[T23.06409] Logistics Campus A12 (ULC A12) AANGEPAST MET GELE ARCERING, (blz 1078)
Tekst van het document
Ook de energietransitie is een belangrijk thema binnen deze peiler. De gemeente streeft er naar om in 2030 ongeveer 12% van het elektriciteitsverbruik duurzaam op de te wekken binnen de gemeente. Hierin zijn de twee voornaamste duurzame energiebronnen zonne- en windenergie. Onderhavig plangebied valt binnen het zoekgebied: verder onderzoek zon, aangewezen in de RES Rotterdam Den Haag. Dit houdt in dat er wordt gekeken of de locatie geschikt is voor de opwek van zonne-energie. Lansingerland wil vooral inzetten op zonnepanelen op daken, vooral op grote (bedrijfs)daken. Onderhavig bestemmingsplan sluit hier goed bij aan. Relatie met voorliggend plan De (her)ontwikkeling die met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt past goed binnen het ruimtelijk beleid dat uitgezet wordt in deze omgevingsvisie. Binnen de drie pijlers waarop de visie leunt, vindt onderhavig plan het meest de aansluiting met "verbonden in de metropool" en "vindingrijk en ondernemend".
28
Urban Logistics Campus A12 (ULC A12) (vastgesteld)
Hoofdstuk 4
4.1
Milieu- en omgevingsaspecten
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling
De milieueffectrapportage is een procedure met als hoofddoel om het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten. Het doel is om het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven, door in een vroeg stadium te onderzoeken en te beoordelen of de voorgenomen activiteiten belangrijke nadelige milieugevolgen hebben. De milieueffectrapportage (m.e.r.) is geregeld in hoofdstuk 7 van de Wet Milieubeheer (Wm) en in het Besluit m.e.r. Van belang zijn de volgende artikelen: In artikel 7.2 Wm wordt het doorlopen van de m.e.r.-procedure gekoppeld aan bepaalde in het Besluit m.e.r. opgenomen plannen en besluiten die verbonden zijn aan de eveneens in het Besluit m.e.r. weergegeven activiteiten. Het besluit m.e.r bevat hiertoe bijlagen, waarbij vooral de onderdelen C en D van belang zijn. Onderdeel C beval activiteiten, plannen en besluiten waarvoor het maken van een m.e.r. verplicht is. Activiteiten, plannen en besluiten waarvoor een m.e.r.-beoordeling benodigd is staan in onderdeel D. Voor beide onderdelen worden per activiteit de drempelwaarden beschreven. In artikel 7.2a Wm wordt het doorlopen van de m.e.r.-procedure gekoppeld aan een activiteit waarvoor op grond van artikel 2.8, eerste lid, van de Wet natuurbescherming een passende beoordeling moet worden gemaakt.
Een passende beoordeling hoeft niet opgesteld te worden wanneer op voorhand significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten. Waarom een m.e.r.-beoordeling Ad 1: m.e.r.-plicht vanwege Besluit m.e.r. Voor deze ontwikkeling is gekeken naar activiteiten die een m.e.r.-(beoordelings)plicht kennen. Hierbij is de volgende activiteit gevonden die mogelijk m.e.r.-(beoordelings)plichtig is, te weten: D11.3: De aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein. In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 75 hectare of meer. De beoogde ontwikkeling behelst de herontwikkeling van het voormalige bedrijventerrein van de Greenery Campus van circa 40 hectare. Daarmee blijft dit plan (ruim) onder de drempelwaarden genoemd in onderdeel D11.3. Het plan is daarom niet m.e.r.-plichtig. Op 7 juli 2017 is een wijziging van het Besluit m.e.r. in werking getreden. Eén van de belangrijkste gevolgen van deze wetswijziging is dat de effecten voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst door middel van een vormvrije m.e.r.-beoordeling in beeld moeten worden gebracht. Het maakt daarvoor niet uit of een activiteit onder of boven de D-drempel waarde zit. Omdat de activiteit voorkomt in kolom 1 van de D-lijst dient dus een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden verricht.
Hiertoe is een aanmeldnotitie opgesteld (zie Bijlage 2) op basis waarvan beoordeeld wordt of het noodzakelijk is een milieueffectrapportage op te stellen. Ad 2: Plan-m.e.r.-plicht vanwege passende beoordeling Geconcludeerd kan worden dat voor het opstellen van een plan-m.e.r. als bedoeld in artikel 7.2a Wm geen aanleiding bestaat. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied en ligt op ruime afstand ca. 9 km van gebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen (De Wilck). Het plangebied maakt eveneens geen deel uit van het NatuurNetwerk Nederland (NNN). Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling en de afstand tot beschermde gebieden zijn geen negatieve effecten op de nabijgelegen gevoelige gebieden en Natura 2000-gebieden te verwachten. Ook negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie tijdens de aanleg- en gebruiksfase zijn niet te
29
Urban Logistics Campus A12 (ULC A12) (vastgesteld)
verwachten. Hiertoe zijn AERIUS-berekeningen uitgevoerd. Significante gevolgen kunnen daarom worden uitgesloten. Bij het oordeel of er aanleiding is om de m.e.r.-procedure te doorlopen, kan mede worden betrokken in welke mate er maatregelen kunnen worden getroffen om waarschijnlijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te vermijden of te voorkomen (mitigatie; artikel 7.16 lid 4). Effectbeoordeling In de aanmeldnotitie wordt geconcludeerd dat op basis van de effectbeoordeling zoals beschreven in de aanmeldnotitie er geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu optreden mits de beschreven mitigerende maatregelen worden getroffen. Mogelijke maatregelen om negatieve effecten t.a.v. verkeer en parkeren te mitigeren: Na planrealisatie dient te worden gemonitord of voldoende parkeerplekken aanwezig zijn en dienen indien nodig extra parkeerplaatsen aan te worden gelegd; Om verkeersveiligheidsknelpunten bij het kruispunt N209 – Hoefweg op te lossen zijn aanpassingen aan de infrastructuur tussen het kruispunt met de N209 en het plangebied ULC-A12 nodig. Deze aanpassingen zijn echter plan overstijgend en dienen separaat aan de planontwikkeling van ULC A12 onderzocht te worden; Mogelijke maatregelen om negatieve effecten t.a.v.
externe veiligheid te mitigeren: Zorgen voor een goede vlucht infrastructuur, waarbij meerzijdig, van de bron af gevlucht kan worden; Zorgen dat binnen gebouwen de mechanische ventilatie centraal afgesloten kan worden (via een noodschakelaar); Gerichte risicocommunicatie met bewoners in de omgeving (bijvoorbeeld via NL-Alert); In gebouwen gerichte instructies ophangen die betrekking hebben op het handelingsperspectief bij een incident met gevaarlijke stoffen; Mogelijke maatregelen om negatieve effecten t.a.v. soortenbescherming te mitigeren: Ecologisch werkprotocol opstellen; Buiten het broedseizoen (maart-september) werken of geschikte elementen verwijderen of ongeschikt maken buiten het broedseizoen; In het ecologisch werkprotocol advies opnemen omtrent verlichting en andere verstorende elementen tijdens de werkzaamheden. Tevens alternatieve kraamplaatsen plaatsen voor vleermuizen (dit is reeds gebeurd); Rekening houden met de algemene zorgplicht ten aanzien van algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieënsoorten. Mogelijke maatregelen om negatieve effecten t.a.v.
archeologie te mitigeren: Voorafgaand aan het uitvoeren van de werkzaamheden dient te worden onderzocht wat de mogelijke effecten van de werkzaamheden kunnen zijn op de nog onbekende archeologische waarden in het westelijk deel van het plangebied en dienen waar mogelijk mitigerende maatregelen te worden toegepast. Mogelijke maatregelen om negatieve effecten t.a.v. bodem te mitigeren: Er is een sterke verontreiniging met zink aanwezig in het westen van het plangebied. Door de verontreiniging te saneren, verbeterd de bodemkwaliteit; In het dak van gebouw 6 is asbest aangetroffen. Voorafgaand aan de sloop dienen de asbesthoudende daken te worden gesaneerd door een erkend asbestverwijderingsbedrijf, op deze manier wordt een mogelijk nieuwe verontreiniging in de bodem voorkomen.
