[I25.17855] Ruimtelijke onderbouwing voor Noordeindseweg ten noorden van nr 57.
Tekst van het document
2.1
Uitvoering onderzoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 1 december 2022 en is uitgevoerd door ing. B.C.E. Vleeshouwers. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 0/8 bewolkt, 70 Celsius en windkracht 1 (Bft). Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). In NDFF wordt normaliter hierbij een straal van 2 km aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
2.2
Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.5) en Andere soorten (Wnb art. 3.10). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij overtreding van een verbodsbepaling geldt een ontheffingsplicht.
Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1) 1.
Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen.
2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
8
BLOM A ECOLOGIE
Habitatrichtlijn (Wnb art. 3.5) 1.
Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.
2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Andere soorten (Wnb art. 3.10) 1.
Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Vogelrichtlijn Onder de Vogelrichtlijn zijn alle in gebruik zijnde nesten en broedgevallen van vogels beschermd. Het is van alle vogelsoorten verboden om nesten te beschadigen of te vernielen. Daarnaast gelden onder provinciale aanwijzingen categorieën waarin de nesten en rustplaatsen van specifieke vogelsoorten jaarrond bescherming genieten, dus ook in de periode dat deze niet in gebruik zijn. Rustplaatsen zijn conform de Richtsnoeren van de Europese Commissie gedefinieerd als zijnde essentiële zones voor het bestaan van een dier of groep van dieren wanneer ze niet-actief zijn.
Tabel2.1
Vogelsoorten onder categorie 1 t/m 4: nesten en rustplaatsen jaarrond beschermd. Vogelsoorten onder categorie 5: nesten en rustplaatsen jaarrond beschermd, indien er sprake is van ecologisch zwaarwegende redenen.
Vogelsoorten onder categorie 1 t/m 4 Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart
Havik Huismus Kerkuil Oehoe
Ooievaar Ransuil Roek Slechtvalk
Sperwer Steenuil Wespendief Zwarte wouw
Kleine bonte specht Kleine vliegenvanger Koolmees Kortsnavelboomkruiper Oeverzwaluw Pimpelmees Raaf Ruigpootuil Spreeuw
Tapuit Torenvalk Zeearend Zwarte kraai Zwarte mees Zwarte roodstaart Zwarte specht
Vogelsoorten onder categorie 5 Blauwe reiger Boerenzwaluw Bonte vliegenvanger Boomklever Boomkruiper Bosuil Brilduiker Draaihals Eidereend
Ekster Gekraagde roodstaart Glanskop Grauwe vliegenvanger Groene Specht Grote bonte specht Hop Huiszwaluw Ijsvogel
9
BLOM A ECOLOGIE
In de Omgevingsverordening van de Provincie Zuid-Holland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel2.2
Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie ZuidHolland.
Vrijgestelde soorten
Aardmuis
Gewone bosspitsmuis
Ree
Bastaardkikker
Gewone pad
Rosse woelmuis
Bosmuis
Haas
Veldmuis
Bruine kikker
Hermelijn
Vos
Bunzing
Huisspitsmuis
Wezel
Dwergmuis
Kleine watersalamander
Woelrat
Dwergspitsmuis
Konijn
Egel
Meerkikker
2.3 Gebiedsbescherming In Nederland zijn natuurgebieden aangewezen met een beschermde status. Deze natuurgebieden betreffen hoofdzakelijk Natura 2000-gebieden en provinciaal beschermde gebieden.
Natura 2000-gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn.
Provinciaal beleid Onderstaande teksten zijn gebaseerd op de meest recente versie van de Omgevingsverordening.
Natuurnetwerk Nederland Binnen het Natuurnetwerk Nederland, onderverdeeld in bestaande en nieuwe natuur, waternatuur en ecologische verbindingen, geldt het 'nee, tenzij'-principe. Het uitgangspunt is dat een bestemmingsplan geen nieuwe activiteiten mogelijk maakt die de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden significant beperken, of leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van die gebieden. Mocht een ontwikkeling wel negatieve gevolgen hebben op de bovengenoemde aspecten, is deze ontwikkeling alleen mogelijk als er geen reële alternatieven zijn en de negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarde, oppervlakte, kwaliteit en samenhang van het Natuurnetwerk Nederland worden beperkt en de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd. Voor dergelijke ontwikkelingen dient tevens een ontheffing voorhanden te zijn. In de provincie Zuid-Holland valt het Natuurnetwerk Nederland onder beschermingscategorie 1.
Bescherming van de ruimtelijke kwaliteit Provincie Zuid-Holland heeft gebieden aangewezen met speciale bescherming van de ruimtelijke kwaliteit. Deze bescherming is opgedeeld in beschermingscategorie 1 en beschermingscategorie 2.
10
BLOM A ECOLOGIE
Beschermingscategorie 1 Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 1 kan niet voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling die leidt tot een wijziging van de bestaande gebiedsidentiteit op structuurniveau, of welke leidt tot het transformeren van de bestaande gebiedsidentiteit, tenzij het gaat om de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur of om een in het Programma ruimte uitgezonde ruimtelijke ontwikkeling of een zwaarwegend algemeen belang en voort wordt voldaan aan gestelde voorwaarden. De gebieden met betrekking tot natuur binnen beschermingscategorie 1 betreffen Natuurnetwerk Nederland en Beschermd grasland in de Bollenstreek.
Beschermingscategorie 2 Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 2 kan niet voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling die leidt tot het transformeren van de bestaande gebiedsidentiteit, tenzij het gaat om de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur of om een in het Programma ruimte uitgezonde ruimtelijke ontwikkeling of een zwaarwegend algemeen belang en voort wordt voldaan aan gestelde voorwaarden. De gebieden met betrekking tot natuur binnen beschermingscategorie 2 betreffen Belangrijk weidevogelgebied en de Groene buffer.
2.4
Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft (Wnb art.
4.1): a) houtopstanden binnen de door gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.
2.5
Houdbaarheid en toepassing De beoogde ruimtelijke ingreep wordt getoetst aan de actuele wetgeving en provinciale verordening. Over het algemeen heeft een quickscan Wet natuurbescherming een houdbaarheid van 3 jaar, mits binnen deze periode de omstandigheden op de planlocatie, de wetgeving en de provinciale verordening niet wezenlijk veranderen.
11
BLOM A ECOLOGIE
3 Beoordeling 3.1
Soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt.
Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde planten niet bekend (NDFF 2012-2022). De planlocatie betreft een paarden wei met bosschage langs de Noordersingel. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: Engels raaigras, es, gewone brandnetel, gewone esdoorn, meidoorn, wilde peen. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek. Hiermee kan worden uitgesloten dat er sprake is van het opzettelijk vernielen van beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied.
Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: bosmuis, bruine rat, bunzing, dwergmuis, egel, haas, hermelijn, huismuis, huisspitsmuis, konijn, mol, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat (NDFF 2012-2022). Voor al deze soorten geldt dat ze niet beschermd zijn of dat er vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name bosmuis, dwergmuis, egel, konijn en mol. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Omgevingsverordening van de provincie vallen (zie Wnb art. 3.10). Er worden bij de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling mogelijk enkele bomen gekapt. Er is ten aanzien van grondgebonden zoogdieren geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming.
Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: Gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis en watervleermuis (NDFF 2012-2022). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd (Wnb art. 3.5). Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat. Ongeacht de mogelijke aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen kunnen vleermuizen gebruikmaken van de planlocatie tijdens vliegbewegingen en foerageeractiviteiten. Hier dienen in het kader van de algemene zorgplicht mogelijk maatregelen genomen te worden (zie H5.4).
12
BLOM A ECOLOGIE
Op de planlocatie zijn alle bomen geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten, loshangende bastdelen, scheuren, spleten of andere openingen welke kunnen dienen als verblijfplaats. In de bomen op en nabij de planlocatie zijn geen boomholten of andere potentiële verblijfplaatsen aangetroffen. Er worden mogelijk bomen gekapt in de beoogde ruimtelijke ingreep. De ontwikkeling resulteert derhalve niet in het wegnemen van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. Er is geen bebouwing aanwezig op de planlocatie. De ontwikkeling resulteert derhalve niet in het wegnemen van verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen. Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. Er worden mogelijk enkele bomen gekapt en binnen de voorgenomen ruimtelijke ingreep. Er is langs de Noordersingel een structuur van bomenrijen, welke gebruikt kunnen worden door vleermuizen als mogelijke vliegroute en/of foerageergebied. Deze bomenrijen bevinden zich echter buiten het plangebied. De bosschage is geen onderdeel van een essentiële verbinding naar potentiële foerageergebieden. Ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep wordt deze structuur niet aangetast.
In de omgeving zijn vergelijkbare bosschages en weilanden die kunnen dienen als foerageer gebied voor vleermuizen. Derhalve is het uit te sluiten dat de planlocatie een essentiële functie heeft als vliegroute en/of foerageergebied voor vleermuizen.
Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: Alpenwatersalamander, bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, Italiaanse kamsalamander, kikker, meerkikker (NDFF 2012-2022). Voor de Alpenwatersalamander geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Amfibieën leven zowel in een aquatisch als terrestrische omgeving. Deze omgevingen betreffen voortplantingswater, foerageergebieden en overwinteringsstructuren. Deze habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. Van de Alpenwatersalamander zijn op 980 meter ten zuidoosten van de planlocatie drie waarnemingen bekend. Deze waarnemingen betreffen tuintellingen. Tussen de locatie van de waarnemingen en de planlocatie bevindt zich bebouwing, straten en de Noordeindsevaart. De Noordeindsevaart is geen geschikt leefgebied voor de Alpenwatersalamander, omdat de stroming te sterk is en de vaart te diep is (Ravon). Langs beiden kanten van de vaart is volledige beschoeiing aangebracht, hierdoor kan de Alpenwatersalamander niet uit de vaart klimmen. De Alpenwatersalamander vermijdt diepere wateren die rijk zijn aan grote (roof)vissen (NDFF 2012-2022).
De sloten bij de planlocatie zijn grotendeels begroeid met eendenkroos en het zonlicht wordt door de ligging al grotendeels door de aanwezige bomenrij afgebroken, hierdoor bereikt het zonlicht nauwelijks het water (zie foto in bijlage). Voor de meeste amfibieënsoorten, waaronder de Alpenwatersalamander, is het essentieel dat er voldoende licht in de het water komt. De slootkanten op de planlocatie zijn vrij stijl en overwoekerd met planten, hierdoor zijn de sloten ongeschikt leefgebied voor de Alpenwatersalamander. Derhalve is het uitgesloten dat de Alpenwatersalamander binnen de planlocatie en de directe omgeving voorkomt. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad voorkomen op de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Er is ten aanzien van amfibieën geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming.
13
BLOM A ECOLOGIE
Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van inheemse reptielen niet bekend (NDFF 2012-2022). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. Door de afwezigheid van structuurrijke biotopen en de hoge mate van menselijke verstoring is het voorkomen van beschermde reptielen binnen het plangebied uitgesloten. Er is ten aanzien van reptielen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming.
Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 2012 2022). Mogelijk leiden de beoogde werkzaamheden (tijdelijk) tot verstoringen (geluid/trillingen), echter zijn er in de watergangen voldoende uitwijkmogelijkheden voorhanden buiten de verstoringszone. Aanvullende maatregelen in het kader van de algemene zorgplicht zijn niet noodzakelijk. Er is ten aanzien van vissen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming.
Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de grote vos (NDFF 2012-2022). Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Er is ten aanzien van insecten en andere ongewervelden geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming.
Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: fazant, kauw, meerkoet, merel, waterhoen en wilde eend. Gedurende het veldbezoek zijn geen individuen, nesten en sporen aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestlocatie en/of leefgebied. Binnen een straal van 100 meter van de planlocatie is vastgestelde aanwezigheid van nestlocaties van jaarrond beschermde vogels niet bekend (NDFF 2012-2022).
Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Huismussen zijn sterk geassocieerd met mensen. De nestplaats is in de regel gebonden aan bebouwing. Voor zijn voedsel is de huismus sterk afhankelijk van wat de mens hem al dan niet bewust biedt. Deze voedselbron moet continu aanwezig zijn. De huismus heeft een sterke binding met mensen en komt tot broeden in of tegen gebouwen in dorpen en steden, in en bij boerderijen, maneges, kinderboerderijen en andere vormen van bebouwing in het landelijk gebied. Op plekken waar menselijke bebouwing wordt afgewisseld met groenvoorzieningen zijn meer huismussen dan op plekken waar geen groen aanwezig is. (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2022). Het plangebied bestaat uit een weiland met bosschage en bomen met weinig beschutting. Er worden mogelijk enkele bomen gekapt voor de beoogde ruimtelijke ingreep. Er is geen bebouwing aanwezig op de planlocatie. Het voorkomen van nestlocaties van huismus op de planlocatie kan derhalve uitgesloten worden. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt tot beperkte aantasting van groene delen en resulteert niet in afname van essentieel leefgebied. Van aantasting van nestlocaties en functioneel leefgebied van de huismus is derhalve geen sprake.
