[I25.17855] Ruimtelijke onderbouwing voor Noordeindseweg ten noorden van nr 57.
Tekst van het document
Ruimtelijke Onderbouwing Nieuwbouw bedrijfspand en woning aan de Noordeindseweg ten noorden van nr. 57 te Berkel en Rodenrijs Gemeente Lansingerland
ii
'^i
SU mm
HP J uusa
ia
i
makers
experts in ruimtelijke ordening, stedenbouw en landschap
Plannaam:
Berkel en Rodenrijs, Noordeindseweg (ten noorden van nr. 57)
Planstatus:
definitief
Datum:
6 december 2024
Contactpersoon Plannen-makers: Kenmerk Plannen-makers: Opdrachtgever:
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd bestand, of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
Pagina 2
Ruimtelijke onderbouwing Noordeindseweg ten noorden van nr. 57 te Berkel en Rodenrijs
Inhoud 1
2
3
4
5
6
Inleiding.....................................................................................................................................................4 1.1
Aanleiding en doelstelling.............................................................................................................. 4
1.2
Leeswijzer........................................................................................................................................ 4
Het plan.....................................................................................................................................................5 2.1
Planlocatie....................................................................................................................................... 5
2.2
Beschrijving van het plan................................................................................................................6
2.3
Vigerend bestemmingsplan........................................................................................................... 8
Beleidsmatige onderbouwing................................................................................................................11 3.1
Rijksbeleid..................................................................................................................................... 11
3.2
Provinciaal beleid......................................................................................................................... 13
3.3
Gemeentelijk beleid ..................................................................................................................... 16
Milieutechnische uitvoerbaarheid........................................................................................................ 22 4.1
Bedrijven en milieuzonering ....................................................................................................... 22
4.2
Geluidhinder ................................................................................................................................ 23
4.3
Ecologie ........................................................................................................................................ 24
4.4
Bodem .......................................................................................................................................... 26
4.5
Luchtkwaliteit.................................................................................................................................27
4.6
Externe veiligheid ........................................................................................................................ 28
4.7
Archeologie.................................................................................................................................. 32
4.8
Waterhuishouding........................................................................................................................ 32
4.9
Verkeer en parkeren..................................................................................................................... 36
Maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid.......................................................................... 38 5.1
Economische uitvoerbaarheid..................................................................................................... 38
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid...............................................................................................38
Bijlagen....................................................................................................................................................39
Pagina 3
Ruimtelijke onderbouwing Noordeindseweg ten noorden van nr. 57 te Berkel en Rodenrijs
ll m .«I SS w
■41 i'4 1 HP J .éi* ■ IKK 55T
1
Inleiding
1.1
Aanleiding en doelstelling
De initiatiefnemer is voornemens om een nieuw bedrijfsgebouw en een nieuwe reguliere woning te bouwen op een braakliggend perceel ten noorden van de Noordeindseweg 57 te Berkel en Rodenrijs. Het initiatief past niet in het vigerende bestemmingsplan ‘Lint Noord’. Voor het planologisch mogelijk maken van het nieuwe bedrijfsgebouw en de nieuwe reguliere woning is een uitgebreide omgevingsvergunning nodig op basis waarvan afwijkend gebruik en bebouwing van het bestemmingsplan toegestaan wordt. Een onderdeel van een uitgebreide omgevingsvergunning is een ruimtelijke onderbouwing. Voorliggende onderbouwing voorziet in de bijbehorende toelichting, de milieutechnische uitvoerbaarheid, de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid en het juridische kader. N.b. Het gaat in voorliggende aanvraag enkel om het afwijken van het gebruik van het bestemmingsplan. Er is in het plan een indicatieve bebouwing opgenomen en daarmee wordt de situering van de reguliere woning en bedrijfsbebouwing aangegeven. De omgevingsvergunning voor het bouwen met de uitgewerkte bouwplantekeningen zullen in een aparte omgevingsvergunning aangevraagd worden. Deze getrapte vergunningsaanvraag is gekozen om de mogelijkheid van functieverandering alvast vergund te krijgen en zo investeringen vrij te kunnen krijgen voor de realisatie van de bebouwing.
1.2
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 wordt het plan beschreven. Daarnaast wordt het vigerende bestemmingsplan besproken. In hoofdstuk 3 wordt een beleidsmatige onderbouwing beschreven op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau. In hoofdstuk 4 wordt de milieutechnische uitvoerbaarheid van het planvoornemen onderbouwd. Tot slot wordt in hoofdstuk 5 de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het plan beschreven.
Pagina 4
Ruimtelijke onderbouwing Noordeindseweg ten noorden van nr. 57 te Berkel en Rodenrijs
ll m .«I SS w
■41 i'4 1 HP J .éi* ■ IKK 55T
2 Het plan 2.1
Planlocatie
In afbeelding 1 is een overzicht van de omgeving van het plangebied weergegeven. Ten zuiden van het plangebied ligt de kern ‘Berkel en Rodenrijs’. Ten westen ligt de kern ‘Pijnacker’. Ten oosten ligt de kern ‘Bleiswijk’. Ten noorden van het plangebied loopt de A12, waaraan de kern ‘Zoetermeer’ ligt. De omgeving wordt omsloten door de ‘Groenzoom’ in het westen en een glastuinbouwgebied in het oosten. In afbeelding 2 is een uitsnede van een 3D-luchtfoto weergegeven. De planlocatie ligt aan de Noordersingel. Deze weg loopt parallel aan de Noordeindseweg.
Afbeelding 1: Uitsnede luchtfoto, overzicht omgeving plangebied. Bron: Google Earth.
Afbeelding 2: Uitsnede 3D-luchtfoto, overzicht omgeving plangebied met projectlocatie. Bron: Google Earth,
Het plangebied staat kadastraal bekend als Berkel en Rodenrijs, sectie C, perceelnummer 6280. Het perceel is circa 5.330 m2. In afbeelding 3 is de kadastrale kaart van de planlocatie weergegeven
Pagina 5
Ruimtelijke onderbouwing Noordeindseweg ten noorden van nr. 57 te Berkel en Rodenrijs
ll m .«I SS w
■41 i'4 1 HP J .éi* ■ IKK 55T
Afbeelding 3: Uitsnede kadastrale kaart van de planlocatie. Bron: PDOK Viewer.
2.2 Beschrijving van het plan Op het perceel wordt een bedrijfsgebouw en een reguliere woning mogelijk gemaakt. De gemeente Lansingerland heeft positief gereageerd op variant C, zie afbeelding 4:
Afbeelding 4: Uitsnede variantenstudie, variant C. Bron: Oosterlaan Architecten.
