CConstaterende datLansingerland
Koppel je AI →
Document · PDF

[T24.00238] Ruimtelijke onderbouwing versie april 2024, inclusief bijlagen

Gemeenteraad 30 mei 2024, gemeente LansingerlandBij agendapunt: Ontwerp omgevingsvergunning en VVGB Paard & Coaching Bergschenhoek26.114 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Diefstal van paardenzadels is een veelvoorkomende criminaliteit in de paardenwereld. Een perceel waar geen 'real-life' toezicht gehouden wordt is een aantrekkelijk doelwit voor criminelen. Camera's en alarminstallatìes zijn in dit geval niet toereikend genoeg. Ook komt er weleens diefstal van paarden voor. Echter gebeurt dit niet zomaar, want het inladen of meenemen van de paarden kost tìjd en maakt geluid. Bewoning op het perceel werkt in die zin al preventìef, maar maakt ook dat het opgemerkt wordt en dat direct kan worden ingegrepen. Zonder bewoning is deze locatì'e een makkelijk doelwit, alleen camera's zijn in zo'n situatì'e niet toereikend. De wens van de gemeente is om een deel als openbaar terrein in te richten. Hiermee wordt de kans vergroot dat mensen met kwaadwillende ideeën het terrein, waaronder ook het privégedeelte, buiten de openingstìjden betreden. Zeker als dit een terrein betreft zonder direct toezicht. Nu er op het naastgelegen perceel circa 130 woningen worden gerealiseerd neemt de kans op het onbevoegd betreden van het terrein toe, omdat er meer mensen rondom het perceel aanwezig zijn. Als sprake is van permanente bewoning op het perceel zelf, zal de drempel voor het onbevoegd betreden daarvan hoger zijn.

Permanent toezicht in de vorm van de aanwezigheid van een bedrijfswoning, is dus niet alleen nuffig bij een eventuele inbraak, maar heeft ook een preventìeve werking. 2.2.4 Fokken van dieren

Van ondergeschikt bedrijfsbelang, maar in groot belang voor toezicht, is het fokken van veulens en lammetjes. Jaarlijks hebben we enkele paarden die drachtìg (zwanger) zijn. Veulens worden over het algemeen 's nachts geboren en toezicht bij een bevalling is noodzakelijk. Dit kan namelijk weleens fout gaan. Tot voorheen wordt er door de eigenaresse op deze momenten in de stal geslapen. In 2022 was dit twee weken het geval, omdat ingrijpen bij deze bevalling noodzakelijk zou kunnen zijn. Bij het 5 Maatschappelijk, groen, duurzaam en natuur inclusief

|

Onderbouwing bedrijfswoning

fokken van dieren is vanwege bovenstaande redenen, binnen de agrarische sector altíjd een bedrijfswoning aanwezig. Ook hierbij wordt dit gezien als een must om veiligheid rondom de dieren te bewaken. 2.2.5 Kwetsbare doelgroep

De doelgroep waar Paard & Coaching zich op richt zijn de kwetsbare mensen van de maatschappij die ondersteuning nodig hebben. De begeleiding van deze mensen wordt geboden tussen 7:00 's ochtends en 22:00 's avonds. Ondanks dat deze begeleiding meestal één op één is, kan het voorkomen dat extra hulp nodig is in geval van calamiteiten. Overdags wordt hier rekening mee gehouden en gezorgd dat er meerdere managers aanwezig zijn. Echter is na 18:00 de kans op calamiteiten bij cliënten minder groot, omdat er dan minder cliënten zijn. Toch is dit niet uitgesloten, maar is het inzetten van personeel hiervoor niet in verhouding tot de kans dat er eens in de zoveel tíjd iets gebeurt. Daarom draagt het wonen op het perceel ook bij aan de veiligheid van de cliënten, omdat er in deze situatí'es direct ingegrepen en ondersteunt kan worden. Denk hierbij aan het opwachten van een ambulance, het helpen van het leggen in stabiele zijligging, het ondersteunen van de cliënt of het begeleiden van het betrokken paard. 2.2.6 Overige argumentatie

Bovenstaande argumentatí'e is vooral gericht op veiligheid. Voor de volledigheid worden ook nog andere punten benoemd ter argumentatí'e. Zo dient voor een bedrijfswoning te worden aangetoond dat sprake is van een volwaardig bedrijf, moet de bedrijvigheid ter plaatse een bedrijfswoning rechtvaardigen, dient sprake te zijn van een blijvende relatíe tussen het bedrijf en de bedrijfswoning en moet de woonactíviteit qua aard en omvang ondergeschikt zijn aan de bedrijfsactíviteiten. Volwaardig betekent over het algemeen dat de bedrijfsactíviteiten ter plaatse structureel, gedurende het gehele jaar, plaatsvinden en niet als hobbymatíg zijn te kwalificeren. Tevens dient er bedrijfseconomisch sprake te zijn van een bestaand, zelfstandig bedrijf, waarvan het hoofdinkomen van de bewoner van de bedrijfswoning a^omstíg is van het bedrijf én van de bedrijfsactíviteiten ter plaatse. Paard & Coaching is een volwaardig bedrijf met circa +/- 120 cliënten. Vanwege de grote maatschappelijke vraag naar zorg breidt Paard & Coaching uit en is het aantal cliënten dus groeiende. De locatí'e in Bergschenhoek richt zich geheel op de bedrijfsactíviteiten en wordt volledig ingericht voor een zo optí'male vorm van zorg en begeleiding; zeven dagen per week, 365 dagen per jaar. Het spreekt voor zich dat het hoofdinkomen van de bewoner a^omstíg is uit het bedrijf en de bedrijfsactíviteit ter plaatse.

Een gemiddelde werkweek van de bewoner bestaat uit +50 uur voor het betreffende bedrijf. Gezien de bedrijfsactí'viteiten en de werkzaamheden is de relatíe tussen het bedrijf en de bedrijfswoning sterk, omdat de woning geheel ten dienste staat van de veiligheid van haar cliënten en dieren, alsook het welzijn daarvan. De bedrijfswoning is verder in alle opzichten ondergeschikt aan de bedrijfsbebouwing. Waarbij ook veel aandacht wordt besteed aan het creëren van eenheid tussen alle gebouwen. De hoofddoelstelling is immers dat sprake moet zijn van een groene en natuurlijke uitstraling, ook wel een "Groene Oase" genoemd.

