[T23.02784] TL en Regels Vast te stellen bestemmingsplan Noorderseingel ten noorden 58
Tekst van het document
Verdere reducties zijn blijkens de toelichting in de VNG-publicatie niet te verantwoorden, omdat in algemene zin niet aannemelijk kan worden gemaakt dat het woon- en leefklimaat niet wordt aangetast en het functioneren van bedrijven niet in gevaar wordt gebracht. De richtafstand wordt gemeten vanaf de grens van het bedrijfsperceel tot de gevel van het gevoelige object. Navolgende tabel geeft inzichtelijk wat de richtafstanden zijn voor de verschillende milieucategorieën, zowel voor ‘rustige woonwijken’ of ‘rustige buitengebieden’ als voor ‘gemengde gebieden’. Milieu categorie
Richtafstand tot 'rustige woonwijk’ of 'rustig buitengebied'
Richtafstand tot een 'gemengd gebied'
1
10 m
0m
2
30 m
10 m
3.1
50 m
30 m
3.2
100 m
50 m
4.1
200 m
100 m
4.2
300 m
200 m
5.1
500 m
300 m
5.2
700 m
500 m
5.3
1.000 m
700 m
6
1.500 m
1.000 m
Richtafstanden en omgevingstype (Bron: VNG, 2009)
pagina 2 van 7
corresponũentieadre: | Postbus479 | 68Ŭ0 AL Arnhem | contact | T:0263576911 | E; info@sab.nl | www.sab.nl | KvK Arnhem: 09122123 L,--2oekįfdi ís,“rnh»'n, | Frombergdwarsstraat 54 | 6814DZArnhem | beŕuekaċ vs At olerdĽi-T ] Jacob Bontiusplaats9 I 1018 LL Amsterdam
adviseurs in ruimtelijke ontwikkeling
Situatie ontwikkelingslocatie
De ontwikkellocatie ligt ten noorden van Noordersingel 58 te Berkel en Rodenrijs. Aan de oostzijde van het weiland bevindt zich de Noordeindse Vaart en de Noordeindseweg. Direct aan deze weg zijn voornamelijk woonfuncties gelegen. Achter deze woningen bevinden zich diverse bedrijven. Direct ten noorden grenst het plangebied aan twee percelen met woningen en een hoveniersbedrijf. Aan de westzijde, aan de overkant van de Noordersingel, bevinden zich direct aan de weg voornamelijk woningen. Achter deze woningen bevindt zich bedrijvigheid. Ten slotte liggen direct ten zuiden van het plangebied een aantal woningen. Achter deze woningen bevindt zich bedrijvigheid. Uit het voorgaande blijkt dat de omgeving van het plangebied een divers karakter kent. Tevens maakt het deel uit van een bebouwingslint. Een lint wordt in de VNGpublicatie specifiek genoemd als ‘gemengd gebied’. Dit betekent dat de hinderafstanden met een afstandsstap mogen worden gereduceerd. Hinder als gevolg van onderhavige ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit de realisatie van woningen. Wonen betreft geen hinderveroorzakende functie. Dit betekent dat er geen nadere toetsing noodzakelijk is.
Hinder uit de omgeving van het plangebied Naast de hinder die een ontwikkeling zelf kan veroorzaken, dient ook onderzocht te worden of de beoogde ontwikkeling zelf hinder kan ondervinden van hinderveroorzakende functies uit de omgeving. Woningen moeten worden aangeduid als milieugevoelig. Aangezien er in de omgeving van de ontwikkellocatie diverse (hindergevende) functies zijn gevestigd, zijn deze geïnventariseerd. De navolgende afbeelding geeft de omliggende functies globaal weer. Vervolgens zullen eerst de planologische mogelijkheden worden bekeken en wanneer nodig zal de situatie feitelijk worden afgewogen, waarbij de verschillende functies nader worden beschreven en er getoetst wordt aan de richtafstanden uit de VNG-publicatie.
pagina 3 van 7
corresponũentieadre. | Postbus479 | 68Ŭ0 AL Arnhem | contact | T:0263576911 | E; info@sab.nl | www.sab.nl | KvK Arnhem: 09122123 L,--2oekįfdi ís,“rnh»'n, | Frombergdwarsstraat 54 | 6814DZArnhem | beŕuekaċ vs At olerdĽi-T ] Jacob Bontiusplaats9 I 1018 LL Amsterdam
adviseurs in ruimtelijke ontwikkeling
Ligging functies omgeving ontwikkeiiocatie (Bron: pdokviewer.ni, bewerking: SAB).
Woningen (geei) In de omgeving van de ontwikkellocatie bevinden zich op verschillende locaties grondgebonden woningen. Wonen betreft geen hinderveroorzakende functie. Verder onderzoek naar deze woningen is daardoor niet noodzakelijk. Bedrijven Bedrijven (paars) Aan alle zijde van het plangebied bevinden zich diverse bedrijven. Deze bedrijven zijn aan de hand van de aldaar geldende situatie geïnventariseerd. Hierbij is de maximale toegestane milieucategorie onderzocht. Voor het bedrijf gelegen bij nummer 1 geldt dat er een groothandel en opslag behorende tot milieucategorie 1 en 2 als bedoeld in de Staat van Bedrijfsactiviteiten is toegestaan. Voor een periode van maximaal 5 jaar na vaststelling van het bestemmingsplan “Groenzoom” (oktober 2019) is ook het inzamelen, scheiden en afvoeren van bedrijfsafval en een groothandel en opslag van zand en grond toegestaan op het perceel. De maximale richtafstand in een gemengd gebied is 200 meter voor dit bedrijf. Het bedrijf bij nummer 2 valt in de bedrijfssubgroep ‘Dienstverlening ten behoeve van de landbouw, plantsoenendiensten en hoveniersbedrijven, bedrijfsoppervlak > 500 m2’. Deze bedrijfssubgroep valt in milieucategorie 3.1 met een maximale richtafstand in een gemengd gebied van 30 meter.
De richtafstanden worden aangehouden vanaf de grens van het bedrijf, zoals die in de melding in het kader van het Activiteitenbesluit op 19 januari 2011 is vastgelegd.
pagina 4 van 7
correspondentieadres | Postbus479 | 68Ŭ0 AL Arnhem | contact | T:0263576911 | E; info@sab.nl | www.sab.nl | KvK Arnhem: 09122123 bezoekadres Arnhen, | Frombergdwarsstraat 54 | 6814 DZ Arnhem | bezoekadres Amsterdam ] Jacob Bontiusplaats 9 I 1018 LL Amsterdam
adviseurs in ruimtelijke ontwikkeling
Voor de overige bedrijven geldt dat maximaal milieucategorie 2 planologisch is toegestaan. Dit betekent dat voor deze bedrijven een richtafstand van maximaal 10 meter in gemengd gebied geldt. In de navolgende tabel zijn de in de afbeelding genummerde bedrijfslocaties weergegeven. Nummer kaart 1. 2. 3. 4. 5. 6.
Afstand tot plangebied 20 m 0m 18 m 55 m 60 m 25 m
Uit het voorgaande blijkt dat bedrijfslocatie nummer 2 op een kleinere afstand dan 30 meter van het plangebied ligt. Uit de hiervoor geïnventariseerde richtafstanden blijkt dat de richtafstand van bedrijfslocatie nummer 2 over het plangebied heen valt maar buiten de woonbestemming. Verder geldt dat ter plaatse van bedrijfslocatie 1 wel sprake is van een afstand die ruim genoeg is, maar van deze locatie is bekend dat zich hier momenteel ook een zwaarder bedrijf bevindt. Voor de overige bedrijven in de omgeving geldt dit niet, een nader onderzoek naar deze bedrijven wordt daarom niet noodzakelijk geacht. De bedrijfslocaties 1 en 2 komen hierna nader aan de orde. Bedrijfslocatie 1 Op de bedrijfslocatie aangeduid met ‘1’ bevindt zich onder andere het bedrijf Noordersingel 127a. Hiervoor geldt dat hier, in samenhang met wat hiervoor over is gezegd, een categorie 2 bedrijf toegestaan is. Onderhavig plan ligt ruim buiten de indicatieve zone van een categorie 2 bedrijf. Er zijn echter tijdelijk activiteiten (voor een periode van maximaal 5 jaar na vaststelling van het bestemmingsplan (oktober 2019)) van het bedrijf toegestaan met een hogere hindercategorie. Ten behoeve van deze activiteiten is een tijdelijke afscherming gerealiseerd. In het akoestisch onderzoek ten behoeven van deze afscherming is ook de geluidsbelasting van het plangebied beoordeeld (zie ook het advies van DCMR2).
