[T21.07502] Was/wordt Verordening Sociaal Domein 2021/2022
Tekst van het document
WAS/WORDT Verordening Sociaal Domein 2021/2022
Auteur: Mr. H.J. Kooistra Domein: Samenleving Team: MOJ Datum: 10 september 2021
T21.07502
Was-wordt-tabel Wijziging Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Toelichting In de ‘nieuwe tekst’ zijn de woorden en zinnen waaraan iets verandert, cursief gezet. Weglatingen in de ‘oude tekst’ zijn doorgehaald.
Artikel 1.1.1
Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Niet opgenomen in Verordening Sociaal Domein 2021
Paragraaf 1.1 Definities Artikel 1.1.1 Begrippen wetgever De in deze verordening opgenomen begrippen kennen, tenzij uit deze verordening het tegendeel blijkt, dezelfde betekenis als in de Algemene wet bestuursrecht, de Gemeentewet, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de Jeugdwet, de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ en de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening.
Artikel 1:1 Artikel 1.1.2
Artikel 1:1 Begrippen In deze verordening wordt verstaan onder: a. college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lansingerland; b. inwoner: iemand met een woonadres in Lansingerland, met inbegrip van diens wettelijk vertegenwoordiger, of een jeugdige die als inwoner kan worden beschouwd op grond van het woonplaatsbeginsel in artikel 1:1 van de Jeugdwet; c. ondersteuningsplan: Professioneel ondersteuningsplan: een plan met de inventarisatie van de knelpunten, de te behalen resultaten en de meest passende oplossingen dat is opgesteld door een toegangspartij samen met de inwoner dan wel met diens vertegenwoordiger; Persoonlijk ondersteuningsplan: een plan met de inventarisatie van de knelpunten, de te behalen resultaten en de meest passende oplossingen dat is opgesteld door de inwoner dan wel diens vertegenwoordiger, Het persoonlijk plan wordt betrokken bij het onderzoek zoals bedoeld onder d; Familie-ondersteuningsplan: een plan van aanpak opgesteld door de ouders, samen met bloedverwanten, of anderen die tot de sociale omgeving van de
T21.07502
Artikel 1.1.2 Begrippen verordening In deze verordening wordt verstaan onder: Deskundig advies: advies van een professional die, al dan niet in teamverband, beschikt over specifieke deskundigheid; Gemeente: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lansingerland; Gemeenteraad: de gemeenteraad van de gemeente Lansingerland; Inwoner: iemand die zijn hoofdverblijf in Lansingerland heeft, of een jeugdige die als inwoner kan worden beschouwd op grond van het woonplaatsbeginsel in artikel 1.1 van de Jeugdwet; Ondersteuningsvraag: de behoefte van een inwoner aan maatschappelijke ondersteuning, jeugdhulp, een uitkering met bemiddeling naar werk of inkomensondersteuning en/of schuldhulpverlening; Pgb: persoonsgebonden budget; Raad: gemeenteraad; Toegangspartij: een door de gemeente gecontracteerde partij die namens de gemeente een onderzoek kan verrichten.
jeugdige behoren. Het familieondersteuningsplan wordt betrokken bij het onderzoek zoals bedoeld onder d; d. onderzoek: een onderzoek door of namens het college naar de behoeften, persoonskernmerken en de voorkeuren van een inwoner met een ondersteuningsvraag. Het onderzoek start met een gesprek tussen de inwoner en een toegangspartij; e. pgb: persoonsgebonden budget is een bedrag waarmee de inwoner met een ondersteuningsbehoefte zelf een individuele of maatwerkvoorziening kan inkopen; f. sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de inwoner een sociale relatie onderhoudt; g. toegangspartij: een gemeentelijk consulent jeugd, Wmo of participatie of een door het college gecontracteerde partij die namens het college een onderzoek kan verrichten zoals bedoeld onder d; h. voorzieningen: algemene, overige of vrij toegankelijke voorziening: aanbod van diensten of activiteiten om de zelfredzaamheid of de participatie te verbeteren of te voorzien in een behoefte aan opvang. Algemene of vrij toegankelijke voorzieningen zijn toegankelijk zonder beschikking. individuele of maatwerkvoorziening: voorzieningen om de zelfredzaamheid of de participatie te verbeteren of om te voorzien in de behoefte aan beschermd wonen of opvang zoals bedoeld in de Jeugdwet en de Wmo en een uitkering of bemiddeling naar werk, zoals bedoeld in de Participatiewet.
Voor deze voorzieningen wordt een beschikking door de gemeente afgegeven. voorliggende voorziening: een voorziening buiten de Jeugdwet, de Wmo en de Participatiewet waarop de inwoner aanspraak kan maken, dan wel een beroep kan doen met het oog op zijn hulpvraag. Artikel 1.2.1
Niet opgenomen in Verordening Sociaal Domein 2021
T21.07502
Paragraaf 1.2 Toepassingsbereik
Artikel 1.2.1 Sociaal Domein Deze verordening stelt regels met betrekking tot de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de Jeugdwet, de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ en de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening. Artikel 1.2.2
Niet opgenomen in Verordening Sociaal Domein 2021 Deze statische verwijzing was voorheen in artikel 2:5, lid 5 geregeld.
Artikel 1.2.2 Beschermd wonen en maatschappelijke opvang De in deze verordening opgenomen regels zijn niet van toepassing op de maatwerkvoorzieningen beschermd wonen en maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Voor deze voorzieningen gelden de regels van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp Rotterdam 2018 zoals vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Rotterdam op 14 december 2017 (gmb-2018-24161) en laatstelijk gewijzigd op 11 april 2019 (gmb-2019-100435).
Artikel 1:2 Artikel 1.2.3
Artikel 1:2 Strijd met de wet Indien de uitvoering van een bepaling van deze verordening in voorkomende gevallen in strijd is met de wet, dan geldt de bepaling uit deze verordening in dat geval niet.
Artikel 1.2.3 Strijd met de wet Indien de uitvoering van een bepaling van deze verordening in voorkomende gevallen in strijd is met de wet, dan geldt de bepaling uit deze verordening in dat geval niet.
Artikel 1:3
Artikel 1:3 Klachtenreglement Al het handelen van het medewerkers van het college in het kader van uitvoering van de Participatiewet, de Jeugdwet en de Wmo, en de gemeentelijke regelgeving zoals omschreven in deze verordening en de Beleidsregels Sociaal Domein valt onder het geldende gemeentelijk klachtenreglement.
Artikel 1.2.4 Klachtenreglement Al het handelen van medewerkers van de gemeente in het kader van uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de Jeugdwet, de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ, Wet gemeentelijke schuldhulpverlening en de gemeentelijke regelgeving zoals omschreven in deze verordening valt onder het geldende gemeentelijk klachtenreglement.
Artikel 1.2.4
T21.07502
Was-wordt-tabel Wijziging Hoofdstuk 2. Toegang Toelichting In de ‘nieuwe tekst’ zijn de woorden en zinnen waaraan iets verandert, cursief gezet. Weglatingen in de ‘oude tekst’ zijn doorgehaald. Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:1
Artikel 2:1 Begrippen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. expertteam: door het college aangewezen deskundigen die, in het geval dat een individuele of maatwerkvoorziening wordt overwogen, kunnen adviseren over de effectiviteit van de voorziening, dat wil zeggen de mate waarin de voorziening bijdraagt aan het gewenste resultaat; b. melding: de meldingsdatum is het startmoment van het onderzoek. De datum van het eerste gesprek met de toegangspartij geldt als de datum van melding en is dus het moment waarop het onderzoek start; c. ondersteuningsvraag: de behoefte van een inwoner aan maatschappelijke ondersteuning, jeugdhulp en/of een uitkering met bemiddeling naar werk of inkomensondersteuning; d. spoedprocedure: een directe verstrekking van een tijdelijke individuele of maatwerkvoorziening in een onvoorziene situatie die geen uitstel verdraagt. Het onderzoek zoals bedoeld onder b. vindt daarna plaats.