6 Maatschappelijk, groen, duurzaam en natuur inclusief

|

Onderbouwing bedrijfswoning

3. Bedrijfsbebouwing 3.1 Inleiding In de bedrijfsvoering van Paard & Coaching staat natuur en milieubewustzijn hoog in het vaandel. Dit uit zich binnen de bedrijfsvoering in bijvoorbeeld MVO werken, elektrisch rijden en het stìmuleren van fietsen. In het houden van de paarden is Paard & Coaching binnen de paardenwereld een voorbeeld in natuurlijk paardenhouden. Hiervoor is een natuurlijke omgeving (bos en weiland) van belang. Ook wordt dit uitgedragen in de omgang met de paarden, zo wordt er niet gereden met bit en/of sporen. Angst en dwangmiddelen worden vermeden en respect voor mens en dier is zeer belangrijk. Het gaat om de samenwerking tussen mens, dier en natuur. Zo wordt milieubewustzijn op een educatìeve manier bijgebracht aan cliënten. Er wordt plastìc gerecycled en er worden dagen "samen zwerfaval opruimen" georganiseerd. Met deze combinatìe wordt de natuur een handje geholpen en wordt de nieuwe generatìe kinderen milieubewustzijn bijgebracht. De grote wens van Paard & Coaching is een eigen locatìe ontwikkelen die energieneutraal is en opgaat in de natuur. Die mogelijkheid kan bijna gerealiseerd worden!

3.2 Bebouwing De visie is om een "Groene Oase" te bouwen, die opgaat in de natuur en de natuur stìmuleert. De bebouwing wordt uitgevoerd met natuurlijke materialen en een groene uitstraling. Ook zal het terrein worden ingericht met veel bomen en groen. Dit omdat het past bij de omgeving, maar ook voor onze cliënten erg belangrijk is voor het "ontprikkelen" en ontspanning. En daarnaast sluit dit geheel aan bij de visie op het natuurlijk paardenhouden. Omdat de indeling van het terrein uit meerdere gebouwen bestaat met daaromheen bomen, zal in het aangezicht weinig bebouwing te zien zijn. Dat zal ook gelden voor de bedrijfswoning. Deze wordt geheel natuurlijk vormgegeven en gebouwd. De tuin-/erfafscheiding zal middels bomen en sloten worden aangegeven en er zullen geen hekwerken geplaats worden, met uitzondering van een houten toegangshek en daarnaast een sloot. Daarbij sluit de bouwstìjl naadloos aan bij de andere bebouwing en zal dit mede opgaan in de natuur en onopvallend in de natuur zijn. Hierdoor wordt er geen belemmering in de woonbestemming gezien, omdat dit vanaf buitenaf niet opgemerkt zal worden, maar wel de veiligheid waarborgt die noodzakelijk is. Uitgangspunten: ^ Inhoud: 750 m3 ^ Gelegen in het groen en geborgen in het landschap. ^ Duurzame materialen. ^ Natuur inclusief gebouwd. ^ Geïntegreerd in het landschap. ^ Ontworpen met het landschap. ^ Regeneratìef bouwen

7 Maatschappelijk, groen, duurzaam en natuur inclusief

|

Onderbouwing bedrijfswoning

4. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat voor het volwaardige bedrijf van Paard & Coaching de bedrijfswoning van grote noodzaak is en niet kan ontbreken vanwege vele veiligheids- en welzijsaspecten. Het huisvesten van levende dieren en de aanwezigheid van brandbare stoffen zijn hierbij een belangrijk aspect, waarbij direct handelen een verschil tussen leven en dood kan maken. Alleen cameraondersteuning is daarbij niet voldoende. Gezien de kwetsbare doelgroep en de kans op calamiteiten, draagt bewoning op het perceel bij aan de veiligheid en is het positìef van invloed op de bedrijfsvoering. Daarbij heeft de bewoning op het perceel een preventìeve werking op diefstal en inbraak of andere kwaadwillende actìes. Mocht dit wel gebeuren kan er direct ingegrepen worden om schade te beperken. Waar ook veel rekening mee wordt gehouden is de wens van natuurlijke bouw en het opgaan in de natuur. Zowel een wens van de gemeente als de initìatìefnemer, maar ook ten gunste van cliënten van Paard & Coaching.

ReterRnĩrB woning aan iJzersn veictweg Cb Huizen

m ersriüB. f ie igedskie tiosv iBa

SnuBTiGtBhârttÇ)

8 Maatschappelijk, groen, duurzaam en natuur inclusief

|

Onderbouwing bedrijfswoning

Pouderoyen Tonnaer is een handelsnaam van Pouderoyen B.V.

Vestigingen te Nijmegen, Rosmalen, Baexem en Voerendaal

MEMO 7 ADVIES Aan

Gemeente Lansingerland

T.a.v.

mevr. J. Meijboom

Van

mevr. E. van Overbeek

Datum

30 januari 2023

Betreft

Advies geurcontouren Sporthoeklaan Bergschenhoek

Project

P230009

1. Casus adviesaanvraag Ten behoeve van het project Langdurige Opvang voor Oekraïners op de Sporthoeklaan in Bergschenhoek worden voor een periode van 10 jaar 132 flexwoningen gerealiseerd. Op het aangrenzende perceel rust een agrarische bestemming en is het initiatief 'Paard & Coaching' in ontwikkeling. Deze initiatiefnemer heeft bezwaar ingediend tegen de omgevingsvergunning (ontwerp-besluit), omdat de flexwoningen mogelijk binnen de toekomstige geurcontouren van het beoogde paardenbedrijf gesitueerd zijn en er zorg is dat het plan van Paard & Coaching beperkt wordt door de komst van de flexwoningen.

Figuur 1: Situatieschets voorgenomen flexwoningen

■ ■M ISO nŭi

Op onze dienstverlening zijn de DNR 2011 voorwaarden van toepassing die u vindt op pouderoyentonnaer.nl

ïcfífo

POUDEROYEN TONNAER P230009.001/EVO, pagina 2 van 8

Figuur 2: Situatieschets voorgenomen hippisch zorgcentrum (bron: Schetsontwerp Hippisch Zorgcentrum Hoekse Park West, Houweling, 15 februari 2022)

Het schetsontwerp van het hippisch zorgcentrum van 15 februari 2022 is gebaseerd op een paardvriendelijke huisvestingsvorm 'Paddock Paradise'. Dit betekent dat de paarden vrij rondlopen in het natuurlijk ingerichte buitenterrein bestaande uit paddockpaden, wetlands, weiland en natuurlijk speelterrein. In het schetsontwerp staat vermeld dat in hoofdgebouw 1 een inloopstal voor de paarden is voorzien.