Uit het onderzoek blijkt dat het bedrijf ook voor de nieuwe woningen binnen dit plangebied aan de geluidgrenswaarden kan voldoen met de extra afscherming. Er wordt onderzocht of het bedrijf elders gevestigd kan worden of teruggebracht kan worden naar maximaal categorie 2. Zowel in de bestaande, tijdelijke situatie, als in de toekomstige situatie wordt het bedrijf dus niet in haar bedrijfsvoering beperkt door de nieuwe woningen. Vice versa wordt het woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen door het bedrijf niet nadelig beïnvloed. Bedrijfslocatie 2 Feitelijk gezien bevindt zich op bedrijfslocatie 2 aan de Noordersingel 58a hoveniersbedrijf Ton Greeve Groen.
2
Advies Bedrijven en Milieuzonering, Noordersingel ten noorden van 58, DCMR, kenmerk 9999129491_9999630720, 17 juli 2019.
pagina 5 van 7
corresponũentieadre. | Postbus479 | 68Ŭ0 AL Arnhem | contact | T:0263576911 | E; info@sab.nl | www.sab.nl | KvK Arnhem: 09122123 L,--2oekįfdi ís,“rnh»'n, | Frombergdwarsstraat 54 | 6814DZArnhem | beŕuekaċ vs At olerdĽi-T ] Jacob Bontiusplaats9 I 1018 LL Amsterdam
adviseurs in ruimtelijke ontwikkeling
Adres
Functie
Noordersingel 58a
Hoveniersbedrijf
Omschrijving VNG
Plantsoenendiensten en hoveniersbedrijven: b.o. > 500 m^
Richtafstanden in meters (gemengd gebied) Geur 10
Stof 0
Geluid 30
Gevaar 10
Een richtafstand wordt gemeten vanaf de grens van het bedrijfsperceel tot de gevel van het gevoelige object. Hierbij is niet de grens van de bestemming ‘Bedrijf’ uit het bestemminsplan “Lint Noord” aangehouden, aangezien deze is bepaald op basis van verouderde gegevens, maar is de grens aangehouden zoals die in de melding in het kader van het Activiteitenbesluit op 19 januari 2011 is vastgelegd. Uit de navolgende afbeelding blijkt dat de afstand van de gevel van de dichtstbijzijnde woning (het gevoelige object) tot het bedrijfsperceel 30 meter bedraagt. De eerder geplande woningen binnen de 30 m zone zijn komen te vervallen (zie onderstaande afbeelding). De richtafstand van het hoveniersbedrijf aan de Noordersingel 58a reikt daardoor niet tot de woningen waardoor er voldaan wordt aan de richtafstand. Een nader onderzoek naar het bedrijf is niet noodzakelijk.
Afstand dichtstbijzijnde woning bouwplan tot bedrijfsperceel (paars)
In blauw de vervallen woningen binnen de 30 m zone van het bedijf.
pagina 6 van 7
corresponaentipadrř
| Postbus479 | 68Ŭ0 AL Arnhem | cortacf | T:0263576911 | E; info@sab.nl | www.sab.nl | KvK Arnhem: 09122123
LT"2oeksdi's.“rnh' n, | Frombergdwarsstraat 54 | 6814DZArnhem | be/iueksGi-s Ar isLerdt;::: ] Jacob Bontiusplaats9 I 1018 LL Amsterdam
adviseurs in ruimtelijke ontwikkeling
Conclusie Het voornemen bestaat om ten noorden van Noordersingel 58 te Berkel en Rodenrijs woningbouw te ontwikkelen. Gelet op het voorgaande onderzoek kan worden geconcludeerd dat voor alle bedrijven voldaan wordt aan de richtafstanden uit de VNG-brochure waardoor ter plaatse van het plangebied een goed woon- en leefklimaat is gewaarborgd. Tevens worden de omliggende bedrijven niet geschaad in hun ontwikkelingsmogelijkheden.
pagina 7 van 7
corresponũentieadre: | Postbus479 | 68Ŭ0 AL Arnhem | contact | T:0263576911 | E; info@sab.nl | www.sab.nl | KvK Arnhem: 09122123 L,--2oekįfdi ís,“rnh»'n, | Frombergdwarsstraat 54 | 6814DZArnhem | beŕuekaċ vs At olerdĽi-T ] Jacob Bontiusplaats9 I 1018 LL Amsterdam
Bijlage 2 Memo quick scan externe veiligheid, SAB, 22 maart 2019
adviseurs in ruinntelijke ontwikkeling
memo aan:
Gemeente Lansingerland
van:
SAB
kenmerk:
180207
datum:
22 maart 2019
betreft:
Quick scan externe veiligheid Noordersingel ten noorden van 58, te Berkel en Rodenrijs
Inleiding
Ten noorden van Noordersingel 58 te Berkel en Rodenrijs bevindt zich een onbebouwd weiland. Het voornemen bestaat om op deze locatie woningen te realiseren. Dit voornemen is echter niet mogelijk op grond van de ter plaatse geldende juridisch-planologische kaders. Daarom zal aan de hand van een wijzigingsplan de planologische procedure doorlopen worden waarin aangetoond wordt dat de voorgenomen ontwikkeling haalbaar is en er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Eén van de aspecten die onderdeel uitmaakt van een goede ruimtelijke ordening is externe veiligheid. In voorliggende memo wordt dit aspect in relatie tot de haalbaarheid van het voornemen nader beschouwd. Algemeen
Het externe veiligheidsbeleid is gericht op de beperking en/of beheersing van de risico's voor de omgeving vanwege gevaarlijke stoffen binnen inrichtingen en het vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor. Het uitgangspunt van het beleid is dat burgers voor de veiligheid van hun omgeving mogen rekenen op een minimaal beschermingsniveau (plaatsgebonden risico). Daarnaast moet de kans op een groot ongeluk met meerdere slachtoffers (groepsrisico) worden afgewogen en verantwoord bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen het invloedsgebied van een risicobron. Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het "Besluit externe veiligheid inrichtingen" (Bevi) van belang. Aanvullend zijn in het Vuurwerkbesluit en Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Daarnaast is het toetsingskader voor omgeving van transportassen en buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen vastgelegd in respectievelijk het “Besluit externe veiligheid transportroutes” (Bevt), "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb) en het Basisnet. Voor zowel de handelingen met gevaarlijke stoffen bij bedrijven als het transport van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, namelijk het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR).
pagina 1 van 5
corresporidentlsac:” | Postbus 479 | 6800 AL Arnhem | conts . | T: 026 357 69 11 | E: info@sab.nt | www.sab.nl | KvK Arnhem: 09122123 jpŕoekadi
..
I Frombergdwarsstraat 54 Į 6814DZArnhem |
......itadres Amste'jan
| Jacob Bontiusplaats 9 I 1018 LL Amsterdam
adviseurs in ruimtelijke ontwikkeling
Plaatsgebonden Risico (PR) Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die de hele tijd op die plaats aanwezig is. Bij het beoordelen van gevaarlijke locaties wordt uitgegaan van een basisnorm: het risico om te overlijden aan een ongeluk met een gevaarlijke stof mag voor omwonenden niet hoger zijn dan 1 op de miljoen per jaar. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6Zjaar contour (die als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen nieuwe kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6Zjaar contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen.
Het GR kan niet ‘op de kaart’ worden weergegeven, maar wordt weergegeven in een grafiek waar de kans (f) afgezet wordt tegen het aantal slachtoffers (N): de fN-curve.