Niet opgenomen in de herschreven versie
Artikel 2:2 Artikel 2.1.1
Artikel 2:2 Verzoek tot ondersteuning 1. Inwoners kunnen hun ondersteuningsvraag vormvrij (digitaal telefonisch en fysiek) stellen bij een toegangspartij. (…)
Paragraaf 2.1 Melding
T21.07502
Artikel 2.1.1 Verzoek tot ondersteuning 1. Inwoners kunnen hun ondersteuningsvraag op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, jeugdhulp, werk, inkomen of schulden alleen –niet bij een andere organisatie- vormvrij (schriftelijk, digitaal, telefonisch en fysiek) stellen bij de gemeente. 2. Inwoners met een ondersteuningsvraag op het gebied van maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp kunnen hun ondersteuningsvraag ook vormvrij (schriftelijk, digitaal, telefonisch en fysiek) stellen bij een door de gemeente aangewezen toegangspartij.
3.
4.
Artikel 2:2 Artikel 2.1.2
Artikel 2:2 Verzoek tot ondersteuning 1. (…) De toegangspartij bevestigt de ontvangst door het aanmaken van een dossier en door het zo spoedig mogelijk maken van een afspraak voor een gesprek als start van het onderzoek. 2. De toegangspartij wijst de inwoner voorafgaande aan het gesprek op de mogelijkheid gebruik te maken van kosteloze cliëntondersteuning. 3. De toegangspartij wijst de inwoner voorafgaand aan het gesprek op de mogelijkheid van het indienen van een persoonlijk of familie-ondersteuningsplan. 4. In spoedeisende gevallen biedt het college zo spoedig mogelijk een passende tijdelijke voorziening, of vraagt het college een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Jeugdwet.
Inwoners met een ondersteuningsvraag op het gebied van jeugdhulp kunnen hun ondersteuningsvraag ook stellen bij een (jeugd) arts. Een derde kan een ondersteuningsvraag als bedoeld in het eerste en tweede lid ook namens een inwoner stellen. Deze derde moet dan wel in staat zijn de belangen van de inwoner te behartigen en bevoegd zijn om de inwoner te vertegenwoordigen.
Artikel 2.1.2 Bevestiging en afspraak 1. De gemeente of de toegangspartij bevestigt de ontvangst van de ondersteuningsvraag schriftelijk. 2. De gemeente of de toegangspartij maakt na het versturen van de bevestiging een afspraak voor een gesprek als start van het onderzoek. Het doel van het gesprek is om een zo goed mogelijk beeld te krijgen van de hulpvraag van de inwoner, de persoonlijke situatie van de inwoner en het resultaat dat de inwoner wil bereiken. 3. De gemeente of de toegangspartij wijst de inwoner in de uitnodiging voorafgaande aan het gesprek op de mogelijkheid om gebruik te maken van kosteloze onafhankelijke cliëntondersteuning. 4. De gemeente of de toegangspartij wijst de inwoner in de uitnodiging voorafgaand aan het gesprek op de mogelijkheid van het indienen van een persoonlijk plan of familiegroepsplan. 5. De gemeente of de toegangspartij wijst de inwoner in de uitnodiging op de mogelijkheid om iemand mee te nemen naar het gesprek die hem onafhankelijk kan ondersteunen. De spoedprocedures zijn geregeld in artikel 2.4.3
Artikel 2:2 Artikel 2.2.1
Artikel 2:2 Verzoek tot ondersteuning 1. (…) De toegangspartij bevestigt de ontvangst door het aanmaken van een dossier en door het zo spoedig mogelijk maken van een afspraak voor een gesprek als start van het onderzoek.
T21.07502
Paragraaf 2.2 Onderzoek Artikel 2.2.1 Voorbereiding 1. De gemeente of de toegangspartij maakt ter voorbereiding op het gesprek een dossier aan. 2. De gemeente of de toegangspartij vraagt ter voorbereiding op het gesprek aan de inwoner om aan te geven welke stappen hij zelf heeft gezet om zijn ondersteuningsvraag op te lossen. 3. De gemeente of de toegangspartij vraagt als dat nodig is aanvullende stukken op ter voorbereiding op het gesprek en biedt daarvoor een redelijke termijn.
4.
Uitsluitend de gemeente kan in het kader van een zorgvuldige voorbereiding op het gesprek gebruik maken van de bevoegdheid om van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de inwoner en zijn situatie ten behoeve van het onderzoek te verzamelen.
Artikel 2.3 Artikel 2.2.2
Artikel 2.3 Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren o. De inwoner dan wel diens vertegenwoordiger verschaft het college de gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs kan beschikken. p. Bij het onderzoek stelt de toegangspartij de identiteit van de inwoner vast aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.
Artikel 2.2.2 Inlichtingenplicht 1. Bij het onderzoek stelt de gemeente of de toegangspartij de identiteit van de inwoner vast aan de hand van een identiteitsbewijs dat voldoet aan de wettelijke eisen. 2. De inwoner of zijn vertegenwoordiger geeft de gemeente of de toegangspartij de informatie en de stukken die voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs kan beschikken.
Artikel 2.3 Artikel 2.2.3
Artikel 2.3 Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren 1. De toegangspartij onderzoekt in samenspraak met de inwoner (of zijn ouders) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen 8 weken na ontvangst van de aanvraag: a. de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de inwoner (en zijn ouders), de veiligheid en ontwikkeling van de jeugdige en de gezinssituatie; b. of sprake is van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de inwoner, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptie gerelateerde problemen, en zo ja: 1°. welke problemen of stoornissen dat zijn; 2°. welke ondersteuning, hulp en zorg naar aard en omvang nodig zijn voor de inwoner om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren;
Artikel 2.2.3 Onderzoek feiten en af te wegen belangen 1. De gemeente of de toegangspartij onderzoekt tijdens het gesprek op basis van de ondersteuningsvraag in samenspraak met de inwoner dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger: a. de ondersteuningsbehoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de inwoner; b. de problemen, beperkingen en/of stoornissen van de inwoner; c. de aard en omvang van de ondersteuning die de inwoner nodig heeft; d. of en in hoeverre de eigen mogelijkheden van de inwoner, gebruikelijke hulp, mantelzorg, het sociale netwerk en/of voorliggende (algemene) voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden; e. of en in hoeverre de inzet van een individuele voorziening noodzakelijk en passend is om het gewenste resultaat te bereiken. 2. In het gesprek is ook aandacht voor de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger(s) van de inwoner. 3. Het gesprek vindt afhankelijk van de ondersteuningsvraag telefonisch, op kantoor of bij de inwoner thuis plaats. 4. Indien de inwoner voorafgaand aan het gesprek gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid tot het indienen van een persoonlijk plan of
T21.07502
3°. of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouders en de personen die tot hun sociale omgeving behoren toereikend zijn om zelf de nodige ondersteuning, hulp en zorg te kunnen bieden, en 4°. voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, de mogelijkheden om met de inzet van een andere voorziening, overige voorziening of individuele voorziening te voorzien in de nodige ondersteuning, hulp en zorg; c. het gewenste resultaat van het verzoek tot ondersteuning om zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen, opvang of ondersteuning; d. de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp het gewenste resultaat te bereiken; e. de mogelijkheden om met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk het gewenste resultaat te bereiken; f. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de inwoner; g. de mogelijkheden om met inzet van algemene of vrij toegankelijke voorzieningen het gewenste resultaat te bereiken; h. de mogelijkheden om met een individuele of maatwerkvoorziening de gewenste resultaten te bereiken; i.
