[T23.06409] Logistics Campus A12 (ULC A12) AANGEPAST MET GELE ARCERING, (blz 1078)
Tekst van het document
Bestemmingsplan “Urban Logistics Campus A12 (ULC A12)”
21 december 2023
Vastgesteld
Gemeente Lansingerland Bestemmingsplan “Urban Logistics Campus (ULC A12)”
Vasgesteld
INHOUD: -
TOELICHTING PLANREGELS VERBEELDING
Identificatiecode: NL.IMRO.1621. BP0219-VAST Werknummer: 30114049 Datum: 21 december 2023
Adviesbureau Arcadis Procedureoverzicht
Gemeente Lansingerland Team Omgevingsrecht
datum Concept Voorontwerp • Inspraak • Overleg
10 maart 2023 30 maart 2023
Ontwerp
15 juni 2023
Vaststelling
21 december 2023
document 1e concept 2e concept
Opmerkingen Belangrijkste aanpassingen
Verwerking Nota vooroverleg en ambtshalve wijzigingen Verwerking Nota zienswijzen en ambtshalve wijzigingen
Urban Logistics Campus A12 (ULC A12)
Urban Logistics Campus A12 (ULC A12) (vastgesteld)
Inhoudsopgave
Vaststellingsbesluit
7
Toelichting
9
Hoofdstuk 1
Inleiding
9
1.1
Aanleiding
9
1.2
Situering plangebied
9
1.3
Vigerend bestemmingsplan
10
1.4
Planopzet en leeswijzer
12
Hoofdstuk 2
Planomschrijving
13
2.1
Huidige situatie
13
2.2
Toekomstige situatie
14
Hoofdstuk 3
Beleidskader
18
3.1
Rijksbeleid
18
3.2
Provinciaal beleid
20
3.3
Gemeentelijk beleid
27
Hoofdstuk 4
Milieu- en omgevingsaspecten
29
4.1
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling
29
4.2
Ladder voor duurzame verstedelijking
31
2
Urban Logistics Campus A12 (ULC A12) (vastgesteld)
4.3
Archeologie
35
4.4
Ecologie
38
4.5
Water
48
4.6
Bodem
54
4.7
Asbest
57
4.8
Geluid
58
4.9
Luchtkwaliteit
60
4.10 Externe veiligheid
64
4.11 Ontplofbare oorlogsresten
68
4.12 Bedrijven en milieuzonering
69
4.13 Bezonning
76
4.14 Stedenbouwkundige inpassing
78
4.15 Verkeer en parkeren
81
4.16 Kabels en leidingen
86
4.17 Duurzaamheid
87
Hoofdstuk 5
Planopzet
89
5.1
Inleiding
89
5.2
Plansystematiek
89
5.3
Bestemmingen
90
5.4
Gebiedsaanduidingen
92
Hoofdstuk 6
Uitvoerbaarheid
93
6.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
93
6.2
Economische uitvoerbaarheid
94
Bijlagen bij de toelichting
97
Bijlage 1
Masterplan
98
Bijlage 2
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling
123
Bijlage 3
Bureau- en verkennend archeologisch onderzoek
161
3
Urban Logistics Campus A12 (ULC A12) (vastgesteld)
Bijlage 4
Beoordeling archeologisch onderzoek
175
Bijlage 5
Quickscan Wet natuurbescherming
179
Bijlage 6
Nader onderzoek vleermuis, huismus en grote nesten
216
Bijlage 7
Memo vleermuiskasten
235
Bijlage 8
Samenvatting ecologische onderzoeken 2022
239
Bijlage 9
Nader onderzoek vleermuis
247
Bijlage 10
Samenvatting ecologische onderzoeken 2023
265
Bijlage 11
Stikstofdepositieberekening
277
Bijlage 12
Watertoets
312
Bijlage 13
Indicatief bodem- en asbestonderzoek
332
Bijlage 14
Asbest onderzoeken
563
Bijlage 15
Memo Geluid
703
Bijlage 16
Deelonderzoek Luchtkwaliteit
713
Bijlage 17
Externe veiligheid
867
Bijlage 18
Briefrapportage ontplofbare oorlogsresten
890
Bijlage 19
Milieuzoneringsadvies
897
Bijlage 20
Bezonningsstudie bouwhoogte 16,5 meter
908
Bijlage 21
Bezonningsstudie bouwhoogte 25 meter
910
Bijlage 22
Verkeerstoets
922
Bijlage 23
Kabels en Leidingen
956
Bijlage 24
Participatielogboek
997
Bijlage 25
Nota vooroverleg
1053
Bijlage 26
Nota zienswijzen
1065
Regels Hoofdstuk 1
1077 Inleidende regels
1078
Artikel 1
Begrippen
1078
Artikel 2
Wijze van meten
1084
4
Urban Logistics Campus A12 (ULC A12) (vastgesteld)
Hoofdstuk 2
Bestemmingsregels
1085
Artikel 3
Bedrijventerrein
1085
Artikel 4
Groen
1090
Artikel 5
Verkeer
1092
Artikel 6
Water
1093
Artikel 7
Leiding - Gas
1094
Artikel 8
Leiding - Water
1096
Artikel 9
Waarde - Archeologie 6
1098
Artikel 10
Waterstaat - Waterkering
1100
Hoofdstuk 3
Algemene regels
1101
Artikel 11
Anti-dubbeltelregel
1101
Artikel 12
Algemene bouwregels
1102
Artikel 13
Algemene gebruiksregels
1103
Artikel 14
Algemene aanduidingsregels
1104
Artikel 15
Algemene afwijkingsregels
1105
Artikel 16
Algemene wijzigingsregels
1106
Artikel 17
Algemene procedureregels
1108
Hoofdstuk 4
Overgangs- en slotregels
1109
Artikel 18
Overgangsrecht
1109
Artikel 19
Slotregel
1110
Bijlage bij de regels
1111
Bijlage 1
1112
Staat van Bedrijfsactiviteiten
5
Urban Logistics Campus A12 (ULC A12) (vastgesteld)
6
Urban Logistics Campus A12 (ULC A12) (vastgesteld)
Vaststellingsbesluit
7
Urban Logistics Campus A12 (ULC A12) (vastgesteld)
Toelichting Hoofdstuk 1
1.1
Inleiding
Aanleiding
Bleiswijk Development B.V. is voornemens om het voormalige terrein van de Greenery Campus, aan de Klappolder in Bleiswijk, te herontwikkelen en te revitaliseren tot een modern regionaal toekomstbestendig logistiek opslagcentrum; Urban Logistics Campus A12 (afgekort ULC A12). Op 23 juni 2020 is hier de kick-off voor geweest met de gemeente Lansingerland. Deze bespreking was ten behoeve van de beoogde verwerving van het Greenery-terrein en de gewenste aanpassing van het vigerende bestemmingsplan “Klappolder” welke voor Bleiswijk Development B.V. een ontbindende voorwaarde was voor de voorgenomen aankoop. Bleiswijk Development B.V. heeft het college van B&W van de gemeente Lansingerland destijds verzocht om medewerking te verlenen aan de revitalisering van het bedrijfsterrein van de ULC A12. Deze toezegging is gedaan. Begin 2021 is het agro-logistieke gebruik gewijzigd naar algemene (reguliere) logistiek gebruik. Volgende stap is om te komen tot een aangepast bestemmingsplan voor het voormalige Greenery terrein. Hierin wordt de (gefaseerde) herontwikkeling van het terrein mogelijk gemaakt. Echter één groot project (bedrijfsgebouw 5 op de ULC A12) zal ontwikkeld worden op basis van het bestaande bestemmingsplan. Hiervoor is in oktober 2021 de bouwvergunning verleend.
Om de overige projecten toekomstbestendig te kunnen ontwikkelen en te realiseren is voorliggend bestemmingsplan opgesteld.