Weergave plaatsgebonden risicocontouren, invloedsgebied en groepsrisicografiek met oriëntatiewaarde voor transport
Het groepsrisico geeft aan waar zich mogelijk een ramp met veel slachtoffers kan voordoen en houdt daarbij rekening met de aard en dichtheid van de bebouwing in de nabijheid van de risicobron. Dit laatste geldt ook voor inrichtingen. Het groepsrisico wordt weergegeven in een grafiek waarin op de verticale as de cumulatieve kans op het aantal doden per jaar en op de horizontale het aantal doden logaritmisch is weergegeven. pagina 2 van 5
corresponũentieadre: | Postbus479 | 68Ŭ0 AL Arnhem | contact | T:0263576911 | E; info@sab.nl | www.sab.nl | KvK Arnhem: 09122123 L,--2oekįfdi ís,“rnh»'n, | Frombergdwarsstraat 54 | 6814DZArnhem | beŕuekaċ vs At olerdĽi-T ] Jacob Bontiusplaats9 I 1018 LL Amsterdam
adviseurs in ruimtelijke ontwikkeling
De oriëntatiewaarde voor het groepsrisico bij inrichtingen is per inrichting gemeten en per jaar: ^ 10- voor een ongeval met ten minste 10 dodelijke slachtoffers; ^ 10-7 voor een ongeval met ten minste 100 dodelijke slachtoffers; ^ 10-9 voor een ongeval met ten minste 1.000 dodelijke slachtoffers; ^ enzovoort (een lijn door deze punten bepaalt de oriëntatiewaarde). De oriëntatiewaarde voor het groepsrisico bij het vervoer van gevaarlijke stoffen is per transportsegment (geldt ook voor buisleidingen) gemeten per kilometer en per jaar: ^ 10-4 voor een ongeval met ten minste 10 dodelijke slachtoffers; ^ 10-6 voor een ongeval met ten minste 100 dodelijke slachtoffers; ^ 10-8 voor een ongeval met ten minste 1.000 dodelijke slachtoffers; ^ enzovoort (een lijn door deze punten bepaalt de oriëntatiewaarde). Bij de toetsing wordt gekeken of de kans per inrichting of per kilometer route of tracé op een bepaald aantal slachtoffers groter is dan bovengenoemde oriëntatiewaarden. Deze oriëntatiewaarden gelden in alle situaties. In het Bevi, Bevt en het Bevb is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Deze verantwoordingsplicht houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan of het groepsrisico in de betreffende situatie aanvaardbaar wordt geacht.
In het Bevi, Bevt en het Bevb zijn bepalingen opgenomen waaraan deze verantwoording dient te voldoen. Conform de Bevt dient bij een significante toename van het groepsrisico of een overschrijding van de oriëntatiewaarde het groepsrisico verantwoord te worden. De verantwoording van het groepsrisico is conform het Bevi van toepassing indien sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting. In het Bevb is voor de verantwoordingsplicht een onderscheid gemaakt tussen het 100%letaliteitsgebied en het 1%-letaliteitsgebied. Binnen eerstgenoemd gebied geldt een uitgebreide verantwoordingsplicht, in laatstgenoemd gebied dient alleen bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid beschouwd te worden. Verplichte en onmisbare onderdelen:
A
Ligging GR Lo.v. oriënterende waarde
B
Toename GR IlO-v. nuisituatie
C
□ e mogelijkheden van zelfredzaamheid van de bevolking
D
□ e mogelijkheden van hulpverlening
E
Nut en noodzaakvan de ontwikkeling
F
Het tijdsaspect
Verplichte en onmisbare onderdelen van de verantwoordingsplicht van het groepsrisico
Voorgenomen ontwikkeling
De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van woningbouw. Daarmee worden ter plaatse nieuwe kwetsbare objecten gerealiseerd en dient beschouwd te worden of dit eventueel van invloed is op nabijgelegen risicobronnen. De ontwikkeling zelf voorziet niet in risicovolle activiteiten die van invloed kunnen zijn op het aspect externe veiligheid. Om de haalbaarheid
pagina 3 van 5
corresponũentieadre: | Postbus479 | 68Ŭ0 AL Arnhem | contact | T:0263576911 | E; info@sab.nl | www.sab.nl | KvK Arnhem: 09122123 L,--2oekįfdi ís,“rnh»'n, | Frombergdwarsstraat 54 | 6814DZArnhem | beŕuekaċ vs At olerdĽi-T ] Jacob Bontiusplaats9 I 1018 LL Amsterdam
adviseurs in ruimtelijke ontwikkeling
van de ontwikkeling aan te kunnen tonen is onderzoek verricht naar de aanwezigheid van stationaire en mobiele risicobronnen in de omgeving van de ontwikkellocatie. Risico-inventarisatie Voor de ontwikkellocatie is een risico-inventarisatie uitgevoerd. Hierbij is binnen 1 km afstand van de locatie gekeken naar de volgende aspecten, die van invloed kunnen zijn op de voorgenomen ontwikkeling: » risicovolle inrichtingen; » transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; » transport van gevaarlijke stoffen over spoor, water en weg. De navolgende afbeelding bevat een fragment van de risicokaart Nederland. De globale ligging van de ontwikkellocatie is globaal in rood aangeduid. De uitsnede betreft circa 1 kilometer rondom de locatie.
Uitsnede uit risicokaart externe veiligheid met aanduiding ontwikkellocatie (Bron: www.risicokaart.nl)
Stationaire bronnen Op circa 850 meter ten noorden van de ontwikkellocatie bevindt zich een stationaire risicobron. Het gaat om het adres Pastoor Verburghweg 2 waar Garage Langelaan B.V. is gevestigd.
pagina 4 van 5
corresponũsntiPādrř
| Postbus479 | 68Ŭ0 AL Arnhem | contact | T:0263576911 | E; info@sab.nl | www.sab.nl | KvK Arnhem: 09122123
L,-Äoek-di ;s.“.rnh' n, | Frombergdwarsstraat 54 | 6814DZArnhem | be/iuckadi-s At isLerdĽ::: ] Jacob Bontiusplaats9 I 1018 LL Amsterdam
adviseurs in ruimtelijke ontwikkeling
Volgens de gegevens van de risicokaart heeft de installatie een plaatsgevonden risicocontour (PR 10'®) van 15 (meter). Gezien de afstand van circa 850 meter ten opzichte van de ontwikkellocatie, vormt deze risicobron geen belemmering. Mobiele bronnen In de omgeving van de ontwikkellocatie kunnen verschillende mobiele bronnen voor vervoer van gevaarlijke stoffen aanwezig zijn. Hierbij gaat het om hogedrukaardgasleidingen en vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor. Buisleidingen Er bevindt zich ten noorden van de ontwikkellocatie, op ongeveer 320 meter, een hoofdtransportbuisleiding. Het betreft concreet een NPM-leiding, die beheerd wordt door Pipeline Control. De leiding transporteert CO2 en heeft een werkdruk van 22 bar en diameter van 26 inch. De leiding heeft een belemmeringenstrook van 4 meter aan weerszijden. Binnen de 1% letaliteitscontour van 40 meter aan weerszijden gelden eisen bij (her)ontwikkeling van gebouwen aan de zelfredzaamheid van personen. De locatie is ruim buiten deze contour gelegen. Er gelden daarom geen bijzondere eisen en een nadere onderbouwing kan achterwege blijven. Transport over weg, water en spoor Aan de hand van het Basisnet Weg, Basisnet water, Basisnet Spoor, en de risicokaart zijn de omliggende (spoor7water)wegen verkend. Hieruit blijkt dat er in de nabije omgeving van de locatie geen gevaarlijk transport plaats vindt.