2. Geuronderzoek Ten behoeve van het project Langdurige Opvang voor Oekraïners op de Sporthoeklaan is het van belang dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en is het aspect geur getoetst op basis van milieuzonering. Omdat het hippisch zorgcentrum nog in ontwikkeling is en hier nog geen concrete besluitvorming over heeft plaatsgevonden, vormt het toekomstige hippische zorgcentrum geen beperking voor de komst van de flexwoningen. Er is tenslotte geen sprake van bestaande geurcontouren (geen bestaand recht) waar rekening mee gehouden moet worden. Dit betekent dat in het plan voor het hippisch zorgcentrum rekening gehouden moet worden met de flexwoningen als geurgevoelige objecten en dat gezorgd moet worden dat het initiatief voldoet aan de geldende geurregels die deze woningen bescherming bieden. In deze memo wordt op basis van het schetsontwerp beoordeeld of het hippisch zorgcentrum door de flexwoningen beperkt wordt door de specifieke geurregelgeving. Hierbij is vooral van belang welke onderdelen van het schetsplan aangemerkt moeten worden als 'dierenverblijf'.

PCŕUDEROYEN ^NNAER P230009.001/EVO, pagina 3 van 8

3. Geurregels in het Activiteitenbesluit i.r.t. de Wet geurhinder en veehouderij In het Activiteitenbesluit (Ab) staan algemene voorschriften voor - onder andere - het houden van paarden en opslag van bedrijfsstoffen (o.a. opslag van paardenmest). Deze voorschriften gelden voor bedrijven die volledig onder het Activiteitenbesluit vallen. Dit zijn paardenbedrijven met 50 paarden of minder. Het hippisch zorgcentrum voorziet in minder dan 50 paarden, waardoor het initiatief moet voldoen aan de geurregels in het Activiteitenbesluit. De voorschriften in het Activiteitenbesluit die toezien op bescherming van geurgevoelige objecten gelden niet voor vergunningplichtige paardenhouderijen. Voor deze bedrijven gelden de geurregels in de Wet geurhinder en veehouderij. De geurregels voor het houden van paarden zijn in het Activiteitenbesluit hetzelfde als in de Wet geurhinder en veehouderij. Voor paarden zijn geen geuremissiefactoren vastgesteld in de Regeling geurhinder en veehouderij.

Artikel 3.117 Ab regelt dat het oprichten, uitbreiden of wijzigen van een dierenverblijf met dieren zonder geuremissiefactor niet plaats kan vinden, indien de afstand tussen een dierenverblijf en een geurgevoelig object: a) minder dan 100 meter bedraagt, indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, of b) minder dan 50 meter bedraagt, indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Artikel 3.46 Ab regelt dat het opslaan van agrarische bedrijfsstoffen (hieronder valt opslag van meer dan 3 m3 vaste paardenmest) ten minste plaatsvindt op: a) 100 meter afstand tot een geurgevoelig object dat binnen de bebouwde kom is gelegen, of b) 50 meter afstand tot een geurgevoelig object dat buiten de bebouwde kom is gelegen. Zodra de flexwoningen gerealiseerd zijn, dienen deze woningen beschouwd te worden als geurgevoelige objecten en zijn de woningen beschermd tegen geurhinder van het hippisch zorgcentrum. Omdat de planologisch toestemming voor deze woningen gebaseerd is op een omgevingsvergunning kan voor de geurtoets uitgegaan worden van de vergunde situering van de woningen zoals weergegeven op de situatieschets. Begrip bebouwde kom bij geur van veehouderijen

In de Wet geurhinder en veehouderij en in het Activiteitenbesluit krijgt de bebouwde kom het meeste bescherming tegen geurhinder van dierenverblijven van veehouderijen. De bebouwde kom is het gebied dat door aaneengesloten bebouwing overwegend een woon- en verblijffunctie heeft en waarin veel mensen per oppervlakte-eenheid ook daadwerkelijk wonen of verblijven. De grens van de bebouwde kom volgt niet uit de Wegenverkeerswet 1994, maar net zoals in de ruimtelijke ordening bepaalt de aard van de omgeving waar de grens ligt. Om te spreken van bebouwde kom, moet er sprake zijn van op korte afstand van elkaar gelegen bebouwing, die is geconcentreerd tot een samenhangende structuur. Bij de beoordeling van de aard van de omgeving is de feitelijke situatie bepalend. Naast de aard van de omgeving, speelt ook de afstand tot een woonkern een rol bij de beoordeling of sprake is van bebouwde kom (o.a. ABRvS 201011530/1/R3 van 28 nov 2012, ABRvS 201105329/1/A4 van 14 nov 2012 en ABRvS 200900791/1/M2 van 23 sept 2009).

PCŕUDEROYEN ^NNAER P230009.001/EVO, pagina 4 van 8

Het terrein met de flexwoningen ligt in een stukje landelijk gebied met een overwegende agrarische en recreatieve functie op ongeveer 430 meter van de bebouwde kom van Bergschenhoek. Het terrein wordt grotendeels omgeven door weilanden en grenst aan de noordzijde aan een sportterrein met daarachter een glastuinbouwgebied en wordt aan de westzijde door een bedrijventerrein afgescheiden van de woonkern Bergschenhoek.

Figuur 3: Ligging terrein flexwoningen (rood omlijnd) t.o.v. van globale ligging woonkern Bergschenhoek (geel), bedrijventerrein (paars), sportterrein (blauw) en omliggende landbouwgronden (zichtbaar op de luchtfoto)

Op basis van de aard en ligging van de flexwoningen kan geconcludeerd worden dat de flexwoningen beschermd moeten worden als 'geurgevoelige objecten gelegen buiten de bebouwde kom'. Dit betekent dat de wettelijk aan te houden minimum afstand tussen een dierenverblijf en de gevel van de flexwoningen 50 meter bedraagt. Hetzelfde geldt voor de afstand tussen een eventuele vaste mestopslag groter dan 3 m3 en deze woningen. Als bijlagen zijn kaarten bijgevoegd met weergave van de 50 meter contour rondom de flexwoningen. Binnen deze contour mogen geen dierenverblijven en mestopslagen worden gesitueerd. Het hoofdgebouw met inloopstal voor paarden ligt geheel buiten deze contour en voldoet daarmee aan de geurregels. De rijbak en longeercirkel mogen binnen de geurcontour gesitueerd worden, onder de voorwaarde dat deze niet (intensief) gebruikt worden als paddock. Een rijbak die het hele jaar door overdag gebruikt wordt als paddock voor een groepje paarden wordt door de Raad van State namelijk beschouwd als niet-overdekt dierenverblijf. Uit het schetsontwerp valt niet op te maken dat de rijbak gebruikt wordt als een paddock, aangezien het ontwerp is gebaseerd op vrije bewegingsruimte in een natuurlijk ingerichte omgeving. Binnen de 50 meter contour liggen de paddockpaden en weiland, die deel uitmaken van het Paddock Paradise.