Voor variant C geeft de afdeling stedenbouw van de gemeente Lansingerland twee argumenten. Het eerste argument geeft aan dat het bouwvlak van de woning en het bedrijf op een zodanige manier worden geplaatst dat het bestaande doorzicht van de Noordersingel naar de Noordeindseweg in stand blijft. Dit doorzicht is een belangrijke ruimtelijke karakteristiek. Het tweede argument betreft de
Pagina 6
Ruimtelijke onderbouwing Noordeindseweg ten noorden van nr. 57 te Berkel en Rodenrijs
ll m .«I SS w
■41 i'4 1 HP J .éi* ■ IKK 55T
functionele indeling die goed past bij de karakteristiek van dit gebied. Die functionele indeling betreft een bedrijfsgebouw aan de Noordersingel en een woondeel aan de Noordeindseweg, zie afbeelding 5:
Afbeelding 5: Visualisatie Variant C gezien vanaf de Noordeindseweg. Bron: Google Streetview
Afbeelding 6: Situatietekening toekomstige situatie, aangepaste variant C. Bron: Oosterlaan Architecten Bij de verdere uitwerking van het plan is gekozen om de locatie van de woning en de ontsluiting aan te passen. Hiervoor is gekozen om met de nieuwe woning voldoende afstand van aangrenzende bebouwing aan te houden. Deze aanpassing heeft in overleg tussen initiatiefnemer en gemeente
Pagina 7
Ruimtelijke onderbouwing Noordeindseweg ten noorden van nr. 57 te Berkel en Rodenrijs
ll m .«I SS w
■41 i'4 1 HP J .éi* ■ IKK 55T
plaatsgevonden. De aangepaste verkaveling is stedenbouwkundig beoordeeld. DE beweegredenen voor een positieve stedenbouwkundige beoordeling van een aanpassing van variant C zijn: ^ De woning heeft een bouwvlak met een rooilijn die afwissel van die van de aangrenzende percelen. ^ De positionering levert geen onacceptabele (schaduw en/of privacy) hinder op voor de aangrenzende percelen • Het bouwvlak volgt de verkavelingsrichting dit is landschappelijk gezien voorstelbaar omdat dit historisch gezien op meerdere percelen aan de Noordeindseweg het geval is (oa Noordeindseweg 49,53,51 en 59) ^ Door de plaatsing aan de Noordeindseweg krijgt de zijde aan de Noordersingel een groene uitstraling De invulling van de bedrijfsloods is nog niet definitief. In de wijzigingsbevoegdheid die in het vigerende bestemmingsplan Lint Noord is opgenomen voor dit perceel is een bedrijf van maximaal milieucategorie 2 toegestaan zoals die aangegeven zijn in de Staat van Bedrijfsactiviteiten behorende bij het bestemmingsplan. Voor voorliggend plan wordt een bedrijfsgebouw aangevraagd met daarin een bedrijf met maximaal milieucategorie 2 overeenkomstig de Staat van Bedrijfsactiviteiten. Het plan zal volledig in overeenstemming met het gestelde van de wijzigingsbevoegdheid ingevuld worden. Het plan sluit hiermee aan op de ingezette mogelijke bestemmingswijziging voor de locatie.
Door het opnemen van een categorie wordt er ook meer flexibiliteit geboden dan dat voor elk type bedrijf dat er opvolgend gehuisvest wordt weer een nieuwe omgevingsvergunningsprocedure te moeten doorlopen. Dat is niet de strekking van zowel de wijzigingsbevoegdheid als ook de in voorbereiding zijnde omgevingswet. Voor de exacte beschrijving van de wijzigingsbevoegdheid wordt verwezen naar paragraaf 2.3.
2.3 Vigerend bestemmingsplan Het vigerende bestemmingsplan voor de planlocatie is ‘Lint Noord’. Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 31 oktober 2019. Verder geldt het paraplubestemmingsplan ‘Biomassa’ (ontwerp 24 oktober 2022) op de planlocatie. Dit bestemmingsplan gaat in op beleid omtrent biomassacentrales. Het planvoornemen maakt geen biomassacentrale mogelijk, waardoor dit bestemmingsplan geen directe invloed heeft op het plangebied. In afbeelding 6 is de planlocatie weergegeven binnen het bestemmingsplan ‘Lint Noord’:
Afbeelding 7: Uitsnede bestemmingsplan 'Lint Noord”, planlocatie aangeduid met een rode marker. Bron: Ruimtelijke Plannen.
In dit bestemmingsplan gelden de volgende enkelbestemmingen, dubbelbestemmingen en Wro-zones: Enkelbestemming: Agrarisch; Dubbelbestemming: Waarde - Archeologie - 1; Pagina 8
Ruimtelijke onderbouwing Noordeindseweg ten noorden van nr. 57 te Berkel en Rodenrijs
ll m .«I SS w
■41 i'4 1 HP J .éi* ■ IKK 55T
-
Dubbelbestemming: Waterstaat - Waterkering; Wro-zone - wijzigingsgebied 1.
In onderstaande paragrafen wordt de enkelbestemming, de dubbelbestemmingen en de Wro-zone toegelicht. Enkelbestemming: Agrarisch Binnen deze bestemming zijn agrarische grondgebonden bedrijven toegestaan, waaronder glastuinbouwbedrijven. Intensive veehouderijen zijn niet toegestaan. In deze bestemming valt ook agrarisch landschapsbeheer, water, waterhuishoudkundige voorzieningen, groenvoorzieningen en de verkoop van producten uit eigen bedrijf. Het planvoornemen is strijdig met het bestemmingsplan, omdat een bedrijfsfunctie en een reguliere woning wordt mogelijk gemaakt met deze ruimtelijke onderbouwing. Dubbelbestemming: Waarde - Archeologie - 1 Deze bestemming regelt het behoud van de (potentieel) aanwezige archeologische waarden. Bouwwerken mogen worden gebouwd indien de bouwwerkzaamheden niet dieper dan 0,50 m beneden het maaiveld reiken en een grondoppervlakte bestrijken die kleiner is dan 100 m2 en tevens wordt voldaan aan de onderliggende bestemming(en). In de paragraaf 4.7 (Archeologie) wordt verantwoord dat Zone VI van de archeologische beleidskaart van toepassing is, waardoor archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is. Indien meer dan 1000 m2 wordt bebouwd of meer dan 2,5 m-mv diep wordt gevragen dan is archeologisch onderzoek wel noodzakelijk.
Dubbelbestemming: Waterstaat - Waterkering Binnen deze dubbelbestemming mag een waterkering en de waterhuishouding voorkomen. Bouwwerken ten dienste van de bestemming mogen worden gebouwd met een maximale bouwhoogte van 1 m. Het planvoornemen past niet binnen deze dubbelbestemming, omdat niet ten dienste van de dubbelbestemming wordt gebouwd. Wro-zone - wijzigingsgebied 1 Burgemeester en wethouders zijn op basis van de Wet ruimtelijke ordening (artikel 3.6. lid 1 onder a) bevoegd het plan te wijzigen in de bestemming ‘Wonen’, ‘Bedrijf, ‘Tuin’, ‘Water’, ‘Groen’ en/of verkeer. De locatie mag gewijzigd in Werken en 1 woning waarbij geldt dat het bedrijf en/of de bedrijvigheid maximaal milieucategorie 2, als opgenomen in de als bijlage 1 bij de planregels opgenomen 'Staat van Bedrijfsactiviteiten algemeen', voor zover de bedrijven in de bedoelde lijst niet zijn doorgehaald, mag bedragen; Vervolgens zijn er nog aanvullende randvoorwaarden ten aanzien van bouw- en inrichtingsregels gegeven. Deze ruimtelijke onderbouwing is opgesteld om een ontwikkeling mogelijk te maken in afwijking van het bestemmingsplan. Er behoeft derhalve niet aan de onderstaande voorwaarden voldaan te worden omdat voorliggend plan geen wijzigingsplan op basis van de wijzigingsbevoegdheid betreft.
Desalniettemin is onderstaand aangegeven in hoeverre voldaan wordt aan de wijzigingsregels en zo aangegeven kan worden dat het plan aansluit bij de aard en strekking van de bevoegdheid. a.
de perceelsoppervlakte dient minimaal 1.800 m2 te bedragen; Het perceelsopp. is ruim 5.000 m2 en voldoet aan bovenstaande regel.
b.
het bebouwingspercentage mag maximaal 200Zo bedragen met een maximum van 600 m2; Het bebouwd oppervlak aan bebouwing bedraagt ca. 600 m2. Zoals bij de inleiding beschreven zal de omgevingsvergunning voor het bouwen later aangevraagd worden. Het plan voldoet aan de wijzigingsregel.