de mogelijkheden om door middel van samenwerking met (zorg)aanbieders en zorgverzekeraars als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en met partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de gewenste resultaten; j. hoe bij de bepaling van de aangewezen vorm van ondersteuning T21.07502
familiegroepsplan, dan betrekt de gemeente of de toegangspartij dit plan bij het gesprek. 5. De gemeente kan, indien zij dat gelet op de ondersteuningsvraag noodzakelijk acht voor het opstellen van een ondersteuningsplan, voorafgaand of na het gesprek, deskundig advies inwinnen. 6. Indien de gemeente gebruik maakt van de in het vijfde lid genoemde mogelijkheid dan informeert zij de inwoner hier schriftelijk over.
k.
l.
zo goed mogelijk rekening kan worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de inwoner (en zijn ouders), en indien van toepassing, hoe de toekenning van een individuele voorziening zo goed mogelijk kan worden afgestemd op andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen. hoe bij de keuze van voorzieningen rekening kan worden gehouden met de culturele achtergrond, godsdienstige gezindheid en de levensovertuiging van de inwoner.
Artikel 2.3 Artikel 2.2.4
Artikel 2.3 Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren m. De toegangspartij informeert de inwoner over de hoogte van de bijdrage in de kosten die de inwoner verschuldigd zal zijn en de wijze waarop deze bijdrage wordt geïnd. n. De toegangspartij informeert de inwoner over de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb.
Artikel 2.2.4 Informatieverstrekking 1. De gemeente of de toegangspartij informeert de inwoner over de mogelijkheden om in plaats van zorg in natura gemotiveerd te kiezen voor de verstrekking van een pgb voor maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp. 2. De gemeente of de toegangspartij informeert de inwoner over de bijdrage in de kosten die de inwoner verschuldigd zal zijn en de wijze waarop deze bijdrage wordt geïnd bij maatschappelijke ondersteuning.
Artikel 2:4 Artikel 2.2.5
Artikel 2:4 Het ondersteuningsplan 1. De toegangspartij legt het resultaat en de uitkomsten van het gesprek zoals bedoeld in artikel 2.3 sub 3 a t/m i vast in een ondersteuningsplan. De inwoner krijgt dit ondersteuningsplan binnen de in het gesprek afgesproken termijn. 2. In het ondersteuningsplan staat beschreven welke afspraken er tussen de inwoner en de toegangspartij zijn gemaakt om de zelfredzaamheid of de participatie te verbeteren of om in de behoefte aan beschermd wonen, opvang of ondersteuning te voorzien. In het plan is rekening gehouden met de afstemming van het totaal van de voorzieningen. 3. Opmerkingen of latere aanvullingen van de inwoner worden aan het verslag toegevoegd.
Artikel 2.2.5 Het ondersteuningsplan 1. De gemeente of de toegangspartij legt het resultaat en de uitkomsten van het gesprek/onderzoek vast in een ondersteuningsplan. De inwoner krijgt dit ondersteuningsplan binnen de in het gesprek afgesproken termijn toegestuurd. 2. Als de gemeente of de toegangspartij meer informatie nodig heeft, waardoor het ondersteuningsplan niet binnen de afgesproken termijn kan worden toegestuurd, dan wordt de inwoner hierover schriftelijk geïnformeerd. 3. In het ondersteuningsplan staat beschreven wat er is besproken, welk effect de inwoner wil bereiken, hoe dat bereikt zou kunnen worden en welke rol de gemeente daarbij zou kunnen spelen. In het plan is rekening gehouden met de afstemming van het totaal van de voorzieningen.
T21.07502
4.
Uitsluitend het college kan in het kader van zorgvuldigheid gebruik maken van de bevoegdheid om van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de inwoner en zijn situatie ten behoeve van het onderzoek te verzamelen.
4.
Opmerkingen of latere aanvullingen van de inwoner worden aan het ondersteuningsplan toegevoegd.
Artikel 2.2.6
Niet opgenomen in Verordening Sociaal Domein 2021
Artikel 2.2.6 Gegevensdeling 1. Indien de gemeente het noodzakelijk acht voor het realiseren van een integrale oplossing voor de ondersteuningsvraag van de inwoner dan wordt alleen de daarvoor noodzakelijke informatie uit het onderzoek gedeeld en/of besproken binnen de gemeente en/of met andere betrokken organisaties, zodat er een gezamenlijk op de behoefte van de inwoner afgestemd ondersteuningsaanbod kan worden gerealiseerd. 2. Het delen van informatie als bedoeld in het eerste lid vindt niet eerder plaats dan nadat met de inwoner is besproken met welk doel, welke informatie, met wie moet worden uitgewisseld en de inwoner de kans heeft gekregen zijn zienswijze hierover kenbaar te maken, tenzij de gemeente van oordeel is dat zwaarwegende belangen zich tegen het vooraf bespreken van de voorgenomen informatiedeling verzetten. 3. Informatie uit het onderzoek die betrekking heeft op (signalen van) strafbare feiten/fraude wordt door de gemeente altijd gedeeld met de relevante interne en/of externe instanties. 4. Voordat de informatie feitelijk wordt gedeeld wordt hiervan een rapport opgemaakt waarin de argumenten om tot informatiedeling over te gaan worden vastgelegd.
Artikel 2:5 Artikel 2.3.1
Artikel 2:5 De aanvraag voor een individuele of maatwerkvoorziening 1. De inwoner kan een aanvraag voor een individuele voorziening middels een door het college vastgesteld aanvraagformulier schriftelijk of digitaal indienen bij het college. 2. Een aanvraag voor een Wmo voorziening kan niet eerder worden gedaan dan nadat het onderzoek is uitgevoerd. 3. Indien het onderzoek niet binnen de gestelde termijn van zes weken kan worden uitgevoerd, heeft de inwoner de mogelijkheid om een aanvraag in te dienen voor een Wmo voorziening terwijl het
Paragraaf 2.3 Aanvraag
T21.07502
Artikel 2.3.1 De aanvraag voor een individuele voorziening 1. De inwoner kan een aanvraag voor een individuele voorziening voor maatschappelijke ondersteuning, jeugdhulp, werk, inkomen of schulden alleen met een door de gemeente vastgesteld aanvraagformulier schriftelijk of digitaal indienen bij de gemeente. 2. Een aanvraag voor maatschappelijke ondersteuning kan niet eerder worden gedaan dan nadat het onderzoek is uitgevoerd en er een volledig en actueel ondersteuningsplan is opgesteld.
4.
5.
onderzoek nog niet is afgerond (Wmo: art. 2.3.2 lid 9). In afwijking van het eerste lid kan het college een voor akkoord ondertekend ondersteuningsplan als bedoeld in artikel 2:4 als een complete aanvraag voor een individuele of maatwerkvoorziening beschouwen, tenzij het gesprek langer dan drie maanden geleden heeft plaatsgevonden. De aanvraag voor Beschermd Wonen wordt behandeld door de centrumgemeente Rotterdam volgens de daar geldende verordening (versie raadsvoorstel nr. 17bb9026); besluitnummer 17bb9924 e.a).
3.
4.
5.
Artikel 2:5, lid 5 is terug te vinden in artikel 1.2.2 van de nieuwe verordening. 6.