1.2
Situering plangebied
Het plangebied betreft het voormalige terrein van de Greenery Campus, dat geheel omsloten wordt door de Hoefweg en Klappolder. Het plangebied ligt aan de noordzijde van de gemeente Lansingerland en is direct langs de N209 en nabij de A12 gelegen. De ULC A12 maakt tevens onderdeel uit van het bedrijventerrein Klappolder. Aan de noord-, oost- en zuidzijde wordt het plangebied omgeven door verschillende bedrijfspanden. Zo bevinden zich aan de noordzijde van het plangebied diverse niet-agrarische bedrijfspanden en aan de zuidzijde enkele tuindersbedrijven. Aan de oostzijde is het plangebied direct gelegen aan het recreatiegebied Bleiswijkse Zoom, dat gelegen is langs de rivier De Rotte. Op circa 100 meter afstand ten westen van het plangebied liggen de dichtsbijzijnde gronden met een woonbestemming; hier zijn tevens verspreid gelegen bedrijven gesitueerd. Tevens is de plaats Bleiswijk op circa 500 meter afstand gelegen. Het plangebied is op onderstaande kaart aangegeven met een rode omlijning.
9
Urban Logistics Campus A12 (ULC A12) (vastgesteld)
Figuur 1: Ligging plangebied.
1.3
Vigerend bestemmingsplan
In de huidige situatie geldt in het gehele plangebied het bestemmingsplan "Klappolder", vastgesteld door de gemeenteraad van Lansingerland op 29 oktober 2009.
Figuur 2: Vigerend bestemmingsplan
De gronden waarop de herontwikkeling is voorzien hebben een enkelbestemming, te weten:
10
Urban Logistics Campus A12 (ULC A12) (vastgesteld)
Bedrijventerrein Groen Verkeer Kantoor Water Dubbelbestemminng Archeologie Gebiedsaanduiding 'Veiligheidszone - Leiding' Voor een aantal bestemmingen geldt dat de voorgenomen herontwikkeling niet binnen de geldende bestemming past. Bedrijventerrein De voor 'bedrijventerrein' aangewezen gronden zijn bestemd voor onder meer: specifiek voor veilingbedrijven, veilinggebonden en veilinggelieerde bedrijven, agrarische hulp- en nevenbedrijven en agro-logistieke bedrijven. Voor zover op de kaart binnen de bestemming tevens de functie-aanduiding "waterberging" is aangegeven, zijn de gronden voor ten minste 10% van de oppervlakte van het in de functie-aanduiding begrepen gebied bestemd voor waterberging. Voor zover op de kaart tevens de bestemming "Waarde - Archeologie" is gegeven zijn de gronden primair bestemd voor het behoud van de potentieel aanwezige oudheidkundige waarden en is daarbij het bepaalde in artikel 13 van toepassing. Milieuzonering In nadere bestemmingsregels is aangeven dat de betreffende functies binnen de bestemming zijn gezoneerd en dat binnen de onderscheiden zones bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan zoals op de verbeelding aangegeven. Voor het projectgebied geldt grofweg de volgende verdeling: Milieuzone I voor het uiterst westelijke deel van het projectgebied. Hier zijn bedrijven uit milieucategorie 1 en 2 toegestaan.
Milieuzone II voor de randen van het projectgebied, aan de zuid- en oostzijde. Hier zijn bedrijven uit milieucategorie 1, 2 of 3 toegestaan. Milieuzone III voor het centrale deel van het projectgebied. Hier zijn bedrijven uit milieucategorie 1, 2, 3 of 4 toegestaan. Kantoor Binnen de toegestane bestemmingen zijn uitsluitend bedrijfsgebonden kantoren toegestaan, waarbij de bedrijfskantoren per bedrijf ten hoogste 50% van de bedrijfsvloeroppervlakte per bedrijf mag bedragen tot een maximum van 3.000 m² per bedrijf. Verder gelden er verschillende bouwregels. Gebouwen moeten binnen het bouwvlak worden gesitueerd en de bouwhoogte is voor het grootste deel gemaximeerd op 16,5 m. Alleen in het uiterste westen van het plangebied is de bouwhoogte beperkt tot 10 m. Via binnenplanse afwijking bestaat de mogelijkheid om de voorgeschreven bouwhoogte te verhogen tot 20 maximaal meter over ten hoogste 20% van het bebouwingsvlak voor een bouwperceel, indien dit voor een doelmatige bedrijfsvoering/-uitoefening noodzakelijk is. Omgevingsvergunningenbuitenplanse afwijkingen bestemmingsplannen Inmiddels zijn via twee verleende omgevingsvergunningen voor afwijken van het bestemmingsplan mogelijkheden geboden voor ten eerste het realiseren van een logistiek bedrijventerrein en ten tweede voor het realiseren van een nieuwbouwontwikkeling aan de oostzijde van het plangebied (locatie "spruitjesveld").
11
Urban Logistics Campus A12 (ULC A12) (vastgesteld)
Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is niet mogelijk op basis van het voorliggende bestemmingsplan. Het gaat daarbij met name om de bouwhoogten en de situering van de bouwvlakken. Daarom is het voorliggende bestemmingsplan opgesteld, waarin tevens de beide omgevingsvergunningen voor afwijken zijn meegenomen.
1.4
Planopzet en leeswijzer
1.4.1
Planopzet
Het bestemmingsplan bestaat formeel uit twee onderdelen: een verbeelding (NL.IMRO.1621.BP0219-) waarop de bestemmingen van het plangebied zijn weergegeven. Deze bestemming is gerelateerd aan de planregels. de planregels waarin het gebruik van de binnen het plangebied aangegeven gronden en bouwwerken juridisch is geregeld. Deze regels zijn conform de 'Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012' (SVBP2021) zoveel mogelijk gestandaardiseerd (o.a. volgorde, indeling, benaming, begripsbepalingen, overgangsbepalingen en de slotbepaling). Deze twee onderdelen dienen in samenhang te worden bekeken en zijn juridisch bindend. Het bestemmingsplan gaat vergezeld met een toelichting waarin de aan het plan ten grondslag liggende gedachten en de verantwoording als bedoeld in artikel 3.1.6. Bro zijn opgenomen.
1.4.2
Leeswijzer
Hoofdstuk 2 beschrijft het plangebied de ULC A12 en geeft een beschrijving van de toekomstige situatie. Hoofdstuk 3 beschrijft, voor zover relevant, in hoofdlijnen de beleidsdocumenten die door de te onderscheiden overheden zijn gepubliceerd. Deze beleidsdocumenten vormen het planologisch kader voor zowel rijks-, provinciaal, regionaal als gemeentelijk niveau van onderhavig bestemmingsplan. In hoofdstuk 4 wordt op diverse milieu- en omgevingsaspecten ingegaan. Hoofdstuk 5 gaat in op de juridische regeling van het bestemmingsplan en in hoofdstuk 6 worden zowel de economische als maatschappelijke uitvoerbaarheid beschreven.
12
Urban Logistics Campus A12 (ULC A12) (vastgesteld)
Hoofdstuk 2
2.1
Planomschrijving
Huidige situatie
Het plangebied beslaat het voormalige terrein van de Greenery Campus, gelegen in de gemeente Lansingerland. Het plangebied is rechthoekig en maakt onderdeel uit van het bedrijventerrein Klappolder in Bleiswijk. Het totale projectgebied heeft een omvang van circa 40 hectare, het totale plangebied is circa 37 ha groot. Op moment van schrijven is ongeveer 33 hectare in eigendom van Next Level en de overige 7 hectare in eigendom van firma's GLP (4 hectare) en Loonie Propco Bleiswijk Coöperatieve U.A. (3 hectare). Houweling Klappolder B.V. en Loonie Propco Bleiswijk Coöperatieve U.A. worden in plannen niet meegenomen in de herontwikkeling van het Urban Logistics Campus A12. Het plangebied heeft één centrale toegangsweg aan de Hoefweg/N209, waar de interne verkeersstructuur aan verbonden is. De verkeersstructuur wordt gekenmerkt met brede wegprofielen en veel ruimte voor verkeer en parkeren. Het huidige plangebied bestaat uit verschillende logistieke gebouwen, ondersteunende kantoren en bedrijven. Op het meest oostelijke perceel is inmiddels een nieuw gebouw (gebouw 5) gerealiseerd op basis van een reeds verleende omgevingsverunning. Het totale projectgebied heeft een omvang van ca. 37 ha. De aanwezige gebouwen hebben een oppervlak van ca. 194.000 m2 bvo.
