CConstaterende datLansingerland
Koppel je AI →
Document · PDF

[T22.04042] Verordening Sociaal Domein 2022 Hoofdstuk 6**Hoofdstuk 6 + enkele wijzigingen Wmo

Gemeenteraad 24 november 2022, gemeente LansingerlandBij agendapunt: Verordening Sociaal Domein 202245.254 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

Als voor het opheffen van een beperking of het bereiken van een gewenst resultaat een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat, wordt er geen maatwerkvoorziening vanuit de Wmo toegekend. Het voorrang geven aan het doen van een beroep op een dergelijke voorliggende voorziening sluit ook aan bij het uitgangspunt dat inwoners eerst hun eigen mogelijkheden benutten. Het gaat om de vraag of de inwoner aanspraak heeft op de voorziening. Het is niet nodig dat de inwoner daadwerkelijk over de voorziening beschikt. Lid 1, sub d: Van inwoners wordt verwacht dat als zij schade lijden, zij er, als dat mogelijk is, ook voor zorgen dat ze die schade verhalen op de veroorzaker. Daarmee kunnen zij voorkomen dat ze een beroep moeten doen op de Wmo 2015. De eigen verantwoordelijkheid speelt immers een grote rol (CRvB 19 juni 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:776). Omdat er zich situaties kunnen voordoen waarin het niet wenselijk is dat een inwoner op deze grond een maatwerkvoorziening wordt onthouden, bevat deze bepaling wel een 67/121

redelijkheidstoets. In bijzondere situaties kan de gemeente, hoewel er een derde verantwoordelijk is voor de situatie en die aangesproken kan/had kunnen worden, toch een (eventueel tijdelijke) maatwerkvoorziening verstrekken. In dat geval zal wel vast moeten komen te staan dat de inwoner zijn situatie niet zelf kan verbeteren en dat er voor het verstrekken van de voorziening een dringende noodzaak bestaat. Lid 1, sub e: Het is niet de bedoeling dat de gemeentelijke overheid voorzieningen verstrekt, waarvan gelet op de omstandigheden van de inwoner, aannemelijk is te achten dat deze daarover, ook als hij of zij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken. Uit artikel 2.3.5, lid 3 Wmo 2015 volgt dat er geen maatwerkvoorziening hoeft te worden verstrekt voor zover de gemeente van oordeel is dat de beperkingen met een algemeen gebruikelijke voorziening kunnen worden verminderd of weggenomen. In de Memorie van Toelichting wordt dit begrip nader toegelicht: ‘Een algemeen gebruikelijke voorziening bestaat uit zaken, diensten die in de reguliere handel verkrijgbaar zijn, niet speciaal voor mensen met een beperking zijn ontworpen en niet aanzienlijk duurder zijn dan een vergelijkbaar product met hetzelfde doel (passend in een normaal aanschaffingspatroon bij een gelijke financiële positie)’.

De Memorie van Toelichting noemt als voorbeeld een situatie waarin een inwoner al geruime tijd diensten (zoals huishoudelijke hulp) betrekt van een derde, waarmee de beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid of participatie al zijn verminderd of weggenomen; waardoor er geen voorziening hoeft te worden verstrekt (Kamerstukken II 2018-19, 35 093, nr. 3, p. 15). Een ander bekend voorbeeld is de elektrische fiets (bijv. CRvB 9 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3205). Ook kan gedacht worden aan een mengkraan. Lid 1, sub f: Doelt op de situatie dat de inwoner een voorziening aanvraagt nadat deze door de inwoner zelf gerealiseerd of aangekocht is. Omdat de gemeente dan geen mogelijkheden meer heeft de voorziening volgens het vastgestelde beleid te verstrekken, of op een andere manier invloed heeft op de te verstrekken voorziening, kan in deze situatie de voorziening worden geweigerd. Door deze regeling wordt voorkomen dat een voorziening waar vroegtijdig mee is begonnen uiteindelijk niet overeenstemt met wat de gemeente als goedkoopst passende voorziening beschouwt. Ook wordt voorkomen dat de gemeente nog ver nadat de voorziening is gerealiseerd een beoordeling zou moeten maken van de situatie van toen, terwijl het probleem al is opgelost en er feitelijk op het moment van de melding geen probleem is dat de gemeente nog zou moeten compenseren.

Lid 1, sub g: Een maatwerkvoorziening wordt alleen verstrekt als verstrekking daarvan op het moment van de aanvraag (medisch) noodzakelijk is om een participatiedoel dat past binnen de Wmo 2015 te bereiken. Het is niet bedoeld om te voorzien in wensen of in mogelijk toekomstige behoeften. De noodzaak van de ondersteuning zal in beginsel ook langdurig van aard moeten zijn. De Wmo 2015 is niet bedoeld voor situaties waarin iemand tijdelijk is aangewezen op een voorziening. Voor tijdelijke voorzieningen, bijvoorbeeld revalidatiehulpmiddelen kan een beroep worden gedaan op Zorgverzekering. Deze hulpmiddelen kunnen gedurende 2 x 3 maanden worden geleend en nadien zo nodig worden gehuurd. Dit is geregeld in artikel 2.12. juncto 2.6 e Regeling Zorgverzekering. Voor huishoudelijke hulp geldt een uitzondering (Kamerstukken II 2005-06, 30 131, nr. C, p. 45-46), welke in deze bepaling ook is overgenomen voor begeleiding omdat dit eveneens een dienst betreft. Wat tijdelijk is zal per situatie verschillen en zal meestal ook afhankelijk zijn van medische prognoses. Lid 1, sub h: De gemeente verstrekt vanuit de Wmo 2015 ook subsidies aan diverse organisaties binnen de gemeente Lansingerland. Deze organisaties bieden vrij toegankelijke, laagdrempelige voorzieningen aan voor de inwoners.

Voordat er een maatwerkvoorziening wordt verstrekt wordt door de gemeente eerst beoordeeld of het doel ook met de inzet van een dergelijke voorziening bereikt kan worden. Dit volgt ook uit artikel 2.3.5, lid 3 van de Wmo 2015. 68/121

Lid 1, sub i: Van de inwoner wordt verwacht dat hij op een verantwoorde wijze omgaat met een door de gemeente of een ander overheidsorgaan verstrekte voorziening die hem in staat stelt tot participatie en/of zelfredzaamheid. Dit past bij de prominente rol die de eigen verantwoordelijkheid inneemt in de Wmo 2015. Op het moment dat er een passende voorziening is geboden en er zich geen wijziging heeft voorgedaan in de situatie (bijv. toegenomen beperkingen waardoor de voorziening niet langer passend is), maar de inwoner door eigen toedoen of nalaten niet meer beschikt over die voorziening, dan is het niet logisch dat de gemeente opnieuw een voorziening verstrekt. Deze bepaling ziet uitdrukkelijk alleen toe op situaties waarin de inwoner, door bijvoorbeeld roekeloosheid of onoplettendheid, een verwijt kan worden gemaakt. Lid 1 sub j: Van een inwoner mag verwacht worden dat hij bij een verhuizing of de aanschaf van voorzieningen rekening houdt met zijn beperkingen. Zo mag bijvoorbeeld van iemand met een (progressieve) loopbeperking verwacht worden dat hij niet verhuist naar een woning met een trap waardoor hij (op termijn) geen gebruik kan maken van de woning zonder een voorziening. Doet hij dat wel, dan kan de gemeente een voorziening om die reden afwijzen. Het was immers voorzienbaar dat de keuze tot een beroep op de Wmo 2015 zou leiden.