30
Urban Logistics Campus A12 (ULC A12) (vastgesteld)
Mogelijke maatregelen om negatieve effecten t.a.v. water te mitigeren: Watervergunning bij het Hoogheemraadschap aanvragen voor een toename aan verharding van ca. 2.891 m2; De benodigde watercompensatie dient te worden gegraven binnen het peilgebied GPG-1007 in de vorm van open water dat in verbinding staat met de bestaande waterstructuur. Binnen het plangebied is hiervoor voldoende ruimte; Werken met niet-uitlogende materialen; Bergende voorzieningen treffen om problemen omtrent capaciteit afvoer hemelwater te ondervangen. Dit kan bijvoorbeeld met waterbergingskratten met vertraagde afvoer. Gebruik van grindkoffers en of helofytenfilters om afstromend hemelwater zoveel mogelijk gescheiden af te voeren; Bij de nieuwe aan te leggen watergangen gebruik maken van natuurvriendelijke oevers; Aanleggen van watergangen combineren met de opgave om het water vast te houden en/of vertraagd af te voeren en/of te hergebruiken. Conclusie In de aanmeldingsnotitie staat niet de ontwikkeling zelf centraal, maar de vraag of de ontwikkeling van ULC A12 belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. De conclusie is dat er geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu optreden mits de beschreven mitigerende maatregelen worden getroffen. Op 21 maart 2023 heeft het college het m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen (zie Bijlage 2).
4.2
Ladder voor duurzame verstedelijking
De Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening. Overheden moeten op grond van het Bro alle nieuwe stedelijke ontwikkelingen motiveren aan de hand van de Ladder. Sinds 1 juli 2017 is de Laddersystematiek in het Besluit ruimtelijk ordening (Bro) gewijzigd. De Ladder is verankerd in artikel 3.1.6. lid 2 Bro en luidt als volgt: 'De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien'. Op grond van artikel 1.1.1 lid 1 onder h van het Bro wordt onder 'bestaand stedelijk gebied' verstaan: “bestaand stedenbouwkundig samenspel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij horende openbare of sociaal-culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur”. Is er sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling (NSO), dan is een plan Ladderplichtig.
Een stedelijke ontwikkeling wordt in artikel 1.1.1 Bro gedefinieerd als een: “Ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijk voorzieningen”. De Ladder is alleen van toepassing op een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarvan is in beginsel sprake als het nieuwe bestemmingsplan meer bebouwing mogelijk maakt, of dat er een functiewijziging van zodanige aard en omvang plaats vindt dat om die reden sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang van een nieuwe stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Het gaat hierbij zowel om fysiek ruimtebeslag als de wijziging of toevoeging van functies. Conclusie
31
Urban Logistics Campus A12 (ULC A12) (vastgesteld)
Er kan worden geconcludeerd dat het plangebied ULC-A12 binnen bestaand stedelijk gebied ligt. Het plangebied is onderdeel van bedrijventerrein Klappolder. In de huidige situatie is bedrijvigheid en logistiek aanwezig en ook het huidige bestemmingsplan “Klappolder” voorziet hierin. Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 29 oktober 2009. Bestemmingsplan “Klappolder” is gericht op een toekomstige functionele ontwikkeling van de veilingterreinen waarbij door veranderingen in de logistiek en vermarkting van agro-gelieerde producten eveneens distributiebedrijven, ondersteunende en dienstverlenende bedrijven zich moeten kunnen vestigen. Op de gronden van het plangebied rust hoofzakelijk de bestemming 'Bedrijventerrein'. De voor 'Bedrijventerrein' aangewezen gronden zijn in artikel 4 bestemd voor onder meer veilingbedrijven, veilinggebonden en veilinggelieerde bedrijven, agrarische hulp- en nevenbedrijven en agro-logistieke bedrijven. Met de vergunde gebruikswijziging, begin 2021, is het gebruik inmiddels gewijzigd naar algemene logistiek. Dit bestemmingsplan voorziet in de revitalisering en herontwikkeling van een bestaand bedrijventerrein (de voormalig Greenery Campus) ten behoeve van (grootschalige) distributie. In de huidige situatie is ca. 194.000 m2 B.V.O. (ca. 19.4 ha.) aan bedrijventerrein aanwezig. Het nieuwe bestemmingsplan voorziet in de uitbreiding met ca. 54.900 m2 B.V.O.
(ca. 5.5 ha.) tot in totaal 248.900 m2 B.V.O. (ca. 24.9 ha). Er is hiermee sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De ladder voor duurzame verstedelijking moet daarom worden onderbouwd. Dit wordt gedaan in de volgende paragrafen. Behoefte De behoefte kan worden aangetoond aan de hand van behoefteramingen. Deze worden vaak in opdracht van provincies op regelmatige basis opgesteld en geactualiseerd. De provincie Zuid-Holland heeft in 2021 de laatste behoefteraming laten opstellen door Stec Groep (Behoefteraming bedrijventerreinen Zuid-Holland, 28 oktober 2021). Deze behoefteraming vormt de basis voor de ladderonderbouwing. Aanleiding De provincie Zuid-Holland streeft naar een vitale, toekomstbestendige bedrijventerreinenmarkt. Dit begint bij een goede balans tussen vraag naar en aanbod van bedrijventerreinen. Daarnaast zet de provincie in op het beter benutten van de ruimte op bestaande bedrijventerreinen en het verduurzamen en voorbereiden van de bedrijventerreinen op de toekomst. Deze drie beleidslijnen staan centraal in de nieuwe bedrijventerreinenstrategie die Zuid-Holland begin 2021 heeft vastgesteld. Een actuele raming van de verwachte ruimtebehoefte aan bedrijventerreinen is hiervoor een belangrijke bouwsteen. Zo vormt de raming bijvoorbeeld input voor nieuwe regionale visies en afspraken over bedrijventerreinen.
Marktgebieden De behoefteraming heeft de ruimtebehoefte aan bedrijventerrein in beeld gebracht voor Zuid-Holland en de regio's MRDH, Holland Rijnland, Midden-Holland en Zuid-Holland Zuid. Het plangebied valt binnen de MRDH, deelgebied Haagse Regio. Bevindingen Voor het marktgebied van ULC-A12 is sprake van een grote kwalitatieve mismatch tussen vraag en aanbod. Enerzijds sluit het aanbod niet voldoende aan bij het type vraag. Dit is het duidelijkst zichtbaar voor de segmenten reguliere bedrijfsterreinen en grootschalige distributie (de vraag overstijgt het beschikbare aanbod ruimschoots). Meer concreet: In marktgebied Haagse Regio is algemeen sprake van een behoefte (tekort) van circa 61 hectare aan bedrijventerreinen, wanneer zowel de uitbreidingsvraag als vervangingsvraag (165 hectare) wordt afgezet tegen het harde planaanbod (105 ha). Ten aanzien van grootschalige distributie is er een tekort aan geschikt aanbod voor dit werkmilieu. Het gaat om een tekort van ruim 36 hectare om de autonome uitbreidingsvraag te faciliteren. Daarin is de additionele vraag, waarvoor de Haagse Regio grote potentie heeft, nog niet meegerekend.
