CConstaterende datLansingerland
Koppel je AI →
Document · PDF

T23.04182 Geconsolideerde versie Verordening Sociaal Domein 2023

Commissie Samenleving 16 november 2023, gemeente LansingerlandBij agendapunt: Wijziging van de Verordening Sociaal Domein 202345.991 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

efficiëntie overwegingen kan de gemeente besluiten om in bepaalde (eenvoudige) aanvraagsituaties geen brede uitvraag te doen, maar direct tot het beoordelen van de aanvraag op basis van het ingediende aanvraagformulier en de daarbij gevoegde stukken over te gaan.

65/133

Hoofdstuk 3.

Adviesraad Sociaal Domein

In dit hoofdstuk zijn bepalingen opgenomen over inspraak en medezeggenschap bij de gemeente over het gevoerde en te voeren beleid op het gebied van het gemeentelijke sociaal domein door inwoners. Hieronder vallen de beleidsterreinen behorende bij de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, Jeugdwet, Participatiewet, IOAW, IOAZ en aanpalende wet- en regelgeving. Om de samenhang en de integraliteit binnen het sociaal domein ook in de inspraak en medezeggenschap te waarborgen, en omdat het niet mogelijk is alle inwoners persoonlijk bij het beleid te betrekken, wordt met dit hoofdstuk één adviesraad in het leven geroepen die zich buigt over alle beleidsterreinen binnen het sociaal domein. Dit hoofdstuk betreft een uitwerking van de verordening plicht uit artikel 2.1.3, derde lid van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, artikel 2.10 van de Jeugdwet, artikel 47 van de Participatiewet, artikel 42 van de IOAW en artikel 42 van de IOAZ; in combinatie met artikel 150 van de Gemeentewet.

Paragraaf 3.1 Algemeen Artikel 3.1.1 Adviesraad Sociaal Domein Dit artikel spreekt voor zich. Artikel 3.1.2 Taken De taken van de adviesraad op het terrein van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, Jeugdwet, Participatiewet, IOAW en IOAZ vloeien voort uit deze wetten. Zij worden hier enkel uitgewerkt. Vanuit de integrale benadering van het sociaal domein is deze taakstelling uitgebreid naar aanpalende wet- en regelgeving. Daarbij kan gedacht worden aan de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, maar ook aan bijvoorbeeld gemeentelijke minimaregelingen. De adviesraad heeft een duidelijke adviserende taak met betrekking tot het gemeentelijke beleid en de gemeentelijke regelgeving. De adviesraad houdt zich niet bezig met individuele zaken van inwoners. De adviesraad is zelf verantwoordelijk voor het regelen van haar eigen praktisch functioneren en om daarvoor regels op te stellen.

Paragraaf 3.2 Leden Artikel 3.2.1 Samenstelling adviesraad

Om de actieve betrokkenheid van alle doelgroepen en hun vertegenwoordigers binnen het sociaal domein goed tot zijn recht te kunnen laten komen, is het van belang dat de adviesraad een goede afspiegeling is van de verschillende doelgroepen en/of hun vertegenwoordigers. Het gaat hierbij in elk geval om de doelgroepen genoemd in artikel 1.2.1 van de Wmo 2015, artikel 2.3, eerste lid van de Jeugdwet, artikel 7, eerst lid van de Participatiewet, artikel 2 van de IOAW en artikel 2 van de IOAZ. Zij weten door hun ervaring immers als geen andere welke drempels er zijn en hoe deze weggenomen kunnen worden. De inspraak is echter niet beperkt tot deze doelgroepen. De inspraak geldt voor alle inwoners. Iedereen kan immers op enig moment aangewezen raken op ondersteuning. Belangrijk is dat men zich betrokken voelt bij het sociaal domein en zich hiervoor in wil zetten.

Om de onafhankelijkheid van de adviesraad te waarborgen is het van belang dat de leden geen belangen van organisaties vertegenwoordigen in de adviesraad. Inwoners kunnen lid zijn van de adviesraad vanwege het

66/133

feit dat zij deel uitmaken van één of meerdere doelgroepen, hier een nauwe verwantschap mee hebben of gewoon interesse hebben in het sociaal domein. Artikel 3.2.2 Benoeming De adviesraad is zelf verantwoordelijk voor het werven en selecteren van nieuwe leden. Deze worden vervolgens gemotiveerd voor benoeming voorgedragen aan de gemeente. De gemeente besluit over de benoeming en kan een voorgedragen lid gemotiveerd weigeren. De voorzitter wordt door de gemeente in de functie van voorzitter benoemd. De adviesraad is zelf verantwoordelijk voor het aanwijzen van een penningmeester en secretaris uit de door de gemeente in de adviesraad benoemde leden. Leden worden in principe voor een periode van vier jaar benoemd en kunnen eenmaal herbenoemd worden. Artikel 3.2.3 Aftreden Dit artikel spreekt voor zich.

Paragraaf 3.3 Werkwijze Artikel 3.3.1 Openbaarheid vergaderingen Dit artikel spreekt voor zich. Artikel 3.3.2 Advisering

Voor een effectieve advisering is het belangrijk dat de adviesraad tijdig bij beleidsontwikkelingen wordt betrokken en dat er een goede verhouding is tussen de adviesraad en het ambtelijk apparaat. Dit artikel bevat hiervoor de basis. Het artikel regelt ook de terugkoppeling vanuit de gemeente naar aanleiding van door de adviesraad uitgebrachte adviezen. Artikel 3.3.3 Geheimhouding

In artikel 3.3.2 is het uitgangspunt geformuleerd dat de adviesraad tijdig bij beleidsontwikkelingen wordt betrokken. Dit vraagt dat er vertrouwelijk met informatie wordt omgegaan. Dit artikel regelt daarom de geheimhouding. Artikel 3.3.4 Budget en faciliteiten

Voor een effectieve vervulling van de taken is het van belang dat de adviesraad wordt gefaciliteerd. Niet alleen voor vergaderruimte, maar ook voor kantoormiddelen en deskundigheidsbevordering. De gemeente zorgt voor een adequate ondersteuning. De adviesraad verantwoord de inzet van deze (financiële) ondersteuning in haar jaarverslag. Artikel 3.3.5 Slotbepalingen

Dit artikel spreekt voor zich.

67/133

Hoofdstuk 4.

Maatschappelijke ondersteuning

Paragraaf 4.1 Procedure In hoofdstuk 2 is het toegangsproces voor het sociaal domein vastgelegd. In deze paragraaf wordt dan ook verwezen naar dit proces. Wel zijn er een aantal specifieke elementen van het toegangsproces die betrekking hebben op maatschappelijke ondersteuning die in deze paragraaf nader worden uitgewerkt. Artikel 4.1.1 Melding Dit artikel spreekt voor zich. Artikel 4.1.2 Onderzoek In aanvulling op de mogelijkheid om onderzoek te doen naar de inwoner wordt in dit artikel benoemd dat de gemeente ook onderzoek kan doen naar anderen als dat van belang is voor het beoordelen van de melding. Het gaat dan om het netwerk van de inwoner en specifiek om huisgenoten. Het niet meewerken aan dit onderzoek door huisgenoten heeft ook gevolgen voor de besluitvorming door de gemeente en daarom worden zij expliciet benoemd in dit artikel. Indien de inwoner een Pgb wenst dan is ook een onderzoek naar de beoogde zorgverlener/leverancier van de inwoner noodzakelijk om te waarborgen dat de ondersteuning veilig en cliëntgericht zal worden verstrekt. Indien het gewenste Pgb niet door de inwoner zelf, maar door een derde namens hem zal worden beheerd dan is ook een onderzoek naar deze beoogde beheerder aan de orde. Artikel 4.1.3 Aanvraag Dit artikel spreekt voor zich.