Navolgend wordt op basis van jurisprudentie beoordeeld of hier sprake kan zijn van een niet-overdekt dierenverblijf.

POUDEROYEN »CŕUĪ3 TONNAER P230009.001/EVO, pagina 5 van 8

Figuur 4: Weergave 50 meter contour rondom de flexwoningen (situering flexwoningen o.b.v. aangeleverde schets Z ontwerp-besluit omgevingsvergunning 18 januari 2023). Kaart is bijgevoegd als bijlage.

Mag het Paddock Paradise t.a.v. geur binnen 50 meter van de flexwoningen komen te liggen? Is het weiland en paddocktrack te beschouwen als (onderdeel van een) niet-overdekt dierenverblijf?

Allereerst dient de vraag beantwoord te worden of het weiland met paddocktrack onderdeel uitmaakt van de inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Onderdelen die niet bij de Wminrichting horen hoeven namelijk niet betrokken te worden in de geurtoets. Meestal horen weilanden en landerijen niet bij de Wm-inrichting, en een paddock of uitloop wel. Dit blijkt uit jurisprudentie over het begrip inrichting van artikel 1.1 lid 1 Wet milieubeheer. Een inrichting is: "elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht". In deze definitie gaat het om bedrijfsmatige omvang, bedrijvigheid en begrenzing. Bij intensief gebruik van een weiland kan het weiland wel onderdeel van de inrichting uitmaken. Gezien het extensieve gebruik van het weiland met eromheen een stuk van het paddocktrack valt te concluderen dat dit deel van het buitenterrein geen onderdeel uitmaakt van de Wm-inrichting en dat er geen geurregels op van toepassing zijn. Dat dit gedeelte onderdeel is van het grotere Paddock Paradise versterkt zelfs het extensieve gebruik van dit deel van het buitenterrein. De geurregels zijn alleen van toepassing op onderdelen die deel uitmaken van de Wm-inrichting.

Omdat een plan altijd nog kan wijzigen wordt volledigheidshalve navolgend beoordeeld of - en wanneer- sprake kan zijn van een niet-overdekt dierenverblijf. Hierbij moet de jurisprudentie omtrent paddocks en uitlopen betrokken worden.

PCŕUDEROYEN ^NNAER P230009.001/EVO, pagina 6 van 8

Als de dieren toegang hebben tot de ruimte buiten, is deze ruimte onderdeel van het huisvestingssysteem. Wel wordt er onderscheid gemaakt tussen een uitloop die bedoeld is per dier meer ruimte te creëren en een ruimte die bijdraagt aan het bruikbare leefoppervlak (en daarmee feitelijk het aantal dierplaatsen vergroot). In het Paddock Paradise is de buitenruimte overduidelijk bedoeld om meer vrije ruimte te creëren voor de paarden. Een buitenruimte die het aantal dierplaatsen niet vergroot hoort in het algemeen niet bij de inrichting. Een weiland kan als uitloop aangemerkt worden als deze intensief gebruikt wordt, echter dit kan niet bepaald worden aan de hand van kengetallen. In de jurisprudentie wordt bijvoorbeeld 300 melkkoeien op 1 ha en 240 zeugen op 3 ha aangemerkt als intensief gebruik. De rechtbank Amsterdam oordeelde over een stadsmanege dat de 300 m2 buitenruimte (paddock), waarin overdag steeds 3 paarden tegelijk lopen, intensief gebruikt wordt en beschouwd moet worden als een uitloop (uitspraak AMS 16/7630, 24 mei 2017, Amsterdam). In deze zaak speelde ook mee dat de omliggende woningen op 7,5 meter afstand lagen en geurhinder voor de hand ligt. In het schetsontwerp van het Hippisch zorgcentrum staat dat het bestaande bedrijf op dit moment 12 paarden heeft.

Het totale perceel is ruim 4,8 ha groot en het grootste deel van het buitenterrein ligt buiten de 50 meter contour van de flexwoningen. Het is niet geheel duidelijk hoe groot het beschikbare oppervlak buitenterrein per paard gaat worden, maar de kern van het paardvriendelijke concept is meer vrije bewegingsruimte per paard dan op gangbare paardenbedrijven en is minstens vergelijkbaar met een gangbare paardenweide en daarmee geen intensief gebruik. Voor een intensievere wijze van huisvesten van de paarden, zoals in een paddock is voldoende ruimte beschikbaar buiten de 50 meter contour rondom de flexwoningen. Het deel van het 'Paddock Paradise' dat binnen de 50 meter contour rondom de flexwoningen ligt is aangeduid als 'weiland' met een ruiterpad aan de randen en bedraagt volgens een grove inschatting ongeveer 15- 20% van het totale oppervlak dat beschikbaar is voor de paarden en daarmee is de tijd dat binnen de 50 meter contour paarden aanwezig zijn zeer beperkt en is de 'geuremissie' van de mest die hier valt te verwaarlozen. Aangezien in dit deel ook geenvoederplaats of schuilplaats is voorzien ontstaat hier ook geen opeenhoping van mest. Deze wijze van gebruik is feitelijk te vergelijken met een gangbare paardenweide.

Samenvatting »

De flexwoningen zijn aan te merken als geur gevoelige objecten buiten de bebouwde kom in de zin van de Wet geurhinder en veehouderij en het Activiteitenbesluit.

»

Het hippisch zorgcentrum valt onder de algemene regels van het Activiteitenbesluit. In geval het bedrijf vergunningplichtig is dan is ten aanzien van geur de Wet geurhinder en veehouderij van toepassing. De geurregels zijn voor deze paardenhouderij echter hetzelfde. Op basis van artikel 3.117 en artikel 3.46 Activiteitenbesluit moeten dierenverblijven (al dan niet overdekt) en eventuele vaste mestopslagen (groter dan 3 m3) op minimaal 50 meter van de buitenzijde van de flexwoningen worden gesitueerd.