32
Urban Logistics Campus A12 (ULC A12) (vastgesteld)
Met de herontwikkeling en revitalisering in dit bestemmingsplan wordt uitbreiding van ca. 54.900 m2 (bijna 5.5 ha) mogelijk gemaakt. Hiermee vervult dit bestemmingsplan concreet de aanwezige behoefte van circa 61 ha. aan bedrijventerreinen. Gespecifieerd naar werkmilieu (grootschalige distributie) voorziet het plan tevens in een duidelijke behoefte van ruim 36 ha., excl. additionele vraag. Beleid Rijk De beoogde revitalisering is niet in strijd met het Rijksbeleid zoals vastgelegd in de NOVI. Daarnaast sluit het initiatief aan bij het onderzoek van het college van het Collega van Rijksadviseurs (CRA) over de 'verdozing' van Nederland. Eind oktober 2019 heeft het College van Rijksadviseurs (CRA) een onderzoek gepubliceerd m.b.t. de 'verdozing' van het landschap als gevolg van de XXL-logistiek (minder, compacter, geconcentreerder, multifunctioneler). Met haar rapport heeft het CRA het vraagstuk rondom XXL-logistiek geagendeerd, waarbij de clustering op multimodale punten en zorgvuldige inpassing in het landschap uitgangspunten zijn. Het College pleit voor duidelijke keuzes die zowel op provinciaal als nationaal niveau worden vastgelegd. Met behulp van financiële en ruimtelijke kaders en prikkels kan een rem op de groei van het areaal (X)XL logistiek vastgoed worden gezet.
De opbrengsten van een dergelijk beleid kunnen worden gebruikt voor de herontwikkeling en revitalisering van verouderde bedrijventerreinen ('brownfields'). Ook pleit het College voor clustering, omdat dit de kleinste impact op het landschap heeft, zeker wanneer gezorgd wordt voor een goede landschappelijke inpassing en voldoende ruimte tussen de clusters. Clustering is daarnaast efficiënt en maakt het eenvoudiger om voorzieningen (zoals parkeerplaatsen, infrastructuur, etc.) te delen met ander (X)XL-vastgoed of om gebruik te maken van elkaars diensten. Buiten de aangewezen clusterlocaties zouden ontwikkelingen op greenfields verboden moeten worden. Geconcludeerd wordt dat het plan aansluit bij de uitgangspunten van het CRA. Er is sprake van herontwikkeling en revitalisering van een bestaand terrein en er is sprake van clustering en efficiënter ruimtegebruik. Daarnaast voorziet het plan met haar ligging nabij de Rotte in landschappelijke inpassing en ca. 3 ha. natuurcompensatie. Kortom: het plan wordt landschappelijk ingepast en er is geen sprake van nieuw beslag op de ruimte. Provincie De provincie Zuid-Holland zet in haar bedrijventerreinenstrategie in op een aantrekkelijk en toekomstbestendig vestigings- en werkklimaat voor werkgevers, werknemers en bedrijven. Aantrekkelijke en concurrerende bedrijventerreinen spelen hierin een belangrijke rol.
Daarom is de provinciale bedrijventerreinenstrategie geactualiseerd met als doel voldoende geschikte bedrijventerreinen in Zuid-Holland. Een groot deel van de provinciale inzet op bedrijventerreinen zal gelijk blijven. De drie uitgangspunten van het provinciaal bedrijventerreinenbeleid blijven namelijk in stand: 1. Evenwicht in vraag en aanbod; 2. Beter benutten en functioneren van bestaande bedrijventerreinen; 3. Verduurzamen en voorbereiden op de toekomst. De provincie streeft ernaar om voldoende kwalitatief en kwantitatief aanbod te hebben om alle gewenste vraag te kunnen accommoderen. De aanbodkant van bedrijventerreinen kan vergroot worden door middel van twee ingrepen. Dit zijn (1) de bestaande voorraad beter benutten en (2) de realisatie van nieuwe bedrijventerreinen. De provincie wil in eerste instantie de bestaande voorraad aan bedrijventerreinen beter benutten of de huidige plancapaciteit gebruiken; pas daarna is uitleg of uitbreiding aan de orde. Beter benutten is namelijk een ingreep die zowel in hoog- als in laagconjunctuur effectief is en ook ruimtelijk zeer gewenst vanwege de grote ruimtedruk in Zuid-Holland en de provinciale ambitie om het landelijk gebied zoveel mogelijk te behouden. Geconcludeerd wordt dat het plan aansluit bij de bedrijventerreinenstrategie. Het voorziet in: 1.
Evenwicht in vraag en aanbod, mede door het benutten van bestaande plancapaciteit; 2. Beter benutten en functioneren van bestaande bedrijventerreinen (er is sprake van hergebruik en
33
Urban Logistics Campus A12 (ULC A12) (vastgesteld)
revitalisering van een bestaand terrein van de voormalige Greenery); 3. Verduurzamen en voorbereiden op de toekomst (met de functiewijzing komt er een toekomstbestendig gebruik in het gebied). Gemeente De gemeentelijke omgevingsvisie van Lansingerland, getiteld "Lansingerland: verbonden, vindingrijk en gezond" is vastgesteld door de gemeenteraad van Lansingerland op 24 februari 2022. De omgevingsvisie schetst de gewenste ontwikkelingen voor thema's als wonen, werken, recreëren, natuur, duurzaamheid, mobiliteit, cultuurhistorie, ruimtelijke kwaliteit en gezondheid van nu tot in het jaar 2040. De omgevingsvisie identificeert vier kernkwaliteiten, die de huidige sterke punten van de gemeente uitlichten. Dit zijn: Gemoedelijk wonen in de metropool; Gezonde en sterke samenleving; Betrokken ondernemers en vernieuwende wereldspelers; Afwisselend polderlandschap aan de Rotte. Op basis van deze kwaliteiten en opgaven wordt een visie op de toekomst geformuleerd. Er wordt ingezet op een 'verbonden, vindingrijk en gezond Lansingerland in 2040'. Dit omvat een groene, gezonde en (sociaal) duurzame leefomgeving, waar alle inwoners veilig en prettig kunnen wonen, werken, recreëren en zich verplaatsen. Om dat te realiseren is de visie gebaseerd op drie pijlers: Verbonden in de Metropool; Vindingrijk en ondernemend; Gezond samen leven.
Onderhavig plangebied staat binnen de kaart van de pijler "vindingrijk en ondernemend" aangegeven als werklocatie. Voor deze werklocaties ligt de nadruk de komende tijd op het behouden van de kwaliteit van bestaande bedrijventerreinen. Er wordt niet ingezet op de ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen. Hier is onderhavig bestemmingsplan een goed voorbeeld van, aangezien het om de herontwikkeling en revitalisering van een bestaand bedrijventerrein gaat. Conclusie Om de revitalisering en herontwikkeling van de voormalige Greenery Campus mogelijk te maken met dit bestemmingsplan is de ladder voor duurzame verstedelijking onderbouwd. Er wordt geconcludeerd dat het plangebied ULC-A12 binnen bestaand stedelijk gebied ligt. In de huidige situatie is ca. 19.4 ha B.V.O. aan bedrijventerrein aanwezig. Het nieuwe bestemmingsplan voorziet in de uitbreiding met ca. 5.5 ha. B.V.O. tot in totaal ca. 24.9 ha. B.V.O. bedrijventerrein. Er is hiermee sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Het plangebied valt binnen het marktgebied MRDH, deelgebied Haagse Regio. In marktgebied Haagse Regio is algemeen sprake van een behoefte (tekort) van circa 61 hectare aan bedrijventerreinen. Ten aanzien van grootschalige distributie is er een tekort aan geschikt aanbod voor dit werkmilieu. Het gaat om een tekort van ruim 36 hectare om de autonome uitbreidingsvraag te faciliteren.