Artikel 4.1.4 Beschikking In dit artikel worden een aantal specifieke punten benoemd die gelden voor het opstellen van een besluit/beschikking met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning. Daarmee wordt nader invulling gegeven aan het algemeen geformuleerde artikel 2.4.2. De inwoner moet op basis van de beschikking die hij ontvangt de informatie krijgen die nodig is om zijn rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Hiervoor is nodig dat de beschikking de inwoner goed en volledig informeert. In dit artikel staat omschreven welke elementen in ieder geval in de beschikking moeten worden opgenomen, zowel als het om een maatwerkvoorziening in natura of in de vorm van een pgb gaat. Artikel 4.1.5 Afwijking procedure Dit artikel spreekt voor zich.

Paragraaf 4.2 Kwaliteit en veiligheid Maatschappelijke ondersteuning is vaak bedoeld voor (zeer) kwetsbare inwoners. Ter bescherming van deze groep, maar ook om te voorkomen dat geld dat bedoeld is voor het effectief bieden van maatschappelijke ondersteuning wordt misbruikt voor andere doeleinden, is het van belang om heldere eisen met betrekking tot de kwaliteit en veiligheid van maatschappelijke ondersteuning te stellen. In deze paragraaf worden dan ook een aantal (basis)eisen verankerd.

68/133

Artikel 4.2.1 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordening plicht uit artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de Wmo 2015, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. De regering legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van voorzieningen bij de gemeente en de aanbieder. Het is aan de gemeente om in de verordening te bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan aanbieders van voorzieningen. Die eisen zullen ook betrekking kunnen hebben op de deskundigheid van het in te schakelen personeel. De regering benadrukt in de memorie van toelichting op artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de Wmo 2015 (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3) dat de kwaliteitseisen die zijn vervat in de artikelen 3.1 e.v. van de Wmo 2015 en die zich rechtstreeks tot aanbieders richten, daarbij het uitgangspunt zijn. De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte voor de gemeenten om in overleg met organisaties van inwoners en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning. In het eerste lid zijn een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen opgenomen.

Deze kunnen op grond van het tweede lid verder worden uitgewerkt in beleid. Deze kwaliteitseisen beperken zich niet tot de door de gemeente zelf gecontracteerde aanbieders, maar gelden ook voor aanbieders die een inwoner vanuit een pgb in wil huren. Het is namelijk van groot belang dat alle ondersteuningsverleners die vanuit de Wmo 2015 ondersteuning verlenen voldoende zijn toegerust om die ondersteuning te bieden en dat dit blijkt uit objectieve (toetsbare) maatstaven. Het derde lid benoemd het jaarlijkse cliëntervaringsonderzoek dat de gemeente op grond van artikel 2.5.1, eerste lid van de Wmo 2015 verplicht is uit te voeren. Ook worden de andere methoden genoemd waarmee de gemeente er op toeziet dat de maatschappelijke ondersteuning voldoet aan de gestelde kwaliteitseisen. In het vierde lid wordt aanvullend verwezen naar de kwaliteitseisen van GGD Haaglanden voor de voorzieningen begeleiding, dagbesteding en hulp bij het huishouden. Deze organisatie voert mede namens de gemeente Lansingerland toezicht uit op de mate waarin aanbieders voldoen aan de kwaliteitseisen. Vanuit het oogpunt van samenhang in de regio wordt er gekozen voor een verwijzing naar deze criteria. De criteria zijn terug te vinden via de website van de GGD-Haaglanden (https://www.ggdhaaglanden.nl/inspecties/toezichtwmo.htm#:~:text=GGD%20Haaglanden%20houdt%20toezicht%20op,de%20basis%20van%20het%20toezicht).

Artikel 4.2.2 Veiligheidseisen maatschappelijke ondersteuning Bij alle voorzieningen voor maatschappelijke ondersteuning is het belangrijk dat deze veilig en inwoner gericht worden verstrekt. Dit betekent dat ondersteuningsverleners, of zij nou professionals, vrijwilligers of vanuit een pgb gefinancierde informele ondersteuningsverleners zijn; moeten beschikken over de juiste deskundigheid en vaardigheden. Als dat aan de orde is; moeten zij uiteraard ook voldoen aan geldende wettelijke eisen. Om een minimale basisveiligheid in te bouwen wordt van ondersteuningsverleners een VOG gevraagd. Ook wordt gekeken of de ondersteuningsverlener wel over de juiste opleidingspapieren beschikt die gelet op de beperkingen van de inwoner en de te verlenen ondersteuning nodig zijn. Welke papieren/diploma’s dit zijn zal per situatie verschillen en is daarom in dit artikel niet verder uitgewerkt. Wel is vastgelegd dat dit in

69/133

beleid en contracten nader moet worden uitgewerkt. Voor professionals is een extra verzekeringseis opgenomen. Bij ZIN-aanbieders wordt dit contractueel afgesproken en kan hier vanuit toezicht op gecontroleerd worden. Bij Pgb-aanbieders wordt dit gecontroleerd door de gemeente en vormt het een onderdeel van de screening van het Pgb-plan. Artikel 4.2.3 Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden De gemeente kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de inwoner, door aanbieders laten verrichten (artikel 2.6.4, eerste lid Wmo 2015). Om er voor te zorgen dat deze aanbieders een reële prijs betaald krijgen voor hun diensten, moeten er bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.6.6, eerste lid, van de wet). Daarbij dient in ieder geval rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de arbeidsvoorwaarden. Om te voorkomen dat alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de uitvoering worden in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee het college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te houden.

Hiermee wordt bereikt dat een beter beeld ontstaat van de reële kostprijs voor de activiteiten die de gemeente door aanbieders wil laten uitvoeren. Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten minste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden. Artikel 4.2.4 Meldingsregeling calamiteiten en geweld In artikel 3.4, eerste lid, van de Wmo 2015 is bepaald dat de aanbieder bij de door de gemeente aangewezen toezichthouder bedoeld in artikel 6.1 van de Wmo 2015 onverwijld melding doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een voorziening. Onder ‘calamiteit’ wordt verstaan een niet-beoogde of onverwachte gebeurtenis, die betrekking heeft op de kwaliteit van een voorziening en die tot schadelijke gevolgen heeft geleid voor een inwoner. Onder ‘geweldsincident’ wordt verstaan seksueel binnendringen van het lichaam of ontucht en lichamelijk en geestelijk geweld.

In aanvulling op het bovenstaande regelt dit artikel dat er door de gemeente een regeling wordt opgesteld over het doen van meldingen en dat de toezichthouder deze meldingen onderzoekt en adviseert over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. Het in dit artikel benoemde toezicht is door de gemeente regionaal geregeld via de GGD Haaglanden. Het staat los van het in hoofdstuk 8 geregelde rechtmatigheidstoezicht ter voorkoming van oneigenlijk gebruik en misbruik van voorzieningen, al zijn er uiteraard wel raakvlakken en wordt er onderling samengewerkt.

Paragraaf 4.3 Voorwaarden maatwerkvoorziening Artikel 4.3.1 Beschikbare maatwerkvoorzieningen De gemeente kan, afhankelijk van de ondersteuningsbehoefte(n) van de inwoner, verschillende maatwerkvoorzieningen verstrekken op grond van de Wmo 2015. In dit artikel is een globaal overzicht opgenomen van de verschillende (groepen van) maatwerkvoorzieningen die beschikbaar zijn. Hoewel de 70/133

Wmo 2015 hier niet toe verplicht geeft de verordening hiermee wel een globaal beeld van de ondersteuningsmogelijkheden die de gemeente haar inwoners kan bieden. Hiermee wordt duidelijkheid geboden aan de inwoners. Artikel 4.3.2 Uitgangspunten In artikel 2.1.3 , tweede lid, sub a van de Wmo 2015 is bepaald dat de raad bij verordening moet aangeven op basis van welke criteria de gemeente vaststelt of een inwoner voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. In de memorie van toelichting op deze bepaling (TK 2013-2014, 33 841, nr. 3, blz. 134) wordt aangegeven dat het bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening op maatwerk aankomt. Gemeentelijke vrijheid is nodig omdat de behoeften van inwoners per gemeente kunnen verschillen en de sociale en fysieke infrastructuur per gemeente anders is. Ook het aanbod van algemene voorzieningen is niet in iedere gemeente gelijk. De gemeente moet aan de hand van geschikte en toepasbare criteria meer in detail en concreet nader afbakenen in welke gevallen iemand een maatwerkvoorziening kan krijgen. In dit artikel en het navolgende artikel 4.3.3 is deze verplichting uitgewerkt. Lid 1: hierin is het algemene afwegingskader dat in de Wmo 2015 centraal staat nogmaals uiteengezet. De nadruk ligt, nog meer dan onder de Wmo 2007, op de eigen kracht en hulp van anderen.

