[T21.07502] Was/wordt Verordening Sociaal Domein 2021/2022
Tekst van het document
Artikel 5.3.5 Aanvullende uitgangspunten voor het resultaatgebied herstel, vermindering, stabilisatiestoornis jeugdige Een inwoner kan in aanmerking komen voor een individuele voorziening binnen het resultaatgebied herstel, vermindering, stabilisatie stoornis inwoner, als er bij hem in relatie tot één of meerdere van de volgende aspecten aanwijzingen zijn voor een tijdelijke of blijvende stoornis of beperking, of delict gedrag als gevolg van een stoornis of beperking waarvoor behandeling noodzakelijk is: a. het nodig hebben van diagnostiek als onderdeel van behandeling; b. het blijk geven van een behoefte aan stabilisering, vermindering, behandeling en opheffing van de stoornis of beperking en het leren omgaan hiermee; c. het verbeteren of stabiliseren van het functioneren van de inwoner in één of meerdere domeinen zoals gezin en vrije tijd; en/of d. het verlagen van recidiverisico.
Artikel 5:8:5 Artikel 5.3.6
Artikel 5:8:5 Aanvullende criteria voor het resultaatgebied opvoeding en versterking mogelijkheden ouders Een jeugdige kan in aanmerking komen voor een individuele voorziening binnen het resultaatgebied opvoeding en versterking mogelijkheden ouders, als zijn ouders, afgemeten aan één of meerdere van de
Artikel 5.3.6 Aanvullende uitgangspunten voor het resultaatgebied opvoeding en versterking mogelijkheden ouders Een inwoner kan in aanmerking komen voor een individuele voorziening binnen het resultaatgebied opvoeding en versterking mogelijkheden ouders, als zijn ouders, afgemeten aan één of meerdere van de
T21.07502
volgende aspecten, ondersteuning bij hun opvoedingsvaardigheden nodig hebben bij: a. het te allen tijde kunnen waarborgen van de veiligheid van de jeugdige; b. het stimuleren van de sociale en emotionele ontwikkeling van de jeugdige in de zin van het voorkomen van emotionele verwaarlozing; c. het kunnen omgaan met de specifieke kenmerken die horen bij de stoornis, ontwikkelingsstoornis of gedragsproblemen van de jeugdige; d. het kunnen aanpassen van het opvoedersgedrag bij de ontwikkelingsleeftijd van de jeugdige; e. het aandacht kunnen hebben en kunnen zorgdragen voor de gezondheid van de jeugdige; f. het kunnen zorgdragen voor deelname van de jeugdige aan onderwijs of vormen van daghulp; g. het kunnen ontwikkelen van een voor de jeugdige steunend netwerk.
volgende aspecten, ondersteuning bij hun opvoedingsvaardigheden nodig hebben bij: a. het te allen tijde kunnen waarborgen van de veiligheid van de inwoner; b. het stimuleren van de sociale en emotionele ontwikkeling van de jeugdige in de zin van het voorkomen van emotionele verwaarlozing; c. het kunnen omgaan met de specifieke kenmerken die horen bij de stoornis, ontwikkelingsstoornis of gedragsproblemen van de inwoner; d. het kunnen aanpassen van het opvoedersgedrag bij de ontwikkelingsleeftijd van de inwoner; e. het aandacht kunnen hebben en kunnen zorgdragen voor de gezondheid van de inwoner; f. het kunnen zorgdragen voor deelname van de inwoner aan onderwijs of vormen van daghulp; en/of g. het kunnen ontwikkelen van een voor de inwoner steunend netwerk.
Artikel 5:8:6 Artikel 5.3.8
Artikel 5:8:6 Aanvullende criteria voor het ondersteuningselement vervangende opvoeding jeugdige Het college zet ondersteunende vervangende opvoeding voor de jeugdige in, als gedurende een behandelingssituatie hulp vanwege een of meerdere van de volgende omstandigheden niet in de thuissituatie kan worden geboden: a. de opvoedsituatie is niet veilig genoeg voor de jeugdige; b. de jeugdige vormt een gevaar voor zichzelf of de omgeving, welk gevaar niet door de opvoeders, al dan niet in combinatie met ambulante hulp, kan worden weggenomen; c. de noodzakelijke hulp aan de jeugdige kan niet in afdoende mate door de opvoeders of ambulante hulp worden geboden; d. vervangende opvoeding levert betere en effectievere hulp aan de jeugdige op.
Artikel 5.3.8 Aanvullende criteria voor het ondersteuningselement vervangende opvoeding jeugdige In aanvulling op de in artikel 5.3.7 genoemde criteria geldt dat vervangende opvoeding alleen kan worden ingezet als gedurende een behandelingssituatie hulp vanwege een of meerdere van de volgende omstandigheden niet in de thuissituatie kan worden geboden: a. de opvoedsituatie is niet veilig genoeg voor de inwoner; b. de inwoner vormt een gevaar voor zichzelf of de omgeving, welk gevaar niet door de opvoeders, al dan niet in combinatie met ambulante hulp, kan worden weggenomen; c. de noodzakelijke hulp aan de inwoner kan niet in afdoende mate door de opvoeders of ambulante hulp worden geboden; en/of d. vervangende opvoeding levert betere en effectievere hulp aan de inwoner op.
Artikel 5:8:7 Artikel 5.3.9
Artikel 5:8:7 Aanvullende criteria voor het ondersteuningselement dagbehandeling of dagbesteding
Artikel 5.3.9 Aanvullende criteria voor het ondersteuningselement dagbehandeling of dagbesteding
T21.07502
Het college zet ondersteunende dagbehandeling of dagbesteding in, als een of meerdere van de volgende omstandigheden aan de orde zijn: a. vanwege een beperking of stoornis is het voor de jeugdige niet mogelijk om, al dan niet tijdelijk, deel te nemen aan onderwijs; b. de jeugdige heeft een stoornis of beperking die met dagbehandeling effectief te behandelen is; c. de jeugdige is gebaat bij het aanleren van vaardigheden in het kader van sociaal en persoonlijk functioneren, waaronder het verkrijgen van een dagstructuur.
In aanvulling op de in artikel 5.3.7 genoemde criteria geldt dat ondersteunende dagbehandeling of dagbesteding alleen kan worden ingezet als een of meerdere van de volgende omstandigheden aan de orde zijn: a. vanwege een beperking of stoornis is het voor de inwoner niet mogelijk om, al dan niet tijdelijk, deel te nemen aan onderwijs; b. de inwoner heeft een stoornis of beperking die met dagbehandeling effectief te behandelen is; c. de inwoner is gebaat bij het aanleren van vaardigheden in het kader van sociaal en persoonlijk functioneren, waaronder het verkrijgen van een dagstructuur.