Met de herontwikkeling en revitalisering in dit bestemmingsplan wordt uitbreiding van ca. 54.900 m2 B.V.O. (bijna 5.5 ha) mogelijk gemaakt. Hiermee vervult dit bestemmingsplan concreet de aanwezige behoefte van circa 61 ha. aan bedrijventerreinen. Gespecifieerd naar werkmilieu (grootschalige distributie) voorziet het plan tevens in een duidelijke behoefte van ruim 36 ha., excl. additionele vraag. Het plan past binnen de beleidskaders van rijk, provincie en gemeente. Het plan voldoet aan de principes van de Ladder voor duurzame verstedelijking.
34
Urban Logistics Campus A12 (ULC A12) (vastgesteld)
4.3
Archeologie
Archeologisch onderzoek In april 2021 heeft Geonius Archeologie in opdracht van Next Level Development een archeologisch bureauonderzoek en een IVO-O verkennende fase door middel van boringen uitgevoerd voor het plangebied Klappolder DC te Bleiswijk (Bijlage 3). Dit onderzoek bestond uit een booronderzoek op een oostelijk deel van het plangebied (geel, zie figuur 7), en het geeft daarnaast een advies over het gehele plangebied op basis van bureaustudie.
Figuur 7: Hele onderzoeksgebied is in rood aangegeven, het door Geonius in 2021 d.m.v. boringen onderzocht terrein is in geel aangeduid.
Archeologische verwachtingswaarden Op de beleidskaart van de Cultuur Historische Atlas van de provincie Zuid-Holland heeft het plangebied geen of een lage kans op het voorkomen van archeologische sporen tussen 0 en 5 m. Hier komen oude zeeafzettingen voor met veen. Vanaf 5 m komen oude stroomgordels en geulafzettingen voor en geldt een hoge kans op het voorkomen van archeologische sporen. Op de kaart 1b archeologische waarden van de CHA Provincie Zuid Holland heeft het door Geonius onderzochte gebied een hoge waarde vanaf het maaiveld (zie fguur 6). Het overige deel heeft pas een hoge waarde dieper dan 5 m –mv.
35
Urban Logistics Campus A12 (ULC A12) (vastgesteld)
Figuur 8: Uitsnede Archeologische waarde kaart CHA provincie Zuid-Holland. Het plangebied is bij benadering middels het blauwe kader weergegeven. Donkerbruin: hoge waarde vanaf maaiveld, bruin hoge waarde dieper 5 m –mv. Bron: CHA provincie Zuid-Holland.
Vooronderzoek In 2008 heeft RAAP het overige deel van het plangebied onderzocht middels een bureau- en een inventariserend veldonderzoek (R.W. de Groot & M. Rietkerk, 2008). Het onderzoek werd uitgevoerd voor het plangebied Veilingterrein te Bleiswijk en omvatte behoudens het hierboven beschreven plangebied ook een gebied dat noordelijk hiervan was gelegen. RAAP heeft in totaal 75 boringen uitgevoerd (zie figuur 9).
36
Urban Logistics Campus A12 (ULC A12) (vastgesteld)
Figuur 9: Boorpuntenkaart RAAP met daarop afgebeeld de loop van de Gouderak• ]stroomgordel. Bron: de Groot, 2008.
Het onderzoek van RAAP heeft aangetoond dat in het grootste gedeelte van het plangebied in de diepere ondergrond inderdaad de Gouderak-stroomgordel voorkomt. Alleen in de zuidoosthoek van het plangebied is deze niet aangetroffen. De loop van de stroomgordel in de ondergrond komt daarmee grotendeels overeen met de loop zoals die op de CHA van Zuid-Holland staat aangegeven. Met name de oeverafzettingen, maar ook de (verzande) geulafzettingen van de Gouderak-stroomgordel waren in het verleden geschikte bewoningslocaties. Op deze afzettingen -waar deze niet zijn geerodeerd door de bovenliggende mariene sedimenten- kunnen dan ook mogelijk nog vindplaatsen uit Mesolithicum en/of Neolithicum worden aangetroffen. Indien hier hei- en/of bouwwerkzaamheden plaatsvinden, die tot in de top van de stroomgordel reiken (2,6 m -Mv/6,4 m -NAP), werd op basis van de uitkomsten van onderhavig onderzoek aanbevolen om voor het deel van het plangebied waar de stroomgordel aanwezig is, een vervolgonderzoek te (laten) uitvoeren. Booronderzoek Het onderzoek van Geonius waarbij 77 boringen zijn uitgevoerd, heeft uitgewezen dat binnen het door Geonius onderzochte gebied twee pakketten aanwezig zijn waarin en waarop in theorie archeologische waarden kunnen worden aangetroffen. Echter, begaanbare of goed begaanbare niveaus zijn er niet in aangetroffen.
Ook zijn er geen archeologische indicatoren aangetroffen die wijzen op archeologische vindplaatsen. Op een niveau rond 1,5 m –mv is geen bodemvorming geconstateerd waaruit geconcludeerd kan worden dat het plangebied vermoedelijk deel uitmaakte van een dynamisch waddengebied. Rond 5 m –mv is de top van een vermoedelijk vooral fluviatiel gevormd pakket aangetroffen en erop en erin lijken geen of geen goed begaanbare niveaus aanwezig te zijn geweest.
37
Urban Logistics Campus A12 (ULC A12) (vastgesteld)
Aangezien in tegenstelling tot wat werd verwacht geen bodemvorming is vastgesteld kon de middelhoge verwachting derhalve worden bijgesteld naar laag. Het advies van Geonius was dan ook om geen archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren en het plangebied vrij te geven voor verdere ontwikkeling. Dit advies is voorgelegd aan het bevoegd gezag de gemeente Lansingerland. Deze heeft het rapport laten beoordelen door haar adviseur en deze heeft het advies onderschreven. Conclusie Het onderzoek van Geonius heeft aangetoond dat in het door Geonius onderzochte gebied waarvoor een hoge waarde geldt vanaf het maaiveld geen archeologische waarden meer worden verwacht. Het overige deel dat deels door RAAP is onderzocht heeft een hoge waarde dieper dan 5 m –mv. Het is onduidelijk of in dit deel van het plangebied nog archeologische waarden voorkomen. De verwachting is dat deze pas dieper dan 5 m –mv zullen voorkomen. De nieuwbouw zal gefundeerd worden op heipalen. Er zullen geen graafwerkzaamheden dieper dan 5 m –mv plaatsvinden. Verstoring van eventueel aanwezige archeologische vindplaatsen zal dus alleen plaatsvinden middels het aanbrengen van heipalen. Omdat er momenteel echter nog geen inzicht in de exacte omvang van de geplande ingrepen bestaat, wordt aanbevolen om pas bij de aanvraag omgevingsvergunning een beslissing te nemen of onderzoek noodzakelijk is en zo ja in welke vorm.