Pagina 9
Ruimtelijke onderbouwing Noordeindseweg ten noorden van nr. 57 te Berkel en Rodenrijs
ll m .«I SS w
■41 S'4 1 HP J .éi* ■ IKK 55T
c.
het bebouwingsoppervlak voor bedrijfsbebouwing mag maximaal 2/3 van het totale toegestane bebouwingsoppervlak bedragen; Het toegestane bebouwingsoppervlak bedraagt 2/3 van 600 = 400 m2. Het beoogd bedrijfsoppervlak in het bedraagt ca. 310 m2. Het aandeel van bedrijfsbebouwing blijft derhalve onder 2/3 van het toegestane bebouwingsoppervlak.
d.
de oriëntatierichting van (bedrijfs)woningen moet zijn op de openbare weg, m.n. op de Noordersingel danwel de Noordeindseweg; De beoogde woning zal op de Noordersingel georiënteerd worden. Aan deze regel zal worden voldaan.
e.
er mogen geen nieuwe ontsluitingen over de Noordeindsevaart worden gerealiseerd; Er komt geen nieuwe ontsluiting over de Noordeindsevaart.
f.
daar waar de langs de Noordersingel de bermsloot is verdwenen, dient deze te worden teruggebracht; De bermsloot is ter hoogte van het plangebied niet verdwenen.
g.
eventuele watercompensatie moet bij voorkeur langs de Noordersingel worden gerealiseerd; Voor nadere uitwerking ten aanzien van de waterhuishouding wordt verwezen naar paragraaf 4.18
h.
bedrijfsbebouwing dient (met de nokrichting) dwars/haaks op de Noordersingel te worden gerealiseerd; Bij de definitieve uitvoering van het plan zal aan deze voorwaarden voldaan worden.
i.
(bedrijfs)woningen zijn uitsluitend in vrijstaande vorm toegestaan; Aan deze planregel zal voldaan worden
j.
gebouwen dienen te worden gesitueerd op minimaal 5 m van de naar de Noordersingel toegekeerde perceelgrens en op minimaal 10 m van de naar de Noordeindsevaart toegekeerde perceelsgrens; k. bedrijfsbebouwing mag een maximale gevelbreedte hebben van 12 m; l. bedrijfsbebouwing mag een maximale goothoogte hebben 3,5 m; m. bedrijfsbebouwing mag een maximale bouwhoogte hebben van 5,5 m; n. de afstand van bedrijfsbebouwing tot de zijdelingse perceelgrens moet minimaal 3 m bedragen; o. de afstand van een(bedrijfs)woning tot de zijdelingse perceelgrens moet minimaal 6 m bedragen; p. (bedrijfs)woningen mogen een maximale goothoogte hebben van 7 m; q. (bedrijfs)woningen mogen een maximale bouwhoogte hebben van 11 m; r. bij (bedrijfs)woningen mogen vrijstaande bijgebouwen en overkappingen worden gebouwd, waarvan de bouwhoogte maximaal 3 m mag bedragen; s. (bedrijfs)woningen mogen aangebouwde bijgebouwen en overkappingen worden gebouwd, waarvan de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan de hoogte van de eerste bouwlaag van de woning, vermeerderd met 0,25 m tot een maximum van 4 m; t. de afstand van bij de (bedrijfs)woning behorende bijgebouwen tot de zijdelingse perceelsgrens moet minimaal 3 m bedragen; Voor deze planregels van k tot en met u geldt dat bij de definitieve aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen aan deze regels voldaan zal worden.
Pagina 10
Ruimtelijke onderbouwing Noordeindseweg ten noorden van nr. 57 te Berkel en Rodenrijs
ll m .«I SS w
■41 i'4 1 HP J .éi* ■ IKK 55T
u.
de bestaande doorzichten moeten zoveel mogelijk worden gehandhaafd; Zoals aangegeven bij in paragraaf 2.2 is met de gemeente overleg gevoerd over de stedenbouwkundige invulling van het plan. Er is gekozen voor variant C welke in een later stadium in overleg nog aangepast is. Er wordt derhalve voldaan aan deze regel.
v.
het parkeren moet op eigen terrein worden opgelost. Voor de verantwoording ten aanzien van parkeren wordt verwezen naar paragraaf 4.9
Op basis van bovenstaande conclusies wordt duidelijk dat het plan niet past binnen het bestemmingsplan. Wel voldoet het plan aan de voorwaarden van de wijzigingsbevoegdheid opgenomen in het bestemmingsplan. Om de ontwikkeling mogelijk te maken is derhalve een omgevingsvergunning nodig in afwijking van het bestemmingsplan.
3 Beleidsmatige onderbouwing N.b. Voorliggend plan is als omgevingsvergunning voor 1 januari 2024 ingediend. Het plan is dus ingediend voor inwerkingtreding van de omgevingswet. Op basis van overgangsrecht zal de vergunning onder de oude wetgeving afgehandeld kan worden. Onderstaand is het plan getoetst op basis van de oude wetgeving. Voor het inhoudelijk beleid is wel beoordeeld of het aan het meest recente beleid voldoet.
3.1
Rijksbeleid
3.1.1 Wet ruimtelijke ordening Z Omgevingswet Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden. Deze gaat van een scheiding tussen beleid en normstelling (juridische verankering) uit. Het beleid wordt opgenomen in structuurvisies. De normstelling vindt plaats in het bestemmingsplan en/of in algemene regels die overgenomen moeten worden in bestemmingsplannen. Streekplannen en planologische kernbeslissingen zijn vanaf 1 juli 2008 gelijkgesteld aan structuurvisies. Het overgangsrecht van de Wro regelt dat praktische beleidsbeslissingen van Rijk en provincie overgenomen moeten worden in bestemmingsplannen. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking. De Omgevingswet staat voor een goede balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke omgeving. De Omgevingswet bundelt wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. De nieuwe wet zorgt voor minder maar overzichtelijkere regels, een samenhangende benadering van de leefomgeving, ruimte voor lokaal maatwerk en betere en snellere besluitvorming 3.1.2 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld als rijksstructuurvisie. De NOVI vervangt onder andere de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De NOVI is de langetermijnvisie voor een duurzame fysieke leefomgeving in Nederland.
De NOVI heeft als toekomstperspectief een duurzame leefomgeving waarbij de kwaliteiten van de omgeving worden behouden en versterkt. Daarnaast bestaan ook de Nederlandse uitdagingen van de ruimtelijke inrichting in een klimaatbestendige delta en nauwkeurig gebruik van de schaarse ruimte in Nederland. Deze uitdagingen kunnen worden benaderd door goede samenwerking tussen de verschillende betrokken instanties. De opgaven die voortkomen uit de nationale belangen van het Rijk zijn vertaald in vier integrale prioriteiten:
Pagina 11
Ruimtelijke onderbouwing Noordeindseweg ten noorden van nr. 57 te Berkel en Rodenrijs
ll m .«I SS w
■41 i'4 1 HP J .éi* ■ IKK 55T
Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Duurzaam economisch groeipotentieel Sterke en gezonde steden en regio’s Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Binnen deze prioriteiten zal aandacht zijn voor de onderlinge verwevenheden en spanningen daartussen. Ook is er aandacht voor thema’s en opgaven die daar dwars doorheen lopen, zoals leefomgevingskwaliteit, gezondheid, cultureel erfgoed, water, bodem en (nationale) veiligheid. Binnen de prioriteiten hanteert het Rijk drie afwegingsprincipes die helpen om beleidskeuzes te maken: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal 3. Afwentelen wordt voorkomen Planspecifiek Het planvoornemen is kleinschalig van aard, waardoor de raakvlak met de NOVI nihil is. Hierdoor schaadt het planvoornemen de belangen van de NOVI niet. 3.1.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Om uitvoering te geven aan de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte, is op 30 december 2011 het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Hierin staat een aantal projecten beschreven die van Rijksbelang zijn en waarmee gemeenten rekening dienen te houden bij het vaststellen van bestemmingsplannen en wijzigings- of uitwerkingsplannen. De projecten zijn exact ingekaderd en voorzien van regels, waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen.
