[I25.04107] Archeologisch en cultuurhistorisch vooronderzoek Lies Frankenweg 129 juni 2023
Tekst van het document
Archeologisch en cultuurhistorisch vooronderzoek Lies Frankenweg 1 te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland Ruimtelijk advies op basis van bureau- en veldonderzoek
Rapportnummer:
V2436
Projectnummer:
V23-5353
Status en versie:
Definitief, versie 2.0
In opdracht van:
Gemeente Lansingerland
Rapportage:
Plaats en aanleverdatum:
Amersfoort, 29 juni 2023
Datum en autorisatie:
Senior KNA Archeoloog Z Senior KNA Prospector, actor 29 juni 2023
Niets uit dit werk mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke andere wijze dan ook, daaronder mede begrepen gehele of gedeeltelijke bewerking van het werk, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Vestigia BV Vestigia BV Spoorstraat 5 3811 MN Amersfoort telefoon 033 277 92 00 info@vestigia.nl
V23-5353: Archeologisch en cultuurhistorisch vooronderzoek Lies Frankenweg 1 te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland
Locatiegegevens Toponiem Z locatie Plaats
Lies Frankenweg 1 Berkel en Rodenrijs
Gemeente Provincie Oppervlakte plangebied Oppervlakte onderzoeksgebied Diepte grondwerkzaamheden RD-coördinaten van het plangebied
Lansingerland Zuid-Holland Ca. 0,25 ha Ca. 0,25 ha Nog onbekend (nieuwbouw) 90.890 Z 444.685
Opdracht Initiatiefnemer Opdrachtgever Adres Telefoon
Gemeente Lansingerland Gemeente Lansingerland Postbus 1 2650 AA Berkel en Rodenrijs 010 800 4000
Uitvoering Soort onderzoek
Zaakidentificatienummer (Archis)
BO - Bureauonderzoek IVO-O Inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen (verkennende fase) 5397974100
Uitvoerder Beheerdocumentatie Projectleider
Vestigia Archeologie 1& Cultuurhistorie Vestigia Archeologie 1& Cultuurhistorie
Projectmedewerkers
MA (Senior KNA BO Archeoloog/KNA prospector MA, actor (Senior adviseur cultuurhistorie) MSc (KNA prospector MA, actor
Datum uitvoering veldonderzoek
23 maart 2023
Bevoegd Gezag Bevoegd Gezag
Adviseur Depot
Gemeente Lansingerland Postbus 1 2650 AA Berkel en Rodenrijs Erfgoed Delft Provinciaal depot Zuid-Hollland
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2436, definitief, versie 2.0, d.d. 29 juni 2023
2
V23-5353: Archeologisch en cultuurhistorisch vooronderzoek Lies Frankenweg 1 te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland
Inhoudsopgave
Samenvatting en advies (LS06)........................................................................................................................... 5 Onderbouwing advies......................................................................................................................................... 7 Projectomgeving........................................................................................................................................ 7 1 1.1 Afbakening plangebied en consequenties toekomstig gebruik (LS01)..............................................7 1.2 Onderzoeksdoel en -methode........................................................................................................... 7 2 Archeologisch verwachtingsmodel............................................................................................................ 9 2.1 Beleid................................................................................................................................................. 9 2.2 Verwachtingsmodel........................................................................................................................... 9 2.2.1 2.2.2 2.2.3 2.2.4 2.2.5
Natuurlijk landschap (LS04)....................................................................................................................... 9 Historisch landschap (LS02, LS03, LS04)................................................................................................ 10 Archeologische waarden (LS04).............................................................................................................. 17 Tweede Wereldoorlog.............................................................................................................................. 21 Gespecificeerde archeologische verwachting....................................................................................... 21
2.3 Advies vervolgonderzoek (LS05)...................................................................................................... 22 3 Inventariserend veldonderzoek en veldverkenning................................................................................. 23 3.1 Doelstelling...................................................................................................................................... 23 3.2 Toegankelijkheid van het onderzoeksgebied.................................................................................. 23 3.3 Onderzoeksmethode ...................................................................................................................... 23 3.4 Resultaten veldonderzoek............................................................................................................... 23 3.5 Conclusies veldonderzoek............................................................................................................... 25 3.6 Conclusie en aanbevelingen op basis van hetveldonderzoek..........................................................26 4 Inventarisatie en waardering cultuurhistorie..........................................................................................
27 4.1 Beleid................................................................................................................................................27 4.1.1 4.1.2 4.1.3
4.2 4.3
Wettelijk kader ................................................................................................................................... 27 Provinciaal beleid ................................................................................................................................ 27 Gemeentelijk kader ............................................................................................................................ 27
Werkwijze.........................................................................................................................................28 Beschrijving huidige situatie............................................................................................................ 28 4.3.1 4.3.2 4.3.3 4.3.4
4.4
Algemeen.................................................................................................................................................... 28 Molenaarswoning...................................................................................................................................... 30 Molenrestant..............................................................................................................................................34 Erf en atelier............................................................................................................................................... 34
Waardering molenaarswoning, molenrestant en erf...................................................................... 40 4.4.1 4.4.2 4.4.3
Architectuur- en bouwhistorische waarden.......................................................................................... 40 Ensemble- en landschappelijke waarden...............................................................................................41 Waarden vanuit de algemene historie engebruikshistorie.................................................................41
4.5 Conclusie en aanbevelingen ........................................................................................................... 41 Literatuur......................................................................................................................................................... 42 Digitale bronnen............................................................................................................................................... 42 Afbeeldingen ................................................................................................................................................... 43 Tabellen.............................................................................................................................................................44 Bijlagen en kaarten........................................................................................................................................... 44
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2436, definitief, versie 2.0, d.d. 29 juni 2023
3
V23-5353: Archeologisch en cultuurhistorisch vooronderzoek Lies Frankenweg 1 te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland
ENDA
5353/FvP
plangebied Luchtfoto
Afbeelding 1 Ligging plangebied op de meest actuele luchtfoto. Bron: PDOK.
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2436, definitief, versie 2.0, d.d. 29 juni 2023
4
V23-5353: Archeologisch en cultuurhistorisch vooronderzoek Lies Frankenweg 1 te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland
Samenvatting en advies (LS06) In opdracht van de gemeente Lansingerland heeft Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie een aanvullend archeologisch inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen uitgevoerd voor een plangebied aan de Lies Frankenweg 1 te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland (afbeelding 1, kaart 1). Tevens zijn door middel van een cultuurhistorische inventarisatie en waardering de cultuurhistorische waarden in kaart gebracht. Binnen dit plangebied is de ontwikkeling van vier woonkavels voorzien. Een concreet inrichtingsplan is nog niet bekend. Op dit moment is nog niet duidelijk of de molenaarswoning en het aan de zuidzijde van het plangebied gelegen atelier gesloopt zullen worden. Voorafgaand aan de ontwikkelingen dient in kaart te worden gebracht of er binnen het plangebied mogelijk archeologische en cultuurhistorische waarden in het geding zijn. Gezien de aard van de verwachte ingrepen (nieuwbouw) zullen deze mogelijk tot in het relevante archeologische niveau reiken. Tevens diende onderzocht te worden of de herinrichting en eventuele sloop van de bestaande bebouwing gevolgen heeft voor eventuele cultuurhistorische waarden.
