegen binnen de zone van een trein of een metro of een geluidgezoneerd industrieterrein of een luchthaven.
Toelichting (vastgesteld)
39
bestemmingsplan Westersingel 82 - 94
Door Equipe adviseurs is het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Het onderzoek is als bijlage 5 toegevoegd aan voorliggende toelichting. De resultaten worden hieronder gepresenteerd. In het rekenmodel zijn immissiepunten ingevoerd ter plaatse van de te realiseren woningen. Ter plaatse van deze immissiepunten is de geluidbelasting ten gevolge van het verkeer over de wegen berekend op de relevante hoogte boven het maaiveld.
Enkele wegen, zoals de Oudelandselaan, bestaan uit een
gedeelte waar een maximale rijsnelheid van 50 km per uur (gezoneerd in het kader van de Wet geluidhinder) en een gedeelte waar 30 km per uur (niet gezoneerd) geldt. In dit onderzoek wordt een weg bestaande uit twee verschillende maximale rijsnelheden als één gezoneerde weg beschouwd. Gezoneerd De berekende geluidbelasting ten gevolge van de Oudelandselaan bedraagt ten hoogste 31 dB Lden inclusief aftrek. De geluidbelasting voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB Lden. Niet gezoneerd/30 km per uur wegen De berekende geluidbelasting ten gevolge van de Westersingel bedraagt ten hoogste 31 dB Lden inclusief aftrek. De geluidbelasting voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB Lden. De berekende geluidbelasting ten gevolge van de Noordeindseweg bedraagt ten hoogste 36 dB Lden inclusief aftrek. De geluidbelasting voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB Lden. De berekende geluidbelasting ten gevolge van de Gemeentewerf bedraagt ten hoogste 29 dB Lden inclusief aftrek. De geluidbelasting voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB Lden. Cumulatie De gecumuleerde geluidbelasting van alle wegen samen (gezoneerd en niet gezoneerd) bedraagt ten hoogste 43 dB exclusief aftrek. De resultaten zijn schematisch weergegeven in onderstaand figuur. Figuur 7.0: Uitsnede hoogste geluidbelastingen ter plaatse van de woning (afgerond naar hele getallen)
Weg
Toetspunt
Hoogte (m)
Dag
Avond
Nacht
Ldc-n
TĴ3
4,5
36
33
26
36
1 31
1,5
36
31
26
36
31
Ld.n'
Geioaeeiť
Oudelandselaan
gezoneerd (30 km per uur wegen)
Westersingel
T32
Noordeindseweg
Tlū
4,5
41
37
32
41
36
Gemeentewerf
T40
4,5
34
30
24
34
29
Tlū
4,5
42
3B
33
43
--
Cumulatie Gecumuleerde geluidbelasting van alle wegen samen 1 inclusief aftrek ex artikel 110 Wgh
7.2.3
Conclusie
De berekende geluidbelasting voldoet aan de eisen zoals gesteld in de Wet geluidhinder. Het volgende kan worden geconcludeerd: *
De berekende geluidbelasting ten gevolge van de Oudelandselaan bedraagt ten hoogste 31 dB Lden inclusief aftrek. De geluidbelasting voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB Lden.
»
De berekende geluidbelasting ten gevolge van de niet gezoneerde wegen (30 km per uur wegen) bedraagt ten hoogste 36 dB Lden inclusief aftrek. De geluidbelasting voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB Lden.
»
De gecumuleerde geluidbelasting van alle wegen samen (gezoneerd en niet gezoneerd) bedraagt ten hoogste 43 dB exclusief aftrek.
Op basis van het uitgevoerde akoestisch onderzoek kan geconcludeerd worden dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor het voorgenomen nieuwbouwplan.
40
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Westersingel 82 - 94
7.3
Bedrijven en milieuzonering
7.3.1
Kader
7.3.1.1 Begrip milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening beoogt het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Deze milieuzonering dient aldus twee doelen: * »
het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; het bieden van voldoende ruimte en zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam kunnen (blijven) uitoefenen.