Het betreft de onderstaande projecten: ^ Rijksvaarwegen ^ Project Mainportontwikkeling Rotterdam • Kustfundament • Grote rivieren • Waddenzee en waddengebied • Defensie ^ Hoofdwegen en landelijke spoorwegen ^ Elektriciteitsvoorziening • Buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen ^ Natuurnetwerk Nederland ^ Primaire waterkeringen buiten het kustfundament ^ IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte) ^ Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde ^ Ruimtereservering parallelle Kaagbaan Planspecifiek Het planvoornemen valt niet onder de aangegeven projecten zoals benoemd in de Barro. Vanuit de Barro volgen dan ook geen aanvullende randvoorwaarden voor het plan. 3.1.4 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en Ladder voor duurzame verstedelijking Op 1 oktober 2012 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd en is de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ hieraan toegevoegd. Overheden dienen vanwege het gewijzigde Bro nieuwe stedelijke ontwikkelingen te motiveren om tot een nauwkeurige ruimtelijke afweging en inpassing van die nieuwe ontwikkeling te komen. Een precieze benutting van de beschikbare ruimte voor verschillende functies vraagt om een goede onderbouwing van nut en noodzaak van een nieuwe stedelijke ruimtevraag en een nauwkeurige ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling. De ladder voor duurzame
Pagina 12
Ruimtelijke onderbouwing Noordeindseweg ten noorden van nr. 57 te Berkel en Rodenrijs
ll m .«I SS w
■41 i'4 1 HP J .éi* ■ IKK 55T
verstedelijking is verankerd in artikel 3.1.6 van het Bro. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. In de nieuwe systematiek worden de huidige definities niet gewijzigd. De “treden” van de Ladder bevatten wijzigingen: in de nieuwe Ladder zijn de treden 1 en 2 samengevoegd en trede 3 is geschrapt, waardoor er geen sprake meer is van verschillende treden. In artikel 1.1.1 Bro worden relevante begrippen gedefinieerd. Planspecifiek Het planvoornemen voorziet in een stedelijke functie, maar valt in een bestaand stedelijk gebied. Hierdoor voldoet het planvoornemen aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. 3.1.5 Conclusie Rijksbeleid Het planvoornemen voldoet aan de gestelde eisen vanuit het Rijksbeleid.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland De provincie heeft op 25 oktober 2022 de omgevingsvisie geconsolideerd. De nieuwe omgevingswet die per 1 januari 2024 van kracht is schrijft voor dat een provincie één omgevingsvisie en één omgevingsverordening heeft. De omgevingsvisie wordt periodiek geactualiseerd. De meest recente versie is van 01-05-2024. De omgevingsvisie is de opvolger van de provinciale Visie Ruimte en Mobiliteit. In de omgevingsvisie zijn meerdere beleidsvisies gebundeld. Het gaat om de volgende plannen: de provinciale ruimtelijke structuurvisie, artikel 2.2 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het milieubeleidsplan, artikel 4.9 van de Wet milieubeheer (Wm), het regionale waterplan, artikel 4.4 van de Waterwet (Ww), het verkeers- en vervoersplan, artikel 5 van de Planwet verkeer en vervoer, de natuurvisie, artikel 1.7 van de Wet natuurbescherming (Wnb). De omgevingsvisie omvat inhoudelijk geen grote wijzigingen ten opzichte van het voorgaande beleid. Ook is de digitale beschikbaarheid van het beleid via de digitaal raadpleegbare kaarten weer een wezenlijk onderdeel van het beleid. In de Omgevingsvisie zijn zes ambities gedefinieerd. Het zijn zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving. Het zijn abstracte ambities die bij specifieke opgaven ook tot conflicterende belangen kunnen leiden.
Juist de confrontatie in opgave zal leiden tot knelpunten maar ook tot kansen om de opgaven verder te helpen. De zes ambities zijn: ^ Naar een klimaatbestendige delta ^ Naar een nieuwe economie: the next level ^ Naar een levendige meerkernige metropool ^ Energievernieuwing • Best bereikbare provincie • Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving Naast de ambities is het algemene doel van de omgevingsvisie het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit in provincie. Onder ‘omgevingskwaliteit’ wordt het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen verstaan. Het bestaande beleid is hiervoor gebundeld in de Omgevingsvisie. Vervolgens wordt met het oog op de omgevingswet dit verder ontwikkeld. Er komt een omschrijving van de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland. Hierbij wordt een onderverdeling gemaakt in de drie Deltalandschappen, de Zuid-Hollandse steden en de strategische ligging in het internationale netwerk. Daarnaast komt er een leefomgevingstoets. De leefomgevingstoets is agenderend voor verdere beleidsontwikkeling. Tot slot wordt een concrete uitwerking van het beleid opgesteld om de ruimtelijke kwaliteit te verbeteren. Pagina 13
Ruimtelijke onderbouwing Noordeindseweg ten noorden van nr. 57 te Berkel en Rodenrijs
ll m .«I SS w
■41 i'4 1 HP J .éi* ■ IKK 55T
De Omgevingsvisie maakt gebruik van de reeds bestaande integrale kwaliteitskaart opgebouwd uit vier onderliggende kaarten. Dit instrument wordt verder gebruikt in zowel de visie als de verordening. Vanuit de kaart volgen onder andere bepalingen in de verordening (‘handelingskader ruimtelijke kwaliteit’). Voor ontwikkelingen blijft het ‘ja, mits-beleid’ gelden: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit (waarborg ruimtelijke kwaliteit). Zoals aangegeven is in de Omgevingsvisie veel beleid overgenomen en samengevoegd. Het beleid zal met het daarvoor opgesteld instrumentarium, Monitor en Evaluatie Omgevingskwaliteit geactualiseerd worden. Hierbij is het uitgangspunt dat niet al het beleid in één keer geactualiseerd wordt maar op basis van specifieke aanleidingen.
Het samenvoegen van het beleid heeft tot een opsomming van twaalf beleidskeuzes geleid: ^ Beschermen, versterken en beleefbaar maken van de kwaliteit van het landschap, cultuurhistorische waarden en natuurlijke karakteristieken van de leefomgeving; ^ Behouden en versterken van natuurwaarden en het ontwikkelen van voldoende, aantrekkelijk en beleefbaar groen en water, waar mensen met plezier recreëren; ^ Versterken van een vitale, innovatieve en toekomstbestendige regionale economie; ^ Bevorderen van een betrouwbare, duurzame en efficiënte energievoorziening met een minimale uitstoot van broeikasgassen; • Zorgen voor een gezonde en veilige leefomgeving en het beperken van hinder; ^ Bevorderen van een leefomgeving die de gevolgen van klimaatverandering en weersextremen kan opvangen; ^ Duurzaam voorzien in de behoefte aan zoetwater en waarborgen van de beschikbaarheid van voldoende drinkwater; ^ Zorgen voor een duurzaam, veilig en efficiënt gebruik van bodem en ondergrond; ^ Bevorderen van de beschikbaarheid van voldoende passende woningen in een aantrekkelijke leefomgeving, aansluitend op de behoeften van verschillende doelgroepen; ^ Bevorderen van een goede en veilige bereikbaarheid, met een mobiliteitsnetwerk dat keuzevrijheid biedt en aansluit op de behoeften van reizigers en vervoerders; ^ Zorgen voor een zorgvuldig ruimtegebruik en een compact, samenhangend en kwalitatief
hoogwaardig bebouwd gebied; ^ Ondersteunen van cultuurparticipatie en bibliotheken. Van alle beleidskeuzes is aangegeven op basis van welke specifieke beleidsdocumenten die gebaseerd zijn. Deze beleidsdocumenten zijn allemaal apart digitaal beschikbaar gesteld Planspecifiek Het planvoornemen valt niet in een specifiek aangewezen gebied, zoals bedoeld in de Omgevingsvisie Zuid-Holland. Vanuit de Omgevingsvisie wordt Zuid-Holland ingedeeld in vier groepen karakteristieke landschappen. Nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan het in standhouden, benutten, beleven en versterken van de bestaande gebiedskwaliteiten. Het planvoornemen maakt een reguliere woning en een bedrijfsgebouw mogelijk. Zoals aangegeven in paragraaf 2.2 past de ontwikkeling binnen de uitstaling van het gebied. Daarnaast is de beoogde functionele indeling karakteristiek voor het gebied; boerderijen hadden een woondeel aan de Noordeindseweg en een werkdeel in de richting van de Noordersingel. Hierdoor wordt voor een zorgvuldig ruimtegebruik gezorgd en wordt een compacte, samenhangende en kwalitatief hoogwaardige ontwikkeling mogelijk gemaakt die past bij dit gebied.