Het plangebied valt binnen het ontwikkelingsgebied 'Westpolder I Bolwerk deelplan 4-West, deelplan 6 & Rand Bolwerk', waarvoor in 2020 door Vestigia een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen is uitgevoerd (IVO-O).1 Het onderhavige plangebied is daarbij niet onderzocht, omdat destijds de betredingstoestemming ontbrak. Het plangebied valt wel binnen het voorafgaande bureauonderzoek uit 2020.2 Het onderhavige archeologisch onderzoek richtte zich in eerste instantie op het uitvoeren van het booronderzoek ter completering van het onderzoek uit 2020. Daarnaast bestond bij aanvang van het onderhavige onderzoek de kans dat zich binnen het plangebied mogelijk nog resten van historische bebouwing zouden kunnen bevinden. Het ging dan met name om de locatie en datering van de nog bestaande molenaarswoning (met eventuele voorgangers). De vraag was of de bestaande molenaarswoning het zelfde gebouw is dat al is afgebeeld op de Kadastrale Minuut van 1811-1832. Daarnaast is op historisch kaartmateriaal (op de Kadastrale Minuut, maar ook op ouder kaartmateriaal) een molen zichtbaar. Deze zou door de vader van de huidige eigenaar zou zijn gesloopt. De meest geëigende opsporingsmethode is een onderzoek door middel van proefsleuven, maar dat is op dit moment nog niet mogelijk, al was het maar vanwege de vele bomen op het terrein.
Om alvast een eerste op het onderhavige plangebied toegesneden advies hieromtrent te kunnen geven, is er een aanvullende cultuurhistorische inventarisatie en waardering door middel van een veldverkenning uitgevoerd. Ondanks dat beide aspecten archeologie en cultuurhistorie in deze rapportage afzonderlijk worden behandeld, moet worden benadrukt dat er een inhoudelijke en visuele relatie is tussen de cultuurhistorische en archeologische waarden (ensemblewaarde): de molenaarswoning, de oude bomen (restant boomgaard) rondom de molenaarswoning en de ondergrondse resten van de molen. Advies archeologie Op basis van het aanvullende inventariserend veldonderzoek door middel van boringen en een veldverkenning is vastgesteld dat de bevindingen geen aanleiding geven tot vervolgonderzoek naar een archeologische vindplaats uit de periodes van vóór de inpoldering. Binnen het plangebied zijn nog wel de resten van een molen in de ondergrond aanwezig. Geadviseerd wordt om bij de planvorming deze resten ongestoord in de bodem te laten. Indien dit niet mogelijk is, wordt geadviseerd om een proefsleuvenonderzoek uit te voeren om de molen nader te karteren en te waarderen, met als doel om te bepalen of de resten nog behoudenswaardig zijn of dat deze te slecht zijn geconserveerd.
Mogelijk kunnen de resten nog zichtbaar worden gemaakt, en/of kan de molenlocatie als inspiratie dienen voor het ruimtelijk ontwerp
1 Weerheijm/Van Puijenbroek 2021. 2 Weerheijm/Picard/Van Puijenbroek 2020.
VESTIGIA Archeologie ă Cultuurhistorie, rapport V2436, definitief, versie 2.0, d.d. 29 juni 2023
5
V23-5353: Archeologisch en cultuurhistorisch vooronderzoek Lies Frankenweg 1 te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland
Naschrift archeologie De adviseur van het bevoegd gezag, Erfgoed Delft, heeft per mail d.d. 15 juni 2023 aangegeven in te kunnen stemmen met het advies om de vindplaats van de molen in de bodem te behouden, en indien dit niet mogelijk is, een vervolgonderzoek d.m.v. proefsleuven uit te voeren. Voor de periodes van voor de inpoldering is er geen verwachting meer. Advies cultuurhistorie De molenaarswoning is niet meer volledig gaaf en kent veel latere aanpassingen. De molenrestant is alleen landschappelijk herkenbaar als verhoging in het erf, de architectuur- en bouwhistorische waarden zijn daardoor onbekend. Echter, vanwege de uniciteit (het betreft één van de drie molens van de Westpolder) en vanwege de ouderdom (vroeg 19e eeuws of ouder) worden deze onderdelen hoog en zeer hoog (het oorspronkelijk deel van de molenaarswoning) gewaardeerd. Het atelier betreft een karakteristieke, maar architectuur- en bouwhistorisch afwijkende, toevoeging uit de jaren '50 aan het ensemble. De huidige erfgrens dateert van vóór 1832 en kent een kenmerkende dichte groene erfafscheiding van geriefhout, daterend van ná de ontmanteling van de molen. De inrichting van het erf is niet meer oorspronkelijk, maar er staan nog wel enkele oude (fruit)bomen die passen bij de boomgaard die een deel van het erf had in 1832. Vanwege de ouderdom van enkele onderdelen op het erf wordt deze als hoog gewaardeerd.
De ensemblewaarde betreft de inhoudelijke en visuele samenhang tussen de objecten onderling. Deze is met name aanwezig tussen de molenaarswoning, de oude bomen (restant boomgaard) rondom de molenaarswoning en de nabijgelegen verhoging met daarin de ondergrondse resten van de molen. Ze hebben een hoge ensemblewaarde omdat ze één van de laatste onderdelen zijn van het historische polder en waterbeheer van de 18e-eeuwse Westpolder van Berkel. De sterke en hoge begroeiing draagt echter niet bij aan de inhoudelijke leesbaarheid van het ensemble; de windmolen had genoeg windvang nodig en dus zal de begroeiing in het verleden veel beperkter zijn geweest. De landschappelijke waarde betreft de waterstaatsfunctie van het molenensemble binnen het hiërarchisch samenhangend waternetwerk van het waterbeheer: van poldersloten (diepste niveau), naar tochten en boezemvaarten (hoogste niveau). De nog aanwezige watergang en dijkrestant net buiten het plangebied en de lage ligging van het plangebied als onderdeel van de droogmakerij, dragen bij aan de herkenbaarheid van de functie, maar het dempen van de boezem en de sterke begroeiing heeft de (landschappelijke) herkenbaarheid van de functie van het ensemble in het waterbeheer sterk aangetast: redelijk hoge waarde.
Het onderzoek heeft zich toegespitst op een algemene waardestelling van de onderdelen op het gehele terrein om een advies te kunnen geven over de behoudenswaardigheid van de verschillende onderdelen in het kader van de voorgenomen ontwikkelingen van woningbouw. Het interieur is hierbij buiten beschouwing gelaten. De molenaarswoning en molenrestant zijn opgenomen in het gemeentelijk beleid als cultuurhistorisch waardevol object. Hieraan is geen beleid verbonden. Uit het onderzoek komt naar voren dat de locatie met name zeer waardevol is vanwege de bouwhistorische waarde van het oudste gedeelte van de molenaarswoning, de oorspronkelijke erfgrens, enkele oude bomen en de cultuurhistorische betekenis van de molenaarswoning en molenrestant als dragers van de laatste restanten van de geschiedenis van het waterbeheer in de Westpolder. Voor de toekomstige ontwikkelingen (mogelijk sloop en nieuwbouw) wordt daarom geadviseerd het oudste deel van de molenaarswoning, de molenrestant en de oude bomen te behouden in de huidige staat, te restaureren en beter herkenbaar en toegankelijk te maken. Indien gebouwde onderdelen worden gesloopt, wordt geadviseerd ze volledig te documenteren.
De hoog gewaardeerde onderdelen (eerste aanbouw molenaarswoning, erf en erfgrensbegroeiing) zouden zoveel mogelijk ontwikkelingsgericht benut dienen te worden in het toekomstig ontwerp (thema waterbeheer) en de redelijk hoog gewaardeerde onderdelen (atelier, gebruiksvoorwerpen, overige erfbeplanting en tuinaanleg) zoveel mogelijk als inspiratie voor het ontwerp te worden gebruikt (thema kunstbeoefening en creatieve activiteiten).
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2436, definitief, versie 2.0, d.d. 29 juni 2023
6
V23-5353: Archeologisch en cultuurhistorisch vooronderzoek Lies Frankenweg 1 te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland
Onderbouwing advies 1 1.1
Projectomgeving Afbakening plangebied en consequenties toekomstig gebruik (LS01)
In opdracht van de gemeente Lansingerland heeft Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie een aanvullend archeologisch inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen uitgevoerd voor een plangebied aan de Lies Frankenweg 1 te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland (afbeelding 1, kaart 1). Tevens zijn door middel van een cultuurhistorische inventarisatie en waardering de cultuurhistorische waarden in kaart gebracht. Binnen dit plangebied is de ontwikkeling van vier woonkavels voorzien. Een concreet inrichtingsplan is nog niet bekend. Op dit moment is nog niet duidelijk of de molenaarswoning en het aan de zuidzijde van het plangebied gelegen atelier gesloopt zullen worden. Voorafgaand aan de ontwikkelingen dient in kaart te worden gebracht of er binnen het plangebied mogelijk archeologische en cultuurhistorische waarden in het geding zijn. Gezien de aard van de verwachte ingrepen (nieuwbouw) zullen deze mogelijk tot in het relevante archeologische niveau reiken. Tevens diende onderzocht te worden of de herinrichting en eventuele sloop van de bestaande bebouwing gevolgen heeft voor eventuele cultuurhistorische waarden.
