CConstaterende datLansingerland
Koppel je AI →
Document · PDF

[T22.07334] Paraplubestemmingsplan "Biomassa"

Gemeenteraad 23 februari 2023, gemeente LansingerlandBij agendapunt: Vaststelling paraplubestemmingsplan "Paraplubestemmingsplan Biomassa”11.127 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Paraplubestemmingsplan “Biomassa”

Vaststelling 23 februari 2023

Gemeente Lansingerland Paraplubestemmingsplan “Biomassa”

INHOUD: -

TOELICHTING REGELS VERBEELDING

Identificatiecode: NL.IMRO.1621.PH0006-VAST Werknummer: 621.161.30 Datum: 23 februari 2023

KuiperCompagnons

Gemeente Lansingerland Domein Ruimte en Economie

Inhoudsopgave van de toelichting

1.

INLEIDING

1

1.1. 1.2. 1.3. 1.4. 1.5.

Aanleiding en doel van het plan Bij het plan behorende stukken Ligging en begrenzing plangebied Voorgaande bestemmingsplannen Leeswijzer

1 1 1 1 1

2.

PLANBESCHRIJVING

2

2.1. Bestaande situatie 2.2. Toekomstige situatie 2.3 Juridische aspecten 2.3.1. Inleiding 2.3.2. Regels 2.3.3. Verbeelding

2 2 2 2 2 3

3. 3.1. 3.2. 3.3. 3.4.

BeleidsKADER Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid Conclusie

4 4 5 6 7

4.

UITVOERBAARHEID

8

4.1. 4.2.

Maatschappelijke uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid

8 8

Bijlage 1:

Het handelingsperspectief “Biomassaverbranding voor de glastuinbouw in Lansingerland” vastgesteld bij raadsbesluit van 24 april 2021.

Bijlage 2:

Nota inspraak en overleg en staat van wijzigingen Paraplubestemmingsplan “Biomassa”, gemeente Lansingerland, 21 september 2022

Procedureoverzicht datum document Concept-ontwerp 9 maart 2022 Ontwerp 21 september 2022 Terinzagelegging 20 oktober – 1 december 2022 Vaststelling 23 februari 2023

Opmerkingen

Afbeelding 1.1: begrenzing plangebied

1.

INLEIDING

1.1.

Aanleiding en doel van het plan Op 22 april 2021 heeft de gemeenteraad het Handelingsperspectief biomassaverbranding voor de glastuinbouw in Lansingerland vastgesteld. In dit document wordt benoemd dat de bouw van nieuwe houtige biomassacentrales onwenselijk is en wordt een moreel appèl op de sector gedaan om deze niet te bouwen. Om deze reden is in januari 2022 door de gemeenteraad een voorbereidingsbesluit genomen. Hiermee worden de mogelijkheden uit de geldende bestemmingsplannen tijdelijk bevroren. In de bestemmingsplannen van de gemeente Lansingerland dient nu een regeling te worden opgenomen die de mogelijkheden voor biomassa-installaties uitsluit. Onder het uitsluiten van houtige biomassa gestookte stookinstallaties wordt verstaan het uitsluiten van op hout gestookte bedrijfsmatige biomassa centrales voor warmtevoorziening met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 1 MWth en het uitsluiten van levering aan derden. In de Omgevingsvisie 1.0 is opgenomen dat de gemeente geen, of hooguit een zeer beperkte rol van houtige biomassaverbranding in het energiesysteem van de toekomst ziet. De bouw van nieuwe houtige biomassa gestookte stookinstallaties wordt als onwenselijk gezien. Om te voorkomen dat alle bestemmingsplannen binnen de gemeente herzien en opnieuw vastgesteld moeten worden, wordt er een paraplubestemmingsplan opgesteld.

1.2.

Bij het plan behorende stukken Het paraplubestemmingsplan “Biomassa” bestaat uit regels. Hierbij zijn regels ten aanzien van het bouwen en het gebruik opgenomen. Het plan gaat vergezeld van deze toelichting. In de toelichting worden de keuzes die zijn gemaakt bij het opstellen van de verbeelding en de regels verantwoord en verduidelijkt. Vervolgens wordt hierin de uitvoerbaarheid van het plan aangetoond.

1.3.

Ligging en begrenzing plangebied Dit parapluplan heeft betrekking op het gehele grondgebied van de gemeente Lansingerland en heeft betrekking op alle vigerende bestemmingsplannen van de gemeente Lansingerland. Afbeelding 1.1 geeft de ligging van het plangebied weer.

1.4.

Voorgaande bestemmingsplannen Totdat voorliggend bestemmingsplan in werking treedt, is het onderdeel ‘biomassa-installatie’ in Lansingerland nog geregeld in de onderliggende individuele bestemmingsplannen. Het voorliggende plan treedt in de plaats van alle onderliggende bestemmingsplannen en andere ruimtelijke plannen op het onderdeel ‘biomassa-installatie’, zodat voor het onderdeel ‘biomassa-installatie’ alleen het voorliggende plan geldt. De overige aspecten van de onderliggende plannen blijven onverkort van kracht.

1.5.

Leeswijzer De toelichting op het bestemmingsplan is als volgt opgebouwd. Hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van de huidige en de toekomstige situatie in het gebied. Ook worden de juridische aspecten beschreven. Hoofdstuk 3 bevat een beschrijving van het beleidskader. Hoofdstuk 4 gaat nader in op de uitvoerbaarheid van het plan.

2.

PLANBESCHRIJVING

2.1.

Bestaande situatie In een aantal van de geldende ruimtelijke plannen in de gemeente Lansingerland is al een bepaling over biomassa-installaties opgenomen. Onderstaand een overzicht van vigerende plannen waarin in ieder geval bepalingen over biomassa-installaties zijn opgenomen: · Buitengebied Bleiswijk: BP0067, artikel 4.2.11 Overige voorzieningen · Noordpolder 2013: BP0100 artikel 4.2.6 Andere bouwwerken · Oosteindsepolder en Warmoeziersweg: BP0134 artikel 4.2.6 Andere bouwwerken · Oostland-Berkel: BP0120 artikel 5.2.6 Andere bouwwerken · Schil om Bleiswijk: BP0133 artikel 4.2.6 Andere bouwwerken In de meeste plannen is helemaal geen regel met betrekking tot biomassa-installaties opgenomen. Dit is onwenselijk omdat de bouw van nieuwe houtige biomassa gestookte stookinstallaties niet gewild is.

2.2.

Toekomstige situatie Het voorliggende bestemmingsplan herziet de regeling voor het onderwerp biomassa-installaties in alle gemeentelijke ruimtelijke plannen, dus ook voor de ruimtelijke plannen waarin al wel een toereikende regeling was opgenomen. Hier is voor gekozen om de situatie zo overzichtelijk mogelijk te houden. In de voorliggende parapluherziening zijn algemene bepalingen opgenomen voor biomassa-installaties. In paragraaf 2.3. worden deze nader toegelicht. De inhoud en achtergronden van het gemeentelijke parkeerbeleid worden nader toegelicht in paragraaf 3.3.

2.3

Juridische aspecten 2.3.1. Inleiding Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld conform de gemeentelijke standaard, met inachtneming van de bepalingen die zijn opgenomen in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening (Rsro), zoals de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012) en het coderingssysteem Informatiemodel Ruimtelijke Ordening (IMRO). In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze waarop de regels en verbeelding van voorliggend plan zijn opgebouwd. 2.3.2. Regels De regels bestaan uit drie hoofdstukken: - Inleidende regels (hoofdstuk 1) - Algemene regels (hoofdstuk 2) - Overgangs- en slotregels (hoofdstuk 3) Hierna wordt een korte toelichting gegeven op de in het plan voorkomende artikelen. Hoofdstuk 1 Inleidende regels In dit hoofdstuk is een aantal begrippen verklaard, dat wordt gebruikt in de regels. Dit voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen.