De maatwerkvoorziening vormt slechts het sluitstuk van de maatschappelijke ondersteuning. Lid 2: bepaalt dat de gemeente bij het kiezen van de voorziening kiest voor de goedkoopst passende voorziening. De voorziening die wordt verstrekt hoeft niet de goedkoopste voorziening te zijn. De gemeente onderzoekt in de eerste plaats welke voorzieningen het meest passend zijn en daarna welke het goedkoopst. Met nadruk wordt hierbij gesteld dat met het begrip passend bedoeld wordt: volgens objectieve maatstaven nog toereikend. Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat zij de voorziening passender maken, komen in principe niet voor vergoeding in aanmerking. Daarbij kan een overweging zijn dat de bruikbaarheid van een voorziening niet alleen door technische en functionele aspecten bepaald wordt. Tevens is het denkbaar dat een product dat duurder is dan een vergelijkbaar product, langer meegaat en dus uiteindelijk goedkoper is. Het toekennen van een verhuiskostenvergoeding in plaats van het volledig aanpassen van een woning valt ook onder deze bepaling. Wat betreft het kwaliteitsniveau waarvan uitgegaan kan worden, moge het duidelijk zijn dat bij een verantwoord, maar ook niet meer dan dat, niveau dient te worden aangesloten.

Ter verduidelijking een voorbeeld: als een rolstoel de meest passende voorziening voor een inwoner is, heeft die inwoner soms aanvullende wensen omtrent kleur of uitvoering. Deze aanvullende wensen maken de voorziening niet passender of doelmatiger, maar brengen meestal extra kosten met zich mee. Deze extra kosten komen in dat geval voor rekening van de inwoner. Een maatwerkvoorziening is ook niet bedoelt om een inwoner in een gunstigere positie te plaatsen. Lid 3: regelt dat een maatwerkvoorziening niet anti-revaliderend mag werken. Dit sluit aan bij het uitgangspunt van de Wmo 2015 om de zelfredzaamheid te versterken. Hierbij kan gedacht worden aan het niet verstrekken van een maatwerkvoorziening omdat die een effectieve behandeling in de weg staat. Dit is bijvoorbeeld het geval als een beperking door een medische- of psychologische behandeling weggenomen zou kunnen worden en het verstrekken van de maatwerkvoorziening de noodzaak tot het ondergaan van deze behandeling wegneemt en daarmee de beperking en de afhankelijkheid van de inwoner in stand zou houden of zelfs vergroten. Lid 4: begrenst het voorzieningenniveau dat de gemeente biedt tot een niveau waarmee de inwoner volgens de gemeente een aanvaardbaar niveau van maatschappelijke participatie kan realiseren.

Met deze bepaling wordt benadrukt dat de gemeente niet in elke wens/behoefte van een inwoner voorziet, maar ook 71/133

beoordeeld in hoeverre het noodzakelijk is om daarin te voorzien (vgl. CRvB 21 oktober 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2644) en of de inwoner niet al voldoende mogelijkheden heeft om deel te nemen aan de samenleving. Wat in een individuele situatie leidt tot een aanvaardbaar niveau van participatie is een kwestie van maatwerk, waarvoor in beleidsregels nadere criteria kunnen worden uitgewerkt. Lid 5: spreekt voor zich. Artikel 4.3.3 Weigeringsgronden In de jurisprudentie is inmiddels herhaaldelijk bepaald dat weigeringsgronden, wil er een beroep op kunnen worden gedaan, een grondslag in de verordening moeten hebben. Deze jurisprudentie staat ook wel bekend als de “essentialia jurisprudentie” (CRvB 10 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO7133 en CRvB 17 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1803). Ook in het kader van rechtszekerheid is hier iets voor te zeggen. Door het opnemen van heldere weigeringsgronden kan de inwoner zelf zijn rechtspositie bepalen. Bovendien is met dit artikel invulling gegeven aan de verplichting van artikel 2.1.3, tweede lid sub a van de Wmo 2015, omdat is aangegeven op grond van welke criteria iemand voor een maatwerkvoorziening in aanmerking kan komen. Lid 1, sub a: spreekt voor zich. Lid 1, sub b: Een maatwerkvoorziening zal pas ingezet worden als de ondersteuning niet op een andere manier kan worden gerealiseerd.

Naast de eigen kracht van de inwoner zelf is ook de beoordeling of er gebruikelijke hulp van huisgenoten verwacht mag worden een belangrijke overweging om wel of niet een maatwerkvoorziening te verstrekken. Daarbij mag van een partner ook veel meer verwacht worden (bijv. CRvB 14 april 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:823), dan van een huisgenoot met wie de inwoner een minder nauwe relatie heeft. De mogelijkheden om een beroep te kunnen doen op mantelzorg en het netwerk van de inwoner zijn eveneens van belang bij de beoordeling of een maatwerkvoorziening noodzakelijk is en sluiten aan bij de gemeentelijke visie van samenredzaamheid. Lid 1, sub c: Het is van belang om een duidelijke afbakening te hebben met andere wetten, zoals de Zorgverzekeringswet en de Wet langdurige zorg. Als voor het opheffen van een beperking of het bereiken van een gewenst resultaat een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat, wordt er geen maatwerkvoorziening vanuit de Wmo toegekend. Het voorrang geven aan het doen van een beroep op een dergelijke voorliggende voorziening sluit ook aan bij het uitgangspunt dat inwoners eerst hun eigen mogelijkheden benutten. Het gaat om de vraag of de inwoner aanspraak heeft op de voorziening. Het is niet nodig dat de inwoner daadwerkelijk over de voorziening beschikt.

Lid 1, sub d: Van inwoners wordt verwacht dat als zij schade lijden, zij er, als dat mogelijk is, ook voor zorgen dat ze die schade verhalen op de veroorzaker. Daarmee kunnen zij voorkomen dat ze een beroep moeten doen op de Wmo 2015. De eigen verantwoordelijkheid speelt immers een grote rol (CRvB 19 juni 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:776). Omdat er zich situaties kunnen voordoen waarin het niet wenselijk is dat een inwoner op deze grond een maatwerkvoorziening wordt onthouden, bevat deze bepaling wel een redelijkheidstoets. In bijzondere situaties kan de gemeente, hoewel er een derde verantwoordelijk is voor de situatie en die aangesproken kan/had kunnen worden, toch een (eventueel tijdelijke) maatwerkvoorziening verstrekken. In dat geval zal wel vast moeten komen te staan dat de inwoner zijn situatie niet zelf kan verbeteren en dat er voor het verstrekken van de voorziening een dringende noodzaak bestaat. Lid 1, sub e: Het is niet de bedoeling dat de gemeentelijke overheid voorzieningen verstrekt, waarvan gelet op de omstandigheden van de inwoner, aannemelijk is te achten dat deze daarover, ook als hij of zij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken. Uit artikel 2.3.5, lid 3 Wmo 2015 volgt dat er geen maatwerkvoorziening hoeft te worden verstrekt voor zover de gemeente van oordeel is dat de beperkingen 72/133