Aanvullende beoordeling In juni 2022 heeft Arcadis het onderzoek van Geonius beoordeeld (Bijlage 4). In die beoordeling komt naar voren dat er een ommissie in het onderzoeksrapport aanwezig was. In het rapport wordt gesteld dat in het deel van het terrein dat enkel door RAAP is onderzocht, de verwachting is dat de archeologische waarden pas op 5 -mv zullen voorkomen. Deze conclusie is niet geheel correct. Het eerdere onderzoek van RAAP geeft aan dat archeologische lagen zich ook al op 2,5 m -Mv kunnen bevinden, en niet enkel 5 m -Mv zoals Geonius veronderstelt. Daarnaast is niet het gehele plangebied tijdens het onderzoek van RAAP onderzocht. De gemeentelijke verwachtingskaart gaat ook uit van een diepte van 2,5 m -Mv. Op basis van het eerdere onderzoek van RAAP en de nota van Geonius is er derhalve onvoldoende onderbouwing over de ligging en diepteligging van mogelijk archeologisch waardevolle lagen binnen het huidige plangebied. Conclusie Het booronderzoek op het oostelijke terrein uit 2021 bevat voldoende informatie als onderbouwing voor het bestemmingsplan. Dit deel van het terrein kan worden vrijgesteld van archeologische waarden.
Om de bescherming van de archeologische waarden voor het overige deel van het terrein te borgen, is in onderhavig bestemmingsplan een dubbelbestemming Waarde - Archeologie voor het plangebied opgenomen, behoudens het oostelijk deel van het plangebied waar het booronderzoek door Geonius heeft plaatsgevonden.
4.4
Ecologie
Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening gehouden te worden met natuurwetgeving. Derhalve is het van belang om na te gaan of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling een negatief effect heeft op de beschermde natuurwaarden. Door de voorgenomen ingreep is mogelijk sprake van negatieve effecten op beschermde soorten of kwalificerende waarden van Natura 2000-gebieden in het kader van de Wet natuurbescherming (hierna Wnb) of effecten op wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland. In november 2020 heeft Econsultancy in opdracht van Next Level een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd (Bijlage 5). De quickscan heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn
38
Urban Logistics Campus A12 (ULC A12) (vastgesteld)
beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Naar aanleiding van de resultaten van de quickscan is er door Econsultancy in november 2021 een nader onderzoek vleermuis, huismus en grote nesten (Bijlage 6) uitgevoerd en is er een memo omtrent het gebruik van vleermuiskasten opgesteld (Bijlage 7). In juni 2022 heeft Econsultancy vervolgens een memo opgesteld met de samenvatting van deze onderzoeken en de gevolgen voor onderhavig bestemmingsplan (Bijlage 8). In november 2022 is door Econsultancy een rapportage opgeleverd inhoudende nader onderzoek naar vleermuizen (Bijlage 9). In juni 2023 is door Econsultancy wederom een overzicht van de voortgang van het ecologisch onderzoek opgeleverd (zie Bijlage 10). Tot slot zijn in maart 2023 stikstofberekeningen naar de bouw-/aanlegfase en gebruiksfase uitgevoerd door Antea Group om de effecten op Natura 2000-gebieden te onderzoeken (Bijlage 11).
4.4.1
Gebiedsbescherming
In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen op vanuit natuurwetgeving beschermde gebieden. In de quickscan Wet natuurbescherming is beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder is beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen. Natura 2000 De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura-2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, "De Wilck", bevindt zich op circa 9,0 kilometer afstand ten noorden van de onderzoekslocatie (zie figuur 10).
Figuur 10: Ligging onderzoekslocatie (wit omkaderd) ten opzichte van Natura 2000 (lichtblauw).
De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect. Externe effecten als gevolg van licht, trilling en geluid door de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden, niet te verwachten. Externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn vanwege de sloop en nieuwbouw op voorhand niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van stikstof wordt
39
Urban Logistics Campus A12 (ULC A12) (vastgesteld)
noodzakelijk geacht. Natuurnetwerk Nederland De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie ligt ook niet in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 1,1 kilometer ten zuidoosten van de onderzoekslocatie. In figuur 11 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.
Figuur 11: Ligging onderzoekslocatie (wit omkaderd) ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland (oranje).
Gelet op artikel 6.24 van de omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland uit 2019 worden beperkingen opgelegd vanuit het kader van het Natuurnetwerk Nederland wanneer deze gelegen zijn in het Natuurnetwerk Nederland, of deel uitmaken van de strategische reservering van natuur. Beide vereisten zijn niet van toepassing op de onderhavige onderzoekslocatie. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk Nederland wordt niet noodzakelijk geacht. Houtopstanden De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. De bomen op de onderzoekslocatie vallen niet onder de definitie houtopstanden, als bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming. De houtopstand op de onderzoekslocatie betreft wegbeplanting/ beplantingen langs waterwegen/ eenrijige beplanting langs landbouwgronden, bestaande uit wilgen. Voor deze houtopstand geldt geen meldingsplicht en herplantplicht. Indien de bomenrij ten noorden van de onderzoekslocatie gekapt gaat worden, vallen de te kappen bomen onder artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming, waardoor een meldingsplicht geldt voorafgaand aan de kap.
Tevens draagt de rechthebbende zorg voor de herbeplanting van dezelfde grond binnen drie jaar na het vellen van de houtopstand. Indien de herbeplanting van dezelfde grond binnen drie jaar na het vellen van de houtopstand gerealiseerd wordt, is er geen ontheffing van artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming benodigd. De kapmelding dient te worden ingediend bij de provincie Zuid-Holland. Mocht het niet mogelijk zijn om op dezelfde grond te herbeplanten dient een ontheffing aangevraagd te
40
Urban Logistics Campus A12 (ULC A12) (vastgesteld)
worden voor artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Het betreft een ontheffing voor het herbeplanten op andere grond. Een ontheffing kan verleend worden, indien de herbeplanting voldoet aan de gestelde regels. Conclusie Externe effecten op het meest nabijgelegen Natura-2000 gebied kunnen niet op voorhand uitgesloten worden. Om te onderzoeken of er negatieve effecten optreden als gevolg van eventuele stikstofdepositie, zijn AERIUS berekening uitgevoerd voor de bouw-/aanlegfase en de gebruiksfase (zie paragraaf 4.4.3). Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland worden geen bezwaren verwacht. Indien het vellen van beschermd houtopstand aan de orde is, geldt er een meldingsplicht voor de beschermde houtopstand en dient de herbeplanting van dezelfde grond binnen drie jaar na het vellen van de houtopstand gerealiseerd te worden. Het is ook mogelijk om te herplanten op een andere locatie. Voor deze compensatie dient een ontheffing te worden aangevraagd.
4.4.2
Soortenbescherming
Quickscan Wet natuurbescherming In de quickscan is in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of voortplantingsplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel 1. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningtrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel 1: Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen
41
Urban Logistics Campus A12 (ULC A12) (vastgesteld)
Conclusie Op basis van onderhavige quickscan Wet natuurbescherming dient voor uitvoering van de plannen middels aanvullend veldonderzoek duidelijkheid te worden verkregen omtrent de aan- of afwezigheid van nestlocaties van de huismus en roofvogels en verblijfplaatsen van gebouwbewonende en boombewonende vleermuizen. Verder dient er voor de uitvoering van de plannen in een ecologisch werkprotocol de werkwijze vastgesteld te worden voor de aangetroffen en de te verwachten (beschermde) diersoorten: rugstreeppad en algemene vissoorten. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van vliegroutes van vleermuizen is te vermijden als de watergangen rondom de onderzoekslocatie bij de herinrichting functioneel en duurzaam
42
Urban Logistics Campus A12 (ULC A12) (vastgesteld)
behouden blijft. Hierbij dient rekening gehouden te worden met verstorende verlichting tijdens de bouwfase en eindfase. Indien het niet mogelijk is om de watergang duurzaam te behouden, zal aanvullend onderzoek noodzakelijk zijn om de daadwerkelijke functie van het gebied voor vleermuizen te kunnen vaststellen. Ten aanzien van algemene broedvogels kunnen overtredingen worden voorkomen door rekening te houden met het broedseizoen of door voorafgaand aan de werkzaamheden een controle op broedgevallen uit te voeren. Het wordt geadviseerd om materiaalopslag en snoeiafval pas te verwijderen buiten het broedseizoen van broedvogels. Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht ten aanzien van algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieënsoorten. Nader onderzoek vleermuis, huismus en grote nesten Het nader onderzoek is opgedeeld in twee fasen, in verband met de meerjarige doorlooptijd en verschillende startmomenten van de geplande ingreep (zie figuur 12).