Het plangebied valt binnen het ontwikkelingsgebied 'Westpolder Z Bolwerk deelplan 4-West, deelplan 6 & Rand Bolwerk', waarvoor in 2020 door Vestigia een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen is uitgevoerd (IVO-O).3 Het onderhavige plangebied is daarbij niet onderzocht, omdat destijds de betredingstoestemming ontbrak. Het plangebied valt wel binnen het voorafgaande bureauonderzoek uit 2020.4 Het onderhavige archeologisch onderzoek richtte zich in eerste instantie op het uitvoeren van het booronderzoek ter completering van het onderzoek uit 2020. Daarnaast bestond bij aanvang van het onderhavige onderzoek de kans dat zich binnen het plangebied mogelijk nog resten van historische bebouwing zouden kunnen bevinden. Het ging dan met name om de locatie en datering van de nog bestaande molenaarswoning (met eventuele voorgangers). De vraag was of de bestaande molenaarswoning het zelfde gebouw is dat al is afgebeeld op de Kadastrale Minuut van 1811 1832. Daarnaast is op historisch kaartmateriaal (op de Kadastrale Minuut, maar ook op ouder kaartmateriaal) een molen zichtbaar. Deze zou door de vader van de huidige eigenaar zou zijn gesloopt. De meest geëigende opsporingsmethode is een onderzoek door middel van proefsleuven, maar dat is op dit moment nog niet mogelijk, al was het maar vanwege de vele bomen op het terrein.
Om alvast een eerste op het onderhavige plangebied toegesneden advies hieromtrent te kunnen geven, is er een aanvullende cultuurhistorische inventarisatie en waardering door middel van een veldverkenning uitgevoerd.
1.2
Onderzoeksdoel en -methode
Doel van het archeologisch vooronderzoek is vast te stellen of er in het plangebied sprake is (of kan zijn) van archeologische resten die door de ingrepen verstoord dreigen te worden en, indien mogelijk, uitspraken te doen over de waarde hiervan in termen van fysieke en inhoudelijke kwaliteit zoals zeldzaamheid en gaafheid. Hiertoe is in 2020 een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd, op basis waarvan voor het plangebied een specifiek archeologisch verwachtingsmodel was opgesteld. Vervolgens is deze verwachting in het veld getoetst door middel van een verkennend booronderzoek en een veldverkenning. Op basis van de resultaten van het onderzoek is tenslotte een advies geformuleerd in het kader van de cyclus van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Het onderzoek is uitgevoerd conform de Kwaliteitsnorm
3 Weerheijm/Van Puijenbroek 2021. 4 Weerheijm/Picard/Van Puijenbroek 2020.
VESTIGIA Archeologie ă Cultuurhistorie, rapport V2436, definitief, versie 2.0, d.d. 29 juni 2023
7
V23-5353: Archeologisch en cultuurhistorisch vooronderzoek Lies Frankenweg 1 te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland
Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1), protocol 4002 Bureauonderzoek en protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek. Omdat de huidige molenaarswoning als cultuurhistorisch waardevol is aangemerkt, is tevens een cultuurhistorische inventarisatie uitgevoerd, met als doel de waarden van de molenaarswoning, de molenrestant en het erf in beeld te brengen. Op basis hiervan is een advies gevormd voor een eventueel vervolgtraject. Bij de uitgevoerde inventarisatie en het door ons geformuleerde advies zijn zoveel mogelijk de richtlijnen voor cultuurhistorische inventarisaties van de RCE gevolgd.5
5 https://landschapinnederland.nl/over-landschap/vakgebieden.
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2436, definitief, versie 2.0, d.d. 29 juni 2023
8
V23-5353: Archeologisch en cultuurhistorisch vooronderzoek Lies Frankenweg 1 te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland
2
Archeologisch verwachtingsmodel
Zoals vermeld is in 2020 een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor het ontwikkelingsgebied 'Westpolder I Bolwerk deelplan 4-West, deelplan 6 & Rand Bolwerk', waarbinnen het onderhavige plangebied is gelegen. In 2021 is een booronderzoek uitgevoerd waarbij door ontbreken van de betredingstoestemming het onderhavige plangebied niet is onderzocht. Voor het gemak van de lezer wordt hieronder een korte samenvatting gegeven van deze onderzoeken, waarbij specifiek wordt ingezoomd op het verwachtingsmodel voor het onderhavige plangebied. 2.1
Beleid
De gemeente Lansingerland beschikt over een archeologische beleidskaart, geactualiseerd in 2016. Op de
archeologische beleidskaart ligt het plangebied binnen twee zones: "Zone III" en "Zone IV". Voor Zone III geldt een hoge archeologische verwachting. Deze verwachting is gebaseerd op bewoningslinten en kades, maar ook historische kaarten zoals die van Kruikius (1712) en de kadastrale minuut (1811-1832). Zone IV betreft een middelhoge archeologische verwachting. Deze categorie bestaat uit restanten van veenpakketten in het zuiden van de gemeente. Het plangebied ligt binnen het bestemmingsplan Westpolder Z Bolwerk 2012 (2013).6 Voor gronden met beleidsmaatregel Zone IV is de dubbelbestemming archeologie 3 opgenomen. Voor gronden met deze dubbelbestemming geldt dat bodemroerende ingrepen dieper dan 0,3 meter beneden maaiveld, vergunningplichtig zijn vanuit de archeologie wanneer deze een oppervlakte beslaan van 500 m2 of meer. Voor gronden met beleidsmaatregel Zone III is geen specifieke dubbelbestemming opgenomen. Dit komt doordat molens en historische erven pas met de actualisatie van de gemeentelijke beleidskaart in 2016 zijn toegevoegd. Het vigerende bestemmingsplan is opgesteld in 2013.
2.2 2.2.1
Verwachtingsmodel Natuurlijk landschap (LS04)
Voor het plangebied is zoals vermeld in 2020 een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Hieronder volgt voor het gemak van de lezer een samenvatting. Voor de volledige tekst en afbeeldingen wordt verwezen naar het betreffende bureauonderzoek. In de omgeving van het plangebied liggen in de diepere ondergrond rivierafzettingen die zijn gevormd tijdens de laatste ijstijd. Deze liggen op een diepte van circa 16-17 meter beneden NAP (ca. 9-12 m -mv).7 Op een aantal plaatsen liggen door de wind gevormde rivierduincomplexen (donken) op deze afzettingen. Hier komt het Pleistocene oppervlak dichter onder maaiveld voor. Deze duinen waren gedurende het Mesolithicum (tussen 8000 en 5000 voor Christus) gunstige droge bewoningsplaatsen in de natte delta. De grootste rivierduincomplexen liggen voor zover bekend alleen in het zuiden van de gemeente.8 9 Volgens de geologische kaart uit 2017 ligt het plangebied op de grens van een zone aan de zuidzijde waar zich een restant van afgegraven Hollandveen in de bouwvoor bevindt, op de mariene getijdenafzettingen van het Laagcomplex van Delfland^Laagpakket van Wormer, en waar de top van de zandafzettingen van het Laagpakket van Delfland en/of de Laag van Rijswijk dieper liggen dan 5 m -NAP. Aan de noordzijde ligt
6 https://www.ruimtelijkeplannen.nl/; NL.IMRO.1621.BP0104-VAST. 7 GeoTOP (www.dinoloket.nl). 8 Kok 1998; Hijma 2009 - Addendum 1 profiel B/C ; archeologische verwachtingskaart Lansingerland. 9 Vos 2017, 11; Laagpakket van Delfland: volgens de oude terminologie Duinkerke 0 en Calais II t/m IV; een nieuwe eenheid voor mariene getijdenafzettingen die ingebed liggen tussen één of meerdere Hollandveenlagen, onder het Laagcomplex van Westland. De eenheid vat de lagen samen die op een diepte liggen van ca. 3,5 m en 10 m -NAP. De eenheid bestaat overwegend uit klei dat lokaal (nabij de paleogeulen) wordt afgewisseld met gelaagde zandige afzettingen.