Een vergaande scheiding van functies kan echter ook leiden tot inefficiënt ruimtegebruik en een verlies aan ruimtelijke kwaliteit. Een gemengd gebied met een mix van wonen en werken, winkels en horeca stimuleert een levendig straatbeeld, een hogere sociale veiligheid en extra draagvlak voor voorzieningen.
7.3.1.2 VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering De VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering is een handreiking voor milieuzonering in ruimtelijke plannen. Het boekje vormt een hulpmiddel voor gemeenten om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen vooreen locatie concreet in te vullen. Het doel van de publicatie is om te komen tot maatwerk op lokaal niveau. Dit betekent dat gemaakte keuzes zorgvuldig moeten worden afgewogen en verantwoord. De in de publicatie opgenomen richtafstanden zijn echter niet bedoeld om de aanvaardbaarheid te toetsen van situaties waarbij bestaande bedrijven in de nabijheid van bestaande woningen liggen. Het is dus niet bedoeld om bestaande situaties te beoordelen. De in de publicatie opgenomen richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van buurtgerichte voorzieningen, zoals basisscholen komen er vrijwel geen andere functies voor, behalve aan huis verbonden beroep of bedrijf. Anders dan rustige woonwijken, zijn er ook gebieden met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen, komen andere functies voor zoals winkels, horeca en of kleine bedrijven en voorzieningen.
Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Indien sprake is van een gemengd gebied kunnen deze richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. Tabel 7.1 Richtafstanden handreiking VNG.
Toelichting (vastgesteld)
41
bestemmingsplan Westersingel 82 - 94
7.3.2
Milieuzonering in het plan
Aan de overzijde van de Westersingel zijn woningen gelegen. Ook ten noorden en ten oosten grenst het plangebied voornamelijk aan de bestemming 'Wonen'. Ten noordoosten van het plangebied zijn de gronden bestemd als 'Gemengd'. Deze gronden zijn bestemd voor wonen, detailhandel, dienstverlening en kantoren. Hoofdgebouwen mogen enkel binnen een bouwvlak gebouwd worden. Geconcludeerd kan worden dat er sprake is van het omgevingstype gemengd gebied. Een deel van deze gronden kent de functieaanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk kinderdagverblijf. Een kinderopvang (SBI-2008: 8891) kent een milieucategorie 2 met bijbehorende richtafstand van 10 meter binnen een gemengd gebied. Deze zone reikt niet tot binnen het plangebied. Figuur 7.1: Richtafstanden gemegd KDV.
Dienstverlening en kantoren, zoals toegestaan binnen de bestemming 'Gemengd' kent een maximale milieucategorie van 2 met een bijbehorende richtafstand van 10 meter binnen een gemengd gebied. Deze zone reikt slechts beperkt tot binnen het plangebied. Daarnaast geldt dat binnen deze zone reeds woningen zijn gelegen en derhalve zal de aanwezige bedrijvigheid reeds rekening dienen te houden met omliggende woningen. Figuur 7.2: Richtafstanden gemengd.
42
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Westersingel 82 - 94
Ten zuiden van het plangebied zijn de gronden bestemd als 'Horeca' en 'Detailhandel' met de functieaanduiding 'specifieke vorm van detailhandel - gemengd'. Binnen de als horeca aangewezen gronden zijn de volgende categorieën horeca toegestaan: *
Horecabedrijven met geen of beperkte invloed op de woon- en leefomgeving, waaronder: 1.
daghoreca: winkelondersteunende horecabedrijven, die als regel dezelfde openingstijden hebben als winkels en zich richten op het winkelend publiek, zoals croissanteries, ijssalons, tearooms en daarmee gelijk te stellen bedrijven;
2.
avondhoreca: restaurants, bedrijven die zich in hoofdzaak richten op het ter plaatse nuttigen en/of afhalen van ter plaatse bereide etenswaren en voor gebruik ter plaatse verstrekken van alcoholische dranken, waarvan de sluitingstijd voor middernacht ligt.