Het nader onderzoek van fase 1 heeft betrekking op de woningen en bedrijfspanden (nummer 4, 6 en 7) met bijbehorende bomenrijen aan de noord- en zuidzijde van het perceel. Op het akkerland (nummer 5) en het bestrate oppervlak (nummer 1) zijn beschermde functies voor soorten planten en dieren tijdens de quickscan uitgesloten, hier heeft daarom geen nader onderzoek plaatsgevonden. Dit nader onderzoek is afgerond in 2021. Het nader onderzoek van fase 2 heeft betrekking op de panden 2 en 9. Dit nader onderzoek is uitgevoerd van mei tot oktober 2022. Nummer 3 en 8 zijn niet nader onderzocht. Hieronder worden de resultaten van het nader onderzoek fase 1 toegelicht.
Figuur 12: Fasering voorgenomen ingreep. Fase 1 is weergegeven in paars, fase 2 in blauw (afbeeldingsbron: Next Level).
Huismus Tijdens de onderzoeksrondes naar verblijfplaatsen en essentieel leefgebied van huismussen zijn geen
43
Urban Logistics Campus A12 (ULC A12) (vastgesteld)
huismussen waargenomen op de onderzoekslocatie of in de directe nabijheid hiervan. Er zijn geen roepende huismussen waargenomen in de dakgoten van de woningen. Op basis van de onderzoeksresultaten kan redelijkerwijs worden uitgesloten dat de onderzoekslocatie een beschermde functie vervult voor huismussen. Roofvogels Tijdens de eerste ronde, op 3 mei 2021, is gebleken dat de drie grote nesten in de buurt van de woningen op de onderzoekslocatie in gebruik waren door eksters. De nesten in de groenstrook aan de noordzijde van de onderzoekslocatie waren in gebruik door kraaien. Tijdens deze ronde zijn geen roofvogels waargenomen op of om de onderzoekslocatie. Tijdens de overige drie rondes zijn tevens geen roofvogels waargenomen. Op basis van deze resultaten kan redelijkerwijs worden uitgesloten dat de onderzoekslocatie een beschermde functie vervult voor de sperwer, ransuil, havik of buizerd. Gebouwbewonende vleermuizen Tijdens de avondronde op 20 mei 2021, in de zomer- en kraamperiode, zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen waargenomen. Wel zijn er circa 8 foeragerende gewone dwergvleermuizen waargenomen boven de watergang aan de zuidzijde van de onderzoekslocatie en 2 foeragerende gewone dwergvleermuizen in de tuinen van de woningen in het noordwesten van de onderzoekslocatie.
Tijdens de avondronde op 10 juni 2021, in de zomer- en kraamperiode, zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen waargenomen. Er is wel activiteit van gewone dwergvleermuis waargenomen, bij de watergangen en in de tuinen van de woningen op de onderzoekslocatie. Tijdens de ochtendronde op 1 juli 2021, in de zomer- en kraamperiode, zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen waargenomen. Er was weinig vleermuisactiviteit gedurende de ronde, ondanks de gunstige weersomstandigheden. Er zijn enkel een paar overvliegende en kort foeragerende vleermuizen waargenomen. Tijdens de avondronde op 23 augustus 2021, in de paarperiode, is één paarverblijfplaats van de ruige dwergvleermuis waargenomen. Een ruige dwergvleermuis liet paarroepjes horen vanuit de noordgevel van de woning op de onderzoekslocatie met huisnummer 80. Tijdens de avondronde op 15 september 2021, in de paarperiode, is naast de paarverblijfplaats die al was waargenomen tijdens de ronde op 23 augustus 2021, nog één paarverblijfplaats van een ruige dwergvleermuis waargenomen. In de zuidgevel van het meest oostelijke gebouw, boven de laadsluizen, was een ruige dwergvleermuis te horen die paarroepjes liet horen. Deze hele zuidgevel is geschikt voor verblijfplaatsen van vleermuizen.
44
Urban Logistics Campus A12 (ULC A12) (vastgesteld)
Figuur 13: Schematische weergave van de onderzoekslocatie en de omgeving, met verblijfplaatsen van vleermuizen zoals vastgesteld in het inventarisatieseizoen 2021.
Conclusies nader onderzoek Huismus en roofvogels Door de aangetoonde afwezigheid van beschermde functies van de huismus en van roofvogels op en nabij de onderzoekslocatie, is overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van deze soorten niet aan de orde. Gebouwbewonende vleermuizen Bij de voorgenomen sloopwerkzaamheden op de onderzoekslocatie is, zonder het nemen van maatregelen, mogelijk sprake van vernieling van twee paarverblijfplaatsen (en mogelijk twee individuele winterverblijfplaatsen) van de ruige dwergvleermuis. Omdat verstoring of beschadiging van individuen of hun verblijfplaatsen niet op voorhand te voorkomen is, vindt overtreding plaats van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de ruige dwergvleermuis. De werkzaamheden zijn daarmee ontheffingsplichtig ten aanzien van deze soort. De watergang ten zuiden van de onderzoekslocatie wordt gebruikt als foerageergebied door vleermuizen. Door in het activiteitenplan en het ecologisch werkprotocol advies op te nemen omtrent verlichting en andere verstorende elementen tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie kan worden voorkomen dat het foerageergebied negatieve gevolgen zal ondervinden van de voorgenomen ingreep. Broedvogels Tijdens de veldbezoeken zijn nesten van kauwen, kraaien, eksters, zwarte roodstaart en scholekster waargenomen op de onderzoekslocatie.
De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd als ze in gebruik zijn. Vanwege de aanwezigheid van deze broedvogels dient er buiten het broedseizoen (maart-september) gewerkt te worden, of dienen geschikte elementen verwijderd of ongeschikt gemaakt
45
Urban Logistics Campus A12 (ULC A12) (vastgesteld)
te worden buiten het broedseizoen. Tot slot dient te allen tijde rekening gehouden te worden met de algemene zorgplicht ten aanzien van in het wild levende dieren en planten. Activiteitenplan (voor ontheffingsaanvraag) In het ecologisch activiteitenplan is aangegeven hoe er omgegaan kan worden met de beschermde natuurwaarden die zijn aangetroffen op de onderzoekslocatie tijdens het nader onderzoek. In dit rapport wordt onder andere aangegeven welke tijdelijke en permanente maatregelen getroffen moeten worden om de aangetroffen vleermuisverblijfplaatsen te kunnen behouden. Zo wordt beschreven hoe de vleermuizen voorafgaand aan de ingreep verjaagd kunnen worden, en hoe er in de nieuwe situatie weer permanent verblijfplaatsen gerealiseerd worden. Ook wordt beschreven in welke periode van het jaar gewerkt kan worden, hoe om te gaan met algemene broedvogels, en hoe de positieve staat van instandhouding van de soorten geborgd wordt tijdens de ingreep. Middels dit ecologisch activiteitenplan is door Econsultancy een ontheffingsaanvraag Wet natuurbescherming ingediend bij de provincie Zuid-Holland. In het ecologisch activiteitenplan wordt aangegeven hoe er omgegaan kan worden met de beschermde natuurwaarden die zijn aangetroffen op de onderzoekslocatie tijdens het nadere onderzoek.