14
BLOM A ECOLOGIE
De gierzwaluw heeft als oorspronkelijk rotsbewoner de rotsen ingeruild voor bebouwing. De soort broedt daardoor hoofdzakelijk in stedelijk gebied in donkere holtes van ventilatieschachten, spleten in muren en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). De planlocatie betreft een paardenwei zonder bebouwing. Hierdoor kan de aanwezigheid van nestlocaties van de gierzwaluw op de planlocatie uitgesloten worden. Bij de ruimtelijke ingreep worden mogelijk enkele bomen gekapt. Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. Rondom de planlocatie zijn weilanden en staan grote bomen waar uilen mogelijk een leefgebied hebben. Er zijn binnen een straal van twee kilometer voldoende alternatieve leefgebieden voor in bomen broedende roofvogels als uilen, buizerd, sperwer en ransuil. In de omgeving van de planlocatie zijn voldoende vergelijkbare biotopen aanwezig, die kunnen dienen als leefgebied voor in bomen broedende roofvogels als uilen, buizerd, sperwer en ransuil Op de planlocatie is geen sprake van essentieel leefgebied van roofvogelsoorten. Er is wat betreft vogels met jaarrond beschermde nesten geen sprake van het vangen of doden van individuen, het wegnemen van rust- of nestplaatsen, of het wegnemen van structuren die essentieel zijn in het functioneren van rust- of nestplaatsen.
Vogels - Algemene broedvogels en cat. 5 De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken en bomen vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten aangetroffen van algemene broedvogels en categorie 5 soorten. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de kapwerkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.
15
BLOM A ECOLOGIE
3.2 Gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 11.5 km ligt het Natura 2000-gebied 'De Wilk' en op een afstand van circa 15 km ligt het Natura 2000-gebied 'Broekenvelden, Vettenbroek & Polder Stein'( (figuur 3.1).
Figuur 3.1 De planlocatie ligt op een afstand van circa ii,5 km tot het Natura 2000-gebied 'De Wiik' en op een afstand van circa 15 km tot het Natura 2000-gebied ' Broekenvelden, Vettenbroek 8, Polder Ste/n '(bron: nationaal Georegister PDOK).
De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de bebouwing van een agrarisch perceel. Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ruimtelijke ingreep in de gebruiksfase tot een toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben. Gedurende de bouwfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. Per 2 november 2022 geldt dat de algemene bouwvrijstelling onbruikbaar is en dat activiteiten van de bouwsector onderdeel moeten zijn van de beoordeling. Plannenmakers voert bij ieder project preventief een AERIUS-calculatie uit om inzichtelijk te krijgen of de ontwikkeling mogelijk leidt tot een verhoging van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden van Natura 2000-gebieden.
Derhalve wordt ten aanzien van stikstof verwezen naar de separaat opgestelde rapportage.
Provinciaal aangewezen gebieden De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende beschermingscategorie 1 (Natuurnetwerk Nederland en beschermd grasland in de Bollenstreek) of beschermingscategorie 2 (Belangrijk weidevogelgebied en Groene buffer). Op een afstand van circa 3 km ligt het Natuurnetwerk Nederland (figuur 3.2). De planlocatie ligt op een afstand van 27 km van de Bollenstreek. Op een afstand van circa 3,5 km ligt Belangrijk weidevogelgebied (geen kaartweergave) en aangrenzend aan het perceel ligt de Groene buffer (figuur 3.3). Er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig op de
16
BLOM A ECOLOGIE
planlocatie die weggenomen worden ten gevolge van de beoogde ingreep. Ten aanzien van provinciaal aangewezen gebieden geldt dat externe werking geen toetsingskader is.
Figuur 3.2 De planlocatie ligt op een afstand van circa 3 km tot het NatuurNetwerk Nederland (bron: ruimtelijkeplannenzuidholland.nl)
Figuur 3.3 De planlocatie ligt direct naast de Groene buffer (bron: ruimtelijkeplannenzuidholland.nl)
3.3
Houtopstanden Wet natuurbescherming In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan (i) zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of (ii) een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is niet noodzakelijk. Er worden mogelijk enkele bomen gekapt aan de westzijde op de planlocatie. De oppervlakte van de houtopstand op de planlocatie betreft maximaal 520 m2.
17
BLOM A ECOLOGIE
4 Samenvatting 4.1
Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart - 15 juli). Tabel 4.1
Overzicht van de Soortenbescherming.
Soortgroep
Bescherming Wnb
Soortspecifiek onderzoek
Planten
nee
Grondgebonden zoogdieren
nee
Vleermuizen
nee
Amfibieën
nee
Reptielen
nee
Vissen
nee
Insecten en andere ongewervelden
nee
Vogels (cat. 1 t/m 4)
nee
Vogels (Algemeen en cat. 5)
nee
Mogelijke functie planlocatie
4.2 Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een AERIUS-berekening, Voortoets en/of 'nee, tenzij'-toets is niet noodzakelijk. Tabel 4.2
Overzicht van beschermde gebieden in het kader van gebiedsbescherming.
Gebiedsbescherming!
Afstand!
Natura 2000
11,5 km
Natuurnetwerk Nederland Beschermd grasland in de bollenstreek Belangrijk weidevogelgebied Groene buffer
Mogelijke effecten!
Nader onderzoek
Reeds uitgevoerd separate rapportage
3 km
Geen
N.v.t.
27 km
Geen
N.v.t.
3,5 km
Geen
N.v.t.
0 km
Geen
N.v.t.
in
4.3 Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.
18
BLOM A ECOLOGIE
5 Conclusie 5.1
Conclusie De beoogde nieuwbouw op het perceel aan de Noordeindseweg ong. te Berkel en Rodenrijs is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).
5.2
Uitvoerbaarheid De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen.
5.3
Vervolgstappen De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden (soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden). Derhalve is het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet noodzakelijk.
5.4
Te treffen maatregelen ^
Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht).