De verantwoordelijkheid van de inwoner om een voorzienbaar beroep op de Wmo 2015 te voorkomen gaat overigens niet zo ver dat van de inwoner gevraagd mag worden dat hij reserveert of andere maatregelen treft om te voorkomen dat toekomstige onzekere gebeurtenissen in zijn gezondheidstoestand als gevolg van het ouder worden leiden tot een beroep op de Wmo (CRvB 22 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2603). Lid 1 sub k: De inwoner moet op grond van het artikel 2.3.2, lid 7 en artikel 2.3.8 Wmo 2015 meewerken aan het onderzoek van de gemeente dat nodig is om vast te stellen of er een maatwerkvoorziening noodzakelijk is en hoe die maatwerkvoorziening(en) eruit moet(en) zien. Op het moment dat een inwoner niet aan dit onderzoek meewerkt dan kan de noodzaak tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening niet worden bepaald en vormt dit een grond om de aanvraag af te wijzen (bijv. CRvB 4 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:567 en CRvB 16 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:224). Ook in situaties waarin huisgenoten niet meewerken aan een onderzoek, terwijl dit noodzakelijk is om vast te stellen in hoeverre zij gebruikelijke hulp kunnen bieden aan de inwoner, bestaat er aanleiding om de aanvraag om een maatwerkvoorziening af te wijzen (bijv. CRvB 25 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR4090).

In lid 2 zijn enkele afwijzingsgronden opgenomen die specifiek een maatwerkvoorziening in de vorm van een woonvoorziening betreffen. Een woonvoorziening is vaak een woning gebonden voorziening, die niet verplaatst kan worden, bijvoorbeeld bij een verhuizing. De afwijzingsgronden zijn bedoeld om onnodige kosten te voorkomen. Lid 2, sub a: Deze afwijzingsgrond is bedoeld voor situaties waarin gebruikte materialen voor problemen zorgen of als de ondervonden problemen te wijten zijn aan achterstallig onderhoud of aan de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen. De Wmo 2015 is niet bedoeld om een woning die in slechte staat verkeert of waar gebruik is gemaakt van verkeerde bouwmaterialen te renoveren. Ook tot het plaatsen van een voorziening in een woning die in slechte staat verkeert zal niet worden overgegaan omdat die voorziening alleen niet voldoende zal zijn om (langdurig) veilige woonsituatie te realiseren. Het behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner om ervoor te zorgen dat de aan te passen woning (eerst) in een goede staat verkeert, zodat een eventuele maatwerkvoorziening die gericht is op het zoveel mogelijk wegnemen van een beperking ook duurzaam effectief kan zijn.

69/121

Lid 2, sub b: De gemeente treft alleen een maatwerkvoorziening in of aan een woning waar de inwoner zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft. Dit betekent dat als de inwoner over meerdere woningen beschikt, er maar één woning wordt aangepast. Dit kan alleen anders zijn als sprake is van co-ouderschap. In dat geval kan een inwoner twee hoofdverblijven hebben, namelijk in de woning van zowel de ene als de andere ouder. Een uitzondering op het aanpassen van een woning die niet de hoofdverblijfplaats betreft vormt het bezoekbaar maken van een woning voor een inwoner die in een Wlz instelling zijn hoofdverblijf heeft. Onder het bezoekbaar maken valt onder andere het aanpassen van de entree van de woning en als dat nodig is het zorgen voor een toiletvoorziening (waarbij de voorkeur uitgaat naar een gehuurde- in plaats van een nagelvaste voorziening). Het gaat uitdrukkelijk niet om het logeerbaar maken van de woning, waarvoor ook aanpassingen aan de slaapruimte en natte cel gecreëerd zouden moeten worden. Aan dit bezoekbaar maken van een woning zijn wel een aantal voorwaarden verbonden. Zo moet het bezoeken van de woning frequent en over een langere periode plaats zullen vinden, zodat de kosten in verhouding staan tot het aantal bezoeken.

Ook zal de persoonlijke verzorging in de te bezoeken woning georganiseerd moeten zijn en moet het aanpassen van de woning bouwtechnisch eenvoudig mogelijk zijn. Omdat het bezoekbaar maken van een woning niet verplicht is, maar de gemeente wel bevoegd is om dit op grond van de Wmo 2015 mogelijk te maken, wordt met deze uitzondering voldaan aan de Wmo 2015. Lid 2, sub c: Met deze bepaling wordt het aanpassen van niet voor permanente bewoning geschikte woonruimten en/of woonruimten waar slechts tijdelijk wordt verbleven en/of woonruimten waarvoor de inwoner geen recht van permanente bewoning heeft; uitgesloten. Wel moet de gemeente in deze situaties voldoen aan haar verantwoordelijkheid. Dit kan door het bieden van een alternatieve oplossing in de vorm van een verhuiskostenvergoeding. Lid 2, sub d: Met deze beperking wordt invulling gegeven aan het individuele karakter van de maatwerkvoorziening, waarbij de toegang voor de inwoner wel wordt gewaarborgd. Het volledig aanpassen van collectieve ruimten sluit niet aan bij het individuele karakter van de maatwerkvoorziening. Lid 2, sub e: Deze bepaling hangt samen met de in lid 1, sub j opgenomen bepaling. Als er in de verlaten woning geen problemen bij de zelfredzaamheid werden ervaren, is de verhuizing naar de nieuwe woning kennelijk de oorzaak van de problemen en is men dus verhuisd naar een ongeschikte woning.

Niet de ondervonden beperking, maar de verhuizing naar een niet geschikte woning is dan de voornaamste oorzaak van de ondervonden problemen. Deze bepaling heeft voornamelijk betrekking op situaties waarin men gaat verhuizen zonder specifieke reden. Er wordt een uitzondering gemaakt als een belangrijke reden voor de verhuizing aanwezig is. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een verhuizing vanwege samenwoning, huwelijk of het aanvaarden van werk elders. De beoordeling of sprake is van een belangrijke reden is afhankelijk van een weging van alle feiten en omstandigheden die van belang zijn. Bij de beoordeling of er sprake is van een belangrijke reden is ook van belang of de inwoner mogelijkheden had om zelf voor een oplossing te zorgen. Lid 2, sub f: Deze bepaling hangt samen met de in lid 1, sub j opgenomen bepaling. Ook als men een goede reden heeft om te verhuizen mag van de (toekomstige) inwoner verwacht worden dat hij zoekt naar een zo geschikt mogelijke woning. Het is niet de bedoeling dat men een ongeschikte(re) woning kiest en vervolgens de rekening voor aanpassingen bij de gemeente indient. Met “verhuizen” wordt niet alleen het feitelijke verhuizen bedoeld, maar ook alle onomkeerbare handelingen die hieraan normaal gesproken voorafgaan, zoals het tekenen van een koop-, huur- of erfpachtcontract. Van de (toekomstige) inwoner wordt verwacht 70/121

dat hij vooraf contact zoekt met de gemeente en om toestemming vraagt voor de verhuizing om in aanmerking te kunnen komen voor een eventueel noodzakelijke woningaanpassing. Lid 3 regelt het primaat van het collectief vervoer. Met deze bepaling worden de keuzemogelijkheden van de inwoner voor een oplossing voor een vervoersprobleem beperkt om het systeem van collectief vervoer betaalbaar en daarmee in stand te kunnen houden.

Paragraaf 4.4 Aanvullende voorwaarden persoonsgebonden budget Artikel 4.4.1 Verzoek De gemeente kan een maatwerkvoorziening op grond van een verzoek van de inwoner in de vorm van een Pgb verstrekken. Deze mogelijkheid is geregeld in artikel 2.3.6 van de Wmo 2015. Van belang is dat een Pgb alleen wordt verstrekt als de inwoner met een Pgb plan kan aantonen dat hij, al dan niet met hulp uit zijn netwerk, met het Pgb in staat is om kwalitatief goede en effectieve ondersteuning te realiseren, die ook veilig is voor de inwoner en zijn omgeving. In dit artikel zijn voor de beoordeling daarvan door de gemeente een aantal voorwaarden gesteld aan het verzoek om een Pgb. Op het moment dat het gaat om een verzoek tot verlenging van een indicatie voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een dienst, zoals huishoudelijke hulp en begeleiding, moet ook het zorgplan als bedoeld in artikel 4.4.8 worden meegestuurd en dient er verantwoording afgelegd te worden over de resultaten van de inzet in de afgelopen periode. Artikel 4.4.2 Pgb plan Lid 1: Met het Pgb plan laat de inwoner zien dat hij er bewust voor kiest om de maatwerkvoorziening niet in natura af te nemen, bij een door de gemeente gecontracteerde leverancier, maar in de vorm van een Pgb.