PCŕUDEROYEN ^NNAER P230009.001/EVO, pagina 7 van 8

»

Binnen deze 50 meter contour ligt een deel van de rijbak, de longeercirkel, weiland en een deel van het paddocktrack. De rijbak en longeercirkel mogen binnen de 50 meter contour liggen, indien deze niet gebruikt worden als niet-overdekte dierenverblijven. Het weiland en paddocktrack is te beschouwen als zeer extensief beweiden van de paarden en daarmee geen onderdeel van de inrichting in de Wet milieubeheer en zijn hierop geen geurregels van toepassing.

»

Als dit onderdeel van het 'Paddock Paradise' wel als onderdeel van de Wm-inrichting aangemerkt zou worden, dan nog is het gebruik dusdanig extensief dat het buitenterrein niet te beschouwen is als een (niet-overdekt) dierenverblijf en is de vaste minimum afstand van 50 meter niet hierop van toepassing.

»

Binnen de 50 meter contour mag in ieder geval geen (inloop)stal, gangbare paddock of vaste mestopslag gesitueerd worden. Het advies is om binnen deze 50 meter contour ook geen schuilstal of voederplaats te situeren, zodat discussie over de interpretatie van wettelijke definities en bijbehorende jurisprudentie wordt voorkomen. (Ook al is het niet aan de orde; buiten de 50 meter contour is voldoende ruimte beschikbaar voor de oprichting van een gangbare paardenhouderij met een paddock, stallen en vaste mestopslag).

Conclusie De flexwoningen zijn geurgevoelige objecten en zijn die beschermd zijn tegen eventuele geurhinder van de paardenhouderij op het hippisch zorgcentrum, maar dat deze woningen geen belemmering vormen voor de beoogde bedrijfsopzet van het Hippisch zorgcentrum.

PCŕUDEROYEN ^NNAER P230009.001/EVO, pagina 8 van 8

BIJLAGEN: Kaarten met 50 meter contour rondom flexwoningen Situering flexwoningen o.b.v. aangeleverde schets / ontwerp-besluit omgevingsvergunning 18 januari 2023

Cì BLOM

y ECOLOGIE Verbindt natuur en samenleving

Quickscan Wet natuurbescherming Sporthoekpad ong. te Bergschenhoek Oriënterend onderzoek ecologie in het kader van de Wet natuurbescherming

blomecologie.nl

Colofon Status:

Definitief

Project:

2023-0918

Datum:

8 september 2023

Samensteller:

ing. P. Kalkman

Collegiale toets:

ing. J. Dekkers

Opdrachtgever:

Adromi Groep

Contactpersoon:

E. Barendregt

Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.

Cl BLOM

ECOLOGIE

VertiirKli rstuLT «n samerlevlrg

Inhoud 1 Inleiding

4

1.1

Planlocatie

5

1.2

Beoogderuimtelijkeingreep

6

2 Methode

7

2.1

Uitvoering onderzoek

7

2.2

Soortenbescherming

7

2.3

Gebiedsbescherming

9

2.4

Houtopstanden

10

2.5

Houdbaarheid en toepassing

10

3 Beoordeling

11

3.1

Soortenbescherming

11

3.2

Gebiedsbescherming

15

3.3

Houtopstanden

16

4 Samenvatting

17

4.1

Soortenbescherming

17

4.2

Gebiedsbescherming

17

4.3

Houtopstanden

17

5 Conclusie

18

5.1

Conclusie

18

5.2

Uitvoerbaarheid

18

5.3

Vervolgstappen

18

5.4

Te treffen maatregelen

18

Cl BLOM

ECOLOGIE

Verb)ndl natuur en samenleving

1 Inleiding Aan het Sporthoekpad ong. te Bergschenhoek zijn drie stroken met kort gemaaid gras gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens op de percelen een paardenhouderij te realiseren. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ruimtelijke ingreep en dient derhalve te worden gewijzigd. De beoogde ruimtelijke ingreep heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ruimtelijke ingreep geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Adromi Groep begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde soorten, gebieden en houtopstanden. Vervolgens wordt getoetst of de beoogde ruimtelijke ingreep uitvoerbaar is in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal beleid.

Onderzoeksdoelen ^ Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art. 3.1.6 Bro)? ^ Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie en welke negatieve effecten kunnen optreden als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? ^ Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van provinciaal aangewezen beschermde gebieden? ^ Leidt de beoogde ruimtelijke ingreep tot kap van houtopstanden zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming? ^ Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal aangewezen beschermde gebieden te worden genomen, en zo ja, welke?

Figuur 1.1

De planlocatie is gelegen aan het Sporthoekpad ong. te Bergschenhoek.

4

Cl BLOM

ECOLOGIE

1.1

Planlocatie De planlocatie is gelegen aan het Sporthoekpad ong. te Bergschenhoek (figuur 1.2). Op de planlocatie zijn drie graspercelen gesitueerd die frequent gemaaid worden. De percelen worden gescheiden door smalle watergangen met een grote hoeveelheid onderwatervegetatie en veel riet langs de oevers. Direct aan de noord en de zuidzijde van de percelen zijn ook watergangen aanwezig. Deze zijn breder en hebben naast veel oever- en onderwatervegetatie, ook veel drijvende vegetatie. Tevens is er veel vis waargenomen in de watergangen. De watergangen zijn allen verbonden met elkaar. In figuur 1.3 en bijlage 1 zijn een aantal foto's opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.

Figuur 1.2

De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan het Sporthoekpad ong. te Bergschenhoek.

De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door agrarische percelen aan de oost- en de zuidzijde en bedrijventerreinen aan de west- en de noordzijde. De ligging van de planlocatie is ten zuidoosten van de plaats Bergschenhoek. Vanaf een afstand van ongeveer 200 m ten zuiden is het Lage Bergse Bos gelegen. Op circa 1 km ten oosten is een golfbaan gesitueerd. Grote oppervlaktewateren in de omgeving zijn onder andere de Zevenhuizerplas en de Rottemeren aan de oostzijde en de Rotte en de Bergse Plas aan de zuidzijde. De dichtstbijzijnde snelweg is de A20 op circa 3,7 km ten zuiden.

5

Cl BLOM

ECOLOGIE

Figuur 1.3

1.2

Fotografische indruk van de omgeving van de planlocatie.

Beoogde ruimtelijke ingreep De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van een paardenhouderij. Ten behoeve hiervan worden bebouwing gerealiseerd en worden bomen en struiken aangeplant. De bestaande watergangen blijven intact, echter worden de percelen aan de zuidoostzijde wel verbonden middels een dam. Het vigerende bestemmingsplan voorziet niet in deze beoogde ruimtelijke ingreep, waardoor een bestemmingsplanwijziging benodigd is. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: ^ verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; ^ egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; ^ realisatie dam: plaatselijk dempen van een watergang; ^ realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; ^ revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.