Artikel 5:8:8
Artikel 5:8:8 Aanvullende criteria voor het ondersteuningselement mantelzorgondersteuning (vervallen)
Niet opgenomen in de herschreven versie
Artikel 5:8:9
Artikel 5:8:9 Waakvlamfunctie jeugdhulp (vervallen)
Niet opgenomen in de herschreven versie
Artikel 5:8:10 Artikel 5.3.12
Artikel 5:8:10 Zeventien en een half-jarigen Het college kan een jeugdige, die de leeftijd van 18 jaar bijna heeft bereikt en naar verwachting een voort-durende behoefte aan ondersteuning zal hebben na het bereiken van de leeftijd van 18 jaar, ondersteuning aanbieden in het kader van de Wmo 2015.
Artikel 5.3.12 Zeventien en een half-jarigen De gemeente kan aan een inwoner die de leeftijd van achttien jaar bijna heeft bereikt en die naar verwachting een voortdurende behoefte aan ondersteuning zal hebben na het bereiken van de leeftijd van achttien jaar, vanuit de jeugdwet een individuele voorziening aanbieden die in het kader van de Wmo 2015 als maatwerkvoorziening is ingekocht. In dat geval vindt er afstemming met een Wmo-consulent plaats, die beoordeelt of de maatwerkvoorziening na het bereiken van achttienjarige leeftijd kan worden verstrekt vanuit de Wmo 2015 en zal tevens een Wmoindicatie worden afgeven voor na het achttiende levensjaar.
Artikel 5:8:11
Artikel 5:8:11 Voortzetting jeugdhulp na 18 jaar Het college kan besluiten om de ondersteuning aan een jeugdige, als bedoeld in artikel 1:1, onder paragraaf 3 van de Jeugdwet, na het bereiken van de leeftijd van 18 jaar voort te zetten of te hervatten, indien de ondersteuning niet, niet adequaat of niet volledig in de vorm van ondersteuning op grond van de Wmo 2015 kan worden verstrekt.
Niet opgenomen in de herschreven versie. Samengevoegd in artikel 5.3.12.
T21.07502
Artikel 5:8:12 Artikel 5.3.10
Artikel 5:8:12 Aanvullende criteria vaktherapie Vaktherapie kan uitsluitend worden ingezet in combinatie met een behandeling en voor een maximaal aantal van 12 sessies van 1 uur.
Artikel 5.3.10 Aanvullende criteria individuele voorziening vaktherapie 1. In aanvulling op de criteria in artikel 5.3.7 wordt geen individuele voorziening in de vorm van vaktherapie verstrekt als: a. De vaktherapie geen onderdeel uitmaakt van een concreet behandeltraject; b. De vaktherapeut niet is geregistreerd bij de Stichting Register Vaktherapeutische Beroepen (SRVB); of c. Er meer dan 12 sessies van maximaal 1 uur worden ingezet. 2. De gemeente kan in individuele situaties gemotiveerd afwijken van het in het eerste lid onder d genoemde aantal sessies en/of de duur daarvan, indien dit noodzakelijk is om het gewenste resultaat te bereiken en er geen alternatieve mogelijkheden zijn om te komen tot effectieve jeugdhulp. 3. De gemeente hanteert voor vaktherapie een maximumtarief van € 80,00 per uur, waarbij maximaal 25% aan indirect cliëntgebonden tijd mag worden gedeclareerd.
Artikel 5:8:13 Artikel 5.3.11
Artikel 5:8:13 Aanvullende criteria dierentherapie Dierentherapie komt alleen voor vergoeding in aanmerking als deze de therapie in combinatie met een behandeling wordt uitgevoerd en als deze wordt uitgevoegd door een hulpverlener met BIG- of SKJ-registratie, de aanbieder een keurmerk heeft en de inzet van dieren als middel is onderbouwd in een resultaatgericht hulpverleningsplan.
Artikel 5.3.11 Aanvullende criteria individuele voorziening dierentherapie 1. In aanvulling op de criteria in artikel 5.3.7 wordt geen individuele voorziening in de vorm van dierentherapie verstrekt als: a. De dierentherapie niet wordt uitgevoerd in combinatie met een behandeling of begeleiding; b. De uitvoerende hulpverlener niet BIG- of SKJgeregistreerd is; c. De aanbieder niet beschikt over een keurmerk; of d. De inzet van dieren niet is onderbouwd in een resultaatgericht hulpverleningsplan. 2. De gemeente hanteert voor dierentherapie hetzelfde tarief als het tarief dat voor de passende behandeling of begeleiding zonder de ondersteunende inzet van een dier zou gelden.
Artikel 5:8a
Artikel 5:8a Afgifte beschikking Het college legt de te verlenen individuele voorziening, dan wel het afwijzen daarvan, in alle gevallen vast in een beschikking aan de jeugdige of zijn ouders.
Niet opgenomen in de herschreven versie. In artikel 5.1.3 is de beschikking, zoals voorheen in artikel 5:9 geregeld, terug te vinden.
T21.07502
Paragraaf 5.1 Procedure Artikel 5:9 Artikel 5.1.3
Artikel 5:9 Inhoud beschikking 1. In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. 2. Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de beschikking vastgelegd: a. welke de te verstrekken voorziening is en wat de omvang en het beoogde resultaat daarvan zijn; b. wat de ingangsdatum, omvang en duur van de verstrekking is; c. welke gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieder van jeugdhulp de voorziening verstrekt, en d. indien van toepassing, welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn. 3. Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking vastgelegd: a. voor welk resultaat het pgb moet worden aangewend; b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; c. wat de hoogte van het pgb is en hoe deze is berekend; d. welke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn; e. wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld; f. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb, en g. dat de jeugdige of zijn ouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling doet van gewijzigde feiten en/of omstandigheden.