Op basis van het Pgb plan moet de gemeente kunnen beoordelen of de inwoner, of de persoon uit zijn netwerk die namens hem het Pgb-beheer op zich wil nemen, zich voldoende beseft welke verantwoordelijkheden een Pgb met zich meebrengt en dat hij de bij een Pgb behorende taken op een verantwoorde manier kan uitvoeren. Lid 2: In het tweede lid zijn een aantal aspecten opgenomen die in elk geval in het Pgb plan benoemd moeten worden om aan de in het eerste lid genoemde voorwaarden te voldoen. Het gaat in de eerste plaats om een toelichting op de keuze voor een Pgb (a) en een beschrijving van de voorziening waaraan de inwoner het Pgb wil besteden (b) en bij wie (c). Ook wordt van de inwoner verwacht dat hij aangeeft waarom hij juist voor deze leverancier/ondersteuningsverlener heeft gekozen, waarbij gedacht kan worden aan een toelichting op de wijze waarop hij zich op het ondersteuningsaanbod heeft georiënteerd (d). Hiernaast zal de inwoner aan moeten geven welke kostprijs de beoogde leverancier/ondersteuningsverlener hanteert (e) en welke contract vorm, conform het model van de SVB (overeenkomst van opdracht met zorginstelling, zorgovereenkomst met partner of familielid, zorgovereenkomst van opdracht, of arbeidsovereenkomst), men kiest (f).

Tot slot zijn er een aantal aspecten die betrekking hebben op het waarborgen van de kwaliteit en effectiviteit van de in te kopen ondersteuning. Dan gaat het om kwaliteitsborging, waarbij gedacht kan worden aan diploma’s en keurmerken (g), maar ook hoe de aansturing van de leverancier/ ondersteuningsverlener in de praktijk is geregeld, met bijvoorbeeld evaluatiemomenten, zodat de ondersteuningsverlener/leverancier weet wat hij moet doen (h). Ook wordt van de inwoner, of de beheerder uit zijn netwerk, verwacht dat hij een controleplan heeft (i) en dat wordt aangegeven hoe de administratie, waaronder indien van toepassing het in artikel 4.4.8 genoemde zorgplan, wordt bijgehouden (j). Tevens moet het Pgb plan laten zien dat er is nagedacht over hoe men gaat handelen als de leverancier/ ondersteuningsverlener de gemaakte afspraken niet nakomt (k) of als er zich een calamiteit voordoet (l).

71/121

Lid 3: Als een inwoner de beoogde leverancier naar het professionele tarief wil betalen dan gelden er een aantal aanvullende eisen. Om te kunnen controleren of daaraan wordt voldaan bevat het derde lid een aantal aanvullende stukken die bij het Pgb plan gevoegd moeten worden. Artikel 4.4.3 Beheer Het beheren van het Pgb kan door zowel de inwoner als door een derde namens de inwoner (Pgb-beheerder) worden uitgevoerd. Voordat een Pgb wordt toegekend beoordeelt de gemeente of de inwoner, of de beoogde Pgb-beheerder namens hem, in staat is om de beheerstaken op een verantwoorde manier uit te voeren. Niet iedereen is namelijk in staat om naar behoren een Pgb te beheren. In dit artikel worden een aantal beoordelingscriteria gesteld. Lid 1: Een Pgb-beheerder zal uiteraard in staat moeten zijn om de ondersteuningsbehoefte over te brengen aan de leverancier/ondersteuningsverlener (a), maar er wordt ook gekeken naar factoren die er op wijzen dat men geen gezond beheer kan voeren (b) en risicofactoren in de vorm van verslavingsproblematiek (c), een verstandelijke beperking, een ernstig psychiatrisch ziektebeeld of een cognitieve stoornis (d) die maken dat men de taken niet (zelfstandig) op een (voldoende) verantwoorde manier uit kan voeren.

Een fraudeverleden is eveneens een reden om geen Pgb te verstrekken, waarbij voor de termijn van vier jaar is aangesloten bij de termijn die het Ministerie van Justitie en Veiligheid terugkijkt bij het afgeven van een VOG (e). Tot slot zal men, met het oog op het kennen en kunnen aangaan van de verplichtingen, de Nederlandse taal voldoende machtig moeten zijn (f). Lid 2: Op het moment dat de inwoner zelf niet in staat kan worden geacht om het Pgb te beheren bestaat er de mogelijkheid dat een derde dit namens de inwoner doet. Deze derde kan een wettelijk vertegenwoordiger zijn, dat wil zeggen dat hij door de rechtbank is benoemd om namens de inwoner zaken te regelen (curator of mentor), of iemand die door de inwoner zelf schriftelijk als vertegenwoordiger wordt gemachtigd. Op het moment dat een derde namens de inwoner het Pgb gaat beheren dan moet hij uiteraard aan dezelfde eisen voldoen als de inwoner. Om er voor te zorgen dat het Pgb door deze derde op een juiste wijze zal worden beheerd, worden er aan deze derde een aantal aanvullende eisen gesteld. Zo zal deze derde allereerst van onbesproken gedrag moeten zijn (a). Ook moet deze derde voldoende tijd hebben en voldoende zicht hebben op de situatie van de inwoner; om te waarborgen dat de leverancier/ondersteuningsverlener zijn verplichtingen nakomt (b).

Hij zal dit met de inwoner moeten kunnen bespreken (c) en ook moeten er geen andere belangen in de relatie tussen hem en de inwoner (d) of tussen hem en de leverancier/ondersteuningsverlener (e) zijn; die het uitvoeren van deze taak zouden kunnen verstoren. In het kader van een te nauwe band met de leverancier/ondersteuningsverlener kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een nauwe familierelatie (tot de vierde graad) of een zakelijke relatie waarbij de Pgbbeheerder tevens de boekhouder van de leverancier/ondersteuningsverlener is. Het is aan de gemeente om dit in de individuele situatie te beoordelen. Lid 3: Om te voorkomen dat Pgb verzoeken waarbij de inwoner zelf niet in staat is om het beheer op zich te nemen langdurig blijven liggen, omdat de inwoner niet in staat is om een geschikte beheerder in zijn netwerk aan te wijzen, bevat het derde lid een beperking met betrekking tot het opnieuw aandragen van een andere Pgb-beheerder. Op het moment dat de inwoner er niet in slaagt om een geschikte beheerder aan te dragen wordt het verzoek om een Pgb afgewezen. De inwoner krijgt dan de maatwerkvoorziening toegekend in de vorm van zorg in natura bij een door de gemeente gecontracteerde leverancier.

72/121

Artikel 4.4.4 Uitgangspunten vaststellen Pgb budget In dit artikel worden de uitgangspunten bij het vaststellen van het Pgb budget toegelicht. Hiermee wordt invulling gegeven aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder b, van de Wmo 2015. Hierin staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald op welke wijze de hoogte van een Pgb wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn. Lid 1: De hoogte van het pgb voor een dienst is afhankelijk van het aantal uren of dagdelen dat noodzakelijk is voor het bereiken van het gewenste resultaat en van de professionaliteit en de relatie tussen de inwoner en degene die de ondersteuning biedt. Voor professionele inzet, waarbij de ondersteuningsverlener ook geen deel uitmaakt van het sociale netwerk van de inwoner, zoals een vriend of familielid, is het tarief maximaal de hoogte van het tarief voor zorg in natura. Dit wordt het formele tarief genoemd. Voor ondersteuning door iemand die dit niet doet in het kader van een hulpverlenend beroep of iemand uit het eigen sociale netwerk, ligt het tarief lager. Dit wordt het informele tarief genoemd (a). Het Pgb is toereikend om effectieve en kwalitatief goede ondersteuning in te kopen (b) en bedraagt nooit meer dan de kostprijs die de gemeente op basis van de gemaakte contractuele afspraken met de zorg in natura aanbieders verschuldigd zou zijn.