6

Cl BLOM

ECOLOGIE

2 Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. De reikwijdte bestaat uit de Wet natuurbescherming en de provinciale omgevingsverordening.

2.1

Uitvoering onderzoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 23 augustus 2023 en is uitgevoerd door ing. P. Kalkman. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 3/8 bewolkt, 24“ Celsius en windkracht 2-3 (Bft). Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). In NDFF wordt normaliter hierbij een straal van 2 km aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.

2.2 Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.5) en Andere soorten (Wnb art. 3.10). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Opzettelijk verstoren als bedoeld in Wnb art. 3.5 lid 2 wordt gedefinieerd als: "elke opzettelijke verstoring die van invloed kan zijn op de overlevingskansen, het voortplantingssucces of het voortplantingsvermogen van een beschermde soort, of die leidt tot een verkleining van het leefgebied of tot verplaatsing of verdringing van de soort". Bij overtreding van een verbodsbepaling geldt een ontheffingsplicht.

Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1) 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Habitatrichtlijn (Wnb art. 3.5) 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen.

7

Cl BLOM

Vì ECOLOGIE

4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Andere soorten (Wnb art. 3.10) 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Natuurlijk verspreidingsgebied Individuen, populaties en groeiplaatsen die zich buiten het natuurlijk verspreidingsgebied bevinden, vallen buiten het beschermingsregime van soortenbescherming. Het natuurlijk verspreidingsgebied wordt gedefinieerd als het gebied welke een soort op eigen kracht heeft bezet of waarin deze is geherintroduceerd binnen het verspreidingsgebied waar de soort van nature voorkwam. Het beschermingsregime geldt dus niet voor ingezaaide planten of dieren welke zijn losgelaten, ontsnapt of vanuit elders zijn meegelift. Om te bepalen of een plant of dier voorkomt binnen zijn natuurlijke verspreidingsgebied wordt gebruik gemaakt van de Verspreidingsatlas en naslagwerken. Wel geldt onverminderd de Algemene zorgplicht.

Vogelrichtlijn Onder de Vogelrichtlijn zijn alle in gebruik zijnde nesten en broedgevallen van vogels beschermd. Het is van alle vogelsoorten verboden om nesten te beschadigen of te vernielen. Daarnaast gelden onder provinciale aanwijzingen categorieën waarin de nesten en rustplaatsen van specifieke vogelsoorten jaarrond bescherming genieten, dus ook in de periode dat deze niet in gebruik zijn. Rustplaatsen zijn conform de Richtsnoeren van de Europese Commissie gedefinieerd als zijnde essentiële zones voor het bestaan van een dier of groep van dieren wanneer ze niet-actief zijn. Tabel 2.1

Vogelsoorten onder categorie 1 t/m 4: nesten en rustplaatsen jaarrond beschermd. Vogelsoorten onder categorie 5: nesten en rustplaatsen jaarrond beschermd, indien er sprake is van ecologisch zwaarwegende redenen.

Vogelsoorten onder categorie 1 t/m 4 Boomvalk Havik Buizerd Huismus Gierzwaluw Kerkuil Grote gele kwikstaart Oehoe Vogelsoorten onder categorie 5 Blauwe reiger Ekster Boerenzwaluw Gekraagde roodstaart Bonte vliegenvanger Glanskop Boomklever Grauwe vliegenvanger Boomkruiper Groene Specht Bosuil Grote bonte specht Brilduiker Hop Draaihals Huiszwaluw Eider IJsvogel

Ooievaar Ransuil Roek Slechtvalk

Sperwer Steenuil Wespendief Zwarte wouw

Kleine bonte specht Kleine vliegenvanger Koolmees Kortsnavelboomkruiper Oeverzwaluw Pimpelmees Raaf Ruigpootuil Spreeuw

Tapuit Torenvalk Zeearend Zwarte kraai Zwarte mees Zwarte roodstaart Zwarte specht

8

Cl BLOM

Vì ECOLOGIE

Provinciale vrijstelling Van de verboden als bedoeld in Andere soorten Wnb art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten. Voor alle soorten in Nederland geldt dat er sprake is van een algemene zorgplicht (Wnb art. 1.11). Hierin wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moeten worden. Het uitgangspunt van de algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. In de Omgevingsverordening van de Provincie Zuid-Holland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 2.2

Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Zuid-Holland.

Vrijgestelde soorten Aardmuis Bastaardkikker Bosmuis Bruine kikker Bunzing Dwergmuis Dwergspitsmuis Egel

Gewone bosspitsmuis Gewone pad Haas Hermelijn Huisspitsmuis Kleine watersalamander Konijn Meerkikker

Ree Rosse woelmuis Veldmuis Vos Wezel Woelrat

2.3 Gebiedsbescherming In Nederland zijn natuurgebieden aangewezen met een beschermde status. Deze natuurgebieden betreffen hoofdzakelijk Natura 2000-gebieden en provinciaal beschermde gebieden.

Natura 2000-gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn.

Provinciaal beleid Onderstaande teksten zijn gebaseerd op de meest recente versie van de Omgevingsverordening. Natuurnetwerk Nederland Binnen het Natuurnetwerk Nederland, onderverdeeld in bestaande en nieuwe natuur, waternatuur en ecologische verbindingen, geldt het 'nee, tenzij'-principe. Het uitgangspunt is dat een bestemmingsplan geen nieuwe activiteiten mogelijk maakt die de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden significant beperken, of leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van die gebieden. Mocht een ontwikkeling wel negatieve gevolgen hebben op de bovengenoemde aspecten, is deze ontwikkeling alleen mogelijk als er geen reële alternatieven zijn en de negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarde, oppervlakte, kwaliteit en samenhang van het Natuurnetwerk Nederland worden beperkt en de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd. Voor dergelijke ontwikkelingen dient tevens een ontheffing voorhanden te zijn. In de provincie Zuid-Holland valt het Natuurnetwerk Nederland onder beschermingscategorie 1. Bescherming van de ruimtelijke kwaliteit Provincie Zuid-Holland heeft gebieden aangewezen met speciale bescherming van de ruimtelijke kwaliteit. Deze bescherming is opgedeeld in beschermingscategorie 1 en beschermingscategorie 2.

