CConstaterende datLansingerland
Koppel je AI →
Document · PDF

[T21.07502] Was/wordt Verordening Sociaal Domein 2021/2022

Gemeenteraad 25 november 2021, gemeente LansingerlandBij agendapunt: Verordening sociaal domein 2022 (evt. motie/amendement GL, PvdA)32.309 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

c.

50% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de derde categorie; d. 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de vierde categorie.

d. 100% gedurende één maand bij gedragingen van de vierde categorie.

Artikel 7:21 Artikel 7.3.6

Artikel 7:21 Duur verlaging bij schending geüniformeerde arbeidsverplichting Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, bedraagt de verlaging 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand.

Artikel 7.3.6 Consequenties schenden geüniformeerde verplichtingen Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, bedraagt de verlaging 100% van de bijstand gedurende één maand. Deze verlaging wordt in één keer verrekend.

Artikel 7:22

Artikel 7:22 Verrekenen verlaging 1. Het bedrag van de verlaging, bedoeld in artikel 7:21, wordt toegepast over de maand van oplegging van de afstemming en de volgende twee maanden. 2. Als sprake is van een verlaging op grond van artikel 18, vierde lid, sub a, van de Participatiewet, vindt geen verrekening als bedoeld in het eerste lid plaats.

Niet opgenomen in de herschreven versie, opgenomen in artikel 7.3.6

Artikel 7:23 Artikel 7.3.9

Artikel 7:23 Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid 1. Een verlaging wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet, artikel 20, tweede lid IOAW of artikel 20, eerste lid IOAZ wordt afgestemd op het benadelingsbedrag. 2. De verlaging wordt vastgesteld op: a. 30% van de bijstandsnorm gedurende één maand als het benadelingsbedrag niet is vast te stellen; b. 30% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een benadelingsbedrag tot € 2.000,-; c. 50% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een benadelingsbedrag vanaf € 2.000,- tot € 4.000,-; d. 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een benadelingsbedrag van € 4.000,- of hoger.

Artikel 7.3.9 Consequenties tekortschietend besef van verantwoordelijkheid 1. Een verlaging wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet, artikel 20, tweede lid IOAW of artikel 20, eerste lid IOAZ wordt afgestemd op het netto benadelingsbedrag. 2. De verlaging wordt vastgesteld op: a. 30% van de (bijstands)uitkering gedurende één maand als het benadelingsbedrag niet is vast te stellen; b. 30% van de (bijstands)uitkering gedurende één maand bij een benadelingsbedrag tot € 2.000,-; c. 50% van de (bijstands)uitkering gedurende één maand bij een benadelingsbedrag vanaf € 2.000,- tot € 4.000,-; d. 100% van de (bijstands)uitkering gedurende één maand bij een benadelingsbedrag van € 4.000,- of hoger. e. 100% van de (bijstands)uitkering van de eerste volledige kalendermaand na

T21.07502

e. 100% van de bijstandsnorm van de eerste volledige kalendermaand na toekenning van de uitkering, als een belanghebbende direct voorafgaand aan de aanvraag verwijtbaar werkloos is geworden. 3. In afwijking van het eerste lid kan bijstand worden verschaft in de vorm van een lening i.p.v. een gift als de belanghebbende voorafgaand aan de algemene bijstand onverantwoord heeft ingeteerd op het vermogen (meer dan anderhalf keer de toepasselijke bijstandsnorm) en daarmee niet meer in het bestaan kan voorzien.

toekenning van de uitkering, als een belanghebbende direct voorafgaand aan de aanvraag verwijtbaar werkloos is geworden. 3. In aanvulling op het eerste lid kan bijstand worden verschaft in de vorm van een lening i.p.v. om niet als de belanghebbende voorafgaand aan de algemene bijstand middelen tot zijn beschikking had waarmee in het levensonderhoud kon worden voorzien als belanghebbende deze middelen niet bovenmatig had besteed. Onder bovenmatig wordt verstaan meer uitgeven dan vaste lasten en redelijkerwijs op grond van NIBUD-normen aan levensonderhoud kan worden besteed en als blijkt dat belanghebbende geen inspanningen heeft verricht de lasten op een lager niveau te brengen teneinde een beroep op bijstand te voorkomen.