Op het moment dat de inwoner de noodzakelijk geachte ondersteuning volgens de pro-forma nota goedkoper weet in te kopen dan de maximale kostprijs op basis van het zorg in natura tarief dan hanteert de gemeente bij het berekenen van het Pgb budget dit lagere tarief (c). Lid 2: geeft aan dat als er een pgb wordt verstrekt ten behoeve van een hulpmiddel, er een aanvullend bedrag wordt verstrekt voor het onderhoud van het hulpmiddel. Dit bedrag is bedoeld voor het onderhoud gedurende de gehele looptijd van de verstrekking. Deze is maximaal gelijk aan de levensduur van het hulpmiddel. Lid 3: spreekt voor zich. Artikel 4.4.5 Hoogte Pgb budget Dit artikel spreekt voor zich en regelt de hoogte van het Pgb bij een aantal specifieke voorzieningen. Artikel 4.4.6 Niet in het tarief Het Pgb is uitsluitend bedoeld voor de inkoop van maatschappelijke ondersteuning. Eventuele kosten die verbonden zijn aan het beheren van het Pgb, als gevolg van de vrijwillige keuze voor een Pgb, komen voor rekening van de inwoner zelf. Het Pgb bevat daarom ook geen vrij besteedbaar deel. Artikel 4.4.7 Gebruik pgb Dit artikel spreekt voor zich. Artikel 4.4.8 Zorgplan Van de inwoner en zijn ondersteuningsverlener die een dienst levert (huishoudelijke hulp of begeleiding), wordt verwacht dat zij een zorgplan opstellen en dit actueel houden.

Dit zorgplan moet ook binnen drie maanden (dezelfde termijn als waarbinnen het Pgb op grond van artikel 4.4.7 moet worden aangewend) aan de gemeente worden toegezonden. Het is de bedoeling dat dit zorgplan ook wordt bijgehouden, zodat dit bij een eventueel heronderzoek of bij een verzoek om verlenging van de indicatie kan worden bekeken om te zien hoe de ondersteuning is verlopen en wat het resultaat daarvan is geweest. Artikel 4.4.9 Weigering pgb Dit artikel spreekt voor zich. 73/121

Artikel 4.4.10 Opschorting betaling uit het pgb Dit artikel spreekt voor zich.

Paragraaf 4.5 Bijdrage in de kosten Artikel 4.5.1 Bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen Op grond van artikel 2.1.4 Wmo 2015 bestaat de bevoegdheid om in de verordening te regelen dat er een bijdrage in de kosten is verschuldigd voor een algemene voorziening. De gemeente vraagt in principe aan iedere inwoner een bijdrage in de kosten als zij gebruik maken van maatwerkvoorzieningen. Het is logisch om deze zelfde bijdrage te vragen aan inwoners die een algemene voorziening gebruiken waarbij een duurzame hulpverleningsrelatie wordt aangegaan. De wetgever heeft die situaties voor de bijdrage in de kosten qua hoogte ook gelijk getrokken in de vorm van een maximale bijdrage van € 19,00 per maand (artikel 2.1.4, lid 3 Wmo 2015). In samenwerking met het Zorgkantoor verstrekt de gemeente verschillende voorzieningen op grond van de Wmo 2015 aan inwoners bij Laurens Huize Sint Petrus. Huishoudelijke ondersteuning, in de vorm van een algemene voorziening, vormt hiervan een onderdeel. Hiervoor is op grond van deze bepaling ook een bijdrage in de kosten verschuldigd, die geïnd wordt via het CAK (artikel 2.1.4b, lid 1 Wmo 2015). Artikel 4.5.2 Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen Op grond van artikel 2.1.4a, lid 1 Wmo 2015 bestaat de bevoegdheid om in de verordening te regelen dat er een bijdrage in de kosten is verschuldigd voor een maatwerkvoorziening.

De gemeente vraagt in principe aan iedere inwoner een bijdrage in de kosten als zij gebruik maken van maatwerkvoorzieningen in natura of in de vorm van een pgb. Op grond de wetswijziging abonnementstarief wet maatschappelijke ondersteuning betalen vanaf 1 januari 2020 alle cliënten die gebruik maken van één of meer maatwerkvoorzieningen, met uitzondering van degenen die gebruik maken van het collectief vervoer, ongeacht inkomen en vermogen, een maximale periode bijdrage van € 19,00 per maand. Hierbij is het uitgangspunt benadrukt dat de bijdrage de kostprijs van de voorziening niet mag overstijgen: de gemeente mag geen winst maken op de bijdragen. In lid 4: worden een aantal uitzondering op de verschuldigdheid van de eigen bijdrage opgesomd. Een aantal van deze uitzonderingen zijn, door de in lid 2 genoemde verwijzing naar hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, al gedekt. Voor de volledigheid zijn deze uitzonderingen hier wel benoemd. a: Vloeit rechtstreeks voort uit artikel 3.8, lid 3, aanhef en onder a Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Op grond van artikel 1.1.2 Wmo 2015 moet onder echtgenoot mede worden verstaan de geregistreerde partner en diegene die geen bloedverwant is in de eerste graad en met wie en gezamenlijke huishouding wordt gevoerd. Als de gehuwden/geregistreerd partners duurzaam gescheiden leven worden zij niet als gehuwd aangemerkt.

b: Vloeit rechtstreeks voort uit artikel 3.8, lid 3, aanhef en onder b Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. c: Vloeit rechtstreeks voort uit artikel 3.8, lid 3, aanhef en onder f Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.

74/121

d: Vloeit grotendeels voort uit artikel 3.8, lid 3, aanhef en onder e Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 waarin is bepaald dat geen bijdrage in de kosten is verschuldigd bij een maatwerkvoorziening voor een inwoner die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, tenzij het een woningaanpassing betreft en op grond van artikel 2.1.5 Wmo 2015 is bepaald dat daarvoor door de ouders van de minderjarige een bijdrage in de kosten is verschuldigd. Voor dit laatste is niet gekozen. De reden daarvoor is dat hierdoor een geen afweging nodig is of in een individuele situatie van het heffen van een bijdrage in de kosten van de ouders moet worden afgezien, als bedoeld in artikel 3.8, lid 3, aanhef en onder c Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Dit zorgt voor een gelijke behandeling van alle minderjarige inwoners (en hun ouders) die een beroep moeten doen op een maatwerkvoorziening. Als de maatwerkvoorziening na het achttiende levensjaar nog doorloopt is vanaf het bereiken van die leeftijd wel een bijdrage in de kosten verschuldigd. e: Vloeit rechtstreeks voort uit artikel 3.8, lid 3, aanhef en onder d Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. f: Betreft een gemeentelijke keuze om (een deel van) deze financiële vergoeding niet weer via een bijdrage in de kosten terug te halen bij de inwoner. g: Betreft een gemeentelijke keuze.

h: Betreft een gemeentelijke keuze die valt in het verlengde van artikel 3.8, lid 3, aanhef en onder h Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. i en j: Betreft een keuze van de gemeente om geen eigen bijdrage van de inwoner te vragen als hij langer dan één kalendermaand in een tijdelijke instelling is opgenomen en hij geen gebruik kan maken van de maatwerkvoorzieningen of wanneer de aanbieder de maatwerkvoorziening langer dan één kalendermaand niet kan leveren. In lid 5 en 6: is uiteengezet hoe de kostprijs tot stand komt.

Paragraaf 4.6 Waardering en ondersteuning van mantelzorgers Artikel 4.6.1 Waardering mantelzorgers en artikel 4.6.2 Ondersteuning mantelzorgers Deze bepalingen betreffen een uitwerking van de verordening plicht in artikel 2.1.6 van Wmo 2015. Hierin is opgenomen dat bij verordening wordt bepaald op welke wijze de gemeente zorg draagt voor een periodieke blijk van waardering voor de mantelzorgers van inwoners in de gemeente. Dit krijgt invulling door mantelzorgers te ondersteunen in de vorm van emotionele steun, deskundigheidsbevordering en respijtzorg om overbelasting te voorkomen. De mantelzorger zelf hoeft niet in de gemeente te wonen om hiervoor in aanmerking te komen.