Een nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk. Conclusie
Het groepsrisico hoeft niet verder te worden verantwoord, omdat de ontwikkellocatie buiten het invloedsgebied van de aangegeven risicobronnen ligt. De planontwikkeling heeft daardoor geen effect op het groepsrisico. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
pagina 5 van 5
corresponũentieadre. | Postbus479 | 68Ŭ0 AL Arnhem | contact | T:0263576911 | E; info@sab.nl | www.sab.nl | KvK Arnhem: 09122123 L,--2oekįfdi ís,“rnh»'n, | Frombergdwarsstraat 54 | 6814DZArnhem | beŕuekaċ vs At olerdĽi-T ] Jacob Bontiusplaats9 I 1018 LL Amsterdam
Bijlage 3 Quick scan natuur, SAB, 22 maart 2019
adviseurs in ruimtelijke ontwikkeling
Quick scan natuur
Berkel en Rodenrijs, Noordersingel ten noorden van 58 Gemeente Lansingerland
Datum: 22 maart 2019 Projectnummer: 180207
SAB Postbus 479 6800 AL Arnhem tel: 026 - 357 69 11 fax: 026 - 357 66 11 Auteur: Tweede lezer: Project: Berkel en Rodenrijs, Noordersingel Projectnummer: 180207
INHOUD
1 1.1 1.2
Inleiding Aanleiding Plangebied
3 3 3
2 2.1 2.2 2.3
Wettelijk kader Gebiedsbescherming Soortenbescherming Bescherming houtopstanden
7 7 8 8
3 3.1 3.2
Onderzoeksmethode Deskundigheid Werkwijze
9 9 9
4 4.1 4.2 4.3
Resultaat Gebiedsbescherming Soortenbescherming Bescherming houtopstanden
10 10 11 18
5 5.1 5.2 5.3 5.4
Conclusie en advies Gebiedsbescherming Soortenbescherming Bescherming houtopstanden Vervolgstappen
19 19 19 22 22
Geraadpleegde bronnen Bijlage 1. Wettelijk kader
1
Inleiding
1.1
Aanleiding Aan de Noordersingel ten noorden van 58 te Berkel en Rodenrijs ligt een onbebouwd weiland. De gemeente Lansingerland is voornemens om op deze locatie woningbouw te realiseren. Voor deze ontwikkeling wordt een wijzigingsplan opgesteld. Het is verboden bij een ruimtelijke ontwikkeling de natuurwet- en regelgeving te over treden. Voorliggende rapportage zet door middel van een quick scan natuur uiteen of met de ruimtelijke ontwikkeling mogelijk sprake kan zijn van het verstoren van be schermde natuurgebieden en beschermde soorten en of nader onderzoek hiernaar noodzakelijk is.
1.2
Plangebied
1.2.1
Huidige situatie Het plangebied ligt in het buurtschap Noordeinde, ten noorden van de kern van Berkel en Rodenrijs. Het plan ligt tussen twee bebouwingslinten, de Noordeindseweg en de Noordersingel. Langs de Noordersingel staan woningen, bedrijven met bedrijfswonin gen en kassen. Navolgende afbeeldingen geven de globale ligging van het plangebied weer.
3
:heveningen BJ
N44
Hazerswoude-Dorp
Stompwijk
N206
Benthuizen
Voorburg
en Haag
nn
Zoetermeer N209
BQ Moerkapelle
Rokkeveen Rijswijk
nn
m n Pijnacker N470
Delft
\f
1 N2091 Bleìswìjk
Delfgauw
nn
Den Hoorn
N219
Berkel en Rodenrijs
N470
Nieuwe aan den
Schipluiden N468
Zevenhuizen
Q] N2i;S.
n4|I
Go gle
PRINS ALEXANDER _____^1___
Topografische kaart met de globale ligging van het plangebied (rood omkaderd).Bron: Google Maps. Bewerking: SAB.
Luchtfoto met de globale ligging van het plangebied (rood omkaderd). Bron: Google Earth. Be werking: SAB.
Op 30 oktober 2018 is een veldbezoek aan het plangebied uitgevoerd. Het plangebied bestaat uit een begraasde schapenweide met kruidenarm grasland. In het zuiden van 4
het terrein ligt een kleine vijver en er loopt een smalle sloot door het gebied. Ook aan de westgrens van het plangebied ligt een sloot. De oostgrens van het gebied wordt gevormd door de Noordeindsevaart met daarlangs een dijk. Er staat één enkele boom op het terrein. Verder staat er een boom direct aan de noordgrens van het plangebied. Navolgende afbeeldingen geven een impressie van het plangebied ten tijde van het veldbezoek.
Plangebied ten tijde van het veldbezoek.
1.2.2
Toekomstige situatie De locatie wordt herontwikkeld met in totaal maximaal 13 woningen. Hiervan worden er 9 georiënteerd op de Noordersingel; drie vrijstaande woningen en de overige zes in een ‘boerderijgebouw’ dat eveneens is gericht op de Noordersingel. De overige vier woningen worden georiënteerd op de Noordseindsevaart en -weg. Het betreft vrij staande woningen op ruime percelen. De woningen worden alle ontsloten via een nieuwe toegangsweg die aansluit op de Noordersingel; deze komt uit op het gezamenlijke, centraal gelegen boerenerf. Ook wordt een kleine brug gemaakt aan de Noordersingel om de woningen aan de voorzij de te voet te bereiken. Het zuidelijke deel van het plangebied wordt gevrijwaard van bebouwing; hier is ruimte voor groen en water. Er is ruimte voor vervangend oppervlaktewater met natuurvrien delijke oevers.
5
LEGENDA » percddl
* coltdcliaf groen v ontsluiting s vaart a bebouwing planlocatie - bestaartde bebouwing m Ie rangs ontsluiting a loopbrug a 2e rangs ontsluiting a bebouwingsgebied a structurele kadeveibeterinj a opvulling tol kruinhoogte a achterertgebied a voorgevel - watergevel a nokrichtirìg a beschoeiing a berging a parkeren
Verkaveling en inrichting Bron: oosterlaan | architectuur & vormgeving
6
2 Wettelijk kader Hieronder staat een samenvatting van het wettelijk kader. Een uitgebreide beschrij ving staat in bijlage 1.
2.1
Gebiedsbescherming
2.1.1
Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden Op grond van de Wet natuurbescherming kunnen natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna, door de Minister worden aangewezen ter uitvoe ring van de Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijn, de zogeheten Natura 2000-gebieden. Ook kan de Minister op grond van deze wet in enkele specifieke gevallen bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen. Bij de aanwijzing van een Natura 2000-gebied worden voor het gebied instandhoudingsdoelstellingen voor te beschermen soorten en/ of habitats vastgesteld. Het is verboden om zonder vergunning projecten of andere handelingen te realiseren of te verrichten die de instandhoudingsdoelstellingen kunnen schaden. Verder geldt dat een plan, dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, door een bestuursorgaan pas vastgesteld kan worden indien een passende beoordeling is gemaakt.
2.1.2
Natuurnetwerk Nederland De Wet natuurbescherming draagt Gedeputeerde Staten op, om in hun provincie te zorgen voor een landelijk ecologisch netwerk, genaamd Natuurnetwerk Nederland. De bescherming van dit natuurnetwerk wordt geregeld bij provinciale verordening. Daar naast kunnen provincies bij provinciale verordening andere gebieden met bijzondere natuurwaarden beschermen, genaamd bijzondere provinciale natuurgebieden en bij zondere provinciale landschappen. De provincie Zuid-Holland heeft de bescherming van Natuurnetwerk Nederland opge nomen in artikel 2.3.2 van de Verordening Ruimte 2014. Voor gebieden binnen het NNN die zijn verbeeld als bestaande en nieuwe natuur, ecologische verbinding, of waternatuurgebied geldt dat er geen nieuwe ontwikkelingen mogen worden toegelaten die de uiteindelijke realisatie van het NNN onmogelijk maken. De bescherming vindt plaats door toepassing van het ‘nee, tenzij’-regime. Nieuwe plannen en projecten zijn niet toegestaan als deze een significant effect hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied, tenzij daarmee een groot openbaar belang gediend is en er geen reële alternatieven zijn. In dat geval moet de schade zoveel mogelijk beperkt worden door het treffen van mitigerende maatregelen en moet de resterende schade gecompenseerd worden, waarvoor een ontheffing van Gedeputeerde Staten vereist is.
Via artikel 2.2 van de Verordening Ruimte worden daarnaast belangrijke weidevogelgebieden beschermd via een ‘nee, tenzij’-regime. De regels voor compensatie van waarden die verloren gaan binnen het NNN of binnen belangrijk weidevogelgebied staan beschreven in de beleidsregel Compensatie Natuur, Recreatie en Landschap Zuid-Holland (2013).