^
Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige.
^
Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten.
^
Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden.
^
De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel).
19
BLOM A ECOLOGIE
Bronvermelding Geraadpleegde documenten (BIJ12, 2017) Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pípístre/lus) Kennisdocument Gierzwaluw (Apus apus) Kennisdocument Huismus (Passer domestícus) Kennisdocument Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii)
Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.nationaalgeoregister.nl www.ndff.nl www.pzh.maps.arcgis.com www.ruimtelijkeplannenzuidholland.nl www.ravon.nl www.verspreidingsatlas.nl
Bijlage 1
Fotografische impressie
20
BLOM A ECOLOGIE
Bijlage 1
Fotografische impressie
Figuur 1
De planlocatie is gelegen ten aan de Noordeindseweg ong. te Berkei en Rodenrijs en bestaat uít een paarden wei en bosschage.
Figuur 2
Sloot rondom het perceel aan de noord-, zuid-, en westzijde van het perceel.
21
BLOM A ECOLOGIE
Figuur 3
Overzicht van de bosschage aan de westzijde van het perceel.
Figuur 4
De sloot aan de zuidzijde van het perceel aangrenzend aan de Noorde/ndsweg 57 te Berkel en Rodenrijs.
22
BLOM A ECOLOGIE
BLOM ECOLOGIE Verbindt natuur en samenleving Koeweistraat 2 4181 CD Waardenburg 0418 820 288
blomecologie.nl
mol ingenieursbureau
De Lierseweg 2 2291 PD Wateringen Telefoon 0174 67 15 15 bodem@ibmol.nl www.ibmol.nl
Verkennend bodemonderzoek Ten noorden van de Noordeindseweg 57 Berkel en Rodenrijs Projectnummer: A8436
Opdrachtgever:
OosteŗĮaaņArçhiţeçte^^^^ T.a.v. Klapwijkseweg 8 2651 CJ Berkel en Rodenrijs
Status rapport:
Definitief
Rapportage opgesteld: 23 februari 2023
Gecontroleerd: 23 februari 2023
K.v.K. n ABN AMRO IBAN nummer Rabobank IBAN nummer
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING........................................................................................................................... 3
2
VOORONDERZOEK............................................................................................................4 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6
Locatiegegevens................................................................................................................ 4 ARCHIEVEN OMGEVINGSDIENST DCMR.................................................................................7 Bodemloket........................................................................................................................ 7 asbest................................................................................................................................. 8 Financieel - juridische aspecten.....................................................................................8 Conclusies en onderzoekshypothese............................................................................ 8
3
ONDERZOEKSSTRATEGIE............................................................................................... 9
4
RESULTATEN....................................................................................................................10 4.1 Veldwerk.......................................................................................................................... 10 4.2 Laboratoriumonderzoek................................................................................................. 11 4.2.1 Grond........................................................................................................................... 11 4.2.2 Grondwater.................................................................................................................12 4.3 OVERWEGING RESULTATEN................................................................................................ 12 4.4 AFWIJKINGEN TEN OPZICHTE VAN DE NORM......................................................................... 12
5
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN.............................................................................. 13 5.1 5.2
Conclusies........................................................................................................................ 13 Aanbevelingen.................................................................................................................. 13
6
ALGEMENE OPMERKINGEN...........................................................................................14
7
REFERENTIES..................................................................................................................15
BIJLAGEN A. B. C. D. E. F. G. H.
Ligging onderzoekslocatie en kadastrale gegevens Overzichtstekening onderzoekslocatie Toetsingsresultaten Analysecertificaten Boorstaten Foto-overzicht Verantwoording veldwerkzaamheden Historische informatie
Verkennend bodemonderzoek ten noorden van de Noordeindseweg 57 Berkel en Rodenrijs Projectnummer: A8436
2
1
INLEIDING
In opdracht van Oosterlaan Architecten is door Ingenieursbureau Mol op de locatie ten noorden van de Noordeindseweg 57 te Berkel en Rodenrijs een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd gebaseerd op de NEN 5740:2009AA1:2016. Mevrouw M. Oosterlaan is de contactpersoon namens de opdrachtgever. Ingenieursbureau Mol zijn de werkzaamheden gecoördineerd door de heer | |.
Namens
Het terrein wordt onderzocht in verband met het aanvragen van een omgevingsvergunning. Het doel van het verkennend bodemonderzoek is aan te tonen dat op de locatie redelijkerwijs gesproken geen verontreinigende stoffen aanwezig zijn in de grond of het freatisch grondwater in gehaltes boven respectievelijk de achtergrondwaarden en de streefwaarden. Ingenieursbureau Mol heeft als onafhankelijk BRL SIKB 2000 gecertificeerd adviesbureau geen duurzame rechtsbetrekking met de eigenaar van de onderzoekslocatie, zodat onafhankelijkheid van het uitgevoerde onderzoek is gewaarborgd. In dit rapport is de gehanteerde onderzoeksmethode beschreven en worden de resultaten van het veldwerk en laboratoriumonderzoek behandeld. De resultaten zijn getoetst aan de wettelijke kaders. De rapportage wordt afgesloten met de conclusies van het onderzoek. In de rapportage wordt gebruik gemaakt van (norm)documenten. Deze worden genoemd in hoofdstuk 7.
Verkennend bodemonderzoek ten noorden van de Noordeindseweg 57 te Berkel en Rodenrijs Projectnummer: A8436
3
2
VOORONDERZOEK
Het vooronderzoek is gebaseerd op de NEN 5725-strategie A. Het doel van het vooronderzoek is inzicht te verkrijgen in de mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen op de onderzoekslocatie. Hierbij wordt een inschatting gemaakt van de aard, mate, oorzaak en ligging van mogelijke verontreinigingen. Op basis hiervan wordt een hypothese opgesteld over de milieuhygiënische bodemkwaliteit ten behoeve van het uit te voeren bodemonderzoek. Op 12 januari 2023 heeft een terreininspectie plaatsgevonden en op 29 november 2022 is informatie opgevraagd bij de DCMR Milieudienst Rijnmond. Daarbij zijn het milieuarchief, het tankarchief en het bodemarchief geraadpleegd.