Hoofdstuk 2 Algemene regels In hoofdstuk 2 worden enkele algemene regels gegeven, zoals de anti-dubbeltelregel. Ook worden algemene bouwregels en algemene gebruiksregels gegeven. Daarnaast wordt een algemene afwijkingsregel gegeven. Hoofdstuk 3 Overgangs- en slotregels In het overgangsrecht is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het opstellen van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd. In de slotregel is de officiële naam van het plan bepaald. Onder deze naam kan het bestemmingsplan worden aangehaald. 2.3.3. Verbeelding De analoge verbeelding van de geometrische plaatsbepalingen kent een schaal van 1:1.000 en bestaat uit één kaartblad. Voor het intekenen van de bestemmingen is een topografische ondergrond gebruikt. In het plan is één vlak van toepassing waaraan de regels omtrent de biomassa-installaties zijn gekoppeld. De verbeelding is volgens IMRO 2012 (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) getekend. Dit is een eenduidige en technische methode voor het tekenen van kaarten. Hiermee kan ruimtelijke informatie eenvoudig digitaal uitgewisseld worden met andere overheden en samenwerkingspartners. Tevens maakt deze methode het mogelijk om het plan via internet te raadplegen.

3.

BELEIDSKADER

3.1.

Rijksbeleid Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Naar verwachting treedt de Omgevingswet op 1 januari 2023 in werking. De Omgevingswet bundelt alle huidige wetten over de leefomgeving. Daarbij hoort ook één Rijksvisie op de leefomgeving: de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. In Nederland staan we voor een aantal urgente opgaven, die zowel lokaal, nationaal als wereldwijd spelen. Denk aan de opgaven op het gebied van klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Deze opgaven zullen Nederland flink veranderen. Door goed in te spelen op deze veranderingen kan Nederland vooroplopen en kansen verzilveren. Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. In de NOVI zijn deze maatschappelijke opgaven samengevat in vier prioriteiten: · ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie · duurzaam economisch groeipotentieel; · sterke en gezonde steden en regio’s · toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Eén van de opgaven is de uitstoot van broeikasgassen ten opzichte van 1990 te reduceren met tenminste 49 procent in 2030 en met 95 procent in 2050.

De rol van het Rijk is de voorwaarden te scheppen waardoor maatschappelijke actoren de emissie van broeikasgassen beperken en de vastlegging van CO₂ vergroten. Dit geldt tevens voor de activiteiten en bezittingen van het Rijk zelf. Ladder voor duurzame stedelijke ontwikkeling De Laddertoets geldt alleen voor plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken. Onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Toetsing aan de Ladder houdt in dat een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt een beschrijving bevat van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien een bestemmingsplan een uitwerkingsplicht bevat, kan bij het moederplan worden bepaald dat de Laddertoets zich niet richt op de toelichting bij het moederplan, maar op de toelichting bij het uitwerkings- en wijzigingsplan. Voor toetsing aan ‘De ladder voor stedelijke ontwikkeling’ geldt dat er sprake moet zijn van een stedelijke ontwikkeling.

Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Voor wonen geldt, dat voor woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. De Laddertoets moet alleen worden uitgevoerd wanneer de stedelijke ontwikkeling ‘nieuw’ is. Dit paraplubestemmingsplan maakt geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk. Een toets aan de Ladder voor Duurzame Verstedelijking is dan ook niet nodig. Ook is het niet nodig om alle milieuaspecten, die normaliter terugkomen in de toelichting van een bestemmingsplan, te behandelen.

3.2.

Provinciaal beleid Omgevingsbeleid Zuid-Holland Op 20 februari 2019 heeft de provincie Zuid-Holland het Omgevingsbeleid vastgesteld. Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. Daarnaast zijn in het Omgevingsbeleid operationele doelstellingen opgenomen, zodat zichtbaar is hoe de provincie zelf invulling geeft aan de realisatie van haar beleid. Deze operationele doelstellingen maken onderdeel uit van verschillende uitvoeringsprogramma’s en -plannen, zoals het programma Ruimte en het programma Mobiliteit. Met het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Uit de provinciale opgaven worden samenhangende beleidskeuzes gemaakt, die doorwerken naar uitvoeringsprogramma’s en naar regels in de verordening. De ruimtelijke hoofdstructuur maakt met een integraal kaartbeeld inzichtelijk hoe de strategische beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie ruimtelijk samenkomen. Omgevingsvisie Zuid-Holland De provincie Zuid-Holland spreekt in de omgevingsvisie onder meer de ambitie uit in te zetten op energievernieuwing, waarbij de focus ligt bij steden, industrie en glastuinbouw.

De provincie zet in op innovatie ten aanzien van nieuwe mogelijkheden voor energieverbruik uit wind, zon, biomassa, water en aardwarmte. Er is één kernopgave in de omgevingsvisie waarin nader wordt ingegaan op energiewinning uit biomassa: · Versterken van een vitale, innovatieve en toekomstbestendige regionale economie Binnen deze beleidsopgave vormt 'Circulair Zuid-Holland' een van de beleidskeuzes. Daarin wordt als doel gesteld dat in 2050 de provincie 100 procent 'circulair' is, met als tussendoel 50 procent in 2030. In het Grondstoffenakkoord maakt het thema biomassa onderdeel uit van een van de Transitieagenda's, opgesteld door samenwerkende partijen. · Bevorderen van een betrouwbare, duurzame en efficiënte energievoorziening met een minimale uitstoot van broeikasgassen. De provincie werkt mee aan Europese en nationale energiedoelen om de CO2-uitstoot te verminderen en het energieverbruik te reduceren. Het gaat om een CO2-reductie van 85-95% in 2050 ten opzichte van 1990. Zuid-Holland hanteert als ambitie om in 2020 minimaal 9% van de energieconsumptie duurzaam op te wekken. Vijf hoofdthema's zijn van belang: warmte, wind, zon, energie-efficiëntie en mobiliteit. Biomassa vormt een van de thema's waarop de provincie wil inzetten, naast windenergie, warmte, bodemenergie en hydro- en zonne-energie.

Programma Ruimte provincie Zuid-Holland Het programma Ruimte is parallel aan de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening opgesteld. Het programma Ruimte bevat een nadere invulling en operationalisering van ruimtelijk relevante onderdelen van de Omgevingsvisie. Het is enerzijds een beleidsdocument, namelijk uitwerking van de beleidsbeslissingen, en anderzijds gericht op uitvoering. Het document is toegespitst op de thema’s Bebouwde ruimte en mobiliteit, Landschap, groen en erfgoed en Water, bodem en energie.

Op basis van het programma dient voor plannen die voorzien in een stedelijke ontwikkeling een toelichting op de ladder voor duurzame verstedelijking worden gegeven. Aan de ladder voor duurzame verstedelijking is in 3.1 aandacht besteed. Nota Intensivering energiebeleid Zuid-Holland Deze nota is een uitwerking van het onderdeel energie van de in 2012 vastgestelde nota “Kansen zien, kansen grijpen.” De basis van deze nota zijn de resultaten voortkomend uit het onderzoeksrapport ‘ZuidHolland op St(r)oom!’ uitgevoerd door DRIFT. De nota gaat in op maatregelen die genomen gaan worden om intensivering te bereiken op de volgende terreinen: energiebesparing bij bedrijven, duurzame warmte, windenergie, zonne-energie, regionale biomassa, en mobiliteit en transport.

3.3.

Gemeentelijk beleid Omgevingsvisie 1.0 vastgesteld bij raadsbesluit van 24 februari 2022 Bij raadsbesluit van 24 februari 2022 is de Omgevingsvisie 1.0 vastgesteld. De gemeente geeft in deze visie wat voor gemeente Lansingerland in 2040 wil zijn. In het onderdeel “Duurzaamheid” van deze visie wordt onder verwijzing naar de klimaatverandering en de hierbij behorende effecten, zoals hittestress, droogte en wateroverlast onder meer uitgesproken dat ook de glastuinbouw moet verduurzamen. In dit beeld wordt gesproken over een transitie naar “fossielvrij” telen. Het voorliggende paraplubestemmingsplan waarin houtige biomassagestookte centrales worden uitgesloten is in overeenstemming met dit beleid. Handelingsperspectief Lansingerland

biomassaverbranding

voor

de

glastuinbouw

in

Lansingerland

De gemeente Lansingerland heeft afgesproken dat de gemeente in 2050 een C02-neutrale gemeente is. Dat heeft de gemeente onder andere vastgelegd in 2019 in de visie 'Lansingerland Duurzaam'. Een C02-neutrale gemeente wil zeggen dat de energie die wordt gebruikt, volledig wordt opgewekt uit hernieuwbare bronnen. Deze hernieuwbare bronnen komen zoveel mogelijk uit de gemeente. Als het niet anders kan, kunnen deze bronnen ook regionaal of van nog verder komen. De gemeente ziet in Lansingerland houtstook vooral als transitiebron naar een duurzame aardgasloze warmtevoorziening voor de glastuinbouw. Voor de gebouwde omgeving zien we het verbranden van biomassa niet als (tussen)oplossing. De gemeente werkt samen met de glastuinbouwsector en alle andere partijen die een rol hebben in de energietransitie, om zo snel mogelijk te komen tot een betrouwbare, haalbare en betaalbare duurzame warmtemix voor de glastuinbouw. De gemeente zet zich in voor alternatieve duurzame warmtebronnen. Tegelijkertijd doet de gemeente Lansingerland ook een moreel appel op de glastuinbouwsector om terughoudend om te gaan met de bouw van nieuwe biomassacentrales en om gebruik te maken van de best mogelijke technieken (endof-de-pipe maatregelen). Door extra maatregelen te nemen, is de uitstoot in grote mate terug te dringen.