Artikel 5.1.3 Beschikking 1. In de beschikking tot verstrekking van een jeugdhulpvoorziening wordt aangegeven of deze als voorziening in natura of als persoonsgebonden budget wordt verstrekt. 2. Bij het verstrekken van een jeugdhulpvoorziening in natura vermeldt de beschikking in ieder geval: a. welke jeugdhulpvoorziening verstrekt wordt en wat het beoogde resultaat daarvan is; b. de ingangsdatum, de omvang en duur van de verstrekking; c. welke leverancier de hulp zal leveren; en d. hoe de hulp verstrekt wordt en wat hierbij van de inwoner wordt verwacht. 3. Bij het verstrekken van een jeugdhulpvoorziening in de vorm van persoonsgebonden budget vermeldt de beschikking in ieder geval: a. het beoogde resultaat waarvoor het persoonsgebonden budget is toegekend; b. de ingangsdatum, de omvang en duur van de verstrekking; c. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het persoonsgebonden budget; d. wat de hoogte van het persoonsgebonden budget is en hoe dit tot stand is gekomen; e. wie de jeugdhulpverlener is die de ondersteuning zal leveren; f. de termijn waarbinnen het pgb moet worden aangewend; en g. de wijze van verantwoording van de besteding van het persoonsgebonden budget. 4.
Als met de beschikking wordt besloten tot het (gedeeltelijk) afwijzen van de gevraagde jeugdhulpvoorziening of de gewenste verstrekkingsvorm van een pgb, dan bevat de beschikking de grond(en) waarop deze (gedeeltelijke) afwijzing is gebaseerd.
Paragraaf 5.4 Aanvullende voorwaarden persoonsgebonden budget Artikel 5:10 T21.07502
Artikel 5:10
Artikel 5.4.1 t/m artikel 5.4.9
Artikel 5.4.1 t/m artikel 5.4.9 Artikel 5.4.1
Artikel 5:10 Regels voor persoonsgebonden budget Indien de jeugdige of zijn ouders dit wenst, verstrekt het college hun een pgb dat hem in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken. (…) 4.
Artikel 5.4.2
Voor dyslexiezorg wordt geen pgb toegekend.
Artikel 5:10 Regels voor persoonsgebonden budget (…) 1.
Conform artikel 8.1.1 van de Jeugdwet verstrekt het college aan de jeugdige of zijn ouders alleen een pgb, indien: a. de jeugdige of zijn ouders naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat is tot een redelijke waardering van de belangen ter zake dan wel met hulp uit hun sociale netwerk dan wel een curator, bewindvoerder, mentor of gemachtigde, in staat zijn de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren; b. naar het oordeel van het college de jeugdige of zijn ouders zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij de individuele voorziening die wordt geleverd door een aanbieder, niet passend acht; en c. naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort en die de inwoner van het budget wil betrekken, van goede kwaliteit is en bijdraagt aan het beoogde resultaat. 2. De hoogte van een pgb a. wordt vastgesteld aan de hand van een door de jeugdige of zijn ouders T21.07502
Artikel 5.4.1 Verzoek 1. Om in aanmerking te kunnen komen voor een pgb dient de inwoner of zijn ouders bij de aanvraag om een jeugdhulpvoorziening tevens een pgb plan en een recente VOG van de directe hulpverlener(s), in te dienen. 2. Om in aanmerking te kunnen komen voor een Pgb voor dyslexiezorg dient het protocol voor dyslexie op correcte wijze te zijn gevolgd. 3. Op het moment dat de aanvraag gaat over het verlengen van een bestaande indicatie dan dient bij het verzoek ook het bijgehouden zorgplan te worden ingediend. Artikel 5.4.2 Pgb plan 1. Om voor een pgb in aanmerking te komen dient de inwoner of zijn ouders in een pgb-plan toe te lichten dat een individuele jeugdhulpvoorziening in de vorm van een pgb aantoonbaar tot een goede, doelmatige en effectieve hulp leidt die beter is dan wat de gemeente door middel van zorg in natura kan bieden. De inwoner maakt hiermee een bewuste keuze voor het pgb. 2. Het pgb plan bevat in elk geval de volgende punten: a. de reden waarom de inwoner of zijn ouders het zorg in natura aanbod van de gemeente niet passend vindt en hij in aanmerking wil komen voor een pgb; b. een beschrijving van de hulp of voorziening die de inwoner of zijn ouders in wil kopen; c. de naam van de beoogde hulpverlener of aanbieder; d. een toelichting op de keuze voor deze aanbieder en/of hulpverlener; e.
de kosten die de leverancier/hulpverlener in rekening brengt, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief; f. de wijze waarop de inwoner of zijn ouders, conform het model van de SVB, een contract aangaat met de Pgb-aanbieder; g. de wijze waarop de kwaliteit van de hulp is gewaarborgd; h. de wijze waarop de hulpverlener wordt aangestuurd in de praktijk; i. de wijze waarop de hulp wordt gecontroleerd;
opgesteld plan waarin in ieder geval uiteen is gezet: 1°. welke jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort de jeugdige of zijn ouders van het budget willen betrekken, en 2°. indien van toepassing, welke hiervan de jeugdige of zijn ouders willen betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk; (…)
Artikel 5.4.3 nieuw
T21.07502
j.
3.
de wijze waarop een juiste administratie wordt bijgehouden; k. hoe omgegaan wordt met geconstateerde onjuistheden; en l. hoe de continuïteit van de jeugdhulp is gewaarborgd op het moment dat er zich een calamiteit voordoet. In aanvulling op het tweede lid bevat het pgb plan in elk geval de volgende punten indien aanspraak wordt gemaakt op het formele pgb-tarief voor de inhuur van een professional: a. Een uitdraai uit het handelsregister van de leverancier; en b. Bewijs van verzekering tegen beroeps- en/of bedrijfsaansprakelijkheid van de leverancier.
Artikel 5.4.3 Beheer 1. Om in aanmerking te komen voor een Pgb dient de inwoner of zijn ouder(s) in staat te zijn de taken als budgethouder op zich te nemen. Dit betekent dat hij: a. In staat is aan te geven welke hulp hij nodig heeft aan de hulpverlener/leverancier; b. Geen problematische schulden heeft; c. Geen ernstige verslavingsproblematiek heeft; d. Geen aanmerkelijke verstandelijke beperking, een ernstig psychiatrisch ziektebeeld of een blijvende cognitieve stoornis heeft; e. Geen aangetoonde fraude heeft gepleegd in de afgelopen vier jaar; en f. De Nederlandse taal in woord en geschrift voldoende beheerst. 2. Indien de inwoner of zijn ouders niet over de in het eerste lid genoemde vaardigheden beschikt dan kan iemand uit het netwerk van de inwoner het beheer van het pgb op zich nemen. Dit kan een wettelijk vertegenwoordiger of gemachtigde zijn. In aanvulling op de in het eerste lid genoemde voorwaarden dient deze persoon: a. Een recente VOG te overleggen; b. Regelmatig een bezoek aan de inwoner te brengen en zo de ondersteuning ter plekke te controleren (er moet sprake zijn van voldoende nabijheid in de vorm van fysieke aanwezigheid en tijd); c. In staat te zijn tot communicatie met de inwoner en zijn ouders; en
3.