Artikel 7:24 Artikel 7.3.10

Artikel 7:24 Zeer ernstige misdragingen Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de Participatiewet als bedoeld in artikel 9, zesde lid, van die wet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen kan een verlaging worden opgelegd van: a. 60% van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het uitoefenen van verbaal geweld tegen de in het eerste lid genoemde personen; b. 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het uitoefenen van fysiek geweld tegen materiële zaken en bij mondelinge of schriftelijke bedreigingen gericht tegen de in het eerste lid genoemde personen; c. 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het uitoefenen van fysiek geweld tegen de in het eerste lid genoemde personen.

Artikel 7.3.10 Consequenties zeer ernstige misdragingen Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de Participatiewet als bedoeld in artikel 9, zesde lid, van die wet, of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder g van die wet of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder g van die wet kan een verlaging worden opgelegd van: a. 60% van de (bijstands)uitkering gedurende één maand, bij het uitoefenen van verbaal geweld tegen de in het eerste lid genoemde personen; b. 100% van de (bijstands)uitkering gedurende één maand, bij het uitoefenen van fysiek geweld tegen materiële zaken en bij mondelinge of schriftelijke bedreigingen gericht tegen de in het eerste lid genoemde personen; c. 100% van de (bijstands)uitkering gedurende één maand, bij het uitoefenen van fysiek geweld tegen de in het eerste lid genoemde personen.

Artikel 7:25 Artikel 7.3.11

Artikel 7:25 Niet nakomen van overige verplichtingen Als een belanghebbende een door het college opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, wordt een verlaging toegepast. De verlaging wordt vastgesteld op:

Artikel 7.3.11 Consequenties niet nakomen van overige verplichtingen Als een belanghebbende een door de gemeente opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, wordt een verlaging toegepast. De verlaging wordt vastgesteld op:

T21.07502

a.

b.

c.

d.

Artikel 7:26 Artikel 7.3.12

20% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling; 20% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een bepaalde vorm van bijstand; 40% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand; 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand.

Artikel 7:26 Samenloop van gedragingen 1. Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere in dit onderdeel of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en duur van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is gesteld. 2. Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van één of meerdere in dit onderdeel of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is. 3. Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van zowel een in dit onderdeel of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, wordt geen verlaging opgelegd, voor zover

T21.07502

a.

20% van de (bijstands)uitkering gedurende één maand bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling; b. 20% van de (bijstands)uitkering gedurende één maand bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een bepaalde vorm van bijstand; c. 40% van de (bijstands)uitkering gedurende één maand bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand; d. 100% van de (bijstands)uitkering gedurende één maand bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand. Artikel 7.3.12 Samenloop van gedragingen 1. Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere in deze paragraaf of artikel 18, vierde lid, of artikel 18b van de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en duur van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is gesteld. Is sprake van een geüniformeerde gedraging dan gaat deze voor. 2. Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van één of meerdere in deze paragraaf of artikel 18, vierde lid, of artikel 18b van de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig opgelegd. 3.

Als de gemeente de uitkering op grond van artikel 20, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 20, tweede lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen blijvend of tijdelijk weigert en de gedraging die tot deze weigering heeft geleid tevens op grond van deze paragraaf tot een verlaging zou kunnen leiden, blijft een verlaging ter zake van die gedraging achterwege.

4.

voor die schending een bestuurlijke boete wordt opgelegd. Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van zowel een in dit onderdeel of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is.

Artikel 7:27 Artikel 7.3.13

Artikel 7:27 Recidive 1. Als een belanghebbende zich binnen 24 maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in de artikelen 7:18, 7:19, 7:23, 7:24 of 7:25 opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of hogere categorie, wordt telkens de duur van de verlaging verdubbeld. 2. Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet, bedraagt de verlaging 100% van de bijstandsnorm gedurende twee maanden.