2.1
Locatiegegevens
In de onderstaande tabel zijn de algemene locatiegegevens weergegeven. Tabel 1. Algemene locatiegegevens Ligging en afbakening onderzoekslocatie
Adres Kadaster Afbakening onderzoekslocatie Coordinaten middenpunt Oppervlakte
Ten noorden van de Noordeindseweg 57 te Berkel en Rodenrijs Gemeente Berkel en Rodenrijs, sectie A, nummer 6280 De contour van de onderzoekslocatie is weergegeven in bijlage B. X= 92966 en Y= 447536 5.330 m2
Locatiebeschrijving
Huidig gebruik Toekomstig gebruik Omgeving Terreininspectie Informatie opdrachtgever
De onderzoekslocatie betreft een grasland. Men is voornemens de bestemming te wijzigen van agrarisch naar wonen-werken. De onderzoekslocatie bevindt zich ten westen van het tuinbouwgebied. De onderzoekslocatie betreft een grasland. De locatie is geheel onverhard. Volgens mondeling verstrekte informatie van de opdrachtgever zijn, voor zover bekend, geen gedempte sloten, koolaspaden en/of andere verdachte deellocaties aanwezig.
Verkennend bodemonderzoek ten noorden van de Noordeindseweg 57 te Berkel en Rodenrijs Projectnummer: A8436
4
2.2
Kaartmateriaal
In de onderstaande tabel is informatie weergegeven van divers kaartmateriaal. Tabel 2. Kaartmateriaal Informatie op basis van kaartmateriaal
Bodemkwaliteitskaart1 Archeologie2
Explosievenkaart3 Topotijdreis4 en Google Earth BAG viewer5 Antropogene lagen
Bodemkwaliteitszones: B1 (lint) bebouwing voor 1930. De onderzoekslocatie valt in de zone met een hoge archeologische verwachting. Binnen de gemeente Lansingerland is een hoge archeologische verwachting alleen toegekend aan gebieden waarvan uit archeologische en historisch-geografische bronnen is gebleken dat ze bewoond werden tijdens de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Het gaat hierbij om de oude dorpskernen van Berkel en Rodenrijs, Bleiswijk en Bergschenhoek en de lintbebouwingen die vanuit deze dorpen de buitengebieden in lopen. De maximaal toegestane verstoringsdiepte van bodemingrepen die worden vrijgesteld van Archeologische Monumentenzorg (AMZ) is dan ook vastgesteld op 0,30 meter onder het maaiveld. De maximaal toegestane verstoringsoppervlakte van bodemingrepen die worden vrijgesteld van AMZ wordt dan ook vastgesteld op 100 m2. De onderzoekslocatie valt niet binnen een gebied welke verdacht is van niet gesprongen conventionele explosieven. Historie op basis van kaart en fotomateriaal is de locatie al vanaf ongeveer 1900 grasland. Er is geen verdere informatie bekend over deze locatie. Op de locatie is geen bebouwing aanwezig. Op de locatie zijn geen ophogingen, dempingen en bodemvreemde lagen bekend.
1 Bron: Bodembeheerplan 3B-gemeenten d.d. oktober 2005 2 Bron: Archeologische Verwachtings- en beleidskaart gemeente Lansingerland, CIS code: 37871 d.d. november 2009 3 Bron: CE-bodembelastingkaart lansingerland, 12S080-BB-05, d.d. februari 2013 4 www.topotijdreis.nl 5 www.bagviewer.kadaster.nl/ Verkennend bodemonderzoek ten noorden van de Noordeindseweg 57 te Berkel en Rodenrijs Projectnummer: A8436
5
Vervolg tabel 2. Kaartmateriaal Geohydrologie (Dinoloket BRO REGIS II v2.26, t.o.v. maaiveld)
Hydrologie ívan boven naar beneden): " Groen: Complexe eenheid, bestaande uit een afwisseling van zandige klei, midden en fijn zand, klei en veen en een weinig grof zand; " Roze: Formatie van Kreftenheye, Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit midden en grof zand, weinig zandige klei, fijn zand en grind en een spoor klei en veen; " Zand: Formatie van Urk, Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit midden en grof zand, weinig fijn zand en grind en een spoor klei, zandige klei en veen " Lichtbruin: Formatie van Stramproy, Kleiige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit zandige klei, klei en midden zand, weinig veen, fijn en grof zand en een spoor bruinkool. Litholoqie
Lokale bodemopbouw Grondwaterstand freatisch
Klei, zand en veen. Circa 0,1 m-mv
Stromingsrichting freatisch Stromingsrichting 1e watervoerende pakket Grondwatersysteem
Waarschijnlijk westelijk gericht Regionaal oostelijk gericht
Grondwateronttrekkingen Grondwaterbeschermingsgebied
Niet bekend Nee
Kwel
6 www.dinoloket.nl Verkennend bodemonderzoek ten noorden van de Noordeindseweg 57 te Berkel en Rodenrijs Projectnummer: A8436
6
2.3
Archieven DCMR Milieudienst Rijnmond
Op 29 november zijn de archieven van de DCMR Milieudienst Rijnmond geraadpleegd, zie bijlage H. Op de onderzoekslocatie zelf is voor zover bekend geen bodemonderzoek uitgevoerd. In de directe omgeving van de onderzoekslocatie zijn in het verleden een aantal bodemonderzoeken uitgevoerd. Een opsomming van de meest relevante onderzoeken is onderstaand weergegeven. "
Verkennend bodemonderzoek Noordsingel 22 te Berkel en Rodenrijs (Arnicon, rapport C03090-O, d.d. maart 2003). Op basis van de onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd, dat de hypothese "verdacht" wordt bevestigd. Dit naar aanleiding van de aangetroffen licht tot sterke verontreiniging met enkele zware metalen, PAK, EOX en/of minerale olie in de grond. In de grond ter plaatse van de voormalige bovengrondse HBO-tank is een lichte minerale olie verontreiniging aangetroffen. Het grondwater ter plaatse van de voormalige tank bevat een lichte verontreiniging met chroom en minerale olie. Het grondwater nabij de romneyloods, waar in de grond een zwakke oliegeur is waargenomen, is niet verontreinigd met minerale olie of vluchtige aromaten. De aangetoonde sterke verontreiniging met minerale olie in de grond (nabij de romneyloods) en de plaatselijk aangetoonde sterke verontreiniging met koper en/of lood in de toplaag van de grond (boringen 10 en 13) geven aanleiding tot het verrichten van een nader onderzoek en/of het nemen van saneringsmaatregelen. Verder geeft het aangetroffen stukje asbesthoudend plaatmateriaal, dat is gevonden in de bodem tussen de huidige woning en de kleine schuur (boring 7), ook aanleiding tot het verrichten van een vervolgonderzoek;
«
Nader bodemonderzoek Noordersingel 22 te Berkel en Rodenrijs (Arnicon, rapport C03-246N, d.d. juni 2003). Het doel van het nader bodemonderzoek is het bepalen van de horizontale en verticale omvang van de aangetoonde sterke verontreiniging met minerale olie in de grond. Op basis van de onderzoeksreultaten is er geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging met minerale olie nabij de romneyloods. De sterke verontreiniging met minerale olie in de grond, dat in het voorgaande verkennend bodemonderzoek is aangetoond, betreft waarschijnlijk een “spotverontreiniging”. Conform de Wet bodembescherming is het niet noodzakelijk saneringsmaatregelen te treffen;
«
Verkennend bodemonderzoek Noordeindseweg ong. 266 (Wematech B.V., rapportnummer VBB-20010377, d.d. april 2001). De bovengrond is licht verontreinigd met koper, kwik, lood, nikkel, zink, PAK en EOX aangetroffen ten opzichte van de achtergrondwaarde. In het grondwatermonster zijn geen verhoogde gehaltes aangetroffen. Gelet op het resultaat van het verkennend bodemonderzoek word het uitvoeren van nader onderzoek niet nodig geacht.