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2436, definitief, versie 2.0, d.d. 29 juni 2023
9
V23-5353: Archeologisch en cultuurhistorisch vooronderzoek Lies Frankenweg 1 te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland
het plangebied in een zone waar het Laagcomplex van Delfland aan het maaiveld ligt, en waar de top van de zandafzettingen van het Laagcomplex van Delfland of de Laag van Rijswijk dieper liggen dan 5 m -NAP. Op de geomorfologische kaart is het plangebied gekarteerd als een getij-inversierug. Op de bodemkaart is het plangebied grotendeels gekarteerd als tochteerdgronden. Tochteerdgronden zijn kleibodems met een humeuze bovenkant die aanwezig zijn in droogmakerijen. Volgens de bodemkaart ligt het plangebied op de rand van grondwatertrap III en V. Grondwatertrap III heeft een Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) binnen 40 cm beneden het maaiveld, en een Gemiddeld Laagste Grondwaterstand (GLG) tussen 80 en 120 cm -mv. Voor grondwatertrap V geldt een GHG ondieper dan 40 cm -mv, en een GLG dieper dan 120 cm. Tijdens het booronderzoek van 2020 kon er niet worden geboord binnen het onderhavige plangebied vanwege het ontbreken van de betredingstoestemming. Wel is er aan de west- en oostzijde geboord binnen de zone die als getij-inversierug is gekarteerd (destijds bekend als 'Rand Bolwerk') en ten noorden ervan,
het deelgebied 'Deelplan 6'. Een significant gedeelte van het betreffende plangebied was destijds opgehoogd als voorbelasting van de ondergrond. Het was daardoor, ook met het gebruik van een mechanische aqualock boor, niet altijd mogelijk om de boringen te zetten. Direct onder de recent opgebrachte ophoging bevond zich een verstoorde bovenlaag. Gezien de aanwezigheid van puin en geglazuurd aardewerk/bloempot zal dit in de recente tijd zijn gebeurd. Daarnaast heeft het plaatsen van de voorbelasting al in zekere mate het gewenste effect gehad, namelijk het laten zetten van de ondergrond ten behoeve van de bouw. In het zuidelijk deel van het plangebied is voornamelijk zwak siltige klei en kleiig rietveen aangetroffen. In slechts twee boringen ging het om bosveen. Ook binnen dit gedeelte gaat het dus om eutroof veen dat wordt gevoed door een getijdensysteem. Omdat er zoveel zwak siltige klei is aangetroffen zal het gaan om het buitengebied met weinig tot geen actieve stromingen. In het buitengebied zal weinig bewoning hebben plaatsgevonden aangezien het plangebied regelmatig kon overstromen en het grondwater hoog lag. De sedimenten waren, afgezien van de delen die waren voorbelast, slap en zeer onontwikkeld. Er is in dit deel van het plangebied wel zandige klei aangetroffen, maar dit was uitsluitend in het westelijk deel van het plangebied.
Deze zone zal dichterbij een kreek hebben gelegen. Desondanks zijn er in deze kreekoeverafzettingen geen archeologische potentieel waardevolle lagen aangetroffen met rijping of humusaanrijking, lak- of archeologische lagen. Het is daarom waarschijnlijk dat deze afzettingen nooit lang aan het oppervlak hebben gelegen. Zodoende zijn deze gebieden archeologisch weinig interessant. Tijdens het onderzoek bij het direct zuidelijk gelegen deelplan 7 werden geen aanwijzingen van bodemvorming aangetroffen; de daarbij tussen een tweetal geulen gelegen gebieden waren te nat voor bewoning. Het plangebied deelplan 6 Z Rand Bolwerk lijkt dus nog verder in de periferie te hebben gelegen. In vergelijking met het onderzoek bij deelplan 7 heeft het plangebied een lagere verwachting, aangezien het verder van de Gantel afligt. De zandige afzettingen zijn, in tegenstelling tot het onderzoek bij deelplan 7, hier alleen aangetroffen in boring 4577014.
2.2.2
Historisch landschap (LS02, LS03, LS04)
Historisch-geografische ontwikkeling (LS03) Voor de historisch-geografische gegevens is gebruik gemaakt van: ^ De kaart van 't Hooge Heemraedschap van Delflant door Kruikius uit 1712, via TU-Delft; ^ de Kaart van Droogmakinge van Noord-, Zuid en Westpolders onder Berkel, Rodenrijs en Tempel door D. Graat, 1776 via het Nationaal Archief, Den Haag (Provinciaal Bestuur Zuid-Holland: Kaartencollectie Ernsting, voor 1850, nummer toegang 4.ZHPB4, inventarisnummer 85); ^ de Kadastrale Minuut 1811-1832, gemeente Berkel, sectie B, blad 03 via de Beeldbank van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed; ^ en de website Topotijdreis van het Kadaster.
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2436, definitief, versie 2.0, d.d. 29 juni 2023
10
V23-5353: Archeologisch en cultuurhistorisch vooronderzoek Lies Frankenweg 1 te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland
Het dorp Berkel ontstond in de 10e eeuw in de veengebieden van Holland. Het grondgebied werd vanuit een lange as in cultuur gebracht: de as Berkel - Rodenrijs - Noordeinde. De ontginningen in het gebied van Berkel en Rodenrijs begonnen ten zuiden van Berkel, waarbij de gegraven waterloop de Leede als ontginningsas diende. Ook de Rotte functioneerde als ontginningsbasis. Door slootjes te graven, zodat het natte gebied kon afwateren, werd de drassige grond rijp gemaakt voor landbouw en veeteelt. De boerderijen werden vooraan op de kavels gesitueerd, bij de ontginningsbasis. Daardoor kwamen langgerekte boerderijlinten tot stand, zoals nog te zien is in het oude centrum van Berkel en Rodenrijs. Het landschap dat aan het eind van de ontginningsfase was ontstaan, bestond uit een lappendeken van aan elkaar grenzende, agrarische polders. Deze waren verschillend van grootte, maar steeds op dezelfde manier verkaveld in lange, evenwijdige percelen en steeds omgeven door dijken en kades met een wetering erlangs. De ontgonnen gebieden waren aanvankelijk zeer geschikt als landbouwgrond. Het veen klonk echter in als gevolg van de ontwatering en oxideerde als gevolg van akkerbouw. De bodemdaling maakte na verloop van tijd akkerbouw onmogelijk, waarna men omschakelde op veeteelt. Daarnaast nam de vraag naar turf toe.
Het inwoneraantal in de omliggende steden Delft, Gouda en Rotterdam nam in de 14e eeuw toe. Hierdoor steeg in het bos-arme West Nederland ook de vraag naar turf als brandstof. Het veen werd dus weggegraven om opgestookt te worden, niet alleen in woonhuizen, maar ook in bierbrouwerijen, zoutziederijen, blekerijen, ververijen, steenbakkerijen, enz. Aanvankelijk werd bij de vervening het veen vanaf het maaiveld weggegraven tot aan de grondwaterspiegel. Toen omstreeks 1530 de 'baggerbeugel' werd uitgevonden, kon men nog dieper graven. Het landschap veranderde hierdoor ingrijpend: de veenpolders, ruim 4 m diep uitgebaggerd, veranderden in watervlaktes. Het water bedreigde door golfafslag dijken, polderkaden, wegen en de dorpen. Daarom werd omstreeks 1776 besloten, in Berkel en Rodenrijs de Noord-, West- en Zuidpolder droog te malen met behulp van windmolens (droogmakerijen). De vroegste betrouwbare kaart met betrekking tot het plangebied is de kaart van Kruikius uit 1712. Op deze kaart zijn binnen het plangebied geen boerderijen, molens of andere objecten te zien (afbeelding 2). Op de kaart Droogmakinge van Noord-, Zuid en Westpolders onder Berkel, Rodenrijs en Tempel door D. Graat, 1776 (afbeelding 3), is binnen het plangebied een molen afgebeeld.