Artikel 7.3.13 Recidive 1. Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet, bedraagt de verlaging 100% van de bijstand gedurende twee maanden. 2. Als een belanghebbende zich binnen 24 maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een nietgeüniformeerde gedraging als bedoeld in deze paragraaf opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging, wordt telkens de duur van de verlaging verdubbeld. 3. Als een belanghebbende zich binnen 12 maanden na bekendmaking van een besluit waarmee toepassing is gegeven aan het tweede lid opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging, wordt het verlagingspercentage, in aanvulling op het tweede lid, verdubbeld tot maximaal 100 %. 4. Als bij een gedraging in verband met dringende redenen is afgezien van het opleggen van een verlaging dan wordt deze gedraging in het kader van de recidivebeoordeling gezien als een gedraging waarvoor een verlaging is opgelegd.

Artikel 7:28

Artikel 7:28 Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ Als het college de uitkering op grond van artikel 20, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening

Niet opgenomen in de herschreven versie

T21.07502

oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 20, tweede lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen blijvend of tijdelijk weigert en de gedraging die tot deze weigering heeft geleid tevens op grond van deze verordening tot een verlaging zou kunnen leiden, blijft een verlaging ter zake van die gedraging achterwege.

Was-wordt-tabel Wijziging Hoofdstuk 8 Verordening Toelichting In de ‘nieuwe tekst’ zijn de woorden en zinnen waaraan iets verandert, cursief gezet. Weglatingen in de ‘oude tekst’ zijn doorgehaald. Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 8:1 Artikel 8.1.1

Artikel 8:1 Toezicht rechtmatigheid WMO Op grond van artikel 6.1 van de WMO houdt de toezichthouder in naam van het college toezicht en geeft gevraagd en ongevraagd advies over de uitvoering van de WMO aan het college.

Paragraaf 8.1 Maatschappelijke ondersteuning Artikel 8.1.1 Toezicht rechtmatigheid De op grond van artikel 6.1 van de Wmo 2015 aangewezen toezichthouder houdt namens de gemeente toezicht en geeft gevraagd en ongevraagd advies over de uitvoering van de Wmo 2015 aan de gemeente.

Artikel 8:2 Artikel 8.1.2

Artikel 8:2 Voorkoming en bestrijding het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van de WMO o.g.v. artikel 2.1.3. lid 4 WMO 1. Het college geeft planmatig uitvoering aan het voorkomen en bestrijden van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van de WMO en verantwoord dit jaarlijks aan de raad. 2. Bij de planning en uitvoering van handhaving en toezicht op de WMO wordt actief het verband gelegd met handhaving en toezicht op Participatiewet en Jeugdwet.

Artikel 8.1.2 Handhaving rechtmatigheid 1. De gemeente geeft planmatig uitvoering aan het voorkomen en bestrijden van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van de Wmo 2015 en verantwoordt dit jaarlijks aan de raad. 2. Bij de planning en uitvoering van handhaving en toezicht op de Wmo 2015 wordt actief het verband gelegd met handhaving en toezicht op de andere domeinen binnen het sociaal domein. 3. Indien een voorziening door het niet nakomen van de contractuele verplichtingen van de zorgaanbieder geheel of gedeeltelijk ten onrechte aan deze zorgaanbieder is betaald, wordt het ten onrechte betaalde op civielrechtelijke gronden van de zorgaanbieder teruggeëist. 4. Indien ten onrechte aan de zorgaanbieder is betaald als gevolg van het verstrekken van

T21.07502

3.

4.