Voorbereidingsbesluit Op 22 april 2021 heeft de gemeenteraad het Handelingsperspectief biomassaverbranding voor de glastuinbouw in Lansingerland vastgesteld. In dit document wordt benoemd dat de bouw van nieuwe houtige biomassacentrales onwenselijk is en wordt daarom een moreel appèl op de sector gedaan om deze niet te bouwen. Om te voorkomen dat voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze parapluherziening op grond van de vigerende bestemmingsplannen vergunningen worden verleend voor de realisatie van nieuwe

houtige biomassa gestookte stookinstallaties, is op 27 januari 2022 een voorbereidingsbesluit genomen. Het voorbereidingsbesluit geldt voor het gehele grondgebied van de gemeente Lansingerland. 3.4.

Conclusie De parapluherziening voor de biomassa-installaties in Lansingerland past binnen het beleid, op zowel Rijks-, provinciaal alsook op gemeentelijk niveau.

4.

UITVOERBAARHEID

4.1.

Maatschappelijke uitvoerbaarheid Voorbereidingsfase In het kader van het vooroverleg, bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening, is via email het bestemmingsplan op 19 mei 2022 aangeboden aan de vaste vooroverlegpartners. Verzocht is te reageren voor 17 juni 2022. Van de mogelijkheid te reageren op het voorontwerpbestemmingsplan is alleen gebruikt gemaakt door Natuur- en Vogelwacht Rotta. De nota van inspraak en vooroverleg is als bijlage toegevoegd. Ter inzagelegging Op een paraplubestemmingplan is, ingevolge artikel 3.6 lid 1 sub b juncto artikel 3.9a van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) juncto afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. De procedure is als volgt: Het ontwerpplan heeft van 20 oktober 2022 tot en met 1 december 2022 ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn konden belanghebbenden zienswijzen indienen bij burgemeester en wethouders. Van deze mogelijkheid werd geen gebruik gemaakt. Er is geen aanleiding voor ambtshalve aanpassingen. Burgemeester en wethouders hebben voorgesteld het plan ongewijzigd vast te stellen. Tegen een besluit omtrent vaststelling staat rechtsreeks beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS). De termijn om beroep in te dienen bij de ABRvS vangt aan met ingang van de dag nadat het vaststellingsbesluit ter inzage is gelegd.

Conclusie Gezien het voorgaande wordt het plan maatschappelijk uitvoerbaar geacht.

4.2.

Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen op gronden van derden waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Een en ander kan worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld. Het bestemmingsplan is een paraplubestemmingsplan dat voor het gehele grondgebied van Lansingerland een aanvullende juridische regeling voor biomassa-installaties biedt. Omdat het louter een juridische regeling is die niet direct op uitvoering gericht is, zijn daaraan geen direct economische consequenties verbonden. Daarom zijn er geen redenen om aan te nemen dat het plan in financieeleconomische zin niet haalbaar zou zijn.

Conclusie Gezien het voorgaande wordt het plan financieel uitvoerbaar geacht.

Bijlage 1: Het handelingsperspectief “Biomassaverbranding voor de glastuinbouw in Lansingerland” vastgesteld bij raadsbesluit van 24 april 2021.

GEMEENTE

v

Handelingsperspectief biomassaverbranding voor de glastuinbouw in Lansingerland

mm jBfcnwHļ Nu 3EĨ

MR Å īSE Bh

■W"1

.míj

v

m:f-į!ìkpw ’ .. ,íľ iV.'vLfe’ .» , *V î

,v. -

: -

*.i. '

«mri m'mmw . . ų

-'W"T? I|

M Ŵr ľ .-' İp?şË2*

ĶţP'Ŵ'íí ■i '

-

ľ .,'

-,

-

. -v

GEMEENTE

ínhoud Onze boodschap................................................................................. 3 Waarom biomassa?............................................................................. 5 Maatschappelijk debat...................................................................... 7 Biomassa binnen het bestaande warmtenet.................................10 Hoe werkt het in Lansingerland?................................................... 11 Geraadpleegde bronnen....................................................................12

Colofon In opdracht van de gemeente Lansingerland Mentink procesmanagement bv

Maart 2021

2

We hebben afgesproken dat we in 2050 een C02neutrale gemeente zijn. Dat hebben we onder andere vastgelegd in 2019 in de visie 'Lansingerland Duurzaam'. Een C02-neutrale gemeente wil zeggen dat de energie die wordt gebruikt, volledig wordt opgewekt uit hernieuwbare bronnen. Deze hernieuwbare bronnen komen zoveel mogelijk uit de gemeente. Als het niet anders kan, kunnen deze bronnen ook regionaal of van nog verder komen.

GEMEENTE

Onze boodschap warmtenetten in de gebouwde omgeving wel uitsluiten, aangezien daar passende duurzame alternatieve bronnen beschikbaar zijn.

2020).

Tegelijkertijd doen we ook een moreel appél op de glastuinbouwsector om terughoudend om te gaan met de bouw van nieuwe biomassacentrales. Dit omdat wij we voorzien dat er voor de langere termijn haalbare en betaalbare alternatieven zijn. Aan deze alternatieven werken wij nu al aan, bijvoorbeeld als het gaat om de realisatie van regionale warmtetransportnetten te versnellen. We zullen actief met de sector in gesprek blijven om afspraken te maken over de energietransitie van de glastuinbouw en de positie van het verbranden van biomassa daarbinnen. We weten allemaal dat de glastuinbouw veel hoogwaardige warmte nodig heeft om een bloeiende sector te blijven. Het uitzicht van een goede duurzame energiemix met een economisch perspectief is voor de sector van levensbelang. Daarbij komt dat de wereld niet stilstaat. Innovaties, regelgeving, beleid en financiële instrumenten wijzigen constant. Dit met als doel om uiteindelijk te komen tot de (tussen)doelstelling op lokaal en nationaal niveau. Hierbinnen schakelt de glastuinbouwsector continu.

Binnen de SER is eenduidigheid over het feit dat inzet van biomassa voor warmte uiteindelijk niet duurzaam genoeg is, dit in tegenstelling tot bronnen als geothermie, restwarmte en warmtepompen. Hoogwaardigere toepassingen van biomassa zijn bijvoorbeeld bodemverbeteraars, voedselvoorziening en productie van medicijnen. Op dit moment zijn technisch gezien de alternatieven voor de warmteproductie al wel grotendeels aanwezig, zoals aardwarmte, restwarmte en industriële warmtepompen. We moeten dus met elkaar hard werken om deze alternatieven die volledig hernieuwbaar zijn, ook beschikbaar, betaalbaar en haalbaar te krijgen voor de glastuinbouw. Tot die tijd sluiten wij het verbranden van houtige biomassa niet uit in de glastuinbouwgebieden. In onze transitievisie Warmte namen wij reeds op dat we het verbranden van biomassa voor

Wij zijn van mening dat het eindbeeld van de duurzame warmtevoorziening in Lansingerland geen ruimte biedt voor het verbranden van biomassa voor de productie van hoogwaardige warmte. Overeenstemming is er ook over het feit dat biomassa vooralsnog een duurzame transitiebrandstof is, die juist nodig is om de komende járen stappen te zetten in het verduurzamen van de sector. Dit handelingsperspectief geeft dus wel een eindbeeld, geen verbranding van houtige biomassa. De stappen daar naartoe zullen telkens, naar gelang de ontwikkelingen, veranderen. Als gemeente zullen wij proactief en in goed overleg met de sector, Wageningen Universiteit, Warmte Samenwerking Oostland en alle andere partners in de energietransitie blijven werken aan de alternatieven en de afbouw van het gebruik van biomassa.