De ruimtelijke structuur is op dit moment eenvoudig, met gebouwen die voornamelijk uit rechthoekige, volumineuze bouwmassa's bestaan of bedrijfshallen tot een hoogte van maximaal 16,5 meter, met uitzondering van een hoogteaccent van maximaal 25 meter aan de zijde van de Hoefweg. Aan de zijde van de Rotte is vanwege van de hier aanwezige molenbiotoop een maximale bouwhoogte van 10 meter toegelaten. Tevens zijn er ondersteunende kantoren en bedrijven aanwezig met een kleinschaligere uitstraling. Een deel van de aanwezige gebouwen op het terrein is gedateerd, zowel op het gebied van bebouwing als ruimtelijke inrichting en uitstraling. Het plangebied is relatief extensief gebouwd (laag bebouwingspercentage). Figuur 3 geeft de globale ligging van het plangebied weer.
13
Urban Logistics Campus A12 (ULC A12) (vastgesteld)
Figuur 3: Plangebied
2.2
Toekomstige situatie
Next Level is voornemend het verouderde bedrijventerrein te herontwikkelen tot een toekomstbestendige, duurzame en regionale bedrijvencampus: Urban Logistics Campus A12. Het einddoel is om uiteindelijk een compact, modern en duurzaam logistieke bedrijventerrein te realiseren met kansen voor werkgelegenheid en de A12-corridor. De ambitie voor deze herontwikkeling luidt dan ook: "een duurzaam toekomstbestendig bedrijventerrein realiseren met aandacht voor nieuwe ontwikkelingen in de logistiek en nieuwe ontwikkelingen op het gebied van duurzaamheid en energiezuinig bouwen. Tevens wordt het uitgangspunt gehanteerd dat er ingezet gaat worden op het optimaal en flexibel gebruik van de gronden en opstallen van het bedrijventerrein als logistiek centrum". In het algemeen wordt er in het behoud van de ruimtelijke identiteit waarde gehecht aan het versterken van de volgende structuren: De maat, schaal en groene uitstraling van de zone met eerstelijnsbebouwing langs de N209. De leesbaarheid van de horizontale slagen met watergangen en boomstructuren tussen de verschillende bedrijventerreinen. De maat, schaal en groene overgang naar het landschap van het natuurrecreatiegebied van de Rotte. Om die ontwikkeling vorm te geven is een Masterplan opgesteld (zie Bijlage 1). Dit Masterplan is in september 2022 door de gemeenteraad van Lansingerland vastgesteld.
14
Urban Logistics Campus A12 (ULC A12) (vastgesteld)
Figuur 4: Masterplan
Nieuwbouw Om deze ambitie te behalen zal circa 150.000 m2 van de bestaande gebouwen gesloopt worden om vervangen te worden door nieuwbouw. De reststromen van de sloop van deze gebouwen moet zoveel mogelijk leiden tot hergebruik van de materialen zodat er bovengemiddeld duurzame nieuwbouw gecreëerd wordt. De uiteindelijke nieuwbouw zal voornamelijk bestaan uit grote rechthoekige gebouwen, waarbij het kleurgebruik moet aansluiten bij de bebouwing die al op het bedrijventerrein aanwezig is. De nieuwbouw zal een rustige uitstraling krijgen. De locaties van de kantoorruimte zijn herkenbaar aan de afwijkende gevelbewerking met glas, waarvan de gevelindeling doorloopt over alle lagen. De voorgevel van het hoofdvolume is het visitekaartje van het gehele bedrijventerrein Klappolder en vraagt een aanvullende beeldkwaliteit en herkenbaarheid. Groenvoorzieningen Door middel van een groene buffer zullen de aanwezige groenvoorzieningen opgewaardeerd worden. De groene buffer moet in de toekomst voorkomen dat de ULC A12 het uitzicht van het aangrenzende recreatiegebied beperkt. Dit houdt in dat er speciale aandacht geschonken gaat worden aan de overgang van het bedrijventerrein naar de landschappelijke omgeving en het recreatiegebied van de Rotte.
Ook worden de bestaande watergangen en waterpartijen deels verbreed en vergroot zodat het gebied zich kan ontwikkelen tot een aantrekkelijker leefmilieu voor biodiversiteit waar tevens regenwater tijdelijk vastgehouden kan worden en een oplossing kan bieden voor hittestress. Ook is een voorwaardelijke verplichting opgenomen om 85% van de oeverlengte van watergangen in te richten als natuurvriendelijke oevers. Tevens zal er aandacht geschonken worden aan de inpassing voor groen aan het hekwerk tussen de ontsluitingsweg en de terreinen van de verschillende bedrijven, aan de gevel bij de opgangen en de kantoorruimte en waar mogelijk ook op het dak. Verkeer Gezien de gunstige ligging is het noodzakelijk dat de bereikbaarheid van het bedrijventerrein nog meer verbeterd wordt zodat er voldoende capaciteit ontstaat voor de verkeersstructuren. Bij de herontwikkeling
15
Urban Logistics Campus A12 (ULC A12) (vastgesteld)
van het bedrijventerrein zal ook de huidige infrastructuur duurzaam verbeterd worden, voor zowel autoals fietsverkeer. Het is belangrijk dat alle verkeersstromen zoveel mogelijk gescheiden worden van elkaar. Zo zal het entreegebied Klappolder / Hoefweg aangepast worden, waarbij er een veiligere situatie ontstaat tussen autovoertuigen en het langzame verkeer. Parkeren Parkeren dient in de toekomstige situatie op eigen terrein gefaciliteerd te worden. Waar mogelijk wordt parkeren in de nieuwbouwplannen geïntegreerd door de toepassing van maximaal tweelaags parkeren op parkeerdecks boven de docks. De entrees (opgangen) naar de parkeerdecks zijn evenredig verdeeld over de langsgevel van de bedrijfsbebouwing, waarbij elke entree opgang duidelijk herkenbaar is vanaf de toegangsweg en wordt eenduidig gecombineerd met de positionering van het bedrijfslogo van het bedrijf. Aan de zijde van de Rotte (oostrand) is er geen sprake van gestapeld parkeren.
Figuur 5: Parkeren boven laaddocks
Tevens wordt in de toekomstige situatie gekeken naar de mogelijkheden om de parkeernorm te verlagen vanwege actuele ontwikkelingen in de logistiek. Dit wordt echter nog onderzocht in een later stadium. Next Level heeft ook de wens om op het voorterrein van het bedrijventerrein een parkeerplaats aan te leggen ter behoeve van vrachtauto's. Als uitgangspunt wordt een parkeernorm gehanteerd van circa 0,5/100 m2 BVO. Ruimtelijke uitgangspunten Voor de voorgenomen ontwikkeling heeft zowel Next Level als de gemeente Lansingerland een aantal ruimtelijke en juridische kaders ontwikkeld. Als uitgangspunt geldt dat de basis gebouw opzet uit zoveel mogelijk geschakelde bouwmassa bestaat omdat dit de verhuurflexibiliteit naar gebruikers vergroot en tevens zorgt voor een duurzame bezetting van de gebouwen, inclusief een goede samenwerking teweegbrengt tussen partijen in het gebouw. Modulaire units Uit onderzoek is gebleken dat de ULC A12 meer levensloop bestendig blijkt als de units een mix bedragen van modulair opgezette ruimte, variërend van circa 7500 m2,, 10.000 m2, 15.000 m2 en 20.000 m2. Belangrijk is dat deze modulaire units geschakeld zijn zodat ook verschillende ruimtebehoeftes afgedekt worden. Daarbij bedraagt de ideale stramienmaat binnen het gebouw te verdelen in vakken van 22,8 x 12 meter.