Indien voorziening door niet nakomen van de contractuele verplichtingen van de zorgaanbieder geheel of gedeeltelijk ten onrechte aan deze zorgaanbieder is betaald, wordt het ten onrechte betaalde op civielrechtelijke gronden van zorgaanbieder teruggeëist. Indien ten onrechte aan de zorgaanbieder is betaald als gevolg van het verstrekken van onjuiste gegevens door de zorgaanbieder wordt hiervan aangifte gedaan bij de Officier van Justitie.

Artikel 8.2.1

5.

onjuiste gegevens door de zorgaanbieder wordt hiervan aangifte gedaan bij de Officier van Justitie. Indien ten onrechte is betaald als gevolg van het verstrekken van onjuiste gegevens door de inwoner waarbij sprake is van opzet dan kan het ten onrechte verstrekte van de inwoner worden teruggevorderd.

Paragraaf 8.2 Jeugdhulp Artikel 8.2.1 Inlichtingenplicht 1. De inwoner of zijn ouders doen aan de gemeente op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing tot toekenning van een individuele voorziening. 2. De in het eerste lid genoemde verplichting geldt niet als zich een uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 8.1.2, tweede lid van de Jeugdwet voordoet.

Artikel 8:3 Artikel 8.2.2

Artikel 8:3 Toezicht rechtmatigheid Jeugdwet 1. Op grond van artikel 2.9 aanhef en onder d van de Jeugdwet wijst het college een toezichthouder aan zoals bedoeld in artikel 5:11 van de Awb. 2. De toezichthouder wordt belast met het toezicht op de Jeugdwet ter voorkoming en bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik en nietgebruik van de Jeugdwet. 3. De toezichthouder houdt in naam van het college toezicht en geeft gevraagd en ongevraagd advies over de uitvoering van de Jeugdwet aan het college.

Artikel 8.2.2 Toezicht rechtmatigheid 1. Gelet op artikel 2.9, aanhef en onder d van de Jeugdwet wijst de gemeente een toezichthouder aan zoals bedoeld in artikel 5:11 van de Awb. 2. De toezichthouder wordt belast met het toezicht op de Jeugdwet ter voorkoming en bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van de Jeugdwet. 3. De toezichthouder houdt namens de gemeente toezicht en geeft gevraagd en ongevraagd advies over de uitvoering van de Jeugdwet aan de gemeente.

Artikel 8:4 Artikel 8.2.3

Artikel 8:4 Voorkoming en bestrijding het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van de Jeugdwet

Artikel 8.2.3 Handhaving rechtmatigheid 1. De gemeente geeft planmatig uitvoering aan het voorkomen en bestrijden van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik en

T21.07502

1.

2.

3.

4.

5.

Het college geeft planmatig uitvoering aan het voorkomen en bestrijden van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van de Jeugdwet en verantwoord dit jaarlijks aan de raad. Bij de planning en uitvoering van handhaving en toezicht op de Jeugdwet wordt actief het verband gelegd met handhaving en toezicht op WMO en Participatiewet. Indien ten onrechte is betaald als gevolg van het verstrekken van onjuiste gegevens door belanghebbende waarbij sprake is van opzet wordt het ten onrechte verstrekte van belanghebbende teruggevorderd. Indien voorziening in natura door niet nakomen van de contractuele verplichtingen van de zorgaanbieder geheel of gedeeltelijk ten onrechte aan deze zorgaanbieder is betaald, wordt het ten onrechte betaalde op civielrechtelijke gronden van zorgaanbieder teruggeëist. Indien ten onrechte aan de zorgaanbieder is betaald als gevolg van het verstrekken van onjuiste gegevens door de zorgaanbieder wordt hiervan aangifte gedaan bij de Officier van Justitie.

2.

3.

4.

5.

6.

Artikel 8:5 Artikel 8.3.1

Artikel 8:5 Toezicht rechtmatigheid Participatiewet, Ioaw en Ioaz Op grond van artikel 76a van de Participatiewet, artikel 53van de Ioaw en artikel 53 van de Ioaz houdt de toezichthouder in naam van het college toezicht en geeft gevraagd en ongevraagd advies over de uitvoering van de Participatiewet, Ioaw en Ioaz aan het college.