Artikel 5.4.4
Artikel 5:10 Regels voor persoonsgebonden budget (…) 2. De hoogte van een pgb a. wordt vastgesteld aan de hand van een door de jeugdige of zijn ouders opgesteld plan waarin in ieder geval uiteen is gezet: 1°. welke jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort de jeugdige of zijn ouders van het budget willen betrekken, en 2°. indien van toepassing, welke hiervan de jeugdige of zijn ouders willen betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk; b. wordt berekend op basis van een tarief of prijs: 1°. waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb de jeugdige of zijn ouders in staat stelt tijdig kwalitatief goede jeugdhulp van derden te betrekken; 2°. waarbij rekening is gehouden met redelijke overheadkosten van derden van wie de jeugdige of zijn ouders de jeugdhulp willen betrekken, en 3°. waarbij, voor zover van toepassing, rekening is gehouden met de in het derde lid gestelde voorwaarden betreffende het tarief onder welke de jeugdige of zijn ouders de mogelijkheid heeft om de betreffende jeugdhulp te betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk.
T21.07502
d. Niet dezelfde persoon te zijn als de beoogde hulpverlener en geen nauwe band hebben met de beoogd hulpverlener waardoor er een belangenconflict zou kunnen optreden. Een inwoner of zijn ouders krijgt maximaal twee keer de mogelijkheid om iemand uit zijn netwerk als bedoeld in het tweede lid aan te dragen. Indien geen geschikte derde wordt aangedragen, zal de aanvraag voor ondersteuning in de vorm van een Pgb worden afgewezen.
Artikel 5.4.4 Hoogte Persoonsgebonden budget 1. De hoogte van een pgb: a. wordt vastgesteld aan de hand van een door de inwoner of zijn ouders opgesteld Pgb plan; b. wordt berekend op basis van een tarief of prijs: 1°. waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb de inwoner of zijn ouders in staat stelt tijdig kwalitatief goede jeugdhulp van derden te betrekken; 2°. waarbij rekening is gehouden met redelijke overheadkosten van derden van wie de inwoner of zijn ouders de jeugdhulp willen betrekken; en c. bedraagt het formele tarief voor jeugdhulp verleend door een professional die niet behoort tot het sociaal netwerk niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopste adequate in de gemeente tijdig beschikbare individuele voorziening in natura; of d. bedraagt het informele tarief voor jeugdhulp verleend door een persoon die niet kan worden aangemerkt als een professional en/of door een persoon uit het sociale netwerk € 13,00 per uur voor begeleiding ambulant, € 35,00 per dagdeel voor kortdurend verblijf en € 125,00 per etmaal voor kortdurend verblijf. 2. Tot het sociale netwerk van de inwoner of zijn ouders behoren in elk geval bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad.
c.
3.
bedraagt voor jeugdhulp verleend door een persoon die niet behoort tot het sociaal netwerk niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopste adequate in de gemeente tijdig beschikbare individuele voorziening in natura. d. bedraagt voor jeugdhulp verleend door een persoon uit het sociale netwerk € 13,00 per uur voor begeleiding ambulant, € 20,00 per dagdeel voor dagbesteding en € 20,00 per etmaal voor kortdurend verblijf. De persoon aan wie een pgb wordt verstrekt kan de jeugdhulp onder de volgende voorwaarden betrekken van een persoon die behoort tot het eigen sociale netwerk: a. deze persoon heeft aangegeven dat het leveren van de jeugdhulp voor hem niet tot overbelasting leidt; b. deze persoon heeft op geen enkele wijze druk op de ontvanger uitgeoefend bij diens beslissing; c. het pgb wordt niet gebruikt voor de betaling van tussenpersonen of belangenbehartigers; d. het betreft geen dienst die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie; e. de hulp wordt niet verleend in het kader van een hulpverlenend beroep.
(…) Artikel 5.4.5 nieuw
Artikel 5.4.5 Niet in het tarief 1. De gemeente verstrekt geen Pgb voor bemiddelings- of administratiekosten of een combinatie hiervan, in verband met de aanvraag of uitvoering van het Pgb, of een combinatie hiervan, al dan niet in combinatie met de kosten van de Pgb-beheerder. 2. Het Pgb bevat geen vrij besteedbaar deel.
Artikel 5.4.6 nieuw
Artikel 5.4.6 Gebruik pgb 1. Een Pgb moet door de inwoner of zijn ouders binnen drie maanden na toekenning worden aangewend ten behoeve van het resultaat waarvoor het is verstrekt, tenzij hier in de beschikking een andere termijn voor wordt vastgesteld.
T21.07502
2.
Het is niet toegestaan om minder uren zorg in te kopen omdat de hulpverlener een hoger uurtarief hanteert.
Artikel 5.4.7 nieuw
Artikel 5.4.7 Zorgplan 1. Een inwoner of zijn ouders die er voor kiest om een jeugdhulpvoorziening in de vorm van een dienst door middel van een Pgb te verzilveren moet binnen drie maanden na toekenning een zorgplan inleveren dat hij samen met de ondersteuningsverlener heeft opgesteld. De inwoner of zijn ouders en zijn hulpverlener tonen hiermee aan dat de ondersteuning veilig en cliëntgericht wordt verstrekt. 2. Het zorgplan bevat in elk geval de volgende punten: a. welke leverancier de hulp gaat verlenen; b. wie de directe hulpverlener(s) is; c. wat de deskundigheid is van de directe hulpverlener(s); d. indien van toepassing het SKJ of BIG registratienummer van de hulpverlener(s); e. wie de directe hulpverlener(s) kan vervangen bij afwezigheid; f. welke doelen behaald moeten worden; g. welke concrete acties ingezet worden om de gestelde doelen te bereiken; h. de prognose; i. waar en wanneer de ondersteuning gaat plaatsvinden. 4. De inwoner en de ondersteuningsverlener zorgen voor een periodieke evaluatie van het zorgplan en zorgen dat het plan, door het bijhouden en vastleggen van wijzigingen, actueel blijft.
Artikel 5.4.8 nieuw
Artikel 5.4.8 Weigering pgb 1. De gemeente wijst het verzoek om een pgb af als: e. De hulp die de inwoner of zijn ouders met het Pgb wenst in te kopen naar het oordeel van de gemeente niet van voldoende kwaliteit is en dus veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht is. De kwaliteit van de ondersteuning wordt getoetst door middel van het zorgplan. Daarnaast dient de uitvoerder van de hulp te beschikken over een recente VOG en om in aanmerking te komen voor het professionele tarief ook over een adequate zorgopleiding en een SKJ of BIG registratie;
T21.07502
f.