7
2.2
Soortenbescherming De bescherming van dier- en plantensoorten is geregeld in de Wet natuurbescher ming. Voor een aantal soorten is door middel van verboden een beschermingsregime opgenomen. Er is een apart beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten, voor Habitatrichtlijnsoorten en voor andere soorten. Naast de beschermde plant- en diersoor ten geldt voor al de in het wild levende soorten ook een zorgplicht. Iedereen dient vol doende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. Dit houdt onder meer in dat men negatieve gevolgen voor aanwezige soorten zoveel mo gelijk beperkt door het nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden verwacht. Provinciale Staten kunnen in een verordening een vrijstelling verlenen van de verbo den van de wet. De provincie Zuid-Holland heeft besloten voor een aantal algemeen voorkomende zoogdiersoorten en amfibieën een vrijstelling te verlenen, voor hande lingen die men verricht in het kader van ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en voor handelingen in het kader van bestendig beheer en onderhoud. Het betreft de soorten aardmuis, bosmuis, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, hermelijn, huisspitsmuis, konijn, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel, woelrat, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker en middelste groene kikker.
Daarnaast zijn de verboden niet van toepassing op handelingen die men uitvoert in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling of bestendig beheer en onderhoud, wanneer men die handelingen uitvoert conform een goedgekeurde gedragscode. Tot slot kunnen Gedeputeerde Staten, wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat, onder bepaalde voorwaarde een ontheffing verlenen van de verboden.
2.3
Bescherming houtopstanden Het is verboden houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, zon der voorafgaande melding bij de provincie. Een houtopstand is hierbij gedefinieerd als een eenheid van bomen of struiken met een oppervlakte van ten minste 1.000 vier kante meter of een rijbeplanting die meer dan 20 bomen omvat. De wet schrijft verder voor dat wanneer een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, de grond binnen drie jaar moet worden herbeplant. Bovenstaande bescherming geldt niet voor alle houtopstanden. De regels zijn onder meer niet van toepassing op houtopstanden op erven of in tuinen en op houtopstan den binnen de, bij besluit van de gemeenteraad, vastgelegde grenzen van de be bouwde kom. Ook voor het dunnen van een houtopstand gelden de regels niet.
8
3 3.1
Onderzoeksmethode Deskundigheid Kwaliteit van het ecologisch onderzoek en het geleverde product staan bij SAB hoog in het vaandel. Mede daarom zijn wij aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus (NGB); de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. Om aan onze standaard te voldoen, wordt ecologisch onderzoek enkel uitgevoerd door deskundigen. Onder een ecologisch deskundige verstaan we iemand met aantoonbare ervaring en kennis op het gebied van de ecologie van de betreffende soorten. Onze deskundigen voldoen aan de eisen van een ecologisch deskundige zoals de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland die stelt. Ecologen in opleiding tot deskundige werken altijd onder begelei ding van een deskundige.
3.2
Werkwijze Voor het onderzoek werd een bureaustudie uitgevoerd en werd een veldbezoek aan de locatie gebracht. Als eerste werd voor het onderzoek, op basis van informatie van de opdrachtgever, het plangebied in beeld gebracht en werden de toekomstige ont wikkelingen beschreven. Vervolgens werd onderzocht welke beschermde plant- en diersoorten in de omgeving van het plangebied zijn te verwachten. Hiervoor werd de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd op 25 oktober 2018, waar bij waarnemingen van de afgelopen 10 jaar werden opgevraagd. Aanvullend hierbij is gebruik gemaakt van andere bronnen, als websites en verspreidingsatlassen. Bij deze bureaustudie werd ook de ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000gebieden en gebieden die via de provinciale verordening zijn beschermd onderzocht. Hiervoor werd onder meer informatie van de website van de provincie geraadpleegd. Vervolgens werd een veldbezoek aan het plangebied en de directe omgeving ervan gebracht. Dit bezoek vond plaats op 30 oktober 2018, bij droog, windstil bewolkt weer en een temperatuur van circa 8 graden. Doel van deze veldverkenning was om een indruk te krijgen van de habitats ter plaatse en om de geschiktheid van het plangebied voor de verschillende soortgroepen te beoordelen. Het veldbezoek heeft niet de status van een volledige veldinventarisatie.
Het eenmalige veldbezoek geeft een globaal beeld van aanwezige soorten en habitats op basis van een momentopname. Met de gegevens uit de bureaustudie en het veldbezoek is vervolgens een inschatting gemaakt van de mogelijke effecten op beschermde soorten en beschermde gebieden. Op basis van deze inschatting is een advies opgesteld met aanbevelingen voor ver volgstappen. Nadat het eerste conceptrapport gereed was, is dit beoordeeld op in houd en vorm door een deskundig collega. Het commentaar is vervolgens besproken en verwerkt, om zo tot een eensluidend advies te komen.
9
4
Resultaat
4.1 Gebiedsbescherming 4.1.1
Wet natuurbescherming Het plangebied ligt niet in een gebied dat in het kader van de Wet natuurbescherming is aangewezen (zie navolgende afbeelding). Ook liggen er geen Natura 2000gebieden in de omgeving van het plangebied. Deze liggen allen meer dan 10 kilome ter van het plangebied verwijderd. Door de afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebied zijn negatieve effecten op deze gebieden uit te sluiten. Een voortoets Wet natuurbescherming is daarom niet nodig.
Globale ligging van het plangebied (rood omkaderd) ten opzichte van Natura 2000-gebleden. Bron: Aerius. Bewerking: SAB.
4.1.2
Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt niet binnen Natuurnetwerk Nederland (zie navolgende afbeelding). De dichtstbijzijnde onderdelen van het Natuurnetwerk liggen op enkele kilometers van het plangebied verwijderd. Zo ook Belangrijk weidevogelgebied. Strategische reserve ring natuur ligt geheel niet in de omgeving van het plangebied. Aangezien het plange bied niet in één van deze gebieden ligt, leidt de voorgenomen ingreep niet tot vermin dering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van de aanwezige natuur. De voorgenomen ingreep zal geen effect op de wezenlijke waarden en kenmerken van de provinciaal beschermde natuur hebben. De bescherming van deze gebieden staat de uitvoering van het plan niet in de weg.
10
Globale ligging van het plangebied ten opzichte van Natuurnetwerk Nederland en Belangrijk weldevogelgebled. Bron: Provincie Zuid-Holland. Bewerking: SAB.
4.2 Soortenbescherming In deze paragraaf beschrijven wij de beschermde soorten die mogelijk aanwezig kun nen zijn in of nabij het plangebied. Zoals beschreven in paragraaf 2.2, geldt voor een aantal meer algemeen voorkomende beschermde soorten zoogdieren en amfibieën een provinciale vrijstelling van de verboden in de wet, bij werkzaamheden in het kader van ruimtelijke inrichting en ontwikkeling. In deze paragraaf wordt met name aandacht besteed aan de beschermde soorten waarvoor een dergelijke vrijstelling niet geldt. 4.2.1
Planten De vaatplanten die zijn beschermd middels de Wet natuurbescherming betreffen veel al zeldzame soorten, waarvan de meeste Rode Lijst-soorten, met specifieke groei plaatsen in met name stabiele en natuurlijke biotopen, zoals bossen, zeeduinen, kalkgraslanden, beekdalen, veengronden en moerassen. Ook is een aantal soorten beschermd die groeien op oude en verweerde muren en zijn enkele zeldzame akkerplanten beschermd. Een deel van de beschermde planten komt alleen voor in ZuidLimburg. Veel soorten komen voornamelijk voor op kalkhoudende en voedselarme grond (Sparrius et al. 2012). Naast de beschermde vaatplanten zijn er twee mossoor ten beschermd. Beide soorten zijn zeer zeldzaam. Tonghaarmuts is in Nederland ge vonden in vochtige, jonge wilgenbossen en in jonge aanplant van zomereik. Geel schorpioenmos groeit op moskussens op venig substraat (Janssen en Schamineé 2004, verspreidingsatlas.nl).