We zien het maatschappelijke debat over biomassa toenemen. Dit ondanks het verbranden van biomassa aan de huidige diverse wettelijke vereisten voldoet. Biomassa is volgens ons een transitiebrandstof die vooralsnog een belangrijke bijdrage levert aan de verduurzaming van de energievoorziening voor de glastuinbouw in Lansingerland. Tegelijkertijd zetten we in samenwerking met de glastuinbouw in op alternatieve duurzame, betrouwbare, betaalbare warmtebronnen voor de glastuinbouw. Uiteindelijk zal verbranding van biomassa niet meer nodig zijn. Daarmee sluiten wij aan bij het advies van de Sociaal Economische Raad (SER); 'Biomassa in balans, een duurzaamheidskader voor hoogwaardige inzet van biomassa' (SER,

Handelingsperspectief biomassaverbranding voor de glastuinbouw in Lansingerland

03

3

C/5

5’

CTQ O Û3

Q.

3

GEMEENTE

Het gebruik van biomassa in een circulaire en biobased economy Biomassa kent veel toepassingsvormen en speelt een integrale rol binnen talloze productieprocessen. Niet alle toepassingen zijn natuurlijk even hoogwaardig. Voor bijvoorbeeld de productie van voeding en medicijnen gebruiken we vaak slechts een klein deel van een plant. De rest van de plant heeft bijna geen waarde meer en dit vernietigen we. Het te vernietigen deel noemen we een reststroom. Het geniet altijd de voorkeur alle biomassastromen in de basis zo hoogwaardig mogelijk in te zetten. De waarde van biomassatoepassing van hoog- naar laagwaardig is in figuur 1 te zien.

Farmacìe/medicijnen Hoogwaardíge chemicalieên

Voedsel en veevoer

Materialen,chemicalieên en bodemverbeteraars

Warmte, elektriciteit brandstoffen

Wat is biomassa? Het Activiteitenbesluit Milieubeheer en het Besluit Omgevingsrecht (Bor) geven de volgende definitie van biomassa: producten die bestaan uit plantaardig land- of bosbouwmateriaal dat gebruikt kan worden als brandstof om de energetische ínhoud ervan te benutten. Daarnaast omvat biomassa diverse afvalstoffen, zoals plantaardig afval uit land- of bosbouw en de levensmiddelenindustrie (indien de opgewekte warmte wordt teruggewonnen); vezelachtig plantaardig afval van ruwe pulp en afval van de productie van papier uit pulp, kurkafval en schoon houtafval.

Q) D

52. 3*

CTQ Cb —j Û3 3 Q.

Extracten en vruchten

Voeding

Chemie en voedsel

Energie

ì

Optimaal gebruik van hout voor energieopwekking Niet alle vormen van biomassa zijn voor een hoogwaardig doel in te zetten. Ook biomassa is na een initieel gebruik te recyclen, zoals hout dat vrijkomt tijdens sloop- en verbouwingswerkzaamheden. Dit hout is niet meer geschikt voor nieuwe bouwprojecten, maar wel voor het opwekken van energie, indien bedrijven subsidie willen ontvangen, dan moeten zij aantonen dat het hout duurzaam gewonnen is. Een bedrijfsmatige/industriële houtstookinstallatie is afhankelijk van een continue stroom aan duurzaam gewonnen en gecertificeerd hout om rendabel te kunnen draaien.

Handelingsperspectief biomassaverbranding voor de glastuinbouw in Lansingerland

4

Biomassa binnen de verduurzamingsopgave in Lansingerland Een groot deel van de opgewekte duurzame energie op landelijk niveau komt voort uit het verbranden van biomassa (SER, sd). In onze gemeente is dat percentage 6,596 (3,2596 per werkende biomassacentrale). Dit betreft voornamelijk de glastuinbouw voor de stook van houtsnippers, maar ook houtkachels in woningen maken gebruik van houtstook. Wij zien voor deze laatste categorie geen reguleringsrol voor lokale overheden, als dit al mogelijk zou zijn. Daarnaast namen wij in onze transitievisie warmte al op dat wij niet achter het gebruik van biomassacentrales om warmtenetten voor de gebouwde omgeving te voeden staan, aangezien daar alternatieve duurzame warmtebronnen beschikbaar voor zijn. In de glastuinbouw heeft verbranden van biomassa een andere rol. Daarom beperkt dit handelingskader zich tot het verbranden van biomassa voor de glastuinbouw. Dit handelingskader gaat niet in op het vergisten of andere toepassingen van biomassa. De glastuinbouw in Lansingerland is zeer innovatief en is enorme stappen aan het zetten op het gebied van de energietransitie. In samenwerking met de glastuinbouwsector, Wageningen Universiteit, omliggende gemeenten (verbonden in onder andere Warmte Samenwerking Oostland (WSO)) en andere partijen werken we samen om de glastuinbouw in 2040 klimaatneutraal te laten produceren.

Gezien het grote aantal glastuinbouwbedrijven binnen de gemeente en daardoor het grote energieverbruik is de impact van de te nemen maatregelen groot. Naast geothermie en het gebruik van restwarmte uit de RoCa-leiding heeft het gebruik van biomassa een enorme impact. De huidige twee biomassacentrales besparen op jaarbasis al ongeveer 14,5 miljoen m3 gas. Houtige biomassa is voor ons als glastuinbouwgemeente dus een energiebron waar we vooralsnog niet omheen kunnen. Wij streven naar een voor de bewoner en voor de glastuinbouw zo verantwoord mogelijke invulling van het aandeel bio-energie in onze energiemix. Samen moeten we aan de slag voor een vitale en duurzame toekomst. Gezien het maatschappelijk debat dat zich de afgelopen periode heeft ontwikkeld, is het noodzakelijk geworden om te werken aan duidelijkheid. In dit handelingsperspectief hebben we het alleen over

GEMEENTE

Waarom biomassa? grootschalig gebruik van het verbranden van biomassa. Grootschalig gebruik van biomassaverbranding in de gebouwde omgeving is nu al niet toegestaan en willen we ook niet mogelijk maken. Het Rijk bepaalt in grote mate het beleid ten aanzien van het gebruik van biomassa. Uitvoering van het beleid gebeurt via (milieu)regelgeving en subsidies. Het Rijk stimuleert op dit moment het toepassen van biomassa in centrales door SDE-subsidie. Biomassacentrales kleiner dan 15 MW vallen binnen het Activiteitenbesluit van de regelgeving Milieubeheer en zijn meldingsplichtig. In het bestemmingsplan voor de glastuinbouwgebieden in Lansingerland zijn biomassacentrales rechtstreeks toegestaan. In onze gemeente zijn inmiddels twee biomassacentrales, beide van 14,9 MW, in werking. Daarnaast zijn er nog 4 vergund, maar nog niet gebouwd, allen van 14,9 MW.

03 3 C/5

5’

CTQ O ~i Û3

3

Cl.

Wat gebeurt er op nationaal niveau? Het kabinet heeft de SER gevraagd om een breed gedragen advies op te stellen over het gebruik van biomassa in de energietransitie. Het advies van de SER is in juni 2020 verschenen. De belangrijkste conclusie van het SER-advies, 'Biomassa in balans, een duurzaamheidskader voor hoogwaardige inzet van biomassa', is dat we de inzet van biomassa voor de opwekking van energie moeten afbouwen. Biomassa moet in eerste instantie gebruikt worden voor hoogwaardige toepassingen, zoals bodemverbeteraars, bouwmateriaal, de voedselvoorziening en productie van medicijnen. Voor overbruggingstoepassingen, van lastig te verduurzamen sectoren, zoals de industrie, zwaar wegtransport, maar ook de glastuinbouw is biomassa de komende tijd nog in te zetten. In ieder geval zolang duurzame alternatieven (zoals groen gas of duurzaam geproduceerd waterstof) nog niet of onvoldoende beschikbaar zijn. Laagwaardige toepassingen waar wel alternatieven voor beschikbaar zijn, zoals de opwek van elektriciteit en laagwaardige toepassing van warmte (zoals voor verwarming van woningen), moeten we, volgens de SER, in Nederland snel gaan afbouwen. Afbouw gaat samen met de opbouw van volwaardige duurzame alternatieven (SER, 2020). Het is nu aan het kabinet om het advies van de SER om te zetten in beleid.