Artikel 2:6 Artikel 2.3.2
Artikel 2:6 De beoordeling van de aanvraag 1. De aanvraag voor een individuele of maatwerkvoorziening kan uitsluitend door het college behandeld worden. 2. Afhankelijk van de aard en omvang van de ondersteuningsvraag kan het college een deskundige uit het expertteam raadplegen. 3. Het college is bevoegd de beslistermijn op te schorten indien voor de beoordeling van de aanvraag voor een individuele of maatwerkvoorziening een advies van een deskundige uit het expertteam nodig is. 4. Het college merkt een aanvraag vergezeld van een ondersteuningsplan, dat naar oordeel van het college gedateerde of onvoldoende informatie bevat, aan als een melding.
T21.07502
Indien het onderzoek niet binnen de gestelde termijn van zes weken is uitgevoerd, heeft de inwoner de mogelijkheid om een aanvraag in te dienen voor maatschappelijke ondersteuning terwijl het onderzoek nog niet is afgerond. Een aanvraag voor een individuele voorziening voor inkomen door een jongere kan niet eerder worden gedaan dan nadat de zoektermijn van 4 weken is verstreken, tenzij bijzondere omstandigheden dit volgens de gemeente rechtvaardigen. In afwijking van het eerste lid kan de gemeente een ondertekend ondersteuningsplan als bedoeld in artikel 2.2.5 als een complete aanvraag voor een individuele voorziening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp beschouwen als dit uit het ondersteuningsplan blijkt. Voorwaarde hiervoor is wel dat het gesprek niet langer dan drie maanden geleden heeft plaatsgevonden. In afwijking van het eerste lid kan een aanvraag voor een individuele voorziening op het gebied van schulden ook mondeling worden ingediend tijdens het gesprek naar aanleiding van de melding.
Artikel 2.3.2 De beoordeling van de aanvraag 1. De gemeente betrekt de resultaten van het onderzoek als bedoeld in paragraaf 2.2 bij de beoordeling van de aanvraag. 2. Als het onderzoek als bedoeld in het eerste lid nog niet heeft plaatsgevonden, omdat de inwoner direct een aanvraag heeft ingediend, dan wordt dit onderzoek alsnog uitgevoerd. 3. Om te bepalen of de gemeente een individuele voorziening toekent volgt zij de volgende stappen: a. Stap 1: De gemeente stelt de hulpvraag vast; b. Stap 2: De gemeente stelt de problemen, beperkingen en/of stoornissen vast; c. Stap 3: De gemeente stelt de aard en omvang van de hulp die de inwoner nodig heeft vast; d. Stap 4: De gemeente stelt vast wat de inwoner zelf, al dan niet met gebruikelijke hulp, mantelzorg, het sociale netwerk en/of voorliggende (algemene) voorzieningen, kan doen; e. Stap 5: De gemeente stelt vast of en in hoeverre een individuele voorziening
4.
5.
noodzakelijk en passend is om het gewenste resultaat te bereiken. Afhankelijk van de aard en omvang van de ondersteuningsvraag kan de gemeente een (of meerdere) deskundige(n) om advies vragen als zij dit noodzakelijk acht voor het beoordelen van de aanvraag. Indien de gemeente gebruik maakt van de in het vierde lid genoemde mogelijkheid dan informeert zij de inwoner hier schriftelijk over.
Artikel 2:7 Artikel 2.3.2
Artikel 2:7 Expertteam Het college kan om advies van het expertteam vragen indien: 1. het college dit van belang vindt voor de beoordeling van de aanvraag voor een individuele voorziening; 2. het college een deskundig advies over de effectiviteit van de aangevraagde voorziening nodig acht; 3. het college dat om een andere reden gewenst vindt.
De mogelijkheid tot het inwinnen van deskundig advies is opgenomen in artikel 2.2.3, lid 5 en artikel 2.3.2, lid 4
Artikel 2.8 Artikel 2.4.1
Artikel 2:8 Beslistermijn
Paragraaf 2.4 Besluit
schuldhulpverlening De beschikking tot schuldhulpverlening of de afwijzing ervan, bedoeld in artikel 4a, eerste lid, van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, wordt zo spoedig mogelijk genomen echter uiterlijk binnen de wettelijke termijn van 8 weken na de dag waarop het eerste gesprek, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van die wet, heeft plaatsgevonden.
T21.07502
Artikel 2.4.1 Beslistermijn 1. De gemeente neemt haar besluit op een aanvraag om een individuele voorziening zo snel mogelijk, maar in elk geval: a. binnen de wettelijke termijn van 8 weken wanneer het gaat om een aanvraag om jeugdhulp, werk, inkomen of schulden; of b. binnen de wettelijke termijn van 2 weken wanneer het gaat om een aanvraag om maatschappelijke ondersteuning. 2. De gemeente kan afwijken van de in het eerste lid genoemde termijn door gebruik te maken van haar bevoegdheid de beslistermijn op te schorten indien sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 4:15 Awb. 3. De gemeente kan afwijken van de in het eerste lid genoemde termijn door gebruik te maken van haar bevoegdheid de beslistermijn te verlengen indien voorzienbaar is dat niet tijdig een besluit genomen kan worden onder vermelding van een nieuwe termijn waarbinnen het besluit wel genomen kan worden.
Artikel 2.4.2
Niet opgenomen in Verordening Sociaal Domein 2021
Artikel 2.4.2 Motivering Het besluit wordt gemotiveerd per brief aan de inwoner bekend gemaakt.
Artikel 2.4.3
Verspreid opgenomen in Verordening Sociaal Domein 2021 (o.a. artikel 2:4, lid 4 en artikel 5:7)
Artikel 2.4.3 Afwijking procedure 1. In spoedeisende gevallen biedt de gemeente zo spoedig mogelijk een passende tijdelijke voorziening ten behoeve van jeugdhulp, of vraagt de gemeente een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Jeugdwet. 2. In spoedeisende gevallen biedt de gemeente zo spoedig mogelijk een passende tijdelijke voorziening ten behoeve van maatschappelijke ondersteuning. De gemeente verstrekt de opdracht tot inzet van een dergelijke voorziening uiterlijk binnen vijf werkdagen aan de aanbieder. 3. In spoedeisende gevallen biedt de gemeente zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken, een passende tijdelijke voorziening ten behoeve van inkomen in de vorm van een voorschot. 4. Als een inwoner voor jeugdhulp door een arts, een Gecertificeerde Instelling of de reclassering is verwezen naar een door de gemeente gecontracteerde aanbieder zorgt de gemeente er in afwijking van de in dit hoofdstuk opgenomen procedure voor dat deze jeugdhulp wordt verstrekt. Op het moment dat de inzet door een Gecertificeerde Instelling of de reclassering is bepaald wordt er ook geen beschikking afgegeven. 5. De gemeente kan, met het oog op een efficiënte besluitvorming, afwijken van de onderzoeksprocedure zoals opgenomen in dit hoofdstuk indien de situatie voldoende duidelijk is om een gemotiveerd besluit te nemen.
T21.07502
Was-wordt-tabel Wijziging Hoofdstuk 3. Adviesraad Sociaal Domein Toelichting In de ‘nieuwe tekst’ zijn de woorden en zinnen waaraan iets verandert, cursief gezet. Weglatingen in de ‘oude tekst’ zijn doorgehaald. Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 3:1
Artikel 3:1 Begrippen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. Adviesraad: Adviesraad Sociaal Domein; b. Adviesraad Sociaal Domein: een onafhankelijk orgaan bestaande uit personen die vanuit de belangen en ervaringen van de verschillende doelgroepen het college adviseert over de voorbereiding en uitvoering van het beleid op het sociaal domein; c. De gemeenteraad van de gemeente Lansingerland, bestaande uit raadsleden en commissieleden; d. Sociaal domein: de beleidsterreinen behorende bij de Wet maatschappelijke ondersteuning, Participatiewet, Jeugdwet en aanpalende wetgeving.