De West-, Noord- en Zuidpolder werden tussen 1772 en 1776 drooggemalen met drie windmolens met schepraderen.10 Door de drie molens strategisch te plaatsen (twee aan de rand van de polder en één er middenin), konden ze na drooglegging dienst blijven doen voor de afwatering van de polder. De molen in het plangebied betreft de middenmolen, ook wel Molen van de Westpolder of Kerfwateringse molen genoemd, een achtkante bovenkruier.11 De Westpolder viel onder het waterschap Polder Berkel, dat in 1976 opging in het Hoogheemraadschap van Delfland. In de digitale archieven is weinig te vinden over deze molen, behalve enkele afbeeldingen (afbeelding 4 en 5). Op afbeelding 5 (waarvan de datering 1689 onjuist is, of het een andere molen betreft) is ook de een molenaarswoning en hooiberg zichtbaar. De uiterlijke kenmerken van de molenaarswoning kloppen niet (meer?) met de huidige situatie zoals beschreven in Hoofdstuk 4. Op de kadastrale minuut 1811-1832 (minuutplan Berkel, sectie B, blad 03; afbeelding 6) is binnen het plangebied ongeveer op de zelfde locatie als de huidige bebouwing een langwerpig gebouw zichtbaar, en een molen. De percelen zijn in eigendom van De droogmakerij van Berkel en betreffen een tuin (845), een boomgaard (846) en de watermolen en het erf (847). Op het erf staan naast de molenaarswoning nog twee kleine bijgebouwen (zonder aanduiding) aangegeven.
In de tweede helft van de 19e eeuw werd een vijzelmolen bijgebouwd, om de capaciteit van de drie molens te vergroten. Pas nadat deze in 1882 vervangen was door een vijzelstoomgemaal (zie ook afbeelding 6) en vervolgens in 1926 was omgebouwd tot ruwoliegemaal, konden de windmolens definitief worden afgebroken. Dit gebeurde rond 1928.12
10 Nota Cultuurhistorie Plus 2012, p. 13. 11 https://allemolens.nl 12 https://www.molendatabase.org/molendb.php?step=details&tbnummer=01162.
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2436, definitief, versie 2.0, d.d. 29 juni 2023
11
V23-5353: Archeologisch en cultuurhistorisch vooronderzoek Lies Frankenweg 1 te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland
Afbeelding 2 Kaart van 't Hooge Heemraedschap van Delflant door Kruikius uit 1712. Bron: TU-Delft.
Afbeelding 3 Kaart van Droogmakinge van Noord-, Zuid en Westpolders onder Berkel, Rodenrijs en Tempel door D. Graat, 1776. Bron:het Nationaal Archief, Den Haag (Provinciaal Bestuur Zuid-Holland: Kaartencollectie Ernsting, voor 1850, nummer toegang 4.ZHPB4, inventarisnummer 85)
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2436, definitief, versie 2.0, d.d. 29 juni 2023
12
V23-5353: Archeologisch en cultuurhistorisch vooronderzoek Lies Frankenweg 1 te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland
Afbeelding 4 Afbeelding van de middelste molen in de Westpolder. Datering onbekend. Bron: allemolens.nl.
Afbeelding 5 Schilderij met de (door het archief gegeven?) titel: 1689 "Middelste" molen, in Westpolder in polder Berkel, 1990. Bron: Archief Hoogheemraadschap van Delfland
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2436, definitief, versie 2.0, d.d. 29 juni 2023
13
V23-5353: Archeologisch en cultuurhistorisch vooronderzoek Lies Frankenweg 1 te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland
LEGENDA
5353/FvP
plangebied
Afbeelding 6 Verzamelplan en Kadastrale Minuut 1811-1832, gemeente Berkel, sectie B, blad 03. Bron: Beeldbank van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed.
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2436, definitief, versie 2.0, d.d. 29 juni 2023
14
5353/FvP
V23-5353: Archeologisch en cultuurhistorisch vooronderzoek Lies Frankenweg 1 te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland
Afbeelding 7 Chromotopografische kaart, situatie rond 1900. Bron: website Topotijdreis, Kadaster.
EN DA
5353/FvP
plangebied
Afbeelding 8 Chromotopografische kaart, situatie rond 1950. Bron: website Topotijdreis, Kadaster.
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2436, definitief, versie 2.0, d.d. 29 juni 2023
15
5353/FvP
V23-5353: Archeologisch en cultuurhistorisch vooronderzoek Lies Frankenweg 1 te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland
Afbeelding 9 Chromotopografische kaart, situatie rond 1975. Bron: website Topotijdreis, Kadaster.
plangebied
ennjs Westpo/der I
/-Jlİ
■Esri'ijlįder-lañdlÎK'ādaster; Q dméţântlfkaa r.tiG d' İ768.000.)TWegeiīil®aií««'iĩ Ĩ00
91İ00
m
5353/FvP
II
Afbeelding 10 Chromotopografische kaart, situatie rond 2000. Bron: website Topotijdreis, Kadaster.
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2436, definitief, versie 2.0, d.d. 29 juni 2023
16
V23-5353: Archeologisch en cultuurhistorisch vooronderzoek Lies Frankenweg 1 te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland
De grote ontwikkelingen in Berkel beginnen vanaf het begin van de 20e eeuw (Afbeelding 7-10). In 1908 werd de spoorlijn Rotterdam Hofplein - Den Haag Laan van NOI aangelegd, dwars door de Westpolder. De tuinbouw langs de Berkelse vaarten ontwikkelde zich razendsnel en werd de toekomst van Berkel en Rodenrijs. Na de Tweede Wereldoorlog gaat de groei van Berkel en Rodenrijs snel. Naast de schaalvergroting van de kas-tuinbouw vanaf 1940-1950, wordt ook op grote schaal woningbouw gepland. In eerste instantie breidde Berkel zich voornamelijk oostwaarts van het historische centrum uit, vanaf 1975 voornamelijk noordwaarts. Vanaf 1990 wordt de Westpolder in westelijke richting voor nieuwbouw ontwikkeld. Ter verbetering van de bereikbaarheid en aantrekkelijkheid van de nieuwe wijk, werd in 2008 het station Berkel Westpolder geopend. Bouwhistorische waarden Binnen het plangebied liggen geen rijksmonumenten en geen gemeentelijke monumenten. De molenrestant en de molenaarswoning zijn binnen het gemeentelijk erfgoed- en welstandsbeleid aangewezen als cultuurhistorisch waardevolle objecten. Zie verder Hoofdstuk 4, Inventarisatie en Waardering Cultuurhistorie. Huidig situatie (LS02) Momenteel is het plangebied deels bebouwd en begroeid met bomen. Historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03) Voor het plangebied bestaan geen aanwijzingen voor grootschalige verstoringen.