BLOM Vì ECOLOGIE

Beschermingscategorie 1 Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 1 kan niet voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling die leidt tot een wijziging van de bestaande gebiedsidentiteit op structuurniveau, of welke leidt tot het transformeren van de bestaande gebiedsidentiteit, tenzij het gaat om de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur of om een in het Programma ruimte uitgezonde ruimtelijke ontwikkeling of een zwaarwegend algemeen belang en voort wordt voldaan aan gestelde voorwaarden. De gebieden met betrekking tot natuur binnen beschermingscategorie 1 betreffen Natuurnetwerk Nederland en Beschermd grasland in de Bollenstreek. Beschermingscategorie 2 Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 2 kan niet voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling die leidt tot het transformeren van de bestaande gebiedsidentiteit, tenzij het gaat om de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur of om een in het Programma ruimte uitgezonde ruimtelijke ontwikkeling of een zwaarwegend algemeen belang en voort wordt voldaan aan gestelde voorwaarden. De gebieden met betrekking tot natuur binnen beschermingscategorie 2 betreffen Belangrijk weidevogelgebied en de Groene buffer.

2.4 Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft (Wnb art.

4.1): a) houtopstanden binnen de door gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.

2.5 Houdbaarheid en toepassing De beoogde ruimtelijke ingreep wordt getoetst aan de actuele wetgeving en provinciale verordening. Over het algemeen heeft een quickscan Wet natuurbescherming een houdbaarheid van 3 jaar, mits binnen deze periode de omstandigheden op de planlocatie, de wetgeving en de provinciale verordening niet wezenlijk veranderen.

10

Cl BLOM

Vì ECOLOGIE

3 Beoordeling 3.1

Soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt.

Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde planten niet bekend (NDFF 2013-2023). De planlocatie bestaat uit drie graspercelen die frequent gemaaid worden. Derhalve is het voor beschermde plantensoorten niet aannemelijk dat ze er groeien. Tevens is de planlocatie geheel begroeid. Er zijn geen open plekken aanwezig waar andere (beschermde) planten zouden kunnen groeien. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: gewone berenklauw, grote brandnetel, grote egelskop, haagwinde, harig wilgenroosje, kalmoes, kruipende boterbloem, moeras-vergeet-mijnietje, paarse dovenetel, pijlkruid, riet, smalle weegbree en veerdelig tandzaad. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek. Hiermee kan worden uitgesloten dat er sprake is van het opzettelijk vernielen van beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied.

Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: bosmuis, bruine rat, bunzing, dwergmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, hermelijn, huismuis, huisspitsmuis, konijn, mol, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat (NDFF 2013-2023). Voor al deze soorten geldt dat ze niet beschermd zijn of dat er vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De planlocatie wordt kort gemaaid en er staan geen bomen of struiken. Derhalve is er weinig dekking aanwezig. Tevens is de planlocatie gelegen naast bedrijventerreinen en woningen, waardoor er veel verstoring is. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren. Door vorengenoemde is het uitgesloten dat er sprake is van een essentiële functie op de planlocatie voor soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde andere soorten. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name bruine rat, haas, konijn, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen.

Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Omgevingsverordening van de provincie vallen (zie Wnb art. 3.10). Er is ten aanzien van grondgebonden zoogdieren geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming.

Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis (NDFF 2013-2023). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd (Wnb art. 3.5).

11

Cl BLOM

Vì ECOLOGIE

Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat. Ongeacht de mogelijke aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen kunnen vleermuizen gebruikmaken van de planlocatie tijdens vliegbewegingen en foerageeractiviteiten. Hier dienen in het kader van de algemene zorgplicht mogelijk maatregelen genomen te worden (zie H5.4). Op en rondom de planlocatie zijn geen bomen aanwezig. Er worden geen bomen gekapt in de beoogde ruimtelijke ingreep. De ontwikkeling resulteert derhalve niet in het wegnemen van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. Tevens is er geen bebouwing op de planlocatie aanwezig, waardoor het is uit te sluiten dat er op de planlocatie verblijfplaatsen van vleermuizen die in bebouwing leven, zoals gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis, aanwezig zijn. Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. Vaak worden vliegroutes en foerageergebieden gevonden rondom elementen zoals bomen(rijen) en water(gangen). Op en rondom de planlocatie zijn geen bomen(rijen aanwezig). Wel wordt de planlocatie omgeven door watergangen.

Deze zouden door vleermuizen kunnen worden gebruikt als vliegroute of ze zouden boven het water kunnen foerageren. De watergangen worden niet aangetast, waardoor een eventuele functie niet verloren zou gaan. Wel zouden er maatregelen genomen moeten worden (zie ook H5.4). Zo mogen er tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie geen lichten op de watergangen gericht worden.

Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en meerkikker (NDFF 2013-2023). Voor al deze soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming, maar vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Beschermde amfibieënsoorten hebben veelal een voorkeur voor habitats met veel ruigtes en dekking, zoals bossen, bosschages of heideterreinen. Wat betreft voortplantingswater gaat de voorkeur uit naar visvrije wateren met veel onderwatervegetatie en een goed begroeide oever. Overwintering vindt plaats in vorstvrije structuren zoals takkenstapels of ruigtes. Op de planlocatie zijn geen overwinteringsstructuren aanwezig, evenals structuren die dekking bieden. De sloten op de planlocatie kunnen gebruikt worden als voortplantingswater door soorten die minder kritisch zijn op de aanwezigheid van vis. Het kan derhalve niet uitgesloten worden dat de sloten op de planlocatie een functie hebben voor beschermde amfibieën, echter kan dit wel geconcludeerd worden voor de percelen zelf. Aangezien er geen waarnemingen van beschermde amfibieën bekend zijn, is de aanwezigheid erg onwaarschijnlijk. Aangezien de sloten niet worden aangetast, kan worden uitgesloten dat de beoogde ontwikkeling een negatief effect zal hebben op beschermde amfibieënsoorten.

Amfibieën leven zowel in een aquatisch als terrestrische omgeving. Deze omgevingen betreffen voortplantingswater, foerageergebieden en overwinteringsstructuren. Deze habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. Tijdens het veldbezoek zijn individuen van de bastaardkikker aangetroffen op de planlocatie. Het is niet uit te sluiten dat andere algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad voorkomen op de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Er is ten aanzien van amfibieën geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming.

Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de ringslang (NDFF 2013-2023). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen.