Niet opgenomen in de herschreven versie
Artikel 3:2 Artikel 3.1.1
Artikel 3:2 Adviesraad Sociaal Domein Het college heeft, in het belang van haar goed functioneren, een adviesraad ten behoeve van het overleg met en de vertegenwoordiging van de in de gemeente woonachtige burgers.
Paragraaf 3.1 Algemeen
Artikel 3:3 Taak 1. De adviesraad is een onafhankelijk adviesorgaan dat het college gevraagd en ongevraagd advies geeft op het gebied van het sociaal domein. 2. De adviesraad heeft als taak om: a. het college te informeren en te adviseren over het gevoerde en nog te vormen beleid in het sociaal domein en de gemeente een onafhankelijke visie te bieden, gestoeld op de kennis en ervaring die vertegenwoordigd zijn in de adviesraad; b. alert te zijn op ontwikkelingen en knelpunten in het sociaal domein en in
Artikel 3.1.2 Taken 1. De adviesraad is een onafhankelijk adviesorgaan voor het gemeentelijke sociaal domein dat de gemeente gevraagd en ongevraagd advies geeft op het gebied van de beleidsterreinen behorende bij de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, Jeugdwet, Participatiewet, IOAW, IOAZ en aanpalende wet- en regelgeving. 2. De adviesraad heeft als taak om: a. de gemeente vanuit de belangen en ervaringen van de verschillende doelgroepen te informeren en te adviseren over het gevoerde en nog te vormen beleid in het sociaal domein en de gemeente een onafhankelijke visie te bieden, gestoeld op de
Artikel 3:3 Artikel 3.1.2
T21.07502
Artikel 3.1.1 Adviesraad Sociaal Domein 1. De gemeente heeft, in het belang van haar goed functioneren, een adviesraad voor het voeren van overleg met- en de vertegenwoordiging van haar inwoners. 2. De adviesraad draagt de naam: Adviesraad Sociaal Domein Lansingerland.
3.
4.
Artikel 3:4 Artikel 3.2.1
Artikel 3:5 Artikel 3.2.2
dat kader een actieve relatie te onderhouden met de diverse organisaties en doelgroepen in het sociaal domein. De adviesraad is niet bevoegd te adviseren over individuele klachten, bezwaarschriften en/of andere zaken die betrekking hebben op individuele burgers, tenzij deze een algemeen signaal representeren. De adviesraad stelt een huishoudelijk reglement vast waarin het praktisch functioneren wordt geregeld.
Artikel 3:4 Samenstelling adviesraad 1. De adviesraad bestaat uit gemiddeld twaalf (kandidaat)leden en een voorzitter. 2. De adviesraad heeft een dagelijks bestuur dat bestaat uit een voorzitter, een secretaris en een penningmeester, waarvan de voorzitter door het college wordt benoemd. 3. Leden moeten kennis, ervaring, affiniteit en/of betrokkenheid hebben met één of meer onderdelen (zoals doelgroepen en beleidsterreinen) op het gebied van het sociaal domein. 4. Leden zijn inwoner van de gemeente Lansingerland. 5. Leden nemen zitting in de adviesraad op persoonlijke titel en niet als vertegenwoordiger van een organisatie. 6. Leden moeten in staat zijn om onafhankelijk te adviseren zonder een eigen en/of organisatiebelang. 7. Het lidmaatschap van de adviesraad is onverenigbaar met het lidmaatschap van de gemeenteraad, de commissies van de gemeenteraad, of van het college.
Artikel 3:5 Benoeming 1. Werving van nieuwe leden vindt plaats door de adviesraad.
T21.07502
kennis en ervaring die vertegenwoordigd zijn in de adviesraad; en b. alert te zijn op ontwikkelingen en knelpunten in het sociaal domein en in dat kader een actieve relatie te onderhouden met de diverse organisaties en doelgroepen in het sociaal domein. 3. De adviesraad is niet bevoegd te adviseren over individuele klachten, bezwaarschriften en/of andere zaken die betrekking hebben op individuele burgers, tenzij deze een algemeen signaal representeren. 4. De adviesraad stelt een huishoudelijk reglement vast waarin het praktisch functioneren wordt geregeld.
Paragraaf 3.2 Leden Artikel 3.2.1 Samenstelling adviesraad 1. De adviesraad bestaat uit gemiddeld twaalf (kandidaat)leden en een voorzitter. 2. De adviesraad heeft een dagelijks bestuur dat bestaat uit een voorzitter, een secretaris en een penningmeester. 3. Leden moeten kennis, ervaring, affiniteit en/of betrokkenheid hebben met één of meer onderdelen (zoals doelgroepen en beleidsterreinen) op het gebied van het sociaal domein en moeten gezamenlijk alle onderdelen van het sociaal domein kunnen vertegenwoordigen. 4. Leden zijn inwoner van de gemeente Lansingerland. 5. Leden nemen zitting in de adviesraad op persoonlijke titel en niet als vertegenwoordiger van een organisatie. 6. Leden moeten in staat zijn om onafhankelijk te adviseren zonder een eigen en/of organisatiebelang. 7. Het lidmaatschap van de adviesraad is onverenigbaar met het lidmaatschap van de gemeenteraad, de commissies van de gemeenteraad, of van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lansingerland. Artikel 3.2.2 Benoeming 1. Werving van nieuwe leden vindt plaats door de adviesraad.
2.
3.
4.
5.
6.
Artikel 3:6 Artikel 3.2.3
De leden van de adviesraad en de voorzitter worden na een openbare sollicitatieprocedure en op voordracht van de adviesraad benoemd door het college. Het dagelijks bestuur van de adviesraad motiveert de voordracht van kandidaatleden aan het college. Wanneer het college besluit de benoeming van een voorgedragen lid van de adviesraad niet over te nemen, zal zij dit schriftelijk motiveren aan het dagelijks bestuur van de adviesraad. Leden kunnen op twee momenten per jaar benoemd worden, te weten op 1 januari en op 1 juli van elk kalenderjaar. De adviesraad draagt een kandidaat uiterlijk een maand voor de beoogde benoemingsdatum voor. De zittingsduur van de leden bedraagt 4 jaar. Een lid kan slechts één keer worden herbenoemd voor een periode van 4 jaar.
Artikel 3:6 Aftreden 1. Het lidmaatschap van de adviesraad eindigt: a. op eigen verzoek; b. bij verhuizing buiten de gemeente Lansingerland; c. bij overlijden; d. na het verstrijken van de zittingsduur van de periode van 4 jaar behoudens herbenoeming; e. bij toetreding tot de gemeenteraad en/of toetreding tot de commissie als (plaatsvervangend) commissielid, of het college dan wel wanneer het lid niet (meer) in staat is om onafhankelijk te adviseren zonder een eigen en/of organisatiebelang; f. na een ontslagbesluit van het college. 2. Bij beëindiging van een lidmaatschap informeert de adviesraad schriftelijk het college. 3. Bij disfunctioneren of langdurig ziekteverzuim van een van de leden kan het dagelijks bestuur van de adviesraad een daartoe strekkend voorstel doen bij het college om het lidmaatschap van het lid op te zeggen. 4. De adviesraad draagt zorg voor een rooster van aftreden. Dit rooster is zodanig dat er
T21.07502
2.
3.
4.
5. 6.