Handelingsperspectief biomassaverbranding voor de glastuinbouw in Lansingerland

5

GEMEENTE

Afbouw van inzet biogrondstoffen (zoals hout) voor Laagwaardige functies Het SER stelt in de notitie “Biomassa in balans” dat: "Laagwaardige toepassingen, daarentegen, zoals verbranden voor elektriciteitsopwekking, warmte (lage-temperatuur) en bijmenging in brandstof voor lichte wegvoertuigen, moeten worden afgebouwd. Slechts in specifieke gevallen zullen hier mogelijk nog biogrondstoffen voor nodig zijn, zoals voor de verwarming van oude binnensteden en als er onvoldoende elektriciteit uit zon en wind beschikbaar is. Figuur 4.1 Tentatieve ontwikkeling per toepassingsgebied van biogrondstoffen in beeld Indicatief en niet op schaal en zonder rekening te houden met vastgestelde subsidies.

Materialen, Chemie, Incl. export Zwaar wegtransport, lucht- en scheepvaart Wegtransport Warmte, Incl. - hoge temperatuur bestaande warmtenetten

03

3

C/5

5’

CTQ O Û3

Q.

overbrugging mogelijke overhruggin mogelijke overbruggin.

Elektriciteit, incl. - flexibel vermogen 2020

Waarom houtstook in de glastuinbouw als overbruggingsmiddel naar een duurzamere bron? Zolang er nog geen volwaardig, betaalbaar en haalbaar alternatief is voor de gasgestookte WKK is voor het overgrote deel van het bestaande slecht geïsoleerde kassenbestand is het nog niet mogelijk om nu actief biomassacentrales onmogelijk te maken. Een hout gestookte WKK als alternatief is op dit moment een goed alternatief om juist ook in de midden en pieklast te voorzien. Groen gas of waterstof zijn op den duur mogelijke andere alternatieven om ook in de piekvraag van de glastuinbouw te voorzien. Beide gassen zijn hiervoor nu nog niet voorradig dan wel betaalbaar, verwachting is ook niet dat dit voor 2030 grootschalig beschikbaar zal zijn. Dit nog los van de beschikbaarheid van zuivere C02, die nodig is in de kassen. Houtstook is daarom een overbruggingstoepassing omdat we er vanuit gaan dat er betere alternatieven op termijn beschikbaar komen. De vraag is alleen wanneer.

2050

Onder de juiste voorwaarden kunnen biogrondstoffen dus ook een overbruggingsoplossing zijn naar een C02neutrale economie, waar voorlopig onvoldoende alternatieve, duurzamere technologieën beschikbaar zijn. In de komende járen bevinden sommige overbruggingstoepassingen zich nog in een opbouwfase. Vanaf 2030 verwacht de SER dat andere technologische oplossingen verder ontwikkeld zijn en in beeld komen (zie ook figuur 4.1). ”

Provincie Zuid-Holland De provincie Zuid-Holland sluit biomassacentrales niet uit in haar beleid. In het coalitieakkoord (september 2019) is één zin opgenomen over biomassa: “Biomassacentrales hebben niet onze voorkeur”. In de Omgevingsvisie (april 2019) van de provincie wordt nog wel specifiek ingezet op biomassa. De provincie zet in de Omgevingsvisie in op “innovatie ten aanzien van nieuwe mogelijkheden voor energieverbruik uit wind, zon, biomassa, water en aardwarmte”. Op dit moment bekijkt de provincie of zij aanvullend beleid wil gaan formuleren voor de bouw van biomassacentrales.

Handelingsperspectief biomassaverbranding voor de glastuinbouw in Lansingerland

6

Het grootschalig gebruik van biomassa staat steeds meer onder maatschappelijke druk. We sluiten de ogen niet voor argumenten tegen het verbranden van biomassa. We zijn van mening dat een brede, gezamenlijke benadering van dit maatschappelijke vraagstuk een 'must' is en dat we blijvend naar de geformuleerde regelgeving moeten kijken en ons beleid daarop moeten aanpassen. De afgelopen járen zijn er vele onderzoeken geweest naar de pro's en de contra's van het grootschalig gebruik van houtstook. De verschillende onderzoeken kijken vanuit een ander perspectief naar de problematiek en komen tot andere conclusies. Dit maakt het voor de overheid lastig om te komen tot eenduidige regelgeving en om een lijn te trekken. Ook voor ons. Maar wat voor zoveel zaken geldt: overal waar 'te' voor staat, is niet goed. Dat geldt in feite ook voor biomassa: te grootschalig gebruik van biomassa zal leiden tot schade. De vraag wanneer er dan sprake is van 'te', is normatief vastgelegd in de milieuregelgeving; de vraag rijst steeds meer of deze nog wel voldoet aan de sociaal maatschappelijke ontwikkelingen. We hebben daarom niet gekozen voor één kant van het verhaal, maar we hebben de lijn van het onlangs verschenen SER-advies gehanteerd.

Bij het tot stand komen van dit SER-advies, zijn vele partijen die vanuit verschillende invalshoeken naar de problematiek kijken, tot een gezamenlijk eindadvies gekomen. Ook voor onze gemeente geeft dit SER-advies een helder lokaal perspectief voor het gebruik van biomassa. We baseren ons beleid veelal op feiten. Maar als er ook vanuit de wetenschap geen eenduidig antwoord is gegeven, dan is het lastig om op basis hiervan richting te kiezen. Klimaatwetenschappers kijken bijvoorbeeld anders naar de inzet van bepaalde vormen van biomassa dan ecologen, die biodiversiteit in hun onderzoek centraal stellen. Het vraagt dan ook van ons als gemeente richting te kiezen op basis van verschillende opvattingen over biomassa. In het maatschappelijk debat gaat het vaak over de

milieu- en gezondheidseffecten en duurzaamheid van biomassa. De vaakst genoemde aspecten laten wij hieronder de revue passeren. De realisatie van een biomassa-installatie met een thermisch vermogen kleiner dan 15 MW volstaat met een 'melding Activiteitenbesluiť. Het bouwen van een grotere installatie is milieuvergunningsplichtig. Het is ook daarom dat in onze gemeente de biomassacentrales allemaal net onder de 15 MW zijn. Als gemeente hebben wij via de milieuwetgeving minimale toetsende bevoegdheden voor de installaties die onder de 15 MW blijven. De houtstookinstallaties zoals die nu in de gemeente staan of vergund zijn, veroorzaken beperkte extra milieudruk. Het Activiteitenbesluit stelt voorwaarden aan de houtstookinstallatie. Hieraan worden de aanvragen ook getoetst. Als we de strengere adviesnormen van de Wereld Gezondheidsorganisatie (WHO) voor luchtkwaliteit zouden gaan volgen, blijven de installaties ook binnen de normen. Dit wil overigens niet zeggen dat de tegenstanders van biomassacentrales geheel ongelijk hebben en de centrales geen enkel effect hebben. Het is een feit dat biomassacentrales de lucht vervuilen. Het is ook niet de vraag of het schadelijk is; alle extra fijnstof is in zekere mate schadelijk. Het is vooral de vraag wat de verdere effecten zijn en in hoeverre deze toelaatbaar zijn binnen het wettelijk kader.

Het gaat er om de feiten tegen elkaar af te wegen en vervolgens richting te kiezen. Dat dit niet altijd eenvoudig is, mag gezien het debat dat wordt gevoerd wel duidelijk zijn.

GEMEENTE

Maatschappelijk debat

03 3 C/5

5’

CTQ O ~i Û3

3

Cl.

De maatschappelijke discussie over houtstook is onder te verdelen in vier categorieën: - Zorgen over fijnstof; - Zorgen over stiktof; - Zorgen over de lokale luchtkwaliteit en stank; - Zorgen en twijfels over de duurzaamheid; - Zorgen over de intensivering van het vrachtverkeer.