12

Cl BLOM

Vì ECOLOGIE

De ringslang heeft een voorkeur voor waterrijke gebieden met een grote hoeveelheid dekking. De enige bekende waarneming binnen 2 km van de planlocatie is gedaan aan de zuidrand van het Lage Bergse Bos, op circa 1,1 km ten zuiden van de planlocatie (NDFF 2013-2023). Hoewel er op de planlocatie wel veel water in de vorm van sloten aanwezig is, ontbreekt het aan dekking. De percelen zijn begroeid met kort gemaaid gras, waardoor predatoren (vooral roofvogels) de slang makkelijk zouden kunnen ontdekken. Derhalve is het niet aannemelijk dat de ringslang op de planlocatie voorkomt en dat de soort verstoord wordt. In de nieuwe situatie worden er struiken en bomen op de planlocatie aangebracht, terwijl de sloten behouden blijven. De planlocatie wordt derhalve geschikter voor de ringslang, dan dat deze nu is. Er kan derhalve worden uitgesloten dat de ontwikkeling een negatief effect zal hebben op de ringslang. Er is ten aanzien van reptielen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming.

Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 2013­ 2023). Mogelijk leiden de beoogde werkzaamheden (tijdelijk) tot verstoringen (geluid/trillingen), echter zijn er in de watergangen voldoende uitwijkmogelijkheden voorhanden buiten de verstoringszone. Er is ten aanzien van vissen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming.

Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de teunisbloempijlstaart (NDFF 2013-2023). De teunisbloempijlstaart heeft een voorkeur voor open plekken in bomenrijke omgevingen. Waardplanten voor de soort zijn wilgenroosje, teunisbloem, kattenstaart en basterdwederik. Op de planlocatie zijn een klein aantal individuen van het harig wilgenroosje waargenomen. Dit is een zeer algemene plantensoort. Indien er een aantal individuen worden weggenomen zal dit derhalve geen negatief effect hebben op de teunisbloempijlstaart. Er zijn tevens geen eitjes, rupsen of sporen die wijzen op de aanwezigheid van rupsen waargenomen op de waarplanten. De overige waardplanten zijn niet waargenomen op de planlocatie. Bij de ingreep worden geen bomen weggenomen, waardoor er geen sprake is van aantasting van habitat voor de soort. Derhalve zullen er bij de ingreep geen negatieve effecten ontstaan op de teunisbloempijlstaart. Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Op de planlocatie zijn behalve het harig wilgenroosje geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen.

Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Er is ten aanzien van insecten en andere ongewervelden geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming.

Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: blauwe reiger, buizerd, fuut, grauwe gans, houtduif, huismus, kauw, meerkoet, nijlgans, wilde eend en zwarte kraai. Gedurende het veldbezoek zijn individuen aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestlocatie en/of leefgebied, namelijk van de huismus. Huismussen zijn niet waargenomen op de planlocatie zelf, alleen bij de bedrijventerreinen aan de noordwest zijde waren huismussen aanwezig. Binnen een straal van 100 meter van de planlocatie is vastgestelde aanwezigheid van nestlocaties van jaarrond beschermde vogels niet bekend (NDFF 2013-2023). Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Op de planlocatie is geen bebouwing aanwezig, waardoor de aanwezigheid van nestlocaties van de huismus en de gierzwaluw kan worden uitgesloten. Tevens zijn er geen bomen en struiken op de

13

Cl BLOM

Vì ECOLOGIE

planlocatie aanwezig, waardoor het ook kan worden uitgesloten dat er essentieel leefgebied voor de huismus aanwezig is op de planlocatie. Er is op de planlocatie geen bebouwing gesitueerd, waardoor de aanwezigheid van nesten van uilen met jaarrond beschermde nesten in bebouwing (kerkuil en steenuil) kan worden uitgesloten. Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bebouwing en bomen broedende soorten als buizerd, kerkuil, steenuil, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. Op de planlocatie is vanwege het grote aantal alternatieve, gelijkwaardige percelen in de nabije omgeving geen sprake van essentieel leefgebied van uilen en roofvogelsoorten. Er is wat betreft vogels met jaarrond beschermde nesten geen sprake van het vangen of doden van individuen, het wegnemen van rust- of nestplaatsen, of het wegnemen van structuren die essentieel zijn in het functioneren van rust- of nestplaatsen.

Vogels - Algemene broedvogels en cat. 5 De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De watergangen en oeverzones vormen voor algemene broedvogels zoals meerkoet, waterhoen, eenden en ganzen geschikte nestlocaties. Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten aangetroffen. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de realisatiewerkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.

14

Cl BLOM

Vì ECOLOGIE

3.2 Gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 13,5 km ligt het Natura 2000-gebied 'Boezems Kinderdijk' (figuur 3.1).

Figuur 3.1

De planlocatie ligt op een afstand van circa 13,5 km tot het Natura 2000-gebied 'Boezems Kinderdijk'(bron: nationaal Georegister PDOK).

De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van een paardenhouderij. Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ruimtelijke ingreep in de gebruiksfase tot een toename in het aantal verkeersbewegingen. Gedurende de aanlegfase kan er een tijdelijke verhoogde stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. Per 2 november 2022 geldt dat de algemene bouwvrijstelling onbruikbaar is en dat activiteiten van de bouwsector onderdeel moeten zijn van de beoordeling. Gezien er sprake is van een grote afstand (13,5 km) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied en dit gebied geen overbelasting door stikstof heeft wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden binnen Natura 2000-gebieden. Een stikstofonderzoek middels de AERIUS Calculator kan derhalve achterwege blijven.

Provinciaal aangewezen gebieden De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende beschermingscategorie 1 (Natuurnetwerk Nederland en beschermd grasland in de Bollenstreek). Op een afstand van circa 1,2 km ligt het Natuurnetwerk Nederland (figuur 3.2). De planlocatie is niet gelegen in de buurt van de Bollenstreek. Op een afstand van circa 5,3 km ligt Belangrijk weidevogelgebied (geen kaartweergave). De planlocatie is wel gelegen binnen de Groene buffer (figuur 3.3). Op de grond waar de planlocatie zich bevindt vindt een transitie plaats van agrarisch naar recreatief groengebied. Hierbij wordt gekozen voor ontwikkelingen waarbij de kwaliteiten van het landschap benut worden en die een relatie hebben met het agrarische karakter. Een paardenhouderij valt hier ook onder.

15

Cl BLOM

Vì ECOLOGIE

Er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig op de planlocatie die weggenomen worden ten gevolge van de beoogde ingreep. Ten aanzien van provinciaal aangewezen gebieden geldt dat externe werking geen toetsingskader is.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lansingerland&id=7408076c-4e83-4892-8be1-ca3727f3e6be