Memo vleermuiskasten Tijdens de ingreep zijn tijdelijke vervangende verblijfplaatsen gerealiseerd voor de twee aangetroffen paarverblijven van ruige dwergvleermuizen in fase I (tabel 2). De acht tijdelijke zomer-/paarkasten die gelden als passende compensatie zijn opgehangen op 11 mei 2021. De alternatieve verblijfplaatsen hebben hun gewenningstijd reeds doorlopen. Tabel 2: Overzicht van aangetroffen verblijfplaatsen in het onderzoeksgebied en de gerealiseerde tijdelijke alternatieve verblijfplaatsen
Nader onderzoek vleermuis (fase 2) Het aanvullend ecologisch onderzoek (zie bijlage 9) is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen herontwikkeling (sloop en nieuwbouw) van de onderzoekslocatie en naar aanleiding van de resultaten van de quickscan Wet natuur-bescherming die Econsultancy in november 2020 op de onderzoekslocatie heeft uitgevoerd. De voorgenomen werkzaamheden worden ontheffingsplichtig geacht ten aanzien van de gewone dwerg-vleermuis in het kader van de Wet natuurbescherming vanwege: Artikel 3.5, lid 2 en 4 van de Habitatrichtlijn ten aanzien van het opzettelijke verstoren en beschadigen en vernielen van: o 1 kraamverblijfplaats en;
46
Urban Logistics Campus A12 (ULC A12) (vastgesteld)
1 paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis. Om een ontheffing voor soorten te krijgen in het kader van de Wet natuurbescherming is het van belang een activiteitenplan (zie hierboven) op te stellen waarin mitigatie en compensatie van de functies die verloren gaan worden opgenomen. De ontheffingsprocedure bedraagt 20 weken (inclusief verlengingstermijn) vanaf het indienen van de ontheffingsaanvraag met het activiteitenplan. In het kader van de zorgplicht is het daarnaast van belang om zorg te dragen voor op de projectlocatie voorkomende soorten en soorten die door de werkzaamheden negatieve effecten kunnen ondervinden. Het gaat hierbij om algemene broedvogels, algemene grondgebonden zoogdieren en algemene amfibieënsoorten. Daarnaast wordt geadviseerd vleermuisvriendelijke verlichting te gebruiken tijdens de werkzaamheden en in de permanente situatie. Op deze manier worden de in de buurt foeragerende en passerende vleermuizen niet onnodig verstoord. Bovenstaande maatregelen kunnen worden vastgelegd in het ecologisch werkprotocol dat tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden benodigd is.
Conclusie en vervolg Op basis van het aangetroffen ecologische waarden tijdens het nader onderzoek en de geadviseerde werkwijzen en compensatie/mitigatie in het ecologisch activiteitenplan, wordt verwacht dat beschermde natuurwaarden van de voorgenomen werkzaamheden in fase I behouden kunnen blijven, en dat het plan vergunbaar is. Uit fase II blijkt dat een ontheffing moet worden aangevraagd voor de dwerg-vleermuis. In juli 2022 is een kraamverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis aangetroffen in het pand. Hiervoor is reeds compensatie aanwezig in de vorm van vier tijdelijke kraamkasten in de directe omgeving sinds 11 mei 2021. In juli 2023 wordt de ontheffing aangevraagd voor het (tijdelijk) verwijderen van het kraamverblijf en de paarverblijfplaats. In de nieuwe situatie zullen in overmaat geschikte openingen voor kraamverblijven worden ingebouwd in de nieuwbouw. De tijdelijke kraamkasten die tijdens de ingreep dienst kunnen doen als vervangende verblijfplaats hebben hun gewenningsperiode reeds doorlopen. Het is daarom redelijkerwijs aan te nemen dat de benodigde ontheffing van de Wet natuurbescherming, op basis van een op maat gemaakt ecologisch activiteitenplan, zal worden gegund. Zolang aan de compenserende- en mitigerende maatregelen wordt voldaan, zijn er vanuit het aspect ecologie geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkelingen.
4.4.3
Stikstof
Op 24 oktober 2023 zijn er voor de voorgenomen herontwikkeling van de ULC A12 twee stikstofdepositieberekingen uitgevoerd, één voor de bouw-/aanlegfase en één voor de gebruiksfase (zie Bijlage 11). Voor de berekening is de AERIUS Calculator (versie 2023) gebruikt. De Aerius-Calculator is een rekenprogramma om de verspreiding van stoffen in de lucht te simuleren. Daarnaast berekent het model hoeveel van die stoffen per hectare terechtkomt (depositie). De stikstofdepositie in de gebruiksfase wordt bepaald door de emissie van de industrie en het verkeer. Om het effect van de bestemmingsplanwijziging in beeld te brengen, zijn de emissies van de plansituatie vergeleken met de emissies in de referentiesituatie. Naar verwachting is de herinrichting van het terrein in 2025 gereed. Het eerste volledige jaar na ingebruikname is dan 2026, wat daarmee ook het jaar is dat in de berekeningen is gehanteerd als rekenjaar. Resultaten Verschilberekening bouwfase Uit de verschilberekening uitgevoerd met AERIUS Calculator (versie 2023.0.1) blijkt dat er geen toename van stikstofdepositie groter dan 0,00 mol N per hectare per jaar plaatsvindt.
47
Urban Logistics Campus A12 (ULC A12) (vastgesteld)
Verschilberekening gebruiksfase Uit de verschilberekening uitgevoerd met AERIUS Calculator (versie 2023.0.1) blijkt dat er geen toename van stikstofdepositie groter dan 0,00 mol N per hectare per jaar plaatsvindt. Conclusie Met behulp van AERIUS Calculator is het verschil bepaald tussen de referentiesituatie en het plan, en de realisatie van het plan. Uit de verschilberekeningen met AERIUS blijkt dat er geen toename wordt berekend groter dan 0,00 mol N per hectare per jaar voor zowel de gebruiksfase als de bouwfase. Significante gevolgen op enig Natura 2000-gebied kunnen voor wat betreft stikstofdepositie worden uitgesloten. Stikstofdepositie vormt geen belemmering voor verdere besluitvorming.
4.5
Water
In juni 2023 heeft Antea Group in het kader van voorliggend bestemmingsplan een watertoets opgesteld (Bijlage 12). Naar aanleiding van wijzigingen in het Masterplan was er een behoefte om de waterparagraaf aan te passen naar de nieuwe situatie en de ambities voor het thema klimaatadaptatie in de waterparagraaf te borgen. Watertoets Het watertoetsproces is een belangrijk instrument om het waterbelang in ruimtelijke plannen en besluiten te waarborgen. Het gaat daarbij om alle waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijkswateren, regionale wateren en grondwater. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerders (in dit geval het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard en de gemeente Lansingerland) in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek brengt. Het plangebied bestaat uit een oostelijk en westelijk deel. In het oostelijk deel is de herontwikkeling van dit gebied in realisatie, hiervoor is een vergunning verleend en heeft Waterfeit Adviseurs op 8 juli 2021 al een watertoets uitgevoerd. In de watertoets wordt het westelijk deel getoetst, maar aangezien oost en west gezamenlijk onderdeel zijn van het bestemmingsplan wordt het plangebied in haar totaliteit beoordeeld.