Pagina 14
Ruimtelijke onderbouwing Noordeindseweg ten noorden van nr. 57 te Berkel en Rodenrijs
ll m .«I SS w
■41 i'4 1 HP J .éi* ■ IKK 55T
3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland De omgevingsverordening is gelijk met de omgevingsvisie op 25 oktober 2022 geconsolideerd. De omgevingsverordening wordt periodiek geactualiseerd. De meest recente versie is vastgesteld op 24 juli 2024. De verordening bevat bindende ruimtelijke regels waar de provincie en gemeenten in ZuidHolland zich aan moeten houden. De doorwerking van de regels is uitgewerkt doordat bestemmingsplannen en daarmee gelijkgestelde ruimtelijke plannen niet in strijd mogen zijn met de verordening. De verordening wordt met een digitale kaart beschikbaar gesteld om per locatie direct inzichtelijk te krijgen welke beleidsregels van toepassing zijn op de specifieke locatie. Ruimtelijke kwaliteit speelt op verschillende niveaus: veelal plekgebonden, maar ook op het niveau van de gehele provincie. Nu de ruimtelijke ontwikkeling sterker wordt bepaald door maatschappelijke, veelal kleinschalige initiatieven, is een gedeeld beeld van de ruimtelijke kwaliteit op regionale schaal van belang. De provincie stelt met het handelingskader ruimtelijke kwaliteit spelregels vast die het bovenlokale, algemene belang borgen en heeft samen met partijen in de regio een kwaliteitsbeeld voor het betreffende gebied geformuleerd (de gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit).
De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact in specifieke gevallen is. In dit licht wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie. Planspecifiek Het planvoornemen voegt zich in de bestaande structuur in het bebouwingslint en kan daarom ingepast worden. “Inpassing betreft een ontwikkeling die sterk aansluit bij de bestaande identiteit en structuur van het landschap, dorp of stad. De ontwikkeling is gebiedseigen, passend bij de schaal en aard van het landschap. Een voorbeeld hiervan is de uitbreiding van een agrarisch bedrijf in het buitengebied, een toevoeging van een woning in een lint of de opknapbeurt van een woonbuurt. Bij inpassing veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks. De rol van de provincie is hier in principe beperkt, behalve in gebieden met bijzondere kwaliteit. Uitgangspunt is dat bij inpassing een ontwikkeling volledig past binnen de relevante richtpunten.” Voor het planvoornemen is de digitale kaart van de provinciale verordening geraadpleegd. Het planvoornemen maakt op basis van de verordening deel uit van het specifiek aangewezen gebied ‘Regionale wateren’ en voor een deel van het gebied van ‘Regionale Waterkeringen’.
Aan het Hoogheemraadschap Delfland een beoordeling gevraagd van zowel de planontwikkeling als de waterparagraaf. Voor de nadere toelichting op het aspect water wordt verwezen naar paragraaf 4.8. Er volgen geen verdere relevante aanwijzingen voor het plangebied ten aanzien van het planvoornemen. 3.2.3 Conclusie provinciaal beleid Het planvoornemen voldoet aan de gestelde eisen van de Omgevingsvisie en Omgevingsverordening van de Provincie Zuid-Holland.
Pagina 15
Ruimtelijke onderbouwing Noordeindseweg ten noorden van nr. 57 te Berkel en Rodenrijs
ll m .«I SS w
■41 i'4 1 HP J .éi* ■ IKK 55T
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1
Omgevingsvisie Lansingerland
De Omgevingsvisie Lansingerland: Verbonden, vindingrijk en gezond is op 24 februari 2022vastgesteld door de gemeente Lansingerland. De gemeente schetst hierin een gewenste ontwikkelingsrichting en een toekomst beeld voor de gemeente. De omgevingsvisie behandelt drie thema’s: Verbonden in de metropool: een toekomstbestendige omgeving, een goede bereikbaarheid en sterke ruimtelijke structuren zijn hierin maatgevende belangen; Vindingrijk en ondernemend: het lokale en regionale ondernemen, een slimme verduurzaming en ‘home of horti’-wetenschap zijn uitdagingen die de gemeente Lansingerland voorziet in de toekomst; Gezond samen leven: ontwikkelingen met karakter, gezonde levensstijl in een passende omgeving en een sterke samenleving met oog voor mensen zijn speerpunten die de gemeente Lansingerland belangrijk vindt. Planspecifiek Het planvoornemen valt in twee van de drie thema’s: verbonden in de metropool en gezond samenleven. Onder deze thema’s zijn voor het planvoornemen zijn de volgende ruimtelijke kenmerken van toepassing: De lange linten; Versterken groenblauwnetwerk. De lange linten Het doel van het kenmerk ‘De lange linten’ is een levendig lint waarin mensen kunnen wonen en ontspannen. Voor het lint wordt gestreefd naar een gezonde en veilige samenleving, in een mooie groene omgeving met een passend woningaanbod.
De ambities van het buurtschap ‘Noordeinde’ zijn het behouden van de watergangen en het behouden van de identiteit van het lint. Het planvoornemen maakt geen fysieke wijziging aan de watergangen mogelijk. Daarnaast schikt het planvoornemen zich aan de (historische) identiteit van het lint, zoals aangegeven in paragraaf 2.2. Er kan worden geconcludeerd dat het planvoornemen de ambities van het kenmerk ‘De lange linten’ niet schaadt. Versterken groenblauwnetwerk Het doel van de ruimtelijke structuren en de ruime groengebieden is om een aantrekkelijke en groene woon- en werkomgeving naar een hoger niveau te brengen, zodat deze gebieden en structuren klaar zijn voor de toekomst. Voor de gemeente Lansingerland is om nieuwe oost-westverbindingen te realiseren. Hiervoor wordt de verbinding richting de Groenzoom versterkt. In dit gebied ligt ook de nadruk op extensieve recreatie, waarbij recreatieve natuurwaarden met water- en groenverbindingen hand in hand gaan met het verhogen van de biodiversiteit. Daaraan gekoppeld is natuurrecreatie en -educatie. De rust en de geluiden van de natuur dienen als geluidprofiel voor de ‘Groenzoom’ evenals andere gewenste milieunormen. In hoofdstuk 4 wordt onderbouwd dat het planvoornemen de belangen van de Omgevingsvisie op het gebied van biodiversiteit niet schaadt.
Het planvoornemen maakt geen intensieve bedrijvigheid mogelijk, waardoor de recreatieve natuurwaarden met water- en groenverbindingen niet worden geschaad.