»
Nachthoreca: horecabedrijven die zich in hoofdzaak richten op het verstrekken van dranken voor gebruik ter plaatse en/of gelegenheid bieden voor dansen en waarvan de sluitingstijd na middernacht ligt, waaronder cafés, bars, partycentra, dancings, discotheken en daarmee gelijk te stellen bedrijven;
»
Verblijfshoreca: horecabedrijven die zich in hoofdzaak richten op het verstrekken van nachtverblijf en waarbij het verstrekken van voedsel en dranken (daaraan) ondergeschikt is, zoals hotels en pensions.
Ter plaatse van de bestemming detailhandel zijn de gronden bestemd voor ten hoogste 1.800 m2 b.v.o. detailhandel, dienstverlening en tevens bestemd voor horeca categorie 1 sub a (zoals hierboven weergegeven) tot een gezamenlijk brutovloeroppervlak van maximaal 200 m2. De maximale milieucategorie binnen beide bestemmingen bedraagt 2 met een bijbehorende richtafstand van 10 meter. Het plangebied is gelegen op circa 40 meter van beide bestemming en derhalve vormt dit geen belemmering. Ten oosten van het plangebied, aan de Noordeindseweg 24 en 36 is een tweetal bedrijfsbestemmingen gelegen. Nummer 24 kent op grond van het bestemmingsplan “Berkel I” dat ter plaatse vigeert de bestemming 'Bedrijf en functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - aannemersbedrijf. De gronden gelegen aan nummer 36 zijn bestemd als 'Bedrijf met de functieaanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen - zonder LPG'. Ter plaatse van de gronden 'specifieke vorm van bedrijf - aannemersbedrijf zijn de gronden tevens bestemd voor een aannemersbedrijf tot en met milieucategorie 3.1 zoals bedoeld in de als bijlage bij het bestemmingsplan “Berkel I”. Binnen een gemengd gebied geldt voor bedrijven tot en met milieucategorie 3.1 een te hanteren richtafstand van 30 meter tot woningen. Deze 30 meter zone reikt niet tot binnen het plangebied.
Toelichting (vastgesteld)
43
bestemmingsplan Westersingel 82 - 94
Figuur 7.3: Richtafstanden aannemersbedrijf.
Benzinestations (zonder LPG) behoren tot milieucategorie 2 (SBI-2008: 473) met een bijbehorende richtafstand van 10 meter tot woningen in een gemengd gebied. De projectlocatie is op circa 85 meter gelegen van het benzinestation aan de Noordeindseweg 36 en derhalve vormt dit geen belemmering.
7.3.3
Conclusie
Geconludeerd kan worden dat het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering vormt voor dit bestemmingsplan.
7.4
Bodem
Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsprobiemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft.
7.4.1
Kader
7.4.1.1 Wet bodembescherming De Wet bodembescherming (Wbb) voorziet in maatregelen indien sprake is van ernstige bodemverontreiniging. Het doel van de Wbb is in de eerste plaats het beschermen van de (land- of water-)bodem zodat deze kan worden benut door mens, dier en plant, nu en in de toekomst. Via de Wbb heeft de Rijksoverheid de mogelijkheid algemene regels te stellen voor de uitvoering van werken, het transport van stoffen en het toevoegen van stoffen aan de bodem. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij nieuwbouwactiviteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gerealiseerd.
44
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Westersingel 82 - 94
7.4.1.2 Besluit bodemkwaliteit Het doel van het Besluit bodemkwaliteit (2008) is de bodem beter te beschermen en meer ruimte te bieden voor nieuwe bouwprojecten. Ook geeft het besluit gemeenten en provincies meer verantwoordelijkheid om de bodem te beheren. Het Bouwstoffenbesluit (Bsb) is opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit.
