[T23.06409] Bestemmingsplan Urban Logistics Campus A12 (ULC A12)
Tekst van het document
Ten oosten en ten zuiden van het plangebied ligt een drukleiding. Op basis van de legger van Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard ligt ten oosten en tenwesten van het plangebied een regionale waterkering.
Toekomstige situatie Gehele plangebied In de nieuwe situatie bestaat het gehele plangebied (inclusief oostelijk deel) uit een verhard oppervlak van ca. 329.140 m^. Het verharde oppervlak bestaat uit verschillende bedrijfsruimten en wegen. Het onverhard oppervlak betreft ca. 42.812 m^. Verhard en onderhard gebied tezamen is daarmee circa 37 ha. De verdeling van verhard en onverhard is in tabel 3 weergegeven. Hierbij is onderscheid gemaakt in de huidige en toekomstige situatie. Over het gehele plangebied is er een totale toename aan verhard oppervlak van ca. 64.314 m^. Volgens de Keur van Hoogheemraadschap Schieland en de Krimpenerwaard moet bij een toename van verharding van meer dan 500 m2, een vergunning moet worden aangevraagd. Tabel 3: Toekomstige verdeling verhard en onverhard geheel plangebied
50
Urban Logistics Campus A12 (ULC A12) (vastgesteld)
Onderdeel
Huldig
Toekomstig
Toename/afname
(m^)
ļm^)
Verhard
264.826
329.140
64.314
Onverhard
107.126
42.812
-64.314
Totaal
371.952
371.952
0
Westelijk deel Het westelijk deel van het plangebied heeft een oppervlak van ca. 283.955 m^. De verdeling van verhard en onverhard is in tabel 4 weergegeven. Hierbij is onderscheid gemaakt in de huidige en toekomstige situatie. Het verhard oppervlak neemt toe met ca. 2.891 m^. Volgens de Keur van Hoogheemraadschap Schieland en de Krimpenerwaard moet bij een toename van verharding van meer dan 500 m^ een vergunning worden aangevraagd. Tabel 4: Toekomstige verdeling verhard en onverhard westelijk deel
Watercompensatie te graven oppervlaktewater in westelijk deel plangebied Het hoogheemraadschap heeft aangegeven dat er in het plangebied een compensatie eis geldt van 6%. De toegenomen vierkante meters verhard oppervlak moeten worden terug gegraven als openwater. Dit resulteert in een totaal benodigde watercompensatie van 174 m^. De benodigde watercompensatie dient te worden gegraven binnen het plangebied. Kan dat niet, dan kan er in overleg met het Hoogheemraadschap gekeken worden of en waar dit in het betreffende peilgebied GPG-1007 gerealiseerd kan worden. In dit peilgebied is er een flexibel waterpeil van NAP -5,80 m tot NAP -5,70 m. Dit moet in de vorm van open water dat in verbinding staat met de bestaande waterstructuur. Vuil- en hemelwater In de NVU heeft het hoogheemraadschap aangegeven dat het geen extra afvalwater op het rioolstelstel wenst. De rioolcapaciteit is hiervoor niet groot genoeg. Voor hemelwater heeft het hoogheemraadschap de wens dat het op het perceel wordt vastgehouden en hergebruikt. Door de grote hoeveelheid hemelwater dat wordt geloosd krijgt het omliggende watersysteem nu al problemen. Voor het aansluiten van de nieuwe bebouwing op de bestaande, aanwezige riolering moet een rioleringsplan worden opgesteld. De afspraken/regels over aansluitingen op het openbaarstelsel moeten worden afgestemd met de rioleur van de gemeente Lansingerland.
De gemeente moet als partij akkoord gaan met de wijze waarop het afvalwater wordt verwerkt. Tevens wordt geadviseerd bergende voorzieningen te treffen, gezien de bestaande problemen met hemelwater dat wordt geloosd op het watersysteem. Dit kan bijvoorbeeld met waterbergingskratten met vertraagde afvoer. Waterkwaliteit In de toekomstige situatie mag de waterkwaliteit niet verslechteren. Derhalve dient gewerkt te worden met niet-uitlogende materialen. Ook moet afstromend hemelwater zoveel mogelijk gescheiden afgevoerd
51
Urban Logistics Campus A12 (ULC A12) (vastgesteld)
worden om vervuiling te voorkomen. Een voorbeeld hiervan is dat hemelwater dat op het dak valt schoner is dan hemelwater dat valt op een intensief gebruikte parkeerplaats of weg. Het hoogheemraadschap heeft aangegeven dat volgende mogelijkheden kunnen worden toegepast ter voorkoming van een verslechtering van de waterkwaliteit; grindkoffers en helofytenfilters. Tevens kan er bij de nieuwe aan te leggen watergangen gebruik worden gemaakt van natuurvriendelijke oevers. Tot slot kan dit gecombineerd worden met de opgave om het water vast te houden en/of vertraagd af te voeren en/of te hergebruiken. Voor het terreinwater worden in ieder geval olie benzine afscheiders (obas) in de laadkuilen geplaatst. Deze voorkomen dat olieverontreinigingen van vrachtwagens in het oppervlaktewater en/of riool terecht komen. Waterveiligheid Op basis van de legger van Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard ligt ten oosten en ten westen van het plangebied een regionale waterkering. Het hoogheemraadschap heeft aangegeven dat als er gewerkt wordt binnen de beschermingszone en/of kernzone, voor bijvoorbeeld de aan te leggen watergang, het hoogheemraadschap hieraan eisen stelt. Het plan blijft buiten deze zone.
Klimaatadaptatie In het Masterplan zijn op het gebied van klimaatadaptatie en duurzaamheid aanvullende ambities geformuleerd die worden meegenomen in deze ontwikkeling: » » * » »
Groen: elke mogelijke kans voor inpassing van groen en groene gevels wordt benut. Hittestress: bijdrage aan het voorkomen en verminderen hiervan. Droogtestress: bijdrage aan het voorkomen en verminderen hiervan. Waterstress: bijdrage aan het voorkomen en verminderen hiervan. Duurzaam daklandschap: meervoudig ruimtegebruik.
De ambitie op het gebied van groen wordt meegenomen door zo veel mogelijk groen in te passen. Bijvoorbeeld aan het hekwerk tussen de ontsluitingsweg en de bedrijfsterreinen en aan de gevels. Aan de zijde van de N209 wordt het groenkarakter van de lintenzone behouden en aan de zijde van de Rotte wordt een duidelijke groenkadering ingericht met duurzaam en natuurinclusief groen. De randen aan de noord- en zuidzijden hebben een robuuste landschappelijke groenstructuur met minimaal 15 m groen langs de watergangen. Deze groenstructuur bestaat uit toekomstbestendig groen met waar mogelijk natuurvriendelijke oevers. Om doorgaande groenstructuren te realiseren wordt vanuit het Masterplan geadviseerd om ook over de (eigendoms-)grenzen heen te kijken en samen te werken waar groen en water elkaar kunnen versterken. Deze groene structuren sluiten aan bij de ambitie op het gebied van hittestress. Met name het plaatsen van bomen is effectief bij het reduceren van hittestress (schaduwwerking). Daarnaast wordt geadviseerd te kijken naar robuuste soorten (resistent tegen perioden van droogte of hevige neerslag), soorten die biodiversiteit stimuleren en inheemse soorten.
Figuur 15: Groenstructuur (Bron: Masterplan ULC A12)
52
Urban Logistics Campus A12 (ULC A12) (vastgesteld)
De ambities op het gebied van droogte- en waterstress worden meegenomen door het afkoppelen van hemelwater. Hiervoor wordt een robuust hemelwatersysteem aangelegd. Een dergelijk robuust watersysteem zorgt voor voldoende water in het gebied en voldoende doorstroming naar uiteindelijk de grotere waterberging bij het recreatieschap de Rotte. Hiermee draagt dit systeem bij aan de ambities op het gebied van droogte- en waterstress.
Figuur 16: Werking van het watersysteem (Bron: Masterplan ULC A12)
Voor de daken van de bedrijven geldt ook een duurzame ambitie. Zo zijn de daken inzetbaar voor PV(T) systemen en mogelijk ook als buitenruimte voor werknemers. Dit zorgt voor meervoudig ruimtegebruik, bijvoorbeeld een terras kantinefunctie in combinatie met landschap biedt mogelijkheden op het gebied van klimaat en verblijf. Geadviseerd wordt om kritisch te kijken naar behoeftes in de omgeving. Een voorbeeld is dat daken steeds vaker vol gelegd worden voor het plaatsen van PV(T)-panelen en klimaatsystemen. Hierdoor is de combinatie met andere functies lastiger te realiseren. Met deze inpassing wordt er rekening gehouden met de aanvullende ambities op het gebied van klimaatadaptatie en duurzaamheid.