Pagina 16
Ruimtelijke onderbouwing Noordeindseweg ten noorden van nr. 57 te Berkel en Rodenrijs
ll m .«I SS w
■41 i'4 1 HP J .éi* ■ IKK 55T
Daarnaast worden de zichtlijnen op de Noordersingel en de Noordeindseweg niet onevenredig aangetast door het planvoornemen. Er kan worden geconcludeerd dat de planontwikkeling de belangen van het kenmerk ‘Versterken groenblauwnetwerk’ niet schaadt. 3.3.2 Woonvisie 2021 - 2025 Gemeente Lansingerland De woonvisie 2021 - 2025 is door de gemeente Lansingerland vastgesteld in juli 2021. Met de woonvisie wilt de gemeente haar visie en beleid uitdragen op het (beleids)vlak van woningbouw, woonomgeving, woningen en doelgroepen van het woonbeleid. In de woonvisie zijn drie pijlers opgenomen: een plek voor iedereen, fijn en toekomstbestendig wonen en wonen in verbondenheid. Een plek voor iedereen Dit beleidsdoel gaat in op het behouden en/of vergroten van een variërend aanbod. Met dit beleidsdoel wordt extra aandacht besteed aan de vraag voor betaalbare huurwoningen. De gemeente Lansingerland wil een aantrekkelijke gemeente zijn voor gezinnen, maar ook voor ouderen en jongeren. De gemeente wil daarnaast inspelen op woonwensen van bijzondere doelgroepen zoals statushouders en woonwagenbewoners die zich in de toekomst in de gemeente willen vestigen. Fijn en toekomstbestendig wonen Dit beleidsdoel gaat in op een aantrekkelijk en gevarieerd woonmilieu, waarbij dorpse en landelijke woonmilieus belangrijk zijn voor prettig wonen.
Daarnaast is een veilige woonomgeving ook van belang, waarbij sociale verbondenheid een rol speelt. De gemeente wil hoge duurzaamheidsstandaarden hanteren bij het bouwen van nieuwe woningen. Hierin is de bewonerstevredenheid een grote drijfveer van het beleid. Wonen in verbondenheid Dit beleidsdoel gaat in op het samenbrengen van verschillende organisaties en bewoners, zodat woningbouw een gemeenschappelijke opgave wordt. Hierin is het thema ‘Wonen’ die in de toekomst belangrijk zal blijven. Dit thema staat in verband met duurzaamheid, economie en andere opgaven van de fysieke leefomgeving. Planspecifiek Het planvoornemen voorziet in de bouw van een bedrijfsgebouw en een reguliere woning die qua functionele indeling aansluiten op de identiteit van het bebouwingslint. Het planvoornemen voorziet in een kleinschalige woon- en werkomgeving (‘een plek voor iedereen’). Het bedrijfsgebouw en de reguliere woning worden daarnaast gasloos uitgevoerd conform de wet VET, waardoor aandacht is voor duurzaamheid (‘fijn en toekomstbestendig wonen’). De beoogde kavelopzet en de ruimtelijke kwaliteit zorgen voor een prettig en gevarieerd en veilig woon- en werkmilieu met een dorps en landelijk karakter. 3.3.3 Welstandsnota De Welstandsnota (hierna: Nota) van de gemeente Lansingerland is op 28 februari 2012 vastgesteld door het college van burgemeesters en wethouders.
De Nota gaat in op het ruimtelijke kwaliteitsbeleid om een aantrekkelijke parkstad te zijn waarin wonen, werken en recreëren van goede kwaliteit is. De Nota is bedoeld om te kunnen beoordelen of bouwplannen voldoen aan redelijke eisen van welstand. De welstandscriteria zijn gericht op de zijden van het bouwwerk die vanuit openbaar toegankelijk gebied zichtbaar zijn. Enkele ambities van het welstandsbeleid zijn: Lintbebouwing: de lintbebouwing moet herkenbaar blijven; Bestaande wijken: nieuwe woningbouwontwikkelingen moeten plaatsvinden in bestaande wijken.
Pagina 17
Ruimtelijke onderbouwing Noordeindseweg ten noorden van nr. 57 te Berkel en Rodenrijs
ll m .«I SS w
■41 i'4 1 HP J .éi* ■ IKK 55T
-
Duurzaamheid: ruimte voor duurzaamheidsvoorzieningen; Water: water moet beleefbaar en zichtbaar blijven
Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen per welstandsgebied vallen onder verschillende welstandsniveaus. De gemeente neemt per welstandsniveau verschillende houdingen aan ten behoeve van de beoordeling van een ruimtelijke ontwikkeling. Planspecifiek Het planvoornemen voorziet in de bouw van een bedrijfsgebouw en een reguliere woning die qua functionele indeling aansluiten op de identiteit van het bebouwingslint. In afbeelding 8 is de indeling van gebieden te zien waarvoor de Welstandsnota criteria heeft opgesteld. Historische polderlinten Historische dijklinten Historische kernen Rijtjes aan straten (1950-1970) Stroken en blokken (1960-1975) Woonerven (1970-1990) Woongebieden na 1985 Woon- en werklinten in het glastuinbouwgebied Bedrijventerreinen Agrarisch gebied Recreatie- en sportgebieden Ontwikkelingsgebied Transformatiegebied
Afbeelding 8: Welstandsgebieden. Plangebied aangeduid met witte cirkel Bron: Welstandsnota Lansingerland 2012.
Pagina 18
Ruimtelijke onderbouwing Noordeindseweg ten noorden van nr. 57 te Berkel en Rodenrijs
ll m .«I SS w
■41 i'4 1 HP J .éi* ■ IKK 55T
Het planvoornemen valt in een historisch polderlint. Dit lint is als welstandsniveau ‘bijzonder’ gekarakteriseerd, zie afbeelding 9. De beoordeling voor dit welstandsniveau is gericht op het stimuleren van de beeldkwaliteit. Het planvoornemen moet voldoen aan verschillende dragende kwaliteiten en ordenende principes die voor het welstandsniveau en -gebied gelden. De gebiedsgerichte criteria staan in relatie met de omgeving, in relatie met het bouwwerk en in relatie met detaillering, materiaal- en kleurgebruik. In paragraaf 2.2 is verantwoord dat het planvoornemen goed inpasbaar is in het historische polderlint. Het bouwplan zal worden ingepast in de omgeving. Daarnaast wordt het planvoornemen getoetst door de welstandscommissie aan de criteria uit de Welstandsnota.
i 1
YZZA n
Welstandsvnj Vnj met excessen regeling
Licht Bijzonder Ontwikkelingsgebied Transformatieçļebied Woonwijken vrij met excessenreşeling
Afbeelding 9: Welstandsniveaus. Plangebied aangeduid met witte cirkel. Bron: Welstandsnota Lansingerland 2012.
Pagina 19
Ruimtelijke onderbouwing Noordeindseweg ten noorden van nr. 57 te Berkel en Rodenrijs
ll m .«I SS w
■41 i'4 1 HP J .éi* ■ IKK 55T
3.3.4 Geactualiseerde Beleidsnota Archeologie Lansingerland De Beleidsnota Archeologie Lansingerland (hierna: Nota) van de gemeente Lansingerland is op 7 maart 2017 vastgesteld door de gemeenteraad en dient als een herziening om het oude archeologische beleid op enkele punten te herzien. De oude archeologische beleidskaart gaf gebieden aan met een te hoge archeologische waarde, terwijl uit archeologisch onderzoek bleek dat deze naar laag of afwezig kon worden bijgesteld. De doelstellingen van de Nota zijn als volgt: 1. Een beknopt inzicht geven in het geldende Rijks- en Provinciale archeologiebeleid; 2. Aangeven met welke wettelijke verplichtingen de gemeente rekening dient te houden; 3. Weergeven welke archeologische verwachtingen er zijn in Lansingerland. 4. De aanwezige archeologische verwachtingen vertalen in archeologisch beleidsadviezen en vrijstellingen; 5. Het verankeren van deze archeologische beleidsadviezen, door ze op een kaart te verbeelden (zie de zogenaamde archeologische beleidsadvieskaart); 6. Het benoemen en helder maken van overige beleidskeuzes; 7. Het verschaffen van inzicht in de organisatorische gevolgen die samenhangen met de archeologische adviezen en overige gemaakte beleidskeuzen; Planspecifiek Het planvoornemen valt in Zone VI van de actuele archeologische beleidskaart (2017), zie afbeelding 10:
Afbeelding 10: Uitsnede archeologische beleidskaart van de gemeente Lansingerland, planlocatie rood omlijnt. Bron: Afdeling Erfgoed Gemeente Delft. Er geldt een middelhoge verwachting uit het Neolithicum vanaf 2,5 m-mv. Daarnaast geldt een vrijstelling van archeologisch onderzoek als er meer wordt gebouwd dan 1000 m2. Het plangebied beslaat circa 600 m2 aan bebouwing. In paragraaf 4.7 is verantwoord dat archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is. Op basis van bovenstaande informatie kan worden geconcludeerd dat het planvoornemen de archeologische waarden niet schaadt en daarom voldoet aan de Nota.