De leden van de adviesraad en de voorzitter worden na een openbare sollicitatieprocedure en op voordracht van de adviesraad benoemd door de gemeente. Het dagelijks bestuur van de adviesraad motiveert de voordracht van kandidaat-leden aan de gemeente. Wanneer de gemeente besluit de benoeming van een voorgedragen lid van de adviesraad niet over te nemen, zal zij dit schriftelijk motiveren aan het dagelijks bestuur van de adviesraad. Leden kunnen op twee momenten per jaar benoemd worden, te weten op 1 januari en op 1 juli van elk kalenderjaar. De adviesraad draagt een kandidaat uiterlijk een maand voor de beoogde benoemingsdatum voor. De zittingsduur van de leden bedraagt 4 jaar. Een lid kan één keer worden herbenoemd voor een periode van 4 jaar.
Artikel 3.2.3 Aftreden 1. Het lidmaatschap van de adviesraad eindigt: a. op eigen verzoek; b. bij verhuizing buiten de gemeente Lansingerland; c. bij overlijden; d. na het verstrijken van de zittingsduur van de periode van 4 jaar behoudens herbenoeming; e. bij toetreding tot de gemeenteraad en/of toetreding tot de commissie als (plaatsvervangend) commissielid, of het college van burgemeester en wethouders dan wel wanneer het lid niet (meer) in staat is om onafhankelijk te adviseren zonder een eigen en/of organisatiebelang; of f. na een ontslagbesluit van de gemeente. 2. Bij beëindiging van een lidmaatschap informeert de adviesraad schriftelijk de gemeente. 3. Bij disfunctioneren of langdurig ziekteverzuim van een van de leden kan het dagelijks bestuur van de adviesraad een voorstel doen bij de gemeente om het lidmaatschap van het lid op te zeggen. 4. De adviesraad draagt zorg voor een rooster van aftreden. Dit rooster is zodanig dat er voldoende basiskennis geborgd blijft om de continuïteit van het functioneren van de adviesraad te waarborgen. Dit rooster van aftreden wordt opgenomen in het huishoudelijk reglement.
voldoende basiskennis geborgd blijft om de continuïteit van het functioneren van de adviesraad te waarborgen. Dit rooster van aftreden wordt opgenomen in het huishoudelijk reglement. Artikel 3:7 Artikel 3.3.1
Artikel 3:8 Artikel 3.3.2
Artikel 3:7 Openbaarheid vergaderingen 1. De adviesraad vergadert in principe minimaal zes keer per jaar. De vergaderingen van de adviesraad zijn openbaar. De deuren worden gesloten wanneer tenminste drie van de aanwezige leden daarom verzoeken of de voorzitter dit als nodig oordeelt. De adviesraad besluit vervolgens of met gesloten deuren zal worden vergaderd. 2. Het dagelijks bestuur van de adviesraad vergadert in principe minimaal zes keer per jaar. De vergaderingen van het dagelijks bestuur zijn niet openbaar. 3. Ten minste twee maal per jaar vindt een overlegvergadering plaats met de portefeuillehouder(s) van het sociaal domein. Deze overlegvergadering wordt voorgezeten door de voorzitter van de adviesraad.
Paragraaf 3.3 Leden
Artikel 3:8 Advisering 1. Het college voorziet de adviesraad van alle gemeentelijke informatie die nodig is voor zijn functioneren en betrekt de adviesraad in een vroegtijdig stadium bij de ontwikkeling van nieuw beleid. 2. Het college kan onderwerpen middels een schriftelijke adviesaanvraag voorleggen aan de adviesraad. In de aanvraag wordt expliciet vermeld over welke punten advies wordt gevraagd. 3. De adviesraad brengt binnen drie weken na ontvangst van de adviesaanvraag schriftelijk advies uit aan het college. Deze termijn kan worden verlengd, in overleg met de betrokken ambtenaar, tot zes weken indien het gaat om een beleidsvraag van grotere omvang, complex beleid en/of nieuw beleid. 4. Voorafgaande aan het uitbrengen van het advies kan (op verzoek van de adviesraad) de betrokken ambtenaar toelichting geven over lopend beleid, de invloed van nieuw
Artikel 3.3.2 Advisering 1. De gemeente voorziet de adviesraad van alle gemeentelijke informatie die nodig is voor zijn functioneren en betrekt de adviesraad in een vroegtijdig stadium bij de ontwikkeling van nieuw beleid. 2. De gemeente kan onderwerpen middels een schriftelijke adviesaanvraag voorleggen aan de adviesraad. In de aanvraag wordt expliciet vermeld over welke punten advies wordt gevraagd. 3. De adviesraad brengt binnen drie weken na ontvangst van de adviesaanvraag schriftelijk advies uit aan de gemeente. Deze termijn kan worden verlengd, in overleg met de betrokken ambtenaar, tot zes weken indien het gaat om een beleidsvraag van grotere omvang, complex beleid en/of nieuw beleid. 4. Voorafgaande aan het uitbrengen van het advies kan (op verzoek van de adviesraad) de betrokken ambtenaar toelichting geven over lopend beleid, de invloed van nieuw (rijks)beleid en/of over plannen van de gemeente op het gebied van het sociaal domein.
T21.07502
Artikel 3.3.1 Openbaarheid vergaderingen 1. De adviesraad vergadert in principe minimaal zes keer per jaar. De vergaderingen van de adviesraad zijn openbaar. De deuren worden gesloten wanneer tenminste drie van de aanwezige leden daarom verzoeken of de voorzitter dit als nodig oordeelt. De adviesraad besluit vervolgens of met gesloten deuren zal worden vergaderd. 2. Het dagelijks bestuur van de adviesraad vergadert in principe minimaal zes keer per jaar. De vergaderingen van het dagelijks bestuur zijn niet openbaar. 3. Ten minste twee maal per jaar vindt een overlegvergadering plaats met de portefeuillehouder(s) van het sociaal domein. Deze overlegvergadering wordt voorgezeten door de voorzitter van de adviesraad.
5.
6.
(rijks)beleid en/of over plannen van het college op het gebied van het sociaal domein. Het college geeft binnen een redelijke termijn een schriftelijke reactie aan de adviesraad op een aan het college uitgebracht advies. Indien het college het advies van de adviesraad niet overneemt, deelt het college dat schriftelijk en gemotiveerd mee aan de adviesraad. Wanneer het een voorstel aan de gemeenteraad betreft, neemt het college deze afwijking en motivatie op in het raadsvoorstel.
5.
6.
De gemeente geeft binnen een redelijke termijn een schriftelijke reactie aan de adviesraad op een aan de gemeente uitgebracht advies. Indien de gemeente het advies van de adviesraad niet overneemt, deelt de gemeente dat schriftelijk en gemotiveerd mee aan de adviesraad. Wanneer het een voorstel aan de gemeenteraad betreft, neemt de gemeente deze afwijking en motivatie op in het raadsvoorstel.
Artikel 3:8a Artikel 3.3.3
Artikel 3:8a Geheimhouding 1. Het college verstrekt de adviesraad informatie onder de verplichting tot geheimhouding. 2. De verplichting tot geheimhouding vervalt niet door beëindiging van het lidmaatschap van de adviesraad. 3. De verplichting tot geheimhouding eindigt in ieder geval wanneer de betreffende informatie openbaar wordt gemaakt.
Artikel 3.3.3 Geheimhouding 1. De gemeente verstrekt de adviesraad informatie onder de verplichting tot geheimhouding. 2. De verplichting tot geheimhouding vervalt niet door beëindiging van het lidmaatschap van de adviesraad. 3. De verplichting tot geheimhouding eindigt in ieder geval wanneer de betreffende informatie openbaar wordt gemaakt.