In de optimale gebouwopzet dient rekening gehouden te worden met een stramienmaat van 22,8 meter vlakverdeling (of een restmaat van 17,1 meter) aan de voorgevel of 12 meter aan de zijgevel. Daarnaast is gebleken dat interne logistieke systemen geoptimaliseerd worden als logistieke gebouwen voorzien worden van een diepte tussen de 100 en maximaal 140 meter. In de toekomstige situatie dienen tevens de bouwvlakken en bouwhoogten opgerekt te worden vanwege schaarste omdat er regionaal een beperkt aanbod van beschikbare bouwkavels is terwijl de vraag sterk stijgt. Gebouwen dienen met elkaar verbonden te worden ter hoogte van de expeditiezone (gelegen in het
16
Urban Logistics Campus A12 (ULC A12) (vastgesteld)
midden of achterzijde van het gebouw middels deuren van minimaal 5 meter hoog). Deze hoogte wordt ook aangehouden onder de mezzanine zodat materiaal zich ook onder de mezzanine kan voortbewegen. Gebouwen mogen maximaal 10 meter respectievelijk 16,5 meter hoog worden, met uitzondering van één hoogteaccent van maximaal 25 meter aan de zijde van de Hoefweg alleen indien er sprake is van noodzaak en dit niet te koste gaat van een goede omgevingskwaliteit. Laaddocks Wanneer de ULC A12 voorzien wordt van een stramienmaat van 22,8 meter, kan de ULC A12 voorzien worden van laaddocks. Kantoorprojectie De ULC A12 wordt in de basis voorzien van circa 3% kantoorprojectie, waarbij de mogelijkheid bestaat om dit percentage naar behoefte uit te breiden op de mezzanine. Inschatting personeelsbestand per vierkante meter In de uitgangspunten is bepaald, op basis van drie verschillende bedrijfssoorten, wat het aantal medewerkers per vierkante meter bedraagt. Grove kerngetallen hierbij zijn: Logistiek generiek: circa 3 - 7 mederwerkers per 1000 m2 Groothandel/supermarkt/productie: circa 6 - 9 medewerkers per 1000 m2 (shifts) E-commerce: circa 10 - 15 medewerkers per 1000 m2 (shifts) Om de ULC A12 meer inclusief te ontwikkelen zullen er een aantal functies toegevoegd worden voor zowel de bedrijven als de medewerkers zelf, zoals bedrijfsondersteunende voorzieningen.
Buitenterrein De terreinen dienen bij voorkeur per bouwblok apart afgeschermd te worden zodat bedrijven een juiste beveiligingsschil kunnen opzetten. Om deze reden dienen de stromen in en rondom de gebouwen ook zoveel mogelijk gescheiden te worden van het openbare gebied. Uit het programma van eisen is gebleken dat het wenselijk is om 2-inrichtingswegen in te richten om zowel de hoofdontsluiting goed te verdelen als de transportbewegingen in het gebied zo kort mogelijk te maken. Er dient een goede ontsluiting gerealiseerd te worden met verkeersarme verbindingsroutes voor langzaamverkeer en aparte gecontroleerde inritten per deelontwikkeling. Gezond leef- en werkklimaat Wat betreft een gezond leef- en werkklimaat dient de voorgenomen ontwikkeling bij te dragen aan de volgende uitganspunten: Bijdrage aan het voorkomen / verminderen van hittestress Bijdrage aan het voorkomen / verminderen van droogtestress Bijdrage aan het voorkomen / verminderen van waterstress Rekening houden met de afkoppeling van HWA Robuust eigen hemelwatersysteem (7 mm bui, 30 mm bui en 60 mm bui) Toepassen van groen Veilige leef- en werkomgeving (sociaal en verkeer) Prettige leef- en werkomgeving (verblijfskwaliteit, maat en schaal en groen)
17
Urban Logistics Campus A12 (ULC A12) (vastgesteld)
Hoofdstuk 3
Beleidskader
3.1
Rijksbeleid
3.1.1
Nationale omgevingsvisie
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De Nationale Omgevingsvisie brengt middels een toekomstperspectief op 2050 de langetermijnvisie van het Rijk op de inrichting en ontwikkeling van de Nederlandse leefomgeving in beeld. Met de NOVI kan het Rijk inspelen op de grote uitdagingen die er voor Nederland liggen. Steden die groeien en veranderen, het aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering en de overgang naar een duurzame en circulaire economie; diverse trends en ontwikkelingen hebben invloed op onze leefomgeving. Deze trends en ontwikkelingen bieden kansen, maar vragen ook zorgvuldig te kiezen voor slimme combinaties van functies en uit te gaan van specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden, want zowel de boven- als ondergrondse ruimte is een schaars goed. De NOVI geeft richting en helpt om deze keuzes te maken. In Nederland zijn er een aantal dringende maatschappelijke opgaven, die niet apart van elkaar kunnen worden opgelost, maar in samenhang bekeken moeten worden. Op het niveau van nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven aan de omgeving van Nederland. De Nationale Omgevingsvisie richt zich daarbij op vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
Ruimte maken voor klimaatverandering en energietransitie. De economie van Nederland verduurzamen en het groeipotentieel behouden. Steden en regio's sterker en leefbaarder maken. Het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen.
ad 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland is in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust. Het land moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering, zoals zeespiegelstijging, wateroverlast, hogere rivierafvoeren en langere perioden van droogte. Om in te spelen op deze gevolgen van klimaatverandering, is er vraag naar maatregelen in de leefomgeving, bijvoorbeeld voldoende ruimte en groen voor wateropslag in onze steden. Door hierop in te zetten, biedt het kansen voor de natuur, maar verbeterd het ook tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit. Daarnaast heeft Nederland in 2050 een duurzame energievoorziening. Deze energievoorziening vraagt ruimte, voor onder andere zonnepanelen en windturbines. Het Rijk zet zich ook in voor het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal. ad 2. Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een circulaire, duurzame, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050, waarmee het zijn positie kan handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Hiervoor is een goede verbinding via weg, lucht, spoor, water, digitale netwerken en een nauwe samenwerking met internationale partners nodig.
Het Rijk zet in op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life: een leefomgeving die de inwoners volop voorzieningen biedt op het gebied van bewegen, wonen, recreëren, ontspannen en ontmoeten. Hierbij is het belangrijk dat de Nederlandse economie, duurzaam, concurrerend en circulair wordt, oftewel toekomstbestendig. Het Rijk zet daarbij in op het gebruik van duurzame energiebronnen en op de verandering van productieprocessen, zodat Nederland niet langer afhankelijk is van eindige, fossiele bronnen. ad 3. Onze steden en regio's leefbaarder maken Nederland versterkt het Stedelijk Netwerk Nederland en is deze verder aan het uitbreiden, waarbij de richting van verstedelijking wordt gekoppeld aan die van de ontwikkeling van (OV-) infrastructuur. Wonen
18
Urban Logistics Campus A12 (ULC A12) (vastgesteld)
en werken worden zoveel mogelijk in elkaars nabijheid ontwikkeld in de regio's waar de vraag is. Goede verbindingen tussen de stedelijke regio's zijn nodig om het netwerk als geheel te benutten. Door het Rijk wordt een integrale verstedelijkingsstrategie voor duurzame stedelijke ontwikkeling gehanteerd, waarbij verstedelijking geconcentreerd plaatsvindt in de regio. Bij de invulling van integrale verstedelijkingsstrategieën op regionale schaal wordt ingezet op een voorkeursvolgorde voor de ontwikkeling van nieuwe woon- en werklocaties. Deze volgorde wordt ook gehanteerd als groei in nietstedelijk gebied moet plaatvinden. Het Rijk richt de leefomgeving zo in dat deze een actieve, gezonde leefstijl en maatschappelijke participatie bevordert en het aanbod en de kwaliteit van groen in de stad versterkt. Daarbij worden regio's en steden klimaatbestendig ingericht. ad 4. Het landelijk gebied toekomstbestendigontwikkelen Nederland zet in op het verbeteren van de balans tussen de kwaliteit van landschap en landgebruik, water, lucht en bodem. Dit betekent dat ontwikkelingen in het landelijk gebied niet ten koste gaan van landschappelijke kwaliteiten en dat landgebruik in balans wordt gebracht met natuurlijke systemen. Het landgebruik dient meer afgestemd te worden op zoetwatergebruik- en beschikbaarheid.
Door een voorkeursvolgorde regionaal waterbeheer wordt ingezet op het voorkomen van tekorten en wateroverlast. Het Rijk maakt een vitaal en duurzaam voedsel- en landbouwsysteem mogelijk, dat zich baseert op natuurinclusiviteit en kringlopen. De biodiversiteit wordt versterkt en beschermt en het natuurlijke kapitaal wordt op een duurzame wijze benut. Het Rijk zet hierbij in op het beschermen en versterken van de unieke landschappelijke kwaliteiten. Nieuwe ontwikkelingen in het landelijk gebieden voegen kwaliteiten toe aan het landschap, waarbij het omgevingsbeleid landschapsinclusief wordt. Om beleidskeuzes op een voorspelbare en heldere wijze te maken, worden er door de NOVI drie afwegingsprincipes gehanteerd, die helpen bij het prioriteren van de diverse opgaven en belangen: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Afwentelen wordt voorkomen.