met een algemeen gebruikelijke voorziening kunnen worden verminderd of weggenomen. In de Memorie van Toelichting wordt dit begrip nader toegelicht: ‘Een algemeen gebruikelijke voorziening bestaat uit zaken, diensten die in de reguliere handel verkrijgbaar zijn, niet speciaal voor mensen met een beperking zijn ontworpen en niet aanzienlijk duurder zijn dan een vergelijkbaar product met hetzelfde doel (passend in een normaal aanschaffingspatroon bij een gelijke financiële positie)’. De Memorie van Toelichting noemt als voorbeeld een situatie waarin een inwoner al geruime tijd diensten (zoals huishoudelijke hulp) betrekt van een derde, waarmee de beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid of participatie al zijn verminderd of weggenomen; waardoor er geen voorziening hoeft te worden verstrekt (Kamerstukken II 2018-19, 35 093, nr. 3, p. 15). Een ander bekend voorbeeld is de elektrische fiets (bijv. CRvB 9 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3205). Ook kan gedacht worden aan een mengkraan. Lid 1, sub f: Doelt op de situatie dat de inwoner een voorziening aanvraagt nadat deze door de inwoner zelf gerealiseerd of aangekocht is. Omdat de gemeente dan geen mogelijkheden meer heeft de voorziening volgens het vastgestelde beleid te verstrekken, of op een andere manier invloed heeft op de te verstrekken voorziening, kan in deze situatie de voorziening worden geweigerd.

Door deze regeling wordt voorkomen dat een voorziening waar vroegtijdig mee is begonnen uiteindelijk niet overeenstemt met wat de gemeente als goedkoopst passende voorziening beschouwt. Ook wordt voorkomen dat de gemeente nog ver nadat de voorziening is gerealiseerd een beoordeling zou moeten maken van de situatie van toen, terwijl het probleem al is opgelost en er feitelijk op het moment van de melding geen probleem is dat de gemeente nog zou moeten compenseren. Lid 1, sub g: Een maatwerkvoorziening wordt alleen verstrekt als verstrekking daarvan op het moment van de aanvraag (medisch) noodzakelijk is om een participatiedoel dat past binnen de Wmo 2015 te bereiken. Het is niet bedoeld om te voorzien in wensen of in mogelijk toekomstige behoeften. De noodzaak van de ondersteuning zal in beginsel ook langdurig van aard moeten zijn. De Wmo 2015 is niet bedoeld voor situaties waarin iemand tijdelijk is aangewezen op een voorziening. Voor tijdelijke voorzieningen, bijvoorbeeld revalidatiehulpmiddelen kan een beroep worden gedaan op Zorgverzekering. Deze hulpmiddelen kunnen gedurende 2 x 3 maanden worden geleend en nadien zo nodig worden gehuurd. Dit is geregeld in artikel 2.12. juncto 2.6 e Regeling Zorgverzekering. Voor huishoudelijke hulp geldt een uitzondering (Kamerstukken II 2005-06, 30 131, nr. C, p.

45-46), welke in deze bepaling ook is overgenomen voor begeleiding omdat dit eveneens een dienst betreft. Wat tijdelijk is zal per situatie verschillen en zal meestal ook afhankelijk zijn van medische prognoses. Lid 1, sub h: De gemeente verstrekt vanuit de Wmo 2015 ook subsidies aan diverse organisaties binnen de gemeente Lansingerland. Deze organisaties bieden vrij toegankelijke, laagdrempelige voorzieningen aan voor de inwoners. Voordat er een maatwerkvoorziening wordt verstrekt wordt door de gemeente eerst beoordeeld of het doel ook met de inzet van een dergelijke voorziening bereikt kan worden. Dit volgt ook uit artikel 2.3.5, lid 3 van de Wmo 2015. Lid 1, sub i: Van de inwoner wordt verwacht dat hij op een verantwoorde wijze omgaat met een door de gemeente of een ander overheidsorgaan verstrekte voorziening die hem in staat stelt tot participatie en/of zelfredzaamheid. Dit past bij de prominente rol die de eigen verantwoordelijkheid inneemt in de Wmo 2015. Op het moment dat er een passende voorziening is geboden en er zich geen wijziging heeft voorgedaan in de situatie (bijv. toegenomen beperkingen waardoor de voorziening niet langer passend is), maar de inwoner door eigen toedoen of nalaten niet meer beschikt over die voorziening, dan is het niet logisch dat de gemeente opnieuw een voorziening verstrekt.

Deze bepaling ziet uitdrukkelijk alleen toe op situaties waarin de inwoner, door bijvoorbeeld roekeloosheid of onoplettendheid, een verwijt kan worden gemaakt.

73/133

Lid 1 sub j: Van een inwoner mag verwacht worden dat hij bij een verhuizing of de aanschaf van voorzieningen rekening houdt met zijn beperkingen. Zo mag bijvoorbeeld van iemand met een (progressieve) loopbeperking verwacht worden dat hij niet verhuist naar een woning met een trap waardoor hij (op termijn) geen gebruik kan maken van de woning zonder een voorziening. Doet hij dat wel, dan kan de gemeente een voorziening om die reden afwijzen. Het was immers voorzienbaar dat de keuze tot een beroep op de Wmo 2015 zou leiden. De verantwoordelijkheid van de inwoner om een voorzienbaar beroep op de Wmo 2015 te voorkomen gaat overigens niet zo ver dat van de inwoner gevraagd mag worden dat hij reserveert of andere maatregelen treft om te voorkomen dat toekomstige onzekere gebeurtenissen in zijn gezondheidstoestand als gevolg van het ouder worden leiden tot een beroep op de Wmo (CRvB 22 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2603). Lid 1 sub k: De inwoner moet op grond van de artikel 2.3.2, lid 7 en artikel 2.3.8 Wmo 2015 meewerken aan het onderzoek van de gemeente dat nodig is om vast te stellen of er een maatwerkvoorziening noodzakelijk is en hoe die maatwerkvoorziening(en) eruit moet(en) zien.

Op het moment dat een inwoner niet aan dit onderzoek meewerkt dan kan de noodzaak tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening niet worden bepaald en vormt dit een grond om de aanvraag af te wijzen (bijv. CRvB 4 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:567 en CRvB 16 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:224). Ook in situaties waarin huisgenoten niet meewerken aan een onderzoek, terwijl dit noodzakelijk is om vast te stellen in hoeverre zij gebruikelijke hulp kunnen bieden aan de inwoner, bestaat er aanleiding om de aanvraag om een maatwerkvoorziening af te wijzen (bijv. CRvB 25 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR4090). In lid 2 zijn enkele afwijzingsgronden opgenomen die specifiek een maatwerkvoorziening in de vorm van een woonvoorziening betreffen. Een woonvoorziening is vaak een woning gebonden voorziening, die niet verplaatst kan worden, bijvoorbeeld bij een verhuizing. De afwijzingsgronden zijn bedoeld om onnodige kosten te voorkomen. Lid 2, sub a: Deze afwijzingsgrond is bedoeld voor situaties waarin gebruikte materialen voor problemen zorgen of als de ondervonden problemen te wijten zijn aan achterstallig onderhoud of aan de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen. De Wmo 2015 is niet bedoeld om een woning die in slechte staat verkeert of waar gebruik is gemaakt van verkeerde bouwmaterialen te renoveren.