Artikel 3:9 Artikel 3.3.4
Artikel 3:9 Budget en faciliteiten 1. Voor het uitvoeren van de taken van de adviesraad vraagt de adviesraad subsidie aan bij de gemeente. Subsidie is bedoeld voor: a. het faciliteren van de adviesfunctie; b. de kosten van deskundigheidsbevordering; c. de kosten voor onderzoek en raadpleging; d. het inhuren van secretariële ondersteuning en/of verslaglegging. 2. De subsidie is inclusief de vacatiegelden van de leden, welke door de penningmeester aan de leden wordt uitbetaald. 3. Over de besteding van de subsidie als bedoeld in het eerste lid onder a t/m d wordt jaarlijks door de adviesraad voor 1 juni verantwoording afgelegd in een financieel jaarverslag. In het jaarverslag wordt tevens aandacht besteed aan het functioneren van de adviesraad.
Artikel 3.3.4 Budget en faciliteiten 1. Voor het uitvoeren van de taken van de adviesraad vraagt de adviesraad subsidie aan bij de gemeente. De subsidie is bedoeld voor: a. het faciliteren van de adviesfunctie; b. de kosten van deskundigheidsbevordering; c. de kosten voor onderzoek en raadpleging; en d. het inhuren van secretariële ondersteuning en/of verslaglegging. 2. De subsidie is inclusief de vacatiegelden van de leden, welke door de penningmeester aan de leden wordt uitbetaald. 3. Over de besteding van de subsidie als bedoeld in het eerste lid onder a t/m d wordt jaarlijks door de adviesraad voor 1 juni verantwoording afgelegd in een financieel jaarverslag. In het jaarverslag wordt tevens aandacht besteed aan het functioneren van de adviesraad. 4. Vergaderzalen in het gemeentehuis worden kosteloos ter beschikking gesteld voor vergaderingen van de adviesraad binnen de
T21.07502
4.
5.
Artikel 3:10 Artikel 3.3.5
Vergaderzalen in het gemeentehuis worden kosteloos ter beschikking gesteld voor vergaderingen van de adviesraad binnen de gebruikelijke openingstijden van het gemeentehuis. Indien er subsidiegeld overblijft wordt dit teruggevorderd door de gemeente, of verrekend met de subsidie van het daaropvolgende jaar.
Artikel 3:10 Slotbepalingen 1. Wijziging of intrekking van deze verordening kan alleen nadat de adviesraad daarover advies heeft gegeven. 2. In gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college, na daartoe advies te hebben ingewonnen van deze adviesraad. 3. Opheffing van de adviesraad kan slechts geschieden bij besluit van burgemeester en wethouders, na het horen van de adviesraad.
T21.07502
5.
gebruikelijke openingstijden van het gemeentehuis. Indien er subsidiegeld overblijft wordt dit teruggevorderd door de gemeente, of verrekend met de subsidie van het daaropvolgende jaar.
Artikel 3.3.5 Slotbepalingen 1. Wijziging of intrekking van deze verordening kan alleen nadat de adviesraad daarover advies heeft gegeven. 2. In gevallen waarin dit hoofdstuk niet voorziet, beslist de gemeente, na daartoe advies te hebben ingewonnen van de adviesraad. 3. Opheffing van de adviesraad kan alleen door een besluit van de gemeente, na het horen van de adviesraad.
Was-wordt-tabel Wijziging Hoofdstuk 4 Maatschappelijke ondersteuning Toelichting In de ‘nieuwe tekst’ zijn de woorden en zinnen waaraan iets verandert, cursief gezet. Weglatingen in de ‘oude tekst’ zijn doorgehaald.
Artikel 4.1.1
Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Niet opgenomen in Verordening Sociaal Domein 2021
Paragraaf 4.1 Procedure Artikel 4.1.1 Melding Een melding als bedoeld in artikel 2.3.2 Wmo 2015, wordt ingediend op de manier zoals beschreven in artikel 2.1.1.
Artikel 4.1.2
Niet opgenomen in Verordening Sociaal Domein 2021, deels te vinden in artikel 4:5
Artikel 4.1.2 Onderzoek 1. Het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 Wmo 2015 wordt uitgevoerd op de manier zoals beschreven in paragraaf 2.2. 2. De gemeente is ook bevoegd om onderzoek te doen naar de mogelijke beschikbaarheid van gebruikelijke hulp door huisgenoten en daarvoor huisgenoten van de inwoner uit te nodigen of te laten onderzoeken door een (of meerdere) deskundige(n), voor zover dit noodzakelijk is voor de vaststelling van het recht op een maatwerkvoorziening. 3. Als de inwoner aangeeft een Pgb te willen ontvangen dan is de gemeente ook bevoegd om onderzoek te doen naar de beoogde ondersteuningsverlener/leverancier. 4. Als de inwoner een derde als Pgb-beheerder wil machtigen, dan zal de gemeente deze Pgbbeheerder in het onderzoek betrekken en daarmee minstens eenmaal een gesprek voeren voordat over het verzoek tot verstrekking van een voorziening in de vorm van een Pgb wordt beslist.
Artikel 4.1.3
Niet opgenomen in Verordening Sociaal Domein 2021
Artikel 4.1.3 Aanvraag Een aanvraag als bedoeld in artikel 2.3.5 Wmo 2015, wordt ingediend op de manier zoals beschreven in artikel 2.3.1.
Artikel 4.1.4
Artikel 4:6 Beschikking
Artikel 4.1.4 Beschikking
Zie wijzigingen bij artikel 4:6
Zie wijzigingen bij artikel 4:6
Niet opgenomen in Verordening Sociaal Domein 2021
Artikel 4.1.5 Afwijking procedure
Artikel 4.1.5
T21.07502
De gemeente kan op basis van artikel 2.4.3 afwijken van de in deze paragraaf beschreven procedure. Artikel 4:1
Paragraaf 4.1 Bepalingen
Niet opgenomen in de herschreven versie
Artikel 4:1 Begrippen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening (dienst, activiteit of andere maatregel) waarvan, gelet op de omstandigheden, aannemelijk is dat de inwoner daarover, ook als hij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken; b. bijdrage in de kosten: bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4 en 2.1.4a van de wet; c. maatwerkvoorziening: op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen: 1. ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen, 2. ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen, 3. ten behoeve van beschermd wonen en opvang; d. meerkosten: kosten die uitgaan boven de kosten die als algemeen gebruikelijk zijn te beschouwen; e. uitvoeringsbesluit: Uitvoeringsbesluit Wmo; f. wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Artikel 4:2
T21.07502
Artikel 4:2 Overige Alle begrippen die in dit hoofdstuk worden gebruikt en niet nader worden omschreven
Niet opgenomen in de herschreven versie
hebben dezelfde betekenis als in de Wet maatschappelijke ondersteuning, het Uitvoeringsbesluit maatschappelijke ondersteuning en de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 4.3.1
Niet opgenomen in Verordening Sociaal Domein 2021
Paragraaf 4.3 Voorwaarden maatwerkvoorziening Artikel 4.3.1 Beschikbare maatwerkvoorzieningen De volgende maatwerkvoorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: a. Huishoudelijke hulp; b. Begeleiding individueel; c. Begeleiding groep; d. Vervoersvoorzieningen; e. Woonvoorzieningen; en f. Hulpmiddelen.