T21.07502

niet-gebruik van de Jeugdwet en verantwoordt dit jaarlijks aan de raad. Bij de planning en uitvoering van handhaving en toezicht op de Jeugdwet wordt actief het verband gelegd met handhaving en toezicht op de andere domeinen binnen het sociaal domein. De gemeente kan een eerdere beslissing tot het toekennen van een individuele voorziening herzien of intrekken als: a. de inwoner of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b. de inwoner of zijn ouders niet langer op de individuele voorziening zijn aangewezen; c. de individuele voorziening niet meer toereikend is te achten; d. de inwoner of zijn ouders niet (langer) voldoen aan de voorwaarden voor de individuele voorziening; of e. de inwoner of zijn ouders de individuele voorziening niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor deze bestemd is. Indien een voorziening door het niet nakomen van de contractuele verplichtingen van de zorgaanbieder geheel of gedeeltelijk ten onrechte aan deze zorgaanbieder is betaald, wordt het ten onrechte betaalde op civielrechtelijke gronden van zorgaanbieder teruggeëist. Indien ten onrechte aan de zorgaanbieder is betaald als gevolg van het verstrekken van onjuiste gegevens door de zorgaanbieder wordt hiervan aangifte gedaan bij de Officier van Justitie.

Indien ten onrechte is betaald als gevolg van het verstrekken van onjuiste gegevens door de inwoner of zijn ouders waarbij sprake is van opzet dan kan het ten onrechte verstrekte van de inwoner of zijn ouders worden teruggevorderd.

Paragraaf 8.3 Werk en inkomen Artikel 8.3.1 Toezicht rechtmatigheid De op grond van artikel 76a van de Participatiewet, artikel 53 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, en artikel 53 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen aangewezen toezichthouder houdt namens de gemeente toezicht en geeft gevraagd en

ongevraagd advies over de uitvoering van de Participatiewet, IOAW en IOAZ aan de gemeente. Artikel 8:6 Artikel 8.3.2

Artikel 8:6 Voorkoming en bestrijding van het ten onrechte ontvangen van bijstand of uitkering alsmede van misbruik en oneigenlijk gebruik van de Participatiewet, Ioaw en Ioaz en de daarop berustende bepalingen o.g.v. artikel 8d van de Participatiewet, artikel 35 onder b van de Ioaw en artikel 35 onder b van de Ioaz 1. Het college geeft planmatig uitvoering aan het voorkomen en bestrijden van het ten onrechte ontvangen van bijstand en uitkeringen, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de Participatiewet, Ioaw en Ioaz en verantwoord dit jaarlijks aan de raad. 2. Bij de planning en uitvoering van handhaving en toezicht op de Participatiewet, Ioaw en Ioaz wordt actief het verband gelegd met handhaving en toezicht op WMO en Jeugdwet.

T21.07502

Artikel 8.3.2 Handhaving rechtmatigheid 1. De gemeente geeft planmatig uitvoering aan het voorkomen en bestrijden van het ten onrechte ontvangen van bijstand en uitkeringen, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de Participatiewet, IOAW en IOAZ en verantwoord dit jaarlijks aan de raad. 2. Bij de planning en uitvoering van handhaving en toezicht op de Participatiewet, IOAW en IOAZ wordt actief het verband gelegd met handhaving en toezicht op de andere domeinen binnen het sociaal domein.

Was-wordt-tabel Wijziging Hoofdstuk 9. Slotbepalingen Toelichting In de ‘nieuwe tekst’ zijn de woorden en zinnen waaraan iets verandert, cursief gezet. Weglatingen in de ‘oude tekst’ zijn doorgehaald. Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 9:1 Nadere regels Voor zover noodzakelijk voor de uitvoering van deze verordening, kan het college nadere regels vaststellen.