Milieuarchief In het milieuarchief is geen informatie terug te vinden over de onderzoekslocatie. Tankarchief Ter plaatse en in de directe omgeving zijn voor zover bekend geen ondergrondse tanks aanwezig (geweest).
2.4
Bodemloket
Naast de archieven van de gemeente is eveneens de website Bodemloket geraadpleegd. Op basis van deze website blijkt dat van de onderzoekslocatie en de directe omgeving geen informatie aanwezig is.
Verkennend bodemonderzoek ten noorden van de Noordeindseweg 57 te Berkel en Rodenrijs Projectnummer: A8436
7
2.5
Asbest
In tabel 3 is de kans op het aantreffen van asbest in relatie tot leeftijd van het materiaal weer gegeven. Tabel 3. Kans op het aantreffen van asbest bij bebouwing Bouwperiode Kans op aantreffen Soort asbest asbest Voor 1945
Gering
Hechtgebonden
1945 - 1980
Groot
1980 - 1993/1995
Tamelijk groot
Hecht en niethechtgebonden Meestal hechtgebonden
1993/1995 - 1998
Gering
Meestal hechtgebonden
1998 - 2005
Incidenteel
Na 2005
Nihil
Indicatief gehalte (mg^g) c 10 > 100
Asbestverdacht?
Ja
Nee
10 - 100
Ja Ja
Hechtgebonden
Vaakc 10 Incidenteel > 100 c 10
Hechtgebonden
cc10
nee
Nee
(bron: NEN 5725; Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek)
In algemene zin wordt gesteld dat puinlagen en/of grondlagen waarin bijmenging van puin en/of ander sloopafval voorkomt, worden verdacht voor aanwezigheid van (en in potentie) veront reiniging met, asbest, tenzij de betreffende lagen zijn toegepast voordat grootschalig met asbest werd gewerkt (en dit aantoonbaar kan worden gemaakt) en/of het tegendeel is bewezen. Dit laatste is alleen mogelijk door middel van asbestonderzoek conform NEN 5707 (grond) en/of NEN 5897 (puin).
2.6
Financieel - juridische aspecten
In het kader van de Woningwet dient bij aanvraag van een omgevingsvergunning een verkennend bodemonderzoek te worden aangeleverd om na te gaan of de locatie geschikt is voor het beoogde gebruik. Onderhavige onderzoek is in het kader van deze aanvraag uitgevoerd. De kadastrale gegevens zijn opgenomen in bijlage A. Op de locatie is geen sprake van een calamiteit of overtreding van voorschriften in het kader van de Wet milieubeheer, Wet bodembescherming en/of andere milieuwetgeving.
2.7
Conclusies en onderzoekshypothese
Op basis van de resultaten van het vooronderzoek wordt geconcludeerd dat op de onderzoekslocatie en directe omgeving zich geen bodembedreigende activiteiten hebben voor gedaan danwel aanwezig zijn. Voor de onderzoekslocatie wordt de hypothese onverdacht aangehouden ten aanzien van het voorkomen van bodemverontreiniging. De onderzoeksstrategie staat verder beschreven in hoofdstuk 3.
Verkennend bodemonderzoek ten noorden van de Noordeindseweg 57 te Berkel en Rodenrijs Projectnummer: A8436
8
3
ONDERZOEKSSTRATEGIE
Voor de onderzoekslocatie wordt de hypothese onverdacht ten aanzien van het voorkomen van bodemverontreiniging gehanteerd. Teneinde de hypothese te toetsen, zal het onderzoek worden gebaseerd op de NEN 5740:2009^1:2016 waarbij de strategie onverdacht (ONV-NL) wordt gehanteerd. De te plaatsen boringen en uit te voeren chemische analyses zijn in de tabel hieronder weergegeven. Alle veldwerkzaamheden worden uitgevoerd conform de BRL 2000. Tabel 4. Onderzoeksstrategie Veldwerkzaamheden boringen en peilbuis
Oppervlakte onverdachte locatie
Chemische analyses
5.330 m2
tot 50 (cm-mv)
en tot 200 (cm-mv)
en peilbuis
NEN (bovengrond)
NEN (ondergrond)
NEN (grondwater)
5.000 - 7.000 m2
12
3
1
2
2
1
* indien tijdens het verrichten van de veldwerkzaamheden zintuiglijk verontreinigingen worden waargenomen, moet een andere onderzoeksstrategie en hypothese worden gekozen
Van het opgeboorde materiaal worden per grondsoort monsters genomen tot een maximaal traject van 50 cm per monster. De vrijkomende grond wordt zintuiglijk beoordeeld op geur, kleur en het voorkomen van bijzonderheden. Tijdens het veldwerk wordt gelet op de mogelijke aanwezigheid van asbestverdacht materiaal op of in de bodem. Van de verkregen monsters van boven- en ondergrond worden op het laboratorium mengmonsters samengesteld of zijn individuele monsters geselecteerd. De grond(meng)monsters en grondwatermonsters worden, indien geen afwijkingen optreden, vervolgens geanalyseerd op de parameters zoals omschreven in de opzet. Het grondwater wordt minimaal zeven dagen na het plaatsen van de peilbuis bemonsterd en geanalyseerd. Tijdens het plaatsen van de peilbuis en het bemonsteren van het grondwater is de grondwaterstand, troebelheid, temperatuur, elektrische geleidbaarheid en zuurgraad gemeten. De chemische analyses van de grond en het grondwater worden uitgevoerd door Eurofins Analytico Laboratories B.V. te Barneveld. Dit laboratorium is geaccrediteerd door de Raad voor Accreditatie en staat geregistreerd onder nummer L010. Bij de chemische analyses wordt gebruik gemaakt van de voorbehandelings-, opwerkings- en analysemethoden zoals beschreven in diverse, geldende NEN-normen. De analyse-pakketten zijn als volgt samengesteld:
-
NEN pakket grond: organisch stof, lutum, barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel, zink, som PCB, som PAK en minerale olie;
-
NEN pakket grondwater: barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel, zink, minerale olie, vluchtige aromatisch koolwaterstoffen en vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen.