Op de Verstoringsbronnenkaart van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en BIS Nederland zijn ter hoogte van het plangebied geen vergraven gronden gekarteerd; wel ligt het plangebied in een '20e eeuws landinrichtingsproject', een ruilverkaveling tussen 1950-1959.13 Bij het Bodemloket zijn geen gegevens geregistreerd voor het gebied.14
2.2.3
Archeologische waarden (LS04)
Voor de archeologische gegevens is het Archeologisch Informatiesysteem (Archis) geraadpleegd, dat alle geregistreerde archeologische monumenten, onderzoeken en vondstlocaties bevat (kaart 3). Archeologische monumenten zijn terreinen met een (hoge/zeer hoge) archeologische waarde, die ofwel fysiek (wettelijk en juridisch) beschermd worden, ofwel een planologische bescherming hebben waarbij in het bestemmingsplan voorschriften voor het gebruik zijn opgenomen. Vondstlocaties zijn locaties waar archeologische vondsten zijn gedaan. Deze zijn al dan niet gekoppeld aan een archeologisch onderzoek. Binnen het plangebied zijn geen archeologische monumenten of vondstlocaties geregistreerd. Ten noorden van het plangebied zijn drie vondstlocaties geregistreerd met Zaak ID 2092613100,13 15 en 14 een vondstlocatie met Zaak ID 2212047100.16 Van noord naar zuid: Binnen deelplan 4-West ligt de vondstlocatie met Zaak ID 2212047100 en objectnr. Vondstlocatie 1083763. Hier is bij een booronderzoek in 1999 (Noordrand III) houtskool in boringen
aangetroffen. Deze vindplaats wordt 'vindplaats 2' genoemd in BOOR rapport 52, en op stratigrafische gronden gedateerd in het Neolithicum. Deze vondstlocatie is op de gemeentelijke beleidskaart als puntlocatie met de aanduiding Zone I opgenomen. De vindplaats is destijds in eerste instantie gelokaliseerd tijdens de veldkartering van 1988, en in 1999 door middel van raaien
13 Deze kaart is een selectie uit het bestand 'Vergraven Gronden', van WUR. In 2012 is er door Alterra een GIS-bestand samengesteld met een overzicht van grondbewerkingen, ophogingen en afgravingen, waarbij de opbouw van het bodemprofiel tot ten minste 40 cm diepte is gewijzigd. Hiervoor is informatie opgevraagd bij instanties en organisaties die werkzaamheden (laten) uitvoeren en/of administreren in verband met vergunningverlening en instanties die landgebruik in kaart brengen. 14 https://www.bodemloket.nl/. 15 Visscher 1990. 16 Peters 2000.
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2436, definitief, versie 2.0, d.d. 29 juni 2023
17
V23-5353: Archeologisch en cultuurhistorisch vooronderzoek Lies Frankenweg 1 te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland
-
-
-
boringen nader in kaart gebracht. Tijdens het booronderzoek van 2020 is het gebied rondom vindplaats 2 verder gekarteerd; hierbij zijn geen indicatoren aangetroffen. Iets ten zuiden daarvan, nog steeds binnen deelplan 4-West bij de Stationssingel, ligt Zaak ID 2092613100, met objectnr. Vondstlocatie 1055671. Bij een veldkartering in 1988 is hier een stuk vuursteen gevonden, met de brede datering paleolithicum-IJzertijd, verder geen gegevens. Net ten zuiden van de Stationssingel, in deelplan 6, staat Zaak ID 2092613100, met eveneens Zaak ID 2092613100, en objectnr. voor de vondstlocatie 1055670. Volgens de toelichting is hier een scherf Paffrath aardewerk gevonden uit de Late Middeleeuwen. Verder naar het zuiden, binnen deelplan 6, ligt de derde vondstlocatie met Zaak ID 2092613100, en objectnr. 1055669: dit keer twee stuks vuursteen, met een datering Neolithicum ('afval') en een datering Paleolithicum-IJzertijd (type onbekend).
Binnen een straal van 500 m rondom het plangebied zijn nog drie vondstlocaties geregistreerd die afkomstig zijn van de zelfde grootschalige onderzoeken: Bij de Victor van Vrieslandsingel aan de oostzijde van het plangebied ligt Zaak ID 2092613100 en objectnr. 1055672: bij de veldkartering in 1988 is hier een scherf Pingsdorf aardewerk gevonden. bij de Westpolderstraat aan de oostzijde van het plangebied ligt Zaak ID 2212047100 (objectnr.vondstlocatie 1083764), waar bij het booronderzoek in het kader van het hierboven reeds genoemde onderzoek Noordrand III houtskool in boringen is aangetroffen. Deze vindplaats wordt 'vindplaats 3' genoemd in het BOOR rapport 52, en op stratigrafische gronden gedateerd in het Neolithicum. aan de oostzijde van het plangebied bij de huidige Alet Schoutensingel ligt nog een vondstlocatie met dit zelfde Zaak ID nummer (objectnr.vondstlocatie 1055673): bij de veldkartering in 1988 is hier een scherf Paffrath aardewerk gevonden uit de Late Middeleeuwen. Binnen een straal van 300 meter rondom het plangebied zijn in Archis 17 onderzoeken geregistreerd. Het gaat daarbij om één bureauonderzoek ten behoeve van de gemeentelijke verwachtings/beleidskaart, een bureauonderzoek, elf booronderzoeken, één proefsleuvenonderzoek, twee (veld)karteringen en twee archeologische begeleidingen (tabel 1). Archis3 zaakID
Archis 2 OMG
Jaar
Type onderzoek
Toponiem
Plaats
2026022100
10140
1995
Booronderzoek
nvt
nvt
2073919100
13327
2005
Veldkartering
Westpolder/ Bolwerk, hoofdstructuurelement LOLL5
Berkel en Rodenrijs
2092613100
5390
1988
Veldkartering
Oude Leede
nvt
2101311100
14763
2005
Booronderzoek
Zuidpolder
Delfgauw
2118055100
17153
2006
Booronderzoek
Boezemkering
Berkel en Rodenrijs
2148885100
21558
2007
Begeleiding
AHR-leidingtrace Berkel & Rodenrijs-Delft
Pijnacker
2157365100
22736
2007
Booronderzoek
Industrieweg 113/119
Berkel en Rodenrijs
2175330100
25324
2007
Begeleiding
AHR-leidingtrace Berkel & Rodenrijs-Delft
Pijnacker
2206783100
29869
2003
Booronderzoek
Polder Oudeland
Berkel en Rodenrijs
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2436, definitief, versie 2.0, d.d. 29 juni 2023
18
V23-5353: Archeologisch en cultuurhistorisch vooronderzoek Lies Frankenweg 1 te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland
2209204100
30204
2008
Booronderzoek
Industrieweg 119
Berkel en Rodenrijs
2212047100
30561
1999
Booronderzoek
Noordrand III
Berkel en Rodenrijs
2221354100
31895
2008
Booronderzoek
Wijk Westpolder
Berkel en Rodenrijs
2264090100
37871
2009
Verwachtingskaart
BO t.b.v. verwachtings- en beleidskaart
Berkel en Rodenrijs
2310584100
44248
2010
Proefsleuven
Westpolder/Bolwerk, deelplan scope 2
Berkel en Rodenrijs
2364109100
51335
2012
Booronderzoek
Westpolder I Bolwerk deelplan 7
Berkel en Rodenrijs
2412944100
57685
2013
Booronderzoek
Leeweg 23b
Berkel en Rodenrijs
4891383100
2020
Bureauonderzoek
Westpolder I Bolwerk deelplan 4-West, deelplan 6 â Rand Bolwerk
Berkel en Rodenrijs
4918429100
2020
Booronderzoek
Westpolder I Bolwerk deelplan 4-West, deelplan 6 â Rand Bolwerk
Berkel en Rodenrijs
Tabel 1 In Archis geregistreerde onderzoeken binnen een straal van 300 meter rondom het plangebied. Bron: RCE|Archis3. Het plangebied valt zoals vermeld binnen de begrenzing van een bureauonderzoek (Zaak ID 4891383100) en een booronderzoek uit 2020 (Zaak ID 4918429100) in het kader van de ontwikkeling van de deelgebieden Westpolder I Bolwerk deelplan 4-West, deelplan 6 & Rand Bolwerk. Op basis van deze onderzoeken zijn de betreffende deelgebieden vrijgegeven, maar het onderhavige plangebied is vanwege het ontbreken van betredingstoestemming destijds niet onderzocht. Verder valt het onderhavige plangebied valt binnen de begrenzing van enkele onderzoeken die al eerder binnen het gebied hebben plaatsgevonden. De oudste onderzoeken binnen het gebied zijn de grootschalige veldverkenningen en booronderzoeken voor de plangebieden Oude Leede uit 1990 (Zaak ID 2092613100)17 en voor de Randstadrailverbinding Zoetermeer-Rotterdam uit 1996 (Zaak ID 2026022100), die hierboven al zijn genoemd.18 Voor het plangebied is de 'Vindplaats 2', afkomstig van het booronderzoek uit 1999 (Zaak ID 2212047100) het meest van belang. Het betreft een grote zone (ca. 2 ha) waarin in 13 boringen houtskool is aangetroffen, ruim 4 m onder maaiveld (ruim 9,50 m - NAP). Het rapport vermeldt: "Hier is onder de Afzettingen van Calais III veen (Hollandveen) aangetroffen, gelegen op klei.