7.4.1.3 Gemeentelijk bodembeleid De gemeentelijke Bodemkwaliteitskaart geeft een beeld van de diffuse bodemkwaliteit (ook wel achtergrondkwaliteit genoemd) van de gemeente. In het daaraan gekoppelde Bodembeheerplan is aangegeven welke regels gelden met betrekking tot grondverzet binnen de gemeente. Ook moet in dat kader rekening worden gehouden met de door gemeente Lansingerland vastgestelde bodembeleidsnotitie, als het gaat om grensoverschrijdend grondverzet.
7.4.2
Onderzoek
De gronden zijn bestemd als 'Agrarisch' en zijn tot de sloop van de kassen ter plaatse in gebruik geweest. Na de sloop zijn de gronden sporadisch gebruikt als graasgebied voor schapen. Door onderzoeksbureau Van der Helm is een verkennend milieukundig bodemonderzoek voor het perceel 6672A uitgevoerd (2017). De rapportage is als bijlage 6 toegevoegd aan dit bestemmingsplan. Ter plaatse van perceel nummer 6106A is door BMA Milieu een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (2021) Dit onderzoek is als bijlage 7 toegevoegd. Door Van der Helm is een nader milieukundig bodemonderzoek ter plaatse van de toegangsweg ter hoogte van Westersingel 69 te Berkel en Rodenrijs uitgevoerd. Aanleiding voor dit nader onderzoek zijn de in eerder uitgevoerd verkennend bodemonderzoek (BMA Milieu,2021) aangetroffen verontreiniging met koper en nikkel alsmede de gestelde eisen gesteld door het bevoegd gezag. Deze rapportage is als bijlage 8 toegevoegd aan voorliggende toelichting. De conclusie van dit nader bodemonderzoek is dat er, milieuhygiënisch gezien, geen sprake is van een (geval van ernstige) bodemverontreiniging. Er zijn geen belemmeringen aanwezig zijn voor de voorgenomen herinrichting. Ter onderbouwing van het bovenstaande wordt het volgende geconcludeerd: *
»
»
de oorspronkelijke boring (01) uit het verkennend bodemonderzoek van BMA Milieu (kenmerk: VBO.2021.0274, d.d. 19 januari 2021) is herplaatst (boring 1) ten behoeve van de bemonstering op asbest en PFAS. Hiervoor is door het asfalt groot geboord (35 cm). Direct onder het asfalt is geen (sterk met koper en matig met nikkel verontreinigde) puin- en baksteenhoudende grondlaag aanwezig, maar een volledige puinlaag. Derhalve is er geen sprake van een bodemverontreiniging. Er is geen noodzaak tot aanvullend onderzoek en/of sanering; de totaal gewogen asbestconcentratie (<2 mg/kg d.s.) in de volledige puinlaag ter plaatse van boring 1 overschrijdt de norm voor nader asbestonderzoek niet. Er zijn tevens geen (significant) verhoogde PFAS-parameters aangetoond. Op basis van deze gegevens alsmede de oorspronkelijk gemeten concentraties uit het onderzoek van BMA Milieu kan, indien gewenst, de volledige puinlaag afgevoerd worden; ter plaatse van boringen 101 en 102 is de grond direct onder de aanwezige verhardings- en fundatielagen geen verontreiniging met koper of nikkel aanwezig.