Paragraaf 9.1 Uitwerking en evaluatie

Artikel 9:2 Artikel 9.1.2

Artikel 9:2 Evaluatie Over het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt halfjaarlijks gerapporteerd. Het college zendt hiertoe elk half jaar een rapportage over de doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de praktijk naar de gemeenteraad.

Artikel 9.1.2 Evaluatie Over het gevoerde beleid wordt halfjaarlijks gerapporteerd. De gemeente zendt hiertoe elk half jaar een rapportage over de doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de praktijk aan de gemeenteraad.

Artikel 9:3 Artikel 9.2.1

Artikel 9:3 Inwerkingtreding Deze verordening treedt op 1 januari 2021 in werking.

Paragraaf 9.2 Rechtskracht

Artikel 9:4 Intrekken oude verordeningen De volgende verordeningen worden met de inwerkingtreding van deze verordening ingetrokken:

Artikel 9.2.2 Intrekken oude verordening De Verordening Sociaal Domein gemeente Lansingerland 2021, zoals vastgesteld op 28 januari

Artikel 9:1 Artikel 9.1.1

Artikel 9:4 Artikel 9.2.2

T21.07502

Artikel 9.1.1 Nadere regels Voor zover noodzakelijk voor de uitvoering van deze verordening, kan de gemeente nadere regels vaststellen.

Artikel 9.2.1 Inwerkingtreding Deze verordening treedt op 1 januari 2022 in werking.

-

Verordening Sociaal Domein 2020 T19.13049 zoals vastgesteld op 1 januari 2020.

2021 (T20.14076), wordt met de inwerkingtreding van deze verordening ingetrokken.

Artikel 9:5 Artikel 9.2.3

Artikel 9:5 Overgangsbepaling pgb’s 1. Een aanvraag van een pgb voor jeugdhulp of maatschappelijke ondersteuning die vóór 1 januari 2021 door het college is ontvangen wordt beoordeeld op grond van de Verordening Sociaal Domein gemeente Lansingerland geldend tot 1 januari 2021. Indien het pgb wordt toegekend, dan is dit voor een periode van maximaal 6 maanden. 2. Een aanvraag van een pgb voor jeugdhulp of maatschappelijke ondersteuning die na 1 januari 2021 door het college is ontvangen wordt beoordeeld op grond van de verordening geldend vanaf 1 januari 2021.

Artikel 9.2.3 Overgangsrecht 1. Aanvragen die zijn ingediend voor de inwerkingtreding van deze verordening, maar waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld op grond van deze verordening. 2. Bezwaarschriften die zijn ingediend tegen besluiten die op grond van de oude verordening zijn genomen, maar waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld op grond van de oude verordening die hiervoor zijn geldigheid behoudt. 3. Voor de in deze verordening en de oude verordening opgenomen tarieven geldt dat het op het moment van aanvraag geldende tarief wordt gehanteerd. Indien een Pgb wordt toegekend dan is het oude tarief, indien dit hoger ligt dan het tarief op grond van deze verordening, voor maximaal 6 maanden van toepassing. 4. Een inwoner behoudt zijn recht op een lopende voorziening, welke is verstrekt op grond van de oude verordening, totdat de gemeente een nieuw besluit heeft genomen. De gemeente neemt hierbij een redelijke overgangstermijn van zes maanden in acht, tenzij er zwaarwegende redenen zijn om dat niet te doen. 5. De artikelen 4:15a t/m 4:15e van de oude verordening, inzake de blijverslening, behouden hun geldigheid voor lopende leningen voor zolang de looptijd die lopende lening nog niet is verstreken.

Artikel 9:6 Artikel 9.2.4

Artikel 9:6 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: “Verordening Sociaal Domein gemeente Lansingerland 2021”.

Artikel 9.2.4 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: “Verordening Sociaal Domein of “Verordening Sociaal Domein gemeente Lansingerland 2022”.

T21.07502

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lansingerland&id=b93aaa84-275b-420a-8808-bde30657ee38