Artikel 4:3 Artikel 4.3.2
Paragraaf 4.2 Procedure Artikel 4:3 Criteria voor maatwerkvoorziening 1. Een inwoner komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid of participatie: a. ter compensatie van de beperkingen, chronische, psychische, fysieke of psychosociale problemen, als gevolg waarvan de inwoner niet voldoende in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en voor zover de inwoner deze beperkingen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen; b. als de maatwerkvoorziening, rekening houdend met de uitkomsten van het in het hoofdstuk twee bedoelde onderzoek, een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de inwoner in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. 2. Tijdens een onderzoek naar de inzet van een maatwerkvoorziening wordt eerst onderzocht of de gewenste resultaten behaald kunnen worden a. op eigen kracht; b. met gebruikelijke hulp; c. met mantelzorg;
T21.07502
Artikel 4.3.2 Uitgangspunten 1. Een inwoner komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid of participatie: a. ter compensatie van de beperkingen, chronische, psychische, fysieke of psychosociale problemen, als gevolg waarvan de inwoner niet voldoende in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en voor zover de inwoner deze beperkingen niet zelf kan verminderen of wegnemen; b. als de maatwerkvoorziening, rekening houdend met de uitkomsten van het in het hoofdstuk twee bedoelde onderzoek, een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de inwoner in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. 2. Maatwerkvoorzieningen die worden verstrekt dienen de goedkoopst passende maatwerkvoorziening(en) te zijn en zijn niet bedoeld om de inwoner in een gunstigere situatie te plaatsen dan wanneer hij geen beperkingen, chronische, psychische, fysieke of psychosociale problemen zou hebben. 3. Maatwerkvoorzieningen die worden verstrekt dienen veilig te zijn voor de inwoner en zijn omgeving en mogen niet anti-revaliderend werken.
d.
3. 4.
Artikel 4:4 Artikel 4.3.3
T21.07502
met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; e. met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen; f. met gebruikmaking van algemene voorzieningen; g. met gebruikmaking van andere voorzieningen. Voorzieningen die worden verstrekt dienen de goedkoopst passende voorziening te zijn. Een inwoner komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening voor de periode die noodzakelijk is om het gewenste resultaat te bereiken.
Artikel 4:4 Voorwaarden en weigeringsgronden 1. Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt: a. indien de hulpvrager geen inwoner is van de gemeente Lansingerland; een uitzondering hierop vormen inwoners die hun laatste woonadres in Lansingerland hebben, maar (tijdelijk) gebruik maken van vrouwenopvang of een vorm van maatschappelijke opvang; b. voor zover voor de noodzaak tot ondersteuning een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat; c. voor zover de inwoner op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk de beperkingen kan wegnemen; d. voor zover de inwoner met gebruikmaking van algemene voorzieningen de beperkingen kan wegnemen; e. indien de voorziening algemeen gebruikelijk is; f. indien er een voorliggende voorziening is; g. indien het een voorziening betreft waarover de inwoner al beschikt of kan beschikken vóór de melding tenzij er alsnog melding is gedaan binnen 30 dagen nadat er over de voorziening wordt beschikt of kan worden beschikt en de noodzaak van de voorzieningen redelijkerwijs nog is vast te stellen;
4.
5.
Met de maatwerkvoorziening(en) wordt de inwoner in staat gesteld tot een aanvaardbaar niveau van maatschappelijke participatie. Een inwoner komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening voor de periode die noodzakelijk is om het gewenste resultaat te bereiken.
Artikel 4.3.3 Weigeringsgronden 1. Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt: a. als de hulpvrager geen inwoner is van de gemeente Lansingerland; b. voor zover de inwoner op eigen kracht, met gebruikelijke hulp van huisgenoten, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk de beperkingen kan wegnemen; c. voor zover voor de noodzaak tot ondersteuning een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat, waardoor sprake is van een voorliggende voorziening; d. voor zover voor de noodzaak tot ondersteuning in redelijkheid aanspraak kan worden gemaakt, of had kunnen worden gemaakt, op een uitkering door een letselschadeverzekeraar; e. voor zover de inwoner de beperking weg kan nemen met een voorziening die in de reguliere handel vrij verkrijgbaar is, niet speciaal voor mensen met een beperking is ontworpen en niet aanzienlijk duurder is dan een vergelijkbaar product met hetzelfde doel (passend in een normaal aanschaffingspatroon bij een gelijke financiële positie) en daarmee voor de inwoner algemeen gebruikelijk is om over te (kunnen) beschikken; f. als het een voorziening betreft waarover de inwoner al beschikt vóór de melding tenzij er alsnog een melding is gedaan binnen 30 dagen nadat er over de voorziening wordt beschikt of kan worden beschikt en de noodzaak van de voorzieningen redelijkerwijs nog is vast te stellen;
h. indien de gevraagde voorziening al eerder op grond van een wettelijke bepaling of regeling is verstrekt en de afschrijftermijn nog niet verstreken is; i. indien de inwoner, na onderzoek, nalatigheid en onverantwoordelijk handelen kan worden verweten, in het gebruik van een geboden voorziening. j. indien een inwoner zijn behoefte aan maatschappelijke ondersteuning redelijkerwijs van te voren had kunnen voorzien en met zijn beslissing had kunnen voorkomen. 2. Geen maatwerkvoorziening in de vorm van een woonvoorziening wordt verstrekt: a. voor zover de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen; b. ten behoeve van hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen, ADLclusterwoningen en gehuurde kamers, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting; c. voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft, anders dan voorzieningen ten behoeve van de toegankelijkheid van deze ruimte; d. indien de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor verhuizing aanwezig is; e.
indien de inwoner niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college; f. Indien de aanvraag voorzienbaar was op basis van de beperking die inwoner ondervindt. 3. Als er meerdere adequate voorzieningen zijn waarmee inwoner in zijn vervoersbehoefte kan voorzien, dan wordt er gekozen voor de goedkoopste. Het T21.07502
g.
als er geen langdurige noodzaak voor het verstrekken van de voorziening aanwezig is, tenzij het gaat om hulp bij het huishouden of begeleiding; h. voor zover de inwoner met gebruikmaking van algemene voorzieningen de beperkingen kan wegnemen; i. als de gevraagde voorziening al eerder op grond van de Wmo 2015 of een andere wettelijke bepaling of regeling is verstrekt en de afschrijftermijn nog niet verstreken is, tenzij de inwoner hiervan geen verwijt kan worden gemaakt; j. als een inwoner zijn behoefte aan maatschappelijke ondersteuning redelijkerwijs van te voren had kunnen voorzien en met zijn beslissing had kunnen voorkomen; of k. als de inwoner of een derde niet of onvoldoende meewerkt aan het onderzoek als bedoeld in artikel 4.1.2 terwijl deze medewerking noodzakelijk is voor de beoordeling van het recht op de voorziening. 2. In aanvulling op de in het eerste lid genoemde weigeringsgronden wordt geen maatwerkvoorziening in de vorm van een woonvoorziening verstrekt: a. voor zover de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen; b.
als de inwoner daar niet zijn (toekomstig) hoofdverblijf heeft, tenzij het gaat om het bezoekbaar maken van de echtelijke woning of het ouderlijk huis van een inwoner die in een Wlz instelling zijn hoofdverblijf heeft en de inwoner deze woning voor een lange periode frequent zal gaan bezoeken, de persoonlijke verzorging van de inwoner is geregeld en de aanpassing(en) bouwtechnisch eenvoudig zijn te realiseren. c. voor hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen, ADL-clusterwoningen en gehuurde kamers, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting voor een andere woning; d. voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft, anders dan voorzieningen ten behoeve van de toegankelijkheid van deze ruimte;
primaat hierbij ligt bij de collectieve vervoersvoorziening.
3.
e. als de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor verhuizing aanwezig is; f. als de inwoner niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door de gemeente; Als er meerdere adequate voorzieningen zijn waarmee inwoner in zijn vervoersbehoefte kan voorzien, dan ligt het primaat bij de collectieve vervoersvoorziening.