11
In het plangebied is sprake van voedselrijk en kruidenarm begraasd grasland. Be schermde planten worden in een dergelijk biotoop niet verwacht. Ook zijn er geen groeiplaatsen van beschermde vaatplanten in de omgeving bekend aldus de verspreidingsgegevens van de NDFF. Een nader onderzoek naar beschermde planten is daarom niet noodzakelijk. 4.2.2
Grondgebonden zoogdieren Het terrein bestaat uit een kort begraasd grasland. Dekking of schuilgelegenheid van struweel of andere beschutting biedende landschapselementen is niet aanwezig. Beschermde grondgebonden zoogdieren komen voornamelijk voor in natuurlijke- of half-natuurlijke habitats zoals bos, heide of kleinschalig agrarisch landschap. Een aan tal soorten is zeer zeldzaam en komt alleen in Zuid-Limburg voor. Dit geldt voor ham ster, hazelmuis, eikelmuis, molmuis, lynx en wilde kat. Ook de wolf is zeldzaam en is in Nederland zwervend aanwezig, in met name het oosten van het land. Andere soor ten, zoals bever, boommarter, das, eekhoorn, steenmarter, waterspitsmuis en wild zwijn komen algemener voor. Met name eekhoorn en steenmarter worden ook regel matig in meer stedelijk gebied aangetroffen (Lange et al. 2003, verspreidingsatlas.nl). Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF komen er geen beschermde grondge bonden zoogdieren in de omgeving van het projectgebied voor. Gezien het gebrek aan beschutting door bijvoorbeeld bos of struweel zijn deze ook niet in het plangebied te verwachten. Nader onderzoek naar grondgebonden zoogdieren is daarom niet no dig.
4.2.3
Vleermuizen Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF komen de gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis in de buurt van het plangebied voor. Ook de gewone grootoorvleermuis en meervleermuis kunnen in de omgeving van het plangebied voorkomen (verspreidingsatlas.nl). Alle vleermuis soorten, alsmede hun verblijfplaatsen, essentiële foerageergebieden en vliegroutes zijn beschermd volgens de Wet natuurbescherming. Vleermuizen zijn globaal op te delen in gebouwbewonende soorten zoals gewone dwergvleermuis en boombewonende soorten als rosse vleermuis en watervleermuis Daarnaast bestaan soorten die van beide elementen gebruikmaken. Daarbij is ook onderscheid te maken in zomer- en winterverblijfplaatsen van de verschillende soor ten. Sommige soorten zoals de gewone dwergvleermuis verblijven het gehele jaar in gebouwen (spouwmuren, achter gevelbetimmeringen, etc.). Andere soorten als de rosse vleermuis verblijven jaarrond in bomen (in holten, holen en achter loshangend schors). De watervleermuis overwintert echter weer in bunkers, grotten en kelders en verblijft in de zomerperiode in boomholten (Dietz et al. 2011). Gebouwbewonende vleermuissoorten Gebouwbewonende vleermuizen hebben hun verblijfplaats achter bijvoorbeeld gevelbetimmering, in spouwmuren, achter dakbeschot, achter luiken en in schoorstenen (BIJ12 2017a, Dietz et al.
2011). Er staan geen gebouwen in het plangebied. De aan-
12
wazigheid van verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen is daarom uitge sloten. Boombewonende vleermuissoorten Boombewonende soorten worden gevonden in holten en spleten in bomen en achter loshangend schors. Bomen dienen hiervoor een zekere diameter en leeftijd te hebben. Zo hebben vleermuizen genoeg ruimte in de boom. Grofweg zijn hardhout bomen als eik en beuk jonger dan 60 jaar en zachthout bomen jonger dan zo’n 30 jaar voor een spechtenhol nog niet geschikt (Zoogdiervereniging & Probos 2012). Er staat slechts één boom in het plangebied. Ook staat er een boom aan noordgrens net buiten het plangebied. Beide bomen zijn gecontroleerd op holtes die boombewonende vleermuizen als ver blijfplaats kunnen gebruiken. In de boom binnen het plangebied is geen holte aanwe zig die vleermuizen als verblijfplaats zouden kunnen gebruiken. Verschillende van de ze holten zijn wel aangetroffen in de boom net buiten de plangrenzen. De boom zal behouden blijven en zal in de toekomst grenzen aan een tuin. Als de boom toch wordt gekapt of wanneer verblijfplaatsen door de ontwikkeling kunnen worden verstoord of geblokkeerd is er mogelijk sprake van het verstoren of vernietigen van de vleermuis verblijfplaatsen. Dit kan voorvallen wanneer sterke verlichting wordt geplaatst die op de boom schijnt of een schutting of haag vlakbij de boom wordt geplaatst.
Er is dan sprake van overtreding van de Wet natuurbescherming. Daarom moet minimaal een afstand tot het begin van de kruin van de boom worden aangehouden voor het plaat sen van hoge objecten (>1,5 m). Wanneer dit niet mogelijk is, is nader onderzoek noodzakelijk om vast te stellen of er daadwerkelijk verblijfplaatsen in de boom aanwe zig zijn. Mogelijk is voor de ontwikkeling een ontheffing van de Wet natuurbescher ming noodzakelijk.
In de aangetroffen holtes in de boom kunnen verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen aanwezig zijn. Vleermuissoorten en functies die wel of niet zijn uit te sluiten in het plangebied. “x”= functie is niet uit te sluiten, “-“ = functie is uit te sluiten. Vleermuissoort
Kraamverblijf
Zomerverblijf
Paarverblijf
Winterverblijf
Ruige dwergvleermuis
-
x
x
x
Gewone grootoorvleermuis
x
x
x
x
Watervleermuis
x
x
x
x
13
Rosse vleermuis
x
x
x
x
Essentieel foerageergebied Alle in Nederland voorkomende vleermuizen leven van insecten. Zij foerageren daar om op plaatsen waar veel insecten aanwezig zijn. Voorbeelden van veel voorkomende foerageergebieden zijn openingen op kruinhoogte tussen bomen, boven water en in de luwte van dijken. Als een dergelijk foerageergebied van zeer groot belang is voor vleermuizen van een bepaalde verblijfplaats, kan gesproken worden van een essenti eel foerageergebied. Als een dergelijk foerageergebied verloren zou gaan, zou de voedselvoorziening van deze vleermuizen verdwijnen, waardoor ze de verblijfplaats moeten verlaten. Het verdwijnen van het foerageergebied leidt zo tot het niet meer functioneren van de verblijfplaats. Dergelijk essentieel foerageergebied is beschermd. Het grasland vormt geschikt foerageergebied. Het is echter niet te verwachten dat het plangebied essentieel foerageergebied vormt voor een populatie vleermuizen. Het plangebied ligt in het buitengebied en er is in de directe omgeving van het plangebied volop vergelijkbaar foerageergebied aanwezig waar vleermuizen voedsel kunnen vin den. Ook wanneer er verblijfplaatsen in de noordelijke boom aanwezig zijn, blijft er voldoende foerageergebied hier rondom aanwezig, zoals de watergang direct ten oos ten van het plangebied en de omliggende groene tuinen.