75/121

Paragraaf 4.7 Klachten en medezeggenschap Artikel 4.7.1 Klachtregeling In het eerste lid is een bepaling over klachten ten aanzien van aanbieders opgenomen. Een dergelijke bepaling is verplicht op grond van artikel 2.1.3, tweede lid, onder e, van de Wmo 2015, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van inwoner is vereist. De aanbieder is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een klachtregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder a, van de Wmo 2015). In de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 57-58) staat dat inwoners in beginsel moeten kunnen klagen over alles wat hen niet aanstaat in de manier waarop zij zich bejegend voelen. De inwoner kan ontevreden zijn over het gedrag van een gemeenteambtenaar, bijvoorbeeld over de wijze waarop een gesprek is gevoerd of over diens (vermeende) gebrek aan deskundigheid. Is de inwoner niet tevreden over een gedraging van de aanbieder, dan kan het ook gaan om bijvoorbeeld de kwaliteit van de geleverde maatschappelijke ondersteuning (in verband met de deskundigheid van de medewerker of een bepaalde houding of uitlating, gebrekkige communicatie of (on)bereikbaarheid van de aanbieder).

Het ligt voor de hand dat inwoners die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder deponeren. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en de klacht ook snel afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de gemeente voor het indienen van de klacht open. Artikel 4.7.2 Medezeggenschap Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder f, van de wet, waarin is bepaald dat in ieder geval moet worden bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van inwoners over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn, vereist is. In dit artikel gaat het dus om medezeggenschap van inwoners tegenover de aanbieder. In de Wmo 2015 is het stellen van regels hieromtrent geheel aan gemeenten overgelaten. In lid 1 is dit uitgewerkt door te bepalen dat aanbieders een regeling voor medezeggenschap dienen vast te stellen. De aanbieder is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een medezeggenschapsregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder b, van de wet). In lid 2 is een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt uitgevoerd.

Paragraaf 4.8 Nadere uitwerking Artikel 4.8.1 Nadere regels stellen Dit artikel spreekt voor zich.

76/121

Hoofdstuk 5.

Jeugdhulp

Dit hoofdstuk van de verordening geeft uitvoering aan de Jeugdwet. Deze wet maakt onderdeel uit van de bestuurlijke en financiële decentralisatie naar gemeenten van de jeugdzorg, de Jeugd-GGZ, de zorg voor jeugdigen met een beperking en de begeleiding en persoonlijke verzorging van jeugdigen. Daarnaast wordt met deze wet een omslag gemaakt van een stelsel gebaseerd op een wettelijk recht op zorg (aanspraak) naar een stelsel op basis van een voorzieningenplicht voor gemeenten (voorziening), op een wijze zoals eerder is gebeurd met de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het wettelijke recht op jeugdzorg en individuele aanspraken op jeugdzorg worden hierbij vervangen door een voorzieningenplicht waarvan de aard en omvang in beginsel door de gemeente worden bepaald (maatwerk). Het doel van het jeugdzorgstelsel blijft echter onverminderd overeind: jeugdigen en ouders krijgen waar nodig tijdig bij hun situatie passende hulp, met als beoogd doel ervoor te zorgen de eigen kracht van de jeugdige en het zorgend en probleemoplossend vermogen van het gezin te versterken.

Paragraaf 5.1 Procedure In hoofdstuk 2 is het toegangsproces voor het sociaal domein vastgelegd. In deze paragraaf wordt dan ook verwezen naar dit proces. Wel zijn er een aantal specifieke elementen van het toegangsproces die betrekking hebben op Jeugdhulp die in deze paragraaf nader worden uitgewerkt. Artikel 5.1.1 Melding en aanvraag Dit artikel spreekt voor zich. Artikel 5.1.2 Onderzoek In aanvulling op de mogelijkheid om onderzoek te doen naar de inwoner wordt in dit artikel benoemd dat de gemeente ook onderzoek kan doen naar zijn ouders als dat van belang is voor het beoordelen van de melding/aanvraag. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een belastbaarheidsonderzoek om te beoordelen of er wellicht jeugdhulp nodig is om overbelasting van de ouders te voorkomen. Indien de inwoner (of zijn ouders) een Pgb wenst dan is ook een onderzoek naar de beoogde zorgverlener/leverancier van de inwoner noodzakelijk om te waarborgen dat de ondersteuning veilig en cliëntgericht zal worden verstrekt. Indien het gewenste Pgb niet door de inwoner of zijn ouders zelf, maar door een derde namens hem zal worden beheerd dan is ook een onderzoek naar deze beoogde beheerder aan de orde. Artikel 5.1.3 Beschikking In dit artikel worden een aantal specifieke punten benoemd die gelden voor het opstellen van een besluit/beschikking met betrekking tot jeugdhulp.

Daarmee wordt nader invulling gegeven aan het algemeen geformuleerde artikel 2.4.2. De inwoner moet op basis van de beschikking die hij ontvangt de informatie krijgen die nodig is om zijn rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Hiervoor is nodig dat de beschikking de inwoner goed en volledig informeert. In dit artikel staat omschreven welke elementen in ieder geval in de beschikking moeten worden opgenomen, zowel als het om een maatwerkvoorziening in natura of in de vorm van een pgb gaat. Artikel 5.1.4 Alternatieve route Inwoners en hun ouders kunnen een behoefte aan jeugdhulp melden bij de gemeente. De toegang via de gemeente is echter niet de enige route die kan leiden tot verstrekking van een jeugdhulpvoorziening op grond van de Jeugdwet. Deze bepaling besteedt aandacht aan de alternatieve mogelijkheden. 77/121

Lid 1: In artikel 2.6, eerste lid aanhef en onder e van de Jeugdwet is geregeld dat jeugdhulp ook toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts of medisch specialist. Met een dergelijke verwijzing kan de inwoner rechtstreeks aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder. Na een dergelijke verwijzing staat echter nog niet vast welke specifieke behandelvorm van jeugdhulp (dus bijvoorbeeld welke therapie) een inwoner precies nodig heeft. Een inwoner kan op dat moment terecht bij de jeugdhulpaanbieders die de gemeente heeft ingekocht. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder (bijvoorbeeld de jeugdpsychiater, de gezinswerker of orthopedagoog) zijn die na de verwijzing beoordeelt welke jeugdhulp precies nodig is. Deze bepaalt in overleg met de inwoner daadwerkelijk de concrete inhoud, vorm, omvang en duur van de benodigde jeugdhulp. Deze aanbieder stelt dus feitelijk vast wat naar zijn oordeel de inhoud van de benodigde voorziening dient te zijn en hij zal zijn oordeel mede baseren op de protocollen en richtlijnen die voor een professional de basis van zijn handelen vormen. Bij deze beoordeling dient de jeugdhulpaanbieder zich ook te houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie. Deze afspraken zien op hoe de gemeente haar regierol kan waarmaken en op de omvang van het pakket.

Deze afspraken zullen verder ook ingaan op hoe de artsen en de gemeentelijke toegang goed van elkaar op de hoogte zijn van de doorverwijzing of behandeling van een kind, zodat de integrale benadering rond het kind en het principe van 1 gezin – 1 regisseur – 1 plan, met name bij multiproblematiek, kan worden geborgd en er geen nieuwe ‘verkokering’ zal plaatsvinden, waarbij professionals niet goed van elkaar weten dat zij bij het gezin betrokken zijn. Daarnaast zal de jeugdhulpaanbieder rekening moeten houden met de regels die de gemeente bij verordening heeft gesteld (over het vrij toegankelijke en niet vrij toegankelijke deel van de voorzieningen). Lid 2: In artikel 2.4, lid 2 aanhef en onder b van de Jeugdwet is geregeld dat jeugdhulp ook toegankelijk is via de rechter, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële jeugdinrichting. De gecertificeerde instelling is verplicht om bij de bepaling van de in te zetten jeugdhulp in het kader van een door de rechter opgelegde kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering te overleggen met de gemeente. Uiteraard kan bij dit overleg een kostenafweging plaatsvinden. De gemeente is op haar beurt vervolgens gehouden de jeugdhulp in te zetten die deze partijen nodig achten ter uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of de jeugdreclassering.