In het profiel is zichtbaar, dat twee geulen zijn ingesneden in een veen-op- kleipakket. In beide geulen is eerst klei afgezet. Vervolgens is in de noordelijke geul zandige klei en in de zuidelijke geul zand afgezet. Het duidt bij beide geulen op twee fasen in de sedimentatie. Eerst is bij een geringe stroomsnelheid klei afgezet. De geulen slibden langzaam dicht. Ook het veen raakte met klei overdekt. Daarna volgden de zandige afzettingen. Het water, dat het
17 Visscher 1990. 18 Oude Rengerink 1996.
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2436, definitief, versie 2.0, d.d. 29 juni 2023
19
V23-5353: Archeologisch en cultuurhistorisch vooronderzoek Lies Frankenweg 1 te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland
sediment meevoerde, heeft daarbij waarschijnlijk deels de oude geulen gevolgd. Door de aanwezigheid van de geulen in het veen-op-kleigebied werd het gebied ontwaterd, waardoor activiteiten op de klei of op het veen konden plaatsvinden. In vindplaats 2 is houtskool op twee niveaus aangetroffen: één in de top van de klei, het andere niveau in de top van het veen. Gezien de bodemopbouw kunnen de houtskoolresten in het Neolithicum geplaatst worden. Hoe de "bult van veen-op-klei" tussen twee geulen landschappelijk benoemd moet worden, is niet duidelijk. Er zijn geen oeverwallen herkenbaar. Mogelijk zijn de oeverwallen niet herkenbaar door erosie, of misschien mogen we aan het volgende denken. Geulen hebben zich onder invloed van de zeespiegelstijging ingesneden in het landschap, maar de stijging verliep zo snel, dat oeverwallen niet tot ontwikkeling konden komen. Deze redenering volgend, zal het gebied door de relatief snelle zeespiegelstijging slechts incidenteel en dan nog kortstondig toegankelijk zijn geweest, misschien slechts enkele jaren. Mensen gingen toch voor korte activiteiten het gebied in, zoals bijvoorbeeld de vindplaats bij Bergschenhoek aantoont."19 Zoals vermeld zijn bij het booronderzoek uit 2020 verder geen archeologische indicatoren aangetroffen, zodat is geadviseerd hier geen verder onderzoek uit te voeten.
Langs het huidige plangebied is langs het spoor en bij het station nog een aantal onderzoeken uitgevoerd, waaronder een booronderzoek uit 2005 (Zaak ID 2101311100) en twee begeleidingen in 2007 (Zaak ID 2148885100 en 2175330100); alle drie in het kader van het AHR-leiding tracé Berkel en Rodenrijs-Delft. Deze rapporten waren niet traceerbaar in Archis of het E-depot. In 2012 is binnen deelplan 7, direct aan de zuidzijde van het huidige plangebied, een bureau- en booronderzoek uitgevoerd (Zaak ID 2364109100).20 Aan het maaiveld van het betreffende plangebied liggen de kleiige dekafzettingen van de Gantel, een getij-inbraak uit de IJzertijd. In het gebied liggen twee ZW-NO lopende geulen van dit systeem, opgevuld met zandiger, sterk geband materiaal. Onder deze afzettingen liggen vaak weer kleiige afzettingen. Deze gaan rond 3 m -mv (680 en 460 cm -NAP) geleidelijk over in veen. Onder het veen is in een boring het Laagpakket van Wormer bereikt. Het veen ligt op ongeveer 3 m -mv (680 en 460 cm -NAP), de overgang is meestal niet erosief. In vrijwel het hele plangebied is de bodemopbouw goed intact. Zeer lokaal is de top van het veen geërodeerd. De kleien tussen de kreekgeulen zijn slap en ongerijpt, het is dus zeer onwaarschijnlijk dat hier bewoning heeft plaatsgevonden.
Hoewel de bodem in vrijwel het gehele plangebied intact is, zijn geen aanwijzingen voor duidelijke bodemvorming aangetroffen. Evenmin zijn archeologische indicatoren aangetroffen. De gebieden tussen de kreekgeulen waren zeer waarschijnlijk te nat voor bewoning; het is zeer aannemelijk dat men zich ook niet op de kreekgeulen en -ruggen heeft gevestigd. In dit verband kan worden verwezen naar de onderzoeksresultaten van het proefsleuvenonderzoek naar deelplan 10, middenin het deelplan 7. Op basis van dit proefsleuvenonderzoek werd geconstateerd dat de locatie deelplan 10 in een ver verwijderd gelegen zijtak van het Gantelsysteem was gelegen, ongeschikt voor bewoning. In 2005 is nog wat verder naar het zuiden (ten zuiden van deelplan 7) binnen de locatie LOLL5 een booronderzoek uitgevoerd (Zaak ID 2073919100).21 Hier zijn over een lengte van 650 x 35 m in totaal 56 boringen gezet. Er zijn daarbij geen vindplaatsen aangetroffen. De trefkans op sporen uit het Neolithicum werd voor LOLL5 (nog steeds) als middelhoog ingeschat; de verwachting op het aantreffen van vindplaatsen uit de Romeinse tijd als laag omdat de ongerijpte klei uit deze periode te slap is geweest voor vestiging van de bewoning. Deze verwachting werd ook geëxtrapoleerd voor deelplan 10. Op basis van het onderzoek werd voorgesteld voor LOLL5 geen verder onderzoek uit te voeren.
Vervolgens zijn binnen deelplan 10 een tweetal kleine booronderzoeken uitgevoerd: aan de Industrieweg 113/119 in 2007 (Zaak ID 2157365100)22 en aan de Industrieweg 119 in 2009 (Zaak ID 2209204100).23 Tijdens beide onderzoeken werd een fosfaathoudende laag aangetroffen die mogelijk verband hield met langdurige menselijke aanwezigheid in de omgeving vanaf de Romeinse tijd. Geadviseerd werd om op beide locaties een kleine proefsleuf aan te leggen. Het onderzoek voor (het gehele) deelplan 10 vond uiteindelijk plaats door het aanleggen van negen* * * * *
19 Peters 2000, 13-14. 20 Weerheijm/Pierik 2012. 21 Koot/Reneerkens 2005. 22 Verschoor et al. 2007. 23 Louwe et al. 2009.