Ook tot het plaatsen van een voorziening in een woning die in slechte staat verkeert zal niet worden overgegaan omdat die voorziening alleen niet voldoende zal zijn om (langdurig) veilige woonsituatie te realiseren. Het behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner om ervoor te zorgen dat de aan te passen woning (eerst) in een goede staat verkeert, zodat een eventuele maatwerkvoorziening die gericht is op het zoveel mogelijk wegnemen van een beperking ook duurzaam effectief kan zijn. Lid 2, sub b: De gemeente treft alleen een maatwerkvoorziening in of aan een woning waar de inwoner zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft. Dit betekent dat als de inwoner over meerdere woningen beschikt, er maar één woning wordt aangepast. Dit kan alleen anders zijn als sprake is van co-ouderschap. In dat geval kan een inwoner twee hoofdverblijven hebben, namelijk in de woning van zowel de ene als de andere ouder. Een uitzondering op het aanpassen van een woning die niet de hoofdverblijfplaats betreft vormt het bezoekbaar maken van een woning voor een inwoner die in een Wlz instelling zijn hoofdverblijf heeft. Onder het bezoekbaar maken valt onder andere het aanpassen van de entree van de woning en als dat nodig is het zorgen voor een toiletvoorziening (waarbij de voorkeur uitgaat naar een gehuurde- in plaats van een nagelvaste voorziening).

Het gaat uitdrukkelijk niet om het logeerbaar maken van de woning, waarvoor ook aanpassingen aan de slaapruimte en natte cel gecreëerd zouden moeten worden. Aan dit bezoekbaar maken 74/133

van een woning zijn wel een aantal voorwaarden verbonden. Zo moet het bezoeken van de woning frequent en over een langere periode plaats zullen vinden, zodat de kosten in verhouding staan tot het aantal bezoeken. Ook zal de persoonlijke verzorging in de te bezoeken woning georganiseerd moeten zijn en moet het aanpassen van de woning bouwtechnisch eenvoudig mogelijk zijn. Omdat het bezoekbaar maken van een woning niet verplicht is, maar de gemeente wel bevoegd is om dit op grond van de Wmo 2015 mogelijk te maken, wordt met deze uitzondering voldaan aan de Wmo 2015. Lid 2, sub c: Met deze bepaling wordt het aanpassen van niet voor permanente bewoning geschikte woonruimten en/of woonruimten waar slechts tijdelijk wordt verbleven en/of woonruimten waarvoor de inwoner geen recht van permanente bewoning heeft; uitgesloten. Wel moet de gemeente in deze situaties voldoen aan haar verantwoordelijkheid. Dit kan door het bieden van een alternatieve oplossing in de vorm van een verhuiskostenvergoeding. Lid 2, sub d: Met deze beperking wordt invulling gegeven aan het individuele karakter van de maatwerkvoorziening, waarbij de toegang voor de inwoner wel wordt gewaarborgd. Het volledig aanpassen van collectieve ruimten sluit niet aan bij het individuele karakter van de maatwerkvoorziening. Lid 2, sub e: Deze bepaling hangt samen met de in lid 1, sub j opgenomen bepaling.

Als er in de verlaten woning geen problemen bij de zelfredzaamheid werden ervaren, is de verhuizing naar de nieuwe woning kennelijk de oorzaak van de problemen en is men dus verhuisd naar een ongeschikte woning. Niet de ondervonden beperking, maar de verhuizing naar een niet geschikte woning is dan de voornaamste oorzaak van de ondervonden problemen. Deze bepaling heeft voornamelijk betrekking op situaties waarin men gaat verhuizen zonder specifieke reden. Er wordt een uitzondering gemaakt als een belangrijke reden voor de verhuizing aanwezig is. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een verhuizing vanwege samenwoning, huwelijk of het aanvaarden van werk elders. De beoordeling of sprake is van een belangrijke reden is afhankelijk van een weging van alle feiten en omstandigheden die van belang zijn. Bij de beoordeling of er sprake is van een belangrijke reden is ook van belang of de inwoner mogelijkheden had om zelf voor een oplossing te zorgen. Lid 2, sub f: Deze bepaling hangt samen met de in lid 1, sub j opgenomen bepaling. Ook als men een goede reden heeft om te verhuizen mag van de (toekomstige) inwoner verwacht worden dat hij zoekt naar een zo geschikt mogelijke woning. Het is niet de bedoeling dat men een ongeschikte(re) woning kiest en vervolgens de rekening voor aanpassingen bij de gemeente indient.

Met “verhuizen” wordt niet alleen het feitelijke verhuizen bedoeld, maar ook alle onomkeerbare handelingen die hieraan normaal gesproken voorafgaan, zoals het tekenen van een koop-, huur- of erfpachtcontract. Van de (toekomstige) inwoner wordt verwacht dat hij vooraf contact zoekt met de gemeente en om toestemming vraagt voor de verhuizing om in aanmerking te kunnen komen voor een eventueel noodzakelijke woningaanpassing. Lid 3 regelt het primaat van het collectief vraagafhankelijk vervoer. Met deze bepaling worden de keuzemogelijkheden van de inwoner voor een oplossing voor een vervoersprobleem beperkt om het systeem van collectief vraagafhankelijk vervoer betaalbaar en daarmee in stand te kunnen houden.

Paragraaf 4.4 Aanvullende voorwaarden persoonsgebonden budget Artikel 4.4.1 Verzoek De gemeente kan een maatwerkvoorziening op grond van een verzoek van de inwoner in de vorm van een Pgb verstrekken. Deze mogelijkheid is geregeld in artikel 2.3.6 van de Wmo 2015. Van belang is dat een Pgb alleen wordt verstrekt als de inwoner met een Pgb plan kan aantonen dat hij, al dan niet met hulp uit zijn netwerk, met het Pgb in staat is om kwalitatief goede en effectieve ondersteuning te realiseren, die ook 75/133

veilig is voor de inwoner en zijn omgeving. In dit artikel zijn voor de beoordeling daarvan door de gemeente een aantal voorwaarden gesteld aan het verzoek om een Pgb. Op het moment dat het gaat om een verzoek tot verlenging van een indicatie voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een dienst, zoals huishoudelijke hulp en begeleiding, moet ook het zorgplan als bedoeld in artikel 4.4.8 worden meegestuurd en dient er verantwoording afgelegd te worden over de resultaten van de inzet in de afgelopen periode. Artikel 4.4.2 Pgb plan Lid 1: Met het Pgb plan laat de inwoner zien dat hij er bewust voor kiest om de maatwerkvoorziening niet in natura af te nemen, bij een door de gemeente gecontracteerde leverancier, maar in de vorm van een Pgb. Op basis van het Pgb plan moet de gemeente kunnen beoordelen of de inwoner, of de persoon uit zijn netwerk die namens hem het Pgb-beheer op zich wil nemen, zich voldoende beseft welke verantwoordelijkheden een Pgb met zich meebrengt en dat hij de bij een Pgb behorende taken op een verantwoorde manier kan uitvoeren. Lid 2: In het tweede lid zijn een aantal aspecten opgenomen die in elk geval in het Pgb plan benoemd moeten worden om aan de in het eerste lid genoemde voorwaarden te voldoen.

Het gaat in de eerste plaats om een toelichting op de keuze voor een Pgb (a) en een beschrijving van de voorziening waaraan de inwoner het Pgb wil besteden (b) en bij wie (c). Ook wordt van de inwoner verwacht dat hij aangeeft waarom hij juist voor deze leverancier/ondersteuningsverlener heeft gekozen, waarbij gedacht kan worden aan een toelichting op de wijze waarop hij zich op het ondersteuningsaanbod heeft georiënteerd (d). Hiernaast zal de inwoner aan moeten geven welke kostprijs de beoogde leverancier/ondersteuningsverlener hanteert (e) en welke contract vorm, conform het model van de SVB (overeenkomst van opdracht met zorginstelling, zorgovereenkomst met partner of familielid, zorgovereenkomst van opdracht, of arbeidsovereenkomst), men kiest (f). Tot slot zijn er een aantal aspecten die betrekking hebben op het waarborgen van de kwaliteit en effectiviteit van de in te kopen ondersteuning. Dan gaat het om kwaliteitsborging, waarbij gedacht kan worden aan diploma’s en keurmerken (g), maar ook hoe de aansturing van de leverancier/ ondersteuningsverlener in de praktijk is geregeld, met bijvoorbeeld evaluatiemomenten, zodat de ondersteuningsverlener/leverancier weet wat hij moet doen (h).