Tevens is door onderzoeksbureau Van der Helm een nader bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het perceel 6672. Aanleiding tot dit onderzoek zijn de in eerder uitgevoerd verkennend bodemonderzoek (VanderHelm, 2017) aangetroffen (matige) verontreinigingen met lood alsmede de gestelde eisen gesteld door het bevoegd gezag. Het nader onderzoek is toegevoegd als bijlage 9 bij voorliggende toelichting. Op basis van dit nader milieukundig bodemonderzoek wordt geconcludeerd dat: » *
*
rondom boringen B06 en B11 er geen sprake is van een sterke loodverontreiniging. De omvang van de matige loodverontreinigingen betreft 7 m3 en 12 m3 respectievelijk; rondom boring B17 is wel sprake van een sterke loodverontreiniging (ter plaatse van boring B111). De omvang van de sterke verontreiniging is beperkt met een geschatte omvang van circa 5 m3 (oppervlakte van circa 15 m2 en traject 0,0 - 0,3 m-mv). De totale omvang van de matig tot sterke loodverontreiniging wordt geschat op circa 38 m3; er is geen sprake van een 'geval van ernstige bodemverontreiniging'. Tevens is er geen
Toelichting (vastgesteld)
45
bestemmingsplan Westersingel 82 - 94
saneringsplicht conform Wet Bodembescherming
7.4.3
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor het plan.
7.5
Duurzaamheid
Het bestemmingsplan biedt de ruimte om bij de verdere uitwerking van het bouwplan te voldoen aan de eisen zoals vastgelegd in de NvU en het convenant Klimaatadaptief Bouwen. Kenmerkend voor het plangebied is de centrale groenzone grenzend aan de tuinen van de woningen in het midden van het plangebied. Daarnaast worden de daken daar waar mogelijk groen uitgevoerd en wordt het openbaar terrein daar waar mogelijk groen ingericht. Concrete toetsing vindt nader plaats bij de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. Het aspect staat niet aan vaststelling van het bestemmingsplan in de weg.
Relatie tot het plangebied Het voorliggende bouwplan voldoet aan de duurzaamheidseisen en zoekt in de uitwerking hiervan waar mogelijk aansluiting bij de ambities van de gemeente Lansingerland op het gebied van duurzaamheid. In paragraaf 7.5 van onderhavig plan wordt nader op het aspect water ingegaan en wordt ook de bodemopbouw en grondwaterstand beschouwd.
7.5.1
Kader
Duurzaam bouwen Duurzaam bouwen staat voor het ontwikkelen en beheren van de gebouwde omgeving met respect voor mens en milieu zodat kan worden voorzien in de behoefte van de huidige generatie zonder dat voor toekomstige generaties de mogelijkheid wordt ontnomen om ook in hun behoeften te kunnen voorzien. Duurzaam bouwen is daarmee onderdeel van de kwaliteit van de gebouwde omgeving.
Gemeentelijk beleid De gemeente Lansingerland heeft de ambitie vastgesteld om in 2050 een CO2-neutrale gemeente te zijn. Hiertoe is de duurzaamheidsvisie ‘Lansingerland duurzaam’ opgesteld, die op 18 juli 2019 door de gemeenteraad is vastgesteld. Door een inzet op de thema’s energietransitie, circulaire economie en klimaatadaptatie wil de gemeente ook voor de toekomst de kwaliteit van wonen en onze aantrekkelijke leefomgeving behouden en de impact op het milieu en het klimaat te minimaliseren. Dat betekent de overgang van fossiele bronnen naar energie uit hernieuwbare bronnen, gesloten grondstofkringlopen met een zo hoog mogelijk behoud van waarde en de aanpassing aan klimaatverandering om de negatieve effecten hiervan op te vangen, zodat een zekere mate van klimaatbestendigheid ontstaat. Daarbij geeft de gemeente zelf het goede voorbeeld, maar vraagt de gemeente ook iets van andere partijen. Begin 2020 is de 'Uitvoeringsagenda Lansingerland Duurzaam 2019-2022' vastgesteld. Hierin zijn de ambities uit het visiedocument 'Lansingerland Duurzaam' door-vertaald naar concrete uitvoeringsafspraken voor de periode tussen 2019 en 2022. De gemeente Lansingerland wil een groene, aantrekkelijke gemeente zijn om in te wonen, te werken en te recreëren. In de Nota Groenstructuur Lansingerland 2016-2026 is de groenstructuur uitgewerkt als belangrijke drager van de ruimtelijke kwaliteit.