Conclusie Voor het westelijk deel bedraagt de saldo toename aan verharding ca. 2.891 m2. Dit betekent dat vergunning moet worden aangevraagd aangezien de grens van max. 500 m2 toename aan verharding wordt overschreden. De benodigde watercompensatie bedraagt 174 m2. De benodigde watercompensatie dient te worden gegraven binnen het plangebied in de vorm van open water dat in verbinding staat met de bestaande waterstructuur. . Kan dat niet, dan kan er in overleg met het Hoogheemraadschap gekeken worden of en waar dit in het betreffende peilgebied GPG-1007 gerealiseerd kan worden. In het plangebied wordt hierin voorzien. De bestaande hoofdwatergang is ca. een meter verlegd. Als compensatiemaatregel voor de toename aan verharding is de bestaande overige watergang, parallel aan de hoofdwatergang, verbreedt. Daarmee ontstaat voldoende maatvoering om te voorzien in de gewenste 174 m2 aan compensatie binnen het peilgebied en plangebied. Deze ruimte is in dit bestemmingsplan geborgd binnen de bestemming Water. Daarnaast worden in overleg met het Hoogheemraadschap afspraken gemaakt over maatregelen ter voorkoming van een verslechtering van de waterkwaliteit. De beschreven klimaatadaptatieve maatregelen zorgen ervoor dat alle aanvullende ambities op het gebied van klimaatadaptatie en duurzaamheid worden meegenomen.
Zo wordt de aanvullende ambitie op het gebied van groen meegenomen door zoveel mogelijk groen in te passen. Hierbij wordt ook gevelgroen toegepast. Bij de soortenkeuze zal rekening gehouden worden met het stimuleren van biodiversiteit, inheemse soorten en klimaatrobuuste soorten. Met name de bomen zullen vervolgens zorgen voor een reductie van de hittestress. Daarnaast biedt het groen ruimte om hemelwater vast te houden in ruimtelijk ingepaste waterbergingsvoorzieningen. Hiervoor wordt een robuust
53
Urban Logistics Campus A12 (ULC A12) (vastgesteld)
hemelwatersysteem aangelegd dat bijdraagt aan de ambities op het gebied van droogte- en waterstress. De ambities op het gebied van duurzaamheid worden meegenomen door meervoudig ruimtegebruik op de daken van de bedrijven toe te passen.
4.6
Bodem
In oktober 2019 heeft Ramboll Netherlands BV in opdracht van Next Level een bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd (Bijlage 13). Het uitgevoerde onderzoek bestaat uit een beperkt historisch vooronderzoek en een indicatief bodem- en asbestonderzoek. Het vooronderzoek heeft plaatsgevonden in de vorm van een bureauonderzoek en het bodem-en asbestonderzoek in de vorm van een veldbezoek. Het onderzoek heeft uitsluitend betrekking op de terreinen en infrastructuur die in eigendom zijn van The Greenery Vastgoed B.V. Het onderzoeksgebied is ingedeeld in onderstaande deellocaties.
Figuur 1T'. Deellocaties bodemonderzoek
Historisch vooronderzoek Voor het historische vooronderzoek zijn enkele rapportages van de opdrachtgever ontvangen. De rapportages spannen een periode van circa 1994 tot 2013. De onderzoeken welke zijn uitgevoerd zijn weergegeven in tabel 5. Tabel 5: historische rappo^ages op onderzoekslocatie
54
Urban Logistics Campus A12 (ULC A12) (vastgesteld)
Ti let
ŴyteyiK
Henmetf
Dstttfii
Vastlegger rulsTtuatie
VerhočVčn Milieutechniek
93.4743
9 februari 1954
□ ordreetit Research E.V.
BR/95İŪ5Ō/II/PW
26februari İ996
Rasenòerg Wege^>bc^u^^' B.V.
VB95D02-743/SQŪ25
lĒ april 1996
Verkennend
Van der Heim
^R1B6S05
16 augustus 1996
bodemonderzoek op het
Milieu be heer
TauVŕ kŕţilieu B.V.
35244 İ6.ROİ/M PO
14 november 1996
Inventariserend
Van der Heîir.
GPĒB7ĒS3
3Ū september 1997
bodemonderzoek aan de
Milieubeheer
Ē90603DI
2Ë april 1999
MZ9SŪ94îZiliypïí
26 olrtcrber2DŪŪ
BĨOSa.vkl
1 maart 2ŨŪ1
Klappolder 1, filelswijkj Aanvulling BŪOTteindsituaťie onderzoek op de locatie Klappoŕdeŗ 1 ts Bleiswíjk Bodenronderzoek Veiling 'De Kring'
veìlingterreìn "De Kring^ te Bleiswijk Basisdocument inventariserend bodemonderzoek the Greenery internatioTial B,V„
afdeling Bleiswijk te Bleisuríjk
Klappoider 1 te Bleíswìjk Nader bodemonderzoek
Ąns Milieutechniek We?t
perceel: Klappoider 1 te
bv
flřefīiví/ír
fíappartage monitoring
Dordrecht Research
grondwater peilbuis locatie
milieutechniesch
The Greenery fptematíonal,
advresboreau
Klappoider 1, 2665 LP Blejīiiíŕjífj fonk gelegen in V'er/oďingsfjTiíľŕ ń VefkenrìEnd hademonàtĩzaek Het Milíeļj CűiìSūrt KhppattĴer 1 te Bieisitfi}k
Roţtercíam
Rapport verkennend
îearch Milieu B.V.
226829.Ū
28 augustus 2002
Lejŕmrond Milŕeu-adviezen b.v.
0Ĵ.ĪS9I3/HĒ
31 december 2003
OLOiZSSĵ/LP/rapl
9 maart 2ŪŪ1
bodemonderzoek Klappoider 1 te Bleíswijk Partijkeuring grande ĩacatie fCĴappoíderl Bĩeìswijk Industrial Papport tetĩeffefíőe en noísĩtuatíe-andeíioĉk Ktappoíder Design and Deveiopment
J fe Bteĩswiįk
Services B.V. Milieu íi Techniek
Indicatiefbodemonderzoek De veldwerkzaamheden voor alle deelgebieden zijn uitgevoerd door zowel Nipa Milieutechniek BV en Bodemflex, in de periode van 19 september tot en met 2 oktober 2019. Daarbij zijn de boorwerkzaamheden opgestart onder begeleiding van Ramboll. Bij de uitvoering van het veldwerk hebben er bemonsteringen van de grond plaatsgevonden in trajecten van 0,5 meter, waarbij bodemmateriaal uit zintuiglijk verschillende bodemlagen niet met elkaar is vermengd. Echter zijn er in het veld geen actieve geurwaarnemeningen gedaan. Per onderzoeksgebied zijn er vanuit deze onderzoeken ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling de volgende conclusies tot stand gekomen: Deelgebied West Grond
55
Urban Logistics Campus A12 (ULC A12) (vastgesteld)
Ter plaatse van deelgebied West zijn er enkele verdachte deellocaties vastgesteld, zijnde: » * » »
Een tankstation Een truckgarage en wasplaats Enkele transformatoren Een aggregaat voor noodstroomvoorziening
In het verleden is er op deze locaties vastgesteld dat er maximaal lichte verontreinigingen aanwezig zijn. Dit wordt bevestigd in onderhavig onderzoek. Er is geen sprake van additionele bodemverontreiniging of verhoogde gehalten aan minerale olie en/of vluchtige oliën. Echter is er wel een sterk verhoogd gehalte zink vastgesteld in het mengmonster van de puinhoudende bodemlaag, waarbij ook enkele andere parameters licht verhoogd waren. Aangenomen wordt dat de vastgestelde verontreiniging gerelateerd is aan het aangetroffen puin. Qua karakteristiek wordt de bodem tot een diepte van 1,0 à 2,0 m-mv beschreven als zijnde antropogeen, waarbij in de ondergrond lichte bijmengingen aan bodemvreemde bestanddelen zijn aangetroffen zoals zware metalen en lokaal minerale olie en PCB. Asbest In de grond en in de puinhoudende lagen is tijdens de veldwerkzaamheden geen asbestverdacht materiaal waargenomen, noch is er analytisch enig asbest vastgesteld. Grondwater Het grondwater is (zeer) licht verontreinigd met barium, molybdeen en/of naftaleen. Het betreft daarbij uiterst geringe overschrijdingen van de streefwaarden. Deelgebied Midden Grond Ter plaatse van deelgebied Midden zijn er enkele verdachte deellocaties vastgesteld, zijnde: » *
Een wasplaats voor plastic kratjes Enkele transformatoren
De grond in deelgebied Midden is veelal niet verontreinigd. Er zijn enkel licht verhoogde gehalten aan zware metalen vastgesteld in de bovengrond. Echter is er ter hoogte van de transformatoren in de bovengrond wel een gehalte koper vastgesteld dat de indexwaarde overschrijdt. Vermoedelijk is deze matige verontreiniging het gevolg van lokaal aanwezige bodemvreemde bijmengingen. In de ondergrond is enkel in een mengmonster een uiterst lichte verontreiniging met molybdeen gemeten. Asbest In de grond en in de puinhoudende lagen is tijdens de veldwerkzaamheden geen asbestverdacht materiaal waargenomen, noch is er analytisch enig asbest vastgesteld. Grondwater Het grondwater is lokaal licht verontreinigd met molybdeen, zink en/of naftaleen. Het betreft daarbij doorgaans uiterst geringe overschrijdingen van de streefwaarden. Deelgebied Oost Grond In zowel de boven- als ondergrond zijn geen verontreinigingen vastgesteld. Enkel in de sliblaag van de waterloop is een licht verhoogd gehalte minerale olie vastgesteld.