Ook wordt van de inwoner, of de beheerder uit zijn netwerk, verwacht dat hij een controleplan heeft (i) en dat wordt aangegeven hoe de administratie, waaronder indien van toepassing het in artikel 4.4.8 genoemde zorgplan, wordt bijgehouden (j). Tevens moet het Pgb plan laten zien dat er is nagedacht over hoe men gaat handelen als de leverancier/ondersteuningsverlener de gemaakte afspraken niet nakomt (k) of als er zich een calamiteit voordoet (l). Lid 3: Als een inwoner de beoogde leverancier naar het professionele tarief wil betalen dan gelden er een aantal aanvullende eisen. Om te kunnen controleren of daaraan wordt voldaan bevat het derde lid een aantal aanvullende stukken die bij het Pgb plan gevoegd moeten worden.

76/133

Artikel 4.4.3 Beheer Het beheren van het Pgb kan door zowel de inwoner als door een derde namens de inwoner (Pgb-beheerder) worden uitgevoerd. Voordat een Pgb wordt toegekend beoordeelt de gemeente of de inwoner, of de beoogde Pgb-beheerder namens hem, in staat is om de beheerstaken op een verantwoorde manier uit te voeren. Niet iedereen is namelijk in staat om naar behoren een Pgb te beheren. In dit artikel worden een aantal beoordelingscriteria gesteld. Lid 1: Een Pgb-beheerder zal uiteraard in staat moeten zijn om de ondersteuningsbehoefte over te brengen aan de leverancier/ondersteuningsverlener (a), maar er wordt ook gekeken naar factoren die er op wijzen dat men geen gezond beheer kan voeren (b) en risicofactoren in de vorm van verslavingsproblematiek (c), een verstandelijke beperking, een ernstig psychiatrisch ziektebeeld of een cognitieve stoornis (d) die maken dat men de taken niet (zelfstandig) op een (voldoende) verantwoorde manier uit kan voeren. Een fraudeverleden is eveneens een reden om geen Pgb te verstrekken, waarbij voor de termijn van vier jaar is aangesloten bij de termijn die het Ministerie van Justitie en Veiligheid terugkijkt bij het afgeven van een VOG (e). Tot slot zal men, met het oog op het kennen en kunnen aangaan van de verplichtingen, de Nederlandse taal voldoende machtig moeten zijn (f).

Lid 2: Op het moment dat de inwoner zelf niet in staat kan worden geacht om het Pgb te beheren bestaat er de mogelijkheid dat een derde dit namens de inwoner doet. Deze derde kan een wettelijk vertegenwoordiger zijn, dat wil zeggen dat hij door de rechtbank is benoemd om namens de inwoner zaken te regelen (curator of mentor), of iemand die door de inwoner zelf schriftelijk als vertegenwoordiger wordt gemachtigd. Op het moment dat een derde namens de inwoner het Pgb gaat beheren dan moet hij uiteraard aan dezelfde eisen voldoen als de inwoner. Om er voor te zorgen dat het Pgb door deze derde op een juiste wijze zal worden beheerd, worden er aan deze derde een aantal aanvullende eisen gesteld. Zo zal deze derde allereerst van onbesproken gedrag moeten zijn (a). Ook moet deze derde voldoende tijd hebben en voldoende zicht hebben op de situatie van de inwoner; om te waarborgen dat de leverancier/ondersteuningsverlener zijn verplichtingen nakomt (b). Hij zal dit met de inwoner moeten kunnen bespreken (c) en ook moeten er geen andere belangen in de relatie tussen hem en de inwoner (d) of tussen hem en de leverancier/ondersteuningsverlener (e) zijn; die het uitvoeren van deze taak zouden kunnen verstoren.

In het kader van een te nauwe band met de leverancier/ondersteuningsverlener kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een nauwe familierelatie (tot de vierde graad) of een zakelijke relatie waarbij de Pgbbeheerder tevens de boekhouder van de leverancier/ondersteuningsverlener is. Het is aan de gemeente om dit in de individuele situatie te beoordelen. Lid 3: Om te voorkomen dat Pgb verzoeken waarbij de inwoner zelf niet in staat is om het beheer op zich te nemen langdurig blijven liggen, omdat de inwoner niet in staat is om een geschikte beheerder in zijn netwerk aan te wijzen, bevat het derde lid een beperking met betrekking tot het opnieuw aandragen van een andere Pgb-beheerder. Op het moment dat de inwoner er niet in slaagt om een geschikte beheerder aan te dragen wordt het verzoek om een Pgb afgewezen. De inwoner krijgt dan de maatwerkvoorziening toegekend in de vorm van zorg in natura bij een door de gemeente gecontracteerde leverancier.

77/133

Artikel 4.4.4 Uitgangspunten vaststellen Pgb budget In dit artikel worden de uitgangspunten bij het vaststellen van het Pgb budget toegelicht. Hiermee wordt invulling gegeven aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder b, van de Wmo 2015. Hierin staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald op welke wijze de hoogte van een Pgb wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn. Lid 1: De hoogte van het pgb voor een dienst is afhankelijk van het aantal uren of dagdelen dat noodzakelijk is voor het bereiken van het gewenste resultaat en van de professionaliteit en de relatie tussen de inwoner en degene die de ondersteuning biedt. Voor professionele inzet, waarbij de ondersteuningsverlener ook geen deel uitmaakt van het sociale netwerk van de inwoner, zoals een vriend of familielid, is het tarief maximaal de hoogte van het tarief voor zorg in natura. Dit wordt het formele tarief genoemd. Voor ondersteuning door iemand die dit niet doet in het kader van een hulpverlenend beroep of iemand uit het eigen sociale netwerk, ligt het tarief lager. Dit wordt het informele tarief genoemd (a). Het Pgb is toereikend om effectieve en kwalitatief goede ondersteuning in te kopen (b) en bedraagt nooit meer dan de kostprijs die de gemeente op basis van de gemaakte contractuele afspraken met de zorg in natura aanbieders verschuldigd zou zijn.

Op het moment dat de inwoner de noodzakelijk geachte ondersteuning volgens de pro-forma nota goedkoper weet in te kopen dan de maximale kostprijs op basis van het zorg in natura tarief dan hanteert de gemeente bij het berekenen van het Pgb budget dit lagere tarief (c). Lid 2: geeft aan dat als er een pgb wordt verstrekt ten behoeve van een hulpmiddel, er een aanvullend bedrag wordt verstrekt voor het onderhoud van het hulpmiddel. Dit bedrag is bedoeld voor het onderhoud gedurende de gehele looptijd van de verstrekking. Deze is maximaal gelijk aan de levensduur van het hulpmiddel. Lid 3: spreekt voor zich. Artikel 4.4.5 Hoogte Pgb budget Dit artikel regelt de hoogte van het Pgb bij een aantal specifieke voorzieningen. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft in augustus 2023 twee uitspraken gedaan die gevolgen hebben voor de hoogte van het Pgb-uurtarief waarmee een persoon uit het sociaal netwerk wordt ingehuurd (ECLI:NL:CRVB:2023:1394 en ECLI:NL:CRVB:2023:1580). Als gevolg van die uitspraken moet de gemeente in de verordening uitgaan van de volgende tarieven: • Onderdeel a begeleiding: het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij de Functie Waardering Gezondheidszorg (FWG 30) van de voor de betreffende periode geldende cao VVT, te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren.