2.
3.
Artikel 5.4.9 nieuw
Niet in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het in het ondersteuningsplan opgenomen beoogde resultaat; g. Het om GGZ-behandeling gaat en de inwoner of zijn ouders een hulpverlener uit het eigen sociale netwerk in willen zetten; h. Het beheer niet voldoende is geborgd; of i. Er druk is uitgeoefend om de dienstverlening, in welke vorm dan ook, van deze persoon of organisatie te betrekken. Een Pgb is alleen mogelijk indien naar het oordeel van de gemeente wordt voldaan aan alle voorwaarden om in aanmerking te komen voor een Pgb. Het niet voldoen aan de voorwaarden heeft tot gevolg dat de gemeente de aanvraag van de cliënt voor ondersteuning in de vorm van een Pgb afwijst. In afwijking van het tweede lid kan de gemeente in een individuele situatie gemotiveerd afwijken van de eis dat de professionele hulpverlener over SKJ of BIG registratie moet beschikken.
Artikel 5.4.9 Opschorting betaling uit het pgb 1. De gemeente kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken als er ten aanzien van een cliënt een ernstig vermoeden is gerezen dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 8.1.4, eerste lid, onder a, d of e, van de Jeugdwet. 2. De gemeente stelt de inwoner of zijn ouders aan wie het pgb is verstrekt schriftelijk op de hoogte van een verzoek als bedoeld in het eerste of tweede lid.
Artikel 5:11
Artikel 5:11 (vervallen)
Niet opgenomen in de herschreven versie
Artikel 5:12
Artikel 5:12 (vervallen)
Niet opgenomen in de herschreven versie
Paragraaf 5.2 Kwaliteit en veiligheid Artikel 5:13 Artikel 5.2.3
T21.07502
Artikel 5:13 Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering
Artikel 5.2.3 Verhouding prijs en kwaliteit levering jeugdhulp door derden De gemeente houdt in het belang van een goede prijskwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren
Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, rekening met: a. de aard en omvang van de te verrichten taken; b. de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie; c. een redelijke toeslag voor overheadkosten; d. een voor de sector reële mate van nonproductiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg; en e. kosten voor bijscholing van het personeel.
jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, rekening met: a. de aard en omvang van de te verrichten taken; b. de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie; c. een redelijke toeslag voor overheadkosten; d. een voor de sector reële mate van nonproductiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg; e. kosten voor bijscholing van het personeel; f. indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst.
Artikel 5:14 Artikel 5.2.5
Artikel 5:14 Vertrouwenspersoon 1. Het college zorgt ervoor dat inwoners een beroep kunnen doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon. 2. Het college wijst inwoners erop dat zij zich desgewenst kunnen laten bijstaan door een onafhankelijke vertrouwenspersoon (Adviesen Klachtenbureau Jeugdzorg).
Artikel 5.2.5 Vertrouwenspersoon 1. De gemeente zorgt ervoor dat inwoners, conform artikel 2.5 van de Jeugdwet, een beroep kunnen doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon. 2. De gemeente wijst inwoners erop dat zij zich desgewenst kunnen laten bijstaan door een onafhankelijke vertrouwenspersoon (Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg).
Artikel 5:15 Artikel 5.2.4
Artikel 5:15 Klachtregeling Het college ziet er op toe dat jeugdhulpaanbieders over een klachtenregeling beschikken en ziet toe op de wijze van naleving van de klachtenregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks klanttevredenheid onderzoek.
Artikel 5.2.4 Klachtregeling De gemeente ziet er op toe dat jeugdhulpaanbieders over een klachtenregeling beschikken en ziet toe op de wijze van naleving van de klachtenregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks klanttevredenheid onderzoek.
Artikel 5:16
Artikel 5:16 Betrekken van ingezetenen bij het beleid 1. Het college betrekt de inwoners van de gemeente bij de voorbereiding van het beleid betreffende jeugdhulp overeenkomstig krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend. 2. Het college stelt cliënten en vertegenwoordigers van cliëntgroepen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en
Niet opgenomen in de herschreven versie. In hoofdstuk 3 is het betrekken van inwoners bij het te vormen beleid geregeld.
T21.07502
3.
4.
Artikel 5:17
beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het tweede en derde lid.
Artikel 5:17 Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de inwoner afwijken van de bepalingen in deze verordening, als toepassing van deze verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.
Niet opgenomen in de herschreven versie
Paragraaf 5.5 Nadere uitwerking Artikel 5.5.1 nieuw
T21.07502
Niet opgenomen in Verordening Sociaal Domein 2021
Artikel 5.5.1 Nadere regels stellen 1. In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin dit hoofdstuk niet voorziet, beslist de gemeente op basis van de individuele situatie. 2. De gemeente kan nadere regels stellen over de uitvoering van dit hoofdstuk.
Was-wordt-tabel Wijziging Hoofdstuk 6 Werk Toelichting In de ‘nieuwe tekst’ zijn geen wijzigingen aangebracht. Dit hoofdstuk zal worden herschreven en in lijn worden gebracht met de andere hoofdstukken als het traject om de re-integratie middelen opnieuw aan te besteden is afgerond.
T21.07502
Was-wordt-tabel Wijziging Hoofdstuk 7 Inkomen Toelichting In de ‘nieuwe tekst’ zijn de woorden en zinnen waaraan iets verandert, cursief gezet. Weglatingen in de ‘oude tekst’ zijn doorgehaald. Bestaande tekst
Nieuwe tekst
7.1 Individuele inkomenstoeslag
Paragraaf 7.1 Individuele inkomenstoeslag
Artikel 7:1
Artikel 7:1 Begrippen In dit onderdeel wordt verstaan onder: a. inkomen: totaal van het inkomen, bedoeld in artikel 32 van de Participatiewet, en de algemene bijstand; b. peildatum: datum waarop een persoon individuele inkomenstoeslag aanvraagt; c. referteperiode: periode van drie jaar voorafgaand aan de peildatum.
Niet opgenomen in de herschreven versie, verwerkt in 7.1.2, lid 1 en 7.1.3
Artikel 7:2 Artikel 7.1.1
Artikel 7:2 Indienen verzoek Een verzoek als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet, wordt ingediend middels een door het college vastgesteld formulier.