Handelingsperspectief biomassaverbranding voor de glastuinbouw in Lansingerland

7

GEMEENTE

Fijnstof Fijnstof zijn kleine zwevende deeltjes die vrijkomen bij het verstoken van hout. Bij fijnstof kijken we zowel naar PM10 (zwevende deeltjes met een doorsnede van 10 micrometer en kleiner) en PM2.5 (zwevende deeltjes met een doorsnede van 2.5 micrometer en kleiner). In Nederland maken we geen onderscheid tussen verschillende soorten fijnstof. Nederland heeft door haar grote bevolkingsdichtheid, vervoersdichtheid en vele industriële activiteiten een hoog jaargemiddelde concentratie fijnstof. Bij een goed brandende houtstookinstallatie bestaat het fijnstof vooral uit anorganische (niet carcinogene) zouten. Wetenschappers hebben geen veilige niveaus voor fijnstof aangetoond, waarbij geen schadelijke gezondheidseffecten optreden. Dit wil niet zeggen dat we geen normen hebben in Nederland. In tabel 1 zijn de normen opgenomen. Als gemeente moeten wij toetsen aan de nationale normen. Conclusie is dat een houtstookinstallatie wel de concentratie fijnstof verhoogt, maar dat dit binnen de nationale normen blijft (RIVM, 2013) 8t (Verhees, 2019) Norm NL

Fijnstof PM is

40 Įjg PM iŭ /m3

WHO advies/

Waardenu

Stijging per Installatie

Streefwaarde

Lansingerland

op 100 m afstand *

20pgPMisZm3

17,5 tot en met

0,20 Hg PM lû/m3"

19 Įig PM ia /m3 Fijnstof PM ų

20 ng PM 25 /m3

10 Hg PM 25 /m3

10,5 toten met

0,18 Hg PM 25/m3"

11 Hg PM 25/m3 Stikstof

40 pg NO 2/m3

30 pg NO 2/m3

2į5 toten met

1 Hg NO 2/m3**

23,5 Hg NO 2/m3 Geur

2ouÿm3

«-0,5 DuE/m3’'

Tabel 1: Normen en waarden (Infomil, sd) ft (Verhees, 2019) * = onzekerheidsmarge van circa 2556 ** » lokaal kunnen de omstandigheden mogelijk afwijken

Stikstofoxides Over de uitstoot van stikstof is op dit moment veel te doen. Diverse bouwprojecten zijn stilgelegd vanwege onvoldoende inzicht in wat het project betekent voor de stikstofdepositie. In Lansingerland hebben we hier gelukkig nog niet mee te maken gehad. Dit laat onverlet dat we wel scherp moeten blijven. Te veel stikstofneerslag is slecht voor de biodiversiteit en de natuur. Daarom werkt de nationale overheid aan maatregelen om de stikstofuitstoot te verminderen. Ondanks dat in de omgeving van onze gemeente geen Natura 2000 gebieden liggen, zal het nog te vormen stikstofbeleid invloed gaan hebben op emissienormen van diverse (landbouw)sectoren. Bij iedere verbranding komen namelijk stikstofoxides (NOx) vrij, waaronder stikstofdioxide (N02). Naast de druk op de biodiversiteit zorgt uitstoot van NOx indirect voor de vorming van het voor de luchtwegen schadelijke ozon (03). Hoge concentraties en langdurige bloostelling aan N02 en 03 zorgen voor longfunctiedaling, ontstekingsreacties, luchtwegklachten, verhoogde vatbaarheid en versterking van allergische reacties bij de mens (Gezondheidsraad, 2018). Het is daarom ook niet vreemd, dat we de normen goed in de gaten moeten houden. Zelfs bij de bouw van enkele biomassacentrales in de glastuinbouwgebieden zal geen sprake zijn van overschrijding van de huidige normen.

Verbranding in biomassacentrales gebeurt bij optimale verbranding met filters. Daardoor is het proces relatief gezien vele malen schoner dan bijvoorbeeld de verbranding van hout in open haarden of andere kleinschalige vormen van houtverbranding. Door het toepassen van extra (end-of-the-pipe) maatregelen, is ook veel reductie van de NOxuitstoot te bereiken. In overleg met de tuinders willen we bij eventuele nieuwe aanvragen kijken wat de (economische) mogelijkheden zijn om extra maatregelen te nemen.

Handelingsperspectief biomassaverbranding voor de glastuinbouw in Lansingerland

Q3 3 C/5

5’

CTQ O ~i Û3

3

Cl.

8

GEMEENTE

Geur Geur is lastig te “meten”. Om de geurhinder te bepalen, wordt een gevoelsmatige analyse uitgevoerd. De gevoelsmatige waarde is een maat om de onaangenaamheid van geur te bepalen. Bij houtrook varieert deze tussen de 0,5 (waarneembare geur) en -2 (onaangenaam). Zolang de geurbelasting lager is dan 2 ouE/nrô bij een 99,9-percentiel, is te spreken van een goed leefklimaat (Koppejan 6t de Bree, 2018). Volgens onderzoeksbureau Blauw is er van een houtstookinstallatie met een goede verbranding 99,996 van de tijd nagenoeg geen geurhinder bij een afstand van 100 meter. In Lansingerland staan alle houtstookinstallaties op dit moment meer dan een kilometer van de bebouwde omgeving. In het bestemmingsplan is de afstandseis tot de bouwde omgeving gesteld op 100 meter. We kunnen daarom met een gerust hart vaststellen dat er nagenoeg geen geurhinder zal optreden. Duurzaamheid Het verbranden en herplanten van energiebossen kan op zich duurzaam. De C02 die vrijkomt bij verbranding is uit de lucht opgenomen tijdens de groeifase. Binnen Europa is naar verwachting tot 2030 en daarna voldoende houtachtige biomassa beschikbaar om aan de (huidige) vraag te voldoen. In lijn met het advies van de SER, is het voor het klimaat en de duurzaamheid altijd beter om hout eerst voor een waardevoller doeleinde dan brandstof te gebruiken, bijvoorbeeld medicijnen en meubels of in woningbouw.

Het verdient de voorkeur om alleen afvalhout te gebruiken voor verbranding. Iedereen in Nederland die energie produceert uit vaste biomassa en in aanmerking komt om daarvoor SDE+ subsidie te ontvangen dient jaarlijks aan te tonen dat die vaste biomassa voldoet aan de wettelijke duurzaamheidseisen. Het SER-advies adviseert het rijk om nog beter op de herkomst van biomassa en de verbranding ervan te sturen. Bijvoorbeeld door in ieder geval de subsidie op het verbranden van biomassa terug te draaien. Tot die tijd is het gebruik van biomassa als brandstof in biomassacentrales nog gewoon mogelijk.

Verkeer De aanvoer van biomassa in Lansingerland vindt plaats via de weg. Ten aanzien van de belasting van het wegennet zijn geen onderzoeksgegevens gevonden, alleen ervaringscijfers. Voor bijvoorbeeld de biomassacentrales die vergund zijn in Lansingerland (14,8 MW), zijn per week ongeveer 20, en in de piek 30, vrachtwagens nodig. Dit aantal is nu gering als we kijken naar het aantal vrachtwagenbewegingen die het tuinbouwgebied in z'n totaliteit in Lansingerland genereert. Ook als alle nu vergunde aanvragen zijn gebouwd is het aantal extra vrachtwagenbewegingen beperkt. Het wegennet in de glastuinbouw van Lansingerland is berekend op grote en zware transporten. De belasting van het bovenliggend wegennet is door het transport van biomassa ook gering.

Q3

3

C/5

5’

CTQ O Û3

Q.

Schone Lucht Akkoord In het Schone Lucht Akkoord inventarisaren het Rijk, provincies en gemeenten acties en maatregelen om de luchtkwaliteit in Nederland te verbeteren. Dit met het doel om gezondheidswinst voor alle Nederlanders te realiseren. Kennis en expertise wordt gedeeld samen met onder meer het RIVM, TNO, GGD's en het Longfonds. Doel van het akkoord is om gezamenlijk in 2030 vijftig procent gezondheidswinst te hebben gerealiseerd door schonere lucht. Lansingerland heeft het Schone Lucht Akkoord begin 2020 ondertekend. Door de ondertekening krijgen wij nu ondersteuning bij het opstellen van uitvoeringsplannen en agenda's, bij het monitoren van de maatregelen en de gemeente wordt betrokken bij uitwisseling van kennis, best practices en innovatieve pilots. Kennisinstellingen zoals het RIVM en TNO zijn betrokken en ook is geld aanwezig om specifieke maatregelen en/of acties te kunnen uitvoeren en/of ontwikkelen. Lansingerland is hiermee zichtbaar actief aan de slag voor een gezondere leefomgeving. Binnen het Schone Lucht Akkoord wordt gewerkt aan strengere eisen en aan het voorschrijven van de best beschikbare technieken. Dit zal op zijn vroegst in 2022 plaatsvinden.