56
Urban Logistics Campus A12 (ULC A12) (vastgesteld)
Asbest In de grond is tijdens de veldwerkzaamheden geen asbestverdacht materiaal waargenomen, en er is analytisch geen asbest vastgesteld. Grondwater Het grondwater is (zeer) licht verontreinigd met barium, molybdeen, zink, xylenen en/of naftaleen. Het betreft daarbij uiterst geringe overschrijdingen van de streefwaarden.
Conclusie Vanuit de bovenstaande punten wordt duidelijk dat de bodem ter plaatse van deelgebied midden en oost geen belemmering vormt voor de herontwikkeling. In deelgebied West is een sterke verontreiniging (immobiel: zink) aanwezig, die ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling gesaneerd dient te worden. Als de aanwezige verontreinigen worden gesaneerd, is er geen sprake van belemmeringen vanuit het aspect bodemkwaliteit.
4.7
Asbest
Om de toekomstige situatie mogelijk te maken is het belangrijk een asbestinventarisatie uit te voeren naar eventueel (direct) waarneembaar asbest, asbesthoudende producten, asbestverontreinigd materiaal of asbestverontreinigde constructiedelen in een (gedeelte van) aanwezige bouwwerken. KP Adviseurs BV heeft in juli 2022 een asbestinventarisatie uitgevoerd voor onderstaande bouwwerken (zie Bijlage 14): * » » » *
Bouwdeel 6 Bouwdeel 6, gebouw V Bouwdeel 4 Kavel 2 en 9 Woningen gelegen aan de Klappolder 77, 78, 79 en 80
Onderzoek Voorafgaand aan het onderzoek hebben er gesprekken plaatsgevonden met de opdrachtgever en is er op basis van verschillende bronnen een vooronderzoek uitgevoerd. In de volgende fase in 2019 heeft er in eerste instantie een beperkt destructief onderzoek plaatsgevonden naar visueel zichtbaar asbest. Indien het noodzakelijk bleek, is er destructief onderzoek verricht. In dit onderzoek zijn steekproefsgewijs logisch toegepaste verborgen asbest(toepassingen) in kaart gebracht. Uit onderzoek is gebleken dat op twee locaties asbesthoudende materialen en/of toepassingen waargenomen. Dit betreft de locaties in bouwdeel 6 en de woningen gelegen aan de KIappolder 77, 78, 79 en 80. Echter zijn de woningen gelegen aan de Klappolder 77, 78, 79 en 90 buiten het plangebied gelegen.
Conclusie Voor beide locaties kan het bevoegde gezag nadere voorwaarden stellen voor het slopen, renoveren en/of saneren. Indien men voornemens is werkzaamheden te verrichten in de gespecificeerde ruimten en/of onderdelen, wordt er geadviseerd een aanvullende asbestinventarisatie uit te (laten) voeren. Verwijdering van de eventueel aangetroffen asbesthoudende materialen dient uitgevoerd te worden conform de wettelijk vastgestelde richtlijnen en voorschriften zoals deze bepaald zijn voor de afzonderlijke risicoklassen voor de asbestsaneringen. Het is verplicht de asbesthoudende materialen (welke zijn ingedeeld in risicoklasse 2 of 2A) te laten verwijderen door een daartoe gecertificeerd en erkend asbestverwijderingsbedrijf. Aan asbesthoudende materialen geen bewerkingen worden uitgevoerd. Teneinde onbedachtzame bewerkingen tegen te gaan wordt geadviseerd de gebruikers, beheerders, installateurs en aannemers tijdig op de hoogte te stellen van de bevindingen van dit onderzoek.
57
Urban Logistics Campus A12 (ULC A12) (vastgesteld)
4.8
Geluid
In opdracht van de Gemeente Lansingerland heeft Arcadis in augustus 2022 het akoestisch effect van het gewijzigde verkeer vanwege de voorgenomen herontwikkeling van het voormalige terrein van de ULC A12 in Bleiswijk Campus onderzocht (zie Bijlage 15.
Geluid bedrijven De Wet geluidhinder (Wgh) is niet van toepassing voor het geluid vanwege bedrijven, omdat het hier geen gezoneerd bedrijventerrein betreft. Ook wordt met de inrichting van het bedrijventerrein rekening gehouden met inwaarts zoneren. Dit betekent dat voldoende afstand gehouden gaat worden tussen de bedrijven uit een bepaalde milieucategorie en de nabijgelegen geluidgevoelige functies.
Geluid verkeer In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het effect van de herontwikkeling van het bedrijventerrein op de geluidsbelasting langs het bestaande wegennet onderzocht. Door de verkeersaantrekkende werking van het te herontwikkelen bedrijventerrein kan sprake zijn van een toename van de geluidsbelasting op de bestaande wegen naar het bedrijventerrein. Om het effect van de verkeersaantrekkende werking als gevolg van de herontwikkeling van het bedrijventerrein inzichtelijk te maken is onderzocht of de geluidbelasting langs bestaande wegen toeneemt met 2 dB of meer tussen de autonome situatie en de plansituatie op de omliggende wegen. Voor de herontwikkeling van het bedrijventerrein zijn door verkeerskundigen de verkeersgegevens bepaald voor de autonome situatie en de plansituatie in het jaar 2040 (zie paragraaf 4.15). Uit de verkeersgegevens blijkt dat de verkeersintensiteit op de wegen op het bedrijventerrein toeneemt met circa 10 %. Dit komt overeen met een toename van de geluidsbelasting van circa 0,5 dB. Op de toeleidende Hoefweg neemt de verkeersintensiteit toe met 5 % (toename circa 0,2 dB). Op de N209 neemt de intensiteit nagenoeg niet toe (0 tot 1 %). Uit de analyse van de procentuele toename van de intensiteiten volgt dat de geluidsbelasting langs bestaande wegen niet toeneemt met 2 dB of meer.
In deze analyse is geen rekening gehouden met wijzigingen in het aandeel vrachtverkeer. Omdat het aandeel vrachtverkeer van invloed is op de geluidsbelasting en dit aandeel kan wijzigen in de plansituatie, is de geluidsbelasting berekend langs bestaande wegen Klappolder, de Hoefweg en de N209 voor de autonome en plansituatie.
Verkeersaantrekkende werking (indirecte hinder) De indirecte hinder is gemeten aan de hand van een akoestisch rekenmodel, op basis van verkeersgegevens. De geluidsbelasting afkomstig van de Klappolder, Hoefweg en N209 is berekend ter plaatse van de bestaande woningen. De berekende geluidsbelasting is weergegeven in tabel 2. De geluidsbelasting is weergegeven na aftrek conform artikel 110g Wgh. Bij het bepalen van de toename van de geluidsbelasting is de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeerslawaai als ondergrens gehanteerd, een toename tot 48 dB wordt als acceptabel beschouwd. De ligging van de rekenpunten is weergegeven in figuur 18.
58
Urban Logistics Campus A12 (ULC A12) (vastgesteld)
Figuur 18: Ligging van de rekenpunten
Tabel 6: rekenresultaten
59
Urban Logistics Campus A12 (ULC A12) (vastgesteld)
punt adres
Hoogte Geluidsbelasting Klappolder [dB]
Geluidsbelasting Hoefweg [dB]
Verschil' autonoom
plan
Geluidsbelasting N209 [dB]
[m]
autonoom
plan
plan
verschil
01
Hoetweg 199
1.5
49.17
49.60
0.43
33.44
38.61
verschil autonoom n.v.t.
50.60
50.63
0.03
01
Hoeĥveg 199
4.5
50.70
51.12
0.42
33.83
39.00
n.v.t.
50.80
50.83
0.03
01
Hoelweg 199
7.5
51.11
51.53
0.42
40.59
40.72
n.v.t.