Figuur 6: Afwegen met de NOVI
De uitvoering van de NOVI vraagt om nieuwe manieren van samenwerken met blijvende, brede, maatschappelijke betrokkenheid en inzet van overheden. Hierbij hanteert het NOVI vier uitgangspunten: We werken als één overheid, samen met de samenleving. We stellen de opgave(n) centraal. We werken gebiedsgericht. We werken permanent en adaptief aan de opgaven. Relatie met het voorliggend plan
19
Urban Logistics Campus A12 (ULC A12) (vastgesteld)
De ontwikkeling die met dit bestemmingplan mogelijk wordt gemaakt, past binnen het ruimtelijke beleid van het Rijk dat in de NOVI is vastgelegd. Door aandacht voor nieuwe ontwikkelingen in de logistiek, het creëren van werkgelegenheid in de regio en door in te zetten op nieuwe ontwikkelingen op het gebied van duurzaamheid en energiezuinig bouwen, draagt de voorgenomen ontwikkeling bij aan de regionale economie en voegt het kwaliteiten toe ten opzichte van de huidige situatie. Daarmee sluit onderhavig plan goed aan op de twee eerstgenoemde prioriteiten van de NOVI: "Ruimte maken voor klimaatverandering en energietransitie" en "De economie van Nederland verduurzamen en het groeipotentieel behouden". Er is met name sprake van het beter benutten en opwaarderen van de bestaande ruimte. Ook worden er meerdere functies gecombineerd (b.v. bedrijventerrein, energieopwek of groen en wateropvang) wat goed aansluit bij het eerstgenoemde afwegingsprincipe "Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies".
3.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
De nationale belangen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte die juridische borging vragen, zijn opgenomen in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). De AMvB is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen en provinciale inpassingsplannen en zorgt voor sturing en helderheid van deze belangen vooraf. Met het Barro geeft het Rijk aan dat ingezet wordt op zuinig ruimtegebruik, bescherming van kwetsbare gebieden en bescherming van het land tegen overstroming en wateroverlast. In het Barro staat aan welke regels (rijksbelangen) de gemeenten en provincies zich moeten houden, bijvoorbeeld bij het opstellen van een bestemmingsplan. In het verlengde van het Barro is ook de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) van kracht. Relatie met het voorliggend plan Onderhavig plan brengt geen nationale belangen in het geding.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Omgevingsvisie Zuid-Holland
De Provinciale Omgevingsvisie (POVI) van Zuid-Holland is aanvankelijk vastgesteld in 2019, na enkele herzieningen en daaropvolgende consolidaties, dateert de laatste versie nu van 15 maart 2022. De POVI biedt een strategische blik op de lange termijn voor de gehele fysieke leefomgeving en bevat de hoofdzaken van het te voeren integrale beleid van de provincie. De omgevingsvisie vormt samen met de omgevingsverordening (zie paragraaf 3.2.2) en het omgevingsprogramma het provinciale omgevingsbeleid. Het omgevingsbeleid beschrijft hoe de provincie werkt aan een goede leefomgeving, welke plannen daarvoor zijn, welke regels daarbij gelden en welke inspanningen de provincie daarvoor levert. De omgevingsvisie stelt zeven vernieuwingsambities op die als stip op de horizon dienen voor toekomstige ontwikkelingen. 1. Samen werken aan Zuid-Holland: inwoners, organisaties en bedrijven in een vroeg stadium betrekken bij besluiten. 2. Bereikbaar Zuid-Holland: efficiënt, veilig en duurzaam over weg, water en spoor. 3. Schone energie voor iedereen: op zoek naar schone energie, haalbaar en betaalbaar voor iedereen. 4. Een concurrerend Zuid-Holland: diversiteit, de economische kracht van Zuid-Holland. 5. Versterken natuur in Zuid-Holland: een aantrekkelijk landelijk gebied draagt bij aan de kwaliteit van de leefomgeving. 6.
Sterke steden en dorpen in Zuid-Holland: versnellen van de woningbouw met behoud van ruimtelijke en sociale kwaliteit. 7. Gezond en veilig Zuid-Holland: beschermen en bevorderen van een gezonde, veilige leefomgeving.
20
Urban Logistics Campus A12 (ULC A12) (vastgesteld)
Vooral de ambitie "Een concurrerend Zuid-Holland" is van belang voor onderhavig bestemmingsplan. Een concurrerend Zuid-Holland De Zuid-Hollandse economie bevindt zich in een omvangrijk vernieuwingsproces. Er zijn drie thema’s die de verandering van onze economie aanjagen: energietransitie, circulariteit en digitalisering. Het vermogen om snel op deze ontwikkelingen in te spelen is bepalend voor de concurrentiekracht. Daarnaast blijft de provincie met haar partners bouwen aan een aantrekkelijk vestigingsklimaat door te zorgen voor voldoende en kwalitatief goede werklocaties (kantoren, bedrijventerreinen, woon/werklocaties), woonruimte, woon-werkverbindingen, een goede beroepsbevolking, een gezonde leefomgeving, goede biodiversiteit, recreatieve voorzieningen en cultureel erfgoed. Onderhavig bestemmingsplan draagt bij aan het vestigingsklimaat, door de versterking van een hoogwaardig bedrijventerrein mogelijk te maken. De nieuwbouw wordt zo duurzaam mogelijk gebouwd, gebruik makend van de materialen die vrij komen bij de sloop van de bestaande gebouwen. Daarnaast wordt op de daken van deze nieuwbouw de ruimte gereserveerd voor duurzame initiatieven als energieopwekking via zonnepanelen. Beleidskeuzes De zeven ambities zijn verder uitgewerkt in een groot aantal beleidskeuzes die naar thema (b.v. "Geluidhinder" of "Digitaal Zuid-Holland") ingedeeld zijn.
Elke beleidskeuze is voorzien van een aanleiding, motivering provinciaal belang en een toelichting. De onderstaande beleidskeuzes zijn van belang voor onderhavig bestemmingsplan. Circulair Zuid-Holland De economische kracht van Zuid-Holland is afhankelijk van enorme hoeveelheden grondstoffen en energie. Steeds meer van die grondstoffen worden schaars en beginnen zelfs op te raken. Tegelijkertijd is er veel verspilling, waardoor we onnodig waarde verloren laten gaan. De provincie wil een volledige circulaire economie in Zuid-Holland bereiken in 2050 met als tussendoel 50% reductie van (primaire) materialen in 2030. De provincie zet daarbij in op de transitiethema’s Bouw, Kunststoffen, Groene grondstoffen & Voedsel en Maakindustrie. Onderhavig bestemmingsplan past goed binnen deze beleidskeuze omdat de nieuwbouw die mogelijk gemaakt wordt grotendeels circulair gebouwd wordt, omdat zo veel mogelijk gebruik gemaakt wordt van de materialen die vrij komen bij de sloop van de bestaande gebouwen. Concurrerende en toekomstbestendige bedrijventerreinen De provincie streeft naar een kwantitatief en kwalitatief evenwicht in vraag en aanbod van bedrijventerreinen op regionaal en bovenregionaal schaalniveau en een optimale benutting van bedrijventerreinen.
Daarbij wordt ingezet op beter benutten en duurzaam functioneren van bestaande bedrijventerreinen en op het behoud van voldoende ruimte voor bedrijven in hogere milieucategorieën / milieuzones en watergebonden bedrijven. Onderhavig bestemmingsplan past goed binnen deze beleidskeuze omdat het bestaande bedrijventerrein verduurzaamd wordt en van extra kwaliteit wordt voorzien. Efficiënt en duurzaam goederenvervoer met meerwaarde Het vervoer van goederen dient zo efficiënt en schoon mogelijk plaats te vinden en bij te dragen aan economische ontwikkeling, leefbaarheid en bereikbaarheid. De provincie wil vervoersmodaliteiten en goederenstromen duurzaam en in samenhang met ruimtelijke ontwikkelingen organiseren en uitwerken, van stedelijke en regionale distributie tot multimodale (inter)nationale corridors. Onderhavig bestemmingsplan sluit aan bij deze beleidskeuze omdat het de realisatie van een duurzaam logistiek bedrijventerrein mogelijk maakt, en tegelijkertijd kwaliteit toevoegt aan de omgeving, in de vorm van een groene buffer.