Handelingsperspectief biomassaverbranding voor de glastuinbouw in Lansingerland

9

We vertellen niets nieuws als de glastuinbouw een grootverbruiker is van warmte. De warmtevraag uit de glastuinbouw in de gemeente Lansingerland betreft ongeveer 9.000 TJ. Ongeveer 100 bedrijven (circa 550 hectare) van de 155 bedrijven (811 hectare) zijn op dit moment aangesloten op een warmtenet. In samenwerking met andere partijen werken we aan verdere uitbreiding van dit net naar de andere glastuinbouwgebieden. De RoCa-leiding voedt dit warmtenet. De twee biomassacentrales leveren aan het RoCa-netwerk en hebben ervoor gezorgd dat er meer tuinders aangesloten zijn op het warmtenet. Ook wordt er aardwarmte

geleverd op een (losgekoppeld) deel van dit net. Als alle biomassa verbrandingsinstallaties die op dit moment vergund zijn, ook gaan leveren, dan kunnen deze circa 1556 van de huidige warmtevraag in de glastuinbouw leveren. In een eindsituatie zou dit warmtenet gevoed moeten worden door duurzame warmte uit bijvoorbeeld geothermie en C02-vrije restwarmte. Biomassa zou daarin hooguit een beperkte rol vervullen voor piek- of back-up voorziening. Dit zolang een betere fossielvrije brandstof niet praktisch inzetbaar is.

Handelingsperspectief biomassaverbranding voor de glastuinbouw in Lansingerland

GEMEENTE

Biomassa binnen het bestaande warmtenet

03

3

C/5

5’

CTQ O Û3

Q.

10

We zien in Lansingerland houtstook vooral als transitiebron naar een duurzame aardgasloze warmtevoorziening voor de glastuinbouw. Voor de gebouwde omgeving zien we het verbranden van biomassa niet als (tussen)oplossing. We werken samen met de glastuinbouwsector en alle andere partijen die een rol hebben in de energietransitie, om zo snel mogelijk te komen tot een betrouwbare, haalbare en betaalbare duurzame warmtemix voor de glastuinbouw. Wanneer de glastuinbouw hier precies volledig gebruik van kan maken, is voor ons nu moeilijk aan te geven. Op dit moment zijn de financiële perspectieven voor warmte uit een grootschalig regionaal restwarmtenet nog niet gunstig. Ook de andere technieken zijn op dit moment voornamelijk om financiële en/of technische redenen nog niet haalbaar voor de tuinbouwbedrijven. Dat staat een omschakeling op restwarmte of toepassing van andere technieken en daarmee een snelle afbouw van het gebruik van biomassa in de weg. Het scenario dat restwarmte op termijn wel rendabel is voor de glastuinbouw, schatten wij kansrijk in. Echter niet op de korte termijn (minder dan 5 jaar). We houden rekening met een scenario dat we in Lansingerland in een transitiefase tot minimaal 2035 voor een deel afhankelijk zijn van houtstook en aardgas. Op dit moment werken diverse overheden en private bedrijven samen aan de verdere relatie van een (rest)warmtenet.

De concept Regionale EnergieStrategie (RES) zet ook vol in op een regionaal transportwarmtenet om warmte uit de Rotterdamse haven in onder andere Lansingerland te krijgen. Het ministerie van Economische Zaken en Klimaat heeft de Gasunie opdracht gegeven om de haalbaarheid van een

dergelijk transportnet vanuit Rotterdam te onderzoeken. Wij zetten erop in om meer duurzame warmte richting Lansingerland te krijgen en zoeken actief de samenwerking op om dit voor elkaar te krijgen. Het zal alleen nog enkele járen duren voordat besluitvorming hierover plaatsvindt. Op korte termijn biedt dit dus geen alternatief voor de biomassacentrales. Inzet is om rond 2030 meer restwarmte te ontvangen, en op dat moment biomassa af te bouwen. Dit past ook goed in het beeld van de 12 jaar-subsidiebeschikkingen die zijn afgegeven en tegen die tijd zijn afgelopen. Het mag duidelijk zijn dat we als lokale overheid eigenlijk niet goed kunnen sturen op installaties onder de 15 MW. Dit ook in het licht van de noodzakelijke energietransitie en de enorme economische positie van de glastuinbouw in onze gemeente. Als we al zouden willen sturen, schieten onze wettelijke bevoegdheden daarvoor tekort. Daarom zetten wij ons in voor alternatieve duurzame warmtebronnen. Tegelijkertijd doen we ook een moreel appél op de glastuinbouwsector om terughoudend om te gaan met de bouw van nieuwe biomassacentrales en om gebruik te maken van de best mogelijke technieken (end-of-de-pipe maatregelen). Door extra maatregelen te nemen, is de uitstoot in grote mate terug te dringen.

We willen hierover in overleg met de glastuinbouwsector in Lansingerland en we willen met de individuele tuinders die een houtstookinstallatie hebben, afspraken maken. Het gaat daarbij om de aanwezige en de reeds vergunde installaties, maar ook om de nog toekomstig te bouwen installaties. We zien het namelijk als onze taak om te blijven zoeken naar een gedragen maatschappelijke oplossing.

Handelingsperspectief biomassaverbranding voor de glastuinbouw in Lansingerland

GEMEENTE

Hoe werkt het in Lansingerland?

03

3

C/5

5’

CTQ O Û3

Q.

11

Atlas van de leefomgeving. (2020 1). Stikstofdioxide 2017 (N02) - RIVM. Opgehaald van www.atlasleefomgeving.nl:https://www.atlasleefomgeving.nl/kaarten

GEMEENTE

Geraadpleegde bronnen Atlas van de leefomgeving. (2020). Fijnstof 2017 (pm2,5) - RIVM. Opgehaald van www.atlasleefomgeving.nl:https://www.atlasleefomgeving.nl/kaarten Atlas van de leefomgeving. (2020). Kaarten. Opgehaald van www.atlasleefomgeving.nl: https://www.atlasleefomgeving.nl/kaarten CE Delft. (sd). Ketenemissies warmtelevering. Opgeroepen op 08 03, 2020, van ce.nl: https://www.ce.nl/publicatie/ketenemissies_warmtelevering/1776 Compendium voor de Leefomgeving. (2017, 01 17). Fijnere fractie van fijn stof (PM2,5) in lucht, 2009-2015. Opgehaald van www.clo.nl:https://www.clo.nl/indicatoren/nl0532-fijnere-fractie-van-fijn-stof-pm-25 Compendium voor de leefomgeving. (2018, 10 17). Stikstofdioxide in lucht, 1990-2017. Opgehaald van www.clo.nl:https://www.clo.nl/indicatoren/nl0231 -stikstofdioxide d'Annunzio, R., Sandker, M., Finegold, Y., fit Zhang, M. (2015). Projecting global forest area towards 2030. Forest Ecology and Management, 352, 124-133.

03

3

Ç/3

5’

CTQ O Û3

Q.

DCMR. (2018). Effect van energiebronnen in de glastuinbouw op de luchtkwaliteit. Rotterdam: DCMR. Gemeente Waddinxveen. (2020). Parapluplan biomassa-installaties. gemeente Waddinxveen. Gezondheidsraad. (2012). De invloed van stikstof. Gezondheidsraad. Gezondheidsraad. (2018). Gezondheidswinst door schonere lucht. Den Haag: Gezondheidsraad. Infomil. (2017). Hadleiding voor kleine en middelgrote stookinstallaties. Ministerie van Infrastructuur en Milieu. Infomil. (sd). Grenswaarden en andere luchtkwaliteitsnormen. Opgeroepen op 09 28, 2020, van infomil.nl: https://www.infomil.nl/onderwerpen/lucht-water/luchtkwaliteit/regelgeving/wetmilieubeheer/beoordelen/grenswaarden/ Koninklijke akademie van wetenschappen. (2015). Verslag van het symposium ‘Biofuel And Wood As Energy Sources’. KNAW. Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen. (2014). VISIEDOCUMENT BIOBRANDSTOF EN HOUT ALS ENERGIEBRONNEN. Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen. Koppejan, J., fit de Bree, F. (2018). Kennisdocument houtstook Nederland. Planbureau voor de leefomgeving. Ministerie van Milieu en Infrastructuur, (sd). Grenswaarden en andere luchtkwaliteitsnormen. Opgehaald van www.infomil.nl:https://www.infomil.nl/onderwerpen/lucht-water/luchtkwaliteit/regelgeving/wetmilieubeheer/beoordelen/grenswaarden/ NASA. (2016). The Carbon Cycle.