Deze leveringsplicht van de gemeente vloeit voort uit het feit dat uitspraken van rechters te allen tijde moeten worden uitgevoerd om rechtsgelijkheid en rechtszekerheid te kunnen garanderen. Ook hier geldt dat de gecertificeerde instelling in beginsel gebonden is aan de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht. Als de kinderrechter een ondertoezichtstelling of gezags-beëindiging uitspreekt, wijst hij gelijktijdig in de beschikking de gecertificeerde instelling aan die de maatregel gaat uitvoeren. Dit kan de rechter juist omdat de raad voor de kinderbescherming in zijn verzoekschrift een concreet advies geeft over welke gecertificeerde instelling de maatregel zou moeten uitvoeren. De raad voor de kinderbescherming neemt een gecertificeerde instelling in zijn verzoekschrift op die na overleg met de gemeente en gezien de concrete omstandigheden van het geval hiervoor het meest geschikt lijkt. De raad voor de kinderbescherming is verplicht om hierover met de gemeente te overleggen. Deze toegang wordt al in de Jeugdwet zelf geregeld en komt verder dus niet terug in deze verordening. Lid 3: Deze bepaling spreekt voor zich. Lid 4: De gemeente is niet verplicht om elke jeugdhulp te vergoeden waarnaar een huisarts, medisch specialist of jeugdarts specialist verwijst, maar alleen als dat aanbod ook gecontracteerd is door de gemeente.

Op het moment dat men toch een niet gecontracteerde aanbieder wenst dan is het aan de gemeente om te beoordelen of daarvoor een Pgb verstrekt kan worden.

78/121

Lid 5: Het is belangrijk dat een verwijzer op de hoogte blijft van de resultaten van de hulp en een aanbieder niet onbeperkt gebruik kan maken van een verwijzing om een nieuw (of verlengd) hulptraject te starten. Daarom bepaalt lid 5 dat de verwijzing maximaal 1 jaar geldig is. Daarmee komt de verwijzer in de positie om opnieuw de situatie te beoordelen. Voor huisartsen kan daarbij de eventueel aanwezige praktijkondersteuner jeugd een rol spelen. Artikel 5.1.5 Afwijking procedure Dit artikel spreekt voor zich.

Paragraaf 5.2 Kwaliteit en veiligheid Artikel 5.2.1 Kwaliteitseisen jeugdhulp Lid 1: In artikel 4.1.1. van de Jeugwet zijn een aantal kwaliteitseisen opgenomen waaraan jeugdhulp moet voldoen. Dit artikel vormt een korte samenvatting en doet dan ook niet af aan de wettelijke kwaliteitseisen. Lid 2: Deze bepaling spreekt voor zich. Lid 3: Op grond van artikel 9.1 van de Jeugdwet zijn de Inspectie gezondheidszorg en jeugd en de Inspectie Openbare Orde en Veiligheid belast met het toezicht op de kwaliteit van jeugdhulpaanbieders. Dit neemt echter niet weg dat de gemeente zelf ook een verantwoordelijkheid heeft, welke verder strekt dan het jaarlijkse cliëntervaringsonderzoek dat op grond van artikel 2.10 Jeugdwet; artikel 2.5.1 Wmo 2015 uitgevoerd moet worden. Artikel 5.2.2 Veiligheidseisen jeugdhulp Bij alle voorzieningen voor jeugdhulp is het belangrijk dat deze veilig en inwoner gericht worden verstrekt. Dit betekent dat jeugdhulpverleners, of zij nou professionals, vrijwilligers of vanuit een pgb gefinancierde informele jeugdhulpverleners zijn; moeten beschikken over de juiste deskundigheid en vaardigheden. Als dat aan de orde is; moeten zij uiteraard ook voldoen aan geldende wettelijke eisen. Om een minimale basisveiligheid in te bouwen wordt van jeugdhulpverleners een VOG gevraagd.

Ook wordt gekeken of de jeugdhulpverlener wel over de juiste opleidingspapieren beschikt die gelet op de beperkingen van de inwoner en de te verlenen hulp nodig zijn. Welke papieren/diploma’s dit zijn zal per situatie verschillen en is daarom in dit artikel niet verder uitgewerkt. Wel is vastgelegd dat dit in beleid en contracten nader moet worden uitgewerkt. Voor professionals is een extra verzekeringseis opgenomen en wordt een SKJ-registratie of BIG-registratie verlangd. Bij ZIN-aanbieders wordt dit contractueel afgesproken en kan hier vanuit toezicht op gecontroleerd worden. Bij Pgb-aanbieders wordt dit gecontroleerd door de gemeente en vormt het een onderdeel van de screening van het Pgb-plan. Artikel 5.2.3 Verhouding prijs en kwaliteit levering jeugdhulp door derden De gemeente kan de uitvoering van de Jeugdwet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de inwoner, door aanbieders laten verrichten (artikel 2.11, eerste lid, van de Jeugdwet). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.12 van de 79/121

Jeugdwet). Daarbij dient in ieder geval rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden. Om te voorkomen dat er alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de uitvoering worden in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee de gemeente bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te houden. Hiermee wordt bereikt dat er een beter beeld ontstaat van een reële kostprijs voor de door aanbieders uit te voeren activiteiten. Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten minste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden. Artikel 5.2.4 Klachtregeling In de regel zal eerst de aanbieder worden aangesproken bij klachten over de wijze van behandeling. De klachtmogelijkheid tegenover de aanbieder is geregeld in artikel 4.2.1 e.v. van de Jeugdwet. Pas wanneer dit klachtrecht niet bevredigend is, of niet logisch, bijvoorbeeld bij gedragingen van gemeenteambtenaren, dan komt de gemeentelijke klachtmogelijkheid in zicht.

Artikel 5.2.5 Vertrouwenspersoon Met het vervallen van artikel 2.6, eerste lid onder f van de Jeugdwet is de gemeente niet langer verantwoordelijk voor het instellen van een vertrouwenspersoon. Op grond van artikel 2.5 van de Jeugdwet dient de gemeente inwoners en hun ouders wel te wijzen op de mogelijkheid om gebruik te maken van de diensten van een vertrouwenspersoon en zal de gemeente het mogelijk moeten maken dat de vertrouwenspersoon zijn functie kan vervullen.

Paragraaf 5.3 Voorwaarden jeugdhulpvoorziening Artikel 5.3.1 Vormen van jeugdhulp Dit artikel geeft een nadere uitwerking van de verplichting uit artikel 2.9, onder a, van de Jeugdwet om in de verordening regels te stellen over de door de gemeente te verlenen individuele voorzieningen en overige (jeugdhulp)voorzieningen. Uit de memorie van toelichting komt naar voren dat de burger recht heeft op een duidelijk beeld van het aanbod van voorzieningen binnen de gemeente (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3). Een beschrijving van het voorzieningenaanbod, waardoor de inwoner zich een beeld kan vormen van de voorzieningen waarop in het kader van jeugdhulp een beroep kan doen, is dan ook gewenst. Voorzieningen in de zin van de Jeugdwet zijn gerelateerd aan de drieledige wettelijke definitie van jeugdhulp uit artikel 1.1 van de Jeugdwet. Een voorziening kan derhalve een breed spectrum van verschillende soorten ondersteuning, hulp en zorg omvatten. Het begrip 'voorziening' is een lastig te vatten begrip. De wetgever waagt zich dan ook niet aan een definitie, maar geeft wel in de memorie van toelichting aan dat de door de gemeente te treffen voorziening zowel een algemene, vrij toegankelijke voorziening kan zijn als een individuele voorziening. Een individuele voorziening zal vaak betrekking hebben op meer gespecialiseerde zorg.