51.62
51.66
0.04
02
Hoefweg 197a
1.5
41.Ũ7
41.49
n.v.t.
41.08
41.24
n.v.t.
49.14
49.19
0.05
02
Hoefweg 197a
4.5
42.53
42.9ķ
n.v.t.
41.23
41.38
n.v.t.
49.85
49.90
0.05
03
Hoefweg 2Ũ3
1.5
36.37
37.30
n.v.t.
33.08
38.25
n.v.t.
63.56
63.58
0.02
03
Hoelweg 203
4.5
33.46
38.89
n.v.t.
39.01
39.16
n.v.t.
64.58
64.60
0.02
04
Hoelweg 203
1.5
20.70
21.13
n.v.t.
32.68
32.86
n.v.t.
63.10
68.12
0.02
04
Hoefweg 203
4.5
25.40
25.82
n.v.t.
33.96
34.15
n.v.t.
68.84
68.86
0.02
06
Klappolder 77-78
1.5
47.79
43.21
0,21
46.10
46.21
n.v.t.
46.63
46.66
n.v.t.
05
Klappolder 77-78
4.5
49.31
49.74
0.43
46.92
47.02
n.v.t.
47.09
47.12
n.v.t.
05
Klappolder 77-78
7.5
49.63
50.11
0,43
47.44
47.54
n.v.t.
47.31
47.34
n.v.t.
06
Klappolder 77-78
1.5
33.12
38.57
n.v.t.
60.08
60.09
0.01
57.39
57.44
0.05
06
Klappolder 77-78
4.5
39.91
40.37
n.v.t.
60.88
60.90
0.02
58.47
58.53
0.06
06
Klappolder 77-78
7.5
40.69
41.14
n.v.t.
60.89
60.91
0.02
59.28
59.33
0.05
07
Klappolder 79-30
1.5
35.12
35.56
n.v.t.
53.62
58.62
O.OŪ
57.22
57.27
0.05
07
Klappolder 79-80
4.5
36.71
37.16
n.v.t.
59.51
59.53
Ũ.02
58.42
58.47
0.05
07
Klappolder 79-80
7.5
37.51
37.95
n.v.t.
59.55
59.57
0.02
59.20
59.25
0.05
08
Klappolder 79-80
1.5
44.32
44.75
n.v.t.
48.01
48.10
Ũ.Ũ9
44.96
44.99
n.v.t.
08
Klappolder 79-30
4.5
45.97
46.40
n.v.t.
49.83
49.91
0.03
45.81
45.85
n.v.t.
08
Klappolder 79-80
7.5
46.51
46.94
n.v.t.
50.08
50.16
ũ.oa
46.12
46.15
n.v.t.
Uit de rekenresultaten volgt dat de geluidsbelasting afkomstig van de Klappolder toeneemt met maximaal 0,4 dB. De toename langs de Hoefweg en N209 is maximaal 0,1 dB. Dit betekent dat er geen sprake is van een toename van de geluidsbelasting van 2 dB of meer langs bestaande wegen als gevolg van de herontwikkeling van het bedrijventerrein.
Conclusie Uit de rekenresultaten volgt dat de geluidsbelasting afkomstig van de Klappolder toeneemt met maximaal 0,4 dB. De toename langs de Hoefweg en N209 is maximaal 0,1 dB. Dit betekent dat er geen sprake is van een toename van de geluidsbelasting van 2 dB of meer langs bestaande wegen als gevolg van de herontwikkeling van het bedrijventerrein. De toename van de geluidsbelasting als gevolg van de herontwikkeling van het bedrijventerrein kan als niet significant worden aangemerkt. Het aspect geluid vormt daarmee geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.9
Luchtkwaliteit
De Nederlandse wet- en regelgeving voor de luchtkwaliteit is opgenomen onder 'Titel 5.2 luchtkwaliteitseisen' van de Wet milieubeheer (Wm). bestuursorganen dienen rekening te houden met de gestelde grenswaarden bij de uitoefening van bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit. In dat kader is een onderzoek luchtkwaliteit uitgevoerd (zie Bijlage 16). In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigde stoffen stikstofdioxide (NO ^ ) en fijnstof (PM^^ ) omdat de achtergrondconcentraties van deze stoffen het dichtst bij de grenswaarden liggen. Fijnstof en stikstofdioxide zullen dus in belangrijke mate bepalen of er rond de voorgenomen planontwikkeling een luchtkwaliteitsprobleem is. De grenswaarden voor NO^ en PM^^ zijn weergegeven in de volgende tabel. 2 10 Tabel T. grenswaarden NO en PM
60
Urban Logistics Campus A12 (ULC A12) (vastgesteld)
Cŭmpūnent
Grenswaarde
Fijnstof (PMut)
'
Greriswaarde 40 aJs jaargemiddeide Wei milieubeheer {van af ju rri 2011) I uchtkwaliteitseisen Grenswaarde 5Ũ a Is 24uurge middelde {vanaf juni 2011) {max 35x per jaar overschrijding)
Fijnstcif (PMj.s)
'
Grenswaarde 25 pgrm^ a Is jaargemiddelde Wet milieubeheer (va n af ja nu aif 2015) 1 u c hfft walîteitseisen Grerrswaarde 20 pg/m^ als jaargemiddelde blootsJellingsconcenfratie'
' Stikstofdioxide (NO:)
'
Bror
Grenswaarde 40 pg/in^ als jaargemiddelde Wel milieubeheer (vanaf 2015) luchtkwaliteitseisen Grenswaarde 2Ū0 pg/m^ als uurgemiddelde (vanaf 2015) (max. 1Bx per Ja ar overschrijding)
Besluit Niet in betekende mate bijdragen (NIBM) Voor projecten of activiteiten die 'Niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit nodig. Het gaat dan bijvoorbeeld om een ruimtelijk project of (te vergunnen) activiteit, waarvan de bijdrage aan de luchtverontreiniging beperkt is. Concreet is sprake van een NIBM project/activiteit wanneer het project of de activiteit maximaal 3% van de jaargemiddelde grenswaarde bijdraagt aan de concentraties fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2).
Onderzoek Met de pc-applicatie Geomilieu versie 2022.3 (Module STACKS) zijn berekeningen uitgevoerd voor de referentiesituatie en de plansituatie. De verwachting is dat het industrieterrein in 2025 volledig in gebruik genomen wordt. Omdat 2026 het eerste volledige jaar van gebruik is, is er voor gekozen 2026 als rekenjaar te hanteren. Latere jaren geven een daling van de concentratie luchtverontreinigende stoffen weer. Dit is het gevolg van dalende emissiefactoren door maatregelen die door (de)centrale overheden genomen worden om de luchtkwaliteit te verbeteren. Door voor 2026 als maatgevend jaar te kiezen bij hoge verkeersintensiteiten voor 2040, worden de concentraties luchtverontreinigende stoffen mogelijk overschat en is hiermee sprake van een conservatieve benadering.
Resultatenplansituatie2026 Stikstofdioxide Ter hoogte van de maatgevende woningen bedraagt de jaargemiddelde concentratie NO2 maximaal 21,0 pg/m3 in de plansituatie. Op dezelfde woningen aan de Klappolder bedraagt de concentratie in de referentiesituatie 20,5 pg/m3, waarmee de concentratie dus als gevolg van de planontwikkeling toeneemt. De grootste toename ten opzichte van de referentiesituatie bedraagt 0,7 pg/m3 bij de woning aan de Chrysantenweg 42. De woningen aan de Klappolder ervaren de grootste bijdrage van de verkeerstoename en de industrie. De bronbijdrage kan hier oplopen tot 5,7 pg/m3. In het hele studiegebied wordt ruimschoots voldaan aan de grenswaarden voor de jaargemiddelde concentratie NO2. Tabel 8: rekenresultaten voor de jaargemiddelde concentratie NO
2
61
Urban Logistics Campus A12 (ULC A12) (vastgesteld)
Jaargentiddelde concentratie N02 Toetspunt
Achtergrondconcentratie Įpçļ/m*!