Artikel 7.1.1 Indienen verzoek Een verzoek als bedoeld in artikel 36, lid 1 van de Participatiewet, wordt ingediend op de manier zoals beschreven in artikel 2.3.1, lid 1.
Artikel 7:3 Artikel 7.1.2
Artikel 7:3 Langdurig laag inkomen Een persoon heeft een langdurig laag inkomen als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet als gedurende de referteperiode het in aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan 100 procent van de toepasselijke bijstandsnorm.
Artikel 7.1.2 Langdurig laag inkomen en vermogen 1. Een inwoner heeft een langdurig laag inkomen en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 36, lid 1 Participatiewet als zijn inkomen gedurende de periode van 36 kalendermaanden voorafgaand aan de datum waartegen de individuele inkomenstoeslag wordt aangevraagd (peildatum) niet hoger was dan 100 procent van de toepasselijke bijstandsnorm en zijn vermogen gedurende deze periode niet hoger was dan de toepasselijke vermogensgrens. Onder inkomen wordt verstaan, inkomen zoals bedoeld in de Participatiewet en inkomen uit algemene
T21.07502
2.
bijstand. In afwijking van het eerste lid kan de individuele inkomenstoeslag ook worden verstrekt indien er sprake is van een incidentele overschrijding van de inkomensgrens van maximaal € 150,00 gedurende maximaal 2 maanden en/of er sprake is van een marginale overschrijding van de inkomensgrens met enkele eurocenten.
Artikel 7:4 Artikel 7.1.3
Artikel 7:4 Hoogte individuele inkomenstoeslag 1. Een individuele inkomenstoeslag bedraagt per kalenderjaar: a. € 402,- voor een alleenstaande; b. € 510,- voor een alleenstaande ouder; c. € 571,- voor gehuwden; 2. Als één van de gehuwden is uitgesloten van het recht op individuele inkomenstoeslag ingevolge de artikelen 11 of 13, eerste lid, van de Participatiewet, komt de rechthebbende echtgenoot in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden. 3. Voor toepassing van het eerste en tweede lid is de situatie op de peildatum bepalend. 4. De bedragen genoemd in het eerste lid worden jaarlijks geïndexeerd overeenkomstig de ontwikkelingen van de consumentenprijsindex volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek. De bedragen worden naar boven afgerond op hele euro’s.
Artikel 7.1.3 Hoogte individuele inkomenstoeslag 1. Een individuele inkomenstoeslag bedraagt per kalenderjaar: a. € 402,00 voor een alleenstaande; b. € 510,00 voor een alleenstaande ouder; c. € 571,00 voor gehuwden; 2. Voor toepassing van het eerste lid is de situatie op de datum waartegen de individuele inkomenstoeslag wordt aangevraagd (peildatum) bepalend.
Artikel 7:5
Artikel 7:5 Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen in dit onderdeel, indien toepassing daarvan leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.
Niet opgenomen in de herschreven versie, verwerkt in 7.1.2, lid 2
7.2 Individuele studietoeslag
Paragraaf 7.2 Individuele studietoeslag
Artikel 7:6 Artikel 7.2.1
Artikel 7:6 Indienen verzoek Een verzoek als bedoeld in artikel 36b, eerste lid, van de Participatiewet, wordt ingediend middels een door het college vastgesteld formulier.
Artikel 7.2.1 Indienen verzoek Een verzoek als bedoeld in artikel 36b, lid 1 Participatiewet, wordt ingediend op de manier zoals beschreven in artikel 2.3.1, lid 1.
Artikel 7:7
Artikel 7:7 Dringende redenen (vervallen)
Niet opgenomen in de herschreven versie
T21.07502
Artikel 7:8 Artikel 7.2.2
Artikel 7:8 Eenmaal per studiejaar individuele studietoeslag verlenen Een persoon kan eenmaal binnen een studiejaar in aanmerking komen voor een individuele studietoeslag.
Artikel 7.2.2 Eenmaal per studiejaar individuele studietoeslag verlenen Een inwoner kan eenmaal per studiejaar in aanmerking komen voor een individuele studietoeslag.
Artikel 7:9 Artikel 7.2.3
Artikel 7:9 Hoogte individuele studietoeslag 1. Een individuele studietoeslag bedraagt € 1.848,- per periode van 12 maanden. 2. Het bedrag genoemd in het eerste lid wordt jaarlijks geïndexeerd conform de ontwikkelingen van de consumentenprijsindex volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek. De bedragen worden naar boven afgerond op hele euro's.
Artikel 7.2.3 Hoogte individuele studietoeslag De hoogte van de individuele studietoeslag is afhankelijk van de leeftijd van de inwoner en bedraagt: a. € 300,00 netto per maand voor een inwoner van 21 jaar en ouder; b. € 240,00 netto per maand voor een inwoner van 20 jaar; c. € 180,00 netto per maand voor een inwoner van 19 jaar; d. € 150,00 netto per maand voor een inwoner van 18 jaar.
Artikel 7:10 Artikel 7.2.4
Artikel 7:10 Betaling individuele studietoeslag Een individuele studietoeslag wordt in 12 maandelijkse termijnen van € 154,- uitbetaald.
Artikel 7.2.4 Betaling individuele studietoeslag Een individuele studietoeslag wordt in 12 gelijke maandelijkse termijnen uitbetaald.
7.3 Afstemming
Paragraaf 7.3 Afstemming, verlaging en weigering
Artikel 7:11 Begrippen In dit onderdeel wordt verstaan onder: a. benadelingsbedrag: netto-uitkering waarop eerder, langer of tot een hoger bedrag een beroep wordt of is gedaan ten gevolge van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan; b. bijstandsnorm: 1) toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, sub c, van de Participatiewet, of 2) grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 5 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen voor zover sprake is van een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening
Niet opgenomen in de herschreven versie, verwerkt in de inhoudelijke artikelen
Artikel 7:11
T21.07502
c.
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; uitkering: algemene bijstand op grond van de Participatiewet of een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.
Artikel 7:12
Artikel 7:12 (vervallen)
Niet opgenomen in de herschreven versie
Artikel 7:13 Artikel 7.3.3
Artikel 7:13 Het besluit tot opleggen van een verlaging In het besluit tot het opleggen van een verlaging van de uitkering als bedoeld in artikel 18, tweede, vijfde, zesde, zevende en achtste lid, van de Participatiewet, de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen worden in ieder geval vermeld: a. de reden van de verlaging; b. de duur van de verlaging; c. het bedrag of percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd, en d. indien van toepassing, de reden om af te wijken van de standaardverlaging.