21
Urban Logistics Campus A12 (ULC A12) (vastgesteld)
Energietransitie in de gebouwde omgeving De provincie wil de transitie naar een energie-efficiënte samenleving bevorderen, zodat op termijn duurzaam en CO2-neutraal wordt voorzien in de energiebehoefte. Bestaande bebouwing wordt gereed gemaakt voor de energietransitie. En nieuwbouw (woningen én overige gebouwen) hoort energie neutraal of energie leverend te worden uitgevoerd. Onderhavig bestemmingsplan past goed binnen deze beleidskeuze. Zo is er een voorwaardelijke verplichting opgenomen om op de daken van nieuwbouw energieopwekkende voorzieningen te plaatsen, zoals zonnepanelen. Naar alle waarschijnlijkheid levert de energie van de zonnepanelen meer energie op dan het terrein zelf nodig heeft dus wordt er gekeken in hoeverre ook de omgeving hiervan kan profiteren door te leveren aan andere bedrijven of met een elektrisch laadstation voor personen- en vrachtverkeer in de lintzone. Tevens worden er ambities gesteld om een bijdrage te leveren aan het voorkomen en verminderen van hittestress. Relatie met voorliggend plan Onderhavig bestemmingsplan past goed binnen de richtinggevende kaders die de provincie Zuid-Holland stelt in deze omgevingsvisie. De (her)ontwikkeling die met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt past goed binnen het ruimtelijk beleid dat uitgezet wordt in deze POVI.
Het sluit vooral goed aan bij ambitie 3: "Schone energie voor iedereen" en ambitie 4: "Een concurrerend Zuid-Holland". Daarnaast sluit het plan goed aan op het viertal hierboven genoemde beleidskeuzes.
3.2.2
Omgevingsverordening Zuid-Holland
Het provinciaal beleid wordt planologisch geborgd in de Omgevingsverordening, aanvankelijk vastgesteld op 20 februari 2019, na enkele herzieningen en daaropvolgende consolidaties, dateert de laatste versie nu van 15 maart 2022. In de verordening worden regels gesteld ten aanzien van (nieuwe) functies. Toelaatbaarheid bestemmingsplan Een bestemmingsplan kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling onder de volgende voorwaarde: de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, waardoor de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. In dit geval is er sprake van inpassen. Onderhavig bestemmingsplan voldoet aan deze voorwaarden en is daarom toelaatbaar volgens de omgevingsverordening. De ontwikkeling is immers voorzien op een bestaand bedrijventerrein en is gericht op een kwalitatieve verbetering waarbij wordt aangesloten op de omliggende functies en bebouwing. Stedelijke ontwikkelingen Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, dient te voldoen aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
Een bedrijventerrein betreft een stedelijke functie, en aangezien er meer dan 500 m2 bvo wordt toegevoegd, is de ladder voor duurzame verstedelijking daarom van toepassing (zie paragraaf 4.2). Bedrijven Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een bedrijventerrein, maakt vestiging mogelijk van bedrijven uit de hoogst mogelijke milieucategorie van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, dan wel voorziet in overeenkomstige milieuzones voor geluid of geur, passend bij de omgeving van het bedrijventerrein. Onderhavig bestemmingsplan voldoet aan deze voorwaarden door helder aan te geven welke milieucategorieën toegelaten zijn op het bedrijventerrein. De toegestane milieucategorieën zijn tot stand
22
Urban Logistics Campus A12 (ULC A12) (vastgesteld)
gekomen op basis van een milieuzoneringsonderzoek (zie paragraaf 4.12). Klimaatverandering In een bestemmingsplan wordt rekening gehouden met de gevolgen van de risico's van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico's ten aanzien van: a. wateroverlast door overvloedige neerslag; b. overstroming; c. hitte; d. droogte alsmede de effecten van de bovengenoemde risico's op het risico van bodemdaling. Onderhavig bestemmingsplan houdt rekening met de genoemde risico's die klimaatverandering met zich mee brengt. Voor zover risico's zich voordoen wordt rekening gehouden met het zo veel mogelijk voorkomen en beperken, via maatregelen of voorzieningen, dan wel het gericht aanvaarden van deze risico's. Een van de maatregelen die genomen wordt is de aanleg van een robuust hemelwatersysteem. Tevens zijn er ambities gesteld om een bijdrage te leveren aan het voorkomen en verminderen van hittestress. Recreatiegebied,buitengebied en groene buffer In het oosten van het plangebied ligt een strook die door de provincie is aangewezen als recreatiegebied. Een bestemmingsplan voor een locatie binnen recreatiegebied kan voorzien in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen voor zover: a. de ontwikkeling geen beperking oplevert voor de openbare toegankelijkheid van het gebied, rekening houdend met het huidige gebruik van het gebied; b.
de ontwikkeling gericht is op de vergroting van de diversiteit en de kwaliteit van het recreatiegebied en ook de recreatieve waarde van het gebied zal versterken; c. de ontwikkeling past bij de uitstraling en het recreatieve gebruik van het gebied; d. de ontwikkeling bijdraagt aan de samenhang tussen binnenstedelijke en buitenstedelijke groen- en waterstructuren; e. de ontwikkeling zo mogelijk gekoppeld wordt aan recreatie knooppunten en cultuurhistorisch erfgoed. Dezelfde strook in het oosten van het gebied is ook aangewezen als buitengebied. Een bestemmingsplan voor een locatie binnen buitengebied kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling mits de openheid en het groene karakter van het landschap niet onevenredig wordt aangetast, blijkens een afdoende motivering die tevens ingaat op de keuze voor een locatie buiten bestaand stads- en dorps gebied. In de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken: a. b. c. d.
de openheid en de structuur van het landschap en de vergezichten daarin; de relatie tussen stad en buitengebied en het onderscheid daartussen; het groene karakter, het type functies en de kenmerkende verschijningsvormen van het landschap; de herkenbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het landschap.
Dezelfde strook in het oosten van het gebied is ook door de provincie aangewezen als groene buffer. Een bestemmingsplan voor een locatie binnen groene buffers kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling voor zover dit geen grootschalige ontwikkelingen behelzen en de bufferfunctie blijkens een afdoende motivering niet onevenredig wordt verstoord. In de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken: a. de functie van het gebied als tegenhanger van de stedelijke verdichting en stedelijke dynamiek; b. de identiteit die het gebied verleent aan de nabij gelegen stedelijke omgeving; c. de bescherming die het gebied biedt tegen grootschalige stedelijke ontwikkeling;
23
Urban Logistics Campus A12 (ULC A12) (vastgesteld)
d. de recreatieve gebruiks- en belevingswaarde en de contrastkwaliteit met het stedelijk gebied. Omdat in het gebied waar deze aanduiding geldt een groen-blauwe overgang naar de Rotte komt, met ruimte voor recreatie en waterberging, voldioet onderhavig bestemmingsplan aan deze voorwaarden. Relatie met voorliggend plan De (her)ontwikkeling die met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt past binnen de gestelde voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen. De (her)ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de ruimtelijke kwaliteit. De ontwikkeling die met onderhavig bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt is daarom niet strijdig met het provinciaal beleid.
3.2.3
Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM)
De Visie Ruimte en Mobiliteit is door Provinciale Staten van Zuid-Holland vastgesteld op 9 juli 2014 (geconsolideerde versie januari 2018). In de visie is het provinciale ruimtelijke ordeningsbeleid en het mobiliteitsbeleid op hoofdlijnen vastgelegd. Het hoofddoel van de visie is het scheppen van voorwaarden voor een economisch krachtige regio. Dat betekent: ruimte bieden om te ondernemen, het mobiliteitsnetwerk op orde en zorgen voor een aantrekkelijke leefomgeving. In de Visie Ruimte en mobiliteit worden 4 thema's onderscheiden: Beter benutten en opwaarderen De provincie vangt de groei van de bevolking, de mobiliteit en de economische activiteit vooral op in de bestaande netwerken en bebouwde gebieden. Steden bieden nog volop kansen om te bouwen en te verbouwen. Ze kunnen de hoofdmoot voor hun rekening nemen van de woningen die Zuid-Holland tot 2030 extra nodig heeft. Daardoor kan het landelijk gebied open blijven. Door de schaalvoordelen blijft het mogelijk om goed openbaar vervoer tussen knooppunten te laten rijden. Gemeenten stellen regionale visies voor woningen en kantoren op. Versterken stedelijk gebied (agglomeratiekracht) Meer concentratie en specialisatie van locaties die onderling goed verbonden zijn, leidt tot de versterking van de kennis- en bedrijvencentra op het Europese en wereldtoneel.