Plansituatie
RefereRtiesītuātfe ípçļlmîļ
1
Chrysantenweg 42
13,2
15,1
14,4
2
KJappolder77
15,3
21,0
20,5
3
KlappolderTS
15,3
21,0
20,5
4
Klappolder79
15,3
20,9
20,5
5
KlappolderSO
15,3
21,0
20,5
14,S
18 1
17,5
6
Fijn stof Uit de tabel blijkt dat de maximaal berekende jaargemiddelde concentratie in de plansituatie 15,2 ^g/m3 bedraagt. In de referentiesituatie is de jaargemiddelde concentratie op deze toetspunten gelijk aan 15,0 ^g/m3. De jaargemiddelde concentratie op woningen en gevoelige bestemmingen neemt in de plansituatie 0,2 gg/m3 toe ten opzichte van de referentiesituatie. Ter hoogte van de woningen wordt de limiet voor de 24-uurgemiddelde concentratie maximaal 6 keer overschreden. In het hele studiegebied wordt in de plansituatie ruimschoots voldaan aan de grenswaarden voor de 24-uurgeniddelde concentratie en de jaargemiddelde concentratie PM10. Tabel 9: rekenresultaten voor de jaargemiddelde concentratie PM
10
Jaargemiddelde concenuatie PM1Ŭ Toelspunt
A chterg ronde oneen tra üe ftJtlrmn 14,3
Plansituatie fijgtmļ 14,7
Rerererìtiesituaìie
1
Chrysantenweg 42
2
KI a pp cider 77
14,5
15,2
15,0
3
Klappolder 78
14,5
15,2
15,0
4
KJappolder 79
14,5
15,2
15,0
5
Klappolder 80
14,5
15,2
15,0
14,5
15,1
14,9
S
14,5
Zeer fijn stof Uit de tabel blijkt dat de jaargemiddelde concentratie PM2.5 in de plansituatie ter hoogte van woningen maximaal 7,8 gg/m3 bedraagt. In de referentiesituatie bedraagt de jaargemiddelde concentratie maximaal 7,6 gg/m3. De achtergrondconcentratie bedraagt maximaal 7,4 gg/m3. In het hele studiegebied wordt ruimschoots voldaan aan de grenswaarden voor de jaargemiddelde concentratie PM2.5. Tabel 10: rekenresultaten voor de jaargemiddelde concentratie PM2.5
62
Urban Logistics Campus A12 (ULC A12) (vastgesteld)
Jaargemiddetde concenítade Toetspunt
Ac titeig rondcon centratle ţpqtmļ
Plansituatie fpgffnîļ
Refere ntiesituatle fpq/mļ
7.7
7,5
1
Chrysantenweg 42
2
Klappolder 77
7,3 7,4
3
KJappolderĩS
7,4
7.8 7,8
7,0 7.6
4
Klappolder 79
7.4
7,8
7,6
5
Klappolder ËŪ
7,4
7,8
7,6
tìssfemfM
7,4
7,8
7,6
s
Resultatenplansituatie2030 Uit tabel blijkt dat de maximaal berekende jaargemiddelde concentratie NO2 18,8 ^g/m3 bedraagt ter hoogte van woningen aan de Klappolder. Dit is 5,2 ^g/m3 lager dan op dezelfde toetspunten in zichtjaar 2026. Ook voor PMļo en PM2.5 is de afname van de jaargemiddelde concentratie in de komende jaren zichtbaar. Deze afname is echter met respectievelijk 1,1 ^g/m3 en 0,9 ^g/m3 kleiner dan voor NO2. De doorkijk naar 2030 geeft de daling van de jaargemiddelde concentratie luchtverontreinigende stoffen duidelijk weer. Ook in 2030 worden de grenswaarden voor de jaargemiddelde concentraties niet overschreden. 2 10 Tabel 11: rekenresultaten voor de jaargemiddelde NO , PM en PM2.5 concentratie in 2030
Jaargemiddelde concenlraťīe
Toetspunt
NOi
PMi#
PMzs
1
Chrysantenweg 42
13.3
14.2
7,2
2
Klappolder 77
18,8
14,7
7.3
3
Klappolder 73
18,8
14,7
7,3
4
Klappolder 79
18,7
14,7
7,3
5
Klappolder 80
18,7
14,7
7.3
6
tìsŵeafsa
16,0
14,5
7.4
Conclusie Uit de resultaten blijkt dat de concentraties luchtverontreinigde stoffen ruim onder de grenswaarden liggen. De maximale concentraties NO2 bedragen daar waar getoetst dient te worden 29,9 pg/m3. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de grenswaarde voor de jaargemiddelde norm van 40 pg/m3, Er vinden nergens in het studiegebied overschrijdingen plaats van de uurgemiddelde norm voor NO2. Voor PM10 bedragen de concentraties op de locaties waar getoetst dient te worden maximaal 16,0 pg/m3. Ook voor PM10 wordt hiermee ruimschoots voldaan aan de grenswaarde van 40 pg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie. Ook de concentratie zeer fijn stof (PM2.5) ligt ruim onder de jaargemiddelde grenswaarde van 25 pg/m^. Deze bedraagt maximaal 8,1 pg/m3. Hiermee wordt aan de norm voor PM2.5 ruimschoots voldaan. De maximale concentraties PM2.5 worden berekend langs de wegen op het industrieterrein zelf, en worden gedeeltelijk door de industrie en gedeeltelijk door verkeer bepaald. De industriële bronnen zijn hier beperkt terug te zien. Hierbij dient opgemerkt te worden, dat de plansituatie zeer conservatief benaderd is. Het volledige industrieterrein is in de plansituatie ingevoerd met milieucategorie 4, waar een deel van het terrein milieucategorie 3 zal blijven. Hiermee is de emissie van de industrie in de plansituatie overschat.
63
Urban Logistics Campus A12 (ULC A12) (vastgesteld)
Aan alle grenswaarden wordt voldaan. Het aspect luchtkwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor de onderliggende planvorming.
4.10
Externe veiligheid
Als onderdeel van de bestemmingsplanwijziging is het belangrijk om aandacht te schenken aan de externe veiligheid van de voorgenomen ontwikkeling. Op 19 juli 2022 heeft Antea Group een rapportage externe veiligheid opgesteld (zie Bijlage 17). Bij externe veiligheid gaat het erom dat risico's voor de omgeving binnen aanvaardbare grenzen gehouden worden. Externe veiligheid heeft betrekking op het gebruik, de opslag, de productie en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij externe veiligheid risico's wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR).
Risicobronnen De planlocatie ligt in de buurt van de volgende risicobronnen: * » »
De hogedruk aardgastransportleidingen (W-539-01 en A-518-03) De rijksweg A12 Het Hoogvliet distributiecentrum
De hogedruk aardgastransportleidingen Direct gelegen door het plangebied bevinden zich twee hogedruk aardgastransportleidingen van Gasunie. Hogedruk aardgastransportleidingen ‘W-539-01’ ligt ten noorden van de ontwikkellocatie. Hogedruk aardgastransportleidingen ‘A-518-03’ ligt ten oosten en zuiden van de ontwikkellocatie. De locatie bevindt zich binnen het invloedsgebied van de hogedruk aardgastransportleiding. Om het risiconiveau van deze hogedruk aardgastransportleiding te bepalen zijn risicoberekeningen uitgevoerd. Plaatsgebonden risico De plaatsgebonden risicocontour (PR 10-®-contour) van de hogedruk aardgastransportleiding A-518-03 ligt deels over de beoogde ontwikkellocatie. In gesprekken met Gasunie is naar voren gekomen dat de PR 10-®-contour terug gebracht kan worden tot op de leiding door middel van maatregelen. Dit resulteert erin dat het geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. Groepsrisico Het groepsrisico van de hogedruk aardgastransportleidingen W-539-01 en A-518-03 is zowel in de huidige als de toekomstige situatie lager dan de oriëntatiewaarde (figuur 19 t/m 22).
1000
Groepsrisico
Figuur 19: Groepsrisico hogedruk aardgastransportleiding W-539-01 in de huidige situatie
Figuur 20: Groepsrisico hogedruk aardgastransportleiding W-539-01 in de toekomstige situatie
64
Urban Logistics Campus A12 (ULC A12) (vastgesteld)
1000
Groepsrisioo
Figuur 21: Groepsrisico hogedruk aardgastransportleiding W-539-01 in de huidige situatie
Figuur 22: Groepsrisico hogedruk aardgastransportleiding W-539-01 in de toekomstige situatie
Uit de bovenstaande figuren blijkt dat het groepsrisico van de hogedruk aardgastransportleidingen zowel in de huidige als in de toekomstige situatie niet verandert en de oriëntatiewaarde niet overschrijdt. Omdat het groepsrisico van de leiding lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde en met minder dan tien procent toeneemt, is een beperkte verantwoording van het groepsrisico conform artikel 12 van het Bevb in het kader van de ruimtelijke procedure verplicht.