De gemeente bepaalt zelf welke hulp vrij toegankelijk is en welke niet. Voor de niet vrij toegankelijke vormen van ondersteuning zal door de gemeente of door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts en de jeugdhulp-aanbieder eerst beoordeeld moeten worden of de jeugdige of zijn ouders deze ondersteuning daadwerkelijk nodig hebben (zie toelichting bij paragraaf 5.1). Artikel 5.3.2 Toegang algemene voorziening In de verordening is onderscheid gemaakt tussen algemene (overige) voorzieningen en individuele voorzieningen op het gebied van jeugdhulp (artikel 5.3.1). Algemene voorzieningen zijn vrij toegankelijk. 80/121

Voor een deel van de hulpvragen zal volstaan kunnen worden met een vrij-toegankelijke voorziening. Hier kan de inwoner of zijn ouders gebruik van maken zonder dat daarvoor een verwijzing of een besluit van de gemeente nodig is. De inwoner of zijn ouders kan zich voor deze jeugdhulp dus rechtstreeks tot de jeugdhulpaanbieder wenden. Artikel 5.3.3 Uitgangspunten individuele voorzieningen

In dit artikel wordt duidelijk gemaakt welke uitgangspunten de gemeente hanteert bij het beoordelen van een aanvraag voor een individuele jeugdhulpvoorziening. De gemeente werkt bij het verstrekken van individuele voorzieningen met het arrangementenmodel van de Gemeenschappelijke Regeling Jeugdhulp Rijnmond (GRJR). De kwaliteit en veiligheid nemen een centrale plaats in bij het verstrekken van jeugdhulp. Het voorkomen dat de toegekende voorziening zelf een belemmerende factor is of wordt speelt hierin een belangrijke rol. De gemeente probeert ook te voorkomen dat de inwoner of zijn ouders langer afhankelijk zijn van jeugdhulp dan nodig. Artikel 5.3.4 Aanvullende uitgangspunten voor het resultaatgebied sociaal en persoonlijk functioneren

Dit artikel spreekt voor zich. Artikel 5.3.5 Aanvullende uitgangspunten voor het resultaatgebied herstel, vermindering, stabilisatiestoornis jeugdige Dit artikel spreekt voor zich. Artikel 5.3.6 Aanvullende uitgangspunten voor het resultaatgebied opvoeding en versterking mogelijkheden ouders Dit artikel spreekt voor zich. Artikel 5.3.7 Algemene criteria voor het toekennen van individuele voorzieningen In de jurisprudentie op het terrein van de Wmo 2015 is inmiddels herhaaldelijk bepaald dat weigeringsgronden, wil er een beroep op kunnen worden gedaan, een grondslag in de verordening moeten hebben. Deze jurisprudentie staat ook wel bekend als de “essentialia jurisprudentie” (CRvB 10 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO7133 en CRvB 17 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1803) en is door rechtbanken inmiddels ook doorgetrokken naar de Jeugdwet (Rb. Noord-Nederland 23 maart 2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:1092; en Rb. Gelderland ECLI:NL:RBGEL:2017:3801). Ook in het kader van rechtszekerheid is hier iets voor te zeggen. Door het opnemen van heldere weigeringsgronden kan de inwoner of zijn ouders zelf zijn rechtspositie bepalen.

Bovendien is met dit artikel invulling gegeven aan de verplichting van artikel 2.9, onder a, van de Jeugdwet, omdat is aangegeven onder welke voorwaarden en op grond welke beoordelingscriteria en afwegingscriteria iemand voor een individuele voorziening in aanmerking kan komen. Lid 1: spreekt voor zich. Lid 2: Ouders zijn in het kader van de Jeugdwet primair zelf verantwoordelijk voor het gezond en veilig opgroeien van hun kind. Als een jeugdige hulp nodig heeft, maar de ouders in staat en beschikbaar zijn om deze hulp te bieden, daardoor niet overbelast raken en dus niet in problemen komen, dan hoeft de gemeente geen jeugdhulp toe te kennen. In redelijkheid mag van ouders zelf verwacht worden dat zij deze hulp bieden. Alleen voor het deel dat de ouders niet zelf kunnen leveren zet de gemeente jeugdhulp in. Het 81/121

hier verwoorde kader is ook in lijn met een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB 17 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2362) en een tweetal uitspraken van de rechtbank Rotterdam (Rb. Rotterdam 5 juli 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:5884; en Rb. Rotterdam 1 februari 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:646). Bijzondere aandacht verdient ook de overweging van de rechtbank Den Haag waarin de primaire verantwoordelijkheid van ouders voor het gezond en veilig opgroeien wordt benadrukt. De rechtbank Den Haag geeft aan dat: ‘Van ouders mag verwacht worden dat zij, indien noodzakelijk vergaande aanpassingen doen om dit te realiseren. Dit kan betekenen dat een ouder het eigen toekomstperspectief (carrière) of financiële situatie zal moeten bijstellen om voor het kind beschikbaar te zijn en de noodzakelijke zorg te kunnen bieden’ (Rb. Den Haag 9 juli 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:6249). Artikel 5.3.8 Aanvullende criteria voor het ondersteuningselement vervangende opvoeding jeugdige Dit artikel spreekt voor zich. Artikel 5.3.9 Aanvullende criteria voor het ondersteuningselement dagbehandeling of dagbesteding Dit artikel spreekt voor zich. Artikel 5.3.10 Aanvullende criteria individuele voorziening vaktherapie Vaktherapie kan bij complexe of meervoudige problematiek als onderdeel van een multidisciplinaire behandeling worden aangeboden aan individuele jeugdigen, groepen en/of gezinnen.

Het is een behandelvorm voor mensen met psychiatrische stoornissen en psychosociale problematiek. Voorbeelden zijn beeldende therapie, danstherapie, dramatherapie, muziek-therapie, speltherapie en psychomotorische therapie. Vaktherapie moet een duidelijk geobjectiveerd doel dienen om voor vergoeding vanuit de jeugdwet in aanmerking te kunnen komen. Een concreet behandelplan is daarom een vereiste. Met het oog op de kwaliteit is een registratie bij de Stichting Register Vaktherapeutische Beroepen (SRVB) verplicht. Vanuit het oogpunt van kostenbeheersing wordt in beginsel ook slechts een maximaal aantal behandelingen door de gemeente vergoed. De gemeente sluit voor haar maximale uurtarief aan bij het maximale adviestarief van de brancheorganisatie FVB (https://fvb.vaktherapie.nl/voor-gemeenten). Dit is afgerond € 80,00 per uur. Naast de tijd die wordt besteed aan de directe cliëntgebonden werkzaamheden (therapiesessie) zal er ook tijd nodig zijn voor indirecte cliëntgebonden werkzaamheden zoals: het opstellen van een behandelplan, verslaglegging ten behoeve van het dossier, evaluatie met jeugdige of gezinssysteem, overleg met betrokken behandelaren en school. Deze indirect cliëntgebonden tijd mag worden gedeclareerd, maar moet wel in redelijke verhouding staan tot de directe cliëntgebonden werkzaamheden. De gemeente gaat uit van maximaal 25%.

Dit betekent dat in relatie tot een therapiesessie van 1 uur nog maximaal 15 minuten aan indirect cliëntgebonden tijd mag worden gedeclareerd. Artikel 5.3.11 Aanvullende criteria individuele voorziening dierentherapie Belangrijk uitgangspunt voor de vergoeding van dierentherapie is dat de begeleider of behandelaar effectief is. De inzet van een dier is hierbij instrumenteel aan het behandel of begeleidingsplan. De gemeente hanteert daarom ook hetzelfde tarief voor dierentherapie als voor behandeling of begeleiding waarbij geen dier wordt ingezet ter ondersteuning van de behandelaar of begeleider.

82/121

Artikel 5.3.12 Zeventien en een half-jarigen Dit artikel waarborgt een soepele overgang, indien van toepassing, tussen ondersteuning vanuit de Jeugdwet en de Wmo 2015. Op grond van artikel 1.2, lid 1, aanhef en onder a Jeugdwet is het niet toegestaan om een inwoner die valt onder de Jeugdwet alvast een Wmo voorziening te verstrekken. Wel volgt uit Artikel 2.1.2, lid 4, aanhef en onder e Wmo 2015 dat de gemeente in haar plan aandacht moet besteden aan een soepele overgang vanuit het oogpunt van continuïteit. In artikel 2.1.3, lid 1 Wmo 2015 is bepaald dat ter uitvoering van het plan bij verordening regels moeten worden gesteld. Met deze bepaling wordt hierin voorzien.