Daarin is veel aandacht voor de ecologie. Verder zijn uitgangspunten voor natuurinclusief bouwen opgenomen in de DIOR, de Visie Lansingerland Duurzaam en het convenant Klimaatadaptief Bouwen. In de beantwoording van raadsvragen (U20.02838) is aangegeven dat natuurinclusief bouwen wordt opgenomen in de Omgevingsvisie en het Omgevingsplan.
Convenant Klimaatadaptief Bouwen De provincie Zuid-Holland heeft een bouwopgave van 100.000 nieuwe woningen tot 2025. Deze grote bouwopgave biedt de kans om deze woningen klimaatbestendig te ontwikkelen en hiermee schade of duurdere herstelmaatregelen in de toekomst te voorkomen. De provincie heeft daarom in 2018 procesafspraken gemaakt met overheden, organisaties en marktpartijen in het Convenant Klimaatadaptief Bouwen. Het doel van het convenant is het verminderen van wateroverlast, hittestress, droogte en bodemdaling en het vergroten van de biodiversiteit bij bouwopgaven.
46
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Westersingel 82 - 94
Leidraad Klìmaatadaptief Bouwen
bouui adaptief ga ÇĻ
S44KT*4n
J
Beneer, expfottatie
InitiaOeť VOOtO«lW«lQ
S verkoop
Energieprestatie - BENG Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat de vergunningaanvragen vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). Die eisen vloeien voort uit het Energieakkoord voor duurzame groei en uit de Europese Energy Performance of Buildings Directive (EPBD).
Nota van Uitgangspunten In de Nota van Uitgangspunten zijn diverse aandachtspunten ten aanzien van duurzaamheid, waterkwaliteit en ecologie beschreven: » » *
Nieuwbouw voldoet aan de richtlijnen voor natuurinclusief bouwen afkomstig uit het DIOR en het Convenant klimaat adaptief bouwen van de Provincie Zuid-Holland; Inzetten op het groene karakter van tuinen, erven en waar mogelijk daken; Voor materiaalkeuze geldt dat uitlogende materialen en metalen, zoals niet-gecoat zink, niet toegepast mogen worden vanwege de milieubelasting die dit veroorzaakt, zie ook het Kader Duurzame Gebiedsontwikkeling van de gemeente.
7.5.2
Afweging en conclusie
Zoals beschreven is in de NvU (zie bijlage 1) op het aspect duurzaamheid ingegaan. Hieruit blijkt onder meer dat door de invulling van het plan waar onderhavig bestemmingsplan ruimte aan biedt, de verstedelijking en daarmee de hoeveelheid verharding toeneemt. Meer gebouwmassa en verharding versterken de opwarming van de omgeving en kans op overlast door neerslag. In hoofdstuk 5 Water van onderhavig bestemmingsplan, is nader op dit aspect ingegaan. Hieruit blijkt dat door het treffen van diverse maatregelen, voldaan kan worden aan de watercompensatieopgave die geldt als gevolg van een toename aan verhard oppervlak. Overlast op de omgeving als gevolg van hevige neerslag wordt hiermee voorkomen. De gevolgen van klimaatverandering, de grondstoffen schaarste en de luchtkwaliteit zorgen wereldwijd, en zo ook in Nederland, voor een transitie naar het gebruik van duurzame en hernieuwbare bronnen voor het opwekken van energie. De invulling voor onze elektriciteitsvraag, verwarming en mobiliteit vraagt om een radicaal andere energievoorziening. Fossiele brandstoffen zullen op grote schaal uit gefaseerd worden om het uiteindelijke doel zoals beschreven in de Duurzaamheidsvisie te behalen: een CO2-neutrale energievoorziening in 2050. Er wordt overgestapt op duurzame energiebronnen zoals zon,
Toelichting (vastgesteld)
47
bestemmingsplan Westersingel 82 - 94
wind, duurzame biomassa, geothermie, thermische energie uit oppervlaktewater (TEO), waterstof en er wordt gebruik gemaakt van warmte uit reststromen van de industrie. Nieuwbouw is het meest kostenefficiënte moment om energiebesparende maatregelen toe te passen. De gemeente heeft vastgesteld dat de behoefte aan energetisch neutrale woningen groot is, ook als daar een hogere koopprijs tegenover staat. Voor de nieuw te bouwen gebouwen/woningen dient waar mogelijk aan de eisen te zoals beschreven onder 'verbeterde aanvullende niveau' uit kader Duurzame Gebiedsontwikkeling (hierna: DGO) voldaan te worden.