48
Urban Logistics Campus A12 (ULC A12) (vastgesteld)
Figuur 14: Het onderzoeksgebied (witte stippellijn), inclusief het eerder onderzochte oostelijke deel (gele kleur); de rest van het plangegebied wordt in deze paragraaf aangeduid als westelijk deel.
Oostelijk deel Uit de watertoets die in juli 2021 is uitgevoerd voor het oostelijke deel kwamen de volgende conclusies: Dempen/graven In de watertoets zijn conclusies getrokken met betrekking tot het dempen van een watergang. Dit maakt echt geen onderdeel meer uit van het plan. Aanvullende waterberging 1. Om de versnelde afstroming van hemelwater vanaf verharde oppervlakken op te kunnen vangen, zal extra waterberging gerealiseerd moeten worden. Vooralsnog is er vanuit gegaan dat dit in de vorm van extra vierkante meters wateroppervlak wordt gerealiseerd. De hoeveelheid benodigde aanvullende waterberging voor de uitbreiding van verhard oppervlak wordt door het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard berekend aan de hand van een maatgevende buienreeks en de toelaatbare peilstijging in het gebied. In de meeste gevallen komt dit neer op een oppervlak tussen 5 en 20% van het netto toegevoegde verhardingsoppervlak. In het onderhavige plan is hiervoor een waarde bepaald van 10%. 2. In de bestaande situatie is het terrein onbebouwd. De toename van verhard oppervlak bestaat uit in totaal 49.585 m2 verharde oppervlakken waarvan 36.570 m2 dakvlak. 3. Wanneer de uitbreiding volledig wordt gecompenseerd door middel van graven van water dient de watergang aan de oostzijde van het plangebied met gemiddeld ca. 14 meter extra worden verbreed.
Eventueel kan een deel van de compensatie in alternatieve berging worden gerealiseerd. 4. Er is op 13 januari 2022 een vergunning verleend door het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard voor het aanbrengen van verhard oppervlak, het graven van een hoofdwatergang, het verplaatsen van een duiker met peilregulerende functie, het dempen van een hoofdwatergang en het wijzigen van het waterpeil ter plaatse van de Klappolder 1 in Bleiswijk. Deze vergunning bleek bij nader inzien echter niet uitvoerbaar. In overleg met de ontwikkelende partij gezocht naar een alternatieve oplossing. Dit heeft geleid tot: a. Extra verharding van in totaal 52.900 m2; b. De bestaande hoofdwatergang is ca. een meter verlegd; c. Als compensatiemaatregel voor de toename aan verharding is de bestaande overige watergang, parallel aan de hoofdwatergang, verbreedt;
49
Urban Logistics Campus A12 (ULC A12) (vastgesteld)
d. Er is geen watergang gedempt, er is geen duiker verplaatst en het waterpeil is niet gewijzigd. Onderstaande afbeelding toont de nieuwe situatie.
Nieuwe situatie met watergangen
Huidige situatie Het maaiveld van het gehele plangebied bevindt zich tussen NAP -4,90 m en NAP -3,90 m. Verder bestaat de ondergrond ter plaatste van de werklocatie tot ca. NAP -14 m uit een Holocene deklaag. De Holocene deklaag bestaat uit afwisselende lagen van zand, klei en veen. Vanwege de heterogene bodemopbouw van de Holocene deklaag zijn hier geen doorlatendheden bekend. Ook de grondboringen uit het DINOloket tonen aan dat de (bovenlaag van) de grond voornamelijk uit klei met afwisselend lagen veen bestaat. Op basis van een isohypsen kaart uit 2019 op Grondwatertools bevindt de grondwaterstand zich ter plaatse van het plangebied tussen ca. NAP -5,00 m en NAP -5,50 m. In de directe omgeving zijn meerdere open bodemenergiesystemen, en grondwateronttrekkingen aanwezig. De grondwateronttrekkingen liggen voornamelijk ten zuiden van het plangebied. De open bodemenergiesystemen liggen ten noorden op een afstand van ca. 500 m van het plangebied. Op basis van de “Strategisch zoet grondwater (indicatief)” kaart van de provincie Zuid-Holland ligt het plangebied in een “Strategisch zoet grondwater” gebied. Het plangebied ligt tevens in bemalingsgebied “Polder Bleiswijk” in peilgebied GPG-1007. Om het plangebied heen liggen verschillende hoofdwatergangen. In het oosten van het plangebied ligt de boezem genaamd de Rotte.
Ten oosten en ten zuiden van het plangebied ligt een drukleiding. Op basis van de legger van Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard ligt ten oosten en tenwesten van het plangebied een regionale waterkering. Toekomstige situatie Gehele plangebied In de nieuwe situatie bestaat het gehele plangebied (inclusief oostelijk deel) uit een verhard oppervlak van ca. 329.140 m². Het verharde oppervlak bestaat uit verschillende bedrijfsruimten en wegen. Het onverhard oppervlak betreft ca. 42.812 m². Verhard en onderhard gebied tezamen is daarmee circa 37 ha. De verdeling van verhard en onverhard is in tabel 3 weergegeven. Hierbij is onderscheid gemaakt in de huidige en toekomstige situatie. Over het gehele plangebied is er een totale toename aan verhard oppervlak van ca. 64.314 m². Volgens de Keur van Hoogheemraadschap Schieland en de Krimpenerwaard moet bij een toename van verharding van meer dan 500 m2, een vergunning moet worden aangevraagd. Tabel 3: Toekomstige verdeling verhard en onverhard geheel plangebied
50
Urban Logistics Campus A12 (ULC A12) (vastgesteld)
Westelijk deel Het westelijk deel van het plangebied heeft een oppervlak van ca. 283.955 m². De verdeling van verhard en onverhard is in tabel 4 weergegeven. Hierbij is onderscheid gemaakt in de huidige en toekomstige situatie. Het verhard oppervlak neemt toe met ca. 2.891 m². Volgens de Keur van Hoogheemraadschap Schieland en de Krimpenerwaard moet bij een toename van verharding van meer dan 500 m² een vergunning worden aangevraagd. Tabel 4: Toekomstige verdeling verhard en onverhard westelijk deel
Watercompensatie te graven oppervlaktewater in westelijk deel plangebied Het hoogheemraadschap heeft aangegeven dat er in het plangebied een compensatie eis geldt van 6%. De toegenomen vierkante meters verhard oppervlak moeten worden terug gegraven als openwater. Dit resulteert in een totaal benodigde watercompensatie van 174 m². De benodigde watercompensatie dient te worden gegraven binnen het plangebied. Kan dat niet, dan kan er in overleg met het Hoogheemraadschap gekeken worden of en waar dit in het betreffende peilgebied GPG-1007 gerealiseerd kan worden. In dit peilgebied is er een flexibel waterpeil van NAP -5,80 m tot NAP -5,70 m. Dit moet in de vorm van open water dat in verbinding staat met de bestaande waterstructuur. Vuil- en hemelwater In de NVU heeft het hoogheemraadschap aangegeven dat het geen extra afvalwater op het rioolstelstel wenst. De rioolcapaciteit is hiervoor niet groot genoeg. Voor hemelwater heeft het hoogheemraadschap de wens dat het op het perceel wordt vastgehouden en hergebruikt. Door de grote hoeveelheid hemelwater dat wordt geloosd krijgt het omliggende watersysteem nu al problemen. Voor het aansluiten van de nieuwe bebouwing op de bestaande, aanwezige riolering moet een rioleringsplan worden opgesteld. De afspraken/regels over aansluitingen op het openbaarstelsel moeten worden afgestemd met de rioleur van de gemeente Lansingerland.