Rijksweg A12 Op circa 800 meter ten noorden van het plangebied ligt de A12, welke is opgenomen in de Regeling basisnet. Het invloedsgebied van de A12 bedraagt 880 meter (stofcategorie: LT2), zodat de externe veiligheid is beschouwd. Plaatsgebonden risico Het risicoplafond van het vervoer van gevaarlijke stoffen is vastgelegd in de Regeling basisnet. Hierin staat vermeld dat er voor de rijksweg ter hoogte van het plangebied sprake is van een maximale PR 10-6-contour van 0 meter. Het plaatsgebonden risico levert daarmee geen belemmeringen op voor de voorgenomen ontwikkeling. Plasbrandaandachtsgebied (PAG) De A12 heeft geen PAG. Groepsrisico De afstand tussen de A12 en het plangebied bedraagt meer dan 200 meter, nadere beschouwing van het groepsrisico is niet nodig. Aangezien de planlocatie wel binnen het invloedsgebied van de rijksweg is gelegen, is verantwoording van het groepsrisico conform het Bevt van toepassing voor deze rijksweg conform artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes.
Hoogvliet distributiecentrum Ten noorden van het onderzoeksgebied ligt op circa 1,3 km een risicovolle inrichting 'distributiecentrum Hoogvliet BV' opgenomen in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Het invloedsgebied van deze risicobron bedraagt 1,1 km en heeft daardoor geen overlap met de ontwikkellocatie.
Verantwoording groepsrisico Een beperkte verantwoording van het groepsrisico is verplicht ten aanzien van de hogedruk aardgastransportleidingen van Gasunie en de A12. Voor de verantwoordingsplicht is gekeken naar de volgende elementen uit het Bevb en het Bevt: » » *
Algemene beschouwing veiligheidssituatie Zelfredzaamheid Bestrijdbaarheid
65
Urban Logistics Campus A12 (ULC A12) (vastgesteld)
Algemene beschouwing veiligheidssituatie Ontwikkellocatie Klappolder 1 te Bleiswijk ligt binnen het invloedsgebied van twee hogedruk aardgastransportleidingen en een transportroute gevaarlijke stoffen. Bij de hogedruk aardgas-transportleidingen is een fakkelbrand het maatgevend scenario, bij de transportroutes is het toxisch scenario relevant (vanwege de afstand tot het plangebied). Fakkelbrand Bij de hogedruk aardgastransportleiding kan een fakkelbrand ontstaan. Een fakkelbrand ontstaat wanneer door een externe beschadiging (bijvoorbeeld door graafwerkzaamheden) gas vrijkomt dat vervolgens ontsteekt. Wat volgt is een fakkelbrand die extreme hittestraling kan veroorzaken. Het invloedsgebied van de gasleiding wordt bepaald door de druk en diameter van de leiding (de hogedruk aardgastransportleidingen nabij het plangebied heeft een invloedsgebied van circa 195 en 250 meter). Toxisch scenario Een toxisch scenario ontstaat wanneer een tankwagen of wagon lek raakt en toxische stoffen ontsnappen. Toxische vloeistoffen kunnen verdampen waardoor een gaswolk ontstaat die over de omgeving uit kan waaien. Bij een percentage aanwezige personen zal letaal letsel optreden door blootstelling aan de gaswolk. Bij de toxische scenario's zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen.
Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. De omvang, verplaatsingsrichting en verstrooiing van de gaswolk is mede afhankelijk van de weersgesteldheid op dat moment. Dit scenario kan optreden op het spoor of op de weg. Hoogte van het groepsrisico In relatie tot de voorgenomen ontwikkeling is enkel de hoogte van het groepsrisico van de hogedruk aardgastransportleiding inzichtelijk gemaakt (de overige risicobronnen bevinden zich op grotere afstand). Het groepsrisico van beide hogedruk aardgastransportleidingen stijgt nihil, wat voor geen belemmeringen zorgt. Wel veranderd de kilometer van het hoogste groepsrisico. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is de mate waarin personen in staat zijn zichzelf (zonder hulp van buitenaf) in geval van een calamiteit in veiligheid te brengen. Het gewenste handelingsperspectief in geval van een calamiteit (schuilen en/of vluchten) is afhankelijk van het scenario. Mogelijkheden van zelfredzaamheid bij een fakkelbrand In het geval van een fakkelbrand is er geen tijd om te vluchten en zullen alle personen binnen de 100 procent-letaliteitscontour slachtoffer worden (deze zone bedraagt bij de buisleidingen ter hoogte van het plangebied ongeveer 95 en 110 meter en reikt tot de ontwikkelingslocatie. Buiten deze zone is schuilen in een gebouw of woning in beginsel de beste manier om de calamiteit te overleven.
Echter, dergelijke scenario's kunnen optreden zonder enige aankondiging vooraf. De omgeving zal dus verrast worden door het incident en zelfredzaamheid is niet aan de orde. Mogelijkheden van zelfredzaamheid bij een toxisch scenario Bij een calamiteit waarbij toxische gassen vrijkomen is zo snel mogelijk schuilen in een gebouw het voorkeurscenario. Bij een calamiteit met toxische gassen zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. Snel reageren, naar binnen vluchten en ramen en deuren sluiten is bij dit scenario dus van belang. In geval van een calamiteit met toxische stoffen is het van belang dat (ruimtes in) de bebouwing
66
Urban Logistics Campus A12 (ULC A12) (vastgesteld)
bescherming bieden. Van belang daarbij is dat in dat geval de (eventueel aanwezige) mechanische ventilatie centraal afgesloten kan worden (via een noodschakelaar). Dit voorkomt dat bij het optreden van een incident de ramen en deuren gesloten zijn, maar toch toxische stoffen via de ventilatie (versneld) tot het gebouw toetreden. Alarmering Gerichte risicocommunicatie met bewoners in de omgeving (bijvoorbeeld via NL-Alert) kan ertoe bijdragen dat alarmering sneller verloopt. Hierbij dient aan te worden gegeven wat het gewenste handelingsperspectief is (schuilen of vluchten) en op welke manier hieraan invulling kan worden gegeven. Op de website van Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond staan onder 'informeren en alarmeren' hoe je de betreffende instanties snel kan alarmeren. Het is aanbevelingswaardig om in het gebouw gerichte instructies op te hangen die betrekking hebben op het handelingsperspectief bij een incident met gevaarlijke stoffen. Deze maatregel kan door de ontwikkelaar met de exploitant (en eventuele samenwerking met de Veiligheidsregio) worden uitgewerkt. Interne en externe vluchtwegen Door interne vluchtwegen af te stemmen op externe veiligheid wordt geanticipeerd op een incident met gevaarlijke stoffen.
Interne vluchtwegen die gericht zijn in de richting van de risicoluwe zijde van de omgeving (richting het zuiden) voorzien in een veiligere ontvluchting in geval van een calamiteit. Het is mogelijk het gebouw aan drie zijden te ontvluchten, waaronder de risicoluwe zuidzijde. In sommige gevallen kan vluchten eveneens nodig zijn, eventueel als reactie op secundaire branden (mogelijk bij een fakkelbrand). Daarvoor is een goede infrastructuur van belang, waarbij meerzijdig, van de bron af gevlucht kan worden. De ontwikkelingslocatie wordt extern ontsloten via de Klappolder en omliggende wegen. Hierdoor is het mogelijk in meerdere richtingen te vluchten via de bestaande infrastructuur. Bestrijdbaarheid Bestrijdbaarheid is de mate waarin een rampscenario door de brandweer te bestrijden is. Elk scenario vraagt een specifiek aanvalsplan. De mate waarin uitvoering aan deze aanvalsstrategieën kan worden gegeven, hangt af van de capaciteit van de brandweer (opkomsttijd en beschikbare blusmiddelen) en de bereikbaarheid van het plangebied (opstelplaatsen). Bij de inrichting van het terrein wordt gebruik gemaakt van de "Handleiding advies bluswater en bereikbaarheid VRR". Fakkelbrand In geval van een fakkelbrand spuit aardgas onder hoge druk uit de leiding, voor de brandweer bestaat geen bestrijdingsstrategie om de bron te doven.
Gasunie zal op afstand de leiding afsluiten waarna het gas tussen de inblokking moet opbranden en de fakkelbrand na verloop van tijd dooft. De rol van de brandweer beperkt zich tot het afzetten van de omgeving, zo mogelijk het redden van slachtoffers, het koelen van panden in de omgeving en het bestrijden van secundaire branden. Toxisch scenario Bij een ongeval met toxische vloeistoffen kan de brandweer, afhankelijk van de stofintensiteit en het groeiscenario, optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen/op te nemen met water.
Conclusie De voorgenomen ontwikkeling vormt geen nieuwe externe veiligheidsbron voor haar omgeving. Wel zijn er een aantal relevante risicobronnen in de omgeving.