Bij de beoordeling van de kwaliteit van de bodem, worden de gemeten gehalten omgerekend naar de waarden voor standaardbodem (1007o organisch stof en 250Zo lutum). Deze omgerekende waarden kunnen vervolgens worden vergeleken met in bijlage I van de Circulaire Bodemsanering 2013 opgenomen waarden.
Verkennend bodemonderzoek ten noorden van de Noordeindseweg 57 te Berkel en Rodenrijs Projectnummer: A8436
9
4
RESULTATEN
4.1
Veldwerk
Alle veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd conform de BRL 2000 en de daarbij horende protocollen 2001 en 2002. Voor de verantwoording van de veldwerkzaamheden wordt verwezen naar bijlage G. Tabel 5. Veldwerkzaamheden Veldwerkzaamheden
Monsterneming datum grond Gecertificeerde monsternemer(s) Monsterneming datum grondwater Gecertificeerd monsternemer(s) Monsternemer in opleiding Aantal boringen Boornummers Peilbuisnummer Inmeten vast punt en boringen Bodemopbouw 0-50 cm-mv 50-100 cm-mv 100-250 cm-mv
Į2iaņuaŗi2023 19ianuari2023 17 01 t/m 17 11 Door middel van een vast punt Matig fijn, matig siltig zand, kleihoudend Matig fijn, matig siltig zand, zwak kleihoudend Matig fijn, sterk siltig zand, zwak kleihoudend
De heer Rikaart is een erkend monsternemer welke wordt geaudit door Normec Certification te Geldermalsen. De plaats van de boringen en peilbuis staat weergegeven in bijlage B. De boorstaten zijn opgenomen in bijlage E. Tijdens het veldwerk zijn geen zintuiglijk geen bodemvreemde bijmengingen en/of verhardingen waargenomen. In tabel 6 staan de zintuiglijke waarnemingen tijdens de monstername en de resultaten van de veldmetingen weergegeven zoals deze zijn gemeten bij het bemonsteren van het grondwater. Het betreft de grondwaterstand (GWS) ten opzichte van het maaiveld, de troebelheid (NTU), de elektrische geleidbaarheid (EC) en de zuurgraad (pH). Tabel 6. Veldmetingen bij bemonsteren grondwater Peilbuis Filterstelling GWS GWS bij (cm -mv) bij plaatsing bemonstering (cm-mv) (cm-mv) 11 150 - 250 100 100
Troebelheid EC (NTU) (pS/cm)
PH
Opmerking
78
6,75
\-
547
De gemeten pH en EC zijn normale waarden voor een natuurlijke situatie in deze omgeving. In het genomen grondwatermonster is een hogere troebelheid gemeten dan voor natuurlijke troebelheid verwacht wordt (S10 NTU). De peilbuis heeft voldoende rusttijd gehad na plaatsing (minimaal een week). Ook is de peilbuis zorgvuldig en met een voldoende laag debiet (á0,1 l/min) afgepompt voorafgaand aan bemonstering, zodat de grondwaterstand in de peilbuis slechts gering is gedaald tijdens afpompen ^ 50 cm). Daarom wordt aangenomen dat er geen sprake is geweest van een verstoord bodemevenwicht tijdens monsterneming, en dat de gemeten waarden voor troebelheid een natuurlijke oorzaak hebben (zwevende stoffen als lutum of silt in het grondwater). Zwevende delen kunnen leiden tot verhoogde meetwaarden in het grondwater als gevolg van matrix-storingen bij de analyse en ab- en adsorptie van organische verbindingen en zware metalen aan deze zwevende delen.
Verkennend bodemonderzoek ten noorden van de Noordeindseweg 57 te Berkel en Rodenrijs Projectnummer: A8436
10
4.2
Laboratoriumonderzoek
Het laboratoriumonderzoek is uitgevoerd conform de voorgestelde opzet. In het laboratorium zijn 4 grond(meng)monsters samengesteld. Bij de samenstelling van mengmonsters is rekening gehouden met de diepte van het bemonsteringstraject, de aangetroffen bodemsoort en de zintuiglijke waarnemingen. Tabel 7. Monsterselectie AnalyseDeelmonsters & traject (m-mv) monster
Analysepakket
MM1
Standaardpakket grond incl. LUOS
04 (0,00 - 0,50) 10 (0,00 - 0,50) 14 (0,00 - 0,50) 16 (0,00 - 0,50) 17 (0,00 - 0,50) 01 (0,00 - 0,50) 03 (0,00 - 0,50) 07 (0,00 - 0,50) 11 (0,00 - 0,50) 13 (0,00 - 0,50) 05 (0,50 - 1,00) 11 (0,50 - 1,00) 03 (0,50 - 1,00) 17 (0,50 - 1,00)
MM2
MM3 MM4
Standaardpakket grond incl. LUOS
Standaardpakket grond incl. LUOS Standaardpakket grond incl. LUOS
De getoetste analyseresultaten zijn opgenomen in bijlage C. De analysecertificaten zijn opgenomen in bijlage D.