Artikel 7.3.3 Beschikking 1. Het besluit tot het opleggen of het afzien van het opleggen van een verlaging van de (bijstands)uitkering of het blijvend of tijdelijk weigeren van de uitkering wordt door toezending van een besluit aan de belanghebbende(n) bekend gemaakt. 2. In het besluit tot het opleggen van een verlaging van de (bijstands)uitkering worden in ieder geval vermeld: a. de reden van de verlaging; b. de duur van de verlaging; c. het bedrag of percentage waarmee de (bijstands)uitkering wordt verlaagd; en d. indien van toepassing, de reden om af te wijken van de standaardverlaging. 3. In het besluit tot het afzien van een verlaging van de (bijstands)uitkering als bedoeld in artikel 7.3.2 worden in ieder geval vermeld: a. de reden op grond waarvan normaalgesproken een verlaging zou zijn opgelegd; b. de duur van de verlaging die normaalgesproken zou zijn opgelegd; c. het bedrag of percentage waarmee normaalgesproken de (bijstands)uitkering zou zijn verlaagd; en d. de bijzondere reden waarom daar in dit geval van af wordt gezien. 4. In het besluit tot het (gedeeltelijk) blijvend of tijdelijk weigeren van de uitkering wordt in ieder geval vermeld waarom de uitkering tijdelijk of blijvend wordt geweigerd en waarom de gemeente
T21.07502
niet vindt dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Artikel 7:14 Artikel 7.3.1
Artikel 7:14 Horen van belanghebbende 1. Voordat een verlaging wordt opgelegd wordt een belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. 2. Het horen van een belanghebbende kan achterwege blijven als: a. de vereiste spoed zich daartegen verzet; b. belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; c. het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid, of d. belanghebbende aangeeft hiervan geen gebruik te willen maken.
Artikel 7.3.1 Horen 1. Voordat een verlaging van de (bijstands)uitkering wordt opgelegd of de uitkering blijvend of tijdelijk wordt geweigerd wordt een belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn mening in een gesprek naar voren te brengen. 2. Het horen van een belanghebbende kan achterwege blijven als: a. de vereiste spoed zich daartegen verzet; b. belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld zijn mening naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; c. de gemeente het horen niet nodig acht voor het vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid; d. belanghebbende er voor kiest zijn mening schriftelijk naar voren te brengen; of e. belanghebbende aangeeft hiervan geen gebruik te willen maken.
Artikel 7:15 Artikel 7.3.2
Artikel 7:15 Afzien van verlaging 1. Het college ziet af van een verlaging als: a. elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, of b. de gedraging meer dan één jaar voor constatering daarvan door het college heeft plaatsgevonden. 2. Het college kan afzien van een verlaging als het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. 3. Als het college afziet van een verlaging op grond van dringende redenen, wordt een belanghebbende hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld.
Artikel 7.3.2 Afzien van verlaging 1. De gemeente ziet af van een verlaging als: a. elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of b. de gedraging betrekking heeft op het niet nakomen van een arbeidsverplichting en die verplichting inmiddels weer volledig wordt nagekomen; of c. de gedraging meer dan één jaar voor constatering daarvan door de gemeente heeft plaatsgevonden. 2. De gemeente kan (gedeeltelijk) afzien van een verlaging als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
Artikel 7:16 Artikel 7.3.4
Artikel 7:16 Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging 1. Een verlaging wordt toegepast op de uitkering of bijzondere bijstand die is verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet over de kalendermaand
Artikel 7.3.4 Ingangsdatum en periode van een verlaging 1. Een verlaging wordt toegepast op de (bijstands)uitkering of bijzondere bijstand die is verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet over de kalendermaand volgend op
T21.07502
2.
3.
Artikel 7:17 Artikel 7.3.5
volgend op de maand waarin het besluit tot het opleggen van de verlaging aan een belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de op dat tijdstip voor die belanghebbende geldende bijstandsnorm. Een verlaging kan met terugwerkende kracht worden toegepast op de uitkering over de periode waarop de gedraging betrekking heeft gehad of over de periode waarin de gedraging heeft plaatsgevonden als een verlaging overeenkomstig het eerste lid niet mogelijk is omdat de uitkering is beëindigd of ingetrokken of als de uitkering over die periode nog niet is uitbetaald. Als een verlaging niet of niet geheel ten uitvoer kan worden gelegd als gevolg van de beëindiging of intrekking van de uitkering, wordt de verlaging of dat deel van de verlaging dat nog niet is uitgevoerd, alsnog opgelegd als belanghebbende binnen de termijn, bedoeld in artikel 7:15, eerste lid, sub b, opnieuw een uitkering ontvangt.
Artikel 7:17 Berekeningsgrondslag 1. Een verlaging wordt berekend over de bijstandsnorm. 2. In afwijking van het eerste lid kan een verlaging worden toegepast op de bijzondere bijstand als: a. aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet, of b. de verwijtbare gedraging van belanghebbende in relatie met zijn recht op bijzondere bijstand daartoe aanleiding geeft. 3. Bij toepassing van het tweede lid, sub a, moet in de paragrafen 6.1.2, 6.1.3 en 6.1.4 van deze verordening ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘bijstandsnorm inclusief de op grond van artikel 12 van de Participatiewet verleende bijzondere bijstand’. 4. Bij toepassing van het tweede lid, sub b, moet in de paragrafen 6.1.2, 6.1.3 en 6.1.4 van deze verordening ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘de verleende bijzondere bijstand’.
T21.07502
2.
3.
de maand waarin het besluit tot het opleggen van de verlaging aan een belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de op dat tijdstip voor die belanghebbende geldende hoogte van de (bijstands)uitkering. Een verlaging kan met terugwerkende kracht worden toegepast op de (bijstands)uitkering over de periode waarop de gedraging betrekking heeft gehad of over de periode waarin de gedraging heeft plaatsgevonden als een verlaging overeenkomstig het eerste lid niet mogelijk is omdat de uitkering is beëindigd of ingetrokken of als de uitkering over die periode nog niet is uitbetaald. Als een verlaging niet of niet geheel kan worden opgelegd als gevolg van de beëindiging of intrekking van de (bijstands)uitkering, wordt de verlaging of dat deel van de verlaging dat nog niet is uitgevoerd, alsnog beoordeeld op grond van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid als de belanghebbende binnen de termijn als bedoeld in artikel 7.3.2, eerste lid, sub c, opnieuw een (bijstands)uitkering ontvangt.