De provincie wijst in de VRM de concentratielocaties met goede ontsluiting aan. Daarnaast werkt de provincie aan een goede aantakking van de Zuid-Hollandse economie op het nationale, Europese en wereldwijde netwerken van goederen- en personenvervoer. Landschap Het provinciale landschap valt onder te verdelen in drie typen, gekenmerkt door veenweiden, rivieren en kust. Het verstedelijkingspatroon, de natuurwaarden en het agrarisch gebruik sluiten daarop aan. De provincie stelt de versterking van de kwaliteiten van gebieden centraal in het provinciaal beleid. Per nieuwe ontwikkeling zal voortaan eerst worden bekeken of het nodig is om het buiten bestaand stads – en dorpsgebied te realiseren. De voorwaarde hierbij is dat de maatschappelijke behoefte is aangetoond en de nieuwe ontwikkeling bijdraagt aan het behoud of verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Bij ruimtelijke kwaliteit gaat het om een integrale benadering waarbij de samenhang tussen bruikbaarheid, duurzaamheid én belevingswaarde in acht wordt genomen. Bevorderen van een water- en energie-efficiëntesamenleving In de VRM zet de provincie in op de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving. Door ruimtelijke reserveringen te maken voor de benodigde netwerken en via haar vergunningen- en concessiebeleid, draagt de provincie hieraan bij.
24
Urban Logistics Campus A12 (ULC A12) (vastgesteld)
Relatie met voorliggend plan Zowel de ruimte als het publieke investeringskapitaal is schaars. Daarnaast is de maatschappelijke en economische vraag naar woon- en werkmilieus veranderd. In zo'n situatie ligt het voor de hand om niet meteen de toevlucht te nemen tot nieuwe stedelijke uitbreidingen. Beter is om eerst te kijken naar wat er al is, en of dat beter benut of opgewaardeerd kan worden. Kortom: beter benutten van bebouwde ruimte. De bestaande steden, dorpen, landschappen en infrastructuurnetwerken bieden goede kansen om de capaciteit van de netwerken beter te benutten en, in samenhang daarmee, het ruimtegebruik te intensiveren. Geleidelijke verandering van stedelijke functies (via herstructurering, herbestemming of nieuwe programmering) kan bijdragen aan het benutten van nog ongebruikte capaciteit.
3.2.4
Bedrijventerreinenstrategie Provincie Zuid-Holland 2020
De provincie Zuid-Holland zet in op een aantrekkelijk en toekomstbestendig vestigings- en werkklimaat voor werkgevers, werknemers en bedrijven. Aantrekkelijke en concurrerende bedrijventerreinen spelen hierin een belangrijke rol. Daarom is de provinciale bedrijventerreinenstrategie geactualiseerd met als doel voldoende geschikte bedrijventerreinen in Zuid-Holland. Een groot deel van de provinciale inzet op bedrijventerreinen zal gelijk blijven. De drie uitgangspunten van het provinciaal bedrijventerreinenbeleid blijven namelijk in stand: Evenwicht in vraag en aanbod Beter benutten en functioneren van bestaande bedrijventerreinen Verduurzamen en voorbereiden op de toekomst De provincie streeft ernaar om voldoende kwalitatief en kwantitatief aanbod te hebben om alle gewenste vraag te kunnen accommoderen. De aanbodkant van bedrijventerreinen kan vergroot worden door middel van twee ingrepen. Dit zijn (1) de bestaande voorraad beter benutten en (2) de realisatie van nieuwe bedrijventerreinen. De provincie wil in eerste instantie de bestaande voorraad aan bedrijventerreinen beter benutten of de huidige plancapaciteit gebruiken; pas daarna is uitleg of uitbreiding aan de orde.
Beter benutten is namelijk een ingreep die zowel in hoog- als in laagconjunctuur effectief is en ook ruimtelijk zeer gewenst vanwege de grote ruimtedruk in Zuid-Holland en de provinciale ambitie om het landelijk gebied zoveel mogelijk te behouden.
3.2.5
Strategie werklocaties 2019 - 2030 (Metropoolregio Rotterdam- Den Haag)
Tot 2030 groeit het inwoneraantal van de metropoolregio Rotterdam Den Haag met bijna een half miljoen mensen. Wonen en werken zijn daarmee grote uitdagingen in een gebied met beperkte ruimte. De bouw van woningen kan niet ten koste gaan van bedrijfsruimte en daarom zijn er lokale en regionale afspraken nodig om voldoende bedrijfsruimten te realiseren. Daarnaast is de ambitie de juiste bedrijven op de juiste plek te krijgen. De 23 gemeenten van de metropoolregio hebben een regionale strategie voor werklocaties ontwikkeld en stellen een gemeenschappelijke aanpak op, zodat de economie en werkgelegenheid een impuls krijgen. De Strategie Werklocaties 2019-2030 is een stap verder naar een gezond vestigingsklimaat voor bedrijven en inwoners. Visie: balans in grootschalige logistiek en agrologistiek In de visie op logistiek stelt de nota het volgende: Het ecosysteem agrologistiek is een locatie met een sterk netwerk van samenwerkende bedrijven. Het is een keten van productiebedrijven (teelt en veredeling) aan de basis en logistieke bedrijven zoals handelshuizen, importeurs, exporteurs, veilingen, verpakkingsbedrijven en logistiek dienstverleners. Dit ecosysteem ontwikkelt zich vaak rond een bedrijf of veilingterrein. Er is echter geen veilig meer in Bleiswijk en ook andere bedrijven op de Klappolder zijn in toenemende mate niet meer aan de agrologistiek gelieerd.
Het ecosysteem logistiek is meer een netwerk van bedrijven in de logistiek, handel en opslag. Deze
25
Urban Logistics Campus A12 (ULC A12) (vastgesteld)
activiteiten wensen grote kavels (groter dan 1,5 ha tot meer dan 10 hectare) en dicht bij de snelweg te zijn gehuisvest. Veelal zijn er specifieke voorzieningen voor chauffeurs voorhanden. De betreffende locatie en omvang voldoet, mede door afname van agrologistieke bedrijvigheid, aan deze vereisten. Relatie met voorliggend plan De A12-corridor is één marktregio voor logistieke ontwikkelingen. Dit betekent dat de logistieke vraag in Midden-Holland ook door Lansingerland en Zoetermeer kan worden gefaciliteerd. Datzelfde geldt andersom voor de vraagraming in de MRDH. De MRDH ondersteunt de visie van het 'provinciaal programma grootschalige logistieke bedrijventerreinen voor de A12-corridor' (zie hierna). Dat stelt de provincie Zuid-Holland op met Lansingerland, Waddinxveen en Zoetermeer, en wordt de beleidsmatige basis van bestemmings- of omgevingsplannen inzake grootschalige logistiek. Het is namelijk belangrijk dat er: 1. een kwalitatief optimale positionering van de verschillende logistieke bedrijventerreinen komt; 2. planologische procedures met succes worden doorlopen; 3. extra logistiek wordt aangetrokken; 4. onnodige concurrentie wordt vermeden. Dit betekent onder meer dat de regiogemeenten die een logistiek terrein aanleggen dat past in het PPB-A12, dit voor kavels groter dan 3 hectare motiveren op basis van PPB-A12. In voorliggende situatie is dit het geval.
Want het projectgebied is concreet opgenomen in de ambities en gemaakte afspraken die zijn vastgelegd in het provinciaal programma voor de A12-corridor (zie fig. 6), waar ook voor wordt gepleit door het CRA. Herontwikkeling is daarbinnen een van de ontwikkelperspectieven, waarbinnen voorliggend initiatief past.