• Onderdeel b hulp bij huishouden: het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij hulp bij het huishouden van de voor de betreffende periode geldende cao VVT (Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuiszorg), te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren. De tarieven voor de overige voorzieningen zijn geïndexeerd met het consumenten prijs index (CPI). Artikel 4.4.6 Niet in het tarief Het Pgb is uitsluitend bedoeld voor de inkoop van maatschappelijke ondersteuning. Eventuele kosten die verbonden zijn aan het beheren van het Pgb, als gevolg van de vrijwillige keuze voor een Pgb, komen voor rekening van de inwoner zelf. Het Pgb bevat daarom ook geen vrij besteedbaar deel. Artikel 4.4.7 Gebruik pgb 78/133

Dit artikel spreekt voor zich. Artikel 4.4.8 Zorgplan Van de inwoner en zijn ondersteuningsverlener die een dienst levert (huishoudelijke hulp of begeleiding), wordt verwacht dat zij een zorgplan opstellen en dit actueel houden. Dit zorgplan moet ook binnen drie maanden (dezelfde termijn als waarbinnen het Pgb op grond van artikel 4.4.7 moet worden aangewend) aan de gemeente worden toegezonden. Het is de bedoeling dat dit zorgplan ook wordt bijgehouden, zodat dit bij een eventueel heronderzoek of bij een verzoek om verlenging van de indicatie kan worden bekeken om te zien hoe de ondersteuning is verlopen en wat het resultaat daarvan is geweest. Artikel 4.4.9 Weigering pgb Dit artikel spreekt voor zich. Artikel 4.4.10 Opschorting betaling uit het pgb Dit artikel spreekt voor zich.

Paragraaf 4.5 Bijdrage in de kosten Artikel 4.5.1 Bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen Dit artikel is vervallen. In samenwerking met het Zorgkantoor verstrekt de gemeente verschillende voorzieningen op grond van de Wmo 2015 aan inwoners bij Laurens Huize Sint Petrus. Huishoudelijke ondersteuning, in de vorm van een algemene voorziening, vormt hiervan een onderdeel. Laurens ontvangt per 1 januari 2024 een subsidie om deze ondersteuning te leveren. Hierdoor zijn de bewoners van Huize Sint Petrus geen eigen bijdrage meer verschuldigd. Artikel 4.5.2 Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen Op grond van artikel 2.1.4a, lid 1 Wmo 2015 bestaat de bevoegdheid om in de verordening te regelen dat er een bijdrage in de kosten is verschuldigd voor een maatwerkvoorziening. De gemeente vraagt in principe aan iedere inwoner een bijdrage in de kosten als zij gebruik maken van maatwerkvoorzieningen in natura of in de vorm van een pgb. Op grond de wetswijziging abonnementstarief wet maatschappelijke ondersteuning betalen vanaf 1 januari 2020 alle cliënten die gebruik maken van één of meer maatwerkvoorzieningen, met uitzondering van degenen die gebruik maken van het collectief vraagafhankelijk vervoer, ongeacht inkomen en vermogen, een maximale periode bijdrage. Tot 1 januari 2024 bedroeg deze eigen bijdrage € 19,00 per maand.

Hierbij is het uitgangspunt benadrukt dat de bijdrage de kostprijs van de voorziening niet mag overstijgen: de gemeente mag geen winst maken op de bijdragen. Per 1 januari 2024 heeft het rijk dit tarief geïndexeerd. Lid 3: het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 verplicht de gemeenteraad bij verordening de eigen bijdrage voor een vervoersvoorziening vast te stellen. De raad bepaalt dan ook hoe hoog dit tarief is, maar deze is niet hoger dan het tarief voor openbaar vervoer. De tarieven voor het collectief vraagafhankelijk vervoer worden jaarlijks geïndexeerd door de Metropoolregio Rotterdam-Den Haag. De gemeente past deze indexatie pas een jaar later toe. Zo worden voor het jaar 2024 de geïndexeerde tarieven van 2023 aangehouden. Voor 2025 worden de geïndexeerde tarieven van 2024 aangehouden.

79/133

In lid 4: worden een aantal uitzondering op de verschuldigdheid van de eigen bijdrage opgesomd. Een aantal van deze uitzonderingen zijn, door de in lid 2 genoemde verwijzing naar hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, al gedekt. Voor de volledigheid zijn deze uitzonderingen hier wel benoemd. a: Vloeit rechtstreeks voort uit artikel 3.8, lid 3, aanhef en onder a Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Op grond van artikel 1.1.2 Wmo 2015 moet onder echtgenoot mede worden verstaan de geregistreerde partner en diegene die geen bloedverwant is in de eerste graad en met wie en gezamenlijke huishouding wordt gevoerd. Als de gehuwden/geregistreerd partners duurzaam gescheiden leven worden zij niet als gehuwd aangemerkt. b: Vloeit rechtstreeks voort uit artikel 3.8, lid 3, aanhef en onder b Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. c: Vloeit rechtstreeks voort uit artikel 3.8, lid 3, aanhef en onder f Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. d: Vloeit grotendeels voort uit artikel 3.8, lid 3, aanhef en onder e Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 waarin is bepaald dat geen bijdrage in de kosten is verschuldigd bij een maatwerkvoorziening voor een inwoner die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, tenzij het een woningaanpassing betreft en op grond van artikel 2.1.5 Wmo 2015 is bepaald dat daarvoor door de ouders van de minderjarige een bijdrage in de kosten is verschuldigd.

Voor dit laatste is niet gekozen. De reden daarvoor is dat hierdoor een geen afweging nodig is of in een individuele situatie van het heffen van een bijdrage in de kosten van de ouders moet worden afgezien, als bedoeld in artikel 3.8, lid 3, aanhef en onder c Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Dit zorgt voor een gelijke behandeling van alle minderjarige inwoners (en hun ouders) die een beroep moeten doen op een maatwerkvoorziening. Als de maatwerkvoorziening na het achttiende levensjaar nog doorloopt is vanaf het bereiken van die leeftijd wel een bijdrage in de kosten verschuldigd. e: Vloeit rechtstreeks voort uit artikel 3.8, lid 3, aanhef en onder d Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. f: Betreft een gemeentelijke keuze om (een deel van) deze financiële vergoeding niet weer via een bijdrage in de kosten terug te halen bij de inwoner. g: Betreft een gemeentelijke keuze. h: Betreft een gemeentelijke keuze die valt in het verlengde van artikel 3.8, lid 3, aanhef en onder h Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. i en j: Betreft een keuze van de gemeente om geen eigen bijdrage van de inwoner te vragen als hij langer dan één kalendermaand in een tijdelijke instelling is opgenomen of wanneer de aanbieder de maatwerkvoorziening langer dan één kalendermaand niet kan leveren. In lid 5 en 6: is uiteengezet hoe de kostprijs tot stand komt.

Paragraaf 4.6 Waardering en ondersteuning van mantelzorgers Artikel 4.6.1 Waardering mantelzorgers en artikel 4.6.2 Ondersteuning mantelzorgers Deze bepalingen betreffen een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.6 van Wmo 2015. Hierin is opgenomen dat bij verordening wordt bepaald op welke wijze de gemeente zorg draagt voor een periodieke blijk van waardering voor de mantelzorgers van inwoners in de gemeente. Dit krijgt invulling door mantelzorgers te ondersteunen in de vorm van emotionele steun, deskundigheidsbevordering en respijtzorg 80/133

om overbelasting te voorkomen. De mantelzorger zelf hoeft niet in de gemeente te wonen om hiervoor in aanmerking te komen.