Paragraaf 5.4 Aanvullende voorwaarden persoonsgebonden budget Artikel 5.4.1 Verzoek Het uitgangspunt van de Jeugdwet is dat de inwoner of zijn ouder de jeugdhulpvoorziening “in natura” krijgt. De gemeente kan een jeugdhulpvoorziening op grond van een verzoek van de inwoner of zijn ouders in de vorm van een Pgb verstrekken. Deze mogelijkheid is geregeld in artikel 8.1.1 van de Jeugdwet. Van belang is dat een Pgb alleen wordt verstrekt als de inwoner of zijn ouders met een Pgb plan kan aantonen dat hij, al dan niet met hulp uit zijn netwerk, met het Pgb in staat is om kwalitatief goede en effectieve ondersteuning te realiseren, die ook veilig is voor de inwoner en zijn omgeving en die beter is dan wat de gemeente kan bieden via een gecontracteerde aanbieder. In dit artikel zijn voor de beoordeling daarvan door de gemeente een aantal voorwaarden gesteld aan het verzoek om een Pgb. Op het moment dat het gaat om een verzoek tot verlenging van een indicatie voor een jeugdhulpvoorziening moet ook het zorgplan als bedoeld in artikel 5.4.7 worden meegestuurd en dient er verantwoording afgelegd te worden over de resultaten van de inzet in de afgelopen periode.

Artikel 5.4.2 Pgb plan Lid 1: Met het Pgb plan laat de inwoner of zijn ouders zien dat hij er bewust voor kiest om de jeugdhulpvoorziening niet in natura af te nemen, bij een door de gemeente gecontracteerde leverancier, maar in de vorm van een Pgb. De inwoner of zijn ouders moet hierin aangeven waarom hij het “in natura” aanbod van de gemeente niet passend vindt (artikel 8.1.1, tweede lid, aanhef en onder b van de Jeugdwet). Op basis van het Pgb plan moet de gemeente kunnen beoordelen of de inwoner, of de persoon uit zijn netwerk die namens hem het Pgb-beheer op zich wil nemen, zich voldoende beseft welke verantwoordelijkheden een Pgb met zich meebrengt en dat hij de bij een Pgb behorende taken op een verantwoorde manier kan uitvoeren. Lid 2: In het tweede lid zijn een aantal aspecten opgenomen die in elk geval in het Pgb plan benoemd moeten worden om aan de in het eerste lid genoemde voorwaarden te voldoen. Het gaat in de eerste plaats om een toelichting op de keuze voor een Pgb en een motivering waarom het “in natura” aanbod niet passend zou zijn (a), een beschrijving van de voorziening waaraan de inwoner het Pgb wil besteden (b) en bij wie (c).

Ook wordt van de inwoner of zijn ouders verwacht dat hij aangeeft waarom hij juist voor deze leverancier/jeugdhulpverlener heeft gekozen, waarbij gedacht kan worden aan een toelichting op de wijze waarop hij zich op het ondersteuningsaanbod heeft georiënteerd (d). Hiernaast zal de inwoner of zijn ouders aan moeten geven welke kostprijs de beoogde leverancier/jeugdhulpverlener hanteert (e) en welke contract vorm, conform het model van de SVB (overeenkomst van opdracht met zorginstelling, zorgovereenkomst met partner of familielid, zorgovereenkomst van opdracht, of arbeidsovereenkomst), men kiest (f). Tot slot zijn er een aantal aspecten die betrekking hebben op het waarborgen van de kwaliteit en effectiviteit van de in te kopen hulp. Dan gaat het om kwaliteitsborging, waarbij gedacht kan worden aan 83/121

diploma’s en keurmerken (g), maar ook hoe de aansturing van de leverancier/jeugdhulpverlener in de praktijk is geregeld, met bijvoorbeeld evaluatiemomenten, zodat de jeugdhulpverlener/leverancier weet wat hij moet doen (h). Ook wordt van de inwoner of zijn ouders, of de beheerder uit zijn netwerk, verwacht dat hij een controleplan heeft (i) en dat wordt aangegeven hoe de administratie, waaronder indien van toepassing het in artikel 5.4.7 genoemde zorgplan, wordt bijgehouden (j). Tevens moet het Pgb plan laten zien dat er is nagedacht over hoe men gaat handelen als de leverancier/jeugdhulpverlener de gemaakte afspraken niet nakomt (k) of als er zich een calamiteit voordoet (l). Lid 3: Als een inwoner de beoogde leverancier/jeugdhulpverlener naar het professionele tarief wil betalen dan gelden er een aantal aanvullende eisen. Om te kunnen controleren of daaraan wordt voldaan bevat het derde lid een aantal aanvullende stukken die bij het Pgb plan gevoegd moeten worden. Artikel 5.4.3 Beheer Het beheren van het Pgb kan door zowel de inwoner of zijn ouders als door een derde namens de inwoner of zijn ouders (Pgb-beheerder) worden uitgevoerd. Voordat een Pgb wordt toegekend beoordeelt de gemeente of de inwoner of zijn ouders, of de beoogde Pgb-beheerder namens hem, in staat is om de beheerstaken op een verantwoorde manier uit te voeren.

Niet iedereen is namelijk in staat om naar behoren een Pgb te beheren. In dit artikel worden een aantal beoordelingscriteria gesteld. Lid 1: Een Pgb-beheerder zal uiteraard in staat moeten zijn om de ondersteuningsbehoefte over te brengen aan de leverancier/hulpverlener (a), maar er wordt ook gekeken naar factoren die er op wijzen dat men geen gezond beheer kan voeren (b) en risicofactoren in de vorm van verslavingsproblematiek (c), een verstandelijke beperking, een ernstig psychiatrisch ziektebeeld of een cognitieve stoornis (d) die maken dat men de taken niet (zelfstandig) op een (voldoende) verantwoorde manier uit kan voeren. Een fraudeverleden is eveneens een reden om geen Pgb te verstrekken, waarbij voor de termijn van vier jaar is aangesloten bij de termijn die het Ministerie van Justitie en Veiligheid terugkijkt bij het afgeven van een VOG (e). Tot slot zal men, met het oog op het kennen en kunnen aangaan van de verplichtingen, de Nederlandse taal voldoende machtig moeten zijn (f). Lid 2: Op het moment dat de inwoner of zijn ouders zelf niet in staat kan worden geacht om het Pgb te beheren bestaat er de mogelijkheid dat een derde dit namens de inwoner of zijn ouders doet.

Deze derde kan een wettelijk vertegenwoordiger zijn, dat wil zeggen dat hij door de rechtbank is benoemd om namens de inwoner zaken te regelen (bewindvoerder, curator of mentor), of iemand die door de inwoner of zijn ouders zelf schriftelijk als vertegenwoordiger wordt gemachtigd. Op het moment dat een derde namens de inwoner het Pgb gaat beheren dan moet hij uiteraard aan dezelfde eisen voldoen als de inwoner. Om er voor te zorgen dat het Pgb door deze derde op een juiste wijze zal worden beheerd, worden er aan deze derde een aantal aanvullende eisen gesteld. Zo zal deze derde allereerst van onbesproken gedrag moeten zijn (a). Ook moet deze derde voldoende tijd hebben en voldoende zicht hebben op de situatie van de inwoner; om te waarborgen dat de leverancier/ondersteuningsverlener zijn verplichtingen nakomt (b). Hij zal dit met de inwoner en zijn ouders moeten kunnen bespreken (c) en ook moeten er geen andere belangen in de relatie tussen hem en de inwoner of zijn ouders (d) of tussen hem en de leverancier/ondersteuningsverlener (e) zijn; die het uitvoeren van deze taak zouden kunnen verstoren. In het kader van een te nauwe band met de leverancier/ondersteuningsverlener kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een nauwe familierelatie (tot de vierde graad) of een zakelijke relatie waarbij de Pgb-beheerder tevens de boekhouder van de leverancier/ ondersteuningsverlener is.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lansingerland&id=028f283a-d95c-490b-8971-e7b49794f25b