Materiaalgebruik en grondstoffen Het Kader Duurzame Gebiedsontwikkeling van Lansingerland geeft voor het thema circulaire grondstoffen de volgende uitgangspunten: * » *
Milieu Prestatie Gebouw (MPG): 10% beter dan vigerend bouwbesluit. Op dit moment betekent dit een MPG van 0,72; De toepassing van schadelijke materialen van de nieuwbouw (conform NIBE-classificatie) is maximaal 2%; 10-20% van de bij nieuwbouw gebruikte materialen is herbruikbaar zonder kwaliteitsverlies.
Uitloogbare materialen Onder het toepassen van uitloogbare materialen worden materialen verstaan zoals zink, lood en koper. Onder invloed van weersomstandigheden treedt er corrosie op bij deze materialen. In Lansingerland wordt het hemelwater zoveel mogelijk losgekoppeld van de riolering en geloosd op het oppervlaktewater. Dit zou betekenen dat deze materialen uitspoelen in het oppervlakte water en neerslaan in het slib. Dit slib raakt dan verontreinigd. Hierdoor brengt het afvoeren van dit slib hoge kosten met zich mee. Er zijn de volgende alternatieven op de markt voor deze materialen: polyester, staal/hout met EPDM-folie (goot), gecoat staal, gecoat zink, PPC (polypropyleen copolymeer, PP (polypropeen), PVC met hergebruikgarantie, PE (polyetheen) en PA. Het bestemmingsplan biedt de ruimte om invulling te geven aan de duurzaamheidseisen zoals geformuleerd door de gemeente in de NvU. Bij de nadere uitwerking van het bouwplan wordt hier verder invulling aan gegeven. Ook wordt daar waar mogelijk rekening gehouden met het toepassen van duurzame materialen. Uitloogbare materialen worden niet toegepast. Daarnaast zijn er meekoppelkansen in het plangebied. Om binnen het plangebied klimaatdaptieve kansen te benutten op het gebied van verkoeling en biodiversiteit kunnen de onderstaande meekoppelkansen toegepast worden: » » »
Biodiverse beplanting toepassen rond de watergang; Realiseren van flora- en faunavoorzieningen; Realiseren van schaduw door het aanplanten van bomen centraal in het plangebied en hiermee verblijfsplaatsen creëren voor verkoeling.
Het plan dient te voldoen aan de wettelijke eisen zoals die zijn vastgelegd in onder andere het Bouwbesluit. Bij de nadere uitwerking van het plan wordt onderzocht of en in hoeverre invulling gegeven kan worden aan de duurzaamheidsambities van de gemeente. Concrete toetsing vindt plaats bij de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. Geconcludeerd kan worden dat het aspect duurzaamheid niet aan vaststelling van onderhavig bestemmingsplan in de weg staat.
7.6
Externe veiligheid
7.6.1
Kader
Externe veiligheid gaat over de risico's voor mens en milieu bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. Ook de risico's die luchthavens geven vallen onder externe veiligheid. De aan deze activiteiten verbonden risico's moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven. Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en voor het vervoer van gevaarlijke stoffen in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Normen voor ondergrondse buisleidingen zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang: »
48
Plaatsgebonden risico (PR): Inwoners van een bepaald gebied kunnen te maken krijgen met
Toelichting (vastgesteld)