67
Urban Logistics Campus A12 (ULC A12) (vastgesteld)
Hogedruk aardgastransportleidingen *
» »
Langs en door het gebied lopen twee hogedruk aardgastransportleidingen (W-539-01 en A-518-03). Leiding A-518-03 heeft op moment van het aanleveren van deze rapportage nog een plaatsgebonden risicocontour die over de ontwikkellocatie heen valt. Er is overleg met Gasunie gaande om door beheersmaatregelen, deze contour terug te brengen tot tenminste buiten het plangebied. Het groepsrisico van de leidingen bevindt zich in zowel de huidige als de toekomstige situatie onder de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico van de leidingen verandert niet. Bij een ruimtelijk besluit is artikel 12 van het Besluit externe veiligheid buisleidingen van toepassing.
Rijksweg A12 * » »
De maximale 10-6 plaatsgebonden risicocontour bedraagt 0 meter. Het plaatsgebonden risico levert daarom geen belemmeringen op; De weg heeft geen plasbrandaandachtsgebied; Beperkte verantwoording van het groepsrisico is conform artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing.
Distributiecentrum Hoogvliet BV »
Het invloedsgebied reikt niet tot het plangebied. De risicovolle inrichting is daarmee geen relevante risicobron in relatie tot de voorgenomen ontwikkeling.
Verantwoording van het groepsrisico is voor zowel de hogedruk aardgastransportleiding als verschillende transportroutes gevaarlijke stoffen verplicht. Hierboven zijn elementen ter verantwoording van het groepsrisico aangedragen. Indien het bevoegd gezag akkoord gaat met deze verantwoording, en de voorgestelde maatregelen worden toegepast, vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.11
Ontplofbare oorlogsresten
Er is in 2011-2012 een vooronderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van verdacht(e) gebied(en) ontplofbare oorlogsresten uit de Tweede Wereldoorlog. Het vooronderzoek is opgesteld volgens de richtlijnen van de destijds geldende BRL-OCE, als voorloper van de BRL-OCE, die vanaf 1 januari 2021 vervangen is door het CS-VROO. Uit de controle is gebleken dat het bronnenonderzoek ook voldoet aan de eisen van het huidige CS-VROO. Voortbordurend op het vooronderzoek heeft Saricon op 8 juli 2022 een briefrapportage opgesteld waarin dit vooronderzoek verder uitgelicht wordt (zie Bijlage 18).
Onderzoek In het vooronderzoek zijn onderstaande gebeurtenissen en indicaties in kaart gebracht: » * » » » *
Grondgevechten tussen Nederlandse en Duitse eenheden in mei 1940 Luchtaanvallen door Duitse en geallieerde luchtstrijdkrachten De aanwezigheid van mijnenvelden De aanwezigheid van militaire verdedigingswerken Vliegtuigcraches Munitievondsten (inclusief verschillende getuigenverslagne/meldingen over (vermoedelijke) blindgangers (niet-ontplofte bommen)
Op basis van van bovenstaande gebeurtenissen zijn verdachte gebieden ingetekend op de bodembelastingkaart ontplofbare oorlogsresten. Uit deze bodembelastingkaart blijkt dat het onderzoeksgebied in zijn geheel onverdacht is. Het dichtsbijzijnde verdachte gebied ligt op ongeveer 400 meter afstand van het onderzoeksgebied.
68
Urban Logistics Campus A12 (ULC A12) (vastgesteld)
Figuur 23: Bodembelastingkaart ontplofbare oorlogsresten
Conclusie Gebaseerd op de resultaten van het vooronderzoek wordt geconcludeerd dat het onderzoeksgebied onverdacht is op de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten. Ontplofbare oorlogsresten vormen geen belemmeringen voor de planvorming van het project.
4.12
Bedrijven en milieuzonering
Bleiswijk Development B.V. is voornemens om het voormalige terrein van de Greenery Campus, aan de Klappolder in Bleiswijk, te herontwikkelen en te revitaliseren tot een modern regionaal toekomstbestendig logistiek opslagcentrum; Urban Logistics Campus A12 (afgekort ULC A12) (hierna: de ontwikkeling). Ten behoeve van de ontwikkeling heeft Antea Group in juli 2022 een adviesrapport voor bedrijven en milieuzoneringen opgesteld (zie bijlage 19). In dit advies is gekeken naar de invloed van de milieuzoneringen van de omliggende bedrijven op de ontwikkeling maar ook wat de invloed van potentiële milieuzoneringen van de ontwikkeling op de omgeving zouden zijn. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ruimtelijke afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en gevoelige functies (woningen) noodzakelijk. De toelaatbaarheid van gevoelige functies nabij bedrijvigheid is globaal beoordeeld met behulp van de methodiek van de VNG brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009). In het rapport zijn daarom de milieucontouren van deze bedrijven, op basis van de maximale milieucategorieën die zijn toegestaan in het vigerende bestemmingsplan, in kaart gebracht. Verder is in beeld gebracht welke knelpunten er optreden bij verschillende milieucategorieën. In februari 2023 heeft een aanvullende analyse van de vergunningen van de bedrijven in de directe nabijheid plaatsgevonden.
De resultaten daarvan zijn eveneens opgenomen in deze paragraaf.
Huidige situatie milieuzonering Het vigerende bestemmingsplan Klappolder staat vrijwel in zijn geheel bedrijven t/m cat. 3 toe. Alleen
69
Urban Logistics Campus A12 (ULC A12) (vastgesteld)
aan de westzijde is maximaal cat. 2 toegestaan. Op een aanzienlijk deel, grofweg in het midden van het plangebied, zijn echter ook bedrijven t/m cat. 4 toegestaan.
Omliggende bedrijven In het adviesrapport wordt aangegeven dat de Klappolder een gemengd bedrijventerrein is dat zich kenmerkt door de aanwezigheid van (agro)logistieke bedrijven, ambachtelijke bedrijven en bedrijvigheid in een hogere milieucategorie. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Gebieden die direct langs hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Voor het omgevingstype gemengd gebied gelden kortere richtafstanden dan voor het omgevingstype rustige woonwijk. In het onderhavige geval kenmerkt de directe omgeving van het plangebied zich door verschillende functies. Zo is er aan de oostzijde van het gebied het recreatiegebied Bleiswijkse Zoom en is het gebied verder omringd door industrie, agrarisch gebruik en wonen, daarnaast is het gebied direct langs een hoofdinfrastructuur gelegen, de A12. Er wordt dus terecht aangegeven dat er sprake is van een gemengd gebied. In het huidige bestemmingsplan en tevens de 1e partiele herziening van Klappolder overlappen de zones en bijbehorende richtafstanden elkaar, zo blijkt uit het adviesrapport.
In het adviesrapport wordt verder aangegeven dat daarmee gesteld kan worden dat de aanwezige bedrijven elkaar qua bedrijfsvoering en milieucategorie goed verdragen en geen onderlinge hinder veroorzaken, temeer er binnen het terrein van Klappolder geen milieugevoelige functies liggen. In het adviesrapport zijn meerdere omliggende bedrijven beoordeeld op basis van de gegevens opgenomen in het vigerende bestemmingsplan en de signaleringskaart. Op basis hiervan wordt in het advies vastgesteld dat geen van de activiteiten en bijbehorende milieuzones van de bedrijven een evidente belemmering vormen voor de ontwikkeling in het plangebied.
Figuur 24: Milieuzonering noordelijk van ULC A12 gelegen bedrijven, incl. richtafstanden
Milieuzonering nieuwe ontwikkeling Het adviesrapport geeft aan dat het plan zelf geen nieuwe externe veiligheidsbron vormt voor haar omgeving. In het advies is een kaart opgenomen waarop de indicatieve zonering voor de ontwikkeling is aangegeven (zie figuur 25).
70
Urban Logistics Campus A12 (ULC A12) (vastgesteld)
Figuur 25: Indicatieve zonering van de ontwikkeling In het adviesrapport zijn in aanvulling op deze kaart verschillende kaarten opgenomen waarop verschillende milieuzoneringen vanaf de rand van het plangebied (en verder) zijn ingetekend (zie figuren 26, 27 en 28).
Figuur 26: Milieuzonering t/m cat. 3.1 t.o.v. gevoelige bestemmingen (rode cirkels)
71
Urban Logistics Campus A12 (ULC A12) (vastgesteld)
Figuur 27: Milieuzonering t/m cat. 3.2 t.o.v. gevoelige bestemmingen (rode cirkels)
Figuur 28: Milieuzonering t/m cat. 4.1 t.o.v. gevoelige bestemmingen (rode cirkels) In de bovenstaande figuren, zoals opgenomen in het adviesrapport, is te zien dat bij toepassing van de milieucategorieën 3.2 en 4.1 er knelpunten ontstaan bij de nabijgelegen gevoelige functies. In het adviesrapport wordt over de inpassing van de ontwikkeling het volgende aangegeven: In vergelijking met het huidige bestemmingsplan worden de gebieden voor 3.2 en 4.1 wel groter en waar mogelijk en/of onder voorwaarden gemaximaliseerd op de verbeelding van het nieuwe bestemmingsplan totdat de richtafstanden van de omliggende functies inwaarts gezoneerd in acht worden genomen en door de milieucategorie aan de zuidzijde ter plaatse van de betreffende (bedrijfs)woningen op de verbeelding terug te brengen tot minimaal cat. 3.1. Kortom: » » »
De milieucategorieën 3.2 en 4.1 worden inwaarts gemaximaliseerd en als zodanig aangegeven op de verbeelding; De richtafstanden tot de (bedrijfs)woningen aan de zuidzijde van het plangebied worden gerespecteerd; Omliggende bedrijven op en rondom het plangebied worden niet in hun bedrijfsvoering of rechten gehinderd en/of krijgen ook niet te maken met aanvullende eisen gezien de komst van ULC A12.