4.2.1 Grond De voor analyse geselecteerde grond(meng)monsters alsmede de resultaten van de toetsing zijn samengevat in de volgende tabel. Tabel 8. Overschrijdingen t.o.v. toetsingswaarden in de grond > AW Hndex) AnalyseTraject (cm -mv) monster MM1
0 - 50
Koper (0,02) Molybdeen (-)
MM2
0 - 50
MM3 MM4
50 - 100 50 - 100
> AW > I Index
^ Achtergrondwaarde ^ Interventiewaarde :(GSSD - AW) Z (I - AW)
opmerking
:
> I Hndex)
Lood (0,06) PAK 10 VROM (0,09) Kwik (-) Lood (0,17) -
-
Indien de bodemindex hoger is dan 0,50 overschrijdt deze de 0,5-index, dit wordt door overheden vaak gebruikt als triggerwaarde om over te gaan tot nader onderzoek.
Verkennend bodemonderzoek ten noorden van de Noordeindseweg 57 te Berkel en Rodenrijs Projectnummer: A8436
11
4.2.2 Grondwater De analyseresultaten van het grondwater zijn samengevat in de volgende tabel. Tabel 9. Overschrijdingen t.o.v. toetsingswaarden in het grondwater Watermonster Filterdiepte > I Hndex) > S Hndex) (cm -mv) 11-1-1 150 - 250 Nikkel (0,13) Zink (0,02) Barium (0,03) >S > I Index
4.3
^ Streefwaarde ^ Interventiewaarde :(GSSD - AW) Z (I - AW)
Overweging resultaten
Uit de analyseresultaten blijkt dat in de bovengrond de gehalten koper, molybdeen, lood, PAK en kwik verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarde zijn aangetroffen. In de ondergrond zijn de geanalyseerde parameters niet verhoogd ten opzichte van de achtergondwaarden aangetroffen. In het grondwater zijn de parameters nikkel, zink en barium verhoogd ten opzichte van de streefwaarde aangetoond. Hoewel in de NEN5740/A1 geen eisen worden gesteld aan het al of niet overgaan tot uitvoering van nader onderzoek, wordt dit vaak bij een overschrijding van de interventiewaarde gedaan. Daarnaast verlangt het bevoegd gezag Wet bodembescherming vaak al bij een overschrijding van de 0,5 index een nader onderzoek. Het voornoemde is niet van toepassing op onderhavige locatie, nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht.
4.4
Afwijkingen ten opzichte van de norm
Onderhavig onderzoek is gebaseerd op de NEN 5740:2009ZA1:2016. In onderstaande tabel worden eventuele afwijkingen ten opzichte van deenoemde norm weergegeven: Tabel 10. Afwijkingen Deel van het onderzoek:
Opmerking:
Onderzoeksstrategie
Gebaseerd op de norm.
Veldwerk
Geen afwijkingen.
Grondanalyses
Geen afwijkingen.
Grondwaterbemonstering
Geen afwijkingen.
Grondwateranalyses
Geen afwijkingen.
Verkennend bodemonderzoek ten noorden van de Noordeindseweg 57 te Berkel en Rodenrijs Projectnummer: A8436
12
5
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
In opdracht van Oosterlaan Architecten is door Ingenieursbureau Mol op de locatie ten noorden van de Noordeindseweg 57 te Berkel en Rodenrijs een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd gebaseerd op de NEN 5740/A1. Het terrein wordt onderzocht in verband met het aanvragen van een omgevingsvergunning. De aanleiding voor het bodemonderzoek wordt gevormd door de aanvraag van een omgevingsvergunning voor nieuwbouw. Het doel van het verkennend bodemonderzoek is aan te tonen dat op de locatie redelijkerwijs gesproken geen verontreinigende stoffen aanwezig zijn in de grond of het freatisch grondwater in gehaltes boven respectievelijk de achtergrondwaarden en de streefwaarden.
5.1
Conclusies
Op basis van de resultaten van het verkennend onderzoek wordt het volgende geconcludeerd: " " "
De bovengrond is licht verontreinigd met koper, molybdeen, lood, PAK en kwik; In de ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetroffen; Het grondwater is licht verontreinigd met nikkel, zink en barium.
De hypothese onverdacht voor bodemverontreiniging wordt verworpen, aangezien in de bovengrond en in het grondwater enkele gehalten verhoogd ten opzichte van de achtergrond- en streefwaarden zijn aangetoond. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt worden geen bezwaren verwacht voor het verstrekken van een omgevingsvergunning en voortzetten van het huidige gebruik. Opgemerkt wordt dat indien bijvoorbeeld bij herinrichtingswerkzaamheden grond vrijkomt die niet ter plaatse kan worden hergebruikt er restricties gelden ten aanzien van het hergebruik.
5.2
Aanbevelingen
Geadviseerd wordt om onderhavige rapportage in het kader van de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor te leggen aan het bevoegd gezag met het verzoek of zij kunnen instemmen met de resultaten en conclusies.
Verkennend bodemonderzoek ten noorden van de Noordeindseweg 57 te Berkel en Rodenrijs Projectnummer: A8436
13
6
ALGEMENE OPMERKINGEN
Geadviseerd wordt om bij werkzaamheden in de bodem alert te blijven op waarneembare bijzonderheden die kunnen duiden op eventuele verontreinigingen. Het onderhavige onderzoek beschrijft de huidige kwaliteit van de bodem. Wij wijzen u erop dat het uitgevoerde onderzoek een momentopname is. Beïnvloeding van de bodemkwaliteit kan alsnog plaatsvinden na uitvoering van dit onderzoek. Naarmate de periode tussen de uitvoering van dit onderzoek en het gebruik van de resultaten langer wordt, kan dit van invloed zijn op de representativiteit van dit document. Bij het interpreteren van de onderzoeksresultaten dient rekening te worden gehouden met het feit dat analyses uitgevoerd kunnen zijn op basis van mengmonsters. Het is derhalve niet uit te sluiten dat lokaal hogere concentraties aan verontreinigingen voorkomen. Tevens is het niet onmogelijk dat plaatselijk verontreinigingen voorkomen die niet gedetecteerd zijn. Het onderzoek is uitgevoerd op basis van een beperkt aantal monsters, genomen op een beperkt aantal plaatsen. Afvoer en hergebruik van grond (en bouwstoffen) naar elders is onderhevig aan de geldende wettelijke bepalingen.
Verkennend bodemonderzoek ten noorden van de Noordeindseweg 57 te Berkel en Rodenrijs Projectnummer: A8436
14
7
REFERENTIES
1.
Nederlandse Norm NEN 5740:20097A1:2016; Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, Nederlands Normalisatie Instituut, januari 2009/februari 2016;