Paragraaf 4.7 Klachten en medezeggenschap Artikel 4.7.1 Klachtregeling In het eerste lid is een bepaling over klachten ten aanzien van aanbieders opgenomen. Een dergelijke bepaling is verplicht op grond van artikel 2.1.3, tweede lid, onder e, van de Wmo 2015, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van inwoner is vereist. De aanbieder is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een klachtregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder a, van de Wmo 2015). In de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 57-58) staat dat inwoners in beginsel moeten kunnen klagen over alles wat hen niet aanstaat in de manier waarop zij zich bejegend voelen. De inwoner kan ontevreden zijn over het gedrag van een gemeenteambtenaar, bijvoorbeeld over de wijze waarop een gesprek is gevoerd of over diens (vermeende) gebrek aan deskundigheid. Is de inwoner niet tevreden over een gedraging van de aanbieder, dan kan het ook gaan om bijvoorbeeld de kwaliteit van de geleverde maatschappelijke ondersteuning (in verband met de deskundigheid van de medewerker of een bepaalde houding of uitlating, gebrekkige communicatie of (on)bereikbaarheid van de aanbieder).

Het ligt voor de hand dat inwoners die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder deponeren. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en de klacht ook snel afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de gemeente voor het indienen van de klacht open. Artikel 4.7.2 Medezeggenschap Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder f, van de wet, waarin is bepaald dat in ieder geval moet worden bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van inwoners over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn, vereist is. In dit artikel gaat het dus om medezeggenschap van inwoners tegenover de aanbieder. In de Wmo 2015 is het stellen van regels hieromtrent geheel aan gemeenten overgelaten. In lid 1 is dit uitgewerkt door te bepalen dat aanbieders een regeling voor medezeggenschap dienen vast te stellen. De aanbieder is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een medezeggenschapsregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder b, van de wet). In lid 2 is een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt uitgevoerd.

Paragraaf 4.8 Nadere uitwerking Artikel 4.8.1 Nadere regels stellen Dit artikel spreekt voor zich.

81/133

Hoofdstuk 5.

Jeugdhulp

Dit hoofdstuk van de verordening geeft uitvoering aan de Jeugdwet. Deze wet maakt onderdeel uit van de bestuurlijke en financiële decentralisatie naar gemeenten van de jeugdzorg, de Jeugd-GGZ, de zorg voor jeugdigen met een beperking en de begeleiding en persoonlijke verzorging van jeugdigen. Daarnaast wordt met deze wet een omslag gemaakt van een stelsel gebaseerd op een wettelijk recht op zorg (aanspraak) naar een stelsel op basis van een voorzieningenplicht voor gemeenten (voorziening), op een wijze zoals eerder is gebeurd met de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het wettelijke recht op jeugdzorg en individuele aanspraken op jeugdzorg worden hierbij vervangen door een voorzieningenplicht waarvan de aard en omvang in beginsel door de gemeente worden bepaald (maatwerk). Het doel van het jeugdzorgstelsel blijft echter onverminderd overeind: jeugdigen en ouders krijgen waar nodig tijdig bij hun situatie passende hulp, met als beoogd doel ervoor te zorgen de eigen kracht van de jeugdige en het zorgend en probleemoplossend vermogen van het gezin te versterken.

Paragraaf 5.1 Procedure In hoofdstuk 2 is het toegangsproces voor het sociaal domein vastgelegd. In deze paragraaf wordt dan ook verwezen naar dit proces. Wel zijn er een aantal specifieke elementen van het toegangsproces die betrekking hebben op Jeugdhulp die in deze paragraaf nader worden uitgewerkt. Artikel 5.1.1 Melding en aanvraag Dit artikel spreekt voor zich. Artikel 5.1.2 Onderzoek In aanvulling op de mogelijkheid om onderzoek te doen naar de inwoner wordt in dit artikel benoemd dat de gemeente ook onderzoek kan doen naar zijn ouders als dat van belang is voor het beoordelen van de melding/aanvraag. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een belastbaarheidsonderzoek om te beoordelen of er wellicht jeugdhulp nodig is om overbelasting van de ouders te voorkomen. Indien de inwoner (of zijn ouders) een Pgb wenst dan is ook een onderzoek naar de beoogde zorgverlener/leverancier van de inwoner noodzakelijk om te waarborgen dat de ondersteuning veilig en cliëntgericht zal worden verstrekt. Indien het gewenste Pgb niet door de inwoner of zijn ouders zelf, maar door een derde namens hem zal worden beheerd dan is ook een onderzoek naar deze beoogde beheerder aan de orde. Artikel 5.1.3 Beschikking In dit artikel worden een aantal specifieke punten benoemd die gelden voor het opstellen van een besluit/beschikking met betrekking tot jeugdhulp.

Daarmee wordt nader invulling gegeven aan het algemeen geformuleerde artikel 2.4.2. De inwoner moet op basis van de beschikking die hij ontvangt de informatie krijgen die nodig is om zijn rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Hiervoor is nodig dat de beschikking de inwoner goed en volledig informeert. In dit artikel staat omschreven welke elementen in ieder geval in de beschikking moeten worden opgenomen, zowel als het om een maatwerkvoorziening in natura of in de vorm van een pgb gaat. Artikel 5.1.4 Alternatieve route Inwoners en hun ouders kunnen een behoefte aan jeugdhulp melden bij de gemeente. De toegang via de gemeente is echter niet de enige route die kan leiden tot verstrekking van een jeugdhulpvoorziening op grond van de Jeugdwet. Deze bepaling besteedt aandacht aan de alternatieve mogelijkheden.

82/133

Lid 1: In artikel 2.6, eerste lid aanhef en onder e van de Jeugdwet is geregeld dat jeugdhulp ook toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts of medisch specialist. Met een dergelijke verwijzing kan de inwoner rechtstreeks aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder. Na een dergelijke verwijzing staat echter nog niet vast welke specifieke behandelvorm van jeugdhulp (dus bijvoorbeeld welke therapie) een inwoner precies nodig heeft. Een inwoner kan op dat moment terecht bij de jeugdhulpaanbieders die de gemeente heeft ingekocht. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder (bijvoorbeeld de jeugdpsychiater, de gezinswerker of orthopedagoog) zijn die na de verwijzing beoordeelt welke jeugdhulp precies nodig is. Deze bepaalt in overleg met de inwoner daadwerkelijk de concrete inhoud, vorm, omvang en duur van de benodigde jeugdhulp. Deze aanbieder stelt dus feitelijk vast wat naar zijn oordeel de inhoud van de benodigde voorziening dient te zijn en hij zal zijn oordeel mede baseren op de protocollen en richtlijnen die voor een professional de basis van zijn handelen vormen. Bij deze beoordeling dient de jeugdhulpaanbieder zich ook te houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie. Deze afspraken zien op hoe de gemeente haar regierol kan waarmaken en op de omvang van het pakket.

Deze afspraken zullen verder ook ingaan op hoe de artsen en de gemeentelijke toegang goed van elkaar op de hoogte zijn van de doorverwijzing of behandeling van een kind, zodat de integrale benadering rond het kind en het principe van 1 gezin – 1 regisseur – 1 plan, met name bij multiproblematiek, kan worden geborgd en er geen nieuwe ‘verkokering’ zal plaatsvinden, waarbij professionals niet goed van elkaar weten dat zij bij het gezin betrokken zijn. Daarnaast zal de jeugdhulpaanbieder rekening moeten houden met de regels die de gemeente bij verordening heeft gesteld (over het vrij toegankelijke en niet vrij toegankelijke deel van de voorzieningen). Lid 2: In artikel 2.4, lid 2 aanhef en onder b van de Jeugdwet is geregeld dat jeugdhulp ook toegankelijk is via de rechter, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële jeugdinrichting. De gecertificeerde instelling is verplicht om bij de bepaling van de in te zetten jeugdhulp in het kader van een door de rechter opgelegde kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering te overleggen met de gemeente. Uiteraard kan bij dit overleg een kostenafweging plaatsvinden. De gemeente is op haar beurt vervolgens gehouden de jeugdhulp in te zetten die deze partijen nodig achten ter uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of de jeugdreclassering.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lansingerland&id=8e1a8e06-933b-42bf-b275-a267a6a85b75