Vergunningenanalyse Het adviesrapport maakt (deels) inzichtelijk dat het op de planlocatie van de ontwikkeling niet aannemelijk is dat deze zal leiden tot knelpunten. Om ook inzichtelijk te krijgen in hoeverre er een knelpunt zou ontstaan met de activiteiten van de nabijgelegen bedrijven is een vergunningenanalyse uitgevoerd. Voor de vergunde situatie van de bedrijven in de nabijheid zijn diverse vergunningen van de bedrijven Horticoop B.V., Houweling Holding B.V., Stichting Wageningen Research en Distributiecentrum Hoogvliet bekeken. Voor het bedrijf Fox Bleizo zijn vooralsnog geen vergunningen afgegeven. Voor de vergunningen van Houweling Holding B.V. geldt verder dat deze gelegen is op de planlocatie. De in dit bestemmingsplan opgenomen vereisten voor de milieucategorieën zullen dus voor dit bedrijf gelijk worden getrokken. Voor het bedrijf is een vergunning afgegeven voor het in gebruik hebben van een shredderinstallatie. Inpassing van de activiteiten is onderzocht en de activiteiten kunnen worden voortgezet binnen het vigerende bestemmingsplan. Het perceel waarop de bedrijfsactiviteiten worden uitgeoefend is ingedeeld in categorie 4.1. Binnen deze categorie zijn deze activiteiten toegestaan, tenzij gewerkt wordt met fenolhars. Op grond van de milieucomponent “geur" is dan sprake van activiteiten behorend tot categorie 4.2.
In de huidige inpandige shredderinstallatie wordt niet gewerkt met fenolhars. De activiteiten behoren dus tot categorie
72
Urban Logistics Campus A12 (ULC A12) (vastgesteld)
4.1 en zijn dus in overeenstemming met de bestemming “Bedrijventerrein” in het bestemmingsplan ULC A12. Het bedrijf heeft 17 april 2023 een vergunning aangevraagd in het kader van de Wet Milieubeheer voor de realisatie van een uitpandige shredderinstallatie eveneens zonder verwerking fenolhars, maar mogelijk is dit een activiteit die in toekomst daar wel zal plaatsvinden. De activiteit is in overeenstemming met categorie 4.1. De verwerking van fenolhars valt onder 4.2. Door op de verbeelding aan te geven “specifieke vorm van bedrijf - fenolhars” wordt de activiteit in de toekomst mogelijk gemaakt. Eventuele geurhinder zal bij de dan te verlenen milieuvergunning moeten worden onderzocht en met maatregelenmoeten worden voorkomen. Horticoop BV Horticoop werkt als coöperatie aan innovatie voor de tuinbouw. Onderdeel van haar activiteiten zijn het opslaan en het handelen in gevaarlijke stoffen. In het besluit van 3 augustus 2020 (kenmerk: 9999170886 9999833761) is echter aangegeven dat door de op 16 maart 2020 gemelde verandering (reductie opslagen) voor deze inrichting toepasselijkheid van het Bevi en de vergunningplicht komen te vervallen. Met het vervallen van de toepasselijkheid van het Bevi is voor de inrichting ook het Registratiebesluit externe veiligheid niet meer van toepassing.
Daarom is niet te verwachten dat er ten aanzien van de zoneringen een knelpunt te verwachten valt. Voor de overige vergunningen geldt dat er geen indicatie is dat er sprake is van activiteiten die de in het bestemmingsplan aangegeven milieucategorie zouden overschrijden. Stichting Wageningen Research De aan de Stichting Wageningen Research verleende vergunningen zijn van dien aard dat er geen indicatie is dat het bedrijf activiteiten zou kunnen ondernemen die de in het geldende bestemmingsplan aangegeven milieucategorie zouden overschrijden. Hoogvliet Voor het bedrijf Hoogvliet geldt dat een analyse van de vergunningen aantoont dat het bedrijf milieugevaarlijke stoffen opslaat (omgevingsvergunning 25 januari 2018). In de omgevingsvergunning wordt echter aangegeven dat de opslag niet zorgt voor extra risico’s. Verder is aangegeven dat afgeweken kan worden van de gebruiksregels omdat het de vestiging van bedrijfsactiviteiten betreft die naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met de geldende milieucategorie. De daarna verleende vergunningen geven geen indicatie dat het bedrijf activiteiten zou kunnen ondernemen die de in het bestemmingsplan aangegeven milieucategorie zouden overschrijden.
Vergroting bedrijfszonering Verder is er deels een vergroting gewenst van de bedrijfszonering in het plangebied. Het betreft dan het gebied aan de westzijde dat net buiten de bestemming “Bedrijventerrein” valt (globaal weergegeven met de gele cirkel in figuur 29). Daarnaast wordt in de punt aan de westzijde (globaal weergegeven met de blauwe cirkel in figuur 29) de milieucategorie verhoogd.
73
Urban Logistics Campus A12 (ULC A12) (vastgesteld)
Figuur 29: Vergroting milieuzonering (gele cirkel) en verhoging milieucategorie (blauwe cirkel) in het plangebied Met de kaarten "Milieuzonering t/m cat. 3.1 t.o.v. gevoelige bestemmingen (rode cirkels)" (figuur 30) en “Milieuzonering t/m cat. 3.2 t.o.v. gevoelige bestemmingen (rode cirkels)" (figuur 31) is aangetoond voor de uitbreiding naar de westzijde en de verhoging van de milieucategorie er geen sprake zal zijn van knelpunten (op de gevoelige functies), nu voor het gebied kan worden uitgegaan van het gebiedstype "gemengd gebied" waarvoor een afstand geld van 30 meter. Binnen deze afsand bevinden zich geen gevoelige objecten. Nu er aan deze zijden van het plangebied ook geen bedrijvigheid is gelegen met een hogere milieucategorie dan 2 zijn hinder en eventuele knelpunten zeer onwaarschijnlijk. Voor het overige blijven de categorieën gelijk of worden deze verlaagd en is er dus reeds sprake van inpasbaarheid.
Figuur 30: Milieuzonering t/m cat. 3.1 t.o.v. gevoelige bestemmingen (rode cirkels)
74
Urban Logistics Campus A12 (ULC A12) (vastgesteld)
Figuur 31: Milieuzonering t/m cat. 3.2 t.o.v. gevoelige bestemmingen (rode cirkels Tevens is aangegeven in het adviesrapport dat het gebied met milieuzonering 4.1 wordt vergroot ten opzichte van het huidige bestemmingsplan (zie figuur 32 en 33).
75
Urban Logistics Campus A12 (ULC A12) (vastgesteld)
Figuur 33: Huidige milieuzonering op basis van bestemmingsplan Klappolder
Ten behoeve van deze vergroting wordt in het adviesrapport aangegeven dat de milieucategorieën inwaarts worden gemaximaliseerd en dat de richtafstanden tot de woningen worden gerespecteerd. Ook wordt in het adviesrapport gesteld dat de omliggende bedrijven niet in hun bedrijfsvoering of rechten worden gehinderd. Omdat er sprake is van een indicatieve zonering, en inpasbaarheid voorop staat, wordt vastgesteld dat een vergroting van het gebied met de milieucategorie 4.1 (vooralsnog) niet mogelijk is. Derhalve wordt er vastgehouden aan de zonering voor deze categorie zoals opgenomen in het vigerende bestemmingsplan Klappolder.
Conclusie Aangetoond is dat het gebied van de Klappolder gecategoriseerd kan worden als “gemengd gebied”. Uit de vergunningenanalyse van de bedrijven in de nabije omgeving is gebleken dat de gewenste ontwikkeling niet zorgt voor knelpunten. Daarnaast is gebleken dat de vergroting van de milieuzonering en de verhoging van de milieucategorie in ze west-zuidelijke hoek naar 3.1 inpasbaar is. Het is daarom aangetoond dat de ontwikkeling in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en daarmee in het plangebied inpasbaar is, mits er geen vergroting plaatsvindt van het gebied met de milieucategorie 4.1.