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2436, definitief, versie 2.0, d.d. 29 juni 2023
20
V23-5353: Archeologisch en cultuurhistorisch vooronderzoek Lies Frankenweg 1 te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland
proefsleuven door ADC in 2010 (Zaak ID 2310584100).24 Tijdens dit onderzoek werden geen archeologische sporen of vondsten aangetroffen. Op basis van de bodemopbouw werd geconstateerd dat het onwaarschijnlijk was dat er zich binnen het plangebied bewoningssporen hebben bevonden. De locatie deelplan 10 lag in een ver verwijderd gelegen zijtak van het Gantelsysteem en was waarschijnlijk te nat voor bewoning. Wat verder naar het zuidwesten is in 2003 een booronderzoek uitgevoerd (Zaak ID 2206783100).25 Bij dit onderzoek zijn in een groot aantal boringen geul- en oeverafzettingen gevonden, maar werd geconstateerd dat de precieze loop van de stroomdraden van de geulen niet te herleiden waren uit het booronderzoek. 2.2.4
Tweede Wereldoorlog
Het plangebied ligt niet in een zone waar tijdens de Tweede Wereldoorlog sprake is geweest van gevechtsacties. Het plangebied ligt op de Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME) niet binnen een zone waarin een verhoogde verwachting op het aantreffen van militair erfgoed bestaat.26 Op de IKME staan binnen het plangebied geen resten van ondergronds en bovengronds militair erfgoed. Wel kunnen in deze zone in zijn algemeenheid resten worden verwacht van kleinere objecten en structuren zoals crashlocaties, veldgraven en onderduikholen. Er zijn hiervoor echter geen aanwijzingen. Er zijn ook geen historische luchtfoto's beschikbaar waarop eventuele bijzonderheden te zien zijn.27
2.2.5
Gespecificeerde archeologische verwachting
Het bureauonderzoek heeft tot doel na te gaan of er al archeologische vondsten of waarnemingen in het plangebied bekend zijn en om een gespecificeerde archeologische verwachting te bepalen. Binnen het plangebied komen naar verwachting geul- en dekafzettingen van het getijsysteem van de Gantel aan maaiveld voor: De zandig opgevulde geullichamen van de Gantel hebben een middelhoge verwachting vanaf de Late IJzertijd tot de Nieuwe tijd. Onder de dekafzettingen wordt binnen 3 m - mv veen verwacht. Bovenop het veen kunnen bewoningssporen uit de IJzertijd/Romeinse tijd worden aangetroffen. Onder het veen (ongeveer 4-5 m - mv) ligt het Laagpakket van Wormer. Op de zandige geulen kunnen Neolithische vondsten verwacht worden. Binnen het plangebied is ook nog sprake van een puntlocatie met de resten van een watermolen en historische bebouwing vanaf het begin van de 19e eeuw (perceel Lies Frankenweg 1). Deze verwachting kan als volgt worden samengevat: 1. -
2. -
Datering middelhoge archeologische verwachting op archeologische resten uit het Neolithicum tot en met de Late Middeleeuwen/Nieuwe Tijd, met de nadruk op het Neolithicum, en eventueel IJzertijd/Romeinse tijd. Resten uit de Late Middeleeuwen kunnen in theorie worden verwacht, maar daarvoor zijn geen aanwijzingen op basis van het beschikbare cartografische materiaal. een hoge archeologische verwachting op archeologische resten uit de Nieuwe tijd (bebouwing en oude watermolen). Een lage archeologische verwachting voor resten uit het Neolithicum tot en met de Late Middeleeuwen/Nieuwe Tijd voor de rest van het plangebied. Complextype Nederzetting: (Semi-permanente) huisplaats Neolithicum
24 Loopik/Huizer 2011. 25 Kruidhof 2003. 26 http://www.ikme.nl/. 27 https://nimh-beeldbank.defensie.nl/.
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2436, definitief, versie 2.0, d.d. 29 juni 2023
21
V23-5353: Archeologisch en cultuurhistorisch vooronderzoek Lies Frankenweg 1 te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland
-
3. 4. 5. -
6. 7. -
8. 2.3
Nederzetting: huisplaats Ijzertijd tot en met de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Binnen het plangebied is aantoonbaar sprake van historische bebouwing uit de Nieuwe tijd, waaronder een molenaarswoning en een molen. Omvang 50-1000+ m2 (semi-permanente) huisplaats Neolithicum. 500-2000 m2 huisplaats IJzertijd t/m Late Middeleeuwen 150 m2 Historische bebouwing Nieuwe tijd 100 m2 molenplaats Diepteligging (Semi-permanente) huisplaats Neolithicum: ca. 4-5 m -mv Nederzetting: eventuele resten uit de Nieuwe tijd kunnen direct vanaf het maaiveld worden aangetroffen. Molenplaats: eventuele resten uit de Nieuwe tijd kunnen direct vanaf het maaiveld worden aangetroffen. Gaafheid en conservering Waarschijnlijk goed. De grondwaterstand is in dit gebied relatief hoog waardoor organische resten (vondsten en paleobotanische resten) zeer waarschijnlijk goed bewaard zijn gebleven, met name in dieper gelegen sporen. Locatie binnen het gehele plangebied kunnen archeologische resten worden verwacht, met daarbij resten van historische bebouwing. Uiterlijke kenmerken Jachtkampjes: sporen van haardkuilen, vuursteen concentraties.
Nederzetting: voor Neolithicum t/m Vroege Middeleeuwen een spreiding van vondstmateriaal zoals aardewerk, dierlijk bot, bewerkt natuursteen, metaal etc., en sporen zoals (verkavelings)greppels, paalgaten en afvalkuilen; voor de Late Middeleeuwen aangevuld met periode specifiek keramiek (aardewerk/steengoed/porselein) en bouwmateriaal (baksteen/dakpan), glas, natuursteen. Organische materialen, zoals leer, bewerkt of constructiehout, en textiel kunnen met name in diepe sporen goed bewaard zijn gebleven. Historische bebouwing Nieuwe tijd: nederzettingsresten zoals hierboven, aangevuld met funderingen, kelders, vloeren, uitbraaksleuven etc. Mogelijke verstoringen Het gebied is waarschijnlijk relatief onverstoord. Advies vervolgonderzoek (LS05)
Voor het plangebied geldt op basis van de beschikbare landschappelijke en archeologische gegevens een middelhoge/hoge verwachting voor met name archeologische resten uit het Neolithicum, en mogelijk IJzertijd/Romeinse tijd en Late Middeleeuwen/Nieuwe tijd. Geadviseerd wordt hier een verkennend booronderzoek uit te voeren met een dichtheid van 10 boringen per hectare, met behulp van een edelmanboor diameter 7 cm (onder grondwater guts diameter 3 cm). Dit komt neer op ca. 4 boringen. Voor het plangebied geldt verder een verwachting op het aantreffen van resten uit de Nieuwe tijd. Hiervoor is een booronderzoek in principe niet de meest geëigende prospectiemethode. Geadviseerd wordt een vervolgonderzoek door middel van proefsleuven uit te voeren, met het oog op de mogelijk aanwezige resten van historische bebouwing vanaf het begin van de 19e eeuw. Voorafgaand aan een proefsleuvenonderzoek dient altijd eerst een Programma van Eisen te worden opgesteld dat de goedkeuring behoeft van het bevoegd gezag. Wel kan het terrein alvast worden 'verkend' door middel van het plaatsen van boringen met een prikstok, om te kijken of er zich op de locaties waar op basis van het historisch kaartmateriaal sprake is van bebouwing nog puinresten onder het maaiveld bevinden.
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2436, definitief, versie 2.0, d.d. 29 juni 2023
22
V23-5353: Archeologisch en cultuurhistorisch vooronderzoek Lies Frankenweg 1 te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland
3 Inventariserend veldonderzoek en veldverkenning 3.1
Doelstelling
Het doel van het inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen en de veldverkenning was het toetsen en aanvullen van de archeologische verwachting, en de mate van verstoring in kaart te brengen. Aan de hand van het booronderzoek en de veldverkenning zijn voor zover mogelijk de volgende onderzoeksvragen beantwoord: - wat zijn de geo(morfo)logische en bodemkundige kenmerken van de ondergrond van het plangebied? - in hoeverre is de oorspronkelijke bodemopbouw intact met het oog op de eventuele aanwezigheid en gaafheid van archeologische vindplaatsen? - bevinden zich in de ondergrond van het plangebied archeologische indicatoren en zo ja, waaruit bestaan deze? - valt op basis van booronderzoek en veldverkenning vast te stellen of er binnen het plangebied sprake is van historische bebouwing, met name eventuele voorgangers van de molenaarswoning en de molenlocatie ? - wat was de archeologische verwachting voorafgaand aan het onderzoek en wat is deze na het booronderzoek? - geven de resultaten van het veldonderzoek aanleiding tot vervolgstappen in het kader van de planontwikkeling in relatie tot de archeologische monumentenzorg?