Essentiële vliegroutes Om zich van hun verblijfplaatsen naar hun foerageergebied te verplaatsen worden door een aantal soorten steeds dezelfde lijnvormige elementen gebruikt. Bijvoorbeeld de gewone dwergvleermuis gebruikt vaak bomenrijen waaraan het zich kan oriënte ren. Als een dergelijke route verdwijnt of onderbroken wordt, vervalt deze mogelijkheid om van verblijfplaats naar foerageergebied te komen. Vleermuizen moeten dan een alternatieve route zoeken. Als dit niet mogelijk is en als de vliegroute door veel vleer muizen wordt gebruikt, kan dit een groot negatief effect op de vleermuizenpopulatie in het gebied hebben (Limpens et al. 2004). Daarom zijn dergelijke vliegroutes be schermd. Zowel ten oosten als ten westen van het plangebied liggen doorlopende wa tergangen die als vliegroute kunnen worden gebruikt. Echter zijn ook ten noorden en zuiden van het plangebied woningen aanwezig. Daarom is niet te verwachten dat de te bouwen woningen additionele verstoringen op een eventuele vliegroute zullen ver oorzaken. Daarnaast zijn in de directe omgeving alternatieve vergelijke watergangen aanwezig die als vliegroute kunnen worden gebruikt. Daarom is ook niet te verwach ten dat de mogelijk aanwezige vliegroute essentieel is voor een populatie vleermui zen. 4.2.4
Vogels Vogelsoorten met niet jaarrond beschermde nesten In de bomen in en direct rondom het plangebied kunnen vogels broeden. In de vijver in het zuiden van het plangebied zijn wilde eend en waterhoen waargenomen. Ook deze kunnen in en rond het plangebied tot broeden komen. Om te voorkomen dat bij de werkzaamheden eventueel aanwezige nesten van broe dende vogels worden beschadigd, adviseren wij deze werkzaamheden buiten de broedperiode te starten. Als vogels op zoek gaan naar een geschikte broedlocatie en
14
merken dat het plangebied en de directe omgeving te verstorend zijn, zullen ze een andere locatie zoeken. Daarnaast kan ook in de broedperiode gestart worden met de werkzaamheden. Dan dient aantoonbaar te worden vastgesteld door een expert op het gebied van vogels dat met de ruimtelijke ontwikkeling geen nesten vernield wor den. De broedperiode van vogels loopt globaal van half maart tot half augustus, maar de nesten van vogels die buiten deze periode broeden zijn ook beschermd. Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten Naast de reguliere bescherming in het broedseizoen zijn er verschillende vogelsoorten van wie de nesten jaarrond worden beschermd. Deze jaarrond beschermde status is vanwege verschillende redenen. Zo zijn er soorten die het hele jaar gebruik maken van het nest. Daarnaast zijn er koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en daarin zeer honkvast zijn. Ook zijn er soorten die jaar in jaar uit ge bruik maken van hetzelfde nest en die nauwelijks in staat zijn zelf een nest te maken. Hieronder wordt in meer detail beschreven of en in welke mate het gebied geschikt kan zijn voor de betreffende soorten. Huismussen broeden in kieren en spleten van bebouwing en tevens vaak onder (golvende) dakpannen.
Een geschikte leefomgeving van de huismus bestaat uit een combinatie van een geschikte nestgelegenheid, voedsel, drinkwater en voldoende dekking in de vorm van stekelige of groenblijvende struiken. Voornamelijk plekken waar bebouwing wordt afgewisseld met groenvoorzieningen herbergen hoge dichtheden aan huismussen (BIJ12, 2017c). Er staan geen gebouwen in het plangebied. Daarom is uitgesloten dat hier nestlocaties van de huismus aanwezig zijn. Wel kan het plangebied als foerageergebied worden gebruikt door huismussen met een nestplaats in de directe omgeving van het plangebied. Rond de woningen ten zuiden van het plangebied zijn tijdens het uitgevoerde veldbezoek ook enkele huismussen waargenomen. Het is echter uit te sluiten dat het hier essentieel foerageergebied betreft. In de directe omgeving van het plangebied liggen namelijk veel groene tuinen en graslanden waar huismussen voedsel kunnen vinden. Het verdwijnen van het grasland in het plangebied heeft daarom geen negatieve effecten op aanwezige huismussen. Daarnaast zullen er in de toekomst ook tuinen en groen aanwezig blijven waar huismussen voedsel kunnen vinden. De steenuil is een honkvaste soort die het gehele jaar in een klein territorium van 5 tot 30 hectare verblijft. Het jachtgebied bestaat uit open terrein met lage vegetatie. Nes ten worden het gehele jaar ook als verblijfplaats gebruikt.
Nestplaatsen bevinden zich op erven van burgerwoningen, bij boerderijen in agrarisch cultuurlandschap en aan dorpsranden. Nesten worden hier in boomholten, nestkasten of nauwe ruimten in ge bouwen gemaakt. De soort broedt vanaf maart tot mei. De jongen vestigen zich op korte afstand van het ouderlijk territorium (SOVON 2002, BIJ12 2017d). De steenuil is veelvuldig in de omgeving van het plangebied waargenomen, aldus verspreidingsgegevens van de NDFF. Op ruim een kilometer van het plangebied is ook de locatie van een vaste verblijfplaats bekend. Nestlocaties van de steenuil zijn niet in het plange bied aanwezig, gezien er geen gebouwen of bomen met holten groot genoeg voor een steenuil aanwezig zijn. Wel kan het plangebied als foerageergebied worden gebruikt. De planlocatie heeft een oppervlakte van ongeveer 1 hectare. Hiervan blijft een deel
15
ingericht als openbaar groen. In de omgeving zijn veel vergelijkbare graslanden aan wezig. Wanneer het plangebied in het territorium van een steenuil ligt is er met de plannen sprake van afname van geschikt terrein in dit territorium. Omdat er echter zeer veel alternatief gebied rondom het plangebied aanwezig is, is niet te verwachten dat dit negatieve effecten op deze mogelijk aanwezige steenuilen zal hebben. Daarom wordt nader onderzoek niet noodzakelijk geacht. De kerkuil komt voor in cultuurland met gras- en bouwlanden die begrensd worden door kruidenrijke akkerranden, houtwallen, heggen of bosjes. Kerkuilen broeden voor al in de hoge, donkere en tochtvrije delen van boerenschuren, kerken, kastelen en to rens en bij hoge uitzondering in een holle boom. Tegenwoordig broedt 90 procent van de gevallen in een speciale nestkast. De kerkuil is zeer honkvast en blijft zijn hele le ven in de buurt van zijn gekozen leefgebied. De broedlocatie is vaak een andere als de winterverblijfplek (SOVON 2002). Mogelijk gebruikt ook de kerkuil het gebied om voedsel te vinden. Kerkuilen hebben echter een zeer groot territorium van 60 tot wel 1200 hectare. De afname van geschikt gebied is voor de kerkuil daarom zeer beperkt. Dit zal dan ook geen negatieve effecten op in de omgevingen broedende kerkuilen hebben. Nader onderzoek is niet nodig.
Andere vogelsoorten waarvan het nest jaarrond is beschermd, nestelen op hoge ge bouwen (slechtvalk), onder daken en in kieren van woningen (gierzwaluw), op richels van bergen of steengroeven en soms op oude roofvogelnesten (oehoe), langs stro mende beken (grote gele kwikstaart), in hoge bomen in bos of boomgroepen (buizerd, roek, havik, sperwer, wespendief, zwarte wouw), in oude nesten van kraaien en roof vogels in boomgroepen (boomvalk) in oude nesten van kraaien en roofvogels in vooral naaldbomen (ransuil), of op speciale nestpalen (ooievaar) (SOVON 2002, vogelbescherming.nl, sovon.nl). Deze elementen zijn niet in het plangebied aanwezig. Nesten van deze vogelsoorten zijn daarom niet in het plangebied te verwachten. 4.2.5
Reptielen Reptielen komen in ons land voornamelijk voor op de hogere zandgronden, in duin-, bos- of heidegebieden. De ringslang komt daarnaast ook voor in veengebieden en laat zich ook in meer stedelijk gebied zien. Deze soort komt vooral voor ten noorden van de grote rivieren. De muurhagedis is gebonden aan warme, stenige plekken en leeft in Nederland vooral in Maastricht en is daarnaast op verschillende plaatsen uitgezet. (Creemers en van Delft 2009). Geschikt biotoop voor reptielen is niet aanwezig. Ook volgens verspreidingsgegevens van de NDFF komen er geen reptielen in de buurt van het plangebied voor. Reptielen zijn daarom niet in het plangebied te verwachten.
4.2.6
Amfibieën Beschermde amfibieën waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt, komen voorname lijk voor in en nabij vennen, poelen en slootjes, met helder en schoon water, in heide-, veen- en bosgebied en in de uiterwaarden. De rugstreeppad is ook in de duinen aan wezig. De geelbuikvuurpad, vuursalamander en vroedmeesterpad worden bijna uit sluitend in Zuid-Limburg aangetroffen (Creemers en van Delft 2009, verspreidingsatlas.nl). 16
De rugstreeppad en de alpenwatersalamander zijn in de omgeving van het plangebied waargenomen aldus verspreidingsgegevens van de NDFF. De rugstreeppad is een bewoner van zandige terreinen met een hoge dynamiek zoals duinen, uiterwaarden, opgespoten terreinen, heidevelden en akkers. Deze soort is een echte pionier die zich ingraaft in kaal braakliggend terrein en haar eitjes legt in ondie pe kale poeltjes en plassen, maar ook slootjes en vennen kunnen geschikt leefgebied zijn. De dieren verlaten half maart de winterverblijfplaats. Voortplanting begint half april en kan doorgaan tot in augustus. Mannetjes verblijven de gehele voortplantingsperiode in het water. Vrouwtjes daarentegen verlaten na de eierafzet het water weer. De rugstreeppad overwintert op het land, de dieren hebben eind oktober allemaal het water weer verlaten (Creemers & van Delft, 2009). In het zuiden van het plangebied ligt een kleine vijver met weinig vegetatie en met natuurlijke oevers en ondiepe water delen. De rugstreeppad is op enkele honderden meters van het plangebied waarge nomen. Mogelijk plant deze zich in de vijver voort. Door de afwezigheid van kale grond of andere schuilplaatsen zijn rugstreeppadden niet in het grasland te verwach ten. Wanneer het plangebied wordt herontwikkeld kan voortplantingsgebied van de soort verdwijnen en er kunnen rugstreeppadden worden gedood.