Pagina 20
Ruimtelijke onderbouwing Noordeindseweg ten noorden van nr. 57 te Berkel en Rodenrijs
ll m .«I SS w
■41 i'4 1 HP J .éi* ■ IKK 55T
3.3.5 Erfgoedverordening Gemeente Lansingerland De Erfgoedverordening Gemeente Lansingerland (hierna: Erfgoedverordening) is vastgesteld op 15 november 2016. De erfgoedverordening regelt de aanwijzingen van gemeentelijke monumenten en zorgt voor het behoud van een (archeologisch) monument dat betekenisvol is voor de wetenschap of van cultuurhistorische waarde is. Planspecifiek Het planvoornemen voorziet in een nieuwe ontwikkeling op een braakliggend perceel. In de omgeving zijn twee gemeentelijke monumenten te vinden: een vrijstaand herenhuis aan de Noordeindseweg 51 53 en een vrijstaand woonhuis aan de Noordeindseweg 52. Het planvoornemen schaadt het zicht op deze monumenten niet. Daarnaast maakt het planvoornemen geen fysieke wijziging mogelijk aan een bestaand monument. Er kan worden geconcludeerd dat wordt voldaan aan de Erfgoedverordening van de gemeente Lansingerland. 3.3.6 Conclusie gemeentelijk beleid Het planvoornemen voldoet aan de gestelde eisen van het gemeentelijk beleid.
Pagina 21
Ruimtelijke onderbouwing Noordeindseweg ten noorden van nr. 57 te Berkel en Rodenrijs
ll m .«I SS w
■41 i'4 1 HP J .éi* ■ IKK 55T
4 Milieutechnische uitvoerbaarheid Een ruimtelijke onderbouwing voor een omgevingsvergunning moet voorzien in een goede ruimtelijke ordening, zoals de Wro ex art 3.1 stelt. De invulling van dit vereiste is in de jurisprudentie verder gepreciseerd. Onderstaand is per woon- en omgevingsaspect beoordeeld of en wat voor een wijziging er optreedt en of een goed woon- en leefklimaat voor zowel de omgeving als het plangebied zelf gegarandeerd is.
4.1
Bedrijven en milieuzonering
Een goede ruimtelijke ordening beoogt het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen), worden hinder en gevaar beperkt of voorkomen en wordt het voor bedrijven of woonfuncties mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Om dit gestandaardiseerd te kunnen beoordelen zijn in de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering richtafstanden opgesteld. Deze afstanden geven voor gemiddelde bedrijfssituaties aan op welke afstand geen hinder is te verwachten. De meer verfijnde afstemming voor de beperking of voorkoming van milieuhinder vindt vervolgens plaats in het kader van de Wet milieubeheer. Planspecifiek Het planvoornemen ligt in polderlint met gemengde functies, waaronder woningen en bedrijven. Het gebied is te typeren als gemengd, waardoor de minimaal aan te houden afstand 10 meter is op basis van een milieucategorie 2. Deze milieucategorie komt veelvuldig voor in de omgeving. In onderstaande alinea’s is het planvoornemen gesplitst in twee type functies: het bedrijfspand en de reguliere woning Reguliere woning Ten noorden, ten zuiden en ten zuidoosten van het plangebied liggen bedrijven met een milieucategorie 2.
Het bedrijf ten zuidoosten van het plangebied heeft een functieaanduiding waarbinnen een specifieke vorm van detailhandel is toegestaan (metaalwaren). Dit bedrijf ligt op meer dan 10 meter afstand tot het plangebied, waardoor het bedrijf niet wordt belemmerd door de woning in het planvoornemen en vice versa. In afbeelding 11 is aangetoond dat de woning aan alle zijden tenminste 10 meter van de perceelsgrens is gelegen. Op circa 22 meter ligt een glastuinbouwbestemming met een milieucategorie van 2. De minimaal aan te houden afstand tussen het planvoornemen en de glastuinbouwbestemming is 10 meter. De afstand tussen het planvoornemen en de bedrijfsbestemming is zodanig dat beiden geen belemmering voor elkaar vormen. Bedrijfsgebouw Het bedrijfsgebouw zal een invulling krijgen die voldoet aan maximaal milieucategorie 2. In de wijzigingsbevoegdheid zoals beschreven in paragraaf 2.3 kunnen de gronden gewijzigd worden naar een bedrijf van maximaal milieucategorie 2 voor zover die zijn opgenomen in de staat van bedrijfsactiviteiten behorende bij het bestemmingsplan. Aan deze voorwaarde zal voldaan worden bij de uiteindelijke invulling van de bedrijfsbebouwing. Het nieuwe bedrijfsgebouw wordt in een gemengd gebied mogelijk gemaakt. Voor bedrijven met een milieucategorie van 2 geldt een aan te houden richtafstand van 10 meter.
De locatie van de voorgenomen bedrijfsbestemming ligt op meer dan 10 meter afstand ten opzichte van omliggende woonbestemmingen en de reguliere woning. Zie hiervoor de navolgende afbeelding. Hierdoor is het bedrijfsgebouw met een milieucategorie van 2 inpasbaar in de omgeving.
Pagina 22
Ruimtelijke onderbouwing Noordeindseweg ten noorden van nr. 57 te Berkel en Rodenrijs
ll m .«I SS w
■41 i'4 1 HP J .éi* ■ IKK 55T
Afbeelding 11: Milieuzonering van het plangebied en de omliggende bedrijven. Bron: Oosterlaan architecten Op basis van voorgaande kan worden geconcludeerd dat het aspect ‘Bedrijven en milieuzonering’ geen belemmering oplevert voor het planvoornemen.
4.2 Geluidhinder In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt ernaar gestreefd om de geluidhinder als gevolg van spoor-, wegverkeer of industrie te beperken. Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn er normen gesteld tot welke maximale geluidsniveaus geluidgevoelige functie belast mogen worden. De Wgh geeft ook aan in welke situaties door onderzoek aangetoond moet worden of aan deze normen voldaan kan worden. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening en bijbehorende jurisprudentie zijn aanvullende onderzoek verplichtingen gesteld. Planspecifiek Het planvoornemen voorziet onder andere in het mogelijk maken van een geluidgevoelige bestemming langs een weg waarbij 50 km/h of harder mag worden gereden. Om aan te tonen of wordt voldaan aan de Wet geluidhinder is een akoestisch onderzoek uitgevoerd, zie bijlage 2. De conclusie luidt als volgt:
Pagina 23
Ruimtelijke onderbouwing Noordeindseweg ten noorden van nr. 57 te Berkel en Rodenrijs
ll m .«I SS w
■41 i'4 1 HP J .éi* ■ IKK 55T
Aan de Noordeindseweg wordt een vrijstaande woning met bedrijfsruimte gerealiseerd. Alleen het wegverkeer op de Noordeindseweg leidt tot een relevante geluidbelasting. De voorkeursgrenswaarde wordt met maximaal 8 dB overschreden op de voorgevel van de woning. De achtergevel is geluidluw met Lden = 41 dB. Maatregelen om de geluidbelasting te verlagen zijn mogelijk zoals het aanbrengen van bijvoorbeeld SMA 0/5. Deze maatregel stuit op financiële bezwaren, het gaat slechts om een woning. Een geluidscherm is stedenbouwkundig niet aanvaardbaar. Aan de eisen uit het Hogere waardenbeleid wordt voldaan; er is een geluidluwe gevel en een geluidluwe buitenruimte. Voor de geluidbelasting vanwege het wegverkeer op de Noordeindseweg dient B&Ween hogere waarde te verlenen van Lden = 56 dB. Op basis van het akoestisch onderzoek moet een Hogere waarde worden verleend voor het plan door het college van burgemeesters en wethouders van de gemeente Lansingerland. Wanneer de Hogere Waarde verleend wordt voor het plan vormt het aspect ‘Geluidhinder’ geen belemmering voor het planvoornemen.