Opgehaald van earthobservatory.nasa.gov: https://earthobservatory.nasa.gov/features/CarbonCycle Oldenburg, J. (2017). Toelichting en achtergrondinformatie infographics over houtige biomassa. Wageningen: Stichting Probos. Provincie Zuid-Holland. (2018). Position Paper Biomassastook bij inrichtingen. Provincie Zuid-Holland. RIVM. (2013). dossier 'Fijn Stof: hoe en wat. RIVM Bilthoven. SER. (2020). Biomassa in Balans: Een duurzaamheidskader voor hoogwaardige inzet van biogrondstoffen. Sociaaleconomische raad. SER. (sd). Energieopwek. Opgehaald van energieopwek.nl: https://energieopwek.nl/ Sterman, J. D., Siegel, L., fit Rooney-Varga, J. N. (2018). Dynamic lifecycle analysis of wood bioenergy. Environmental Research Letters, 13(015007). Trouw. (2017, 11 22). Opgehaald van trouw.nl: https://www.trouw.nl/groen/waarom-biomassa-een-grotere-klimaatkilleris-dan-steenkool—a8d089d1 f Verhees, L. (2019). Inzicht in de lokale luchtkwaliteit van Waddinxveen Huidige situatie en doorkijk naar 2030. Tauw. Overige bronnen * Ruimtelijkeplannen.nl. bestemmingsplannen: Buitengebied Bleiswijk (2016), Noordpolder Lansingerland (2013), Oostland-Berkel (2013) 2013 « Ruimtelijkeplannen.nl.

Partiële herziening Agrarische Glastuinbouwbestemmingen, Gemeente Pijnacker-Nootdorp, vastgesteld (2019-12-19) * Ruimtelijkeplannen.nl; Parapluplan biomassa-installaties, Gemeente Waddinxveen, ontwerp (2019-10-09) https://themasites.pbl.nl/biomassa/PBL-2013-biomassa-wensen-grenzen-interactive-1279.pdf » https://www.rvo.nl/subsidies-regelingen/stimulering-duurzame-energieproductie/categorie%C3%ABn/biomassa-sde « Brief aan de Tweede Kamer Biomassa hoe zit het? Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, 2019 * Biomassa voor de energievoorziening van tuinbouwclusters, WUR, 2016

Handelingsperspectief biomassaverbranding voor de glastuinbouw in Lansingerland

12

NOs

40 ng/mB 35 ug/mĵ

Norm Wet milieubeheer 40pgZm3 Advieswaarde t.b.v natuur en milieu

30 ug/mB

30 pgZm3

25 ug/mB

1 nnrinnnrinnrlrn

20 ug/mB

21,5-23 pg/ir.3

PM,Ď 40 ug/mB

PMs.s Norm Wet milieu­ beheer 40pgZm3

35 ug/mB

40 ug/mB 35 ng/rr.3

30 MgZm3

30 ug/mB

25 uēZm3

25 ug/mB

Advieswaarde WSO 20 pgZm3

20 ngAii3

Norm Wet milieu­ beheer 20 pg/mî

20 ug/mB

15 ug/mB

15 |4gZm3

Concentratie PMio in Lansingerlandse lucht

10 ug/mB

10 MgZm3

17,5-19 pgZm3

5 ĻigAn3

5 MgZm3

5 Ug/mB

0 ug/mB

0 MgZm3

0 ugZm3

GEMEENTE

Jaargemiddelde kwaliteitsnormen stikstofdioxide (NOs) en fijnstof (PM» en PMi.»), advieswaarde en luchtkwaliteit Lansingerland

Concentratie PM™ in Lansingerlandse tucht

15 Ug/mB 10 ug/mB

10.5-11,5 pgZm3 Advieswaarde WSO 10 pgZm3

Bijdrage jaargemiddelde concentraties fijnstof en N02, evenals de 99 percentiel waarde op 100 meter afstand van de houtstookinstallatie als gevolg van de installatie (afstand van 100 meter in dominante windrichting/worst case scenario) 4.50 ug/mB 4.25 ug/mB 4,00 ug/mB

NOs

Maximale toename NO, op 100 meter astand van de installatie bij slechte omstandigheden emissies conform AB (99 percentiel) 4,25 pg tot 4,75 pg NO^m3

0,18 Mg/mS

PM10

0,17 ug/mB 0,16 Ug/mB

Maximale toename bij slechte omstandigheden (99 percentiel) 0,17 tot 0,22 pgZm3

0,18 ug/mB 0,17 ug/mB 0,16 ug/mB

0,15 ugZm3

0,15 ueZm3

3.50 Ug/mB

0,14 ugZm3

0,14 ug/mB

3.25 ug/mB

0,13 ug/mB

0,13 ug/mB

3.75 ug/mB

3,00 ug/mB 2.75 ugZm3 2.50 ug/mB 2.25 ug/mB

2,00 ug/mB 1.75 ug/mB 1.50 ug/mB 1.25 ug/mB

1,00 ug/mB 0,75 ug/mB 0,50 Ug/mB 0,25 ug/mB

Jaargemiddelde toename NO; op 100 meter van houtstookinstallatie emissies conform AB 2,00 tot 2,50 pg NOiZm3 Maximale toename NO, op 100 meter astand van de installatie bij slechte omstandigheden (99 percentiel) bij gebruik van BBT 1,75 pg tot 2,25 pg NOl/mî

Jaargemiddelde toename NO; bij toepassen best beschikbare techniek 0,50 tot 0,60 pg NO;Zm3

Oug/mB

0,12 ug/mB

0,12 ug/mB

0,11 ug/mB

0,11 ug/mB

0,10 ug/mB

0,10 ugAn3

0,09 ugZm3 0,08 ug/mB 0,07 ug/mB

Jaargemiddelde toename PM» op 100 meter van houtstookinstallatie 0,04 tot 0,08 pgZm3

I

Maximale toename bij slechte omstandigheden (99 percentiel) 0.15 tot ũ,20 pgZm3

0,09 ug/mB 0,08 ug/mB 0,07 ug/mB

0,06 MgZm3

0,06 Ug/mB

0,05 ugZm3

0,05 ug/mB

0,04 ug/mB

0,04 ug/mB

0,03 ug/mB

0,03 ug/mB

0,02 ug/mB

0,02 ug/mB

0,01 ugZm3

0,01 ug/mB

0 ug/mB

0 ugAn3

I

Jaargemiddelde toename PM».; op 100 meter van houtstookinstallatie 0,04 tot 0,08 pg/mĵ

Effect van houtstookinstallatie op stikstofconcentratie op een afstand van 100 meter in Lansingerland (100 meter afstand in dominante windrichting) 45 ug/mB 42.5 ugZm3 40 ug/mB

27,5 ug/mB Norm Wet milieubeheer 40pgZm3

27 ug/mB

37.5 ug/mB 35 Ug/mB 32.5 ug/mB 30 ug/mB 27.5 ug/mB 25 ugZm3 22.5 Ui/mB

20 ug/mB

Maximale toename NO; op 100 meter astand van de installatie bij slechte omstandigheden emissies conform AB (99 percentiel) 4,25 pg tot 4,75 pg N0.Zm3

26,50 ug/mB Advieswaarde t.b.v. natuur en milieu 30 pgZm3 Effect houtstook op 100 m afstand 21,5-23 pg/mî

26 ug/mB

25,50 ug/mB

Lansingerlandse lucht 21,5-23 pg/mS

25 ug/mB

17.5 ug/mB 15 ug/mB

NOs

jaargemiddelde toename NO; op 100 meter van houtstookinstallatie emissies conform AB 2.00 tot 2,50 pg N0;Zm3

24,5 ug/mB

12.5 ug/mB 10 ugZm3

24 ug/mB

7.5 ug/mB 5 ug/mB

23,50 ug/mB

2.5 ug/mB

0 MgZm3

23 ug/mB

Handelingsperspectief biomassaverbranding voor de glastuinbouw in Lansingerland

13

GEMEENTE

Emissie Houtstookinstallatie Maximale emissie conform emissie-eisen activiteitenbesluit (AB)

Emissies bij gebruik van de best beschikbare end of the pipe technieken

140 mg N02Zmä rookpluim 5 mg/PMio/m* rookpluim 25.000 m3 rookpluimemissie/uur 3500 gr NC^/uur 125 gr PMio/uur

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lansingerland&id=49acd5dd-27da-45d5-892b-a2bd8c1d4e36