Artikel 7.3.5 Berekeningsgrondslag 1. Een verlaging wordt berekend over: a. de toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, sub c, van de Participatiewet verminderd met de in aanmerking te nemen middelen; of b. de grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 5 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen voor zover sprake is van een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen verminderd met het in aanmerking te nemen inkomen; 2. In aanvulling op het eerste lid kan een verlaging worden toegepast op de bijzondere bijstand als: a. aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet; of
3.
4.
Artikel 7:18 en 7:19 Artikel 7.3.7
Artikel 7:18 Gedragingen Participatiewet Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de artikelen 9 en 9a van de Participatiewet niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: a. eerste categorie: 1) het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie; b. tweede categorie: 1) het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9, eerste lid, of 55 van de Participatiewet, voor zover het gaat om een belanghebbende jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken na een melding als bedoeld in artikel 43, vierde en vijfde lid, van de Participatiewet, voor zover deze verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet. c. derde categorie: 1) het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen voor zover dit niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet; 2) het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, sub b, van de Participatiewet niet te willen
T21.07502
b. de verwijtbare gedraging van belanghebbende in relatie met zijn recht op bijzondere bijstand daartoe aanleiding geeft. Bij toepassing van het tweede lid, sub a, wordt de verlaging berekend over de toepasselijke bijstandsnorm of grondslag van de uitkering inclusief de op grond van artikel 12 van de Participatiewet verleende bijzondere bijstand. Bij toepassing van het tweede lid, sub b, wordt de verlaging berekend over de verleende bijzondere bijstand.
Artikel 7.3.7 Niet geüniformeerde verplichtingen 1. Gedragingen van een belanghebbende waardoor een verplichting op grond van de artikelen 9, 9a, 17, tweede lid, 55, 56a en 57 van de Participatiewet niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: a. eerste categorie: 1) het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie; 2) het niet meewerken aan het in naam van de inwoner door de gemeente verrichten van betalingen van huur, gas water en stroom en de verplichte zorgverzekering uit de toegekende bijstand, zoals bepaald in artikel 56a, tweede lid van de Participatiewet. b. tweede categorie: 1) het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9, eerste lid, of 55 van de Participatiewet, voor zover het gaat om een belanghebbende jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken na een melding als bedoeld in artikel 43, vierde en vijfde lid, van de Participatiewet, voor zover deze verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet. c.
derde categorie: 1) het niet of onvoldoende nakomen van de medewerkingsverplichting uit artikel 17, tweede lid van de Participatiewet; 2) het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, sub b, van de Participatiewet niet te willen
3)
4)
nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet; het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, sub c, van de Participatiewet. Het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a van de Participatiewet.
Artikel 7:19 Gedragingen IOAW en IOAZ Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de artikelen 37 en 38 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 37 en 38 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: a. eerste categorie: 1) het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie; b. tweede categorie: 1) het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling; 2) het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, sub e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 36, eerste lid, en artikel 37, eerste lid, sub e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen T21.07502
nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet; 3) het niet of onvoldoende verrichten van een door de gemeente opgedragen tegenprestatie naar vermogen of het meewerken aan een onderzoek hiernaar als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, van de Participatiewet; 4) Het niet of onvoldoende meewerken aan het verrichten van rechtstreekse betalingen als bedoeld in artikel 57, eerste lid, aanhef en onder a van de Participatiewet. d. Vierde categorie: 1) het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen voor zover dit niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet. 2.
Gedragingen van een belanghebbende waardoor een verplichting op grond van de artikelen 37 en 38 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 37 en 38 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: a. eerste categorie: 1) het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie; b. tweede categorie: 1) het niet of onvoldoende gebruik maken van een door de gemeente aangeboden voorziening als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, sub e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 36, eerste lid, en artikel 37, eerste lid, sub e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, voor zover dit niet heeft geleid tot het geen
zelfstandigen, voor zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening; 3) het niet dan wel niet tijdig voldoen aan een oproep om, in verband met de arbeidsinschakeling, op een aangegeven plaats en tijd te verschijnen. c. derde categorie: 1) het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, sub f, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 37, eerste lid, sub f, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; 2) het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de verplichtingen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, sub e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 37, eerste lid, sub e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 38, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; 3)
gedragingen die de arbeidsinschakeling belemmeren; 4) Het niet of onvoldoende meewerken aan een door het college aangeboden voorziening gericht op het verkleinen van de afstand tot de arbeidsmarkt, zoals bijvoorbeeld een groepsworkshop of een werkervaringsplaats. d. vierde categorie: T21.07502
c.
doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening; 2) het niet dan wel niet tijdig voldoen aan een oproep om, in verband met de arbeidsinschakeling, op een aangegeven plaats en tijd te verschijnen. derde categorie: 1) het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling; 2) het niet of onvoldoende nakomen van de medewerkingsplicht als bedoeld in artikel 13, tweede lid van de Wet inkomensvoorziening ouder en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 13, tweede lid van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; 3) het niet of onvoldoende verrichten van een door de gemeente opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, sub f, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 37, eerste lid, sub f, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; 4) het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de verplichtingen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, sub e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 37, eerste lid, sub e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet te willen nakomen, wat
heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 38, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; 5) gedragingen die de arbeidsinschakeling belemmeren;
1)
2) 3) 4)
Artikel 7:20 Artikel 7.3.8
het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen; het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid; het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid; het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, sub e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, sub e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, voor zover dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening.
Artikel 7:20 Hoogte en duur van de verlaging De verlaging, bij gedragingen als bedoeld in de artikelen 7:18 en 7:19, wordt vastgesteld op: a. 10% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de eerste categorie; b. 30% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de tweede categorie;
T21.07502
6)
Het niet of onvoldoende meewerken aan een door de gemeente aangeboden voorziening gericht op het verkleinen van de afstand tot de arbeidsmarkt, zoals bijvoorbeeld een groepsworkshop of een werkervaringsplaats. d. vierde categorie: 1) het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen; 2) het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid; 3) het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid; 4) het niet of onvoldoende gebruik maken van een door de gemeente aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, sub e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, sub e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, voor zover dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening. 5) Het niet of onvoldoende nalaten van hetgeen de inschakeling in de arbeid belemmert als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel d van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de artikel 37, eerste lid, onderdeel d van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
Artikel 7.3.8 Consequenties schenden niet geüniformeerde verplichtingen De verlaging, bij gedragingen als bedoeld in de 7.3.7, wordt vastgesteld op: a. 10% gedurende één maand bij gedragingen van de eerste categorie; b. 30% gedurende één maand bij gedragingen van de tweede categorie; c. 50% gedurende één maand bij gedragingen van de derde categorie;