4.3
Ecologie
4.3.1
Flora en Fauna
In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet bepaald worden of een plan geen nadelige effecten heeft voor beschermde plant- en diersoorten in en nabij het plangebied. Indien de ontwikkeling verstoring of uitroeiing van beschermde soorten kan ínhouden dient onderzocht te worden of eventuele soorten aanwezig zijn. Wanneer dit het geval is moet tevens aangetoond worden middels welke ingrepen deze verstoring voorkomen wordt dan wel gecompenseerd. Planspecifiek Het planvoornemen maakt een reguliere woning en een bedrijfsgebouw mogelijk. Vastgesteld dient te worden of soorten worden bedreigd door de planontwikkeling. Voor deze vaststelling is een Quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd, zie bijlage 3. De conclusie van deze quickscan is als volgt: Conclusie De beoogde nieuwbouw op het perceel aan de Noordeindseweg ong. te Berkel en Rodenrijs is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro). Uitvoerbaarheid De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen.
Vervolgstappen De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden (soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden). Derhalve is het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet noodzakelijk. Te treffen maatregelen ^ Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht).
Pagina 24
Ruimtelijke onderbouwing Noordeindseweg ten noorden van nr. 57 te Berkel en Rodenrijs
ll m .«I SS w
■41 i'4 1 HP J .éi* ■ IKK 55T
^
^
•
•
Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel).
Het onderdeel ‘Flora en Fauna’ van het aspect ‘Ecologie’ vormt op basis van de Quickscan Wet natuurbescherming geen belemmering voor het planvoornemen. 4.3.2 Stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden Op 15 juni 2015 is het Programma Aanpak Stikstof (PAS) vastgesteld. Het PAS bevat maatregelen die leiden tot een afname van stikstofdepositie en maatregelen die leiden tot een versterking van de natuurwaarden in de Natura 2000-gebieden. Een gedeelte van de toekomstige afname van stikstofdepositie kan vervolgens worden opgevuld door economische activiteiten die leiden tot een toename van stikstofdepositie. In de praktijk blijkt echter dat de afname van stikstofdepositie als gevolg van de maatregelen niet gegarandeerd kan worden. Daarom heeft op 29 mei 2019 de Raad van State een uitspraak gedaan waarin de Raad oordeelt dat het PAS niet als basis voor toestemming voor activiteiten mag worden gebruikt. Het uitgangspunt is sindsdien nog steeds dat voor nieuwe initiatieven aangetoond moet worden dat er geen significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofemissies en deposities ontstaan als gevolg van het initiatief. Het instrument waarmee de stikstof berekend kan worden is de AERIUS Calculator (update april 2023). Op 10 maart 2021 is een nieuwe Stikstofwet vastgesteld en op 18 juni 2021 het besluit gepubliceerd die de wet nader uitwerkt.
De Wet stikstofreductie en natuurverbetering regelt onder meer drie resultaatsverplichtingen voor stikstofreductie: in 2025 moet minimaal 400Zo van het areaal van de stikstofgevoelige natuur in beschermde Natura 2000-gebieden een gezond stikstofniveau hebben; in 2030 minimaal de helft en in 2035 minimaal 7407o. Als gevolg van deze maatregelen gelden er nieuwe uitgangspunten voor een stikstofberekening. Het besluit over deze wet is per 1 juli 2021 inwerking getreden. In de Stikstofwet is in artikel 2.9a een uitzondering opgenomen voor de tijdelijke extra stikstofuitstoot bij bouwwerkzaamheden, de zogenaamde bouwvrijstelling. Stikstof dat vrijkomt bij de bouw, sloop en eenmalige aanleg van bouwwerken en infrastructuur wordt niet meegerekend bij de informatie die ten grondslag ligt aan het verlenen van een vergunning. Op 2 november 2022 deed de Raad van State de uitspraak dat de bouwvrijstelling niet voldoet aan het Europees natuurbeschermingsrecht dat vereist dat individuele beschermde natuurgebieden geen schade oplopen, en niet op een hoger schaalniveau gekeken mag worden naar maatregelen die bovendien onzeker zijn qua uitvoering. Dit betekent dat ook bouwactiviteiten getoetst dienen te worden aan lokale stikstofgevolgen bij de vergunningsaanvraag.
Pagina 25
Ruimtelijke onderbouwing Noordeindseweg ten noorden van nr. 57 te Berkel en Rodenrijs
ll m .«I SS w
■41 i'4 1 HP J .éi* ■ IKK 55T
Planspecifiek Het plan ligt op minimaal 10 kilometer afstand en op maximaal 20 kilometer tot een Natura 2000-gebied, zie afbeelding 12:
Afbeelding 12: Afstand plangebied (rood contour) tot Natura 2000-gebieden. Bron: PDOK.
Voor de stikstofdepositie op Natura-2000 gebieden is een AERIUS-berekening uitgevoerd. De AERIUSberekening is als rapportage opgenomen in bijlage 5. De conclusie luidt: De berekeningsresultaten dateren van 3 juli 2023. De AERIUS Calculator-versie 2022.1 (april 2023) is voor de berekeningen gebruikt. De belangrijkste resultaten zijn: ^
Er vindt geen stikstofdepositie plaats op Natura 2000-gebieden door de gebruiksfase en de bouwfase;
•
Zowel de bouwfase als de gebruiksfase voldoen aan de norm van 0,00 mol N/ha/j.
Op basis van bovenstaande conclusie vormt het onderdeel ‘Stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden’ van het aspect ‘Ecologie’ geen belemmering voor het planvoornemen.
4.4 Bodem Het is wettelijk geregeld (Wbb en bouwverordening) dat bouw pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen, als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Indien sprake is van een verdachte locatie dient onderzocht te worden in welke mate de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Planspecifiek Het planvoornemen maakt een reguliere woning mogelijk op een agrarische bestemming. Voor deze functiewijziging is een verkennend bodemonderzoek nodig. Dit onderzoek is uitgevoerd, zie bijlage 4. De conclusie van dit onderzoek luidt: Conclusie Op basis van de resultaten van het verkennend onderzoek wordt het volgende geconcludeerd: • De bovengrond is licht verontreinigd met koper, molybdeen, lood, PAK en kwik;
Pagina 26
Ruimtelijke onderbouwing Noordeindseweg ten noorden van nr. 57 te Berkel en Rodenrijs
ll m .«I SS w
■41 i'4 1 HP J .éi* ■ IKK 55T
^ In de ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetroffen; ^ Het grondwater is licht verontreinigd met nikkel, zink en barium. De hypothese onverdacht voor bodemverontreiniging wordt verworpen, aangezien in de bovengrond en in het grondwater enkele gehalten verhoogd ten opzichte van de achtergrond- en streefwaarden zijn aangetoond. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt worden geen bezwaren verwacht voor het verstrekken van een omgevingsvergunning en voortzetten van het huidige gebruik. Opgemerkt wordt dat indien bijvoorbeeld bij herinrichtingswerkzaamheden grond vrijkomt die niet ter plaatse kan worden hergebruikt er restricties gelden ten aanzien van het hergebruik. Aanbevelingen Geadviseerd wordt om onderhavige rapportage in het kader van de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor te leggen aan het bevoegd gezag met het verzoek of zij kunnen instemmen met de resultaten en conclusies. Op basis van bovenstaande conclusie vormt het aspect ‘Bodem’ geen belemmering voor het planvoornemen.