Er is dan sprake van over treding van de Wet natuurbescherming. Ook in de toekomst is water beoogd in het deel van het plangebied waar nu de vijver ligt. Dit water zal worden ingericht met na tuurlijke oevers. Daarom kan het in de toekomst ook geschikt zijn als leefgebied voor de rugstreeppad. Wanneer het terrein uit bouwterrein bestaat en er braakliggende grond aanwezig is, kan nagenoeg niet worden voorkomen dat rugstreeppadden het terrein gaan gebruiken als landhabitat. Er is dan grote kans dat er bij de werkzaamhe den rugstreeppadden worden gedood. Daarom is nader onderzoek nodig om vast te stellen of de rugstreeppad aanwezig is op het terrein en in de omgeving. Wanneer rugstreeppadden worden vastgesteld moeten mitigerende maatregelen worden getrof fen om schade aan de soort te voorkomen. Mogelijk moet ook een ontheffing van de Wet natuurbescherming worden aangevraagd. De alpenwatersalamander heeft een voorkeur voor zandige leemgronden waar hij voorkomt in loof- of gemengde bossen, of kleinschalige landschappen met heggen of struwelen. Voortplanting vindt plaats in allerlei typen water zolang het niet snelstromend en niet rijk is aan vis (Goverse et al. 2015). Wanneer de temperatuur ’s avonds boven de vijf graden komt trekken alpenwatersalamanders naar het voortplantingshabitat, meestal is dat rond half maart. Ze blijven hier dan tot en met juni.
Half september hebben ook de larven het voortplantingswater verlaten. Alpenwatersalamanders overwinteren op het land ze zijn dan ten vinden onder hout, stenen, bunkers of in niet bewoonde holen van knaagdieren (Creemers & van Delft, 2009). Geschikt habitat voor de alpenwatersalamander is niet aanwezig omdat een kleinschalig landschap met heggen en struwelen niet aanwezig zijn. De soort is daarom niet in het plangebied te verwachten. Nader onderzoek is niet nodig. Verder kunnen algemeen voorkomende amfibiesoorten zoals bruine kikker en gewone pad in het plangebied voorkomen. Deze soorten zijn weinig veeleisend aan hun leef omgeving en komen wijdverspreid voor. Voor deze soorten geldt echter een vrijstelling
17
van de verboden in de Wet natuurbescherming bij projecten in het kader van ruimtelij ke ontwikkeling. Een overtreding van de Wet natuurbescherming is niet te verwachten bij aanwezigheid van deze soorten en nader onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk. 4.2.7
Vissen De beschermde vissoorten zijn veelal zeldzaam voorkomende soorten gebonden aan helder, stromend water van beekjes of rivieren. Een uitzondering hierop is de grote modderkruiper die vooral leeft in langzaam stromend water van sloten, vennen of plassen. De soort komt daar voor op plekken met veel onderwatervegetatie en een goed ontwikkelde waterbodem (Janssen en Schamineé 2004, verspreidingatlas.nl). In het plangebied zijn sloten aanwezig. De grote modderkruiper komt echter niet voor in de regio. Daarom zijn de grote modderkruiper en andere beschermde vissen niet in plangebied te verwachten. Nader onderzoek naar beschermde vissen is niet nodig.
4.2.8
Insecten en andere ongewervelden Beschermde insectensoorten en andere beschermde ongewervelden zijn veelal zeld zaam en eisen een specifiek habitat. Beschermde vlindersoorten komen vooral voor in kruidenrijke en soortenrijke graslanden, heiden, venen en (vochtig) bos (Bos et al., 2006, vlinderstichting.nl). Beschermde libellensoorten leven met name in veengebie den, nabij beekjes of rivieren en bij vennen op de hogere zandgronden (Nederlandse Vereniging voor Libellenstudie 2002). Beschermde keversoorten zijn gebonden aan oude, rottende bomen in bosgebieden of komen zeldzaam voor in (groter) permanent, helder open water van goede kwaliteit op veengrond (eis-nederland.nl, Janssen en Schamineé, 2004). De Europese rivierkreeft is in ons land nog maar op één plek be kend, op landgoed Warnsborn bij Arnhem. De Bataafse stroommossel is uit ons land verdwenen en de platte schijfhoren komt lokaal voor in laagveengebieden en het rivie rengebied, in helder, stilstaand of zeer zwak stromend water met rijke plantengroei, in zowel meren, sloten als plassen (anemoon.org, verspreidingsatlas.nl). In het betreffende plangebied is geen sprake van stabiele natuurlijke habitats zoals bos, soortenrijk grasland, heide of veen. Leefgebied voor deze soorten is hierdoor niet aanwezig. Beschermde insecten en andere ongewervelden zijn daarom niet te ver wachten in het plangebied.
4.3 Bescherming houtopstanden Bij deze ruimtelijke ontwikkeling wordt geen houtopstand geveld waarop het bescher mingsregime van de Wet natuurbescherming van toepassing is want de bomen en struiken die worden geveld zijn onderdeel van een eenheid bomen en struiken waar van de oppervlakte niet groter is dan duizend vierkante meter. De bescherming van houtopstanden vormt dan ook geen beperking voor de beoogde ruimtelijke ontwikke ling.
18
5
Conclusie en advies In deze quick scan is onderzocht of er beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aan- of afwezig zijn in het plangebied. Ook is nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, negatieve effec ten kan hebben op beschermde natuur buiten het plangebied.
5.1
Gebiedsbescherming Uit voorliggend onderzoek blijkt dat er geen Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied liggen. Nader onderzoek in de vorm van een voortoets Wet na tuurbescherming is daarom niet nodig. Uit voorliggend onderzoek blijkt dat het plangebied in niet het Natuurnetwerk Neder land ligt of andere provinciaal beschermde natuur ligt. De bescherming van deze ge bieden staan de ontwikkelingen in het plangebied niet in de weg.
5.2
Soortenbescherming Volgens de verspreidingsgegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna en andere verspreidingsgegevens komen verschillende soorten vleermuizen, vogelsoor ten met jaarrond beschermde nesten en amfibieën in de omgeving van het plangebied voor. Door het uitgevoerde veldbezoek in het plangebied is duidelijk geworden dat en kele essentiële elementen van beschermde diersoorten niet op voorhand kunnen wor den uitgesloten in het plangebied. Het betreft voortplantingsgebied van de rugstreeppad. Daarnaast kan de boom direct ten noorden van het plangebied verblijfplaatsen van vleermuizen bevatten (ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, rosse vleermuis en watervleermuis). Vleermuizen en rugstreeppad zijn habitatrichtlijnsoorten, waarvoor de verboden van artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming gelden. Waar nu de vijver ligt is ook in de toekomst water beoogd. Mogelijk blijft de vijver daarom geschikt leefgebied voor de rugstreeppad. Wanneer het terrein uit bouwterrein bestaat wordt ook dit geschikt habitat voor de rugstreeppad. Wanneer het terrein door de rugstreeppad wordt gekoloniseerd bestaat de kans dat deze worden gedood bij werkzaamheden op het terrein. Nader onderzoek is daarom noodzakelijk. Wanneer de soort wordt aangetroffen zijn mitigerende maatregelen noodzakelijk en moet er moge lijk ontheffing van de Wet natuurbescherming worden aangevraagd.