3.2.6 Geactualiseerd provinciaal programma grootschalige logistieke bedrijventerreinen A12-corridor De A12-corridor – de corridor rondom de Rijksweg A12 met een focus tussen Gouda en Zoetermeer – heeft een grote logistieke potentie. Vanaf de bestaande logistieke bedrijventerreinen zijn circa 8 miljoen consumenten binnen één uur bereikbaar en de reeds aanwezige logistiek dienstverleners, ontwikkelaars en vastgoedbeleggers behoren tot de meest toonaangevende partijen in de sector. De regio heeft daarmee een unieke positionering als het gaat om grote nationale en internationale (logistieke) bedrijfsvestigingen. Provincie Zuid-Holland, gemeenten en (logistieke) marktpartijen hebben het afgelopen jaar hard gewerkt aan het vormgeven van verdergaande samenwerking rondom logistieke onderwerpen in het gebied. Doel hiervan is om de logistieke potentie te verzilveren. Onderdeel van deze goede samenwerking is dat alle partijen ervoor zorgen dat er kwantitatief voldoende- en kwalitatief goede ruimte beschikbaar is en blijft op de A12-corridor voor vestiging van logistieke partijen. Het geactualiseerde 'provinciaal programma grootschalige logistieke bedrijventerreinen A12-corridor (april 2019)' (hierna geactualiseerd ppb-A12 2019) heeft betrekking op dit ruimtelijk aspect van de samenwerking.
In de opgestelde samenwerkingsovereenkomst, die volgde op de bestuursovereenkomst, hebben partijen daarnaast ambities en acties geformuleerd voor andere belangrijke aspecten, zoals infrastructuur en modaliteiten, verduurzaming en gezamenlijke marketinginspanningen. Het geactualiseerde ppb-A12 2019 vormt het ruimtelijk kader voor alle logistieke ontwikkelingen in de A12-corridor. Het dient het provinciaal economisch en ruimtelijk belang:
26
Urban Logistics Campus A12 (ULC A12) (vastgesteld)
Economisch belang; voor de provincie Zuid-Holland is het van belang dat ondernemers ruimte krijgen om te ondernemen en de A12-corridor, met haar economische potentie, tot bloei kan komen. Dat zorgt voor een groei van de werkgelegenheid en een toename aan bestedingen in de provincie Zuid-Holland. Dit geactualiseerde ppb-A12 2019 is ertoe opgesteld dat maximaal wordt voorzien in kwalitatief goede vestigingsruimte voor logistieke bedrijven. Ruimtelijk belang; voor de provincie Zuid-Holland is het van belang dat er zorgvuldig wordt omgegaan met de ruimte en de bestaande ruimte optimaal benut wordt. Dat houdt in dat de provincie Zuid-Holland erop toeziet dat er niet onnodig 'in het weiland' wordt gebouwd. Conform de Omgevingsverordening wordt hierop toegezien volgens de methodiek van de Ladder voor duurzame verstedelijking en, zo nodig, een provinciaal programma. Dit geactualiseerde ppb-A12 2019 schetst, bovenstaande belangen in ogenschouw nemend, de ruimtelijke kaders waarin logistieke bedrijventerreinen worden ontwikkeld of doorontwikkeld. Daar is een zorgvuldig proces aan voorafgegaan. Feitelijk is dit geactualiseerde ppb-A12 2019 een uitwerking van de bestuurlijke afspraken die provincie Zuid-Holland, gemeenten en (logistieke) marktpartijen d.d. 19 februari 2018 (Bestuursovereenkomst) en 4 maart 2019 (Samenwerkingsovereenkomst) met elkaar hebben gemaakt.
Provinciaal beleid: zorgvuldig ruimtegebruik De provincie Zuid-Holland zet middels het Omgevingsbeleid in op het realiseren van een bedrijventerreinenaanbod dat kwalitatief aansluit op de vraag van de markt. Het is in het provinciaal belang dat ondernemers goede ruimte krijgen om te ondernemen en de A12-corridor, met haar economische potentie, tot bloei kan komen. Dat zorgt voor een groei van de werkgelegenheid en een toename aan bestedingen in de provincie Zuid-Holland. Er wordt gekozen voor plekken die in of dicht bij het bestaand stedelijk weefsel liggen, het beste ontsloten zijn voor vrachtverkeer dat bij grootschalige logistiek hoort en uniformiteit van doelgroep, zodat wordt geborgd dat functies ruimtelijk niet met elkaar botsen. Een van deze plekken is het projectgebied van de voormalige Greenery Campus (Veilingterrein Lansingerland). Relatie met voorliggend plan Er is, zowel in lijn met het CRA, sprake van de herontwikkeling van een bestaand terrein waarbij tevens sprake is van clustering. Er is met name sprake van het beter benutten en opwaarderen van de bestaande ruimte. Dit betekent dat de voorgenomen herontwikkeling past binnen de uitgangspunten.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Omgevingsvisie Lansingerland: verbonden, vindingrijk en gezond
De gemeentelijke omgevingsvisie van Lansingerland, getiteld "Lansingerland: verbonden, vindingrijk en gezond" is vastgesteld door de gemeenteraad van Lansingerland op 24 februari 2022. De omgevingsvisie schetst de gewenste ontwikkelingen voor thema’s als wonen, werken, recreëren, natuur, duurzaamheid, mobiliteit, cultuurhistorie, ruimtelijke kwaliteit en gezondheid van nu tot in het jaar 2040. De structuurvisie identificeert vier kernkwaliteiten, die de huidige sterke punten van de gemeente uitlichten. Dit zijn: Gemoedelijk wonen in de metropool Gezonde en sterke samenleving Betrokken ondernemers en vernieuwende wereldspelers Afwisselend polderlandschap aan de Rotte
27
Urban Logistics Campus A12 (ULC A12) (vastgesteld)
Vervolgens worden de opgaven die in de nabije toekomst op Lansingerland afkomen, benoemd. Dit betreft een breed scala aan maatschappelijke uitdagingen, van automatisering en de energietransitie naar klimaatverandering en bodemdaling. Op basis van deze kwaliteiten en opgaven wordt een visie op de toekomst geformuleerd. Er wordt ingezet op een 'verbonden, vindingrijk en gezond Lansingerland in 2040’. Dit omvat een groene, gezonde en (sociaal) duurzame leefomgeving, waar alle inwoners veilig en prettig kunnen wonen, werken, recreëren en zich verplaatsen. Om dat te realiseren is de visie gebaseerd op drie pijlers: ‘Verbonden in de Metropool’ ‘Vindingrijk en ondernemend’ ‘Gezond samen leven’ De overkoepelende visie gaat over de hele gemeente, maar de uitwerking is verschillend per gebied. In de omgevingsvisie wordt per deelgebied een specifieke koers opgesteld, waarin de gewenste gebiedskwaliteiten en concrete ontwikkelingen benoemd worden. Deze drie deelgebieden zijn: Levendige kernen, linten en buurtschappen Groene flanken Hoogwaardige bedrijvigheid Verbonden in de metropool Binnen de pijler "verbonden in de metropool" zijn de groenstructuren een belangrijk thema. Er wordt ingezet op de versterking van de zichtbaarheid en de kwaliteit van de groen- en waterstructuren.
Dit komt goed overeen met het voornemen in onderhavig plan om de aanwezige groen- en -blauwvoorziening in het oosten van het terrein op te waarderen en uit te breiden met een groene buffer. Het gebied direct aangrenzend aan deze buffer wordt in de visie aangewezen als het gebied "Bleiswijkse Fles", in dit gebied moet vooral het open en groene karakter behouden worden, hier zal bij de uitvoering van deze groene buffer extra aandacht aan besteed moeten worden. Ook de toekomstbestendigheid van de gemeente, vooral met oog op klimaatadaptatie, is een belangrijk thema binnen deze peiler. Lansingerland moet vooral klimaatadaptiever worden door het aanleggen van veerkrachtige natuurlijke systemen ter voorkoming van hittestress en wateroverlast. Ook hierin kan de groene buffer een belangrijke rol spelen door extra ruimte in te delen voor het opvangen en vasthouden van regenwater. Vindingrijk en ondernemend Onderhavig plangebied staat binnen de kaart van de pijler "vindingrijk en ondernemed" aangegeven als werklocatie. Voor deze werklocaties ligt de nadruk de komende tijd op het behouden van de kwaliteit van bestaande bedrijventerreinen. Er wordt niet ingezet op de ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen. Hier is onderhavig bestemmingsplan een goed voorbeeld van, aangezien het om de herontwikkeling van een bestaand bedrijventerrein gaat.